Vaststellingsbesluit selectielijst neerslag handelingen op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945 (Ministerie van OCW)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 4 oktober 2004, nr. arc-2004.01462/3);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Arbeidsvoorzieningenbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument arbeidsvoorzieningsbeleid vanaf 1945
Overzicht gebruikte afkortingen
ABU: Algemene Bond Uitzendbureaus
ADAPT: Aanpassing van de werknemers aan de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven
ANS: Arbeidsbureau Nieuwe Stijl
b.w.: Buitenwerking
BBA: Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
BSD: Basis Selectiedocument
BVJ: Bijdrageregeling Vakopleiding Jeugdigen
CBA: Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
CBB: Centrum voor Beroepsoriëntatie en beroepsuitoefening
CCSB: Centraal Comité van Samenwerking inzake Beroepskeuzevoorlichting
COA: Contactcentrum Onderwijs-Arbeidsmarkt
CoCo: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen
CoCoHan: Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau
COW: Coördinatiecommissie voor Openbare Werken
CVV: Centrum voor Vakopleiding Volwassenen
DIA: Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen
DUW: Rijksdienst Uitvoering Werken
EAJ: Experimentele arbeidsprojecten voor jeugdige werklozen
EC: Europese Commissie
EP: Europees Parlement
EU: Europese Unie
EFRO: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling
EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal
EOGFL: Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw
ESC: Economisch en Sociaal Comité
ESF: Europees Sociaal Fonds
GAB: Gewestelijk Arbeidsbureau
IAB: Internationaal Arbeidsbureau
IAC: Internationale Arbeidsconferentie
ILO: International Labour Organisation
JOB: Jeugdontplooiingsbanen
KVP: Katholieke Volkspartij
LTD: Loontechnische Dienst
NED: Nederlandse Emigratiedienst
NVB: Nederlandse Vereniging van Beroepskeuze-adviseurs
OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PBM: Plaatsingsbevorderende Maatregel
PEP: Praktijkervaringsplaatsen
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PTT: Post, Telegraaf en Telefoon
PV: Permanente Vertegenwoordiging
RAB: Rijksarbeidsbureau
RBA: Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
RIO: Rapport institutioneel onderzoek
SAMEN: Wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden
SBKV: (Rijks)subsidieregeling beroepskeuzevoorlichting
S&O: Speur- en ontwikkelingswerk
SER: Sociaal Economische Raad
SOB: Samenwerking tussen Overheid en Bedrijfsleven
START: Stichting Uitzendbureau Arbeidsvoorziening
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
SZW: Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TAP: Regeling Tijdelijke Arbeidsplaatsen
VN: Verenigde Naties
WAADI: Wet Allocatie Arbeidskrachten door Intermediairs
WAZ: Werkgroep Arbeidsvoorziening Zeevarenden
WBEAA: Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen
WJW: Werkgelegenheidsprojecten voor jeugdige werklozen
WVM: Werkgelegenheidsverruimende Maatregel
1. Inleiding
Het PIVOT-rapport, Arbeidsvoorzieningsbeleid. Een institutioneel onderzoek naar de actoren en handelingen op het beleidsterrein der arbeidsvoorziening, 1940–2000 vormt de grondslag voor dit basisselectie-document. Het rapport beschrijft het handelen van de rijksoverheid ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening gedurende de periode tussen 1940 en 2000 en geeft een overzicht van de actoren die zich op het terrein bewegen.
Met het rapport institutioneel onderzoek (RIO) implementeren de Algemene Rijksarchivaris en de vertegenwoordigers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de afspraken die bij convenant van 21 januari 1992 tussen de Algemene Rijksarchivaris en de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn gemaakt. De eerste stap van de implementatie is de waardering van de neerslag van de handelingen, op basis waarvan bepaald kan worden welke neerslag voor permanente bewaring in het Algemeen Rijksarchief in aanmerking komt, en welke neerslag op termijn vernietigd kan worden. Deze eerste stap is in het basisselectiedocument (BSD) vastgelegd.
Het BSD is de verantwoording van het bewaar- en vernietigingsbeleid van archiefbescheiden door de organisatie, alsmede het wettelijk voorgeschreven instrument voor de selectie in de rijks- en provinciale archieven. In het BSD is aan iedere handeling een waardering gegeven voor bewaring of vernietiging van de bescheiden die betrekking hebben op die handeling.
Het BSD bestaat uit:
De verschillende actoren moeten het BSD ieder voor een deel vaststellen en wel voor die handelingen, waarbij zij of (een van) hun rechtsvoorgangers als actor genoemd wordt.
2. Hoofdlijnen van het handelen op het terrein van het arbeidsvoorzieningsbeleid
Het arbeidsvoorzieningsbeleid is gericht op de aanbodzijde van de arbeidsmarkt en beoogt de inpassing van beroepsbeoefenaren in het arbeidsproces, waarbij zo goed mogelijk wordt voorzien in de kwantitatieve en kwalitatieve behoeften van het bedrijfsleven. Hierbij streeft men naar een doelmatige en rechtvaardige allocatie op de arbeidsmarkt. Doelmatigheid wil hierbij zeggen dat met een goed functionerende arbeidsmarkt een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van de economische structuur en aan de bevordering van de economische groei; met rechtvaardigheid wordt bedoeld dat de positie van zwak arbeidsaanbod wordt versterkt. De arbeidsvoorzieningsinstrumenten kunnen daarom zowel vraag- als aanbodsgericht zijn, maar beogen in eerste instantie de werknemer (de aanbieder) geschikt te maken of te houden voor de arbeidsmarkt, waarvan in tweede instantie de werkgever (de vrager) meeprofiteert.
Het instrumentarium kan worden gegroepeerd in vier hoofdcategorieën:
In de periode kort na de oorlog lag het zwaartepunt van het arbeidsvoorzieningsbeleid bij de voorzieningen ter bestrijding van de werkloosheid. Hierbij waren de arbeidsbemiddeling, scholing en tewerkstelling van werklozen (op projecten van aanvullende werkgelegenheid) de voornaamste instrumenten. Later verschoof het accent naar voorzieningen die tot doel hadden het ontstaan van werkloosheid zoveel mogelijk te voorkómen. Met een medische metafoor werd deze wijziging aangeduid als de overgang van curatief naar preventief beleid. De instrumenten hiertoe waren beroepskeuzevoorlichting en scholingsfaciliteiten.
Per 1 januari 1991 trad de Arbeidsvoorzieningswet in werking en werd de zorg voor het beleidsterrein ‘arbeidsvoorziening’ opgedragen aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA).
De beschreven handelingen vinden voor een aanzienlijk deel hun basis in de wet- en regelgeving en de verschillende beleidsdocumenten, zoals rapporten, nota’s en werkplannen. Aanvullende informatie is verkregen uit gesprekken met en opmerkingen van medewerkers van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. Actoren
Een actor is een overheidsorgaan, een particuliere instelling of een persoon die een rol speelt op een beleidsterrein. In het kader van het institutioneel onderzoek zijn met name die actoren van belang die (landelijke) overheidsorganen zijn en handelingen verrichten ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening.
De zorg voor een samenhangend arbeidsvoorzieningsbeleid in Nederland en voor de internationale afstemming daarvan berust in de periode van 1945–2000 grotendeels bij de Minister van Sociale Zaken en de onder hem ressorterende diensten en instellingen. Daarnaast kunnen ministers van andere departementen en diverse adviesorganen als actor worden aangewezen.
Hierna wordt een overzicht gegeven van de actoren die in dit Basisselectiedocument zijn opgenomen.
Het departement van Sociale Zaken is in 1933 opgericht. Ook Volksgezondheid ressorteerde eronder, hetgeen tussen 1951 en 1971 tot uitdrukking werd gebracht in de naam Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Vanaf 1981 heet het Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de bewindsman verantwoordelijk is voor de coördinatie van het overheidsbeleid inzake de werkgelegenheid.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er in Nederland geen Minister van Sociale Zaken; zijn taken werden overgenomen door de secretaris-generaal.
De Duitse rijkscommissaris voor het bezette Nederland, Seyss-Inquart, machtigde de secretarissen-generaal om op hun beleidsterreinen de openbare orde te handhaven (Verordeningen van 29 mei en 21 juni 1940). Hiertoe werden ze bekleed met wetgevende en uitvoerende bevoegdheden. Nadat Secretaris-Generaal van Sociale Zaken A.L. Scholtens in augustus 1940 gedwongen was te vluchten, werd zijn post tot de bevrijding bekleed door R.A. Verwey, die een vaste benoeming weigerde en zich tevreden stelde met de post van waarnemend secretaris-generaal.
De Minister-President heeft een rol in arbeidsvoorziening in noodsituaties. Op de eerste plaats bij de voordracht van de afkondiging van de noodtoestand aan de Koningin en het bekendmaken van deze afkondiging. Daarnaast dient hij een voorstel van wet (houdende de inwerkingtreding van hoofdstuk II van de Noodwet Arbeidsvoorziening) in bij de Staten-Generaal en roept deze in buitengewone zitting bijeen.
Tot 1959 bestonden er twee afzonderlijke ministeries, te weten het Ministerie van Oorlog en Marine.
In 1959 werden de afzonderlijke ministeries samengevoegd tot het Ministerie van Defensie. De Minister van Defensie is in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid betrokken bij het regelen van de samenstelling en de werkwijze van het interdepartementaal Coördinatiecollege voor Openbare Werken.
In de oorlogsjaren heette het departement van Economische Zaken nog Handel, Nijverheid en Scheepvaart; tijdens het kabinet Schermerhorn-Drees (1945–1946) Handel en Nijverheid, en sinds juli 1946 draagt het de huidige naam.
Het belang van dit departement voor het arbeidsmarktbeleid ligt erin dat het probeert de economische structuur – en daarmee de werkgelegenheid – zoveel mogelijk te versterken. De werkgelegenheidseffecten zijn dus indirect. Alleen in het geval van de sinds 1973 voorkomende steunverlening aan individuele bedrijven, en bij een aantal regionale economische instrumenten wordt beoogd de werkgelegenheid rechtstreeks te bevorderen.
De Minister van Economische Zaken adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.
De Minister van Financiën kan met behulp van begrotingspolitiek de werkgelegenheid beïnvloeden. Onder andere kan gebruik worden gemaakt van het wijzigen op korte termijn van de fiscale maatregelen die van invloed zijn op investeringsgedrag of koopkracht.
