Vaststelling selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Type Archiefselectielijst
Publication 2004-10-30
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december 2003, nr. arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Cultuurbeheer over de periode 1945–2000’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor het beleidsterrein cultuurbeheer in de periode 1945–2000

Vastgestelde versie: juni 2004

Beschrijving beleidsterrein cultuurbeheer

Het beleidsterrein cultuurbeheer beslaat het beleid ten aanzien van de roerende zaken die deel uitmaken van het culturele erfgoed in Nederland. Hierbij gaat het om de museale collecties en de archieven.

Het culturele erfgoed valt te onderscheiden in:

Het beleid van de overheid ten aanzien van deze collecties is verschillend. Zo is de overheid direct betrokken bij het beheer van de Collectie Nederland. De culturele voorwerpen van het Rijk werden, voor zover niet ingeschreven in de inventaris van de rijksmusea, voorheen beheerd door de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) hetgeen is overgenomen door het Instituut Collectie Nederland (ICN). De voormalige rijksmusea vielen voorheen onder de overheid maar zijn in 1995 verzelfstandigd en tot stichtingen omgevormd. Hierdoor zijn ze met name betreffende de bedrijfsvoering zelfstandig geworden. De financiering van deze stichtingen is echter nog steeds (grotendeels) in handen van de overheid en hun collecties zijn staatsbezit. De overheid is bij de particuliere musea en instellingen veel minder direct betrokken. De financiering gaat (deels) via de Mondriaan Stichting (die weer geld van de overheid krijgt) en verder bemoeit de overheid zich niet met deze instellingen.

Behalve het onderscheid tussen de bovengenoemde categorieën collecties kan er ook een onderscheid gemaakt worden tussen het cultuurbeheer op nationaal en internationaal niveau. Het nationale beleid van de overheid inzake het cultuurbeheer is begonnen als een reactie op de kunstroven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om geroofde stukken gemakkelijker terug te kunnen brengen, werden er internationale afspraken gemaakt, die niet binnen de afbakening van dit onderzoek vallen. De enige naoorlogse regelgeving in Nederland op het gebied van cultuurbeheer bestond uit het Deviezenbesluit 1945 en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977.1Het Deviezenbesluit 1945 (Stb. 1945/F 222) en de Deviezenbeschikking uitvoer kunstschatten 1977 (Stcrt. 1977/95) worden in het RIO betreffende deviezenverkeer behandeld. Hierin werd bepaald dat de export van schilderijen met een waarde boven f 20.000 en alle overige kunstschatten met een waarde boven f 80.000 alleen was toegestaan met een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Cultuur. De controle hierop was in handen van de ambtenaar der invoerrechten en accijnzen.2M. Mooij-van de Willigen, Wet tot behoud van cultuurbezit. Wet van 1 februari 1984, Stb. 49, houdende vaststelling van de Wet tot behoud van cultuurbezit met aantekeningen, aan de parlementaire stukken ontleend, alfabetisch register en bijlagen. Nederlandse Staatswetten: editie Schuurman & Jordens; 52A (Zwolle 1996), Xff. Toen in 1980 de Wet inzake de financiële betrekkingen met het buitenland werd ingevoerd zijn deze beide besluiten vervallen.3Wet van 28 mei 1980 (Stb. 1980/321). De lacune die hierdoor is ontstaan is door de Wet tot behoud van cultuurbezit (Stb. 1984/49) opgevuld. Deze wet bevat maatregelen die moeten voorkomen dat voorwerpen van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis verloren gaan voor het Nederlandse cultuurbezit. Het gaat hierbij om voorwerpen in bezit van particuliere instellingen en private rechtspersonen. Voorwerpen uit de verzelfstandigde rijksmuseale collecties en voorwerpen in bezit van musea van lagere overheden vallen niet onder deze wet. Deze zijn immers eigendom van de overheid.

Bij de Wet tot behoud van cultuurbezit wordt uitgegaan van een lijst van beschermde cultuurgoederen. 4Er wordt in de diverse wetten en regelgevingen verschillende termen gehanteerd zoals (kunst)voorwerpen, (beschermd) cultuurgoed en beschermde (culturele) voorwerpen. In dit rapport wordt de term die momenteel gehanteerd wordt gebruikt: namelijk beschermd(e) cultuurgoed (eren). Culturele voorwerpen op deze lijst mogen het land niet uit opdat ze voor het Nederlandse erfgoed behouden blijven. Alleen met een vergunning van de overheid kunnen deze tijdelijk naar het buitenland worden gebracht. Voor de eigenaar van beschermde cultuurgoederen betekent plaatsing op de lijst aan de ene kant een beperking van vrijheid van handelen, maar aan de andere kant officiële erkenning van het culturele belang van zijn bezit en grotere kans op teruggave bij diefstal. De wet zal de sterk toegenomen aantallen diefstallen niet kunnen voorkomen, maar de meldingsplicht en de beschrijving die erin zijn voorzien vergemakkelijkt de opsporing van het gestolen voorwerp.

De basis voor het internationale beleid vormt de op 15 maart 1993 ingevoerde richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74). De daarmee samenhangende verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395) is op 30 maart in werking getreden. Deze regels zijn complementair. De verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen. De richtlijn regelt de teruggave van goederen die onrechtmatig buiten een Lidstaat zijn gebracht. Met behulp van deze regelingen zijn cultuurgoederen, die onder de Wet tot behoud van cultuurbezit vallen en het grondgebied van Nederland hebben verlaten, op betrekkelijk eenvoudige wijze terug te vorderen. Het voorgeschreven teruggavesysteem geldt uitsluitend tussen de lidstaten van de Europese Unie (EU).

Om de achterstanden in collectiebeheer en -behoud bij musea en rijksarchieven in te lopen initieerde het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1990 het Deltaplan voor het Cultuurbehoud. Dit had een looptijd van 10 jaar.

Naast het behoud van het cultuurbezit in Nederland is er in de loop van de jaren negentig nog een andere kwestie bijgekomen, namelijk die van selectie. De depots van de archieven en de (rijks)⁠musea zijn vol, waardoor selectie van de collecties noodzakelijk is geworden. De selectie van de overheidsarchieven heeft zijn vorm gekregen in het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT), dat in 1991 van start ging.

Over hoe selectie van de (rijks)⁠museale collecties vorm moet krijgen wordt nog steeds nagedacht en gediscussieerd. Pogingen om te ‘ontzamelen’ of te ‘vervreemden’ van (rijks)museale werken heeft veel weerstand opgeroepen. Een belangrijke kwestie hierbij is het doel waarmee stukken worden afgestoten. Gebleken is dat er werken in de ‘verkoop’ zijn gedaan om met de opbrengst ervan het (rijks)museum op te knappen en niet om een collectie zelf te verbeteren. Een ander probleem is het selectieproces zelf. Een kleine groep bepaalt wat er afgestoten wordt, zij het altijd met de toestemming van de (rijks)⁠museumdirecteur. Deze is namelijk door de Minister van Cultuur gemachtigd te bepalen wat wel en niet in de verkoop mag. Het ICN heeft hiervoor in 1999 een leiddraad opgesteld. Daarnaast heeft de International Council of Museums (ICOM) al in 1987 een (meer algemene) gedragslijn voor museale beroepsethiek ontwikkeld die ook in Nederland gevolgd wordt en waarvan in 1991 een Nederlandse vertaling is verschenen (door de Nederlandse Museumsvereniging NVM).

Actoren op het beleidsterrein cultuurbeheer

De Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen adviseert de Minister van Financiën omtrent verzoeken voor kwijtschelding van successierechten indien kunstvoorwerpen worden overgedragen aan de Staat. Deze verzoeken worden door een (rijks)museale instelling ingediend.

De commissie is per 1 januari 1997 ingesteld op basis van Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 en valt onder de Minister van Financiën. De commissie is gevestigd te Den Haag. Zij bestaat uit 3 leden, waarvan één de voorzitter is. Deze leden worden bij Kb benoemd en worden voorgedragen door de Minister van Financiën en de Minister van Cultuur. De vergaderingen van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen worden bijgewoond door het hoofd van het ICN, die een raadgevende stem heeft.

De taak van deze commissie (1985–1996) was het adviseren van de Minister van Cultuur bij het beslissen over de toekenning van de subsidie aan een (rijks)museale instelling voor de aankoop van een kunstwerk. Haar taak werd geregeld in de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van musea (Stb. 1985/104) en de Tijdelijke aankoopsubsidieregeling moderne beeldende kunst ten behoeve van kunstmusea (Stb. 1989/141). Zij was gevestigd in Den Haag.

In 1997 werd de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit ingesteld op basis van de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378). Deze commissie had als taak het aanbevelen van mogelijke bijstellingen van de Wet tot behoud van cultuurbezit. Zij voerde haar taak uit op basis van een evaluatie van de werking van de Wet tot behoud van cultuurbezit en op basis van verkenningen binnen de sector van het cultureel erfgoed. Hoewel de Raad voor Cultuur het adviescollege voor het cultuurbeleid is, is destijds besloten de evaluatie en herziening van Wet tot behoud van cultuurbezit door een onafhankelijke commissie te laten doen, omdat de Raad voor cultuur ook onder deze wet valt en hij zich anders zelf zou moeten beoordelen.

