Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 5, tweede en vierde lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, tweede lid, 9, 10 en 12 van de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de artikelen 2, zesde lid, van het Besluit aanvullende regels veiligheid wegtunnels, de artikelen 120 en 120a van de Woningwet en artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder tunnelveiligheidsdossier: het dossier, bedoeld in artikel 10 van de wet.
Het begrip voorval omvat mede ongeluk of incident.
Artikel 2
Vervallen
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
De risicoanalyse, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de wet, wordt uitgevoerd overeenkomstig het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen model QRA-tunnels.
Artikel 5
Het tunnelveiligheidsplan, bedoeld in artikel 6c van de wet, wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig bijlage 2, onderdeel B1, bij deze regeling.
Het tunnelveiligheidsplan bevat ten minste:
- a. een globale beschrijving van het ontwerp van de tunnel, alsmede van de relevante locatieaspecten, de ruimtelijke inpassing en de technische haalbaarheid van de tunnel;
- b. een beschrijving van het voorziene gebruik van de tunnel;
- c. indien er een gestandaardiseerde uitrusting wordt toegepast, de keuze van de toe te passen gestandaardiseerde uitrusting als bedoeld in artikel 6b van de wet, dan wel de keuze om van de gestandaardiseerde uitrusting af te wijken op grond van artikel 6b, derde lid, van de wet;
- d. een beschrijving van de uitkomsten van de risicoanalyse bedoeld in artikel 6, derde lid van de wet, waarmee wordt toegelicht dat met de gekozen uitrusting aan de norm, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet wordt voldaan;
- e. een globale beschrijving van de organisatie van het beheer van de tunnel en de calamiteitenbestrijding.
Artikel 6
Het veiligheidsbeheerplan, bedoeld in artikel 7 van de wet, wordt opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig bijlage 2, onderdeel B3, bij deze regeling.
Het veiligheidsbeheerplan bevat ten minste:
- a. een beschrijving van het gebruik van de tunnel;
- b. een beschrijving van het tunnelsysteem;
- c. een beschrijving van de organisatie, processen, procedures, werkinstructies en planningen ten behoeve van het gebruik, de inspectie en het onderhoud van de tunnel;
- d. een beschrijving van de wijze waarop registratie en evaluatie van significante voorvallen plaats vindt en een beschrijving van de wijze waarop verbeteringen worden doorgevoerd;
- e. een analyse van scenario’s van ongevallen of indien die analyse op grond van artikel 7, eerste lid, van de wet, achterwege is gebleven, de redenen daarvoor, en
- f. een calamiteitenbestrijdingsplan waarin ook rekening gehouden is met mensen met een beperkte mobiliteit en met gehandicapten en chronisch zieken en dat voorts bevat:
- i. een beschrijving van de operationele afspraken tussen de tunnelbeheerder en de hulpverleningsdiensten over de inzet tijdens calamiteiten, en
- ii. instructies voor de uit te voeren bedienprocessen tijdens incidenten en calamiteiten.
De incidenten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, onder ii, zijn in ieder geval:
- a. stilstaande voertuigen;
- b. aanrijdingen;
- c. verloren lading, en
- d. voorvallen met verdwaalde personen.
De calamiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f, onder ii, zijn in ieder geval:
- a. een ernstige aanrijding;
- b. een brand of het vermoeden daarvan;
- c. het vrijkomen van gevaarlijke stoffen of een vermoeden daarvan;
- d. een brand in de verkeerscentrale;
- e. een bommelding.
Artikel 7
De veiligheidsbeambte werkt mee aan de afstemming tussen het calamiteitenbestrijdingsplan, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder f, en de aanvalsplannen van de binnen een veiligheidsregio, als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, samenwerkende hulpverleningsdiensten. Hij neemt kennis van de rampenbestrijdingsplannen van de desbetreffende veiligheidsregio’s, voor zover de tunnel betreffende.
Artikel 8
In of bij de aanvraag voor de in artikel 8 van de wet bedoelde vergunning worden de volgende gegevens verstrekt:
- a. naam, post- en e-mailadres en telefoonnummer van de tunnelbeheerder;
- b. de kadastrale aanduiding en de ligging van de tunnel;
- c. de naam en de aard van de tunnel.
Bij de aanvraag worden de volgende bescheiden overgelegd:
- a. het tunnelveiligheidsplan, bedoeld in artikel 6c, eerste lid, van de wet;
- b. het advies van de veiligheidsbeambte over het tunnelveiligheidsplan en dat over het samenstel van documenten bedoeld in artikel 7.15, eerste lid, onder b, van de Omgevingsregeling waarmee een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet aangevraagd zal worden;
- c. het veiligheidsbeheerplan, bedoeld in artikel 7 van de wet;
- d. het advies van de veiligheidsbeambte over het openstellen voor het verkeer van de tunnel.
Op verzoek van het bevoegde college van burgemeester en wethouders verstrekt de aanvrager tevens nadere gegevens en bescheiden voor zover die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.
Artikel 9
De veiligheidsbeambte controleert regelmatig of de tunnelconstructies en -voorzieningen worden onderhouden en waar nodig hersteld.
Artikel 10
Van elk significant voorval in een tunnel stelt de tunnelbeheerder een toelichtend verslag op en zendt dat binnen vier weken aan de veiligheidsbeambte, het bevoegd college van burgemeester en wethouders en de hulpverleningsdiensten.
De tunnelbeheerder evalueert elk significant voorval. Uiterlijk tien weken na het significante voorval stelt de tunnelbeheerder een rapportage op en zendt die aan de veiligheidsbeambte, het bevoegd college van burgemeester en wethouders en de hulpverleningsdiensten.
De rapportage, bedoeld in het tweede lid, bevat een procesevaluatie en een systeemevaluatie.
Indien de tunnelbeheerder een door een ander opgesteld onderzoeksverslag ontvangt met een analyse van de omstandigheden van een voorval in een tunnel of de conclusies die daaruit kunnen worden getrokken, zendt hij dat verslag binnen vier weken na ontvangst aan de veiligheidsbeambte, het bevoegd college van burgemeester en wethouders en de hulpverleningsdiensten.
De veiligheidsbeambte werkt mee aan de evaluatie van significante voorvallen bedoeld in het tweede lid.
De tunnelbeheerder draagt er zorg voor dat, in overleg met de veiligheidsbeambte, acties in noodsituaties uitgevoerd en geëvalueerd worden.
De veiligheidsbeambte rapporteert jaarlijks aan de tunnelbeheerder en het bevoegd college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen over het incidentregistratie- en evaluatieproces en hoe wordt omgegaan met het realiseren van geactiveerde verbetermaatregelen uit de evaluaties.
Artikel 11
De veiligheidsbeambte gaat na of het bedieningspersoneel en de hulpverleningsdiensten geoefend zijn en werkt mee aan de organisatie van de regelmatig te houden oefeningen.