Een meer rechtstreekse betrokkenheid bij het arbeidsvoorzieningsbeleid is de taak van deze minister bij het houden van financieel toezicht op het Emigratiebestuur.
Over het algemeen is de bijdrage van het departement van Onderwijs en Wetenschappen aan het arbeidsvoorzieningsbeleid slechts indirect. Door het bevorderen van scholing wordt de kwaliteit van het aanbod op de arbeidsmarkt vergroot, en de wijze waarop mensen worden geschoold speelt een rol bij de aansluiting met het werkgelegenheidspotentieel. Scholing bevordert dus de inpassing van een beroepsbeoefenaar in het arbeidsproces, zonder dat dit laatste de eerste doelstelling van het beleid is. Een meer rechtstreekse bemoeienis met de arbeidsvoorziening had de Minister van Onderwijs en Wetenschappen toen hij in 1984 samen met de Staatssecretaris van Sociale Zaken de Interdepartementale stuurgroep studie- en beroepskeuzevoorlichting instelde.
Het Organisatiebesluit Arbeidsvoorziening (1954) machtigde de Minister van Binnenlandse Zaken om aanwijzingen te geven aan het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening met betrekking tot de samenwerking met andere overheidslichamen. Hij is ook betrokken bij de voordracht van enkele algemene maatregelen van bestuur met betrekking tot het gehandicaptenbeleid.
De Minister van Landbouw en Visserij heeft in het kader van het arbeidsvoorzieningsbeleid een rol in het kader van het aanwijzen van leden van de interdepartementale stuurgroep beroepskeuzevoorlichting en van de Commissie van Advies voor de Dienst uitvoering van Werken.
Vóór zijn huidige naam heeft dit ministerie in de loop van de tijd de volgende namen gekend:
Met het aantreden van het kabinet Schermerhorn-Drees in juni 1945 werd ook de functie gecreëerd van Minister van Openbare Werken; deze was verantwoordelijk voor onder meer de Rijksdienst Uitvoering Werken (DUW). Het departement veranderde in de loop der jaren vaak van naam, waarmee de veranderingen in het beleidsterrein werden weergegeven. Vanaf juli 1946 stond het bekend als Openbare Werken en Wederopbouw, maar zeven maanden later heette het al Wederopbouw en Volkshuisvesting. In 1956 beschouwde men de wederopbouw als voltooid, en veranderde de naam in Volkshuisvesting en Bouwnijverheid. Deze naam hield het negen jaar uit; sinds 1965 heette het departement Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. In 1982 werd daaraan Milieubeheer nog toegevoegd.
Het beleid van dit ministerie is niet gericht op werkgelegenheid, maar de beleidsdoelstellingen kunnen daarvoor wel grote betekenis hebben. Zo raakt het beleid inzake de bouwnijverheid de werkgelegenheid rechtstreeks, terwijl het ruimtelijke beleid zich ook richt op de regionale verdeling van de werkgelegenheid. Het huur- en het subsidiebeleid hebben invloed op het bestedingspatroon en raken dus indirect de werkgelegenheid.
De Minister van Volkshuisvesting adviseert zijn collega van Sociale Zaken over verzoeken om verplaatsingskosten voor werknemers van bedrijven die zich elders vestigen.
Deze commissie is ingesteld in 1949 (Stcrt. 1949, 49) en stond onder voorzitterschap van A.A. van Rhijn. Ze had een coördinerende en adviserende functie en diende maatregelen voor te bereiden ter bestrijding van de conjuncturele werkloosheid, waarbij ze in nauw verband stond met het bedrijfsleven (Stichting van de Arbeid), de provinciale commissies voor de werkgelegenheid en het Centraal Planbureau. In samenwerking met laatstgenoemde instelling stelde de commissie globale werkgelegenheidplannen op die daarna werden uitgewerkt tot gedetailleerde plannen. De commissie rapporteerde in april 1954.
Het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening ontstond in 1954 door een fusie van het Rijksarbeidsbureau en de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken. Het was de centrale ambtelijke organisatie voor het arbeidsvoorzieningsbeleid, en het had een enorme reeks taken. Een selectie:
Onder bijzondere omstandigheden (met name oorlog) kon de directeur-generaal optreden als Hoofd Arbeidsvoorziening; hij zou dan bevoegd zijn mensen werkzaamheden te laten verrichten, bijvoorbeeld als burgerwacht.
In 1990 werden de werkzaamheden van het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening ondergebracht bij het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening, dat sinds 1991 functioneert.
In 1995 (Stcrt. 1995, 172) is door de Minister van Sociale Zaken het Comité van Toezicht voor uitvoering van ESF-subsidieregelingen ingesteld. Dit comité heeft tot taak om de uitvoering te bewaken van de ESF-subsidieregelingen waarvoor de minister verantwoordelijkheid draagt.
In 1997 (Stcrt. 1997, 249) is door de Minister van Sociale Zaken het Comité van toezicht ‘doelstelling 3’ ingesteld.
Dit comité heeft tot taak om de uitvoering te bewaken van operationele programma’s met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds ter verwezenlijking van doelstelling 3 (het bestrijden van langdurige werkloosheid). Deze operationele programma’s worden, gelet op de in 1991 gesloten overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gesloten overeenkomst m.b.t. aangelegenheden betreffende het ESF, uitgevoerd door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en door rechtspersonen die terzake van die uitvoering van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie subsidie ontvangen.
Het toezicht op de wetten vallende binnen het terrein van de arbeidsvoorzieningsorganiastie is opgedragen aan de Arbeidsinspectie. Aldus heeft de Arbeidsinspectie een toezichthoudende taak bij een aantal wetten (ondermeer Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden. De Arbeidsinspectie vindt zijn grondslag in de Arbeidswet 1919. In 1909 werd ter bevordering van de coördinatie van de districten een Centrale Dienst der Arbeidsinspectie ingesteld (Stb. 1909, 289) met aan het hoofd de directeur-generaal. Sinds 1962 is deze Dienst samengevoegd met de afdeling arbeidersbescherming en geworden tot het directoraat-generaal van de Arbeid.
De organisatie van de Arbeidsinspectie is uitgewerkt in de organisatiebesluiten (sinds 1920). Als hoofd van de dienst is aangewezen een directeur-generaal van de Arbeid, belast met de leiding van en het toezicht op de dienst. Aan het hoofd van de districten staan de districtshoofden, toegevoegd zijn verschillende gespecialiseerde ambtenaren die in gevallen hun toezicht houdende taak uitvoeren naast het districtshoofd.
Begin 1994 (Stcrt. 1994, 83) is een nieuwe dienst opgericht; de ‘Dienst voor inspectie en informatie (I-SZW)’. In de loop van 1996 (Stcrt. 1996, 128) is de naam van I-SZW weer gewijzigd in Arbeidsinspectie.
Sinds de naamswijziging in I-SZW in 1994 staat de dienst onder leiding van een algemeen directeur. Deze geeft leiding aan de directeur van het centraal kantoor en aan de directeuren van de (6) regionale kantoren (de voormalige districtshoofden).
Het Rijksarbeidsbureau is op verzoek van de Duitse bezetter in 1940 opgericht, en vormde een voortzetting van de Rijksdienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling, die zich – zoals de naam al aangeeft – had toegelegd op de arbeidsbemiddeling. Aan het hoofd van het Rijksarbeidsbureau stond de Directeur-Generaal. Onder de oude Rijksdienst en onder het nieuwe Rijksarbeidsbureau ressorteerden districtsarbeidsbeurzen, gemeentelijke arbeidsbeurzen en agentschappen; deze kregen nu de naam Gewestelijk Arbeidsbureau. Ook de beroepenvoorlichting en de beroepskeuzevoorlichting behoorden tot de verantwoordelijkheden van het Rijksarbeidsbureau. Verder werden de regelingen voor de werkloosheidsverzekering bij het Rijksarbeidsbureau ondergebracht, zodat de arbeidsbemiddeling en de regeling van uitkeringen waren gekoppeld. Deze situatie bleef gehandhaafd tot in 1952 de Werkloosheidswet tot stand kwam.
In 1944 besloot de regering in Londen de instelling te handhaven, en haar taken uit te breiden met verschillende soorten scholing.
Het Rijksarbeidsbureau fuseerde in 1954 met de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (DUW) tot het nieuwe directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening.
De Centrale Commissie van bijstand en advies voor de directeur-generaal van het Rijksarbeidsbureau werd bij Besluit E 51 van 17 juli 1944 aan de directeur-generaal Rijksarbeidsbureau toegevoegd. De feitelijke instelling vond plaats op 1 augustus 1946. Bij het Organisatiebesluit Arbeidsvoorziening (1954) werd bepaald dat de commissie tevens ging optreden als centrale commissie van bijstand en advies voor de arbeidsvoorziening. Als belangrijke subcommissies gingen fungeren een centrale commissie van bijstand en advies Rijksarbeidsbureau en de commissie van advies voor de aanvullende werkgelegenheid. Een derde subcommissie adviseerde de minister bij beroepszaken met betrekking tot vergunningen aan buitenlanders om in Nederland te mogen werken.
Zij bestond steeds uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en andere deskundigen, die werden benoemd door de Minister van Sociale Zaken. De taak van de commissie was het (gevraagd of ongevraagd) adviseren van de minister en de directeur-generaal Rijksarbeidsbureau/arbeidsvoorziening in arbeidsvoorzieningskwesties.
Het Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB) was van oorsprong het plaatselijke filiaal van het Rijksarbeidsbureau; sinds dat is gefuseerd met DUW, kan men het GAB opvatten als de lokale vertegenwoordiging van het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening. Het GAB heeft een groot aantal taken, zoals:
Hieraan kunnen nog deeltaken worden toegevoegd. Zo wordt bij de registratie van werkzoekenden onderscheid gemaakt tussen eenvoudig en moeilijk bemiddelbare cliënten. Een speciale adviescommissie (zie beneden) staat de directeur van het arbeidsbureau bij.
Vanaf 1973 is een begin gemaakt met wat het Arbeidsbureau Nieuwe Stijl (ANS) werd genoemd. Hierbij werd plaats ingeruimd voor automatisering, een regionaal arbeidsmarktbeleid en de integratie van de bemiddeling voor vrouwen en mannen. In 1984 was de invoering van het ANS voltooid.
De functie van de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau werd in 1991, toen de Arbeidsvoorzieningswet 1990 in werking trad, overgenomen door de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening.
