Vaststellingsbesluit selectielijsten neerslag handelingen beleidsterreinen Energiebeleid en Energiedelfstoffen vanaf 1945 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)

Type Archiefselectielijst
Publication 2006-01-15
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 11 april 2005, nr. arc-2005.02052/3 en arc-2005.0205/4);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijsten voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de onder hem ressorterende actoren op de beleidsterreinen Energiebeleid en Energie Delfstoffen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Bijlage

Basisselectiedocument energiedelfstoffen vanaf 1944

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Defensie

Minister van Economische Zaken

Minister van Financiën

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Minister van Verkeer en Waterstaat

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Minister van Volksgezondheid, Sport en Welzijn

Ministerie van Economische Zaken

Nationaal Archief

1. Lijst van afkortingen

OECD: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

A&R: Aanwijzingen en richtlijnen SodM

AER: Algemene Energie Raad

Amvb: Algemene maatregel van bestuur

ARBO: Arbeidsomstandigheden (Wet)

AW: Archiefwet

AWB: Algemene Wet bestuursrecht

AZ: Algemene Zaken (Minister/Ministerie van)

BEB: Buitenlandse Economische Betrekkingen (Directoraat-Generaal voor de –)

BIG: Buisleiding Industrie Gilde

BiZa: Binnenlandse Zaken (Minister/Ministerie van)

BSD: Basis-Selectiedocument

BSEG: Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen

BSK: Besluit straling kernenergie

BuZA: Buitenlandse Zaken (Minister/Ministerie van)

CBB: College van Beroep voor het Bedrijfsleven

CdK: Commissaris der Koningin

CECC: Civil Emergency Coordination Cell

CEIA: Coördinatiecommissie voor Europese Integratie- en Associatieproblemen (BuiZA)

CERM: Coordinated emergency response measures

CERT: Committee on Energy Research and Technology

CEW: Commissie Elektriciteitswerken

CHARM: Chemical Hazard Assessment and Risk Management (Projectgroep)

CIM: Coördinatiecommissie voor Internationale Milieuvraagstukken

CMPC: Commissariaat Militaire Productie en Crisisbeheersing

CoCo: Coördinatiecommissie (= CEIA)

COCONUT: Commissie Concentratie Nutsbedrijven

Coreper: Comité des Représentants Permanents (EG)

COVA: (Stichting) Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

CP: Continentaal Plat

CRM: Ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk werk

DEA: Danish Energy Angency DK

DEF: Defensie (Ministerie van)

DG: Directoraat-Generaal

DGE: Directoraat-Generaal Energie(voorziening) (EZ)

DGI: Directoraat-Generaal voor de Industrie (EZ)

DGM: Directoraat-Generaal Milieubeheer (VROM)

DGRWS: Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat (V&W)

DGSM: Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken (V&W), per 1 mei 1997 DG Goederenvervoer

DGV-TNO: Dienst Grondwaterverkenning TNO

DP: Directie Prijzen

DPC: Defensie Planning Comité (van de NAVO)

DSM: Dutch State Mines (= NV Nederlandse Staatsmijnen)

EB: Algemeen Energiebeleid (directie DGE)

ECE: Economische Commissie voor Europa

ECG: Energy Coordinating Group

ECOSOC: Economisch en Sociaal Comité (EG)

EEG: Europese Economische Gemeenschap

EG: Europese Gemeenschappen

EGKS: Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal

EnergieNed: Vereniging van energiedistributiebedrijven in Nederland

EOG: Energie/Olie en Gas (directie DGE)

E-plan: Elektriciteitsplan

EPON: NV Elektriciteits-Productiemaatschappij Oost- en Noord-Nederland

EPZ: NV Elektriciteits-Productiemaatschappij Zuid-Nederland

ES: Economische Structuur (Directoraat-Generaal voor –)

EU: Europese Unie

EZ: Economische Zaken (Ministerie/Minister van –)

EZH: NV Electriciteitsbedrijf Zuid-Holland

FES: Fonds Economische Structuurversterking

FEZ: Financieel-economische Zaken

GATT: General Agreement on Tariffs and Trade

GS: Gedeputeerde Staten

GSL: Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg

HA: Hoge Autoriteit

HdEK: Handelingen der Eerste Kamer

HdTK: Handelingen der Tweede Kamer

HID: Hoofdingenieur-directeur

HSE: (Health & Safety Exzecutive UK),

I&D: Industrie en Diensten (Directoraat-Generaal voor –)

IADC: International Association of Dredging Companies

ICA: Interdepartementale Commissie Aardolieproblematiek

ICCE: Interdepartementale Contact Commissie voor de EGKS

ICES: Interdepartementale Commissie voor het Economisch Structuurbeleid

ICOVA: (Stichting) Interim Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten

IEA: International Energy Agency

IEM-richtlijn: EG-richtlijn Interne Energiemarkt.

IEP: Internationaal Energieprogramma (Overeenkomst –)

IGCP: International Geological Correlation Programme

IGM: Inspecteur-generaal der Mijnen

IGU: International Geographical Union

INQUA: International Union for Quaternary Research

IPO: Interprovinciaal Overleg

IRO: Industriële Raad voor de Oceanologie

ISAG: Industriële Adviesgroep Voorziening

IUGS: International Union of Geological Sciences

iwtr: In werkingtreding (van een regeling)

IZ: Interne Zaken (centrale directie EZ)

KB: Koninklijk besluit

kb: ‘Klein’ koninklijk besluit

KEW: Kernenergiewet

KIvI: Koninklijk Instituut van Ingenieurs

L&V: Landbouw en Visserij (Minister/Ministerie van)

LCCM: Landelijke Coördinatie Commissie Milieuhandhaving

LNV: Landbouw, Natuurbehoud en Visserij (Minister/Ministerie van –)

LOBA: Landes Ober Bergamt/Clausthal Duitsland

LPG: Liquified petroleum gas

LSEO: Landelijke Stuurgroep Energie-onderzoek

m.e.r.: Milieu-effectrapportage

MER: Milieu-effectrapport

MEZ: Minister van Economische Zaken

MIR: Mijnindustrieraad

MJA: Meerjarenafspraak inzake energiegebruik bij een energie-convenant.

MOR: Meeropbrengstenregeling

MoU: Memorandum of Understanding

MR: Mijnreglement

mr: Ministeriële regeling

MR39: Mijnreglement 1939

MR64: Mijnreglement 1964

MRCP: Mijnreglement Continentaal Plat

MvT: Memorie van toelichting

NA: Nationaal Archief

NAM: Nederlandse Aardolie Maatschappij

NAR: Noordatlantische Raad

NARB: Nederlandse Associatie van Reders van Bijstandsboten

NATO: North Atlantic Treaty Organisation

NAVO: Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

NCWA’s: NATO Civil Wartime Agencies

NEA: Nucleair Energie Agentschap

NEI: Nederlands Economisch Instituut

NEOM: Nederlandse Energie Ontwikkelings Maatschappij BV

NER: Nederlandse Emissierichtlijn

NGO’s: Non-gouvernementele organisaties

NITG: Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO

NKD: Nieuwe Koers documenten

NMP: Nationaal Milieubeleidsplan

NOH: Nationaal Onderzoeksplan Hergebruik Afval

NOK: Nationaal Onderzoeksplan Kolen

NOP: Nationaal Onderzoeksplan

NOVEM: Nederlandse Ontwikkelingsmaatschappij voor Energie en Milieu

NOVOK: Nederlandse Organisatie van Olie- en Kolenhandelaren

NOZ: Nationaal Onderzoeksplan Zonne-energie

NPD: Norwegian Petroleum Directorate Norge

NRCP: Nadere regelen Continentaal Plat

NRMR: Nadere regelen Mijnreglement 1964

NVGA: Nederlandse Vereniging voor Groothandel in Aardolieproducten

NvT: Nota van toelichting

NWOO: NATO Wartime Oil Organisation

NZMC: Noordzee-ministersconferentie

O&W: Onderwijs en Wetenschappen

o.g.v.: Op grond van

O.N.: Oranje Nassau (Mijnen)

OC&W: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

OCC: Oliecontactcommissie

OECE/OEEC: Organisatie voor Europese Economische Samenwerking

OEES: Organisatie voor Europese Economische Samenwerking

OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling

OPEC: Organization of Petroleum Exporting Countries

OR: Ondernemingsraad

OVS: Overeenkomst van Samenwerking (onderdeel van een milieuconvenant)

PARCOM: Parijse Commissie (verdragsorgaan)

PbEG: Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen

Pbo: Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

PEG: Petroleum Experts Group

PG: Projectgroep

PICO: Projectgroep Interim Centraal Orgaan

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (RAD)

PKB: Planologische kernbeslissing

PKHN: Permanente Kontaktgroep Handhavingsdiensten Noordzee

PKON: Permanente Kontaktgroep Opsporingsdiensten Noordzee

plv.: Plaatsvervangend

POR: Prijzen, Ordening en Regionaal Beleid (Directoraat-Generaal voor –)

PPC: Planningscomité voor de Petroleumproducten

PPD: Provinciale Planologische Dienst

PV: Permanente Vertegenwoordiger

pv: Proces-verbaal

RAD: Rijksarchiefdienst

RARO: Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening (VROM)

RBM: Regio’s, Bedrijfsomgeving en Milieu (directie ES)

REA: Raad voor Economische Aangelegenheden (van de Ministerraad)

RGD: Rijks Geologische Dienst (EZ)

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

RIVM: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne

RKB: Rijkskolenbureau

RPC: Rijks Planologische Commissie

RPD: Rijks Planologische Dienst (VROM)

Rvc: Raad van commissarissen

RvT: Raad van Toezicht

RWS: Rijkswaterstaat (V&W)

SAG: Samenwerkende Aardkundige Gegevensverstrekkende Instituten

SBUI: Structuurschema Buisleidingen

SEQ: Standing Group on Emergy Questions

SER: Sociaal-Economische Raad

SG: Secretaris-generaal

SHCMOEI: Safety and Health Committee for Mining and other Extracting Industries

SHV: Steenkolen-Handelsvereniging

SIC: Sanering Interdepartementale Commissies

SLT: Standing Group on Long-term Cooperation

SodM: Staatstoezicht op de Mijnen (EZ)

SOM: Standing Group on the Oil Market

SoZa: Sociale Zaken (Ministerie/Minister van –)

SoZaVo: Sociale Zaken en Volksgezondheid (Ministerie/Minister van –)

SoZaWe: Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Ministerie/Minister van –)

Stas: Staatssecretaris

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

Stiboka: Stichting voor Bodemkartering

THD: Technische Hogeschool Delft

TNO: Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek

TNO-GG: TNO-Instituut voor Grondwater en Geo-Energie (TNO-GG)

Trb.: Traktatenblad

TUD: Technische Universiteit Delft

TWG: Technical Working Group (PARCOM)

UAR: Uniform aanbestedingsreglement

UAV: Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken

UNCTAD: United Nations Conference for Trade Development

UTP: Unit Transport by Pipe

V&W: Verkeer en Waterstaat (Minister/Ministerie van)

VBB: Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie (SER)

VDEN: Vereniging van Directeuren van Elektriciteitsbedrijven in Nederland

VEEN: Vereniging van Exploitanten van Elektriciteitsbedrijven in Nederland

VELIN: Vereniging van Leidingeigenaren in Nederland

VGM: Veiligheid, gezondheid en milieu

VINEX: Vierde Nota over de ruimtelijke ordening extra

VN: Verenigde Naties

VNA: Vereniging van de Nederlandse Aardolie-industrie

VNG: Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VOMIL: Volksgezondheid en Milieuhygiëne (Minister/Ministerie van)

VRO: Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (Minister/Ministerie van)

VROM: Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Minister/Ministerie van)

WABM: Wet algemene bepalingen milieuhygiëne

WJA: Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden (stafdirectie van EZ)

WMB: Wet milieubeheer

WRO: Wet op de ruimtelijke ordening

WRR: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (AZ)

WVA: Wet voorraadvorming aardolieproducten

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (Minister/Ministerie van)

WVC: Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

WVS: Welzijn, Volksgezondheid en Sport (Minister/Ministerie van)

Actor: Overheidsorgaan of particuliere organisatie/persoon die een rol speelt op het beleidsterrein.