De tunnelbeheerder draagt ervoor zorg dat met betrekking tot een tunnel ten minste eenmaal in de vier jaar een realistische oefening en in elk tussenliggend jaar een gedeeltelijke of simulatieoefening wordt uitgevoerd.
In afwijking van het tweede lid kan, indien binnen een veiligheidsregio, als bedoeld in de Wet veiligheidsregio’s, twee of meer tunnels van één tunnelbeheerder liggen en voor zover het een realistische oefening betreft, volstaan worden met het houden van één oefening in ten minste één van die tunnels.
De veiligheidsbeambte, de hulpverleningsdiensten en de tunnelbeheerder evalueren gezamenlijk de oefeningen.
Artikel 12
Het tunnelveiligheidsdossier bevat alle voor de veiligheid betreffende de tunnel van belang zijnde gegevens en oorspronkelijke bescheiden, alsmede de desbetreffende digitale documenten, waartoe in elk geval behoren de documenten, bedoeld in de artikelen 4 tot en met 8, en de documenten betreffende het bepaalde in artikel 11, met inbegrip van latere wijzigingen daarvan, alsmede:
- a. de planologische besluiten ten aanzien van de tunnel;
- b. de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en de bij die vergunning behorende aanvraag;
- c. een lijst van de uitgevoerde oefeningen en een analyse van de lering die hieruit getrokken is.
Een ieder die gegevens en oorspronkelijke bescheiden, bedoeld in het eerste lid, ontvangen heeft of onder zich heeft, verstrekt deze met bekwame spoed aan de tunnelbeheerder, die deze opneemt in het tunnelveiligheidsdossier.
Van elk in het tunnelveiligheidsdossier opgenomen document verstrekt de tunnelbeheerder een kopie aan de veiligheidsbeambte.
De betrokken overheidsinstanties kunnen het tunnelveiligheidsdossier te allen tijde inzien. Op hun verzoek verstrekt de tunnelbeheerder hen kopieën van de bescheiden.
Artikel 13
De gestandaardiseerde uitrusting, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, van de wet bestaat voor een tunnel langer dan 500 meter uit:
- a. afsluitbomen;
- b. bedieningsinstallatie;
- c. beeldvoorziening meldkamer;
- d. bluswatervoorziening;
- e. C2000;
- f. calamiteitendoorsteek;
- g. Closed Circuit Television;
- h. detectie snelheidsonderschrijdingen en spookrijders;
- i. elektrische energiebron;
- j. eventrecorder;
- k. hoog frequent-installatie;
- l. verkeersmanagementsysteem;
- m. verkeersmanagementsysteem koppeling verkeersbuis;
- n. hulpdienstpaneel;
- o. hulpposten;
- p. intercom;
- q. luchtkwaliteitmeters;
- r. noodbedieninginstallatie;
- s. noodtelefoon;
- t. omroepinstallatie verkeersbuis;
- u. overdrukvoorziening grensruimte, tenzij er geen grensruimte is;
- v. ventilatie;
- w. verkeerslichten;
- x. verlichting verkeersbuis;
- y. vloeistofafvoer;
- z. vloeistofpompinstallatie;
- aa. vluchtdeurindicatie;
- bb. veilige vluchtroute, bestaande uit:
- i. een middentunnelkanaal;
- ii. dwarsverbindingen met een verkeersvrij te maken verkeersbuis, of
- iii. een verkeersvrij te maken verkeersbuis.
Indien de veilige vluchtroute als bedoeld in het eerste lid onder bb, onder i, bestaat uit een middentunnelkanaal bevat de tunnel in aanvulling op het eerste lid de volgende uitrusting:
- a. verlichting veilige vluchtroute;
- b. omroepinstallatie veilige vluchtroute;
- c. rij van vluchtdeuren of in geval van een middentunnelkanaal zonder kopdeuren als vluchtuitgang: een rij van vergrendelbare vluchtdeuren;
- d. overdrukvoorziening veilige vluchtroute;
- e. kopdeur middentunnelkanaal, tenzij dit ontwerptechnisch niet mogelijk is; dan wordt de laatste deur van de rij van vergrendelbare vluchtdeuren tot vluchtuitgang bestemd, en
- f. dynamische vluchtroute-indicatie.
Indien de veilige vluchtroute als bedoeld in het eerste lid onder bb, onder ii, bestaat uit dwarsverbindingen met een verkeersvrij te maken verkeersbuis bevat de tunnel in aanvulling op het eerste lid de volgende uitrusting:
- a. verlichting veilige vluchtroute;
- b. omroepinstallatie veilige vluchtroute;
- c. rij van vergrendelbare vluchtdeuren,
- d. overdrukvoorziening veilige vluchtroute, en
- e. dynamische vluchtroute-indicatie.
Indien de veilige vluchtroute, bedoeld in het eerste lid onder bb, onder iii, bestaat uit een verkeersvrij te maken verkeersbuis bevat de tunnel in aanvulling op het eerste lid een rij van vergrendelbare vluchtdeuren.
Een tunnel langer dan 500 meter wordt uitgerust met de in het eerste lid en in het tweede, derde of vierde lid bedoelde onderdelen overeenkomstig bijlage 4 bij deze regeling.
Artikel 14
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag nadat zij in de Staatscourant is geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 6a
De instructies, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel f, onder ii, bevatten een beschrijving van de handelswijze bij incidenten en calamiteiten overeenkomstig de volgende processtappen:
- a. vaststellen van de aard van het voorval;
- b. bepalen van de afhandelingstrategie;
- c. instellen van initiële maatregelen;
- d. informeren en oproepen van hulpverleningsdiensten;
- e. instellen van additionele maatregelen;
- f. herstellen en normaliseren van de verkeerssituatie;
- g. loggen en registreren van het voorval en de afhandeling ervan.
Voor tunnels langer dan 500 meter die zijn uitgerust met een gestandaardiseerde uitrusting overeenkomstig artikel 13 bevatten de instructies een nadere uitwerking van de in bijlage 3 opgenomen uitgangspunten.
Artikel 6b
De analyse van scenario’s van ongevallen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet en in artikel 6, tweede lid, onderdeel e, van deze regeling, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage 2a bij deze regeling opgenomen Scenarioanalyse Ongevallen in Tunnels.
