Wet van 9 juli 2004 tot regeling met betrekking tot tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang (Wet kinderopvang)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 303
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 62 blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 2, gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college van burgemeester en wethouders zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen.

Artikel 67

1.

Het college van burgemeester en wethouders stelt jaarlijks op een door Onze Minister te bepalen tijdstip een verslag vast van alle werkzaamheden die hij en de toezichthouders in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar hebben verricht. Het college zendt het verslag aan de gemeenteraad en een afschrift daarvan aan Onze Minister.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het verslag op te nemen gegevens.

Paragraaf 3. Oudercommissie

Artikel 68

1.

Onze Minister houdt toezicht op de rechtmatigheid en de doeltreffendheid van de uitvoering van de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels door het college van burgemeester en wethouders.

2.

Het toezicht, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgeoefend door de Inspectie van het onderwijs, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. De artikelen 3, 4, tweede lid, 7, 22 en 23 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Minister kan, indien hij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering de bij of krachtens hoofdstuk 3, paragraaf 1, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 gestelde regels ernstige tekortkomingen constateert, aan het college van burgemeester en wethouders, nadat het gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. In een aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college van burgemeester en wethouders de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing.

Artikel 69

1.

Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken Onze Minister alle gegevens en inlichtingen die hij voor het toezicht nodig heeft.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop het college van burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen verzamelen en verstrekken.

3.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.

Artikel 70

Onze Minister stelt jaarlijks een verslag vast van de werkzaamheden die hij in het kader van dit hoofdstuk in het voorafgaande kalenderjaar heeft verricht. Hij zendt afschrift van het verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 1. Opsporing

Artikel 71

Vervallen

Paragraaf 3. Oudercommissie

Artikel 72

1.

Het college van burgemeester en wethouders kan:

  • b. de houder die een verplichting als bedoeld in artikel 28, vierde lid, niet nakomt een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 5000;
2.

In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.

Artikel 73

Vervallen

Artikel 74

Vervallen

Artikel 75

Vervallen

Artikel 76

Vervallen

Artikel 77

Vervallen

Artikel 78

Vervallen

Artikel 79

Vervallen

Artikel 80

Indien het college van burgemeester en wethouders voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de overtreder daarvan kennis onder de vermelding van de gronden waarop het voornemen berust en overlegging van het rapport.

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Artikel 86

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan:

Hoofdstuk 6. Experimenten

Hoofdstuk 6. Experimenten

Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen

Artikel 90

1.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van vestiging draagt er zorg voor dat kindercentra en gastouderbureaus die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen G en H, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) zijn opgenomen in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 46, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van voornoemde wijzigingswet, voor 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft, worden ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a. Artikel 46, derde en vijfde lid, alsmede artikel 47, eerste en tweede lid, zijn van toepassing.

2.

Indien de overheveling naar het register kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, nog niet volledig heeft plaatsgevonden blijft artikel 46, zoals dat luidde de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, tot 1 juli van het eerste kalenderjaar waarop voornoemde wijzigingswet betrekking heeft van toepassing op het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente.

3.

Een houder van een kindercentrum of gastouderbureau als bedoeld in het eerste lid, verstrekt desgevraagd aan het college de gegevens, bedoeld in artikel 45, vierde lid.

4.

De in het eerste lid bedoelde inschrijving in het register kinderopvang van gastouderbureaus betreft een voorlopige inschrijving, welke voortduurt tot en met uiterlijk 31 december van het eerste kalenderjaar waarop de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.

5.

De in het vierde lid bedoelde inschrijving wordt definitief indien uiterlijk op de in dat lid genoemde datum uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, is gebleken dat de exploitatie van het gastouderbureau zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.

Artikel 91

1.

Personen die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) werkzaam waren als gastouder als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van deze wet, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G, worden door het college van burgemeester en wethouders in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, ingeschreven als voorziening voor gastouderopvang indien op het moment van inschrijving na een aanvraag als bedoeld in artikel 45, tweede lid, uit het onderzoek, bedoeld in artikel 62, eerste lid, is gebleken dat exploitatie van de voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.

2.

