Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid

Type Ministeriële regeling
Publication 2021-11-09
State In force
Source BWB
artikelen 45
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op Richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersvaartuigen (PbEG L 138) alsmede op de artikelen 22, tweede lid, 27, 29, 44, 45, zesde lid, 46, 53, en 55, vijfde lid, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, artikel 4, derde en vierde lid, van het Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid en de artikelen 1, eerste lid, onderdeel o, 11 en 13 van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid;

Besluit:

Treedt in werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid vastgestelde tijdstip.

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Toepasselijkheid

Artikel 2

1.

De artikelen 5 tot en met 13 en 15 tot en met 17 zijn niet van toepassing op voorvallen waarbij geen andere zaak of persoon is betrokken dan een zaak of persoon in gebruik bij onderscheidenlijk in de uitoefening van een functie ten behoeve van:

2.

Indien bij een voorval als bedoeld in het eerste lid tevens een andere zaak of persoon is betrokken dan in dat lid bedoeld, zijn de artikelen 5 tot en met 13 en 15 tot en met 17 slechts van toepassing voor zover het die andere zaak of persoon betreft.

§ 3. Staten met een aanmerkelijk belang

Artikel 3

In geval van een voorval met een zeeschip wordt onder staat met aanmerkelijk belang, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel o, van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid, verstaan:

§ 4. Beheer

Artikel 4

1.

De begroting van de raad omvat, naast een algemeen deel een begrotingsoverzicht, een overzicht van de ontwikkeling van het eigen vermogen, een kasstroomoverzicht en een toelichting.

2.

In het begrotingsoverzicht worden onder baten ten minste de volgende posten gespecificeerd:

3.

In het begrotingsoverzicht worden onder lasten ten minste de volgende posten gespecificeerd:

4.

Bij het overzicht van het eigen vermogen wordt de egalisatiereserve opgenomen. De maximale omvang van het vermogen en de maximale omvang van de egalisatiereserve worden vastgesteld op 5 procent respectievelijk 10 procent van de over de voorgaande 3 jaar toegekende gemiddelde structurele bijdrage, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de rijkswet.

5.

In het kasstroomoverzicht worden de kapitaaluitgaven- en ontvangsten weergegeven.

6.

De overzichten, genoemd in het eerste lid, hebben betrekking op de realisatie van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende boekjaar, het betreffende begrotingsjaar en de eerstvolgende vier boekjaren.

7.

De toelichting, bedoeld in het eerste lid, omvat een toelichting op de in het eerste lid genoemde overzichten en een toelichting op de posten van die overzichten die inzicht geeft in de opbouw van de desbetreffende posten. De toelichting bevat voorts ten minste:

8.

De inrichting van de begroting moet in overeenstemming zijn met de jaarrekening.

§ 5. Melding voorval en verstrekken informatie aan derden

Artikel 5

1.

In geval van een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident op of boven het Nederlandse grondgebied, met inbegrip van de territoriale zee, doet de raad terzake zo spoedig mogelijk een melding toekomen aan:

2.

In geval van een ander ernstig luchtvaartincident dan bedoeld in het eerste lid, doet de raad terzake een melding toekomen aan de onder in het eerste lid, onderdeel c en d, bedoelde staten alsmede aan de staat van het voorval.

3.

De melding bevat zoveel van de hierna bedoelde gegevens als gemakkelijk beschikbaar zijn, met dien verstande dat de verzending niet mag worden vertraagd als gevolg van het ontbreken van gegevens:

4.

De melding geschiedt in duidelijke bewoordingen. Zij wordt gesteld in een van de werktalen van de internationale burgerluchtvaartorganisatie, waarbij rekening wordt gehouden met de taal van de ontvanger of ontvangers voor zover dit mogelijk is zonder overmatige vertraging op te lopen.

5.

De melding geschiedt met behulp van de meest geschikte en snelste middelen die beschikbaar zijn.

6.

Indien bij het verzenden van de melding noodzakelijkerwijs bijzonderheden zijn weggelaten omdat deze nog niet bekend waren ten tijde van het verzenden van de melding, worden deze bijzonderheden tezamen met eventuele andere relevante informatie zo spoedig mogelijk nagezonden.

Artikel 6

1.