Artikel 13a
De gestandaardiseerde uitrusting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet bestaat voor een tunnel langer dan 250 meter en ten hoogste 500 meter uit:
- a. bluswatervoorziening;
- b. C2000;
- c. calamiteitendoorsteek;
- d. elektrische energiebron;
- e. hulpposten;
- f. noodtelefoon;
- g. overdrukvoorziening grensruimte, tenzij er geen grensruimte is;
- h. verlichting verkeersbuis;
- i. vloeistofafvoer;
- j. vloeistofpompinstallatie;
- k. vluchtdeurindicatie;
- l. veilige vluchtroute, bestaande uit een middentunnelkanaal met de volgende uitrusting:
- i. verlichting veilige vluchtroute;
- ii. rij van vluchtdeuren;
- iii. overdrukvoorziening veilige vluchtroute;
- iv. vluchtroute-indicatie;
- v. kopdeur middentunnelkanaal,
Indien de beheerder dit verkeerskundig noodzakelijk acht, beschikt de tunnel tevens over handmatig bedienbare afsluitbomen.
Een tunnel langer dan 250 meter en ten hoogste 500 meter wordt uitgerust met de in het eerste lid bedoelde onderdelen overeenkomstig de voorschriften van bijlage 4, paragrafen 1 tot en met 4, 16, 17, 19 tot en met 24, 29, 30, 32, 34 en 35 bij deze regeling.
Artikel 13b
Indien het een tunnel onder een waterweg betreft, beschikt de tunnel in aanvulling op de gestandaardiseerde uitrusting genoemd in artikel 13 of artikel 13a over hittewerende bekleding die de constructie twee uur bescherming biedt tegen brand conform de RWS-brandkromme als bedoeld in NEN-EN 1991-1-2.
Artikel 13c
Indien de doorrijhoogte van een tunnel langer dan 500 meter lager is dan 4,7 meter beschikt de tunnel in aanvulling op de gestandaardiseerde uitrusting genoemd in artikel 13 over de volgende uitrusting:
- a. Hoogtedetectie zoals weergegeven in bijlage 5 bij deze regeling, en
- b. Closed circuit television waarmee de situatie bij de hoogtedetectoren in beeld wordt gebracht.
Artikel 13d
Indien het in een tunnel langer dan 500 meter mogelijk is om de verkeersrichting in een tunnelbuis om te keren beschikt elke betreffende tunnelbuis in aanvulling op de gestandaardiseerde uitrusting genoemd in artikel 13 over de volgende uitrusting:
- a. aan beide zijden van de verkeersbuis wordt boven elke rijstrook en ruimtereserveringstrook hoogtedetectie toegepast indien het profiel van de vrije ruimte in de verkeersbuis lager is dan 4,70 meter;
- b. de verlichtingszones bedoeld in paragraaf 4 van bijlage 4 worden vanuit beide richtingen bezien;
- c. bijlage 4, paragraaf 11, geldt voor beide rijrichtingen;
- d. verkeerslichten aan beide zijden van de verkeersbuis;
- e. afsluitbomen aan beide zijden van de verkeersbuis;
- f. detectie van stilstaande voertuigen en spookrijders die in twee richtingen werkzaam is;
- g. bijlage 4, artikel 17.2, tweede lid, is niet van toepassing;
- h. de Closed circuit television-camera’s zijn 180 graden draaibaar, en
- i. verkeersmanagementsysteem wordt voor beide rijrichtingen uitgevoerd.
Indien de tunnelbeheerder dit verkeerskundig noodzakelijk acht, beschikt de tunnel bedoeld in het eerste lid tevens over een:
- a. verrijdbare bermbeveiliging overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 1, bij deze regeling, of
- b. beweegbare barrier overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 2, bij deze regeling.
Artikel 13e
Met de onderdelen van de gestandaardiseerde uitrusting als bedoeld in de artikelen 13, 13a, 13b, 13c, 13d en in de bijlagen 4, 5 en 6 bij deze regeling worden gelijkgesteld die goederen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie die partij is bij een tot een douane-uniestrekkende verdrag, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij een tot de vrijhandelszone strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de onderdelen van de gestandaardiseerde uitrusting wordt nagestreefd.
Artikel 13f
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels.
Bijlage 1. behorende bij artikel 4 van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Deze bijlage betreft de QRA tunnels en wordt niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.
Bijlage 2. behorende bij de artikelen 5 en 6 van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels en artikel 7.15, eerste lid, onder b, van de Omgevingsregeling
Deze bijlage betreft de leidraad veiligheidsdocumentatie en is niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.
Bijlage 2a. behorende bij artikel 6b van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Deze bijlage betreft de Scenarioanalyse en is niet in de Nederlandse Staatscourant geplaatst maar ter inzage gelegd in de bibliotheek van het ministerie van IenM en wordt ook per internet beschikbaar gesteld.
Bijlage 3. behorende bij artikel 6a van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Paragraaf 1. Uitgangspunten bij het instellen van initiële maatregelen
Paragraaf 1.1. Incidenten
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Indien een te hoog voertuig het advies om de tunnel te mijden negeert, wordt de betreffende verkeersbuis gesloten.
Paragraaf 1.2. Calamiteiten
Artikel 4
Artikel 5
Bij brand in de verkeerscentrale wordt indien dat mogelijk is voordat de verkeerscentrale wordt ontruimd een snelheidsmaatregel in en bij de tunnel getroffen. De tunneloperators gaan over tot lokale bediening vanuit de hen toegewezen lokale bedienpost bij de tunnel. Zolang de lokale bediening nog niet is geactiveerd, is er op de weg bij de tunnel toezicht van de weginspecteurs van de tunnelbeheerder.
Paragraaf 2. Uitgangspunten bij het informeren en oproepen
Artikel 6
Artikel 7
Vluchtdeuren van de incidentbuis of calamiteitenbuis naar het middentunnelkanaal blijven altijd ontgrendeld zodat personen zich altijd op eigen initiatief in veiligheid kunnen brengen via de vluchtroute.
Artikel 8
Artikel 9
Uitwisseling van informatie tussen de tunneloperator, de weginspecteur, de officier van dienst van de tunnelbeheerder en de gemeenschappelijke meldkamer van de hulpverleningsdiensten geschiedt met een gemeenschappelijk uitvraagprotocol met als onderdelen:
Paragraaf 3. Uitgangspunten bij het instellen van additionele maatregelen
Artikel 10
De weginspecteur, de officier van dienst van de tunnelbeheerder en de hulpverleningsdiensten benaderen incidenten in principe via de incidentbuis met de rijrichting mee. Bij gevaar voor mensen is de incidentbuis gesloten.
Artikel 11
Artikel 12
Paragraaf 4. Uitgangspunten Herstellen en normaliseren
Artikel 13
Het is de verantwoordelijkheid van de weginspecteur of de officier van dienst van de tunnelbeheerder om, na veiligstelling van alle bij het incident of de calamiteit betrokken personen en na toestemming van de bevelvoerder van de hulpverleningsdiensten indien aanwezig, zo snel mogelijk een rijstrook open te stellen voor doorstroming van het verkeer.