Indien de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft, werkt de inschrijving, onder voorwaarde dat de aanvraag, bedoeld in artikel 45, tweede lid, voor 1 september van genoemd kalenderjaar plaatsvindt, terug tot en met 1 januari van dat kalenderjaar.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op voorzieningen voor gastouderopvang die hun exploitatie aanvangen in het eerste kalenderjaar waarop artikel I, onderdelen B en G, van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet betrekking heeft.

Artikel 92

1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 45, tweede lid, die is gedaan ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G, van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345), geldt als aanvraag gedaan op de eerste dag van inwerkingtreding van dat artikel I, onderdelen B en G.

2.

Een oordeel van de toezichthouder als bedoeld in artikel 63, inhoudende dat de exploitatie van een voorziening voor gastouderopvang redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3 van deze wet zoals luidend na inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde wijzigingswet, dat is gegeven ten hoogste twee maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van genoemd artikel I, onderdelen B en G, geldt als oordeel gegeven op de eerste dag van laatstbedoeld tijdstip van inwerkingtreding.

Artikel 93

1.

Hoofdstuk 2 en artikel 86 zijn gedurende ten hoogste zes maanden na het tijdstip van hun inwerkingtreding niet van toepassing op een ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder h en i, die gebruik maakt van kinderopvang die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ten behoeve van die ouder is bekostigd op grond een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet gesloten schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Werkloosheidswet respectievelijk artikel 22a, eerste lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

2.

Op de financiering van kinderopvang, bedoeld in het eerste lid, blijven de artikelen 74 van de Werkloosheidswet onderscheidenlijk 22a, 34 tot en met 37, 45 tot en met 47 en 53 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, zoals deze artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing.

Artikel 94

Vervallen

Artikel 95

Vervallen

Artikel 96

Vervallen

Artikel 97

Ten aanzien van voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet kinderopvang door het Rijk en gemeenten op grond van de Welzijnswet 1994 verleende subsidies en uitkeringen aan kinderopvang, voorzover dat kinderopvang betreft waarop deze wet van toepassing is, blijft het bepaalde bij of krachtens de Welzijnswet 1994, zoals dat laatstelijk voor 1 januari 2005 luidde, van toepassing op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van die subsidies en uitkeringen.

Paragraaf 3. Informatie aan minister door colleges van burgemeester en wethouders

Artikel 98

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 99

Vervallen

Artikel 100

Vervallen

Artikel 101

Vervallen

Artikel 102

Vervallen

Artikel 103

Vervallen

Artikel 104

Vervallen

Artikel 105

Vervallen

Artikel 106

Vervallen

Artikel 107

Vervallen

Artikel 108

Vervallen

Artikel 109

Vervallen

Artikel 110

Vervallen

Artikel 111

Vervallen

Artikel 112

Vervallen

Paragraaf 3. Vermelding handhaving

Artikel 113

1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.

2.

Onze Minister stelt regels omtrent de aard van de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt.

3.

De inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.

Artikel 114

De voordracht voor een krachtens de artikelen 7, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, 56, tweede lid, en 56b, tweede lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 115

1.

Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet jaarlijks aan de Staten-Generaal een verslag uit over de werking ervan.

2.

Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na drie jaar, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

3.

Onze Minister brengt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een jaar na de inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) en vervolgens telkens als onderdeel van het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan de Staten-Generaal een verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van de onderdelen van deze wet, zoals deze zijn gewijzigd door de genoemde wet.

Artikel 116

1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende paragrafen, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

2.

De artikelen 1, onder b, 3°, 2, negende lid, tweede volzin, 2a, tweede lid, en 3c, van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 117

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kinderopvang.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 87

1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor een periode van ten hoogste vier jaar ten behoeve van experimenten, die ten doel hebben de totstandkoming van innovatieve kinderopvang mogelijk te maken, vormen van kinderopvang worden aangewezen en kunnen regels worden gesteld omtrent:

  • a. de kwaliteit van de aan te wijzen vormen van kinderopvang;
  • b. het toezicht op de naleving van de regels, bedoeld onder a;
  • c. de hoogte van de kinderopvangtoeslag en de hoogte van de tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
  • d. de duur van de aan te wijzen vormen van kinderopvang als experiment.