In geval van een scheepvaartongeval of een ernstig scheepvaartincident met een zeeschip in de Europese wateren onder Nederlandse jurisdictie, doet de raad terzake zo spoedig mogelijk een melding toekomen aan de staat waarvan het zeeschip, dat niet is een Nederlands zeeschip, de vlag voert, dan wel aan Aruba, Curaçao of Sint Maarten indien het een zeeschip uit Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten betreft. Hij vermeldt daarbij tevens welke actie door Nederland wordt voorgesteld.

2.

Een melding als bedoeld in het eerste lid doet de raad tevens toekomen aan de Europese Commissie, met inachtneming van bijlage II van richtlijn 2009/18/EG.

3.

Indien de raad preventieve maatregelen door de Europese Commissie noodzakelijk acht, meldt hij dit onverwijld aan de Commissie.

§ 6. Melding onderzoek en informatie betreffende een onderzoek

Artikel 7

1.

Indien de raad een onderzoek instelt naar een luchtvaartongeval of ernstig luchtvaartincident met een Nederlands luchtvaartuig zendt de raad zo spoedig mogelijk een melding terzake aan:

2.

Artikel 5, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

1.

Indien de raad een onderzoek instelt naar een scheepvaartongeval met een zeeschip zendt de raad zo spoedig mogelijk een melding terzake aan de staten met aanmerkelijk belang.

2.

Voor de wijze waarop de melding plaatsvindt, worden de terzake internationaal gemaakte afspraken nageleefd.

Artikel 9

1.

Binnen dertig dagen na de datum van een luchtvaartongeval met een luchtvaartuig waarnaar de raad een onderzoek instelt, zendt de raad een voorlopig bericht toe aan:

2.

Het voorlopig bericht wordt gesteld in een van de werktalen van de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

3.

De verzending van het voorlopig bericht geschiedt per fax, e-mail of luchtpost.

4.

Indien er sprake is van zaken die direct verband houden met de veiligheid, wordt het voorlopig bericht verzonden zodra de informatie beschikbaar is en met behulp van de meest geschikte en de snelste middelen die beschikbaar zijn.

Artikel 10

Zo spoedig mogelijk na het onderzoek zendt de raad in geval van een onderzoek naar een luchtvaartongeval met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 2250 kg of een ernstig luchtvaartincident met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 5700 kg een bericht met uit het onderzoek naar voren gekomen gegevens naar de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

§ 7. Vertegenwoordiger ander land

Artikel 11

De raad is, in geval van een luchtvaartongeval of een luchtvaartincident, verplicht een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de rijkswet, en een deskundige als bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de rijkswet, aan het onderzoek te laten deelnemen, indien daartoe een verzoek wordt gedaan door:

Artikel 12

De raad is, in geval van een scheepvaartongeval of een scheepvaartincident met een zeeschip, verplicht staten met aanmerkelijk belang uit te nodigen een verzoek te doen een vertegenwoordiger te laten deelnemen aan het onderzoek.

§ 8. Rechten andere staat

Artikel 13

De raad is, ingeval een staat waarvan burgers dodelijk of ernstig letsel hebben opgelopen bij een gebeurtenis met een luchtvaartuig, verplicht een deskundige aan het onderzoek te laten deelnemen, nadat de betreffende staat daaromtrent een met redenen omkleed verzoek heeft gedaan. De deskundige is bevoegd:

§ 8. Rechten andere staat

Artikel 14

De raad stelt het rapport, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de rijkswet, op in een bij de aard en de ernst van het voorval passende vorm en hanteert zoveel mogelijk een uniform model.

Artikel 15

Het rapport betreffende een scheepvaartongeval of een scheepvaartincident met een zeeschip wordt opgesteld met inachtneming van bijlage I bij richtlijn nr. 2009/18/EG.

Artikel 16

1.

In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval of een ernstig luchtvaartincident zendt de raad zijn rapport in concept, met de uitnodiging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 60 dagen hun commentaar van betekenis te geven, aan de volgende staten:

2.

In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval of een scheepvaartincident met een zeeschip zendt de raad zijn rapport in concept aan alle staten met aanmerkelijk belang met de uitnodiging zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vijf weken of een andere overeengekomen termijn, hun commentaar van betekenis te geven.