Artikel 14
Paragraaf 5. Uitgangspunten loggen en registreren
Artikel 15
Bijlage 4. behorende bij de artikelen 13, 13a, 13c en 13d van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Paragraaf 1. Definities
Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. Algemene eisen aan de gestandaardiseerde uitrusting
Artikel 2.1
De in artikel 13, 13a, 13c en 13d van de regeling genoemde uitrusting en de onderdelen daarvan:
Artikel 2.2
Zowel elk onderdeel van de gestandaardiseerde uitrusting als de gestandaardiseerde uitrusting als geheel voldoet aan de eisen aan elektromagnetische compatibiliteit overeenkomstig richtlijn 2004/108 en NEN-EN-IEC 61000, waarbij voor immuniteit en emissie het niveau van industriële omgevingen wordt toegepast.
Paragraaf 3. Hulppost verkeersbuis
Artikel 3.1
Artikel 3.2
Artikel 3.3
Hulpposten van het type 2 bevatten:
Artikel 3.5
Artikel 3.6
Artikel 3.7
Artikel 3.8
Het technisch deel van een hulppost van het type 1 bevat een voorziening die bij blussen met de slanghaspel een passend schuimvormend middel toevoegt aan het bluswater zodat plasbranden geblust kunnen worden.
Artikel 3.8
Artikel 3.10
De hulppost wordt ontgrendeld door de deurklink van de eerst openende deur te draaien of naar beneden te bewegen, de deur opent met de rijrichting mee.
Artikel 3.12
Artikel 3.13
Artikel 3.14
Artikel 3.15
Artikel 3.14
Artikel 3.16
Links naast de hulppost op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke hulppostcodering aangebracht met zwarte letters op een witte ondergrond en een letterhoogte van 100 millimeter.
Artikel 4.1
Artikel 4.2
Artikel 4.3
Artikel 4.2
Artikel 4.4
In een dagsituatie neemt het lichtniveau in de overgangszone gelijkmatig af, met de ontwerprijrichting mee, naar het lagere lichtniveau in de centrale zone van de verkeersbuis.
Artikel 4.5
Het lichtniveau in de centrale zone is voldoende om de voertuigen, het wegdek, de wanden van de verkeersbuis en het wegverloop te kunnen onderscheiden.
Artikel 4.6
Het lichtniveau in de uitgangszone neemt in een dagsituatie zodanig gelijkmatig toe met de ontwerprijrichting mee, dat de weggebruikers voldoende tijd hebben om te wennen aan de overgang van het lichtniveau in de centrale zone naar het hogere lichtniveau buiten de verkeersbuis.
Artikel 4.7
Het lichtniveau in de uitgangszone neemt in een dagsituatie zodanig gelijkmatig toe met de ontwerprijrichting mee, dat de weggebruikers voldoende tijd hebben om te wennen aan de overgang van het lichtniveau in de centrale zone naar het hogere lichtniveau buiten de verkeersbuis.
Artikel 4.7
Artikel 4.9
Artikel 4.9
De drempelwaardeverhoging van de verlichting is ten hoogste 15%.
Artikel 4.10
Verlichtingsarmaturen zijn zodanig geplaatst dat er geen flikkeringen optreden met:
Artikel 5.1
Paragraaf 5. Verkeerslicht verkeersbuis
Aan het samenstel van verkeerslichten gaat een waarschuwingsbord J32 als bedoeld in RVV 1990 vooraf.
Artikel 6.1
Paragraaf 6. Afsluitboom verkeersbuis
De afsluitboom detecteert of zich voertuigen onder de afsluitboom bevinden.
Artikel 6.2
De verkeersbuis beschikt over een mechanisch vergrendelde afsluitboomkast van waaruit de afsluitboom plaatselijk elektrisch bediend kan worden.
Artikel 7.1
Artikel 7.2
Paragraaf 8. Detectie snelheidsonderschrijdingen en spookrijders
Artikel 8.1
Paragraaf 8. Detectie snelheidsonderschrijdingen en spookrijders
Op elke rijstrook en ruimtereserveringsstrook worden snelheidsonderschrijdingen in de rijrichting en spookrijders gedetecteerd.
Artikel 8.2
De in artikel 8.1, eerste lid bedoelde detectie wordt uitgevoerd op de hoofdrijbaan ten minste vanaf de afsluitboom bij de toerit van de betreffende verkeersbuis tot ten minste 600 m voorbij de verkeersbuis, tenzij dit verkeerstechnisch niet inpasbaar is, dan tot ten minste die afstand die wel inpasbaar is.
Artikel 9.1
Paragraaf 10. Verkeersmanagementsysteem koppeling verkeersbuis
Artikel 10.1
Paragraaf 10. Verkeersmanagementsysteem koppeling verkeersbuis
Het is mogelijk om op alle rijstrookgebonden signaalgevers op de 4 signaleringsraaien bovenstrooms van elk verkeerslicht een vastgestelde snelheidsbeperking aan te vragen.
Artikel 11.1
Artikel 11.2
Artikel 11.1
De ventilatie wordt zodanig ontworpen dat de concentratie NO2 voor de ontworpen verkeerssamenstelling in de verkeersbuis niet hoger wordt dan 1 ppm.
Artikel 11.3
De kans op technisch falen van de ventilatie is kleiner dan 0,02 per keer dat de ventilatie wordt ingeschakeld.
Artikel 11.5
Artikel 11.4
Het gemiddelde geluidsdrukniveau bij inschakeling van de ventilatie bedraagt ten hoogste 87dB (A). Op geen enkele plaats in de verkeersbuis, gemeten op een hoogte van 1,60 meter boven het wegdek, is een geluidsdrukniveau van meer dan 90 db(A).
Paragraaf 12. Luchtkwaliteitmeter verkeersbuis
Artikel 12.1
Paragraaf 12. Luchtkwaliteitmeter verkeersbuis
In elke verkeersbuis wordt de waarde van de lichtreductiecoëfficient op 100 meter van het ingangsportaal en 100 meter van het uitgangsportaal en daartussen ten minste elke 250 meter bepaald.
Paragraaf 13. Closed circuit television (CCTV) verkeersbuis
Artikel 13.1
Artikel 13.2
Artikel 13.1
De camera's zijn bij afsluitbomen en calamiteitendoorsteken zo geplaatst dat in uitgangspositie gekeken wordt met zicht op de personen en voertuigen en de beweegbare toegang inclusief het intercomtoestel.
Artikel 13.3
Camerabeelden ten behoeve van het herkennen van personen in het tunneltracé, de stand van het verkeerslicht, de situatie bij hulpposten en vluchtdeuren, en het identificeren van voertuigen in het tunneltracé zijn op aanvraag beschikbaar voor de wegverkeersleider.