Deze commissies zijn bij Koninklijk besluit E51 van 17 juli 1944 aan de directeuren van de Gewestelijke Arbeidsbureaus toegevoegd. De directeuren woonden de vergaderingen wel bij maar maakten geen deel uit van de commissies. De leden van de commissies werden benoemd door de Minister van Sociale Zaken, na een voordracht door de Stichting van de Arbeid. Hun taak was het adviseren van de directeuren van de Gewestelijke Arbeidsbureaus, bijvoorbeeld bij het opstellen van beleidsplannen. Verder konden zij beslissende uitspraken doen in de gevallen waarin onduidelijkheid bestond over de mogelijkheid een mindervalide arbeidskracht in dienst te nemen.
Deze commissies werden ingesteld met art. 56 van de Arbeidsbemiddelingswet 1930, en stonden dan ook wel bekend als de Commissies ex art. 56. Deze commissies adviseerden de Minister van Sociale Zaken voor hij vergunningen ging verlenen voor arbeidsbemiddeling met winstoogmerk, en hielpen hem bij het houden van toezicht.
Zoals de naam al doet vermoeden, werd de functie van rijksinspecteur op de beroepenvoorlichting in het leven geroepen voor het toezicht op de beroepskeuzevoorlichting, meer in het bijzonder die door particuliere adviesbureaus die voor subsidie in aanmerking wilden komen. De Rijksinspecteur voor de beroepenvoorlichting ressorteerde onder het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening; toen dit opging in het CBA, stelde de Minister van Sociale Zaken de Inspectie van de beroepskeuzevoorlichting in (Organisatiebesluit Inspectie van de beroepskeuzevoorlichting, Stcrt. 1990, 251).
De opleiding van beroepskeuze-adviseurs stond sinds 1946 onder auspiciën van zowel de Minister van Sociale Zaken als het Centraal Comité van Samenwerking inzake Beroepskeuzevoorlichting, het overkoepelende orgaan van de particuliere beroepskeuzebureaus. Alle beroepskeuze-adviseurs – zowel degenen verbonden aan een arbeidsbureau als degenen die in dienst waren van een bijzonder adviesbureau – die in aanmerking wilden komen voor een subsidie, moesten in het bezit zijn van een erkend diploma. Nadat een cursus was afgerond en praktijkervaring was opgedaan, kon een akte van vakbekwaamheid worden aangevraagd bij de Commissie certificatie beroepskeuze-adviseurs. Aangekondigd in de Regeling voor het verlenen van rijkssubsidie over het jaar 1959 ten behoeve van bijzondere instellingen voor beroepskeuzevoorlichting (Stcrt. 1959, 82), werd de commissie in december 1959 ingesteld door de directeur-generaal voor de arbeidsvoorziening en het Centraal Comité van Samenwerking inzake Beroepskeuzevoorlichting.
Deze ‘Commissie-Langeveld’ speelde een rol in de discussie tussen minister en Kamer over de verhouding tussen de openbare en de particuliere beroepskeuzeadvisering. In de eerste naoorlogse jaren was er in het parlement een (confessionele) meerderheid die voorstander was van steun aan particuliere adviesbureaus, terwijl de sociaal-democratische Ministers van Sociale Zaken daartegen waren. De commissie werd in 1951 ingesteld om advies uit te brengen over de rol van particuliere beroepskeuzebureaus en de financiering ervan door de overheid. De commissie rapporteerde in 1956.
Deze commissie, die bekender is als de ‘commissie-Duijker’, werd ingesteld door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid in 1959 (Stcrt. 1959, 203) met als opdracht hem in 1961 te adviseren over de wenselijkheid van (a) de instelling van een permanente raad voor de beroepskeuzevoorlichting, en (b) de subsidiëring van de bijzondere instellingen voor beroepskeuzevoorlichting.
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid installeerde deze commissie in januari 1962; haar leden waren vertegenwoordigers van ministeries, maatschappelijke organisaties, onderwijs en het bedrijfsleven. De terreinen waarop de Adviescommissie voor de beroepenvoorlichting mocht adviseren waren onder meer de coördinatie, samenwerking en methoden van beroepenvoorlichting. Daartoe stelde men diverse werkgroepen in. Na het samenstellen van een interim-rapportage in 1966 verzocht de commissie om haar eigen opheffing, aangezien de taken beter zouden kunnen worden uitgevoerd door de pas opgerichte Raad voor Beroepskeuzevoorlichting.
De Raad voor beroepskeuzevoorlichting is ingesteld in 1963 (Stb. 247) en geïnstalleerd op 8 juli 1964. Ze beoogde het overleg tussen de overheid en enkele particuliere, merendeels confessionele, organisaties te structureren. Tot de taken van de Raad behoorde onder meer het organiseren van voorlichtingsprojecten en het (gevraagd en ongevraagd) adviseren van de Minister van Sociale Zaken omtrent de beroepskeuzevoorlichting. De Kroon benoemde de leden: het waren vertegenwoordigers van de Ministeries van Sociale Zaken, Onderwijs & Wetenschappen en Financiën en een aantal ter zake deskundigen, die werden aangewezen door de deelnemende organisaties.
Deze stuurgroep werd ingesteld door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen en de staatssecretaris van Sociale zaken (Stcrt. 1984, 228 en 236) en moest zich voorlopig voor drie jaar beijveren voor de coördinatie van beleid van afzonderlijke ministeries en de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid.
Deze commissie is ingesteld in het kader van de subsidieregeling voor de Centra voor beroepsoriëntatie en beroepsoefening (Stcrt. 1988, 215) en had tot taak de Minister van Sociale Zaken te adviseren. Tot de leden behoorden onder meer vertegenwoordigers van de departementen van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onderwijs en Wetenschappen, Financiën, Binnenlandse Zaken, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, werkgevers- en werknemersorganisaties.
Deze commissie werd in 1985 ingesteld krachtens de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Stb. 1975, 284) art. 14. Wanneer een instelling appelleerde tegen een ministeriële beschikking over een vergunning tot ter beschikking stelling van arbeidskrachten, dan diende deze commissie uitspraak te doen. Ze bestond uit drie leden en twee plaatsvervangende leden, die werden benoemd door de Minister van Sociale Zaken.
De Rijksbemiddelaars hadden een rol in de bemiddeling bij arbeidsgeschillen, die was vastgelegd in de Arbeidsgeschillenwet (Stb. 1923, 174). In de oorlog waren hun activiteiten enige tijd opgeschort, maar met het Buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen (Stb. 1944, E52) werd hieraan een einde gemaakt. Een jaar later werden ze door de Londense regering verenigd in het College van rijksbemiddelaars (Stb. 1945, F217). Onder auspiciën van de Minister van Sociale Zaken zouden ze lonen en andere arbeidsvoorwaarden moeten beoordelen. De leden zouden worden aangewezen op grond van verdienste. Het college werd in 1970 opgeheven (Stb. 1970, 69).
In 1946 werd de afdeling Arbeid II ingesteld. In oktober 1947 werd de naam van deze afdeling gewijzigd in afdeling Arbeidsverhoudingen. In 1962 werd de afdeling opgewaardeerd tot Hoofdafdeling Arbeidsverhoudingen onder de Directie Sociale Voorzieningen en Arbeidsverhoudingen. In 1964 werd de Directie Algemene Beleidsaangelegenheden opgericht. In 1966 werd bij het Directoraat-generaal Sociale Voorzieningen en Arbeidsverhoudingen de zelfstandige Directie Arbeidsverhoudingen ingesteld. In 1968 groeide de Directie Algemene Beleidsaangelegenheden uit tot een Directoraat-generaal. Daarbij werd de Directie ingesteld. In 1981 werd de naam gewijzigd in Directie Bijzondere Vraagstukken van Arbeidsverhoudingen. Deze naam werd tien jaar later weer veranderd in Directie Arbeidsverhoudingen.
De directie had onder meer een taak in het behandelen van bezwaarschriften inzake de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
De Loontechnische Dienst werd ingesteld door de Minister van Sociale Zaken bij beschikking van 7 juli 1964 (Stcrt. 155), maar wordt al genoemd op 16 april 1962 bij brief van de Minister van Sociale Zaken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. De Dienst hield toezicht op de naleving van voorschriften betreffende lonen en andere arbeidsvoorwaarden, alsmede op de toepassing van beloningsmethodieken en verrichtte andere door de minister opgedragen werkzaamheden.
Sinds 1 mei 1994 is de Loontechnische Dienst, tezamen met de Arbeidsinspectie, de Dienst Inspectie Arbeidsverhoudingen (DIA) en de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden (DCA) samengevoegd tot de Dienst voor Inspectie en Informatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW)
De Hoofdinspecteur-Directeur voor de Arbeidsvoorziening was hoofd van een districtsbureau voor de Arbeidsvoorziening. Ieder districtsbureau omvatte een provincie. De Hoofdinspecteur-Directeur besliste in twijfelgevallen inzake de toekenning van vergoedingen voor verplaatsingskosten aan werkloze werknemers.
Daarnaast had hij tot 1990 een taak met betrekking tot de wijziging van de gebiedsindeling van de gewestelijke arbeidsbureaus binnen zijn ambtsgebied in het kader van de Noodwet Arbeidsvoorziening.
De Commissie Landbouw Emigratie is in 1949 door de Minister van Sociale Zaken ingesteld om hem te adviseren over de landbouwemigratie en de daarvoor benodigde organisatie. De commissie bracht in 1950 haar verslag uit.
De Centrale commissie van bijstand voor de arbeidsbemiddeling en de migratie wordt genoemd in de Landverhuizingswet (Stb. 1936, 804) als advieslichaam van de minister. Haar voorzitter was Willem Drees, die zich er sterk voor maakte niet te bemiddelen voor emigratie naar Duitsland. Het intrekken van de Landverhuizerswet in 1967 maakte een formeel einde aan het bestaan van deze commissie; in de praktijk lijkt ze na 1940 al niet meer te zijn samengekomen.
De functie van Commissaris voor de emigratie werd gecreëerd in de Wet op de organen voor de emigratie (Stb. 1952, 279), waarin ook valt te lezen dat deze ambtenaar ambtshalve lid was van de Raad voor de Emigratie en voorzitter van het Emigratiebestuur. Meer in het algemeen was de taak van deze Commissaris het leiden van de rijkszorg voor de emigratie, het coördineren van het overleg met maatschappelijke organisaties die op dit terrein een rol speelden, en het onderhouden van contact met buitenlandse organisaties. Onder de Commissaris voor de emigratie ressorteerden verschillende afdelingen. Zijn taak is na 1967 overgenomen door de voorzitter van de emigratie-commissie van de Sociaal-Economische Raad.