De adviestaak van de commissie was eenmalig en tijdelijk. Haar eindrapport zou voor 1 juli 1998 aan de Minister van Cultuur moeten worden uitgebracht. In 1998 werd deze datum verlengd tot 1 januari 1999. Daarna is de commissie opgeheven en zijn de archiefbescheiden overgebracht naar het Ministerie waaronder het cultuurbeheer valt.5Inmiddels heeft de Staatssecretaris op 19 juli 2000 een brief ‘Evaluatie van de Wet tot behoud van cultuurbezit’ aan de Tweede Kamer gestuurd. Deze commissie was gevestigd in Amsterdam.

De Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten verplichtte het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds tot overdracht van een deel van het vermogen aan aan de instelling die de taken van het ABP overnam. De overdrachtssom werd bepaald op grond van de aanspraken op ouderdomspensioen die ten behoeve van de personeelsleden waren opgebouwd.

Aan het hoofd van de Rijksarchiefdienst (RAD) staat de algemene rijksarchivaris. Deze dienst heeft als taken:

Met de invoering van de Archiefwet 1962 in 1968 werd de Archiefraad ingesteld. Deze had als taken:

In 1990 ging de Archiefraad op in de Raad voor het Cultuurbeheer, later de raad voor Cultuur. De raad was gevestigd te Den Haag.

De Arrondissementsbank Den Haag speelt een rol bij alle geschillen inzake voorwerpen die onder de Wet tot behoud cultuurbezit vallen. Hiervoor wordt advies ingewonnen van deskundigen.

In dit onderzoek worden hiermee de algemene rijksarchivaris (als beheerder van de algemene rijksarchiefbewaarplaats) en de rijksarchivarissen in de provincie bedoeld. De beheerder van een rijksarchiefbewaarplaats zorgt ervoor dat de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat gebracht en bewaard worden en stelt ze beschikbaar aan onderzoekers. De Minister van Cultuur draagt als zorgdrager de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de rijksarchieven.

Bij de instelling van de Raad voor cultuur verzocht de Minister van Cultuur de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur hem eenmalig te adviseren over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur of van commissies van de Raad voor cultuur. Daarna is deze adviestaak overgenomen door de Raad voor cultuur voor de periode 1995 tot 1997. Per 20 november 1996 is de benoemingen-adviescommissie leden Raad voor cultuur wederom ingesteld met als taak het adviseren van de Minister van Cultuur over de omvang en de samenstelling van de Raad voor cultuur en zijn commissies. De commissie is gevestigd in Den Haag.

Deze in 1993 ingestelde commissie adviseerde de Minister van Cultuur inzake bezwaren tegen de verzelfstandiging van de rijksmusea.

Op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) was dit college bevoegd te beslissen op het beroep van een afgewezen kandidaat tegen het besluit van de examencommissie.

Op basis van de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34) zou een commissie worden ingesteld die de Minister van Cultuur zou moeten adviseren over de normen die in acht genomen moesten worden bij de aanwijzing van objecten van (bijzondere) culturele waarde. Daarnaast zou deze commissie de Minister van Cultuur en het hoofd van de RBK adviseren over andere zaken inzake objecten van culturele waarde. Deze commissie heeft echter nooit gefunctioneerd.8Uit: interview met het Hoofd van de Inspectie Cultuurbezit, mevr. Ch. E. Rappart-Boon, d.d. 13 juni 2000.

De Commissie Nota Archiefbeleid werd in 1976 ingesteld door de Directeur-Generaal voor Culturele Zaken van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. De opdracht aan de commissie luidde: een nota samen te stellen voor het toekomstig beleid van de rijksoverheid ten aanzien van het archiefwezen, die zou kunnen resulteren in een principiële herziening van de Archiefwet 1962 en het Archiefbesluit. De commissie stelde tal van subcommissies in voor deelstudies. Het werk van de commissie resulteerde in 1982 tenslotte in de Discussienota Archiefbeleid.

De RBK werd bijgestaan door de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. Deze commissie werd op basis van de Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/91) in 1984 ingesteld om:

In 1997 is de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst opgeheven. De commissie was gevestigd in Den Haag.

Deze in 1999 ingestelde commissie adviseert de Raad voor Cultuur inzake bezwaar- en klaagschriften.

De Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De Commissie stelde richtlijnen voor het in bruikleen geven van verspreide kunstvoorwerpen in bezit van het Rijk vast. Daarnaast bepaalde de commissie welke voorwerpen van het Rijk kunstvoorwerpen waren. Met de instelling van de RBK werd de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen werd op basis van het Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1949 ingesteld en ressorteerde onder de Minister van Cultuur. De leiding van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen was opgedragen aan de Rijksinspecteur voor roerende monumenten. Met de instelling van de RBK werd de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen in 1985 opgeheven.

De Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen inventariseerde alle aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen, die niet in de inventaris van een (rijks)museale instelling waren ingeschreven. Daarnaast gaf de dienst deze voorwerpen in bruikleen en hield zij toezicht op deze voorwerpen. Hieronder vielen ook de voorwerpen die langer dan een jaar in bruikleen waren gegeven en in de inventaris van een rijksmuseale instelling waren ingeschreven.

De Directeur van het Kabinet der Koningin is een zorgdrager in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de Hoge Colleges van Staat) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de Minister van Cultuur, in overleg met de directeur van het Kabinet der Koningin.

De examencommissie was op grond van het Tijdelijk examenreglement archivistiek (1996) belast met het afnemen van examens archivistiek A en B.

De Hoge Colleges van Staat zijn zorgdragers in de zin van de Archiefwet. Anders dan voor andere zorgdragers (behalve de directeur van het Kabinet der Koningin) worden de selectielijsten voor het Kabinet der Koningin niet bij ministerieel, maar bij koninklijk besluit vastgesteld. Dit geschiedt op voordracht van de Minister van Cultuur, in overleg met de betrokken colleges.

De Rijksarchiefinspectie (RAI) bestaat in de huidige vorm sinds 1 september 1997, als onderdeel van de Rijksarchiefdienst. In mei 2000 kreeg de Rijksarchiefinspectie een eigen hoofdinspecteur. De bevoegdheid tot het uitoefenen van toezicht werd door de Algemene Rijksarchivaris aan de hoofdinspecteur gemandateerd. In maart 2001 werd de Rijksarchiefinspectie bij wijziging van de Archiefwet (Stb. 2001, 131) formeel verzelfstandigd, en direct onder de SG van OCW geplaatst.

De Inspectie Cultuurbezit bestaat sinds 1993. Zij is begonnen als een afdeling van de RBK. In 1996 is zij organisatorisch van de RBK losgekoppeld en overgeheveld naar de departementale organisatie. Bij alle taken staat het behoud en de bescherming van het roerend cultureel erfgoed centraal. Zij is gevestigd te Den Haag.

De hoofdtaak van de Inspectie Cultuurbezit is toezicht houden op het behoud en beheer van een groot deel van het Nederlandse roerende cultuurbezit. Daarbij moet met name gedacht worden aan de collecties van de (verzelfstandigde rijks)musea en bepaalde waardevolle kerkelijke en andere particuliere kunstbezittingen in bezit van private rechtspersonen. Haar toezichtstaak bestaat uit:

Voor deze taak legt de Inspectie Cultuurbezit rechtstreeks verantwoording af aan de voor cultuur verantwoordelijke bewindspersoon. Naast deze toezichtstaken voert de Inspectie Cultuurbezit de volgende activiteiten uit:

Het Instituut Collectie Nederland (ICN) is tot stand gekomen in 1997 als een fusie van de RBK, het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap en de Opleiding Restauratoren. Niet alle taken van de RBK zijn door het ICN overgenomen. De inspectietaak van de RBK is namelijk in 1996 overdragen aan de Inspectie Cultuurbezit. De andere taken zoals collectiebeheer, collectiemobiliteit en advies zijn naar het ICN gegaan.

Het ICN heeft hiermee de volgende taken:10Deze informatie is afkomstig van de website van het ICN, URL: www.icn.nl/nederlands. Deze is geraadpleegd op 11 mei 2000 en de Kamerstukken II 1995/1996, 24 247, nr. 5.

Alle activiteiten van het ICN staan in het teken van het ondersteunen van de beheerders van cultureel erfgoed. Het ICN formuleert zijn taken in de volgende doelstelling: ‘Het Instituut Collectie Nederland is het centrale kennisinstituut voor collectiebehoud in Nederland. Het biedt aan alle verantwoordelijken voor openbaar en waardevol cultureel erfgoed op toepassing gerichte kennis en diensten aan, om de kwaliteit en effectiviteit van het materiële behoud en beheer van de Collectie Nederland te bevorderen… het Instituut Collectie Nederland: kennis voor beter beheer en behoud.’ 12ICN, Kennis voor beter beheer en behoud. Beleidsplan 1997-2000 (Amsterdam 1997), p. 10. Het ICN is hiermee met name een kennisinstituut.