Artikel 14.1
Artikel 14.2
Artikel 14.3
Artikel 14.4
Paragraaf 15. Hoog frequent-installatie
Artikel 15.1
Paragraaf 16. Noodtelefoon verkeersbuis
Artikel 16.1
Paragraaf 16. Noodtelefoon verkeersbuis
Artikel 16.2
Paragraaf 17. Rij van vluchtdeuren
Artikel 17.1
In geval van een middentunnelkanaal met uitsluitend kopdeuren als vluchtuitgang is een verkeersbuis uitgerust met een rij van vluchtdeuren.
Artikel 17.2
Artikel 17.3
De vluchtdeuren weren in gesloten toestand de stroming van verontreinigde lucht naar de vluchtroute.
Artikel 17.4
De vluchtdeuren aan de zijde van de calamiteitenbuis worden met een neerwaarts bewegende handgreep geopend. De daartoe noodzakelijke kracht is ten hoogste 100N.
Artikel 17.5
De onderlinge afstand tussen naast elkaar gelegen vluchtdeuren is ten hoogste 100 meter, tenzij het vluchtdeuren naar dwarsverbindingen betreft, dan is de afstand ten hoogste 250 meter.
Artikel 17.6
De vrije doorgang van vluchtdeuren is ten minste 850 millimeter breed en 2.100 millimeter hoog.
Artikel 17.7
Vluchtdeuren die, vanuit naast elkaar gelegen verkeersbuizen, op één middentunnelkanaal uitkomen, zijn recht tegenover elkaar geplaatst.
Artikel 17.9
Artikel 17.9
De bovenzijde van elke handgreep is aan de verkeersbuiszijde van de vluchtdeur, op een hoogte tussen 0,7 en 1,0 meter boven onderkant van de dagmaat van het kozijn geplaatst.
Artikel 17.10
Vluchtdeuren zijn zelfsluitend. De benodigde tijd voor het zelf sluiten van een vluchtdeur is ten hoogste 15 seconden.
Artikel 17.12
Artikel 17.12
De vluchtdeuren worden aan de verkeersbuiszijde als volgt uitgevoerd:
Artikel 17.13
Inkassingen van vluchtdeuren aan de verkeersbuiszijde worden als volgt uitgevoerd:
Artikel 17.14
Aan de linkerzijde van de vluchtdeur aan de verkeersbuiszijde op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke deurnummering aangebracht. Hierbij worden zwarte letters op een witte ondergrond gebruikt met een letterhoogte van 100 millimeter.
Artikel 17.16
Paragraaf 18. Rij van vergrendelbare vluchtdeuren
Artikel 18.1
Artikel 18.2
Artikel 18.3
Elke vluchtdeur van een rij van vergrendelbare vluchtdeuren kan in vergrendelde toestand met een handgreep geopend worden door middel van een neerwaartse beweging van de handgreep. De daartoe noodzakelijke kracht bedraagt ten minste 390N en ten hoogste 510N.
Artikel 18.4
Bij uitval van energie of het besturingsysteem worden alle vergrendelbare vluchtdeuren automatisch ontgrendeld.
Paragraaf 19. Vluchtdeurindicatie
Bij uitval van energie of het besturingsysteem worden alle vergrendelbare vluchtdeuren automatisch ontgrendeld.
Artikel 19.2
Artikel 19.2
Artikel 19.3
De vluchtdeuren worden permanent aangestraald door de aanstraalverlichting welke wordt aangebracht als accentverlichting. De verlichtingssterkte, gemeten ter plaatse van elk van de afbeeldingen met een vluchtend persoon is ten minste 200 lux en ten hoogste 400 lux.
Artikel 19.4
De vluchtdeuren worden permanent aangestraald door de aanstraalverlichting welke wordt aangebracht als accentverlichting. De verlichtingssterkte, gemeten ter plaatse van elk van de afbeeldingen met een vluchtend persoon is ten minste 200 lux en ten hoogste 400 lux.
Artikel 19.5
Artikel 19.6
Artikel 19.6
Op het wegdek, aan weerszijden van de rijbaan ter plaatse van elke vluchtdeur, vanaf de kantstreep tot 150 millimeter voor de barrier, is een witte pijl aangebracht volgens onderstaande figuur wijzend in de richting van de vluchtdeur:
Artikel 19.7
Een tunnel heeft vluchtdeuraanduidingen volgens bord L19 uit het RVV 1990 die:
Artikel 20.1
Artikel 20.2
Artikel 20.3
Paragraaf 21. Kopdeur Middentunnelkanaal
Artikel 21.1
Artikel 21.1
Een kopdeur biedt bij evacuatie een veilige uitgang uit het middentunnelkanaal.
Artikel 21.3
Paragraaf 22. Vluchtroute-indicatie
Artikel 22.1
Artikel 22.2
Artikel 22.3
Artikel 22.3
De statische vluchtroute indicatie in het middentunnelkanaal wordt als volgt uitgevoerd:
Artikel 22.4
Indien borden zich binnen het profiel van de vrije ruimte in de veilige vluchtroute bevinden zijn deze flexibel opgehangen.
Artikel 23.1
Artikel 23.1
De verlichting van het middentunnelkanaal is tijdens een calamiteit ingeschakeld en heeft:
Artikel 23.2
Indien de no break voorziening zorgt voor de elektrische voeding, heeft de verlichting:
Artikel 24.1
Artikel 24.2
Artikel 24.2
Artikel 24.3
Artikel 24.4
De door de overdruk optredende luchtsnelheden, in het middentunnelkanaal en door de geopende vluchtdeuren, zijn zodanig dat vluchten nog mogelijk is.
Paragraaf 25. Omroepinstallatie veilige vluchtroute
Artikel 25.1
Artikel 25.2
Artikel 25.3
Paragraaf 26. Bediening
Artikel 26.1
De bediening van een tunnel bestaat uit:
Artikel 26.2
Paragraaf 27. Noodbediening
Artikel 27.1
Artikel 27.2
Paragraaf 28. Eventrecorder
Artikel 28.1
Artikel 28.2
De eventrecorder slaat de gegevens van gebeurtenissen gedurende ten minste twaalf weken op.
Paragraaf 29. Bluswatervoorziening
Artikel 29.1
Artikel 29.2
Artikel 29.3
Paragraaf 30. C2000
Artikel 30.1
De tunnel levert binnen de verkeersbuizen en veilige vluchtroutes binnenhuisdekking van het C2000 verbindingsnetwerk.
Paragraaf 31. Intercom
Artikel 31.1
Artikel 31.2
Een intercomtoestel voor afsluitbomen en calamiteitendoorsteken is geplaatst in een eigen kast in gele kleur met daarop aangebracht een pictogram zoals in onderstaande figuur weergegeven:
Paragraaf 32. Calamiteitendoorsteek
Artikel 32.1
Artikel 32.2
Personen die zich in de nabijheid van een bewegende calamiteitendoorsteek bevinden worden er automatisch auditief en visueel op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.