De Raad voor de Emigratie is ingesteld bij de Wet op de organen voor de emigratie (Stb. 1952, 279); de 29 à 37 leden dienden de Minister van Sociale Zaken van advies over de landverhuizing. Lid waren vertegenwoordigers van de departementen van Sociale Zaken, van Economische Zaken, van Landbouw en Visserij, van Buitenlandse Zaken, van Justitie, van Onderwijs en Wetenschappen, van Financiën en van Verkeer en Waterstaat; voorts waren de lagere overheden met twee en wetenschapsbeoefenaren met twee of drie vertegenwoordigers gerepresenteerd; de Commissaris voor de emigratie en de directeur van het Centraal Planbureau waren ambtshalve lid van deze Raad. De overige leden vertegenwoordigden maatschappelijke organisaties. De zittingen van de Raad werden voorbereid door het Emigratiebestuur.
Met de invoering van de Emigratiewet 1967 werden de taken van de Raad voor de emigratie overgedragen aan de Sociaal-Economische Raad, die een speciale commissie heeft voor de emigratie.
De negen leden tellende Raad voor de emigratie is ingesteld bij de Wet op de organen voor de emigratie en had tot doel ‘de eenheid in de bemoeienis van het Rijk en van particuliere organisaties met de emigratie’ te bevorderen, de Minister van Sociale Zaken te adviseren, en de behandeling van emigratie-vraagstukken in de Raad voor de Emigratie voor te bereiden (Stb. 1952, 279, art. 11). De leden van dit bestuur vertegenwoordigden de departementen van Sociale Zaken, Economische Zaken, Landbouw en Visserij alsmede enkele maatschappelijke organisaties die ook in de Raad voor de Emigratie waren vertegenwoordigd. (Extra eis was dat tenminste één vrouwenorganisatie was vertegenwoordigd.)
Tot de taken van het Emigratiebestuur behoorde het aanstellen van de ambtenaren van de Nederlandse Emigratiedienst, het adviseren van de Minister van Sociale Zaken over de financiering van de aanmeldingsorganen, en het erkennen van die organen (nodig om voor financiële vergoeding in aanmerking te komen). De minister was gerechtigd besluiten van het Emigratiebestuur te vernietigen.
Met de intrekking van de Emigratiewet (zie Remigratiewet (Stb. 1999, 232) is de rechtsgrondslag voor de bij wet ingestelde Emigratiebestuur komen te vervallen.
De Nederlandse Emigratiedienst was belast met de uitvoering van de emigratie, en als zodanig ingesteld bij de Wet op de organen voor de emigratie (Stb. 1952, 279). Ze hield zich bezig met zowel de voorlichting en voorbereiding als de uitvoering van de emigratie. Voor deze laatste taak bestonden vijf bureaus (voor Australië, Canada, Nieuw-Zeeland, de Verenigde Staten en ‘overige landen’, die – wanneer de voorbereiding eenmaal was afgerond – contact hielden met de overheden in de landen waarheen de landverhuizer wilde vertrekken. Zo werden bijvoorbeeld de dossiers van de aspirant-emigranten besproken met de buitenlandse emigratiediensten. Onder de taken van de NED viel ook de uitvoering van enkele subsidieregelingen.
Met de intrekking van de Emigratiewet (zie Remigratiewet (Stb. 1999, 232) is de grondslag voor de Nederlandse Emigratiedienst komen te vervallen.
De Interdepartementale Coördinatie-commissie Onderwijs-Arbeid is een tripartite-overleg tussen de Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen, Sociale Zaken en Economische Zaken. Deze coördinatie-commissie is in 1983 ingesteld om tot een betere en meer systematische afstemming te raken van de beleidsterreinen van de drie ministeries met betrekking tot de problematiek van aansluiting tussen onderwijs en arbeid, met name met het oog op het over die band scheppen van voorwaarden vor herstel van de marktsector.
De tijdelijke adviescommissie Onderwijs en Arbeidsmarkt is in 1989 ingesteld om te adviseren over de manier waarop de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt kan worden verbeterd. relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. In 1990 bracht de tijdelijke adviescommissie haar eindrapport ‘onderwijs-arbeidsmarkt: naar een werkzaamtraject’ uit.
In de overeenkomsten met andere landen voor de werving van arbeidskrachten is geregeld dat er een Gemengde Commissie wordt ingesteld. Deze Commissie is ondermeer belast met het toezicht op de uitvoering van de overeenkomst en het doen van voorstellen van wijzigingen van de overeenkomst.
Bij ministerieel besluit (Stcrt. 1994, 110) is op 10 juni 1994 de Stuurgroep Allochtonen ingesteld. De redenen voor de instelling van deze stuurgroep waren dat de arbeidsmarktpositie van allochtonen gebrekkig was en de implementatie van de verschillende maatregelen om deze positie te verbeteren nog onvoldoende op gang was gekomen. Bij de inwerkingtreding van de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden (Stb. 1998, 241) is het instellingsbesluit ingetrokken.
De belastingdienst zorgt voor de uitvoering van de belastingwetgeving. De dienst valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën.
De Rijksdienst voor de Werkverruiming was vlak voor de Tweede Wereldoorlog opgericht en beoogde de werkverschaffing te coördineren. In 1945 richtte het Militaire gezag in het bevrijde zuiden van Nederland een soortgelijke organisatie in, de Dienst Uitvoering Werken (DUW), korte tijd later omgedoopt tot Rijksdienst. Zij beoogde ‘nuttige arbeid te verschaffen aan niet in het arbeidsproces opgenomen werknemers’ door openbare werken te verrichten. DUW maakte deel uit van het Ministerie van Openbare Werken, dat later werd omgedoopt tot Wederopbouw en Volkshuisvesting; vanaf 1952 ressorteerde ze onder de Minister van Sociale Zaken. Twee jaar later werden de taken van het Rijksarbeidsbureau en DUW samengebracht onder het nieuw opgerichte directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening. Als hoofdafdeling Aanvullende Werken bleef DUW voortbestaan tot en met 1983.
Minister Joekes stelde de Commissie inzake werkobjecten ten behoeve van werkloze geschoolde handarbeiders in 1949 in, met als opdracht projecten te zoeken die in het kader van de aanvullende arbeid konden worden ondernomen. De commissie rapporteerde op 8 juni 1950.
Dit college had tot taak erop toe te zien dat er steeds voldoende normale openbare werken en aanvullende werken waren om in tijden van hogere werkloosheid arbeiders te werk te kunnen stellen. Tevens adviseerde het coördinatiecollege de interdepartementale commissie voor de werkgelegenheid omtrent onder meer de werkgelegenheidsplannen en de financiering van eventueel versneld uit te voeren openbare werken. De voorzitter van de interdepartementale commissie voor de werkgelegenheid – Van Rhijn – was tevens voorzitter van het coördinatiecollege; het Centraal Planbureau leverde de secretaris.
Toen de Commissie Van Rhijn haar werkzaamheden in 1954 had beëindigd, kreeg het coördinatiecollege een zelfstandiger taak. Het beheerde bijvoorbeeld de cartotheek van openbare werken die was vervaardigd door de Provinciale commissies voor de werkgelegenheid. Voortaan was de directeur-generaal voor de arbeidsvoorziening voorzitter en wezen Gedeputeerde Staten de secretaris aan.
Het college is, ingevolge het kabinetsbesluit van 17 oktober 1986 in het kader van de sanering van interdepartementale commissies, in 1998 opgeheven (Stcrt. 1988, 25).
Zoals de naam al doet vermoeden, adviseerde deze commissie de Rijksdienst voor de Uitvoering van Werken (D.U.W.). De directeur van D.U.W. was tegelijk voorzitter van deze commissie; haar leden werden benoemd door de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, van Financiën, van Economische Zaken, van Verkeer en Waterstaat, van Wederopbouw en Volkshuisvesting en van Sociale Zaken. Voorts was de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vertegenwoordigd, en na 1952 ook de Unie van Waterschappen.
De Centrale Commissie van Advies voor D.U.W.-aangelegenheden functioneerde tussen 1948 en 1954.
De instelling van de beroepsinstanties maakte onderdeel uit van de overlegregeling inzake D.U.W.-aangelegenheden tussen overheid en bedrijfsleven (Stichting van de Arbeid). De regeling van het beroepsrecht van tewerkgestelden tegen ontslag en schorsing maakte daar onderdeel van uit.
Aan ieder gebied van een Gewestelijk Arbeidsbureau was een gewestelijke beroepscommissie verbonden voor D.U.W.-aangelegenheden. Ze beslisten wanneer D.U.W.-arbeiders tegen straf, ontslag of schorsing appelleerden.
Op verzoek van de Minister van Sociale Zaken stelden de Gedeputeerde Staten in 1950 de provinciale commissies voor de werkgelegenheid in. De voorzitter was een lid van Gedeputeerde Staten, de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau was de secretaris. De taak van deze commissies was tweeledig: enerzijds hadden ze een adviserende taak, anderzijds moesten ze in de provincie openbare werken opsporen en registreren die zouden kunnen dienen als aanvullend werkgelegenheidsproject (waartoe een cartotheek werd aangelegd).
De Interdepartementale coördinatiecommissie jeugdwerkloosheid
De Interdepartementale werkgroep jeugdwerkloosheid is in 1968 ingesteld, en werd in 1980 vervangen door de iets anders samengestelde Interdepartementale coördinatiecommissie jeugdwerkloosheid. Beide beoogden de inspanningen van de verschillende departementen te coördineren en adviseerden de betrokken bewindspersonen over de bestrijding van de jeugdwerkloosheid.
In de Interdepartementale coördinatiecommissie jeugdwerkloosheid hadden negen mensen zitting: voor de departementen van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Onderwijs en Wetenschappen steeds twee leden, voor de departementen van Financiën en van Economische Zaken steeds één lid, en voor het departement van Sociale Zaken drie leden. Eén van deze laatste drie leden was secretaris, een ander – degene die binnen het departement het hoofd was van de directie arbeidsmarktbeleid – voorzitter.