Naast deze taken speelt het ICN een rol bij de selectie van de museale collecties. Met dit doel heeft de samen met de International Council of Museums (ICOM) een gedragslijn ontwikkeld die richtlijnen bevat wanneer een cultuurgoed wel of niet verkocht mag worden. Deze taak zal bij selectie van museale instellingen besproken worden. Het ICN is gevestigd te Amsterdam (kantoor) en Rijswijk (depot).

De Minister van Binnenlandse Zaken stelt elke vier jaar een verslag op over de doeltreffendheid en de effecten van de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378). Deze wet is voor het cultuurbeheer van toepassing op de Raad voor cultuur.

Met de actor de Minister van Cultuur worden achtereenvolgens bedoeld de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1945–1965), de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982), de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994) en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1994–). Aangezien cultuurbeheer in de periode 1945–2000 regelmatig van departement is veranderd is gekozen voor een meer neutrale aanduiding: de Minister van Cultuur.

De Minister van Defensie verstrekt subsidie aan (rijks)museale instellingen als het Legermuseum in Delft, het Marinemuseum in Den Helder en het Luchtvaart Museum in Soesterberg.

Met betrekking tot het cultuurbeheer speelt de Minister van Financiën een rol in de kwijtschelding van successierechten indien kunstvoorwerpen worden overgedragen aan de Staat. Een verzoek hiertoe kan worden ingediend door een (rijks)museale instelling. Daarnaast speelt de Minister van Financiën een rol bij de indemniteitsregeling en het cultuurbeheer op internationaal niveau.

De Minister van Justitie stelt samen met de Minister van Cultuur regels vast voor de overbrenging van notariële archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaatsen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat had op grond van de archiefwetten van 1918 en 1962 enkele bevoegdheden ten aanzien van archiefbescheiden van waterschappen, veenschappen en veenpolders (vaststellen vernietigingslijst, machtigen tot incidentele vernietiging en vervreemding).

De Minister van Cultuur stelt in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer regels vast voor de bouw, verbouwing, inrichting, verandering van de inrichting en ingebruikneming van archiefbewaarplaatsen (art. 13 Archiefbesluit 1995).

De minister-president kan regels stellen op grond waarvan in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan worden afgeweken van hetgeen in de archiefwet is bepaald voor de vernietiging van archiefbescheiden.

Beperkingen aan de openbaarheid van archiefbescheiden in archiefbewaarplaatsen kunnen in beginsel ten hoogste 75 jaar gelden. De Ministerraad kan evenwel bepalen dat archiefbescheiden waarop beperkingen aan de openbaarheid zijn gesteld met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten, langer dan 75 jaar niet-openbaar blijven.

De Mondriaan Stichting is op basis van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in 1993 ingesteld en is de rechtsopvolger van de Stichting Stimuleringsfonds Beeldende Kunsten te Amsterdam. Zij is gevestigd te Amsterdam. Deze organisatie begeeft zich op een breed terrein. Haar doel is het bevorderen van de ontwikkeling van de beeldende kunst en vormgeving en het stimuleren van de kwaliteit van de uitoefening van museale activiteiten.13Mondriaan Stichting, Jaarverslag 1998 (Gent 1999), p. 11. Op het terrein van het cultuurbeheer bevordert zij de kwaliteit van de uitoefening van museale activiteiten. Concreet gaat het hierbij om financiële ondersteuning voor:14Deze informatie is afkomstig van de website van de Mondriaan Stichting, URL: http://www.mondriaanfoundation.nl/watis.html, geraadpleegd: maart 2000.

De Mondriaan Stichting geeft subsidie aan projecten van de musea die niet structureel worden gesubsidieerd door de Minister van Cultuur, vrijwel alle niet-rijksmusea.16Regeling voor financiële ondersteuning van incidentele museale activiteiten (Stcrt. 1994/143). De (verzelfstandigde) rijksmusea vallen dus buiten het werkveld van de stichting.

De Minister van Cultuur heeft door middel van de Cultuurnota-procedure zeggenschap over het beleid en het instrumentarium van de Mondriaan Stichting. Verder heeft de rol van de Minister van Cultuur vooral betrekking op benoemen, ontslaan van bestuursleden, het goedkeuren van regelingen van de stichting en de eventuele ontbinding van de stichting. Met de beslissingen ten aanzien van de individuele subsidie-uitkeringen van de stichting bemoeit de minister zich niet. Zie voor de handelingen betreffende de Mondriaan Stichting ook het RIO Volgens de regelen der kunst besproken.17Zeegers, Volgens de regelen der kunst.

Het Openbaar Ministerie kan overgaan tot vervolging van bij of krachtens de Wet tot behoud van cultuurbezit strafbaar gestelde feiten. Daarnaast speelt het OM een rol bij de handhaving van de Verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395). Deze verordening beoogt de uitvoer van bepaalde categorieën cultuurgoederen buiten de EU te controleren door middel van een systeem van uitvoervergunningen.

Op basis van de Wet van 26 oktober 1995 (Stb. 1995/539)18Wet van 26 oktober 1995 (Stb. 1995/539), houdende wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de instelling van een adviesorgaan voor het beleid op het terrein van de cultuur (Raad voor cultuur). zijn in 1995 de Raad voor het cultuurbeheer, de Raad voor de Kunst, de Mediaraad en de RABIN samengevoegd tot één adviesorgaan: de Raad voor Cultuur.19De Raad voor de Kunst is reeds in het RIO Volgens de regelen der kunst besproken, zie hiervoor Zeegers, Volgens de regelen der kunst. De RABIN en de Mediaraad wordt in een apart RIO betreffende de Letteren, Bibliotheken en Media besproken. Per 1 januari 1997 is het adviesstelsel in Nederland herzien. Veel adviescolleges zijn opgeheven en opnieuw ingesteld. De Raad voor cultuur is op basis van de Herzieningswet adviesstelsel (Stb. 1996/377) opgeheven en vervolgens op basis van art. XXII van de Aanpassingswet herzieningswet adviesstelsel (Stb. 1997/63)20Dit is artikel bevat een wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/93) zoals laatst gewijzigd bij wet van 21 oktober (Stb. 1996/577). opnieuw ingesteld. Daarnaast is de wet- en regelgeving betreffende dit adviescollege herzien en valt deze per 1 januari 1997 grotendeels onder de Kaderwet adviesstelsel (Stb. 1996/378) en het Vergoedingenbesluit adviescolleges (Stb. 1996/583).

De Raad voor cultuur adviseert over algemeen verbindende voorschriften of het te voeren beleid van het Rijk op het terrein van het cultuurbeheer. Deze aanbevelingen wordt gegeven op aanvraag of op eigen initiatief. De Raad voor cultuur geeft desgevraagd advies aan de Minister van Cultuur, de Staten-Generaal of de ministers wie het mede aangaat over het cultuurbeleid van het Rijk. Daarnaast geeft hij uit eigen beweging advies aan de Minister van Cultuur of de ministers wie het mede aangaat over ontwikkelingen die verband houden met het cultuurbeleid van het Rijk. Het advies heeft betrekking op verschillende niveaus:21Deze informatie is afkomstig van de website van de Raad voor cultuur, URL: www.cultuur.nl/frames.html, geraadpleegd op 28 april 2000.

De Raad voor cultuur wil hiermee de ontwikkeling van cultuur stimuleren, het behoud van waardevol cultureel erfgoed bevorderen, de betrokkenheid bij cultuur vergroten en de vrijheid van expressie en communicatie waarborgen. Hij adviseert vanuit een zelfstandige en onafhankelijke positie ten opzichte van het ministerie waaronder het cultuurbeheer valt en het culturele veld. Ter uitvoering van zijn taak kan de Raad voor cultuur zich voor informatie wenden tot andere adviesorganen, bestuursorganen alsmede andere organisaties en personen. Adviezen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Leden met een afwijkende mening kunnen hun standpunt in een afzonderlijke nota bij het advies voegen. De leden van de Raad voor cultuur worden per Kb benoemd. De organisatie is gevestigd te Den Haag.

Op het terrein van het cultuurbeheer was de Raad voor de Kunst (1989–1992) o.a. belast met het adviseren van de Minister van Cultuur bij het beslissen over de toekenning van de subsidie voor de aankoop van een kunstwerk en het voordragen van leden van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. De Raad voor de Kunst is beschreven in het RIO Volgens de regelen der kunst.

De advisering op het terrein van cultuurbeheer was verdeeld over diverse adviesorganen, zoals o.m. de Monumentenraad, de Archiefraad en de Rijkscommissie voor de musea.22De Monumentenraad is in Van der Doe, Van monumentale waarde besproken. De Archiefraad en de Rijkscommissie voor de musea zijn elders in deze studie behandeld. In 1990 werd een vast college van advies ingesteld waarin de advisering over het beleid op het terrein van de archeologie, de archieven, de monumenten en de musea werd samengevoegd. Dit college, de Raad voor het cultuurbeheer geheten, had de taken van de Rijkscommissie voor de musea overgenomen. Tevens verving de Raad voor het Cultuurbeheer de Monumentenraad en de Archiefraad.23De archiefbescheiden van de Archiefraad, van de Monumentenraad en de Commissie van advies voor de natuurhistorische musea gaan over naar de Raad voor cultuurbeheer.