Paragraaf 33. Beeldvoorziening meldkamer
Artikel 33.1
De beeldvoorziening meldkamer zorgt er voor dat in de meldkamer het detailbeeld dat door het camerasysteem wordt getoond aan de wegverkeersleider, kan worden weergegeven.
Artikel 33.2
Paragraaf 34. Energievoorziening
Artikel 34.1
Artikel 34.2
Artikel 34.3
Paragraaf 35. Vloeistofafvoer,vloeistofpompinstallatie en overdrukvoorziening grensruimte
Artikel 35.1
De vloeistofafvoer bestaat uit:
Artikel 35.2
Vloeistofkelders kunnen zijn uitgevoerd als een hoofdkelder of als een middenkelder waarbij geldt dat er ten minste één hoofdkelder aanwezig is.
Artikel 35.3
Artikel 35.4
Artikel 35.5
Artikel 35.6
Artikel 35.7
Artikel 35.8
Artikel 35.9
Artikel 35.10
De rioolbuizen en de vloeistofkelders zijn gasdicht van elkaar gescheiden met een waterslot.
Artikel 35.11
Artikel 35.12
Artikel 35.13
Bij iedere vloeistofbassin is er een koppelpunt waarmee de afvoer van vloeistof door een tankwagen mogelijk is totdat het droogloopniveau is bereikt.
Artikel 35.14
In een middentunnelkanaal is er een voorziening voor afvoeren van vrijkomend lekwater, als het ontbreken van die voorziening er toe zou leiden dat er een waterplas kan ontstaan in een diep punt of het diepste punt van het middentunnelkanaal.
Artikel 35.15
Artikel 35.16
Indien sprake is van meerdere hoofdkelders, heeft de middenkelder zowel een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van oplopende hectometrering als een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van aflopende hectometrering. Bij een calamiteit wordt de afvoerleiding naar één te kiezen hoofdkelder afgesloten.
Artikel 35.17
De benodigde pompcapaciteit voorkomt, in samenhang met de bergingscapaciteit van de vloeistofkelders en de gebruikte regeling van de pompen, dat de vloeistofkelders overstromen in het geval dat er een maatgevende regenbui plaatsvindt, met een overschrijdingsfrequentie van één keer per 250 jaar conform het diagram ‘Extreme neerslagcurves voor de 21ste eeuw’:
Artikel 35.18
De pompcapaciteit is per vloeistofkelder minimaal 2m3 per minuut.
Artikel 35.19
Artikel 35.20
De te realiseren overdruk in de grensruimtes is indien de overdrukvoorziening aan staat ten minste 10Pa hoger dan de luchtdruk in de verkeersbuizen, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de overdruk in de verkeersbuizen, ten opzichte van de buitenlucht, niet hoger wordt dan 50Pa.
Bijlage 5. behorende bij artikel 13c, onderdeel a, van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Artikel 1
Bijlage 6. behorende bij artikel 13d, tweede lid, van deze regeling
Paragraaf 1. Verrijdbare bermbeveiliging
Artikel 1.1
Artikel 1.2
Artikel 1.3
Daar waar delen van de verrijdbare bermbeveiliging op de rijbaan komen is de zijde die in de richting van het verkeer is gekeerd, voorzien van een aanrijdbuffer.
Artikel 1.4
Personen die zich in de nabijheid van de verrijdbare bermbeveiliging bevinden worden bij een in beweging zijnde installatie auditief attent op gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.
Artikel 1.5
De verrijdbare bermbeveiliging is in gesloten stand buiten de bergingszone geplaatst.
Artikel 1.6
De plaatselijke bediening geschiedt vanaf een bedienlocatie waarvandaan de bedienaar direct zicht heeft op de betreffende verrijdbare bermbeveiliging en de toe- en afleidende wegvakken.
Artikel 1.7
Artikel 1.8
Vervallen.
Paragraaf 2. Beweegbare barrier
Artikel 2.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder Tidal flow verkeer: In een wisselbuis de mogelijkheid om het verkeer afhankelijk van het verkeersaanbod de ene of de andere kant op te laten rijden.
Artikel 2.2
Artikel 2.3
Het van rijbaan wisselen van verkeer is ter plaatste van de beweegbare barrier mogelijk met een snelheid van 100 km/u.
Artikel 2.4
De beweegbare barrier is binnen tien minuten, na het commando daartoe, gesloten.
Artikel 2.5
Personen die zich in de nabijheid van de beweegbare barrier worden bij een in beweging zijnde installatie er automatisch auditief op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een constructie bevinden die automatisch kan bewegen.
Artikel 2.6
De beweegbare barrier is in open stand buiten de bergingszone geplaatst.
Artikel 2.7
De beweegbare barrier heeft op het uiteinde een amberkleurige lamp, die bij gesloten stand van de barrier continu brandt.
Artikel 2.8
Vervallen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De drempelwaardeverhoging van de verlichting is ten hoogste 15%.
Artikel 4.10
Verlichtingsarmaturen zijn zodanig geplaatst dat er geen flikkeringen optreden met:
Paragraaf 5. Verkeerslicht verkeersbuis
Verlichtingsarmaturen zijn zodanig geplaatst dat er geen flikkeringen optreden met:
Paragraaf 6. Afsluitboom verkeersbuis
Aan het samenstel van verkeerslichten gaat een waarschuwingsbord J32 als bedoeld in RVV 1990 vooraf.
Artikel 6.2
De verkeersbuis beschikt over een mechanisch vergrendelde afsluitboomkast van waaruit de afsluitboom plaatselijk elektrisch bediend kan worden.
Paragraaf 7. Hulpdienstpaneel verkeersbuis
De verkeersbuis beschikt over een mechanisch vergrendelde afsluitboomkast van waaruit de afsluitboom plaatselijk elektrisch bediend kan worden.
Artikel 8.2
De in artikel 8.1, eerste lid bedoelde detectie wordt uitgevoerd ten minste vanaf de afsluitboom bij de toerit van de betreffende verkeersbuis tot ten minste 600 m voorbij de verkeersbuis, tenzij dit verkeerstechnisch niet inpasbaar is, dan tot ten minste die afstand die wel inpasbaar is.
Paragraaf 9. Verkeersmanagementsysteem
De in artikel 8.1, eerste lid bedoelde detectie wordt uitgevoerd ten minste vanaf de afsluitboom bij de toerit van de betreffende verkeersbuis tot ten minste 600 m voorbij de verkeersbuis, tenzij dit verkeerstechnisch niet inpasbaar is, dan tot ten minste die afstand die wel inpasbaar is.
Paragraaf 11. Ventilatie verkeersbuis
Het is mogelijk om een vastgestelde snelheidsbeperking aan te vragen op alle rijstrookgebonden signaalgevers op de 3 signaleringsraaien voor de verkeerslichten en op de rijstrookgebonden signaalgevers op de signaleringsraai met de verkeerslichten.