Handeling: Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

B: De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van de gewaardeerde handeling.

V: De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien de archiefbescheiden die de neerslag vormen van de gewaardeerde handeling.

2. Verantwoording

Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 275) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder archiefbescheiden worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar álle bescheiden – ongeacht hun vorm – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband kent de Archiefwet 1995 zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als een overbrengingsplicht (art. 12). Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draag voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1, van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

de taak van het desbetreffende overheidsorgaan;

de verhouding van dit overheidsorgaan tot andere overheidsorganen;

de waarde van de archiefbescheiden als bestanddeel van het cultureel erfgoed;

het belang van de in de bescheiden voorkomende gegevens voor overheidsorganen,

recht- of bewijszoekenden en historisch onderzoek.

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van het BSD als selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.

Het basisselectiedocument

Een basisselectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van een enkele organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voorzover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaarde dan wel vernietigd moet worden.

Het niveau waarop geselecteerd wordt is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voor zien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, enz.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OC&W) en de betrokken zorgdrager(s).

Het BSD Energiedelfstoffen

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Bij de behandeling van het ontwerp van de Archiefwet 1995 in de Tweede Kamer op 13 april 1994 verwoordde de Minister van WVC deze doelstelling als volgt: het mogelijk maken van een reconstructie van de hoofdlijnen van het handelen van de overheid. Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald in de richting van de (bewaar)doelstelling van de RAD als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.

De volgende bestaande selectielijsten worden (gedeeltelijk) ingetrokken:

Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke behoren tot het archief van de Minister van Economische Zaken en de daaronder ressorterende diensten; OKN 117.173 van 7 september 1965/MH 465/878 van 14 juni 1965 wordt gedeeltelijk ingetrokken voor de stukken die de neerslag vormen van de handelingen in de voorliggende BSD’s beschreven en gewaardeerd. Van de wijziging en aanvulling op de bovengenoemde lijst MMA/Ar U 2423 van 15 september 1987 worden de hoofdstukken Afdeling Bijzondere aangelegenheden en Directoraat-generaal voor energie ingetrokken.

Bij de in dit BSD geformuleerde selectievoorstellen stond steeds de vraag centraal: ten aanzien van welke handelingen is de administratieve neerslag noodzakelijk om een reconstructie mogelijk te maken van de hoofdlijnen van het overheidshandelen op het beleidsterrein Energiedelfstoffen?

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het NA. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt van V (‘vernietigen’), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voorvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

Overigens verlangt artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handeling betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de volgende algemene selectiecriteria:

Algemene selectiecriterium

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleidop hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en Waardering van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting:Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ten aanzien van het RIO Energiedelfstoffen is er een aantal handelingen vervallen die bij nader inzien al opgenomen waren in andere onderzoeken. Ook zijn er handelingen vervallen die sterke overeenkomsten vertoonden met andere handelingen en daarmee in feite overbodig waren geworden.

Actoren die niet beoordeeld worden, zoals Provinciale Staten, zijn in het BSD ook niet opgenomen. Ditzelfde geldt voor de actoren Raad van State en bestuurders mijnondernemingen, waarvoor alle handelingen vervielen.

Verslag van de vaststellingsprocedure

Het ontwerp-BSD Energiedelfstoffen is op 30 oktober 2003 door de Minister van Economische Zaken (EZ), op 6 november 2003 door de Minister van Verkeer en Waterstaat (VW), op 17 november door de Minister van Defensie, op 24 november 2003 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), op 26 november 2003 door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), op 27 november 2003 door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), op 3 december 2003 door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), op 3 december 2003 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) d.m.v. mandatering van de Minister van EZ, op 12 februari 2004 door de Minister van Financiën, op 26 maart 2004 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), aan de Staatssecretaris van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2004 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de indienende zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 11 april 2005 bracht de RvC advies uit (arc-2005.02052/3), hetwelk aanleiding heeft gegeven, behoudens enkele tekstuele aanpassingen, tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

Handelingen 3, 4, 5 en 9 worden voorzien van een tweeledige waardering: B voor de neerslag betreffende de instelling, V 10 jaar na vertrek uit dienst voor de neerslag betreffende de benoeming van de leden.

De waardering van handeling 10 wordt gewijzigd van V 5 en 7 jaar naar V 10 jaar na vertrek uit dienst.

De waardering van handeling 90 wordt gewijzigd van B 1 naar V 10 jaar na vertrek uit dienst.

De waardering van handeling 628 wordt gewijzigd van B 5 naar V 10 jaar na vertrek uit dienst.

De waardering van handeling 286 wordt gewijzigd van V 10 jaar na intrekking vergunning naar B 5.

De waardering van handeling 214 wordt gewijzigd van B 1 naar V 10 jaar.

De waardering van handeling 231 wordt V 10 jaar.

Van de handelingen 11, 15, 16, 112, 266, 419, 509, 544, 647 en 652 zal de V termijn worden gesteld op 10 jaar na benoeming.

De waardering van de handelingen 597–606, 609, 611 en 613 worden gewijzigd naar V 10 jaar.

Daarop werden de selectielijsten op 7 juli 2005 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de volgende zorgdragers vastgesteld:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties [C/S&A/05/1427],

de Minister van Defensie [C/S&A/05/1426],

de Minister van Economische Zaken, [C/S&A/05/1425],

de Minister van Financiën [C/S&A/05/1424],

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit [C/S&A/05/1423],

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, C/S&A/05/1422],

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [C/S&A/05/1421],

de Minister van Verkeer en Waterstaat [C/S&A/05/1419],

de Minister van Volksgezondheid, Sport en Welzijn[C/S&A/05/1418],

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer [C/S&A/05/1420].

Leeswijzer bij de handelingenlijst

In hoofdstuk 1 staan de handelingen van overheidsorganen op het beleidsterrein Energiedelfstoffen beschreven. Deze zijn naar actor geordend. De handelingen worden beschreven in een handelingenblok, zoals hierna aangegeven:

(X): Dit is het nummer van de handeling. Deze nummering is uit het bijbehorende RIO overgenomen. Een handeling kan echter door verschillende actoren (gelijktijdig of opeenvolgend in tijd) zijn uitgevoerd. In dit geval is de betrokken handeling in het BSD uitgesplitst naar de betreffende actoren. Een handeling kan dus onder hetzelfde unieke nummer onder meerdere actoren zijn opgenomen.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces. De formulering van de handelingen is in de regel toegespitst op het product. Echter, een handeling als zodanig omvat alle activiteiten die leiden tot het product. Dientengevolge is de neerslag van een handeling niet beperkt tot het (eind)product, maar omvat ze alle archiefbescheiden die in verband daarmee zijn voortgebracht. Zo betreft de neerslag van een beschikkende handeling niet alleen het originele besluit, maar ook alle voorstukken. Aangezien handelingen voortvloeien uit taken en bevoegdheden is het mogelijk dat een vermelde handeling in de praktijk nimmer (volledig) is uitgevoerd.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling op het moment van het verschijnen van het RIO nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht. Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

Waardering: De afkorting ‘B’ staat voor ‘bewaren’, dat wil zeggen het na afloop van de wettelijke overbrengingstermijn overdragen aan het ARA van de documentaire neerslag (ongeacht de gegevensdrager) van de handeling. Bij een B-handeling is achter de selectiebeslissing aangegeven welk selectiecriterium is toegepast. De afkorting ‘V’ staat voor ‘vernietigen (op termijn)’, oftewel ‘niet overbrengen’. Bij de desbetreffende handelingen wordt de vernietigingstermijn vermeld. Deze termijn betreft het aantal volle jaren dat dient te zijn verlopen sinds het einde van het jaar waarin een archiefbestanddeel (dossier, register, databestand) dat behoort tot de neerslag van de handeling, is afgesloten.

3. Inleiding BSD Energiedelfstoffen

Dit BSD is gebaseerd op het RIO: dr. L. Hovy, mevr. drs. H.M. Schrauwers, mevr. A.P. Smit, Energiedelfstoffen. Een institutioneel onderzoek naar het beleid van de rijksoverheid met betrekking tot de in Nederland aangetroffen energiedelfstoffen over de jaren 1946–1994. PIVOT-rapport 83. Den Haag 1999.

Een uitgangspunt van PIVOT ten aanzien van een institutioneel onderzoek is dat dit zich niet beperkt tot een beschrijving van het handelen van een afzonderlijke instelling, maar dat de beschrijving zich uitstrekt over het handelen van de verschillende actoren van de rijksoverheid die op deel bepaald beleidsterrein een rol spelen. Dit betekent dus dat niet alleen de actoren die onder de Minster van Ecnomische Zaken worden meegenomen in dit onderzoek, maar ook die actoren die daarbuiten vallen en wel tot de rijksoverheid behoren.

Overzicht actoren

Vanaf 1946 (zie koninklijk besluit van 18 juli 1946) berust de zorg voor de energievoorziening bij de Minister van Economische Zaken (van juni 1945 tot juli 1946 ‘Minister van Handel en Nijverheid’ geheten). Tot eind 1964 is er echter geen eenheid van organisatie ten aanzien van de diverse energiedragers. Gas, elektriciteit en atoomenergie ressorteren onder het Directoraat-Generaal voor de Industrialisatie en Energievoorziening. Kolen en olie vallen onder Directoraat-Generaal voor handel en nijverheid. De directie mijnwezen valt rechtstreeks onder de SG van het ministerie. Door de oprichting van het Directoraat-Generaal voor de Energievoorziening – de naam veranderde in 1979 in Directoraat-Generaal voor Energie – komt er een eind aan deze organisatorische versnippering.