De Raad voor het cultuurbeheer bestond uit vier afdelingen:

De bevoegdheid advies uit te brengen berustte bij de Raad voor het cultuurbeheer, maar een Afdeling ervan bereidde de adviezen voor. De Raad voor het cultuurbeheer kon bepalen dat een Afdeling bevoegd was rechtstreeks aan de Minister van Cultuur advies uit te brengen. De leden van de Raad voor het cultuurbeheer werden per Kb benoemd. De organisatie was gevestigd te Den Haag. In 1995 ging het adviesorgaan op in de Raad voor Cultuur.

Op grond van richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74) kan de rechtbank de teruggave van het ontvreemde cultuurgoed gelasten. De rechtbank kan ook een vergoeding toekennen aan de bezitter van het ontvreemde cultuurgoed bij terugvordering. De bezitter moet dan bij verwerving van het ontvreemde cultuurgoed de nodige zorgvuldigheid hebben betracht.

In 1946 werd de Voorlopige Monumentenraad ingesteld waarin o.m. de voorheen zelfstandige Rijkscommissie voor de musea werd opgenomen.24Zie voor een uitgebreidere bespreking van de Monumentenraad: Van der Doe, Van monumentale waarde. In 1961 werd de Monumentenraad ingesteld die net als zijn voorganger uit vijf afdelingen bestond waaronder de Rijkscommissie voor de musea. In 1990 werd de Monumentenraad opgeheven. Haar taken (en ook die van de Rijkscommissie voor de musea) werden overgenomen door de Raad voor het Cultuurbeheer. Zij was gevestigd te Den Haag.

De taken van de Rijkscommissie voor de musea omvatten het desgevraagd of uit eigener beweging adviseren van de Minister van Cultuur inzake vraagstukken betreffende de Nederlandse musea.25Van der Doe, Van monumentale waarde, p. 86. Deze vraagstukken kunnen van algemene aard zijn en dus het totale Nederlandse museumbestel of sectoren daarvan betreffen, ze kunnen ook betrekking hebben op afzonderlijke instellingen of zelfs personen (voorgenomen benoemingen; voordrachten voor onderscheidingen). Aan de hand van de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet tot behoud cultuurbezit adviseert de Rijkscommissie voor de Musea de Minister van Cultuur:

De Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK) werd per 1 januari 1985 ingesteld als de opvolger van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen. In 1997 werd de dienst na de eerdere afsplitsing van de Inspectie Cultuurbezit opgeheven. Hij was gevestigd te Den Haag.

De RBK kende sinds de laatste reorganisatie per 1 januari 1993 drie onderdelen:

De RBK was op basis van het besluit van DGCZ van 18 december 1992, DBC-U-925038 bevoegd tot het verstrekken van vergunningen voor de uitvoer van cultuurgoederen buiten het grondgebied van (een lidstaat van) de EU of van een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

In 1996 is in verband met de in 1994/1995 voltooide verzelfstandiging van de Rijksmusea de Inspectie Cultuurbezit opgericht. Het bleek niet wenselijk de inspectietaak nog langer samen met de beheerstaak in één instelling onder te brengen. Daarom is besloten de afdeling Inspectie als een zelfstandige eenheid binnen het departement van de Minister van OCW onder te brengen. Op deze wijze wordt de gewenste scheiding tussen beleid, uitvoering en toezicht op het beleidsterrein van het roerend cultureel erfgoed zoveel mogelijk gerealiseerd. De andere taken van de RBK zijn bij het ICN ondergebracht, samen met die van het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschappen (CLO) en die van de Opleiding Restauratoren (OR).

Dit zijn respectievelijk: het Rijksmuseum voor de geschiedenis van de natuurwetenschappen en van de geneeskunde ‘Museum Boerhaave’ te Leiden, het Rijksmuseum Het Catharijneconvent, museum voor de christelijke Cultuur in Nederland te Utrecht, de Rijksdienst Kastelenbeheer te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Kröller-Müller te Otterloo, het Koninklijk Kabinet van Schilderijen ‘Mauritshuis’ te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum (Museum van het Boek) te ’s-Gravenhage, het Rijksmuseum Hendrik Willem Mesdag te ’s⁠-Gravenhage, het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden, het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, het Rijksmuseum Paleis Het Loo te Apeldoorn, het Rijksmuseum het Koninklijk Penningkabinet te Leiden, het Rijksmuseum te Amsterdam, het Rijksmuseum Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam, het Rijksmuseum Twenthe, museum voor kunst- en cultuurgeschiedenis te Enschede, het Rijksmuseum Vincent van Gogh te Amsterdam, het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden, het Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen, het Centraal Laboratorium voor onderzoek van voorwerpen van kunst en wetenschap te Amsterdam, de Opleiding Restauratoren te Amsterdam, het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ’s-Gravenhage en de Rijksdienst Beeldende Kunst te ’s-Gravenhage.26Bijlage behorende bij de Wet verzelfstandiging rijksmuseale instellingen (Stb. 1993/398).

Tot 1993 vielen de rijksmusea onder de Minister van Cultuur. In 1993 zijn ze verzelfstandigd in de vorm van stichtingen. De rijksverantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de rijksmusea is hierbij niet in het geding.27Cultuurbeleid in Nederland, p. 71ff. Net zo min als de collecties en gebouwen die rijkseigendom blijven. Daarnaast hebben de musea hun ‘eigen deel’ van de rijkscollectie in beheer gekregen via beheersovereenkomsten. Hierin is vastgelegd dat het toezicht namens de Staat op het beheer van deze collecties gehouden wordt door de Inspectie Cultuurbezit. De rijksmusea worden nog steeds grotendeels door de Minister van Cultuur bekostigd. De bekostiging van de verzelfstandigde rijksmusea vindt plaats op basis van vierjarige beleidsplannen, gekoppeld aan de Cultuurnota.

Het doel van de verzelfstandiging was de rijksmusea bedrijfsmatige zelfstandigheid te geven. Het personeel van de verzelfstandigde rijksmusea komt in dienst van de respectievelijke stichtingen en heeft niet langer de status van ambtenaar. Met de invoering van de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398) zijn de rijksmuseale instellingen vanaf 1994 autonoom in (de ontwikkeling van) hun beleidsformulering. Wel wordt verwacht dat zij rekenschap geven van het beleid zoals dat door de Minister van Cultuur – hetzij als eigenaar van de collecties en als subsidiegever of alleen als subsidiegever – wordt geformuleerd. Als gevolg van de verzelfstandiging hebben sommige rijksmusea het voorvoegsel ‘rijks’ laten vallen.

In 1997 werd een proefonderzoek gestart naar de herkomst van de collectie Nederlands Kunstbezit, de zogeheten NK-collectie. De NK-collectie bevat die kunstvoorwerpen die na de Tweede Wereldoorlog zijn gerecupereerd en om uiteenlopende redenen niet aan de oorspronkelijke rechthebbenden zijn of konden worden teruggegeven. Deze collectie wordt sinds 1949 door de rijksoverheid (het ICN) beheerd. Naar aanleiding van het proefonderzoek is besloten de hele NK-collectie op herkomstgeschiedenis te laten onderzoeken. De feitelijke onderzoekswerkzaamheden worden gedaan door het Projectbureau Herkomst Gezocht, dat organisatorisch wordt aangestuurd door de Inspectie Cultuurbezit. Daarnaast is er het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II ingesteld. Deze commissie heeft als taak:

Vanwege de directe betrokkenheid van de rijksoverheid bij de collectie (als beheerder van de collectie) is het nodig gebleken om een onafhankelijke adviescommissie in te stellen: het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II. De commissie bestaat uit een voorzitter en drie leden die worden bijgestaan door een secretariaat. Het Tijdelijk adviescollege herkomst kunstvoorwerpen WO-II streeft ernaar haar advies voor 1 januari 2002 uit te brengen, waarna zij wordt opgeheven. Zij is gevestigd te Den Haag.

Op basis van de Regeling financiële ondersteuning van het behoud van de universitaire collecties (1997) kunnen universiteiten een behoudsaanvraag van de universitaire collecties indienen bij de Mondriaan Stichting. De Minister van Cultuur beoogt duurzame verbetering van de behoudstaak in de Nederlandse universitaire instellingen te bevorderen en een bijdrage te leveren aan het wegwerken van achterstanden in passieve en actieve conservering van collecties die een belangrijk onderdeel vormen van de Collectie Nederland.

De actor Vakminister (dit zijn alle ministers) speelt een rol inzake het cultuurbeheer als zorgdrager van culturele voorwerpen en van archiefbescheiden.

Zorgdrager is een archiefwettelijk begrip, dat aangeeft welke overheidsorganen met de bestuurlijke zorg voor archiefbescheiden zijn belast. Dit zijn (op grond van de Archiefwet 1995):

In dit rapport worden alleen de handelingen meegenomen van zorgdragers die deel uit maken van de rijksoverheid. Naast de ministers zijn dit de Hoge Colleges van Staat en de directeur van het Kabinet der Koningin.

Doelstelling van de selectie en selectiecriteria

De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.

De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren (dat wil zeggen naar de Rijksarchiefdienst over te brengen) en de (op termijn) te vernietigen gegevens van de bedoelde organen.