Artikel 11.3
De kans op technisch falen van de ventilatie is kleiner dan 0,02 per keer dat de ventilatie wordt ingeschakeld.
Artikel 11.4
De kans op technisch falen van de ventilatie is kleiner dan 0,02 per keer dat de ventilatie wordt ingeschakeld.
Artikel 11.6
Het gemiddelde geluidsdrukniveau bij inschakeling van de ventilatie bedraagt ten hoogste 87dB (A). Op geen enkele plaats in de verkeersbuis, gemeten op een hoogte van 1,60 meter boven het wegdek, is een geluidsdrukniveau van meer dan 90 db(A).
Artikel 12.2
In elke verkeersbuis wordt de waarde van de lichtreductiecoëfficient op 100 meter van het ingangsportaal en 100 meter van het uitgangsportaal en daartussen ten minste elke 250 meter bepaald.
Artikel 13.3
Camerabeelden ten behoeve van het herkennen van personen in het tunneltracé, de stand van het verkeerslicht, de situatie bij hulpposten en vluchtdeuren, en het identificeren van voertuigen in het tunneltracé zijn op aanvraag beschikbaar voor de wegverkeersleider.
Paragraaf 14. Omroep verkeersbuis
Camerabeelden ten behoeve van het herkennen van personen in het tunneltracé, de stand van het verkeerslicht, de situatie bij hulpposten en vluchtdeuren, en het identificeren van voertuigen in het tunneltracé zijn op aanvraag beschikbaar voor de wegverkeersleider.
Artikel 17.1
In geval van een middentunnelkanaal met uitsluitend kopdeuren als vluchtuitgang is een verkeersbuis uitgerust met een rij van vluchtdeuren.
Artikel 17.3
De vluchtdeuren weren in gesloten toestand de stroming van verontreinigde lucht naar de vluchtroute.
Artikel 17.4
De vluchtdeuren aan de zijde van de calamiteitenbuis worden met een neerwaarts bewegende handgreep geopend. De daartoe noodzakelijke kracht is ten hoogste 100N.
Artikel 17.6
Artikel 18.3
Elke vluchtdeur van een rij van vergrendelbare vluchtdeuren kan in vergrendelde toestand met een handgreep geopend worden, door middel van een neerwaartse beweging van de handgreep. De daartoe noodzakelijke kracht bedraagt ten minste 390N en ten hoogste 410N.
Artikel 18.4
Bij uitval van energie of het besturingsysteem worden alle vergrendelbare vluchtdeuren automatisch ontgrendeld.
Artikel 19.1
Contourverlichting wordt aangebracht boven de voertuigkerende barrier rondom vluchtdeuren door middel van groene LED-verlichting, die:
Artikel 19.3
De vluchtdeuren worden permanent aangestraald door de aanstraalverlichting welke wordt aangebracht als accentverlichting. De verlichtingssterkte, gemeten ter plaatse van elk van de afbeeldingen met een vluchtend persoon is ten minste 200 lux en ten hoogste 400 lux.
Artikel 19.5
Vervallen.
Vervallen.
Artikel 24.4
De door de overdruk optredende luchtsnelheden, in het middentunnelkanaal en door de geopende vluchtdeuren, zijn zodanig dat vluchten nog mogelijk is.
Artikel 26.1
De bediening van een tunnel bestaat uit:
Artikel 28.2
De eventrecorder slaat de gegevens van gebeurtenissen gedurende ten minste twaalf weken op.
Artikel 30.1
De tunnel levert binnen de verkeersbuizen en veilige vluchtroutes binnenhuisdekking van het C2000 verbindingsnetwerk.
Artikel 31.2
Een intercomtoestel voor afsluitbomen en calamiteitendoorsteken is geplaatst in een eigen kast in gele kleur met daarop aangebracht een pictogram zoals in onderstaande figuur weergegeven:
Artikel 32.2
Personen die zich in de nabijheid van een bewegende calamiteitendoorsteek bevinden worden er automatisch auditief en visueel op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.
Artikel 33.1
De beeldvoorziening meldkamer zorgt er voor dat in de meldkamer het detailbeeld dat door het camerasysteem wordt getoond aan de wegverkeersleider, kan worden weergegeven.
Artikel 35.1
De vloeistofafvoer bestaat uit:
Artikel 35.2
Vloeistofkelders kunnen zijn uitgevoerd als een hoofdkelder of als een middenkelder waarbij geldt dat er ten minste één hoofdkelder aanwezig is.
Artikel 35.10
De rioolbuizen en de vloeistofkelders zijn gasdicht van elkaar gescheiden met een waterslot.
Artikel 35.13
Bij iedere vloeistofbassin is er een koppelpunt waarmee de afvoer van vloeistof door een tankwagen mogelijk is totdat het droogloopniveau is bereikt.
Artikel 35.14
In een middentunnelkanaal is er een voorziening voor afvoeren van vrijkomend lekwater, als het ontbreken van die voorziening er toe zou leiden dat er een waterplas kan ontstaan in een diep punt of het diepste punt van het middentunnelkanaal.
Artikel 35.16
Indien sprake is van meerdere hoofdkelders, heeft de middenkelder zowel een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van oplopende hectometrering als een afvoerleiding naar één hoofdkelder in de richting van aflopende hectometrering. Bij een calamiteit wordt de afvoerleiding naar één te kiezen hoofdkelder afgesloten.
Artikel 35.17
De benodigde pompcapaciteit voorkomt, in samenhang met de bergingscapaciteit van de vloeistofkelders en de gebruikte regeling van de pompen, dat de vloeistofkelders overstromen in het geval dat er een maatgevende regenbui plaatsvindt, met een overschrijdingsfrequentie van één keer per 250 jaar conform het diagram ‘Extreme neerslagcurves voor de 21ste eeuw’:
Artikel 35.18
De pompcapaciteit is per vloeistofkelder minimaal 2m3 per minuut.
Artikel 35.20
De te realiseren overdruk in de grensruimtes is indien de overdrukvoorziening aan staat ten minste 10Pa hoger dan de luchtdruk in de verkeersbuizen, waarbij als uitgangspunt wordt genomen dat de overdruk in de verkeersbuizen, ten opzichte van de buitenlucht, niet hoger wordt dan 50Pa.
Bijlage 5. behorende bij artikel 13c, onderdeel a, van de Regeling aanvullende regels veiligheid wegtunnels
Artikel 1
Bijlage 6. behorende bij artikel 13d, tweede lid, van deze regeling
Artikel 1.3
Daar waar delen van de verrijdbare bermbeveiliging op de rijbaan komen is de zijde die in de richting van het verkeer is gekeerd, voorzien van een aanrijdbuffer.