In 1965 en 1975 zijn er op het terrein van de delfstoffenvoorziening nog drie directies: voor Gasvoorziening, Mijnwezen en Kolen en Aardolie. Tien jaar later in 1985, zijn er voor aardolie en gas twee directies, is Mijnwezen een hoofdafdeling van de directie Algemeen Energiebeleid en Mijnwezen een hoofdafdeling van de directie Energiebesparing en Diversificatie geworden. In 1990 is Kolen tot de hoofdafdeling Industrie, Kolen van de directie Energiebesparing en Duurzame Energie. In 1993 zijn de directies Olie, Gas en Mijnwezen, nu als hoofdafdelingen, samengevoegd tot de directie Olie en Gas. Kolen is nu een afdeling van de hoofdafdeling Kolen en Kernenergie van de directie Elektriciteit. De situatie is in 1997 onveranderd.

De directie Olie en Gas (EOG) van DGE heeft drie hoofdtaken:

De directie heeft vier hoofdafdelingen: Gasbeleid, Baten en Economie, Mijnwezen en Oliebeleid. Gasbeleid is o.m. verantwoordelijk voor het inkoop- en exportbeleid, het binnenlands gasbeleid (gasprijzen b.v.), het ‘cross-country’transport van gas en voor de Nederlandse inbreng in de EU.

Baten en Economie behartigt de financiële belangen van de staat inzake gaswinning (aardgasbaten) en de voeding van het Fonds Economische Structuurversterking. Mijnwezen schept de voorwaarden voor de opsporing en exploitatie van delfstoffen (vergunningen, bescherming, bodemschatten) en houdt toezicht op de naleving van alle voorschriften op het gebied van milieu, arbeid, veiligheid en gezondheid(staatstoezicht).

Oliebeleid is verantwoordelijk voor de ordening van de binnenlandse aardoliemarkt, het stellen van randvoorwaarden voor de productie (raffinage) en afzet van aardolieproducten, een het aardoliebeleid.

De hoofdafdeling Kolen en Kernenergie van de directie Elektriciteit is verantwoordelijk voor de kolenvoorziening, het kolenonderzoek en het stimuleren van technologie voor de vermindering van de kooldioxide-uitstoot.

De stafdirectie Wetgeving en andere Juridische Aangelegenheden (WJA) adviseert de minister, de beleidsdirecties en de uitvoerende organisaties over juridische aangelegenheden.

Voor de toeleverende metaalindustrie, in het bijzonder de off-shore industrie, is Economische Zaken tevens vanuit het industriebeleid (DGI: het Directoraat-Generaal voor de Industrie, twg. Industrie en Diensten) betrokken. Aanspreekpunt is de directie Metaalverwerkende Industrie, twg. Fabricage en Zware Industrie.

De Inspecteur-Generaal van de Mijnen is het hoofd van het Staatstoezicht op de Mijnen. Bevoegdheden en taken van de Staatstoezicht op de Mijnen en van de IGM zijn in artikel 9 van de Mijnwet 1903, hoofdstuk XV en XVIII van resp. het Mijnreglement 1039 en 1964, en in de instructie van de Minister van Economische Zaken aan de IGM geregeld. Ingevolge art. 2 van de instructie van de minister van 15 januari 1965, is de IGM bovendien bevoegd namens de Minister van Economische Zaken de ministeriële regelingen ter uitvoering van het Mijnreglement en de uitvoeringsbesluiten (vergunningen en ontheffingen) af te doen. Onder de instructie van de IGM vallen eveneens de arbeider-controleurs.

Ingesteld bij de Mijnwet van 1810 als de ‘Administration des Mines’, is het Staatstoezicht op de Mijnen een van de oudste rijksdiensten. De Staatstoezicht op de Mijnen was oorspronkelijk gevestigd in Heerlen voor het toezicht op de steenkolenmijnbouw en de mergelgroeven. Vanaf de jaren vijftig richt de Staatstoezicht op de Mijnen zich steeds meer op de olie- en gaswinning. Staatstoezicht op de Mijnen is sedert 1967 gevestigd in Rijswijk. De kerntaken van de Staatstoezicht op de Mijnen omvatten:

De Mijnindustrieraad (MIR) werd bij koninklijk besluit van 20 juni 1945, Stb. F 99, het zgn. Mijnstatuut 1945, opgericht. De MIR heeft rechtspersoonlijkheid. De MIR fungeert als publiekrechtelijk samenwerkingsorgaan van werkgevers en werknemers in de steenkolenindustrie, en heeft onder toezicht van de Minister van Economische Zaken bestuurlijke en verordende bevoegdheden, vooral waar het sociale aangelegenheden betreft. Na zijn opheffing fungeert de Mijnindustrieraad per 1 januari 1955 als bestuur van het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie.

De Mijnraad, opgericht in 1893 en te ’s-Gravenhage gevestigd (van 1956 tot 1967 was de Mijnraad gevestigd te Heerlen), is een externe adviesraad ex art. 79 Grondwet. Tot 1967 adviseerde de raad over mijnbouwaangelegenheden in het algemeen, en hield zij tevens toezicht op het functioneren van de Staatsmijnen. Na de privatisering van de Staatsmijnen in 1966 beperkte de taak van de Mijnraad zich tot het adviseren van de Minister van Economische Zaken inzake aangelegenheden de opsporing en winning van delfstoffen betreffende (wet van 1 mei 1970, stb. 1970, 196). Het zwaartepunt hierbij ligt op de toetsing van de vergunning- en concessieverlening op mijnbouwgebied. Ingevolge de Herzieningswet adviesstelsel, Stb. 1996, 377, verloor de Mijnraad zijn beleidsadviestaak.

De planologische Werkcommissie (PWC) is een interdepartementale commissie, die bij beschikking nr. WJA 664/55 van 31 januari 1964 van de minster van Economische Zaken werd ingesteld.

Tot 1994 had de PWC een gemandateerde taak en was zij bevoegd te overleggen met de houder van een verleende concessie voor de aanleg van pijpleidingen of voor de ontginning van delfstoffen (Nederlands territoir) over het tracé van een buisleiding en de bijkomende werken, resp. de plannen voor de oprichting van gebouwen en installaties en voor de aanleg van emplacementen en wegen, zomede in bepaalde gevallen omtrent voorgenomen boorlocaties. Werd met de concessiehouder of binnen de commissie zelf geen overeenstemming bereikt, dan besliste de Minister van Economische Zaken i.o.m. de Raad voor de Ruimtelijke Ordening uit de Ministerraad.

Vanaf 1994 adviseert de PWC aan de Minister van Economische Zaken inzake de locatiebesluiten in (milieu)gevoelige gebieden.

Samenstelling 1995 (vroeger telde de commissie meer leden): 2 EZ, 1 LNV, 1 VROM, 1 V&W, 1 DEF; adviserende leden: 1 Landbouwschap en 1 Stichting Natuur en Milieu; voorzitter: extern; vice-voorzitter: VROM/RPD; secretariaat: EZ/EOG.

Ingesteld bij ministeriële beschikking van 7 juni 1949 is de ECD en samenvoeging van twee instellingen: de Centrale Dienst voor de Economische Controle CEDEC en de Prijscontroledienst van het directoraat-generaal van de Prijzen PCD. De instelling van de ECD werd in 1951 nader toegelicht in de ‘uitvoerige taakomschrijving’, waarin de medewerkers werden omschreven als ambtenaren, die als controleurs met de opsporing van strafbare feiten zijn belast. Het werk van de ECD heeft raakpunten met onder andere het mijnbouwbedrijf en het Staatstoezicht op de Mijnen van het Ministerie van Economische Zaken.

In geval van een aardoliecrisis is de RBA samen met de Minister van Economische Zaken en de gemeentelijke distributiekantoren verantwoordelijk de distributie van olieproducten. Zij verleende vergunningen aan bedrijven voor de koop van olieproducten. Het Rijksbureau richt zich hierbij op de productie, groothandel en grootverbruikers.

Opgericht bij wet van 21 februari 1957, Stb. 73 verzorgt het Staatsgasbedrijf, een onderdeel van Staatsmijnen (voorheen Rijksdienst voor de Gasvoorziening), de aankoop en lange afstand distributie van gas. Het Staatsgasbedrijf beheert het landelijke gasleidingennet, uitgezonderd de twee zuidelijke provincies, die door het Gasdistributiebedrijf, eveneens van Staatsmijnen, bediend worden. Beide bedrijven worden in 1963 ondergebracht bij de NV Nederlandse Gasunie.

NOVEM verzorgt in opdracht en onder goedkeuring, alsmede onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Economische Zaken de programmacoördinatie en het projectmanagement van het onderzoekgedeelte en demonstratiegedeelte van het Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen.

De Raad werd bij Mijnreglement 1903, Stb. 248, art. 274 (art. 235 Mijnreglement 1939, Stb. 568) ingesteld en deed uitspraak inzake beroepen van mijnbestuurders tegen besluiten van de Inspecteur-Generaal der Mijnen. De leden van de Raad werden door de Kroon benoemd. De Raad werd in 1964 opgeheven.

In de twintigste eeuw zijn steenkool, aardolie en aardgas de belangrijkste energiebronnen. Ingedeeld naar tijdvak wordt de periode tot 1860 overheerst door turf, de volgende honderd jaar door steenkool, de tijd daarna door aardolie en -gas. Circa 1995 nemen olie, gas en steenkool ongeveer 80% van het primaire energiegebruik in West-Europa voor hun rekening. In Nederland, dat een zeer energie-intensieve economie heeft, is dit percentage nog hoger.

Tot aan het einde van de negentiende eeuw heeft het rijk geen noemenswaardige bemoeienis met de energiesector. Uit de Franse tijd stamt de Mijnwet van 1810, die het juridische kader voor de opsporing en winning van delfstoffen geeft, en voor het Nederlandse territoir nog steeds van kracht is. Een belangrijk voorschrift is art. 5, waarbij bepaald wordt dat de ontginning van mijnen slechts met een concessie van het rijk mogelijk is. De concessie geeft de mijn in – eeuwigdurende – eigendom, hetgeen het staatseigendom van de mijn veronderstelt. Lange tijd echter was de wet slechts van toepassing op een of twee Zuid-limburgse steenkolenmijnen en op een aantal kleine mergelgroeven, eveneens in Zuid-Limburg gelegen. De (kolen)gasvoorziening was in de negentiende eeuw een plaatselijke aangelegenheid, waarbij de gemeenten al vrij snel de exploitatie van het gasbedrijf op zich namen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw raakte het rijk door de internationale belangstelling voor het steenkolenbekken in Zuid-Limburg meer betrokken bij de energiesector. Het grote aantal concessieaanvragen voor steenkoolwinning dwong de rijksoverheid een concessiebeleid te ontwikkelen. De regering stond onder meer voor de vraag, of de concessieverleningen aan (meestal) buitenlandse bedrijven de nationale kolenvoorziening niet in gevaar zouden brengen. Welke motieven er ook aan het besluit ten grondslag lagen: in 1901 werd bij wet de exploitatie van het nog niet in concessie uitgegeven Limburgse kolenveld aan een – in 1902 bij koninklijk besluit opgericht – staatsbedrijf opgedragen.