De Landelijke begeleidingscommissie voor de arbeidsvoorziening in de zeevaart werd met de Regeling arbeidsvoorziening in de zeescheepvaart (Stcrt. 1977, 182) ingesteld om het overleg te structureren tussen de sociale partners en de departementen van Sociale Zaken en van Verkeer en Waterstaat. De bedoelde regeling was tot stand gekomen door goed overleg, en de voorgenomen wettelijke grondslag is er dan ook nooit gekomen. Wel werd het overleg gestructureerd middels deze commissie, die bestond uit vier vertegenwoordigers van het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening, twee vertegenwoordigers van rederszijde1Deze twee vertegenwoordigers representeerden zowel de kleine als de grote handelsvaart, de zeesleepvaart en de bevoorradingsvaart., twee vertegenwoordigers van de vakbeweging, en één vertegenwoordiger van het directoraat-generaal van scheepvaart (van Verkeer en Waterstaat). De Minister van Sociale Zaken wees de voorzitter en de secretaris aan uit de vertegenwoordigers van het directoraat-generaal voor de arbeidsvoorziening.
Achter deze naam gaat het Gewestelijk Arbeidsbureau te Rotterdam schuil, waar in de jaren zeventig de arbeidsbemiddeling voor zeelieden werd gecentraliseerd, een praktijk die werd geregeld met de Regeling arbeidsvoorziening in de zeescheepvaart (Stcrt. 1977, 182). Het is reders niet toegestaan buitenlands personeel aan te nemen dan door bemiddeling van het Centraal Bureau, dat zijn voornaamste taak dan ook heeft in het controleren van werkvergunningen en wat dies meer zij. Het heeft een filiaal in Groningen.
De Raad voor de buitengewone arbeidsvoorziening kan in het leven worden geroepen bij de Noodwet Arbeidsvoorziening (Stb. 1971, 448) en dient de ministerraad te adviseren in (dreigende) oorlogsomstandigheden. De leden – waaronder vertegenwoordigers van werknemers- en werkgeversorganisaties – worden benoemd door de Kroon. Nog nooit is de minister genoopt geweest deze Raad in te stellen; evenmin zijn er ooit benoemingen geweest.
Deze commissie kan worden samengesteld onder buitengewone omstandigheden, dat wil zeggen als oorlog dreigt of is uitgebroken. Ze adviseert de autoriteit die is aangewezen als Hoofd Arbeidsvoorziening. De leden worden aangewezen door de Minister van Sociale Zaken; ze worden voorgedragen door de Raad voor de buitengewone arbeidsvoorziening. Nog nooit heeft de minister deze commissie in het leven hoeven roepen.
Deze commissie is ingesteld in 1948 met als doel te adviseren over de plaatsing van leidinggevend personeel dat was gedemobiliseerd na de politionele acties in Indonesië. Per 15 september 1950 werd de commissie op eigen verzoek opgeheven.
4. Selectie
4.1. Doelstelling van de selectie
De selectie richt zich op archiefbescheiden van overheidsorganen op rijks- en provinciaal niveau die vallen onder de werking van de artikelen 1, 23 en 41 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995/276). Het begrip overheidsorgaan wordt in artikel 1 van de Archiefwet 1995 gedefinieerd als:
Het begrip archiefbescheiden betreft alle neerslag van de omschreven handelingen, ongeacht of het papier of een machineleesbaar gegevensbestand (MLG) betreft en of het zich in een archief, bibliotheek, op een afdeling automatisering of bij beleidsmedewerkers bevindt.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen enerzijds archiefbescheiden die in aanmerking komen voor blijvende bewaring en overbrenging naar het Algemeen Rijksarchief of een Rijksarchief in de provincie en anderzijds archiefbescheiden die (op termijn) voor vernietiging in aanmerking komen. De voor blijvende bewaring in aanmerking komende bescheiden dienen na een termijn van 20 jaar naar het Algemeen Rijksarchief te worden overgebracht. De beslissing of neerslag van een handeling wel of niet voor blijvende bewaring in aanmerking komt, wordt genomen tegen de achtergrond van de selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst/PIVOT, zoals de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur die heeft verwoord bij de behandeling van de nieuwe Archiefwet in de Tweede Kamer (13 april 1994): ‘het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen’. Door het Convent van Rijksarchivarissen is deze doelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.
In dit BSD wordt deze selectiedoelstelling uitgewerkt ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening. De handelingen van de verschillende actoren worden geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie is dus de vraag aan de orde welke gegevensbestanden, behorende bij welke handeling, berustende bij welke actor, bewaard dienen te worden teneinde het handelen van de rijksoverheid aangaande het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
In dit BSD wordt deze selectiedoelstelling uitgewerkt binnen het beleidsterrein arbeidsvoorziening.
4.2. Selectiecriteria
Bij de selectie van handelingen is binnen het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) een aantal criteria onderscheiden dat op elk beleidsterrein of taakgebied van toepassing is. Daarnaast is het mogelijk dat er specifieke criteria geformuleerd worden voor het desbetreffende beleidsterrein. De criteria, die in de selectielijst zijn toegepast, worden in het onderstaande schema weergegeven. Ten aanzien van het beleid op het terrein van de arbeidsvoorziening is het formuleren van specifieke criteria niet nodig gebleken.
De selectiecriteria zijn positief geformuleerd, dat wil zeggen dat zij aangeven van welke handelingen de neerslag na het verstrijken van de wettelijke overbrengingstermijn van 20 jaar naar het Algemeen Rijksarchief dient te worden overgebracht. Handelingen die aan één van de criteria voldoen, zijn met B (bewaren) gewaardeerd met vermelding van het desbetreffende criterium. Handelingen die niet aan één van de selectiecriteria voldoen zijn met V (op termijn vernietigen) gewaardeerd, met vermelding van de minimale termijn, dat de archiefbescheiden, door het orgaan dat met de zorg ervoor is belast, bewaard moeten worden. De documentaire neerslag die uit deze laatstgenoemde handelingen voortvloeit is niet noodzakelijk voor de reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen. De neerslag van de met V gewaardeerde handelingen kan na de voorgeschreven termijn worden vernietigd.
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
In dit kader vangen in voorkomende gevallen de begindata van handelingen in dit BSD, in tegenstelling tot de begindata in het RIO, niet in 1940 aan maar in 1945.
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
5. Selectielijst
In de selectielijst zijn de handelingen uit het rapport Arbeidsvoorzieningsbeleid geordend per actor, te beginnen bij de Minister van Sociale Zaken, de voornaamste actor op het terrein. Vanwege de ordening per actor zijn handelingen die volgens het rapport door meer dan één actor worden uitgevoerd in dit BSD meer keren opgenomen. Het BSD bevat dus meer items dan het rapport. De overige actoren zijn geordend aan de hand van hoofdstuk II van het RIO ‘Arbeidsvoorzieningsbeleid’
De gegevensblokken van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) zijn in het BSD overgenomen. Ook de nummering uit het RIO is gehandhaafd. De doorlopende nummering in het RIO wordt, door de andere ordening (per actor), een verspringende nummering in het BSD. Het uitgangspunt is steeds geweest dat er een directe relatie moet worden gehandhaafd tussen het RIO en het BSD. Om ordening in de handelingen in het BSD te houden is de (sub)indeling uit het RIO overgenomen.
Uit de gegevensblokken is het item ‘actor’ weggelaten: deze is steeds aan het begin van de handelingenlijst van de betreffende actor opgenomen. Toegevoegd is het item ‘waardering’. Bij het product wordt steeds het eindproduct van de handeling genoemd, waarbij wordt aangetekend dat wordt verondersteld dat de neerslag van het gehele proces dat heeft geleid tot dat eindproduct bewaard moet blijven danwel (op termijn) vernietigd kan worden. Ook in gevallen waarbij geen eindproduct tot stand is gekomen, wordt de neerslag van de voorbereiding daartoe tot de handeling gerekend en dient deze bewaard of vernietigd te worden.
Door middel van de plaatsing van de letters B en V wordt een waardering gegeven voor het ‘Bewaren’ of ‘Vernietigen’ van de neerslag van die handeling. Bij de handelingen die met een B zijn gewaardeerd, wordt het selectiecriterium uit het schema van paragraaf 4.2 genoemd dat tot dat voorstel heeft geleid.
Bij handelingen die met V zijn gewaardeerd, wordt de termijn gegeven, waarna vernietiging van de documentaire neerslag kan plaatsvinden. De in de lijst genoemde termijnen worden, voor wat de zaaksgewijs geordende archiefbescheiden betreft, geacht in te gaan vanaf het moment dat het recentste document in het dossier is gevoegd.
De lijst heeft geen betrekking op archiefbescheiden inzake de interne beheertaken van de actoren. Hiervoor dient een aparte lijst te worden vervaardigd. Activiteiten van ambtelijke commissies, werkgroepen of overlegverbanden, ingesteld ter voorbereiding of uitvoering van enige handeling, worden geacht onder die handeling te zijn begrepen.
5.1. Vaststelling Selectielijst
Het ontwerp-BSD is op 16 januari 2003 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, op 20 januari 2003 op 4 maart 2003 door de Minister van Defensie, op 26 maart 2003 door de Minister van Verkeer en Waterstaat, op 2 mei 2003 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op 28 mei 2003 door de Minister van Economische Zaken, op 10 juni 2003 door de Minister van Financiën, op 21 oktober 2003 door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, op 22 oktober 2003 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, op 12 november 2003 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 april 2004 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Verkeer en Waterstaat en van Volkshuisvesting, ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 4 oktober 2004 bracht de RvC advies uit (arc-2004.01462/3), hetwelk naast enkele tekstuele correcties aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
de waardering van handelingen 525, 527, 528, 529, 531, 535 en 536 is gewijzigd van V in B 6;
de waardering van de handelingen 119, 347, 409, 460, 461, 462, 464 en 465 is gewijzigd van V naar B 5;
de waardering van handelingen 132 en 396 is gewijzigd van B 5 naar V.
Daarop werd het BSD op 11 november 2004 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de Ministers van Algemene Zaken (kenmerk C/S/04/2443), Defensie (C/S/04/2444), Economische Zaken (C/S/04/2445), Financiën (C/S/04/2446), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S/04/2447), Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S/04/2448), Verkeer en Waterstaat (C/S/04/2449), Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (C/S/04/2450), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S/04/2451) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S/04/2452) vastgesteld.