Bij die regels kan worden afgeweken van artikel 1, eerste lid, wat betreft de begrippen gastouderbureau en gastouderopvang, artikel 7, hoofdstuk 3, met uitzondering van artikel 48, alsmede van hoofdstuk 4, paragrafen 1 en 2, hoofdstuk 5, paragraaf 2.

2.

Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid heeft een ouder als bedoeld in de artikelen 6, 22, 29 of 35 aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft een experimentele vorm van kinderopvang, welke is geregistreerd.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele regeling is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 88

1.

Onze Minister zendt na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uiterlijk zes maanden voor de beëindiging van een experiment, als bedoeld in artikel 87, een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

2.

Indien een experiment als bedoeld in artikel 87, eerder wordt beëindigd dan de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, daarvoor gestelde duur, zendt Onze Minister na overleg met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in afwijking van het eerste lid, uiterlijk twee maanden na de beëindiging van dat experiment een verslag over de doeltreffendheid en de effecten ervan alsmede een standpunt inzake de voortzetting van de desbetreffende regeling, anders dan als experiment, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 89

Een voordracht voor een krachtens dit hoofdstuk vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 6. Experimenten

Paragraaf 2a. Geschillen

Paragraaf 1. Opsporing

Paragraaf 3. Vermelding handhaving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a

1.

Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 5, van toepassing, met dien verstande dat met de aanwezigheid van een partner geen rekening wordt gehouden in de kalendermaand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt.

2.

De uitvoering van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

3.

In afwijking in zoverre van het eerste lid zijn met betrekking tot tegemoetkomingen van de gemeente en van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen alleen de volgende bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van overeenkomstige toepassing:

4.

In afwijking van artikel 4, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een kind voor wie de pleegouder een subsidie ontvangt op grond van de Wet op de jeugdzorg, geacht door die pleegouder in belangrijke mate te worden onderhouden.

Hoofdstuk 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang

Paragraaf 1. Aanspraken op kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang

Paragraaf 2. Aanspraak op kinderopvangtoeslag

Paragraaf 3. Tegemoetkoming van de gemeente

Paragraaf 4. Tegemoetkoming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen

Paragraaf 5. Voortzetting aanspraak tegemoetkomingen

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Kwaliteit

Paragraaf 1. Aanvraag en registratie

Paragraaf 2. Eisen

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 4. Handhaving

Paragraaf 3. Oudercommissie

Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen

Paragraaf 1. Toezicht op de naleving

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 1. Toezicht op de naleving

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 2a. Geschillen

Paragraaf 1. Opsporing

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 48a

1.

Bij regeling van Onze Minister kunnen categorieën van buiten Nederland gevestigde kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus worden aangewezen die worden gelijkgesteld met geregistreerde kindercentra, geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang of geregistreerde gastouderbureaus, indien deze kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang of gastouderbureaus voldoen aan de in het land van vestiging geldende regels met betrekking tot de kwaliteit en deze regels naar aard en naar strekking overeenkomen met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

2.

Artikel 48 is niet van toepassing op kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 2. Eisen

Artikel 57a

1.

Onze Minister kan beleidsregels stellen omtrent de toepassing van de artikelen 49, 50, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 51, 56, eerste en derde lid, en 56b, eerste, derde, vierde, vijfde en zesde lid, voor zover dat laatste lid betrekking heeft op artikel 51.

2.

De bekendmaking van de beleidsregels geschiedt door plaatsing in de Staatscourant.