Ongeveer in dezelfde tijd wordt het wettelijk stelsel aanzienlijk uitgebreid door de invoering van de Mijnwet 1903 en het Mijnreglement 1906. Toezicht op de naleving van de mijnwettelijke voorschriften houdt het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken.

Staatsmijnen nam tot 1930 successievelijk vijf mijnzetels in bedrijf en groeide in de komende decennia uit tot de grootste werkgever in Zuid-Limburg. Een steeds belangrijker bedrijfsonderdeel vormen vanaf 1930 de chemische activiteiten Omdat Staatsmijnen uit cokes gas produceert, heeft de staat via Staatsmijnen een belangrijk aandeel in de gasproductie en in de lange afstand distributie naar de gemeentelijke gasbedrijven in Zuid-Nederland.

In de eerste helft van de twintigste eeuw is de staat ook via de opsporing nauw betrokken bij de kolenvoorziening. De in 1903 opgerichte Dienst Rijksopsporing van Delfstoffen brengt de voorkomens van delfstoffen in Nederland in kaart en heeft hiertoe, in afwijking van de Mijnwet van 1810, tot 1923 het monopolie. Deze dienst ontdekt in 1924 de eerste aardolie in Nederland.

Anders dan in Duitsland, waar bruinkool een niet geringe bijdrage levert aan de elektriciteitsproductie heeft de bruinkoolwinning in ons land nooit veel voorgesteld. Bruinkoolgroeven zijn vooral tijdens de twee wereldoorlogen geëxploiteerd, toen er schaarste aan steenkool bestond. In 1962 sloot de laatste groeve in Nederland.

Na de Tweede Wereldoorlog zijn drie ontwikkelingen van wezenlijk belang: ten eerste de vervanging van steenkool – als brandstof en als grondstof – door aardolie en aardgas, ten tweede de ontdekking en exploitatie van aardolie- en aardgasvelden in Nederland, en ten derde de repercussies van de aardoliecrisis van 1973.

De eerste ontwikkeling kwam niet onverwacht, maar verliep sneller dan verwacht. Het aandeel van steenkool in de energiehuishouding van Nederland zakte van ca. 75% in 1950 naar iets minder dan 50% in 1960 en vervolgens tot ca. 10% in 1970, terwijl het percentage aardolie omhoog schoot van 5% in 1950 tot 50% in 1960. De regering nam in 1965 het besluit de mijnen op vrij korte termijn te sluiten. Staatsmijnen was bij de reconstructie van Zuid-Limburg instrumenteel.

De tweede ontwikkeling is niet minder belangrijk. Na meer dan vijftig jaar moest Nederland zich opnieuw beraden over zijn delfstoffenbeleid. Zou de staat zelf de exploitatie ter hand nemen, zoals hij bij de steenkolenwinning had gedaan, en zo niet, onder welke voorwaarden zou Nederland zijn bodemschatten dan exploiteren?

Het toekomstige aardgasbeleid werd in de Aardgasnota De Pous (1962) geformuleerd. Op basis van deze nota wordt het Nederlandse ‘gasgebouw’ neergezet, dat er als volgt uitziet. De Nederlandse staat neemt langs indirecte weg – via Staatsmijnen – deel in de exploitatie èn afzet van aardgas. Staatsmijnen neemt als trustee van de staat deel in een exploitatiemaatschap, waarin de oliemaatschappij/concessiehouder, meestal de NAM, de feitelijke winning doet. De NV Nederlandse Gasunie (Shell, Esso, Staatsmijnen/DSM, Nederlandse staat), opgericht in 1963, krijgt het alleenrecht op de inkoop van Nederlands aardgas en op de verkoop aan binnenlandse en buitenlandse afnemers. De plaatselijke distributiebedrijven zorgen voor de doorlevering aan de kleingebruikers. De Minister van EZ beschikt o.g.v. een samenwerkingsovereenkomst met de Gasunie over een aantal goedkeuringsbevoegdheden m.b.t. afzetvolumina en prijsbeleid. In noodgeval kan de Minister van EZ o.g.v. de Wet aardgasprijzen (1974) de aardgasprijzen in overeenstemming met de marktwaarde brengen. De twee landelijke gasnetten – van het Staatsgasbedrijf (1957) en van het Gasdistributiebedrijf van Staatsmijnen – werden bij de Gasunie ondergebracht. Via belastingen, heffingen, winstdeling en staatsdeelneming verkrijgt de Nederlandse staat al bij al tot 80% van de bruto-opbrengst van de aardgasproductie in Nederland.

De ontdekking van aardgas en aardolie in de Noordzee gaf aanleiding tot het invoeren van een apart mijnrechtelijk regime voor het Nederlandse deel van het Continentaal Plat.

De derde ontwikkeling, de aardoliecrisis van 1973, heeft drie gevolgen voor het beleid. Het energiebeleid wordt integraler van opzet, hetgeen onder meer een spreiding van energiebronnen inhoudt (diversificatie). Er wordt een aardoliecrisisbeleid op poten gezet, dat internationaal door het Internationaal Energie Agentschap (IEA) wordt gecoördineerd. En ten derde komt er een apart beleid voor energiebesparing en duurzame energie.

Onder duurzame energie valt in zekere zin ook een verantwoord gebruik van de diepe ondergrond. Het is zaak door middel van een verstandig aardolie- en aargasbeleid de voorraden zo goed mogelijk te beheren en zo optimaal mogelijk te exploiteren. In Nederland is deze doelstelling geconcretiseerd in het ‘kleine velden beleid’, dat erop is gericht de talrijke kleine aardgasvelden in productie te nemen en het grote Groningen gasveld zo veel en lang mogelijk te sparen.

De omschakeling van kolenwinning naar aardolie- en aardgaswinning had uiteraard grote gevolgen voor het Staatstoezicht op de Mijnen, dat zijn hoofdzetel dan ook in de jaren zestig van Heerlen naar Rijswijk verplaatste. Staatstoezicht op de Mijnen is betrokken bij de z.g. nazorg. Hieronder valt de verantwoordelijkheid van de mijnondernemingen voor de lange termijn gevolgen van mijnbouwactiviteiten zoals bodemverzakking, aardbevingen, vervuiling van terreinen. De dienst heeft begin jaren negentig zijn inspectie-instrumentarium grondig herzien en beschreven in de Nieuwe Koers documenten: veel meer dan voorheen houdt de dienst nu toezicht op het ‘dagelijkse toezicht’ van de mijnondernemingen zèlf, dat inmiddels noodzakelijk is geworden door tal van voorschriften en convenanten inzake bedrijfsinterne milieuzorg, de arbeidsomstandigheden e.d.

Bij de mijnbouw is nog een andere buitendienst van EZ betrokken. De Rijksgeologische Dienst (RGD), de opvolger van de Dienst Rijksopsporing van Delfstoffen, is begin jaren zestig in de vorm van een stichting opgezet. De Geologische Stichting kreeg de taak om de Minister van EZ van advies te dienen over alle opsporings- en winningactiviteiten van het rijk en van het toezicht van het rijk op elk geologisch delfstofonderzoek; daarnaast stelde het geologische kaarten van Nederland samen en kon het ook op aanvrage particulieren van advies dienen. In 1968 werd de stichting een rijksdienst vanwege de hernieuwde belangstelling van de rijksoverheid voor mijnbouw: een zeer belangrijke taak is namelijk de raming van de nationale reserves, waarop de afzetplanning van de Gasunie wordt gebaseerd. Als informatie-, kennis- en onderzoekscentrum voor de ondiepe en diepe ondergrond adviseert en informeerde de RGD nog tal van andere instanties en bedrijven. Zo ontwikkelde het zich onder meer tot een wetenschappelijk researchinstituut voor geologisch onderzoek. In 1997 is de RGD dan ook gefuseerd met TNO-GG tot het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (NITG).

Andere organen die in de mijnbouw(industrie) een rol speelden of nog spelen, zijn de Mijnraad en het Bedrijfschap voor de Steenkolenmijnindustrie, een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Staatsmijnen werd in 1967 omgezet in een naamloze vennootschap, waarvan de aandelen tot eind jaren tachtig geheel in handen van het rijk bleven.

Rond 1960 verplaatst het accent van de energiewinning in Nederland zich van steenkool naar olie en gas. De oliewinning in Drenthe kreeg aanvulling door succesvolle boringen in Zuid-Holland en door vestigingen van boortorens op zee in het Nederlandse continentale plat: dit voorzag ons echter van 15 tot 20% in onze behoefte aan energie door olie. Vanaf 1966 is dank zij de inbedrijfstelling van de gasbel in Slochteren algemeen bekend geworden dat ons land over een gasreserve beschikt. Hierin profileerde Nederland zich – althans in het politieke debat na de Nacht van Schmeltzer in 1966 – zelfs tijdelijk als een exportland! Ook thans wordt 50% van onze energiebehoefte door aardgaswinning gedekt.

Als we daarnaast naar de handel, distributie en raffinage kijken, speelt Nederland een sleutelrol in de West-Europese oliemarkt. Uit de olieraffinage is een bloeiende petrochemische industrie voortgekomen. De haven van Rotterdam drijft op olie, zegt men wel. Het beleid op dit terrein is, meer dan bij het aardgas, nauw verbonden met industriepolitiek. Afgezien van het aardoliecrisisbeleid stelt het rijk zich terughoudend op en laat het, zeker sinds het begin van de jaren tachtig, de markt zoveel mogelijk zijn werk doen. Dit betekent onder meer dat de prijsvorming voor olieproducten onderzocht wordt.

Zowel bij de opsporing en winning van energiedelfstoffen als bij de handel, vervoer, gebruik van steenkool, aardolie en (aard)gas is het facetbeleid steeds belangrijker geworden. Het gaat vooral om de bescherming van arbeid, gezondheid en milieu. In de politieke praktijk betekent dit, dat de Minister van EZ (directie EOG en SodM) nauw samenwerkt met de Ministers van Verkeer en Waterstaat (voor olie- en gaswinning op zee), VROM en Sociale Zaken. De laatste jaren is het wetgevingsbeleid erop gericht de niet-sectorale voorschriften uit de mijnwetgeving te halen.

Zoals in alle sectoren is ook in de energiesector na de Tweede Wereldoorlog de internationale samenwerking toegenomen. Met de buurlanden op land en zee zijn uiteraard de bilaterale contacten belangrijk, b.v. over onder de grens doorlopende mijnvelden. In het multilaterale overleg was aanvankelijk de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) van primair belang. De EGKS is een van de drie Europese Gemeenschappen, die in 1991 bij het Verdrag van Maastricht in de Europese Unie zijn opgegaan. In de EEG/EG is de aardoliecrisisbeheersing een van de beleidsthema’s. In de jaren negentig staat de liberalisering van de energiesector hoog op de agenda, hetgeen uiteraard consequenties heeft voor het Nederlandse ‘gasgebouw’. Voor de gehele energiesector is het Internationaal Energie Agentschap (IEA), dat na de oliecrisis van 1973 werd opgericht, het gespecialiseerde forum. In het kader van de IEA bereiden de lidstaten hun aardoliecrisisbeheersingsmaatregelen voor.