De te bewaren gegevens moeten een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk maken.

In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijksoverheid met betrekking tot het beleidsterrein cultuurbeheer op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.

Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.

De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.

Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeldt het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in na expiratiedatum van de bescheiden of na afdoening van de neerslag, tenzij anders vermeld.

Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het Rapport Institutioneel Onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.

Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In april 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent van rijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. De nieuwe selectiecriteria onderscheiden zich van de oude criteria door een streven naar een duidelijker en eenduidige redactie van de formulering van de nieuwe criteria, teneinde de werkbaarheid te vergroten.

De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria.

De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden.

De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. Binnen het beleidsterrein cultuurbeheer is de noodzaak hiertoe niet aanwezig geacht.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

In juni 2003 is het ontwerp-BSD door de betrokken zorgdragers aan de Staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 2 juli 2003 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant.

Op 18 december 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2003.6426/2 en arc-2003.6517/2), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

Daarop werd het BSD op 5 juni 2004 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Minister van Algemene Zaken (C/S/04/1201), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S/04/1202), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S/04/1203), de Minister van Defensie (C/S/04/1204), de Minister van Economische Zaken (C/S/04/1205), de minister van Financiën (C/S/04/1206), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S/04/1208), de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S/04/1209), de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S/041210), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S/04/1211), de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S/04/1212), de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S/04/1213), de Algemene Rijksarchivaris (C/S/04/1225), de Rijksarchiefinspectie (C/S/04/1226), het Instituut Collectie Nederland (C/S/04/1224) en de openbare universiteiten (C/S/04/1214 t/m 1223), en op 15 september 2004 door de Minister van Justitie (C/S/04/2013) vastgesteld.

Het voorliggende Basisselectiedocument Cultuurbeheer bestaat uit een aantal selectielijsten in de zin van de Archiefwet 1995. De gewaardeerde handelingen van alle actoren die onder één zorgdrager vallen vormen samen een selectielijst.

In het onderstaande overzicht worden alle zorgdragers genoemd waarvan een selectielijst is opgenomen in dit BSD, met de onder hen ressorterende actoren vallen waarvoor de lijst wordt vastgesteld.

Daarnaast is een aantal andere zorgdragers actief op dit beleidsterrein die wel in het actorenoverzicht zijn genoemd, maar waarvan geen selectielijst is opgenomen in dit BSD. Het gaat hierbij deels om instellingen waarvoor de selectielijst afzonderlijk bij Koninklijk Besluit moet worden vastgesteld (Kabinet der Koningin, Hoge Colleges van Staat), en deels om overheidsorganen en ZBO’s die deze lijst (nog) niet zullen vaststellen (o.a. Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, Openbaar Ministerie, Rechtbanken, rijksmuseale instellingen).

Overzicht van zorgdragers met daaronder ressorterende actoren waarvoor de selectielijst Cultuurbeheer wordt vastgesteld:

– Minister van Binnenlandse Zaken

– Minister van Defensie

– Minister van Financiën

– Minister van Justitie

Daarnaast wordt de lijst door de volgende actoren onder de zorgdrager Minister van OCW zelfstandig vastgesteld:

– Rijksarchiefinspectie

– Minister van Verkeer en Waterstaat

– Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

– Universiteiten

– Instituut Collectie Nederland

Basisselectiedocument

De handelingen van deze lijst zijn doorlopend genummerd. Aangegeven worden:

Nr. (dit is het corresponderende nummer van de handeling binnen het RIO)

Handeling: –

Periode: –

Grondslag: –

Product: –

Waardering: Door middel van plaatsing van de letters B en V wordt een Waardering: gegeven voor het ‘Bewaren’ dan wel ‘Vernietigen’ van de neerslag van de handeling. Bij de handelingen die met een B gewaardeerd zijn wordt het selectiecriterium vermeld dat tot dat voorstel geleid heeft. De te bewaren neerslag dient na afloop van de overbrengingstermijn overgebracht te worden naar de Rijksarchiefdienst in goede, geordende en toegankelijke staat. Bij de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt zo mogelijk de termijn aangegeven, waarna de vernietiging kan plaatsvinden.

A. Actoren waarvan de Minister van Algemene Zaken de zorgdrager is

Handeling: Het stellen van de regels op grond waarvan in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan worden afgeweken van hetgeen in het Archiefbesluit (Stb. 1968/200), respectievelijk in de Archiefwet 1995 is bepaald voor de vernietiging van archiefbescheiden

Periode: 1968–

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 7, Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 9 lid 2

Product: Beschikking, regels

Waardering: B 6

Handeling: Het bepalen dat archiefbescheiden waarop beperkingen aan de openbaarheid zijn gesteld met het oog op het belang van de Staat of zijn bondgenoten, langer dan 75 jaar niet-openbaar blijven

Periode: 1996–

Grondslag: Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 15 lid 6

Product: Besluit

Waardering: B 5

B. Actoren waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de zorgdrager is

Handeling: Het overleggen met de Minister van Cultuur over de voorbereiding van algemene richtlijnen voor (het vaststellen van) vernietigingslijsten

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 1

Product: Notulen, brief

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling van een vernietigingslijst voor de archiefbescheiden van de Hoge Colleges van Staat en het Kabinet der Koningin

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 1, Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 3 sub a

Product: Kb

Opmerking: De vernietigingslijst wordt vastgesteld bij Kb.

Waardering: B 5

Handeling: Het gezamenlijk (met de Minister van Cultuur) vaststellen van een vernietigingslijst voor de archiefbescheiden van provinciale overheidsorganen

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 3, Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 3 sub d

Product: Vernietigingslijst

Waardering: B 5

Handeling: Het gezamenlijk (met de Minister van Cultuur) vaststellen van een vernietigingslijst voor de archiefbescheiden van gemeenten

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 4, Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 3 sub e

Product: Ministeriële regeling, vernietigingslijst

– Ministerieel Besluit d.d. 14 januari 1948, nr. 11995 van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in de gemeentearchieven dagtekenende van na 1850

Waardering: B 5

Handeling: Het gezamenlijk vaststellen (met de Minister van Cultuur) van een vernietigingslijst voor de archiefbescheiden van organen ingesteld bij een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 3 sub g

Product: Vernietigingslijst

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van de machtiging tot vernietiging van archiefbescheiden van de Hoge Colleges van Staat of het Kabinet der Koningin, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 1, Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 4 sub a

Product: Kb

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die nog niet naar een rijksarchiefbewaarplaats waren overgebracht en die niet vermeld stonden op een vernietigingslijst.

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot vernietiging van archiefbescheiden van provinciale overheidsorganen, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris, de rijksarchivaris in de provincie of de provinciale archiefinspecteur in

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 3, Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 4 sub d

Product: Machtiging

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die nog niet naar een rijksarchiefbewaarplaats waren overgebracht en die niet vermeld stonden op een vernietigingslijst.

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot vernietiging van archiefbescheiden van gemeenten, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris, de rijksarchivaris in de provincie of de gemeentearchivaris in

Periode: 1945–1995

Grondslag: Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. 1919/596), tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 der Archiefwet 1918 (Stb. 1918/378) zoals gewijzigd bij Besluit van 14 juni 1929 (Stb. 1929/316): art. 4, Archiefbesluit (1968/200): art. 3 lid 4 sub e

Product: Machtiging

Opmerking: Het betrof de vernietiging van niet op een vernietigingslijst voorkomende archiefbescheiden, ongeacht of deze al naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats waren overgebracht

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot vernietiging van archiefbescheiden van organen ingesteld bij een regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub g

Product: Machtiging

Opmerking: Het gaat hierbij om archiefbescheiden die nog niet in vernietigingslijsten zijn omschreven dan wel daarvoor niet in aanmerking komen.

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van de machtiging tot vervreemding, respectievelijk ruiling van archiefbescheiden van de Hoge Colleges van Staat en het Kabinet der Koningin, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub a j° art. 8 lid 2

Product: Kb

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die niet in een rijksarchiefbewaarplaats berustten.

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot vervreemding, respectievelijk ruiling van archiefbescheiden van provinciale overheidsorganen, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub d j° art. 8 lid 2

Product: Machtiging, brief

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die niet in een rijksarchiefbewaarplaats berustten.

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot vervreemding, respectievelijk ruiling van archiefbescheiden van gemeenten, tegen het advies van de algemene rijksarchivaris in

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 3 lid 4 sub e j° art. 8 lid 2 art. 8

Product: Machtiging, brief

Opmerking: Het ging hierbij om archiefbescheiden die niet in een rijksarchiefbewaarplaats berustten.

Waardering: B 5

Handeling: Het aanbevelen van één lid van het curatorium van de rijksarchiefschool

Periode: 1968–1995

Grondslag: Archiefbesluit (Stb. 1968/200): art. 33 lid 2, Archiefbesluit (Stb. 1968/200) zoals gewijzigd bij Besluit van 22 april 1987 (Stb. 1987/275): art. 28 lid 2

Product: Aanbeveling, brief

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het opstellen van een periodiek verslag over de doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk

Periode: 1997–

Grondslag: Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378): art. 30

Product: Verslag

Opmerking: Met de wet wordt de Kaderwet adviescolleges (Stb. 1996/378) bedoeld. Het verslag wordt elke vier jaar opgesteld en vervolgens aan de Staten-Generaal gezonden.