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 4. Handhaving

Paragraaf 1. Toezicht op de naleving

Paragraaf 2. Gemeentelijk ingrijpen

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 6. Experimenten

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 2b. Informatieverstrekking aan de GGD

Paragraaf 1. Opsporing

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 60a

De houder van een kindercentrum of een gastouderbureau treft een regeling voor de behandeling van klachten van de oudercommissie over een door hem genomen besluit als bedoeld in artikel 60, eerste lid. De getroffen regeling waarborgt dat aan de behandeling van een klacht van de oudercommissie niet wordt deelgenomen door de houder of door een persoon die werkzaam is voor of bij de houder op wie die klacht betrekking heeft. De houder brengt de getroffen regeling op passende wijze onder de aandacht van de oudercommissie. De artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, zevende lid, en negende lid, 2a, 3c en 4 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4. Handhaving

Paragraaf 3. Oudercommissie

Paragraaf 2a. Informatieverstrekking aan de GGD

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 3. Oudercommissie

Paragraaf 3. Oudercommissie

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 2b. Informatieverstrekking aan de GGD

Paragraaf 1. Opsporing

Paragraaf 2. Eisen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 67a

De Belastingdienst/Toeslagen verstrekt aan de GGD kosteloos de gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming van belang kan zijn voor het toezicht op de naleving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 4. Ouderparticipatiecrèches

Hoofdstuk 6. Experimenten

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 2. Bestuurlijke boeten

Paragraaf 3. Oudercommissie

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 47a

1.

Onze Minister draagt zorg voor de inrichting van een register kinderopvang ten behoeve van de waarborging van de kwaliteit en de rechtszekerheid van de kinderopvang en gastouderopvang alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 3 gestelde regels.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het register kinderopvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

  • a. de vorm van het register;
  • b. de in het register op te nemen gegevens;
  • c. de vastlegging van gegevens in het register en de verwijdering van gegevens daaruit;
  • d. de wijze waarop verbetering van onjuistheden in het register plaatsvindt;
  • e. de verstrekking van gegevens;
  • f. de openbaarheid van gegevens;
  • g. de verantwoordelijkheden van degenen die gegevens aanleveren ten behoeve van het register.

Paragraaf 2. Eisen

Artikel 56a

De houder van een gastouderbureau maakt ten behoeve van een goede uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde regels gebruik van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, van het sociaal-fiscaalnummer.

Artikel 56b

1.

De gastouder beschikt over een zodanige deskundigheid, organiseert de gastouderopvang op zodanige wijze, voorziet de voorziening voor gastouderopvang zodanig van materieel en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde gastouderopvang.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van de gastouderopvang. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

  • a. de veiligheid en de gezondheid;
  • b. de deskundigheidseisen waaraan de houder voldoet;
  • c. de groepsgrootte;
  • d. de accommodatie en de inrichting van de ruimte die bestemd is voor gastouderopvang;
  • e. de beschikbare ruimte voor kinderen;
  • f. het pedagogisch beleid en de pedagogische praktijk.
3.

De gastouder en andere personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder hun hoofdverblijf hebben, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

4.

De verklaringen, bedoeld in het derde lid, worden door de gastouder aan de houder van het gastouderbureau overgelegd, voordat de gastouder zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaringen zijn op het moment dat zij worden overgelegd, niet ouder dan twee maanden.

5.

Indien de toezichthouder redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de toezichthouder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon legt de verklaring over binnen een door de toezichthouder vast te stellen termijn.

6.

De artikelen 51, 53, 54 en 55 zijn van overeenkomstige toepassing op de gastouder.

Hoofdstuk 4. Handhaving

Paragraaf 1. Toezicht op de naleving

Hoofdstuk 5. Opsporing en sancties

Paragraaf 4. Ouderparticipatiecrèches

Paragraaf 4. Ouderparticipatiecrèches

Hoofdstuk 6. Experimenten

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 90a

1.

Ter uitvoering van artikel 49, derde lid, onderdeel a, is het gastouderbureau gedurende het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelstel van gastouderopvang (Stb. 345) verantwoordelijk voor de beoordeling of de gastouderopvang naar verwachting voor 1 september van genoemd kalenderjaar redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.

2.

Het gastouderbureau stelt de ouders die gebruikmaken van de diensten van de gastouder in kennis van zijn in het eerste lid bedoelde beoordeling.

3.

Het gastouderbureau stelt de in het tweede lid bedoelde ouders voor de aanvang van het in het eerste lid bedoelde eerste kalenderjaar in kennis van zijn oordeel over de verwachtingen met betrekking tot het tijdig kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde eisen door de gastouder.

4.