Het bovenstaande samenvattend, zien we dat het rijk zich ook in het verleden door de volgende drie doelstellingen heeft laten leiden:

Het stellen van zodanige randvoorwaarden, dat de industriële verwerking en handel van delfstoffen zich in internationale concurrentie kan ontplooien.

Als randvoorwaarde geldt hierbij, dat de belasting van het milieu bij winning, verwerking en verbruik van olie en gas beperkt wordt. De doelstellingen worden in nationaal en internationaal verband nagestreefd.

Bij de uitvoering van zijn beleid past(e) het rijk een aantal instrumenten toe, die in de volgende hoofdstukken uitgebreid worden behandeld:

4. Actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken

4.1 Minister van Economische Zaken

Handeling: Het ontwikkelen, vaststellen en evalueren van het energiedelfstoffenbeleid in Nederland

Periode: 1945–

Producten: Beleidsplannen en bijdragen aan energienota’s

Overlegkader: AER, Staten-Generaal

Bron: –

Waardering: B 1

Handeling: Het vaststellen van besluiten tot in- en samenstelling van permanente intradepartementale overlegorganen

Periode: 1945–

Producten: Beschikkingen inzake instelling, benoeming, ontslag

Opmerking: Tijdelijke intradepartementale organen worden meestal voor het voorbereiden of afdoen van een bepaald dossier ingesteld.

Bron: –

Waardering: B 5 (neerslag betreffende instelling)

V 10 jaar na vertrek uit dienst (neerslag betreffende benoeming leden)

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot in- en samenstelling van permanente interdepartementale commissies, en tot benoeming van ministeriële vertegenwoordigers in die commissies

Periode: 1945–

Producten: Beschikkingen inzake instelling, benoeming, ontslag, vacatiegelden

Opmerking: Het voorzitterschap en/of secretariaat berust bij ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken. De taakuitvoering wordt in een van de volgende hoofdstukken van dit deelrapport beschreven. Voorbeelden zijn:

– Planologische Werkcommissie

Bron: –

Waardering: B 5 (neerslag betreffende instelling)

V 10 jaar na vertrek uit dienst (neerslag betreffende benoeming leden)

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot in- en samenstelling van tijdelijke interdepartementale commissies

Periode: 1945–

Producten: Beschikkingen inzake instelling, benoeming, ontslag, vacatiegelden

Opmerking: Het voorzitterschap en/of secretariaat berust bij ambtenaren van het Ministerie van EZ. Voorbeelden zijn:

– Commissie Organisatie Landelijke Gasvoorziening

– Adviescommissie Gaspolitiek

– Gasadviescommissie

Bron: –

Waardering: B 5 (neerslag betreffende instelling)

V 10 jaar na vertrek uit dienst (neerslag betreffende benoeming leden)

Handeling: Het mede instellen en voordragen van vertegenwoordigers in vaste en tijdelijke interdepartementale commissies waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij het Ministerie van Economische Zaken berust

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeelden zijn:

– ICONA (1977, V&W)

– Interdepartementale Commissie voor Zee-Onderzoek (ICZO) (1966)

– Interdepartementale Waddenzeecommissie (IWC)

– Overleg Radiologische Aangelegenheden

– Commissie van Iterson

– Adviescommissie Aardgas

Bron: Bijl. HdTK 1994–1995, 21 108, nr. 5; ICONA, Noordzee-Almanak, p. 99 e.v.

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het voorbereiden van een koninklijke besluit of wet tot instelling van vaste externe adviescolleges op het terrein van het delfstoffenbeleid

Periode: 1945–

Opmerking: 1. Het secretariaat berust bij ambtenaren van het Ministeri van EZ.

2.

De instelling kan onderdeel van een wet of koninklijk besluit vormen (zie par. Wet- en regelgeving).

3.

De taakuitvoering wordt in een van de volgende hoofdstukken van dit deelrapport beschreven.

Voorbeelden zijn:

– de Mijnraad, ingesteld bij koninklijk besluit van 25 april 1913, Stb. 139, koninklijk besluit van 24 april 1967, Stb. 246 en de Wet Mijnraad 1970.

Bron: Kaderwet adviescolleges

Waardering: B 4

Handeling: Het vaststellen van een instructie voor, dan wel goedkeuren van interne regelingen van vaste externe adviescolleges op het terrein van het delfstoffenbeleid

Periode: 1945–

Producten: o.m. instructies voor de secretaris, reglementen van orde

Bron: Besluit Mijnraad 1913, art. 13, tweede lid; Besluit Mijnraad 1967, art. 7; Wet Mijnraad 1970, art. 8; Kaderwet adviescolleges

Waardering: B 4

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot instelling en inrichting van tijdelijke externe adviescolleges op het terrein van het delfstoffenbeleid

Periode: 1945–

Producten: o.m. Aanstellingsbesluiten, instructies voor de secretaris, reglementen van orde

Opmerking: Voorbeelden zijn:

– Commissie-Martens (1978)

Bron: Kaderwet adviescolleges; Bijl. HdTK 1978–1979, 13 969, nr. 5

Waardering: B 4 (neerslag betreffende instelling)

V 10 jaar na vertrek uit dienst (neerslag betreffende benoeming leden)

Handeling: Het vaststellen of voorbereiden van besluiten tot benoeming, ontslag e.d. van leden, voorzitter, secretaris en ministeriële vertegenwoordigers in vaste en tijdelijke externe adviescolleges

Periode: 1945–

Producten: Aanstellings- en vacatiebesluiten

Opmerking: 1. Het secretariaat berust bij ambtenaren van het Ministerie van EZ.

2.

De handelingen m.b.t. de taakuitvoering worden in een van de volgende hoofdstukken van dit deelrapport in hun context beschreven.

Voorbeelden zijn:

– de Mijnraad (1913–): samenstelling ten hoogste 10 leden; voorzitter-lid en leden zijn extern; secretaris/secretariaat: EZ/DGE (hoofdafd. Mijnwezen); de leden worden voor een periode van vier jaar benoemd en zijn gedurende hun lidmaatschap geen van allen in de olie- of gasindustrie werkzaam; vanaf 1959 kan de minister de leden van de Mijnraad een jaarvergoeding toekennen;

– Adviescommissie Aanleg Gastransportleidingen (1952–1960)

– Commissie-Martens (1978)

Bron: Koninklijk besluit van 25 april 1913, Stb. 139, art. 9–10; Besluit van 1 juni 1959, Stb. 139; Wet Mijnraad 1970, art. 3–5; Besluit Mijnraad 1967, art. 5; Kaderwet adviescolleges

Waardering: V 10 jaar na vertrek uit dienst

Handeling: Het mede instellen en voordragen van vertegenwoordigers, dan wel het benoemen e.d. van leden, voorzitter en ministeriële vertegenwoordigers in vaste en tijdelijke externe adviescolleges waarvan het voorzitterschap en/of secretariaat niet bij EZ berust

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeelden zijn:

– Commissie Opslag te Land (OPLA) en werkgroepen;

Bron: –

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het instellen en benoemen e.d. van EZ-vertegenwoordigers in externe overlegorganen die onder de primaire verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken vallen:

– in het bestuur;

– in commissies, platforms e.d.

Periode: 1945–

Opmerking: Voorbeelden zijn:

– Begeleidingscommissie Coördinatie Mijnsluiting;

– Programma Voorbereidingscommissie Nationaal Onderzoeksprogramma Kolen (1979);

– Begeleidingscommissie Inventarisatieonderzoek Nederlandse Kolenvoorkomens (1981)

– Begeleidingscommissie Onderzoek Aardbevingen (ca. 1990–1994)

– Overleggroep met de olie- en gaswinningsindustrie (1995).

Bron: Nota Energiebeleid II (Kolen), p. 86,88; Milieuconvenant staat/olie- en gaswinningsindustrie

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het mede instellen en benoemen e.d. van EZ-vertegenwoordigers in externe overlegorganen die niet onder de primaire verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken vallen:

– in het bestuur;

– in commissies, platforms e.d.

Periode: 1945–

Opmerkingen: – Stichting Nationaal Duikcentrum Nederland (NDC);

– Stichting Marine Informatie-Service (MARIS)

– Stichting Uitvoering Bodemsanering en Amovering Tankstations (SUBAT)

Bron: ICONA. Noordzee-Almanak, pp. 110–1111

Waardering: V 10 jaar na benoeming

Handeling: Het voorbereiden van wijzigingen van de Mijnwet 1810

Periode: 1945–

Producten: o.m. Wijzigingswet 1810 enz. tot uitvoering van Richtlijn 94/22/EG, Stb. 1996, 199

Overlegkader: SodM; mijnbouwindustrie; vakorganisaties

Bron: Mijnwet 1810, Bulletin des Lois 1810, 285; inl. mr. dr. Chr.P. Verwer, 14 mei 1996; Bijl.HdTK 1994–1995, 24 078, nr. 5, p. 9

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van wijzigingen van de Mijnwet 1903

Periode: 1945–

Producten: Voor specificatie, zie bijlagen onder regelgeving

Overlegkader: Mijnraad; SodM; bestuurders mijnondernemingen en betrokken vakorganisaties

Bron: Mijnbouwwet 1903, Stb. 1904, 73

Waardering: B 1

Handeling: Het, in overleg met andere ministers, voorbereiden van (wijzigingen van) algemene maatregelen van bestuur ter uitvoering van de Mijnwet 1903 en aan de mijnwet gekoppelde nadere wettelijke regelingen

Periode: 1945–

Producten: o.m. Mijnreglement 1939, Stb. 568, Electrotechnisch Mijnreglement 1947, Stb. H 152, ingetrokken bij Mijnreglement 1964, Groevenreglement 1941, Stcrt. 1941, 29, ingetrokken bij Groevenreglement 1947, Stb. H 27

Overlegkader: SodM; bestuurders mijnondernemingen en betrokken vakorganisaties; Commissies Herziening Mijnreglement

Opmerking: 1. Volgens art. 9 van de Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wet van 13 oktober 1994, Stb. 766, gaat het om:

2.

In de Wet op de luchtverontreiniging van 1971 en andere daarop volgende milieuwetten wordt aan de Minister van EZ speciale bevoegdheden toegekend op het gebied van regelgeving inzake milieuvoorschriften ten aanzien van mijnen in de zin der Mijnwet. Het ontwerp van een dergelijk genoemde amvb wordt overgelegd aan de Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van de Minister van EZ te brengen. De amvb’s moeten wel in overeenstemming zijn met de milieuregels die intussen ook voor andere grote overheidswerken waren gaan gelden, zoals de verplichting tot milieueffectrapportage e.d. Verderop in dit rapport zal nader worden ingegaan op het milieuoverleg.

Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wetten van 26 november 1970 en 13 oktober 1994, art. 9–10, en bij wet van 18 maart 1996, Stb. 199, art. 8d

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van de Mijnwet 1903 en het Mijnreglement 1939 en 1964

Periode: 1945–

Overlegkader: SodM; bestuurders mijnondernemingen en betrokken vakorganisaties, evt. bedrijfschappen

Bron: Mijnwet 1903, zoals gewijzigd bij wetten van 26 november 1970 en 13 oktober 1994, art. 9, derde lid; Mijnreglement 1964, art. 3–4; SodM, DNK: Nieuwe koers, p. 8

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van wetten betreffende de opsporing van delfstoffen in het Nederlandse territorium

Periode: 1945–

Producten: Wet(svoorstel) opsporing delfstoffen 1924 en 1967 en wijzigingsvoorstellen; wetsontwerp tijdelijke beperking vrijheid van opsporing van delfstoffen

Overlegkader: SodM; Mijnbouwindustrie; vakorganisaties

Bron: Zie product

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van de wetten betreffende de opsporing van delfstoffen

Periode: 1945–

Producten: Ministeriële regelingen, b.v. de eisen te stellen aan de kaart die bij een aanvraag voor een boorvergunning ingeleverd moet worden

Overlegkader: SodM; Mijnbouwindustrie; vakorganisaties

Bron: Wet opsporing delfstoffen 1967, art. 5, tweede lid

Waardering: B 1

Handeling: Het in normalisatie- en standaardisatiecommissies leveren van bijdragen in het opstellen van (buitenwettelijke) normen en richtlijnen

Periode: 1945–

Producten: o.m. Bijzondere emissierichtlijn (NER) voor mijnbouwinstallaties op het land en op zee

Overlegkader: o.m.

Periode: 1945–

Opmerking: 1. Het betreft deelname aan verschillende commissies van het Nederlandse Electrotechnische Comité (NEC), het Nederlands Normalisatie Commissie (NNI) en in mindere mate van het RIVM.

2.

SodM vervult in normalisatiecommissies m.b.t. de werktuigbouw en electrotechniek soms het voorzitterschap; het secretariaat berust in de regel bij het NNI.

3.

Zie verder hoofdstuk internationale samenwerking.

Bron: SodM, Jaarverslag IGM 1994, pp. 42–43; SodM, DNK nr. 95/C/14 (Jaarwerkplan 1997), p. 12

Waardering: V 1 jaar

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van de Mijnwet Continentaal Plat, Stb. 1965, 425

Periode: 1963–

Producten: Ontwerp-wet, MvT, stukken t.b.v. parlementaire behandeling

Overlegkader: SodM; bestuurders mijnondernemingen en betrokken vakorganisaties, evt. bedrijfschappen

Bron: Zie producten

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere voorschriften bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Mijnwet Continentaal Plat

Periode: 1965–

Producten: Ontwerp-wet, MvT, stukken t.b.v. parlementaire behandeling

Overlegkader: SodM; bestuurders mijnondernemingen en betrokken vakorganisaties, evt. bedrijfschappen

Bron: Zie producten

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van het Mijnreglement Continentaal Plat

Periode: 1965–

Producten: Voor specificatie, zie bijlagen onder regelgeving

Overlegkader: SodM Bestuurders van mijnondernemingen en vakorganisaties

Bron: o.m. Mijnwet 1965, zoals gewijzigd bij wet van 18 maart 1996, Stb. 199, art. 6a; MCP, art. 27

Waardering: B 1

Handeling: Het bij aanschrijving uitvaardigen van nadere richtlijnen ter uitvoering van het Mijnreglement Continentaal Plat

Periode: 1965–

Producten: Circulaires.

Overlegkader: SodM; bestuurders mijnondernemingen evt. bedrijfschappen

Bron: SodM, Aanschrijvingen en richtlijnen; SodM, Jaarverslag IGM 1994, pp. 42–43; SodM, Juridisch Kader, p. 9

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van de integrale wet voor de mijnbouw op het vasteland en het Nederlandse deel van het Continentaal Plat

Periode: 1985–

Product: Mijnbouwwet

Overlegkader: SodM; mijnbouwindustrie; andere ministeries

Bron: Nota speciale projecten directie EOG 1996, notanr. E/EOG/G/96009602; inl. mr. H.W. van der Laan, (E/EOG), 17 april 1996; SodM, DNK, nr. 95/C/14 (Jaarwerkplan SodM 1997), p. 3

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming en wijziging van een integrale mijnbouwbesluiten voor de mijnbouw op het vasteland en het Nederlandse deel van het Continentaal Plat en van amvb’s naar aanleiding van de nieuwe mijnbouwwet

Periode: 1985–

Overlegkader: SodM; mijnbouwindustrie; andere ministeries

Opmerking: De minister heeft de bevoegdheid om in gevallen van urgentie regels te stellen, die binnen een bepaalde termijn in een amvb moeten worden omgezet.

Bron: SodM, DNK, nr. 95/C/14 (Jaarwerkplan SodM 1997),

Waardering: B 1

Handeling: Het op basis van geïntegreerde mijnreglementen en mijnbouwbesluiten stellen van ministeriële regels die zowel voor het vasteland als voor het Nederlandse deel van het Continentaal Plat gelden

Periode: 1995–

Overlegkader: SodM; mijnbouwindustrie; vakbonden

Bron: SodM, Jaarverslag IGM 1994, p. 43

Waardering: B 5

Handeling: Het voorbereiden van (wijzigingen van) wetgeving inzake de voorraadvorming van aardolieproducten

Periode: 1970–

Producten: Wet voorraadvorming aardolieproducten, Stb. 1976, 569, zoals gewijzigd bij wet van 24 december 1986, Stb. 674

Bron: Zie producten

Waardering: B 1

Handeling: Het geven van nadere voorschriften bij algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van de Wet voorraadvorming aardolieproducten

Periode: 1975–

Producten: Besluit van 9 maart 1977, Stb. 155, Besluit van 30 december 1986, Stb. 702 (nihilstelling voor de heffing van zware oliën), Besluit van 5 juli 1993 (wijziging heffingsbedragen)

Opmerking: Het betreft de uitvoering van art. 1, derde lid en art. 3, derde lid, en art. 13i, tweede lid.

Bron: Zie producten

Waardering: B 5

Handeling: Het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van de Wet voorraadvorming aardolieproducten

Periode: 1975–

Producten: Ministeriële regelingen, gepubliceerd in de Stcrt., betreffende:

– Uitvoering art. 4, zesde lid (toegestane hoeveelheid vervaardigde aardolieproducten uit ruwe aardolie of halffabrikaten), 18 februari 1977, Stcrt. 1977, 40;

– Uitvoering van art. 7, tweede lid (vermindering van omvang voorraadverplichting in crisissituatie; niet uitgevoerd);

– Uitvoering van art. 9, eerste lid (formulieren);

– Uitvoering van art. 9, derde, vierde en vijfde lid (niet uitgevoerd);

– Uitvoering van art. 10, vierde lid

Bron: Wet voorraadvorming aardolieproducten

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van (wijzigingen van) de Wet uitvoering internationaal energieprogramma, Stb. 1979, 187

Periode: 1974–

Bron: Stb. 1979, 187, zoals laatstelijk gewijzigd bij Wet van 16 december 1993, Stb. 650

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling ter uitvoering van de Wet uitvoering internationaal energieprogramma

Periode: 1974–

Producten: Ministeriële regelingen, gepubliceerd in de Stcrt.: Beschikking (aanvullende) gegevens aardolieproducten 1980, Stcrt. 1980, 4, en Regeling gegevens aardolieproducten 1985, Stcrt. 1985, 20

Bron: Wet uitvoering internationaal energieprogramma, art. 10

Waardering: B 1

Handeling: Het vanuit het belang van het aardoliecrisisbeleid bijdragen in de toestandkoming en wijziging van economische noodwetten, dan wel het vaststellen van daarop berustende voorschriften

Periode: 1945–

Overlegkader: CMPC en WJA

Opmerking: 1. Het gaat om de uitvoering van de Distributiewet 1939, de Prijzennoodwet 1984, e.d. en om ministeriële regelingen zoals:

– Aanwijzing aardolie en aardolieproducten als distributiegoederen, Stcrt. 1973, 211;

– Instellingsbeschikking Rijksbureau voor Aardolieproducten 1973, Stcrt. 1973, 220;

– Beschikking verbruiksbeperking motorbrandstoffen tijdens het weekeinde, Stcrt. 1973, 211.

De wetten als zodanig worden door de Ministerraad vastgesteld, de in de wetten aangegeven noodsituaties door de Minister-President uitgeroepen.

2.

Ook de In- en uitvoerwet, Stb. 1962, 295, hoewel geen economische noodwet, kan gebruikt worden; zie b.v. de Uitvoerbesluit aardolieproducten 1979, Stb. 545.

Bron: Wet voorraadvorming aardolieproducten; bijl. HdTK 1993–1994, 23 531, nr. 1, pp. 12–14; zie verder onder opmerking

Waardering: B 1

Handeling: Het o.g.v. art. 2 van de Prijzenwet, Stb. 1965, 646 bij ministeriële regeling vaststellen van maximumprijzen voor bepaalde aardolieproducten die op de binnenlandse markt aangeboden worden

Periode: 1965–

Producten: Prijzenbeschikking aardolieproducten 1982, Stcrt. 1981, 252, en volgende wijzigingen.

Overlegkader: Oliemaatschappijen en branche-organisaties

Opmerking: Het maximumprijssysteem was laatstelijk in 1975–1982 van kracht. Voor de toelichting, zie hoofdstuk 13,4.

Bron: De Maar, Energierecht, pp. 197–198; Prijzenwet, Stb. 1965, 646, art. 2

Waardering: B 1

Vervallen.

Vervallen.

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse standpunten en bijdragen in het Permanent Orgaan voor de Veiligheid en de Gezondheidsvoorwaarden in de Steenkoolmijnen (sedert 1974: en andere winningsindustrieën) en andere adviescomités, ter voorbereiding van besluiten van de Hoge Autoriteit/Commissie m.b.t. het Europese steenkolenbeleid

Periode: 1952–

Opmerking: 1. Een ander adviescomité is het Gemengd Comité, een samenwerkingsorgaan van nationale regeringen en de Hoge Autoriteit.

2.

Na 1974 ligt het accent van de werkzaamheden op de olie- en gaswinning; zie par. Aardolie- en aardgasbeleid van de EG/EU.

Bron: Rademakers, Staatstoezicht op de Mijnen, p. 14, p. 17; inl. J. Ausems (SodM), 1 mei 1997; Beschikking nr. 2424/88/EGKS van de Commissie van 29 juli 1988 betr. bescherming tegen invoer met dumping of subsidiëring uit niet-EGKS-landen, art. 6

Waardering: B 1

Handeling: Het ten behoeve van het algemene sociaal-economische EGKS-beleid aan de Hoge Autoriteit/Commissie verstrekken van informatie

Periode: 1952–

Opmerking: 1. De gegevensverstrekking dienen als basis voor statistieken, studies of programma’s, die de Hoge Autoriteit met het oog op de beleidskoers van de EGKS opstelt.