Selectielijst
Actor: De Minister van Sociale Zaken
Handeling: Het voorbereiden, medevaststellen, coördineren en evalueren van het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: beleidsnota’s, beleidsnotities, rapporten, adviezen, evaluaties
Periode: 1945–
Opmerking: Onder ‘coördineren’ moet hier worden verstaan: de bevoegdheid alle uitgaven van andere ministers te toetsen op het arbeidsmarkteffect. Sinds 1978 vindt dit zijn neerslag in werkgelegenheidsplannen.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: wetten, onder andere:
Arbeidsbemiddelingswet 1930 (Stb. 1930, 433)
Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402)
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet (1990, 403)
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618)
Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 619)
Periode: 1945–
Opmerking: de wet- en regelgeving op een specifiek beleidsterrein is bij dat deelbeleidsterrein opgenomen.
Waardering: B (1)
Handeling: Het beslissen in gevallen waarin de regelgeving inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid niet voorziet en/of het maken van uitzonderingen op die regelgevingen in geval van onbillijkheid.
Grondslag: –
Product: beschikkingen
Periode: 1945–
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen.
Grondslag: –
Product: series jaarverslagen
Periode: 1945–
Waardering: B (2)
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: brieven, notities
Periode: 1945–
Waardering: B (2)
Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: brieven, notities
Periode: 1945–
Waardering: B (2)
Handeling: Het meewerken aan ministerie-breed beleid voor zover het arbeidsvoorzieningen betreft.
Bron: –
Product: bijvoorbeeld: de Sociale Nota’s
Periode: 1945–
Waardering: B (1)
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid en het voeren van verweer in beroepsschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen.
Grondslag: Wet beroep administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Stb. 1975, 284) art. 4;
Algemene Wet Bestuursrecht (Stb. 1994, 1)
Product: beschikkingen, verweerschriften
Periode: 1945–
Waardering: B (3)
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: Grondwet 1887 (Stb. 1887, 212) artikel 8, Grondwet 1983 (Stb. 1983, 22) artikel 5
Product: brieven aan burgers e.d.
Periode: 1945–
Waardering: V 2 jaar
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: voorlichtingsmateriaal, zoals de publiciteitscampagne om ondernemers te vragen meer vacatures aan te melden bij arbeidsbureaus (1977/1978)
Periode: 1945–
Waardering: V 2 jaar. Een exemplaar van het vastgestelde voorlichtingsmateriaal wordt bewaard.
Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van (wetenschappelijk) onderzoek inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: offerte, brieven, rapporten
Periode: 1940–
Waardering: B (1) vastgestelde onderzoeksrapporten
Handeling: Het begeleiden van (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Grondslag: –
Product: nota’s, notulen, brieven
Periode: 1940–
Waardering: V 5 jaar na beeindiging van het onderzoek
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van (wetenschappelijk) onderzoek betreffende het arbeidsvoorzieningsbeleid
Grondslag: –
Periode: 1940–
Waardering: V 5 jaar na beëindiging van het onderzoek
Handeling: het financieren van (wetenschappelijk) onderzoek
Grondslag: –
Product: rekeningen, declaraties
Periode: 1940–
Waardering: V 5 jaar nadat onderzoek door de Algemene Rekenkamer over het betreffende jaar heeft plaatsgevonden
Handeling: Het geven van richtlijnen betreffende de inschakeling van en samenwerking tussen bestuursorganen ten behoeve van de arbeidsvoorziening.
Grondslag: Organisatiebesluit Arbeidsvoorziening (Stb. 1954, 305) art. 4
Product: ministeriële besluiten, zoals:
Richtlijnen samenwerking met provinciale commissies voor de werkgelegenheid (Stcrt. 1954, 227)
Periode: 1954–
Waardering: V 5 jaar na intrekking
Handeling: Het verstrekken van subsidies voor activiteiten welke passen in het werkgelegenheids- en het arbeidsmarktbeleid.
Grondslag: o.a. Kaderwet SZW-subsidies (Stb. 1997, 285) art. 2, art. 4
Product: beschikkingen
Periode: 1945–
Opmerking: – De Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat voor het verstrekken van subsidie een wettelijke regeling nodig is. Op 1 januari 1998 is daarom de Kaderwet SZW-subsidies in werking getreden.
– zie paragraaf 3.2.2. ‘Europees Sociaal Fonds’ voor handelingen betreffende subsidieverlening in het kader van het ESF;
Waardering: V 5 jaar nadat onderzoek door de Algemene Rekenkamer over het betreffende jaar heeft plaatsgevonden
Handeling: Het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling stellen van regels met betrekking tot het verstrekken van subsidies.
Grondslag: Kaderwet SZW-subsidies (Stb. 1997, 285) art. 3
Product: algemene maatregelen van bestuur, regelingen
Periode: 1998–
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van een subsidieplafond voor de verschillende activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en het bepalen op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld.
Grondslag: Kaderwet SZW-subsidies (Stb. 1997, 285) art. 5
Product: besluiten
Periode: 1998–
Opmerking: de Minister van Financiën kan instemmen met het achterwege laten van het bepalen op welke wijze het beschikbare geld wordt verdeeld.
Waardering: V 5 jaar na geldigheidsduur
Handeling: Het aanwijzen van personen die met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Kaderwet SZW-subsidies aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen zijn belast.
Grondslag: Kaderwet SZW-subsidies (Stb. 1997, 285) art. 8
Product: besluiten
Periode: 1998–
Waardering: V 5 jaar na geldigheidsduur aanwijzing
Handeling: Het instellen van commissies, raden en werkgroepen.
Grondslag: –
Product: instellingsbeschikking interdepartementale commissie werkgelegenheid
Periode: 1945–
Waardering: B (4)
Handeling: het detacheren/benoemen van ambtenaren bij de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EG.
Product: besluiten
Periode: 1958–
Waardering: V 5 jaar na geldigheidsduur benoeming
Handeling: Het voorbereiden van bijdragen aan expertgroepen van de Europese Commissie inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen over geleverde bijdrage.
Product: brieven, verslagen
Periode: 1958–
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van concept-informatiefiches over voorstellen, mededelingen en Groenboeken van de Europese Commissie op het gebied van arbeidsvoorzieningsbeleid.
Product: Concept-fiches
Periode: 1958–
Opmerking: De interdepartementale WBNC stelt de informatiefiches vast (de handeling hiervoor is opgenomen in het concept-RIO ‘Gedane Buitenlandse Zaken’).
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van Raadswerkgroepen met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc groepen Raden/Attachés met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van het Coreper met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– De instructies voor de Nederlandse vertegenwoordiger in het Coreper (de PV) worden vastgesteld in interdepartementaal overleg onder leiding van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
– De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van vergaderingen van ad hoc High Level groepen met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen van deze vergaderingen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– De handeling leidt bij het eerstverantwoordelijke ministerie met name tot instructies; bij de de overige betrokken ministeries tot departementale standpunten.
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake agendapunten van Raadsvergaderingen met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid en het opstellen van verslagen van Raadsvergaderingen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: Nationale standpunten en onderhandelingsposities inzake agendapunten van Raadsvergaderingen komen tot stand in de Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (CoCo).
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van departementale standpunten inzake algemene en op langere termijn spelende zaken van EU-belang inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Product: nota’s
Periode: 1993–
Opmerking: Overleg hierover in de Coördinatiecommissie op Hoog Ambtelijk Niveau (CoCoHan) leidt tot algemene rapporten aan de betrokken ministers.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voordragen van personen voor benoeming in een raadgevend comité, beheerscomité of reglementeringscomité.
Product: voordrachten
Periode: 1958–
Opmerking: de Raad benoemt de leden van de comités.
Waardering: V 5 jaar na geldigheidsduur benoeming
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten inzake door de Europese Commissie voorgestelde uitvoeringsbepalingen met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid, die besproken worden in raadgevend comité, een beheerscomité of een regelementeringscomité, en het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze comités.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatie-overleg.
– Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen en wijzigen van standpunten over de door de Europese Commissie voorgenomen besluiten, maatregelen en onderhandelingen met derde landen met betrekking tot het arbeidsvoorzieningsbeleid, voorzover deze niet zijn vastgelegd in Raadsbesluiten en worden besproken in commissies en werkgroepen en het opstellen van verslagen van vergaderingen van deze commissies en werkgroepen.
Product: nota’s, verslagen
Periode: 1958–
Opmerking: – Als onderdeel van de departementale standpuntbepaling kan overleg gevoerd worden met maatschappelijke groeperingen, zoals het georganiseerde bedrijfsleven.
– Wanneer meerdere departementen betrokken zijn, leidt het eerstverantwoordelijke ministerie het coördinatie-overleg.
– Onder deze handeling valt ook het opstellen van instructies voor de Nederlandse vertegenwoordigers in de comités.
Waardering: B (1)
Handeling: Het opstellen van een plan ter implementatie van een door de Raad vast te stellen besluit.
Grondslag: Aanwijzingen voor regelgeving (Stcrt. 1992, 230), nr. 334
Product: implementatieplannen
Periode: 1993–
Opmerking: Het betreft hier plannen ter implementatie van richtlijnen en verordeningen die onderworpen zijn aan de samenwerkingsprocedure of de medebeslissingsprocedure (co-decisie) van Raad en Europees Parlement. Het implementatieplan moet binnen een maand nadat de Raad het gemeenschappelijk standpunt heeft vastgelegd voorgelegd worden aan de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voordragen aan de Europese Commissie van deskundigen belast met de controle op de naleving van de bepalingen van communautaire besluiten betreffende het arbeidsvoorzieningsbeleid.
Product: besluiten
Periode: 1958–
Waardering: V 5 jaar na geldigheidsduur benoeming
Handeling: Het implementeren van internationale regels aangaande arbeidsvoorzieningen in bestaande of nieuwe regelgeving op nationaal niveau.
Grondslag: EG-richtlijnen
Product: (aangepaste) nationale wet- en regelgeving
Periode: 1945–
Waardering: B (1)
Handeling: Het geven van aanwijzingen aan uitvoeringsorganen over de toepassing van internationale verdragen of verordeningen.
Grondslag:
Product: aanwijzingen
Periode: 1958–
Waardering: V 5 jaar na vervallen aanwijzing
Handeling: Het indienen van projecten, aanvragen om bijstand of plannen bij de Europese Commissie.