Artikel 17

1.

In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval of een luchtvaartincident, zendt de raad een afschrift van zijn rapport aan de Europese Commissie. Indien het onderzoek een luchtvaartongeval betreft, zendt de raad een afschrift van zijn rapport tevens aan:

2.

In geval van een onderzoek betreffende een luchtvaartongeval of luchtvaartincident met een luchtvaartuig met een startmassa van meer dan 5700 kg, zendt de raad tevenseen afschrift van zijn rapport aan de internationale burgerluchtvaartorganisatie.

3.

In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval of een scheepvaartincident met een zeeschip, zendt de raad een afschrift van zijn rapport aan de Internationale Maritieme Organisatie.

4.

In geval van een onderzoek betreffende een scheepvaartongeval, met inbegrip van een ongeval met een ro-ro-veerboot of een hogesnelheidspassagiervaartuig, of een zeevaartincident met een zeeschip, zendt de raad tevens een afschrift van zijn rapport aan de Europese Commissie.

5.

In geval van een onderzoek betreffende een zwaar ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid, zendt de raad een afschrift van zijn rapport aan de Europese Commissie.

§ 10. Vergoedingen

Artikel 18

1.

Het deeltijdpercentage, bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid, bedraagt voor de voorzitter 100 procent en voor de overige leden 60 procent.

2.

Het percentage, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van het Rijksbesluit Onderzoeksraad voor veiligheid, bedraagt 0,625 procent van het jaarsalaris van het in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van genoemd besluit genoemde vergoeding, vermenigvuldigd met het aantal door betrokkene bijgewoonde vergaderingen van de raad of van een commissie.

3.

De schadeloosstelling aan getuigen, deskundigen en tolken als bedoeld in artikel 53 van de rijkswet wordt vastgesteld overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken.

§ 11. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19

Wijzigt de Regeling burgerluchtvaartinlichtingen.

Artikel 20

Wijzigt de Regeling risico’s zware ongevallen 1999.

Artikel 21

Deze regeling treedt in werking op het krachtens artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van de rijkswet vastgestelde tijdstip.

Artikel 22

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Onderzoeksraad voor veiligheid.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 8a

1.

Indien de raad een onderzoek instelt naar een voorval in verband met een spoorweg zendt de raad binnen één week nadat besloten is een onderzoek in te stellen een melding ter zake aan het Europees Spoorwegbureau.

2.

De melding bevat de datum, de tijd, en de plaats van het voorval, alsmede het type voorval en de gevolgen ervan in termen van doden, gewonden en materiële schade.

§ 7. Vertegenwoordiger ander land

§ 8. Rechten andere staat

§ 9. Rapport

Artikel 17a

1.

In geval van een onderzoek naar een voorval in verband met een spoorweg wordt het rapport zoveel mogelijk vastgesteld conform de rapportagestructuur die bij uitvoeringshandelingen op grond van artikel 24, tweede lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn door de Europese Commissie worden vastgesteld.

2.

Een wijziging van de uitvoeringshandelingen op grond van artikel 24, tweede lid, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn gaat voor de toepassing van het eerste lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven.

3.

Een rapport als bedoeld in het eerste lid, wordt, met inbegrip van de veiligheidsaanbevelingen, toegezonden aan de in artikel 11d, eerste lid, van het Besluit Onderzoeksraad voor veiligheid genoemde partijen, alsmede aan de betrokken organen en partijen in andere lidstaten.

4.

De raad zendt het Europees Spoorwegbureau jaarlijks een exemplaar van het jaarverslag toe.

Artikel 17b

Vervallen

§ 10. Vergoedingen

§ 11. Overgangs- en slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 12a

Indien de raad een onderzoek instelt naar een voorval, waarbij een spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 3, van de spoorwegveiligheidsrichtlijn, met een vergunning van een andere lidstaat betrokken is of waarbij een in een andere lidstaat geregistreerd of onderhouden voertuig betrokken is, nodigt hij het onderzoeksorgaan, bedoeld in artikel 22 van de spoorwegveiligheidsrichtlijn, van die lidstaat uit deel te nemen aan het onderzoek.

§ 9. Rapport

§ 10. Vergoedingen

§ 11. Overgangs- en slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)