Voor de toepassing van het eerste en derde lid baseert het gastouderbureau zich op geobjectiveerde redelijke maatstaven die aantoonbaar zijn afgeleid van de in het eerste lid bedoelde eisen.

5.

Het gastouderbureau stelt zich regelmatig op de hoogte van de inspanningen van de gastouder om voor 1 september van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde beoordeling door het gastouderbureau te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.

6.

De gastouder verstrekt aan het gastouderbureau de benodigde informatie met het oog op toepassing van het tweede en derde lid.

7.

Ingeval het gastouderbureau redelijkerwijs mag vermoeden dat de in het vijfde lid bedoelde inspanningen van de gastouder tekortschieten, stelt het gastouderbureau de ouder daarvan onverwijld in kennis en bevordert het gastouderbureau dat de ouder gebruik kan maken van de diensten van een gastouder die gastouderopvang aanbiedt die naar het oordeel van het gastouderbureau naar verwachting voor 1 september van de in het eerste lid bedoelde kalenderjaar zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3.

8.

Indien de gastouder uiterlijk op 31 december van het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar niet is ingeschreven in het register kinderopvang, bedoeld in artikel 47a, is de ouder aan het gastouderbureau geen uitvoeringskosten verschuldigd.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

Artikel 92a

1.

Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën binnen acht maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en G van de in het tweede lid genoemde wijzigingswet aan de Staten-Generaal een verslag over de voortgang van de vulling van het register kinderopvang.

2.

Aan het bepaalde in de artikelen 90, 91 en 92 kan bij ministeriële regeling met het oog op een goede invoering van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345) in het eerste kalenderjaar waarop deze wet betrekking heeft, zo nodig een andere uitvoering worden gegeven.

Artikel 92b

De artikelen 90 tot en met 92b vervallen drie jaar na inwerkingtreding van de wet van 18 juli 2009 tot wijziging van de Wet kinderopvang in verband met een herziening van het stelsel van gastouderopvang (Stb. 345).

Paragraaf 3. Vermelding handhaving

Paragraaf 1. Aanvraag en registratie

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3.3

1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het college en de gemeenteraad verstrekken aan Onze Minister de gegevens en inlichtingen die hij voor de statistiek, de informatievoorziening en de beleidsvorming met betrekking tot deze wet nodig heeft.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent de aard van de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, en de wijze waarop deze worden verstrekt en verzameld en, voor zover het betreft het college, of en op welke wijze deze informatie openbaar wordt gemaakt.

3.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden kosteloos verstrekt.

Artikel 3.6a

Vervallen

Artikel 3.6b

Vervallen

Artikel 3.6c

Vervallen

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

1.