Grondslag: Besluit betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds (71/66/EEG) art. 6, ingetrokken bij Besluit van de Raad van 17 oktober 1983 betreffende de taken van het Europees Sociaal Fonds (83/516/EEG)
Besluit van de Raad van 20 december 1977 betreffende de bijstand van het Europees Sociaal Fonds ten gunste van migrerende arbeidskrachten (77/803/EEG)
Verordening van de Raad van 8 november 1971 ter uitvoering van het Besluit van de Raad van 1 februari 1971 betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds (EEG nr. 2396/71) art. 5, gewijzigd Verordening van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van Besluit 83/516/EEG betreffende de taken van het Europees Fonds Verordening (EEG) Nr. 2950/83 art. 4
Verordening van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (Verordening (EEG) nr. 2052/88) art. 10, tweede lid, vervangen Verordening van de Raad van 20 juli 1993 (Verordening (EEG) nr. 2081/93) art. 10 eerste en tweede lid
Product: projectbeschrijvingen, plannen, aanvragen
Periode: 1971–
Opmerking: Met ingang van 1-1-1991 maakt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zelf plannen, operationele programma’s c.q. bijstandsaanvragen op voor doelstelling 3.
Waardering: B (5)
Handeling: Het toezenden van een lijst met namen van overheidsinstanties die door hem zijn gemachtigd om financiële bijstand te verlenen ten behoeve van acties, verricht door privaatrechtelijke organen of lichamen en een goede uitvoering van de activiteiten te garanderen.
Grondslag: Verordening ter uitvoering van het Besluit van de Raad betreffende de hervorming van het Europees Sociaal Fonds (EEG nr. 2396/71) art. 4
Product: lijsten met namen van overheidsinstanties
Periode: 1971–
Waardering: V 10 jaar na vervanging
Handeling: Het vaststellen van een procedure voor het indienen van aanvragen om bijstand en het mededelen daarvan aan de Commissie.
Grondslag: Verordening van de Raad van 24 april 1972 betreffende een aantal administratieve en financiële bepalingen nopens de werkwijze van het Europees Sociaal Fonds (EEG. Nr. 858/72) art. 1
Product: brieven
Periode: 1972–
Opmerking: Elke lid-staat deelt de procedure mede aan de Commissie. De Commissie maakt de procedure bekend door een mededeling in het ‘Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen’.
Waardering: B (3)
Handeling: Het informeren van de Commissie inzake de aanvang en voortgang van activiteiten.
Grondslag: Verordening van de Raad van 24 april 1972 betreffende een aantal administratieve en financiële bepalingen nopens de werkwijze van het Europees Sociaal Fonds (EEG. Nr. 858/72) art. 4, eerste lid
Product: brieven
Periode: 1972–
Waardering: B (3)
Handeling: Het informeren van de verantwoordelijke voor een activiteit betreffende elke door de Commissie verrichte betaling.
Grondslag: Verordening van de Raad van 24 april 1972 betreffende een aantal administratieve en financiële bepalingen nopens de werkwijze van het Europees Sociaal Fonds (EEG. Nr. 858/72) art. 4, tweede lid
Product: brieven
Periode: 1972–
Waardering: V 10 jaar na beëindiging activiteit
Handeling: Het instemmen met het verzoek van de Raad dat door de bevoegde instanties van de betrokken lidstaat wordt overgegaan tot verificaties of onderzoeken met betrekking tot de door het Fonds gefinancierde activiteiten.
Grondslag: Verordening van de Raad van 24 april 1972 betreffende een aantal administratieve en financiële bepalingen nopens de werkwijze van het Europees Sociaal Fonds (EEG. Nr. 858/72) art. 5, derde lid,
Verordening van de Raad van 17 oktober 1983 houdende toepassing van Besluit 83/516/EEG betreffende taken van het Europees Sociaal Fonds (EEG Nr. 2950/83) art. 7 vierde lid
Product: brieven
Periode: 1972–
Waardering: V 10 jaar na beëindiging activiteit
Handeling: Het houden van toezicht op het gebruik van de bijstand van de Fondsen in het kader van het communautaire bestek en de specifieke acties (programma’s en dergelijke).
Grondslag: Verordening van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsverklaringen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (verordening (EEG) Nr. 4253/88) art. 25, eerste lid;
Verordening van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (Verordening (EEG) Nr. 2082/93) art. 23, eerste lid
Product: verslagen, steekproefcontroles
Periode: 1988–
Opmerking: deze handeling omvat ook het informeren van de Commissie inzake genomen maatregelen om:
– regelmatig te verifiëren dat de door de Gemeenschap gefinancierde maatregelen stipt zijn uitgevoerd;
– onregelmatigheden te voorkomen;
– door misbruik of nalatigheid verloren middelen te recupereren.
Waardering: V 15 jaar na beëindiging programma’s. In het geval van fraude, is artikel 5e van het Archiefbesluit van toepassing
Handeling: Het aanwijzen van een autoriteit die voor iedere meerjarenactie voortgangsrapportages aan de Commissie zendt.
Grondslag: Verordening van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsverklaringen van Verordening ((EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (verordening (EEG) Nr. 4253/88) art. 25, eerste lid;
Verordening van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (Verordening (EEG) Nr. 2082/93) art. 23, eerste lid
Product: aanwijzing
Periode: 1988–
Waardering: V 10 jaar na vervallen aanwijzing
Handeling: Het toekennen van subsidies in het kader van ESF-doelstellingen, programma’s en bijstandsregelingen.
Grondslag: onder meer Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid (Stcrt. 1995, 39)
Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid II (Stcrt. 1997, 33)
Regeling Communautair Initiatief ADAPT-II (Stcrt. 1997, 33)
Wijziging subsidieregelingen ADAPT-II en werkgelegenheid II (Stcrt. 1997, 63)
Subsidieregeling ESF doelstelling 4 ‘Scholing voor behoud van werk’ (Stcrt. 1995, 83)
Product: beschikkingen
Periode: 1995–
Opmerking: de toekenning van subsidies in het kader van de doelstelling 3 van het ESF wordt sinds 1991 uitgevoerd door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Waardering: V 7 jaar na beëindiging programma, regeling
Handeling: Het er op toezien dat aan de ingediende plannen de nodige bekendheid wordt gegeven en het in kennis stellen van de Commissie van de ter zake genomen initiatieven.
Grondslag: Verordening van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4253/88 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (Verordening (EEG) Nr. 2082/93) art. 32, eerste en tweede lid
Product: brieven
Periode: 1993–
Waardering: V 10 jaar na afloop plan
Handeling: Het aanwijzen van drie leden van het comité van toezicht voor uitvoering ESF-subsidieregelingen, waarvan één het voorzitterschap bekleedt.
Grondslag: Besluit instelling Comité van Toezicht voor uitvoering ESF-subsidieregelingen (Stcrt. 1995, 172), art. 3 lid 1
Product: beschikkingen
Periode: 1995–
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingstermijn
Handeling: Het goedkeuren van het verschuiven van middelen die de Europese Commissie voor elk jaar ter beschikking heeft gesteld tussen begrotingsposten binnen het desbetreffende initiatief, dan wel overhevelen naar een volgend jaar.
Grondslag: Besluit instelling Comité van Toezicht voor uitvoering ESF-subsidieregelingen (Stcrt. 1995, 172), art. 9 lid 2
Product: brieven, financiële bescheiden
Periode: 1995–
Waardering: V 10 jaar na vaststelling begroting
Handeling: Het aanwijzen van drie leden, waarvan een het voorzitterschap bekleedt van het Comité van toezicht ‘doelstelling 3’.
Grondslag: Instellingsbesluit Comité van toezicht ‘doelstelling 3’ (Stcrt. 1997, 249) art. 3 lid 1
Product: beschikkingen
Periode: 1997–
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingstermijn
Vervallen
Handeling: Het goedkeuren van het verschuiven van middelen die de Europese Commissie voor elk jaar ter beschikking heeft gesteld ter verwezenlijking van doelstelling 3 tussen begrotingsposten binnen het desbetreffende initiatief, dan wel overhevelen naar een volgend jaar.
Grondslag: Instellingsbesluit Comité van Toezicht ‘doelstelling 3’ (Stcrt. 1997, 249) art. 9, tweede lid
Product: brieven, financiële bescheiden
Periode: 1997–
Waardering: V 10 jaar na vaststelling begroting
Handeling: Het toetsen van de van de zijde van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ontvangen plannen, wijzigingen van plannen operationele programma’s c.q. bijstandsaanvragen bij de Europese Commissie, alsmede het op de hoogte stellen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de beslissing van de Europese Commissie.
Grondslag: Overeenkomst tussen Staat en Arbeidsvoorzieningsorganisatie inzake ESF (Stcrt. 1991, 192) art. 2 lid 4, art. 3 lid 2, zoals gewijzigd (Stcrt. 1996, 84) art. 1 en art. 3
Product: brieven
Periode: 1991–
Opmerking: de Minister van Sociale Zaken toetst de plannen, wijzigingsvoorstellen daarop en operationele programma’s aan de geldende EEG-voorschriften en aan de wet.
Waardering: B (5)
Handeling: Het aanwijzen van personen die controles mogen uitoefenen.
Grondslag: Overeenkomst tussen Staat en Arbeidsvoorzieningsorganisatie inzake ESF (Stcrt. 1991, 192) art. 5 lid 1, art. 7 lid 2
Product: beschikkingen
Periode: 1991–
Opmerking: het betreft hier controles met betrekking tot:
a. de inrichting en toegankelijkheid van de administratie van de subsidie-ontvanger;
b. het bijhouden van een adequate administratie door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met betrekking tot de bestemming van de uit het Europees Sociaal Fonds ter beschikking gestelde middelen
Waardering: V 10 jaar na intrekking beschikking
Handeling: Het geven van voorschriften t.a.v. het bijhouden van een adequate administratie door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met betrekking tot de bestemming van de uit het Europees Sociaal Fonds ter beschikking gestelde middelen.
Grondslag: Overeenkomst tussen Staat en Arbeidsvoorzieningsorganisatie inzake ESF (Stcrt. 1991, 192) art. 7 lid 1
Product: voorschriften
Periode: 1991–
Waardering: V 15 jaar na vervallen voorschrift
Handeling: Het aanwijzen van instanties die operationele programma’s mogen uitvoeren.