Waardering: B 2

C. Actoren waarvan de Minister van Defensie de zorgdrager is

Handeling: Het verstrekken van een subsidie aan de (rijks)museale instellingen

Periode: 1945–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 3, art. 4, art. 8 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub E), Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150): art. 2 (zoals gewijzigd bij Vaststelling Handboek financiële verantwoording cultuursubsidies (Stcrt. 1997/247): art. II sub B, zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV), art. 8 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Subsidie, beschikking

Opmerking: Vanaf 1994 wordt de subsidie ten hoogste voor een periode van vier jaar verstrekt, doch blijft binnen de periode waarvoor de cultuurnota geldt. Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten van (rijks)museale instellingen met toepassing van Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150). Per 1 januari 1998 kan de Minister van Cultuur hiervan afwijken mits de beschikking waarbij een subsidie wordt verstrekt de afwijking nadrukkelijk vermeld. Dit vervalt per 24 november 1999.

Waardering: V 7 jaar

D. Actoren waarvan de Minister van Financiën de zorgdrager is

Handeling: Het verstrekken van een subsidie aan de (rijks)museale instellingen

Periode: 1945–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 3, art. 4, art. 8 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub E), Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150): art. 2 (zoals gewijzigd bij Vaststelling Handboek financiële verantwoording cultuursubsidies (Stcrt. 1997/247): art. II sub B, zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV), art. 8 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Subsidie, beschikking

Opmerking: Vanaf 1994 wordt de subsidie ten hoogste voor een periode van vier jaar verstrekt, doch blijft binnen de periode waarvoor de cultuurnota geldt. Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten van (rijks)museale instellingen met toepassing van Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150). Per 1 januari 1998 kan de Minister van Cultuur hiervan afwijken mits de beschikking waarbij een subsidie wordt verstrekt de afwijking nadrukkelijk vermeld. Dit vervalt per 24 november 1999.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het beslissen over het verzoek om kwijtschelding van successierechten, de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen uit nalatenschappen gehoord

Periode: 1997–

Grondslag: Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (Stb. 1998/130): art. I

Product: Beschikking

Opmerking: Kwijtschelding van successierechten kan slechts worden verleend bij de overdracht van roerende goederen aan de Staat die:

Zie voorts: RIO Belastingen, de geheiligde schuld (Pivot-rapport nummer 65), handeling 392 en de daarop gebaseerde selectielijst.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, op voordracht van de Minister van Cultuur, voorbereiden van de benoeming van de leden van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen

Periode: 1997–

Grondslag: Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (Stb. 1998/130): art. I

Product: Kb

Opmerking: Zie voorts: RIO Belastingen, de geheiligde schuld (Pivot-rapport nummer 65), handeling 9 en de daarop gebaseerde selectielijst.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorzien in het secretariaat van de Adviescommissie beoordeling aangeboden cultuurbezit uit nalatenschappen

Periode: 1997–

Grondslag: Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (Stb. 1998/130): art. I

Product: Besluit

Opmerking: Zie voorts: RIO Belastingver(h)effend (Pivot-rapport nummer 19), handeling 157 en de daarop gebaseerde selectielijst.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het verklaren dat met betrekking tot een cultureel voorwerp kwijtschelding van successierechten van toepassing is

Periode: 1997–

Grondslag: Wijziging van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (Stb. 1998/130): art. I

Product: Verklaring

Opmerking: Zie voorts: RIO Belastingen, de geheiligde schuld (Pivot-rapport nummer 65), handeling 392 en de daarop gebaseerde selectielijst.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het overeenstemmen met de Minister van Cultuur bij het afgeven van een verklaring voor schadeloosstelling bij verlies of schade van tentoongestelde cultuurvoorwerpen

Periode: 1989–

Grondslag: Regeling indemniteit bruiklenen (Stcrt. 1989/4): 2 lid 1, Subsidieregeling indemniteit bruiklenen (Stcrt. 1996/11): art. 2 lid 1, art. 3

Product: Overeenstemming

Opmerking: Het gaat hierbij om dekking van uitgeleende voorwerpen ten behoeve van een tentoonstelling.

Waardering: B 1

Handeling: Het beperken van het aantal douanekantoren dat voor de vervulling van de uitvoerformaliteiten voor cultuurgoederen is bevoegd

Periode: 1993–

Grondslag: Verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395): art. 5 lid 1

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het mededelen aan de Europese Commissie welke de douanekantoren bevoegd zijn voor de vervulling van de uitvoerformaliteiten voor cultuurgoederen

Periode: 1993–

Grondslag: Verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395): art. 5 lid 2

Product: Brief

Opmerking: De Europese Commissie maakt bekend welke de douanekantoren bevoegd zijn voor de vervulling van de uitvoerformaliteiten voor cultuurgoederen bekend in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het nemen van maatregelen om in wederzijdse betrekkingen tussen de Lidstaten van de EU te zorgen voor samenwerking tussen de douaneautoriteiten en de bevoegde autoriteiten

Periode: 1993–

Grondslag: Verordening (EEG) nr. 3911/92 (PbEG L 395): art. 6

Product: Besluit, beschikking

Opmerking: De bevoegde autoriteiten zijn de in art. 4 van Richtlijn 93/7/EEG (PbEG L 74) bedoelde bevoegde autoriteiten.

Waardering: B 5

E. Actoren waarvan de Minister van Justitie de zorgdrager is

Handeling: Het voorbereiden / vaststellen van regels voor de overbrenging van notariële archiefbescheiden naar de rijksarchiefbewaarplaatsen

Periode: (1912) 1945–

Grondslag: Wet op het notarisambt (Stb. 1842/20) zoals gewijzigd bij Wet van 29 juli 1912 (Stb. 1912/195), de Archiefwet 1962 (Stb. 1962/313) en de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276): art. 69a

Product:

Opmerking: De notariële bescheiden die ouder zijn dan 75 jaar, worden binnen een tijdvak van 10 jaar overgebracht naar het rijksarchief in de provincie, waarbinnen de betrokken notaris zijn standplaats heeft gehad.

Zie voorts het RIO over het beleidsterrein Vermogensrecht, waarin ook de handelingen met betrekking tot het notarisambt zullen worden opgenomen.

Waardering: B 1

F. Actoren waarvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de zorgdrager is

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193): art. 3 lid 1, 2 en 3

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties – Cultuurnota

Opmerking: De Minister van Cultuur legt eenmaal per vier jaar aan de Staten-Generaal een cultuurnota voor. Deze bevat een verslag van de uitvoering van zijn taken, van de belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest, een beschrijving van de hoofdlijnen van het beleid en de te verwachten belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op het cultuurbeheer. Het verslag gaat vergezeld van een begroting.

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen

Periode: 1945–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: V 7 jaar m.u.v. de jaarverslagen: B 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het cultuurbeheer en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen

Periode: 1945–

Product: Beschikkingen, verweerschriften

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het cultuurbeheer en het voeren van verweer in bezwaarschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen

Periode: 1945–

Product: Beschikkingen, verweerschriften

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende het cultuurbeheer en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–

Product: Internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Product: Brieven, notities

Waardering: V 1 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V 5 jaar

Van gedrukt voorlichtingsmateriaal wordt één exemplaar bewaard B 5

Handeling: Het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Product: Nota’s, notities, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 31 lid 1

Product: Nota’s, notities

Waardering: V 2 jaar

Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het terrein van het cultuurbeheer

Periode: 1945–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193): art. 5 lid 1 sub e en lid 2 (zoals gewijzigd bij Aanpassingswet derde tranche Awb II (Stb. 1997/580): art. 4 sub D)

Product: Beschikkingen

Opmerking: Deze worden op aanvraag ten hoogste voor een periode van vier jaar verstrekt.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van de regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen ten behoeve van het behoud van het cultureel erfgoed

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193): art. 8 lid 1, 2 en 3 (zoals alle gewijzigd bij Aanpassingswet derde tranche Awb II (Stb. 1997/580): art. 4 sub G), art. 13

Product: Regels, Amvb;

– Besluit van 21 juni 1994 (Stb. 1994/473), houdende regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies en specifieke uitkeringen ten behoeve van cultuuruitingen (Bekostigingsbesluit cultuuruitingen)

Opmerking: Het ontwerp van een voordracht van een maatregel wordt in de Staatscourant geplaatst. Tot het moment van inwerkingtreding van art. 8 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193) kan de Minister van Cultuur regels stellen tot het verstrekken van subsidies en specifieke uitkeringen.

Waardering: B 1

Handeling: Het verbinden van voorschriften aan het verstrekken van specifieke uitkeringen ten behoeve van het behoud van het cultureel erfgoed

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193): art. 8 lid 4, Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 32 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub K)

Product: Voorschriften

Opmerking: Indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten op een terrein van cultuur waarvoor een sponsorcode is vastgesteld, kan de Minister van Cultuur bepalen dat de Mondriaan Stichting zich dient aan te sluiten aan de code. In 1998 worden de voorschriften gewijzigd in verplichtingen.