In deze wet en de op deze wet berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • beroepskracht:
  • a. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
  • b. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
  • beroepskracht in opleiding: degene die beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau;
  • beroepskracht meertalige kinderopvang: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige kinderopvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, onderdeel b;
  • beroepskracht voorschoolse educatie: degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a;
  • buitenschoolse opvang: kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties;
  • college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang is gevestigd of zal worden gevestigd;
  • continue screening kinderopvang: de voortdurende uitwisseling van gegevens over ingeschrevenen in het personenregister kinderopvang door Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor de controle op nieuwe gegevens in de justitiële documentatie van de ingeschrevene op basis waarvan wordt beoordeeld of de ingeschrevene nog steeds voldoet aan de eisen zoals deze gelden bij de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag;
  • gastouder: degene van 18 jaar of ouder die gastouderopvang biedt, met uitzondering van degene:
  • b. die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen als de ouder of diens partner van het kind aan wie opvang wordt geboden, of
  • c. die ten behoeve van de opvang van kinderen in enigerlei vorm personeel in dienst heeft;
  • gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt en door tussenkomst van wie de betaling van ouders aan gastouders geschiedt;
  • gastouderopvang: kinderopvang:
  • a. die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau;
  • b. die plaatsvindt in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 1.5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag of diens partner;
  • c. waarbij de opvang plaatsvindt:
  • 1°. op het woonadres van de gastouder,
  • 2°. op het woonadres van een van de ouders van de kinderen voor wie de gastouder opvang biedt, dan wel
  • 3°. op twee of meer van deze woonadressen; en
  • d. bestaande uit de gelijktijdige opvang van ten hoogste zes kinderen, waaronder begrepen de bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn van de gastouder of zijn partner, die in belangrijke mate wordt onderhouden door de gastouder of zijn partner en op hetzelfde woonadres als de gastouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen en de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt. Met een bloedverwant of aanverwant in de neergaande lijn wordt gelijkgesteld een pleegkind dat de leeftijd van tien jaar nog niet heeft bereikt;
  • geregistreerd gastouderbureau: een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven gastouderbureau als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
  • geregistreerd kindercentrum: een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven kindercentrum als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
  • geregistreerde voorziening voor gastouderopvang: een in het landelijk register kinderopvang ingeschreven voorziening voor gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.46, tweede lid;
  • houder:
  • a. degene aan wie een onderneming als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 toebehoort en die met die onderneming een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert;
  • b. de gastouder die een voorziening voor gastouderopvang exploiteert.
  • ingeschrevene: een persoon als bedoeld in artikel 1.48d, tweede lid, die in het personenregister kinderopvang is ingeschreven;
  • kindercentrum: een voorziening waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang;
  • kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
  • Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft, met dien verstande dat bij de beoordeling of sprake is van pleegouderschap een vergoeding op grond van de Jeugdwet buiten beschouwing blijft;
  • ouderparticipatiecrèche: een kindercentrum waar ouderparticipatieopvang plaatsvindt;
  • ouderparticipatieopvang: kinderopvang als bedoeld in artikel 1.60a;
  • participerende ouder: ouder die ouderparticipatieopvang verzorgt en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
  • pedagogisch beleidsmedewerker: de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de totstandkoming en implementatie van pedagogische beleidsvoornemens of het coachen van beroepskrachten bij de uitvoering van hun werkzaamheden;
  • personenregister kinderopvang: de verzameling van gegevens die verwerkt worden ten behoeve van het doel, beschreven in artikel 1.48d, eerste lid;
  • stagiair: degene die een opleiding volgt, waarvan het praktijkdeel een beperkt deel van de totale studieduur is, belast is met werkzaamheden bij de houder ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding en geen beroepskracht in opleiding is;
  • uitvoeringskosten: de kosten die door een gastouderbureau in rekening worden gebracht bij de ouder of de gastouder, niet zijnde de kosten van gastouderopvang;
  • uitzendkracht: degene van 18 jaar of ouder die werkzaam is voor een uitzendbureau en is uitgezonden voor werkzaamheden bij een kindercentrum of een gastouderbureau;
  • verklaring omtrent het gedrag: een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen of een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen;
  • voorschoolse educatie: uitvoering van een door het college gesubsidieerd programma dat gericht is op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs voor kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten;
  • voorziening voor gastouderopvang: gastouderopvang door een specifieke gastouder op een specifiek woonadres.
2.

Tot kinderopvang worden niet gerekend:

  • a. het toezichthouden op schoolgaande kinderen dat zich beperkt tot het toezicht tijdens de middagpauze;
  • b. verzorging en opvoeding die plaatsvindt in het kader van de Jeugdwet;
  • c. de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen, anders dan gastouderopvang, die geschiedt op een plaats waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.
3.

Waar in het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk en hoofdstuk 3 wordt gesproken over verklaring omtrent het gedrag wordt een verklaring omtrent het gedrag natuurlijke personen bedoeld, indien de betrokkene een natuurlijk persoon is en een verklaring omtrent het gedrag rechtspersonen, indien de betrokkene een rechtspersoon is.

Artikel 1.1a

Vervallen

Afdeling 2. Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang

Artikel 1.5

1.

Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner betaalde kosten, indien het betreft:

  • a. kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum; of
  • b. gastouderopvang in een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang.
2.

Indien het ouderparticipatieopvang in een ouderparticipatiecrèche betreft, heeft de ouder in de aanloopperiode, bedoeld in artikel 1.60b, in afwijking van het eerste lid, geen aanspraak op kinderopvangtoeslag.

3.

Een ouder en diens partner die tevens ouder is worden voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Paragraaf 2. Kinderopvangtoeslag

Artikel 1.6

1.