Artikel 1.4
Personen die zich in de nabijheid van de verrijdbare bermbeveiliging bevinden worden bij een in beweging zijnde installatie auditief attent op gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een automatisch bewegende constructie bevinden.
Artikel 1.5
De verrijdbare bermbeveiliging is in gesloten stand buiten de bergingszone geplaatst.
Artikel 1.6
De plaatselijke bediening geschiedt vanaf een bedienlocatie waarvandaan de bedienaar direct zicht heeft op de betreffende verrijdbare bermbeveiliging en de toe- en afleidende wegvakken.
Artikel 1.8
Vervallen.
Artikel 2.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder Tidal flow verkeer: In een wisselbuis de mogelijkheid om het verkeer afhankelijk van het verkeersaanbod de ene of de andere kant op te laten rijden.
Artikel 2.3
Het van rijbaan wisselen van verkeer is ter plaatste van de beweegbare barrier mogelijk met een snelheid van 100 km/u.
Artikel 2.4
De beweegbare barrier is binnen tien minuten, na het commando daartoe, gesloten.
Artikel 2.5
Personen die zich in de nabijheid van de beweegbare barrier worden bij een in beweging zijnde installatie er automatisch auditief op attent gemaakt dat zij zich in de nabijheid van een constructie bevinden die automatisch kan bewegen.
Artikel 2.6
De beweegbare barrier is in open stand buiten de bergingszone geplaatst.
Artikel 2.7
De beweegbare barrier heeft op het uiteinde een amberkleurige lamp, die bij gesloten stand van de barrier continu brandt.
Artikel 2.8
Vervallen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.4
Artikel 3.9
De hulppost wordt ontgrendeld door de deurklink van de eerst openende deur te draaien of naar beneden te bewegen, de deur opent met de rijrichting mee.
Artikel 3.11
Links naast de hulppost op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke hulppostcodering aangebracht met zwarte letters op een witte ondergrond en een letterhoogte van 100 millimeter.
Paragraaf 4. Verlichting verkeersbuis
In een dagsituatie is het lichtniveau in het eerste deel van de drempelzone zodanig ingesteld dat er voor de weggebruikers voldoende contrast waarneembaar is tussen voertuigen en wegdek. Het lichtniveau in het tweede deel van de drempelzone neemt gelijkmatig af naar 40% van het lichtniveau in het eerste deel van de drempelzone.
Artikel 4.8
Vervallen.
Aan het samenstel van verkeerslichten gaat een waarschuwingsbord J32 als bedoeld in RVV 1990 vooraf.
De afsluitboom detecteert of zich voertuigen onder de afsluitboom bevinden.
Op elke rijstrook en ruimtereserveringsstrook worden snelheidsonderschrijdingen in de rijrichting en spookrijders gedetecteerd.
Het is mogelijk om een vastgestelde snelheidsbeperking aan te vragen op alle rijstrookgebonden signaalgevers op de 3 signaleringsraaien voor de verkeerslichten en op de rijstrookgebonden signaalgevers op de signaleringsraai met de verkeerslichten.
De ventilatie wordt zodanig ontworpen dat de concentratie NO2 voor de ontworpen verkeerssamenstelling in de verkeersbuis niet hoger wordt dan 1 ppm.
Het gemiddelde geluidsdrukniveau bij inschakeling van de ventilatie bedraagt ten hoogste 87dB (A). Op geen enkele plaats in de verkeersbuis, gemeten op een hoogte van 1,60 meter boven het wegdek, is een geluidsdrukniveau van meer dan 90 db(A).
In elke verkeersbuis wordt de waarde van de lichtreductiecoëfficient op 100 meter van het ingangsportaal en 100 meter van het uitgangsportaal en daartussen ten minste elke 250 meter bepaald.
De camera's zijn bij afsluitbomen en calamiteitendoorsteken zo geplaatst dat in uitgangspositie gekeken wordt met zicht op de personen en voertuigen en de beweegbare toegang inclusief het intercomtoestel.
De noodtelefoon in de verkeersbuis in tunnels langer dan 500 meter realiseert een gelijktijdige spreek- en luisterverbinding met de actieve bediening indien de noodtelefoon in de gesprekstand staat.
De vrije doorgang van vluchtdeuren is ten minste 850 millimeter breed en 2.100 millimeter hoog.
Artikel 17.7
Vluchtdeuren die, vanuit naast elkaar gelegen verkeersbuizen, op één middentunnelkanaal uitkomen, zijn recht tegenover elkaar geplaatst.
Artikel 17.8
De bovenzijde van elke handgreep is aan de verkeersbuiszijde van de vluchtdeur op een hoogte tussen 0,9 en 1,2 meter boven de onderkant van de dagmaat van het kozijn geplaatst.
Artikel 17.10
Vluchtdeuren zijn zelfsluitend. De benodigde tijd voor het zelf sluiten van een vluchtdeur is ten hoogste 15 seconden.
Artikel 17.11
De vluchtdeuren worden aan de verkeersbuiszijde als volgt uitgevoerd:
Artikel 17.13
Inkassingen van vluchtdeuren aan de verkeersbuiszijde worden als volgt uitgevoerd:
Artikel 17.14
Aan de linkerzijde van de vluchtdeur aan de verkeersbuiszijde op een hoogte van 1.200 millimeter boven het wegdek is een vlakke deurnummering aangebracht. Hierbij worden zwarte letters op een witte ondergrond gebruikt met een letterhoogte van 100 millimeter.
Artikel 17.15
Contourverlichting wordt aangebracht boven de voertuigkerende barrier rondom vluchtdeuren door middel van groene LED-verlichting, die:
Vervallen.
Op het wegdek, aan weerszijden van de rijbaan ter plaatse van elke vluchtdeur, vanaf de kantstreep tot 150 millimeter voor de barrier, is een witte pijl aangebracht volgens onderstaande figuur wijzend in de richting van de vluchtdeur:
Artikel 19.7
Een tunnel heeft vluchtdeuraanduidingen volgens bord L19 uit het RVV 1990 die:
Paragraaf 20. Vluchtroute
Een kopdeur biedt bij evacuatie een veilige uitgang uit het middentunnelkanaal.
Artikel 21.2
De statische vluchtroute indicatie in het middentunnelkanaal wordt als volgt uitgevoerd:
Artikel 22.4
Indien borden zich binnen het profiel van de vrije ruimte in de veilige vluchtroute bevinden zijn deze flexibel opgehangen.
Paragraaf 23. Verlichting veilige vluchtroute
De verlichting van het middentunnelkanaal is tijdens een calamiteit ingeschakeld en heeft:
Artikel 23.2
Indien de no break voorziening zorgt voor de elektrische voeding, heeft de verlichting:
Paragraaf 24. Overdrukvoorziening middentunnelkanaal of dwarsverbinding.
Vervallen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)