2.

Vanwege de Hoge Autoriteit gesubsidieerde onderzoeken worden ter beschikking van alle belanghebbenden gesteld.

Bron: EGKS-Verdrag, art. 46–47, 5

Waardering: V 1 jaar

Handeling: Het informeren en verstrekken van gegevens aan de Hoge Autoriteit/Commissie over nationale maatregelen en maatregelen van derden die de concurrentieverhoudingen van de kolenmijn- en staalindustrie kunnen aantasten

Periode: 1952–

Bron: EGKS-Verdrag, art. 66–67; Beschikking nr. 2424/88/EGKS van de Commissie betr. bescherming tegen invoer met dumping of subsidiëring uit niet-EGKS-landen

Waardering: B 1

Handeling: Het bij de Hoge Autoriteit/Europese Commissie verzoeken om machtiging voor het verlenen van nationale steunmaatregelen en om de toekenning van communautaire steun t.b.v de kolenmijnindustrie en nevenindustrieën

Periode: 1952–

Producten: Aanvrage en gegevens

Opmerking: Een communautaire steunregeling is de steunregeling voor cokeskolen en cokes voor de ijzer- en staalindustrie (Beschikking 37/287/EGKS van 15 juli 1973).

Bron: EGKS-Verdrag, art. 56; diverse steunmaatregelen, b.v. Beschikking Hoge Autoriteit nr. 3/65 van 17 februari 1965 betreffende de communautaire regeling voor de steunmaatregelen van de deelnemende staten t.b.v. de kolenmijnindustrie; De Maar, Energierecht, pp. 7–8

Waardering: B 1

Handeling: Het instellen van beroep bij het Hof van Justititie van de EGKS tot nietigverklaring van beschikkingen of aanbevelingen van de Hoge Autoriteit/Commissie of het achterwege blijven daarvan, danwel tegen de besluiten van de Vergadering/Parlement of van de Raad van Ministers

Periode: 1952–

Producten: Beroepen en uitspraken

Bron: EGKS-Verdrag, art. 33–38

Waardering: B 1

Handeling: Het bijdragen in de totstandkoming en wijziging van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS-Verdrag) en ander Verdragsrecht

Periode: 1950–

Producten: Bijdragen aan EGKS-Verdrag

Opmerking: 1. ‘Ander Verdragsrecht’ zijn protocollen, toetredingsverdragen.

2.

De parlementaire goedkeuring valt ook onder deze handeling. Voor de Nederlandse goedkeuringswet, zie Stb. 1952, 83.

Overlegkader: Ministerie van Buitenlandse Zaken, EZ/BEB

Bron: Verdrag oprichting EGKS; Borchardt, Gemeenschapsrecht, p. 33

Waardering: B 1

Handeling: Het bijdragen in het ambtelijke en bestuurlijke vooroverleg t.b.v. de Nederlandse standpuntbepaling in EGKS-Raadsaangelegenheden

Periode: 1952–

Producten: Bijdragen aan b.v. instructie PV, overleg met belangenorganisaties

Opmerking: 1. Samenstelling ICCE ca. 1985: EZ (7), overige betrokken departementen (1) m.u.v. SZW (2). Voorz. en secr. ca. 1985: EZ/BEB/directie Integratie.

2.

Voor de ambtelijke voorportalen en onderraden van de ministerraad, zie PIVOT-rapport 1 (Onderraden en ambtelijke voorportalen).

Bron: SIC, 2e Interimrapport, II, p. 115

Waardering: B 1

Handeling: Het inbrengen van Nederlandse standpunten in de Raadswerkgroep met betrekking tot EGKS-aangelegenheden

Periode: 1952–

Opmerking: Voor de inbreng m.b.t. de wijziging van het EGKS-Verdrag etc., zie hierboven.

Bron: EGKS-Verdrag, hoofdstuk III

Waardering: B 1

Handeling: Het inbrengen van Nederlandse standpunten in de Raad van Ministers met betrekking tot EGKS-aangelegenheden

Periode: 1952–

Producten: Bijdragen aan ministersdossier

Opmerking: Voor de inbreng m.b.t. de wijziging van het EGKS-Verdrag etc., zie handeling hierboven.

Bron: EGKS-Verdrag, hoofdstuk III

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van bijdragen in de fase van de voorbereiding van een Commissievoorstel voor de Raad t.b.v. het Europese aardolie- en aardgasbeleid

Periode: 1958–

Opmerking: De bijdrage kan in het kader van een ad hoc expertcomité geleverd worden of – informeler – in de vorm van lobbyen bij de diensten van de Commissie, DG Energie. Een vast expertcomité is het Permanent Orgaan voor de Veiligheid en de Gezondheidsvoorwaarden in de Steenkoolmijnen (sedert 1974:) en andere Winningsindustrieën (zie ook hierboven par. Steenkolenbeleid van de EGKS en EEG).

Bron: Kohll, Lobbyen; inl. J. Ausems (SodM), 1 mei 1997

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de Raadswerkgroep Energie en in het Comité van Permanente Vertegenwoordigers m.b.t. het Europese aardolie- en aardgasbeleid

Periode: 1958–

Producten: PV-instructie, verslagen

Opmerking: Onder ‘opstellen’ valt de gehele ambtelijke en bestuurlijke voorbereiding in CoCo, PV-instructieoverleg, evt. REZ en in de Werkgroep beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.

Bron: Mahler, Totstandkoming richtlijnen, p. 33

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de Ministerraad (Energieraad) m.b.t. het Europese aardolie- en aardgasbeleid

Periode: 1958–

Producten: Bijdragen aan ministerdossier Energieraad, verslag

Bron: Mahler, Totstandkoming richtlijnen, pp. 33–34

Waardering: B 1

Vervallen.

Handeling: Het leveren van bijdragen bij de voorbereiding van een Commissiebesluit (niet zijnde een voorstel voor de Raad) m.b.t. het Europese aardolie- en aardgasbeleid

Periode: 1958–

Opmerking: De bijdrage kan in het kader van een ad hoc expertcomité geleverd worden of – informeler – in de vorm van lobbyen bij de diensten van de Commissie, DG Energie. Vaste expert-comités zijn b.v.

– het Permanente Orgaan voor de Veiligheid en de Gezondheidsvoorwaarden in de Steenkoolmijnen (sedert 1974) en andere Winningsindustrieën (zie ook hierboven par. Steenkolenbeleid van de EGKS en EEG);

– de bij Richtlijn van de Raad van 24 juli 1973 (73/238/EEG) ingestelde Oil Supply Group (OSG), die door de Commissie wordt geconsulteerd over de invoering van een vergunningenstelsel voor de handel in aardolieproducten in een oliecrisis.

Bron: Kohll, Lobbyen; inl. J. Ausems (SodM), 1 mei 1997.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in een van de raadgevende comités van de Commissie van de EEG

Periode: 1957–

Opmerking: De raadgevende comités hebben een beperkte invloed.

Bron: Borchardt, Gemeenschapsrecht, pp. 50–51

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in een van de ‘comités van beheer’ of van de ‘reglementeringscomités’ van de Commissie van de EEG

Periode: 1957–

Opmerking: Deze adviescomités hebben een grote invloed op de besluitvorming. De comités van beheer zijn vooral werkzaam op het gebied van de landbouwmarkt.

Bron: Borchardt, Gemeenschapsrecht, pp. 50–51

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de Raad inzake ‘beroepen’ van een adviescomité tegen een concept-besluit van de Commissie

Periode: 1962–

Bron: Borchardt, Gemeenschapsrecht, pp. 50–51

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in begeleidingswerkgroepen voor de implementatie van richtlijnen, het oprichten van communautaire instellingen en de uitvoering van communautaire actieprogramma’s

Periode: 1958–

Bron: Besluit Commissie inzake onderzoeksprogramma veiligheid in de steenkolenmijnen, PbEG nr. C 010 van 14/01/77

Waardering: B 1

Handeling: Het verkrijgen en periodiek verstrekken van gegevens aan de EG-Commissie ten behoeve van het EG-crisisbeleid op het gebied van de aardolievoorziening

a. periodieke gegevensverstrekking;

b. gegevens in crisistijd.

Periode: 1972–

Producten: Rapportages binnenlandse afleveringen olieproducten

Bron: Diverse EG-verordeningen, o.a. nr. 72/1055, PbEG, L 120; Beschikking van de EG-Commissie van 28 september 1978; ministeriële regelingen inzake gegevens aardolieproducten, b.v. Stcrt. 1980, 4; inl. drs. F.G.M. Wieleman (DGE/EOG), augustus 1996.

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het informeren van de Commissie over de implementatie van communautaire regelingen op het gebied van aardolie- en aardgasbeleid in het Nederlandse recht

Periode: 1957–

Producten: Mededelingen en teksten, overzichten

Opmerking: Voor de implementatie van EG-regelgeving, zie hoofdstuk wettelijk kader.

Bron: b.v. Richtlijn 92/91/EEG, art. 12, lid 1–4

Waardering: B 3

Handeling: Het doen van mededelingen aan de Commissie inzake de uitvoering in Nederland van aardolie- en aardgasaangelegenheden van communautair belang

Periode: 1957–

Opmerking: Voorbeelden zijn:

– communautaire informatie- en overlegprocedure inzake de prijzen van ruwe aardolie en aardolieproducten;

– investeringsprojecten van communautair belang in de sectoren aardolie, aardgas en elektriciteit.

Bron: b.v. Verordening EEG-Raad nr. 1056/72 van 18 mei 1972; ; zie b.v. Richtlijn EEG-Raad nr. 76/491/EEG van 4 mei 1976

Waardering: B 3

Handeling: Het aan de Commissie verzoeken om toekenning van een beschikking (machtiging, ontheffing e.d.) ter uitvoering van EEG-regelingen op het gebied van Europees aardolie- en aardgasbeleid

Periode: 1957–

Opmerking: Voorbeelden:

– beschikking Commissie betr. steunmaatregel Nederland t.b.v. een investering in de petrochemische sector, 1981;

– ontheffing Commissie van de eisen van de Richtlijn voor de opsporing en winning van olie en gas;

– machtiging Commissie voor invoering vergunningstelsel in een oliecrisis.