Waardering: B 5

Handeling: Het aanwijzen van personen die toezicht houden op de aan de subsidie-ontvanger opgelegde voorschriften.

Periode: 1993–

Grondslag: Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993/193) zoals gewijzigd bij Aanpassingswet derde tranche Awb II (Stb. 1997/580): art. 4 sub H onder 1

Product: Benoeming

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het stellen van nadere regels omtrent de aan verlening van bepaalde categorieën subsidies voor het cultuurbeheer te verbinden voorschriften

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 32

Product: Regels

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de leden van de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen

Periode: 1949–1985

Grondslag: Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen: art. 3

Product: Beschikking, benoeming, ontslag

Opmerking: De commissie bestond uit ten minste vijf en ten hoogste negen leden.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen van regels voor de inrichting en werkwijze van de Dienst en de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen

Periode: 1949–1985

Grondslag: Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen: art. 4

Product: Regels, reglement

Waardering: B 5

Handeling: Het goedkeuren van de door de Commissie voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen opgestelde richtlijnen voor het in bruikleen geven van de aan het Rijk toebehorende kunstvoorwerpen

Periode: 1949–1985

Grondslag: Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen: art. 5 lid 3

Product: Goedkeuring

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen tot het verrichten van (herstel)werkzaamheden aan kunstvoorwerpen

Periode: 1949–1985

Grondslag: Koninklijk besluit van 26 augustus 1949 (Stcrt. 1949/173), houdende instelling van de Dienst voor ’s Rijks verspreide kunstvoorwerpen: art. 9

Product: Machtiging

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen van normen voor objecten van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 3 lid 1

Product: Normen

Opmerking: Dit zijn normen waaraan roerende zaken van het Rijk moeten voldoen om te worden aangewezen als object van culturele waarde.

Waardering: B 1

Handeling: Het beslissen over het bezwaar tegen de aanwijzing van roerende zaken van het Rijk als objecten van culturele waarde, de commissie (normen objecten van culturele waarde) gehoord

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 3 lid 2, art. 15

Product: Besluit

Opmerking: Deze commissie was ingesteld om de Minister van Cultuur en het hoofd van de RBK te adviseren over de normen die in acht genomen moesten worden bij de aanwijzing van objecten van (bijzondere) culturele waarde.

Waardering: B 1

Handeling: Het (op voordracht van de RBK) aanwijzen van roerende zaken van het Rijk als objecten van bijzondere culturele waarde, de commissie (normen objecten van culturele waarde) gehoord

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 4, art. 15

Product: Beschikking

Opmerking: Het ging hierbij om objecten van culturele waarde die op grond van hun bijzondere betekenis tevens objecten van bijzondere culturele waarde waren. Indien de aanwijzing niet op voordracht van de RBK geschiedde, stelde de Minister van Cultuur, alvorens tot de aanwijzing over te gaan, zich op de hoogte van diens oordeel. Deze commissie was ingesteld om de Minister van Cultuur en het hoofd van de RBK te adviseren over de normen die in acht genomen moesten worden bij de aanwijzing van objecten van (bijzondere) culturele waarde.

Waardering: B 1

Handeling: Het belasten van de RBK met het beheer van objecten van bijzondere culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 7, Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art. 1 lid 2

Product: Beschikking

Waardering: B 5

Handeling: Het mededelen aan de RBK van verlies of vermissing van een object van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 10

Product: Brief

Waardering: V 20 jaar

Handeling: Het geven van richtlijnen en aanwijzingen voor de zorg voor objecten van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 11

Product: Richtlijnen, aanwijzingen

Waardering: B 1

Handeling: Het overnemen van de zorg voor objecten van culturele waarde

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 13 lid 2

Product: Correspondentie

Opmerking: De Minister van Cultuur deed dit na overleg met degene bij wie de zorg voor het object berustte. Het ging hierbij om de gevallen waarin de gestelde eisen aan de zorg voor objecten van culturele waarde niet nageleefd werden.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vorderen van objecten van culturele waarde ten behoeve van evenementen van cultureel belang

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 14

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bepalen welke instellingen voor de toepassing van het besluit met een rijksmuseum worden gelijkgesteld, de commissie (normen objecten van culturele waarde) gehoord

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 20

Product: Beschikking

Opmerking: Met het besluit werd de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34) bedoeld.

Waardering: B 4

Handeling: Het terugvorderen van de objecten van culturele waarde waarvan de zorg voor de inwerkingtreding van het besluit tijdelijk was overgedragen

Periode: 1985–1986

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 23

Product: Beschikking

Opmerking: Met het besluit werd de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34) bedoeld. De Minister van Cultuur kon deze binnen een jaar terugvorderen.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het doen van een voordracht voor de benoeming van het hoofd van de RBK, de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst gehoord

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art. 5

Product: Voordracht

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het stellen van regels met betrekking tot de inrichting en werkwijze van de RBK

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 17

Product: Regels

Waardering: B 5

Handeling: Het opdragen van andere taken aan de RBK

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 21

Product: Beschikking

Opmerking: Andere taken dan gesteld werden in de Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34).

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van het benoemen en ontslaan van de leden van de commissie (normen objecten van culturele waarde)

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 16

Product: Kb, benoeming, ontslag

Opmerking: Deze commissie (normen objecten van culturele waarde) had ten hoogste tien leden. Zes leden die benoemd werden, waren deskundig op het terrein waarop de RBK werkzaam is. De overige leden waren afkomstig uit kringen van degenen bij wie de zorg voor objecten van culturele waarde berustte.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het stellen van regels met betrekking tot de inrichting en werkwijze van de commissie (normen objecten van culturele waarde)

Periode: 1985–

Grondslag: Regeling zorg voor objecten van culturele waarde van het Rijk (Stcrt. 1985/34): art. 17

Product: Regels

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen en ontslaan van de leden van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst, de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst gehoord

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art 2

Product: Beschikking, benoeming, ontslag

Opmerking: De commissie bestond uit elf leden die voor vier jaar werden benoemd. De leden waren eenmaal herbenoembaar. Een lid kon altijd op eigen verzoek worden ontslagen of slecht functioneren. In het laatste geval vraagt de Minister van Cultuur een oordeel van de de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst. De Minister van Cultuur benoemde, de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst gehoord, uit de leden een (vice-)voorzitter en een secretaris.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het verzoek doen om een voordracht voor leden van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art 3 lid 1

Product: Verzoek

Opmerking: De Minister van Cultuur deed het verzoek aan de volgende instellingen:

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een waarnemer bij vergaderingen van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art. 9 lid 1

Product: Besluit

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het goedkeuren van de kosten van de Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst

Periode: 1984–1997

Grondslag: Instellingsbeschikking Commissie van bijstand Rijksdienst beeldende kunst (Stcrt. 1984/49): art. 16

Product: Goedkeuring

Opmerking: Dit zijn de kosten voortvloeiende uit de door, namens of in opdracht van de commissie verrichte werkzaamheden. Deze komen ten laste van de Minister van Cultuur.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het verstrekken van een subsidie aan het ICN

Periode: 1997–

Bron: ICN, Kennis voor beter beheer, p. 14–15, 40

Product: Subsidie

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het opstellen van het (brand)⁠reglement voor de rijksmusea

Periode: 1953–1993

Product: Reglement

Waardering: B 5

Handeling: Het regelen van de publiekstaken van een rijksmuseum

Periode: 1953–1993

Grondslag: Algemeen reglement rijksmusea (Beschikking van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 12 juni 1953, nr. 314.328): art. 2, art. 6, Algemeen reglement rijksmusea (Stcrt. 1975/12): art. 3

Product: Besluit

Waardering: B 5

Handeling: Het machtigen van het hoofd van een rijksmuseum tot het sluiten van het gehele rijksmuseum

Periode: 1953–1993

Grondslag: Algemeen reglement rijksmusea (Beschikking van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 12 juni 1953, nr. 314.328): art. 9, Algemeen reglement rijksmusea (Stcrt. 1975/12): art. 7

Product: Machtiging

Opmerking: Het gaat hierbij vooral om werkzaamheden aan een rijksmuseum. In het geval dat de veiligheid van de bezoekers of de verzamelingen in gevaar dreigt te komen kan het hoofd van een rijksmuseum het museum (geheel) sluiten zonder machtiging.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het oprichten van stichtingen die de (rijks)museale en (rijks)museaal ondersteunende functies uitoefenen

Periode: 1993–

Grondslag: Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398): art. 2, art. 3

Product: Beschikking, ontwerpstatuten

Opmerking: Deze (rijks)museale en (rijks)museaal ondersteunende functies zijn de voortzetting van de diensten als bedoeld in de bijlage van deze wet. De Minister van Cultuur gaat niet eerder over tot oprichting van een stichting dan een maand nadat het voornemen daartoe, onder overlegging van de ontwerpstatuten, schriftelijk is medegedeeld aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

Waardering: B 4

Handeling: Het stellen van nadere regels met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel van een verzelfstandigd rijksmuseale instelling

Periode: 1993–

Grondslag: Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398): art. 5 lid 4

Product: Regels

Opmerking: Met deze regels dient voorkomen te worden dat de arbeidsvoorwaarden van het personeel ongunstiger zijn dan die welke golden vóór de verzelfstandiging van het rijksmuseum.