Een ouder heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar:

  • d. vervallen,
  • h. recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet en deelneemt aan scholing als bedoeld in artikel 76 van die wet of werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 76a of 77a van die wet met behoud van die uitkering dan wel op andere wijze deelneemt aan een traject gericht op arbeidsinschakeling,
  • j. is ingeschreven bij een school of instelling, voor het volgen van:
  • k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
  • l. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
2.

Een ouder die niet in Nederland woont, heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien hij in een andere lidstaat of Zwitserland woont en, daartoe gerechtigd, in Nederland of op het continentaal plat tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten of een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

3.

Een ouder met een partner heeft slechts aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner

  • b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land,
  • c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l,
  • d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b.
4.

Voor de toepassing van deze wet wordt met inkomen uit werk en woning als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en het derde lid, onderdeel a, gelijkgesteld een daarmee overeenkomend inkomen dat niet tot het verzamelinkomen van de ouder of het verzamelinkomen van de partner behoort omdat het niet behoort tot het Nederlands inkomen als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of is vrijgesteld op grond van bepalingen van internationaal recht.

5.

Een ouder of zijn partner die in een berekeningsjaar of in het daaraan voorafgaande berekeningsjaar tegenwoordige arbeid heeft verricht als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, of derde lid, onderdeel a of d, behoudt gedurende drie kalendermaanden, gerekend vanaf de eerste dag na de dag waarop het verrichten van die arbeid is beëindigd, dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag als voor die beëindiging. Indien de periode van drie maanden, bedoeld in de vorige zin, samenvalt met de periode die loopt van 28 dagen voor de datum van de vermoedelijke bevalling van de persoon, wiens arbeid is beëindigd, tot 42 dagen na diens bevalling, wordt de periode, bedoeld in de vorige zin, verlengd met de periode waarin deze perioden samenvielen.

6.

Het derde lid is niet van toepassing op een ouder met een partner indien de partner:

  • b. bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.
7.

Indien de tegenwoordige arbeid, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, of derde lid, onderdeel a of d, van een ouder of zijn partner in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen berekeningsjaar is beëindigd, behoudt de ouder in afwijking van het vijfde lid, gedurende zes kalendermaanden dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien sprake van omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid. Indien de periode van zes maanden, bedoeld in de vorige zin, samenvalt met de periode die loopt van 28 dagen voor de datum van de vermoedelijke bevalling van de persoon, wiens arbeid is beëindigd, tot 42 dagen na diens bevalling, wordt de periode, bedoeld in de vorige zin, verlengd met de periode waarin deze perioden samenvielen.

8.

Een ouder als bedoeld in het eerste en tweede lid, met een partner, heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de partner een verzekerde is die recht op zorg heeft op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, 3.2.1, derde lid, of 3.2.2, van de Wet langdurige zorg of op grond van artikel 11.1.1, van de Wet langdurige zorg is gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de Wet langdurige zorg.

9.

Een ouder die een verzekerde is die recht op zorg heeft op grond van artikel 3.2.1, eerste lid, 3.2.1, derde lid, of 3.2.2, van de Wet langdurige zorg of op grond van artikel 11.1.1 van de Wet langdurige zorgis gelijkgesteld met een verzekerde ten aanzien van wie het CIZ heeft vastgesteld dat hij voldoet aan artikel 3.2.1, eerste of derde lid, van de Wet langdurige zorg, heeft voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder een partner heeft die

  • b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land; of
  • c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b, f, g, j, k of l.
10.

Een ouder jegens wie een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven, of die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, heeft, gedurende de periode waarin dit bevel of die straf of maatregel ten uitvoer wordt gelegd voor zover die periode meer dan drie maanden bedraagt, voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder een partner heeft die

  • b. een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onder c, e, h of i, en gebruik maakt van een in één van die onderdelen bedoelde voorziening gericht op arbeidsinschakeling of een daarmee vergelijkbare uitkering respectievelijk voorziening, vastgesteld krachtens de wetgeving van een ander land; of
  • c. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder b, f, g, j, k of l.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)