Grondslag: Wijziging overeenkomst Staat/Arbvo betreffende Europees Sociaal Fonds (Stcrt. 1996, art. 4 lid 2
Product: aanwijzing
Periode: 1996–
Opmerking: Het betreft hier operationele programma’s die niet vallen onder de doelstellingen 1, 2, 3 of 5b, als bedoeld in artikel 1 verordening (EG) 2052/88.
Waardering: V 10 jaar na vervallen aanwijzing
Handeling: Het goedkeuren van het door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie opgestelde plan voor het toezicht op de rechtspersonen die terzake van de uitvoering van een operationeel programma subsidie ontvangen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Grondslag: Wijziging overeenkomst Staat/Arbvo betreffende Europees Sociaal Fonds (Stcrt. 1996, art. 4 lid 2
Product: brieven
Periode: 1996–
Waardering: B (5)
Handeling: Het, na overleg met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, stellen van nadere regels met betrekking tot de inrichting van de begroting van inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking heeft op uit het ESF ter beschikking gestelde middelen.
Grondslag: Wijziging overeenkomst Staat/Arbvo betreffende Europees Sociaal Fonds (Stcrt. 1996, art. 6a
Product: ministeriële regelingen
Periode: 1996–
Waardering: V 10 jaar na vervallen regeling
Handeling: Het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake het arbeidsvoorzieningsbeleid en het presenteren van Nederlandse standpunten in inter-gouvernementele organisaties.
Grondslag: –
Product: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten
Periode: 1945–
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van overleg- en bestuursorganen van internationale organisaties inzake arbeidsvoorziening
Grondslag: –
Product: verslagen, notulen, notities, rapporten
Periode: 1945–
Waardering: B (1)
Handeling: Het vaststellen van het aantal Gewestelijke Arbeidsbureaus en het gebied waarover zij zich uitstrekken.
Grondslag: Besluit van de waarnemend Secretaris-Generaal van Sociale Zaken van 24 september 1940 (Vb. 1940, 166), art. 3, tweede lid; Arbeidsbemiddelingswet 1930, art. 3, tweede lid, zoals gewijzigd (Stb. 1960, 94) (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: ministeriële besluiten, zoals:
– Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 13 juli 1964 (Stcrt. 1964, 151)
– Beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 17 mei 1976 (Stcrt. 1976, 143)
– Beschikking van de Minister van Sociale Zaken van 1 april 1985 (Stcrt. 1985, 74)
Periode: 1945–1990
Waardering: V 5 jaar na vervanging besluit
Handeling: Het benoemen van de directeur-generaal van het Rijksarbeidsbureau.
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 2, derde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: benoemingsbeschikkingen
Periode: 1945–1990
Waardering: V 75 jaar na geboortedatum of overlijden
Handeling: Het opstellen van richtlijnen voor de directeur-generaal van het Rijksarbeidsbureau.
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 2, derde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: richtlijnen
Periode: 1945–1990
Waardering: B (5)
Handeling: Het benoemen van de voorzitter en leden van de Centrale Commissie van Bijstand en Advies
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 2, vierde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: benoemingsbeschikkingen
Periode: 1945–1990
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingstermijn
Handeling: Het stellen van regels betreffende aan de voorzitter en leden van de Centrale Commissie van Bijstand en Advies toe te kennen vergoedingen wegens gemaakte onkosten en loonderving
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 2, vierde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: regels
Periode: 1945–1960
Waardering: V 10 jaar na vervanging regels
Handeling: Het benoemen van directeuren van Gewestelijke Arbeidsbureaus of bijkantoren.
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 3, tweede lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: (benoemings)beschikkingen
Periode: 1945–1990
Waardering: V 75 jaar na geboortedatum of overlijden
Handeling: Het benoemen van de voorzitter en leden van de Commissie van Advies.
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 3, vierde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: (benoemings)beschikkingen
Periode: 1945–1990
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingstermijn
Handeling: Het stellen van regels betreffende het aan de voorzitters en leden van de Commissie van Advies toe te kennen vergoedingen wegens gemaakte onkosten en loonderving.
Grondslag: Koninklijk besluit van 17 juli 1944 (Stb. 1944, E51), art. 3, vierde lid (b.w. Stb. 1990, 402, art. 122)
Product: regels
Periode: 1945–1990
Waardering: V 10 jaar na vervanging regels
Handeling: Het vaststellen van vergaderinstructies voor de Centrale commissie van bijstand en advies.
Grondslag: Beschikking no.11954 van 1 augustus 1946 (Stcrt. 1946, 153)
Product: vergaderinstructies
Periode: 1946–1990
Waardering: V 5 jaar na vervanging instructie
Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur vorderen van medewerking van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op terreinen die grenzen aan dat van de arbeidsvoorziening.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 5
Product: algemene maatregel van bestuur
Periode: 1991–1996
Opmerking: De algemene maatregel van bestuur geldt maximaal twee jaar.
Waardering: B (5)
Handeling: Het (bij Koninklijk Besluit) benoemen, schorsen of ontslaan van de (plaatsvervangende) voorzitters en leden van het Centraal Bestuur.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402), art. 12, lid 2 en 6, art. 16, lid 1 en 2; Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618) art. 17, lid 3 en 4, art. 21
Product: onder andere:
– Benoemingsbesluit Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (Stcrt. 1990, 249)
– Benoemingsbesluit leden Centraal bestuur voor de Arbeidsvoorziening (Stcrt. 2000, 17)
Periode: 1991–
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingsperiode
Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels omtrent de (on)verenigbaarheid van het lidmaatschap van leden van het Centraal Bestuur en Regionale besturen voor de Arbeidsvoorziening met andere functies, ambten en werkzaamheden.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 15, tweede lid; Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618) art. 20, lid 2, art. 31
Product: algemene maatregelen van bestuur
Periode: 1991–
Waardering: V 2 jaar na intrekking
Handeling: Het bekendmaken van de aanwijzingen van de Stichting van de Arbeid betreffende voordrachten van (plaatsvervangende) leden van het Centraal of Regionaal Bestuur door de Stichting van de Arbeid aan te wijzen (in de desbetreffende regio) representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402), art. 20, lid 2, art. 25, lid 8, art. 31 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: bekendmakingen
Periode: 1991–1996
Waardering: V 5 jaar na bekendmaking
Handeling: Het benoemen van en het verlenen van (tussentijds) ontslag van (plaatsvervangende) leden van de ontslagcommissie.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 37, lid 4 en 6; Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618) art. 43, lid 3, 4 en 6
Product: beschikkingen
Periode: 1991–
Waardering: V 5 jaar na afloop zittingsperiode
Handeling: Het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels ten aanzien van het jaarlijks herzien van de bedragen voor de Rijksbijdrage aan de hand van de loon- en prijsontwikkelingen.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 38, lid 2 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: algemene maatregelen van bestuur, o.a. Besluit houdende regelen met betrekking tot de betaling van de bijdrage van het Rijk aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (Stb. 1990, 663)
Periode: 1991–1996
Waardering: V 5 jaar na vervanging besluit
Handeling: Het tweejaarlijks bepalen of de bijdrage voor het derde jaar dat volgt op het jaar waarin hij zijn oordeel bepaalt en voor daarop volgende jaren, aanpassing behoeft en het informeren van beide Kamers der Staten-Generaal over de aanpassing van de bijdragen aan de inkomsten van de Arbeidsvoorzieningorganisatie.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 38, lid 3 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: beschikking
Periode: 1991–1996
Waardering: V 5 jaar
Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van regels ten aanzien van de afdracht van de opbrengst van de heffingen door het Algemeen Werkloosheidsfonds aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 41 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: algemene maatregelen van bestuur
Periode: 1991–1996
Waardering: V 5 jaar na vervanging regels
Handeling: Het informeren van de Tweede Kamer en Eerste Kamer der Staten-Generaal en de Algemene Rekenkamer over (het ontwerp) van de landelijke begroting, de jaarrekening, de landelijke begroting, het landelijk (meerjaren) beleidskader en het jaarverslag van het Centraal Bestuur.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 43, lid 3, art. 46, art. 57, lid 7 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: brieven
Periode: 1991–1996
Opmerking: de Algemene Rekenkamer wordt geinformeerd over het ontwerp van de landelijke begroting en het landelijk meerjaren beleidskader
Waardering: B (3)
Handeling: Het goedkeuren van de (wijziging) van de (definitieve) landelijke begroting en het landelijk beleidskader c.q. beleidsplan.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 52, lid 2 en 3, art. 53, lid 1, art. 53, lid 5;
Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb. 1996, 618) art. 55, lid 1, art. 56, art. 57, lid 1 en 3
Product: beschikking
Periode: 1991–
Opmerking: onder deze handeling valt ook het informeren van de beide Kamers der Staten-Generaal, alsmede het mededelen van het besluit aan het Centraal Bestuur
Waardering: B (3)
Handeling: Het informeren van het Centraal Bestuur over het beheer en de administratie van de inkomsten en uitgaven door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) art. 108 (b.w. Stb. 1996, 619)
Product: brieven, nota’s
Periode: 1991–1996
Waardering: B (5)
Handeling: Het goedkeuren, schorsen, vernietigen van besluiten en regelingen van het Centraal Bestuur.
Grondslag: Arbeidsvoorzieningswet (Stb.1990, 402) art. 109; Arbeidsvoorzieningswet 1996 (Stb.1996, 618), art. 87, lid 1
Product: onder andere:
– Regeling vergoedingen Centraal Bestuur (CBA no. 1991/005)
– Regeling Financieel Beheersreglement Arbeidsvoorzieningsorganisatie (CBA no. 1991/025)
Periode: 1991–
Opmerking: Het betreft hier regelingen op het gebied van de interne organisatie, zoals:
– het vaststellen van de vergoeding voor het verrichten van werkzaamheden ten aanzien van andere werkzaamheden als bedoeld in art. 3 van de Arbeidsvoorzieningswet en het verlenen van overige diensten, verband houdende met personeelsvoorziening
– het vaststellen van een algemene regeling met betrekking tot de rechtspositie van de voorzitter en de toekenning van een schadeloosstelling en van een vergoeding voor reis- en verblijfkosten aan de overige leden en plaatsvervangende leden
– het stellen van regels voor het Regionaal Bestuur voor het toekennen van een schadeloosstelling en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten aan zijn voorzitter en zijn (plaatsvervangende) leden.
Waardering: V 5 jaar na vervanging regeling
Handeling: Het bij koninklijk besluit schorsen of vernietigen van besluiten van het Centraal Bestuur die in strijd zijn met het recht of het algemeen belang.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)