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van nadere regels met betrekking tot het onderzoek van de bezwaren van het personeelslid

Periode: 1993–

Grondslag: Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398): art. 5 lid 6, art. 8 lid 2

Product: Regel

Regeling bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stcrt. 1993/182)

Opmerking: Het gaat hierbij om bezwaren van het personeelslid tegen het dienstverband bij een verzelfstandigd rijksmuseale instelling. Deze bezwaren dienen binnen een maand na schriftelijke mededeling ervan te worden medegedeeld aan de Minister van Cultuur. Indien de mededeling heeft plaatsgevonden drie weken of langer voor dat de Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398) in werking is getreden kan de termijn waarbinnen het bezwaar moet zijn ingediend worden verlengd.

Waardering: B 5

Handeling: Het beslissen over de bezwaren van het personeelslid

Periode: 1993–

Grondslag: Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stb. 1993/398): art. 5 lid 6, 7, 8, 10, 11, Regeling bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stcrt. 1993/182): art. 10 lid 1

Product: Besluit

Opmerking: Het gaat hierbij om bezwaren van het personeelslid tegen de geboden arbeidsvoorwaarden bij een verzelfstandigde rijksmuseale instelling. Als de Minister van Cultuur de bezwaren (gedeeltelijk) gegrond verklaart kan hij daarbij beslissen dat het personeelslid niet in dienst treedt bij een verzelfstandigd rijksmuseale instelling dan wel de verzelfstandigde rijksmuseale diensten verplichten het personeelslid een arbeidsovereenkomst aan te bieden waarvan de inhoud in overeenstemming is met zijn beslissing. Indien de beslissing afwijkt van het advies van de bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het benoemen van de leden van de bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten

Periode: 1993–

Grondslag: Regeling bezwarencommissie verzelfstandiging rijksmuseale diensten (Stcrt. 1993/182): art. 3 lid 2 en 3

Product: Benoeming

Opmerking: De benoeming geschiedt met dien verstande dat twee overige leden en het plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van de bijzondere commissie als bedoeld in art. 113 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Tot (plaatsvervangend) voorzitter worden geen personen benoemd die in dienst zijn bij het Ministerie waaronder het cultuurbeheer valt.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het verstrekken van een subsidie aan de (rijks)museale instellingen

Periode: 1945–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 3, art. 4, art. 8 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub E), Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150): art. 2 (zoals gewijzigd bij Vaststelling Handboek financiële verantwoording cultuursubsidies (Stcrt. 1997/247): art. II sub B, zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV), art. 8 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Subsidie, beschikking

Opmerking: Vanaf 1994 wordt de subsidie ten hoogste voor een periode van vier jaar verstrekt, doch blijft binnen de periode waarvoor de cultuurnota geldt. Subsidie wordt verstrekt voor activiteiten van (rijks)museale instellingen met toepassing van Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150). Per 1 januari 1998 kan de Minister van Cultuur hiervan afwijken mits de beschikking waarbij een subsidie wordt verstrekt de afwijking nadrukkelijk vermeld. Dit vervalt per 24 november 1999.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bepalen van het tijdstip waarop een subsidieaanvraag van de (rijks)museale instelling moet zijn ingediend

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 6 lid 1 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub C onder 1), art. 6 lid 5, art. 9 lid 1 en 3, art. 11 lid 1 en 5

Product: Besluit, ontheffing

Opmerking: De Minister van Cultuur kan op aanvraag van ontheffing verlenen van de aanvraagtermijn voor subsidie voor een (rijks)museale instelling.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het overleggen met een (rijks)museale instelling over de subsidieaanvraag

Periode: 1994–1999

Grondslag: Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150). Toelichting (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Overleg, notulen

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het beslissen over een subsidieaanvraag van een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 6 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub C), art. 7, art. 8 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub E), art. 9, art. 10 (zoals gewijzigd bij Besluit van 28 juli 1999 (Stb. 1999/351): art. I sub G), art. 11, art. 12, art. 13 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub F onder 2), art. 15, Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1994/150): art. 3 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV), art. 8 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Beschikking, besluit

Opmerking: De Minister van Cultuur geeft hierbij voor welke activiteiten subsidie wordt verleend. Met het oog op de onderlinge afweging van aanvragen kan de Minister van Cultuur, bepalen dat op een aanvraag niet wordt beslist voor of na een bepaalde datum in een kalenderjaar. In 1998 wordt het beslissen bij beschikking ingetrokken. Indien de beslissing subsidieverlening inhoudt, wordt het subsidiebedrag vermeld, de wijze waarop dit is bepaald en welk bedrag maximaal zal worden verleend. Dit vervalt in 1998.

Waardering: B 5

Handeling: Het verlenen van een voorschot aan een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 14 lid 1 en 3, art. 15

Product: Voorschot, beschikking

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het stellen van regels met betrekking tot het verlenen van een voorschot aan een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 14 lid 2

Product: Regels

Waardering: B 5

Handeling: Het bepalen dat het aan een (rijks)museale instelling verleende meerjarige subsidiebedrag bijgesteld moet worden

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 16

Product: Beschikking

Opmerking: Hiervoor vindt overleg plaats met de (rijks)museale instelling over de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden in relatie tot de kwaliteit en kwantiteit van de gesubsidieerde activiteiten. Bij de bijstelling wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van het prijspeil en de ontwikkeling van de arbeidsvoorwaarden. Bij de verlening van de subsidie wordt bepaald welk deel van de subsidie wordt bijgesteld. De bevoorschotting kan overeenkomstig bijgesteld worden.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het overleggen met een (rijks)museale instelling over de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 16 lid 4

Product: Overleg, notulen

Opmerking: Hierbij gaat het om de ontwikkeling van de kosten van de arbeidsvoorwaarden in verhouding tot de kwaliteit en de kwantiteit van de gesubsidieerde activiteiten.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het wijzigen of intrekken van de subsidie aan een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–1998

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 17 lid 1 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub G), art. 18 lid 1 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub G)

Product: Beschikking

Opmerking: Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan deze gewijzigd of ingetrokken worden indien:

Deze bepaling is in 1998 ingetrokken.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vergoeden van de schade als gevolg van het wijzigen of intrekken van de subsidie aan een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–1998

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 18 lid 2 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub G)

Product: Besluit

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het geven van ontheffing van de bepaling dat het boekjaar van een (rijks)museale instelling gelijk is aan het kalenderjaar

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 21

Product: Besluit

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het op aanvraag geven van ontheffing van de verplichting dat een (rijks)museale instelling de bij haar werkzame vrijwilligers moet verzekeren

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 23 lid 4

Product: Ontheffing

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het opstellen van regels met betrekking tot de tussentijdse verslaglegging bij projectsubsidies die zich over meer dan één kalenderjaar uitstrekken

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 24 lid 3

Product: Regels

Waardering: B 3

Handeling: Het vaststellen van het percentage van het niet-bestede subsidiebedrag dat de (rijks)museale instelling kan reserveren

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 26, Regeling subsidiëring museale instellingen (Stb. 1994/150): art. 5 (zoals gewijzigd bij Wijziging Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen en intrekking Regeling subsidiëring museale instellingen (Stcrt. 1999/228): art. IV)

Product: Besluit

Opmerking: Als na de gesubsidieerde activiteiten het verleende bedrag niet is besteed, kan het worden gereserveerd. Dit gereserveerd bedrag kan alleen worden aangewend voor doeleinden waarvoor de subsidie werd verstrekt. Het totaal van de reservering bedraagt ten hoogste 10 procent van de verleende subsidie.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van toekomstige uitgaven van een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 26 lid 3

Product: Besluit

Waardering: B 1

Handeling: Het bepalen van de vergoeding voor vermogensvorming die een (rijks)museale instelling is verschuldigd

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 27 lid 1 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub I onder 1)

Product: Besluit

Opmerking: Het gaat hierbij om de gevallen waarin de subsidie heeft bijgedragen tot het vormen van vermogen door een (rijks)museale instelling

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het toestemmen in het voortzetten van de activiteiten van een (rijks)museale instelling door een andere rechtspersoon

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 27 lid 3

Product: Toestemming

Opmerking: Hierbij worden de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom overgedragen

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bepalen van de gevallen waarin een (rijks)museale instelling niet de kosten voor het ter beschikking stellen van goederen of voor derden verrichten van diensten hoeft door te berekenen

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 29

Product: Besluit

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die de financiële zaken van een (rijks)museale instelling onderzoeken

Periode: 1994–1998

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 30 (zoals gewijzigd bij Besluit van 20 april 1998 (Stb. 1998/266): art. I sub J)

Product: Benoeming

Opmerking: De (rijks)museale instelling verschaft deze ambtenaren alle gewenste informatie.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het bepalen dat de bepalingen met betrekking tot rechtspersonen in het Burgerlijk Wetboek (deels) niet van toepassing zijn op een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

Grondslag: Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994/473): art. 35 lid 1

Product: Beschikking

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het vaststellen van een protocol voor de rapportage van de naleving van de subsidiebepalingen voor een (rijks)museale instelling

Periode: 1994–

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)