Bron: Kapteyn en VerLoren van Themaat, Inleiding EG-Recht, p. 738, nt. 386; Repertorium Gemeenschapswetgeving, I, p. 877; Beschikking Commissie van 28 sept. 1978, nr. 78/890/EEG

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in het Comité van Ministers van de Benelux m.b.t. een gemeenschappelijk energiedelfstoffenbeleid

Periode: 1948–

Bron: Handboek Crisisbeheersing EZ, pp. 49–50; EG-Almanak

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de ambtelijke werkgroepen en in de Raad van de Economische Unie m.b.t. een gemeenschappelijk energiedelfstoffenbeleid

Periode: 1948–

Bron: Handboek Crisisbeheersing EZ, pp. 49–50; EG-Almanak

Waardering: B 1

Handeling: Het, vanuit het belang van de off-shore olie- en gaswinningsindustrie, leveren van bijdragen in de Nederlandse standpuntbepaling in de ministerconferentie en de jaarvergaderingen van de PARCOM, OSCOM en de OSPARCOM

Periode: 1972–

Producten: Bijdragen in Coördinatiecommissie voor Internationale Milieuvraagstukken (CIM), subgroep CIM-Water

Bron: PIVOT-rapport nr. 28 (Waterstaat), pp. 140–143; inl. drs. P.R. Seeger, 6 mei 1996

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, vanuit het belang van de off-shore olie- en gaswinningsindustrie, leveren van bijdragen in de Technical Working Group (TWG), na 1993 van het Programmes and Measures Committee (PRAM)

Periode: 1974–

Opmerking: De vergaderingen worden interdepartementaal, onder voorzitterschap van de Hoofddirectie van Rijkswaterstaat (V&W), voorbereid. Deelnemers zijn naast V&W, VROM, LNV en EZ.

Bron: PIVOT-deelrapport nr. 28 (Waterstaat) pp. 140–143

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, vanuit het belang van de off-shore olie- en gaswinningsindustrie, opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de bijeenkomsten van de Group on Oil Pollution (GOP), vanaf 1993 de Working Group on Sea-Based Activities (SEBA)

Periode: 1974–

Opmerking: 1. Andere deelnemers in het internationaal overleg zijn vertegenwoordigers van V&W en VROM;

2.

In 1992 organiseerde SodM een workshop over harmonisering van toxicologische testmethoden.

Bron: PIVOT-deelrapport nr. 28 (Waterstaat) pp. 140–143; SodM, Jaarverslag SodM 1981, p. 8, 1992, pp. 66–67, 1994, p. 45

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, vanuit het belang van de off-shore olie- en gaswinningsindustrie, opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen en standpunten in de bijeenkomsten van de Working Group on Radioactivity (RAD)

Periode: 1974–

Opmerking: Ander deelnemers in het internationaal overleg zijn vertegenwoordigers van V&W, VROM en RIZA.

Bron: PIVOT-deelrapport nr. 28 (Waterstaat) pp. 140–143; inl. drs. P.R. Seeger (DGE/EOG), 6 mei 1996

Waardering: V 10 jaar

Handeling: Het, vanuit het belang van de off-shore olie- en gaswinningsindustrie, opstellen en inbrengen van bijdragen in het nationale vooroverleg ter voorbereiding van de Noordzee-ministersconferenties

Periode: 1984–

Overlegkader: CIM

Bron: PIVOT-rapport nr. 28 (Waterstaat), pp. 150–152; SodM, Jaarverslag 1981, p. 10, 1995, p. 32

Waardering: B 1

Vergelijkbare gegevens in Waterstaat, handelingen: 273–277.

Vervallen.

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse standpunten en bijdragen in bijeenkomsten of seminars van de Working Party on Gas van de ECE

Periode: 1947–

Opmerking: Voor bijdragen aan het ministersdossier voor de jaarlijks plenaire vergadering van de Economische Commissie voor Europa, zie deelrapport algemeen energiebeleid.

Bron: Inl. ing. F.R. van Noord (E/EOG), 17 april 1996

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse bijdragen in bijeenkomsten van de Group of Experts on Transport and Storage of Gas e.a. expertcommissies van de ECE

Periode: 1947–

Opmerking: Vanaf 1990 levert SodM geen aktieve bijdrage meer aan het overleg in de Group of Experts on Transport and Storage of Gas.

Bron: Archieven MEZ, Archief Commissie-Dozy nr. 3: antwoorden RGD op vragenlijst Commissie-Dozy, 1973; inl. ing. F.R. van Noord (E/EOG), 17 april 1996, en ... J. Ausems (SodM), 1 mei 1997

Waardering: B 1

Handeling: Het verzamelen en verstrekken van statistische e.a. informatie aan de ECE

Periode: 1945–

Overlegkader: Gasunie en Gastec en Vereniging van Energiebedrijven

Opmerking: DGE/EOG coördineert: zet de vragenlijsten van de ECE uit bij de (brancheorganisaties van de) gasbedrijven en redigeert de antwoorden.

Bron: Inl. ing. F.R. van Noord (E/EOG), 17 april 1996

Waardering: V 1 jaar

Handeling: Het leveren van bijdragen in het nationaal vooroverleg en in het overleg in een van de vaste adviescommissies of technische subcommissies van de van de ILO

Periode: 1945–

Bron: Rademakers, Staatstoezicht op de Mijnen, p. 13

Waardering: B 1

Vervallen.

Handeling: Het bijdragen in het onderhandelen over en sluiten van internationale, multilaterale verdragen inzake de exploratie en exploitatie van de natuurlijke rijkdommen in de Noordzee

Periode: 1945–

Producten: m.n. Verdrag van Genève inzake het Continentale Plateau, Trb. 1959, 126. De Minister van EZ is aan Nederlandse zijde niet de ‘trekker’.

Opmerking: Voor de grensverdragen, zie par. bilaterale verdragen.

Bron: SodM, NKD: Juridisch kader (1996), p. 7; Verdrag van Genève inzake het Continentale Plateau, Trb. 1959, 126

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van bijdragen aan de totstandkoming, wijziging of beëindiging van het Internationaal Verdrag ter oprichting van een Internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, Trb. 1971, 101

Periode: 1970–

Bron: Zie handeling

Waardering: B 1

Handeling: Het, overeenstemmen met de Minister van Justitie en V&W inzake het opstellen en leveren van Nederlandse standpunten en bijdragen in de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissie van het VN-Olieschadefonds

Periode: 1981–

Producten: Bijdragen aan instructies en verslagen

Bron: Wet schadefonds olietankschepen, Stb. 1981, 294

NB. Voor de informatieverstrekking ter uitvoering van dit verdrag, zie hoofdstuk 13.2.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse standpunten en bijdragen in organen van de OEES, vanaf 1961 de OESO inzake een gezamenlijk aardolie-energiebeleid en het daarmee samenhangende crisisbeheer

Periode: 1956–1974

Opmerking: Overlegorganen van de OESO zijn de Raad en het Olie Comité.

Bron: Barents, Aardoliemechanisme, p. 715; De Maar, Energierecht, pp. 73–74

Waardering: B 1

Handeling: Het bijdragen aan de totstandkoming en wijziging van de overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma, waaronder de oprichting van het Internationaal Energie-Agentschap

Periode: 1974–1976

Producten: Bijdragen aan besluitvorming van de ECG en de goedkeuring in 1976 van de Overeenkomst internationaal energieprogramma door de Tweede Kamer.

Opmerking: 1. Het overleg vond plaats in:

– een ministeriële conferentie van een aantal OESO-landen, door de Verenigde Staten in Washington bijeengeroepen in febr. 1974; de voorzitters van de EG-Raad en Commissie vertegenwoordigden de EG-landen;

– de (ambtelijke) Energy Coordinating Group (ECG), onderdeel van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

2.

De overeenkomst geldt niet voor Suriname, bij de ondertekening nog lid van het Koninkrijk, en voor de Nederlandse Antillen.

Bron: MvT Overeenkomst internationaal energieprogramma 1974

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen en inbrengen van Nederlandse standpunten en bijdragen in de Governing Board van het Internationaal Energie-Agentschap m.b.t. de uitvoering van het internationaal energieprogramma

Periode: 1974–

Opmerking: Voor beleid m.b.t. energiebesparing, zie deel I van dit RIO: energiebesparing.

Bron: Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma 1974

Waardering: B 1

Handeling: Het leveren van bijdragen tot het opstellen en inbrengen van Nederlandse standpunten en bijdragen m.b.t. de uitvoering van het internationaal energieprogramma in de IEA-Standing Group on Emergy Questions (SEQ) en de IEA-Standing Group on the Oil Market (SOM)

Periode: 1974–

Opmerking: 1. In de SEQ de permanente vertegenwoordiger van de OECD (BuZa) vertegenwoordigd.

2.

Voor handelingen in de Standing Group on Long-term Cooperation (SLT), de Standing Group on Relations with Producer and other Consumer Countries en het Committee on Energy Research and Technology (CERT), zie deel I van dit RIO: energiebesparing.

Bron: Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma 1974

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van een of twee leden van het Panel of Arbitrators, waaruit Arbitration Panels geformeerd kunnen worden ten behoeve van geschillenbeslechting voortvloeiend uit crisismaatregelen van het International Energy Agency

Periode: 1980–

Opmerking: De arbiters moeten deskundig en onafhankelijk zijn.

Bron: Handvest Centrum voor geschillenbeslechting IEA 1980

Waardering: V 10 jaar na vertrek uit dienst

Handeling: Het bijdragen in de beheerskosten van het Internationaal Energie-Agentschap

Periode: 1974–

Opmerking: De arbiters moeten deskundig en onafhankelijk zijn.

Bron: Handvest Centrum voor geschillenbeslechting IEA 1980

Waardering: V 7 jaar

Handeling: Het op vrijwillige basis en krachtens de Wet uitvoering internationaal energieprogramma (Wet IEP), art. 10, van olieproducenten en oliehandelaren verkrijgen en verstrekken van periodieke gegevens inzake bepaalde categorieën aardolieproducten t.b.v. het Internationaal Energie Agentschap en het nationaal beleid

Periode: 1970–

Producten: Convenant Minister van EZ met multinationale ondernemingen, gevestigd in Nederland; Monthly Oil Statistics (MOS) o.b.v. ZO29 vragenlijsten via het CBS.

Overlegkader: Olie Overleg Groep

Opmerking: 1. De informatie t.b.v. het IEG is bestemd voor:

– de algemene afdeling van het IEA-Secretariaat, dat inzicht moet bieden in de ontwikkelingen op de internationale oliemarkt en de activiteiten van de oliemaatschappijen, en

– de bijzondere afdeling van het IEA-Secretariaat, dat een doeltreffende uitvoering van de crisismaatregelen moet waarborgen.

2.

De categorieën informatieplichtigen zijn in achtereenvolgende ministeriële Regelingen gegevens aardolieproducten omschreven (zie bijlagen).

3.

Er zijn 8 typen formulieren.

Bron: Overeenkomst internationaal energieprogramma, hoofdstuk V; Wet uitvoering internationaal energieprogramma, art. 10, en MvT; Regeling gegevens aardolieproducten 1985, Stcrt. 20; inl. drs. F.G.M. Wieleman (DGE/EOG), augustus 1996

Waardering: V 5 jaar

Handeling: Het op verzoek van de IEA en ten behoeve van de verslaglegging van de SEQ beantwoorden van vragenlijsten en verstrekken van inlichtingen bij het diepgaand IEA-onderzoek (‘ìn depth review’) ten aanzien van het oliecrisisbeleid

Periode: 1970–

Producten: Convenant Minister van EZ met multinationale ondernemingen, gevestigd in Nederland; Monthly Oil Statistics (MOS) .

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)