Vrijstellingsregeling Wft
Gelet op de artikelen 2:59, eerste lid, 2:64, eerste lid, 2:74, 2:79, eerste lid, 2:85, eerste lid, 2:91, eerste lid, 2:95, eerste lid, 2:104, eerste lid, 3:3, 3:5, derde lid, 3:6, derde lid, 3:7, derde lid, 3:111, eerste lid, 4:3, derde lid, 4:7, 5:5, 5:68, tweede lid en 5:87 van de Wet op het financieel toezicht;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
§ 1.1. Definities
Artikel 1
In deze regeling wordt, voorzover niet anders is bepaald, verstaan onder:
- a. het besluit: het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;
- b. kredietbeheerder: een aanbieder in krediet of bemiddelaar in krediet die in het kader van de overdracht van vorderingen uit hoofde van overeenkomsten van krediet voor de verkrijgende onderneming de overeenkomsten van krediet beheert en uitvoert of assisteert bij het beheer en de uitvoering van de overeenkomsten van krediet;
- c. de wet: de Wet op het financieel toezicht;
- d. verordening Europese crowdfundingdienstverleners: Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (PbEU 2020, L 347).
Hoofdstuk 2. Vrijstelling van het Deel Markttoegang financiële ondernemingen
§ 2.0. Bedrijf van betaaldienstverlener
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:3d van de wet
Artikel 2
Van artikel 2:55, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
- a. aanbieders van beleggingsobjecten voorzover die beleggingsobjecten:
- 1°. aan minder dan honderd consumenten worden aangeboden;
- 2°. deel uitmaken van een serie van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 1, onderdeel bb, van het besluit die minder dan twintig beleggingsobjecten omvat;
- 3°. een waarde hebben die niet volgens de regels van artikel 110 van het besluit, indien dat van toepassing zou zijn, kan worden bepaald;
- 4°. worden aangeboden voor een nominaal bedrag per beleggingsobject van ten minste € 100 000; of
- 5°. cryptoactiva zijn als gedefinieerd in artikel 3, eerste lid, punt 5, van Verordening (EU) 2023/1114; en
- b. aanbieders van beleggingsobjecten voorzover zij financiële diensten verlenen aan:
- 1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- 2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- 3°. consumenten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
Indien een aanbieding niet uitsluitend aan gekwalificeerde beleggers wordt gedaan is het eerste lid, aanhef en onderdeel a, slechts van toepassing voor zover de aanbieder bij een aanbod van beleggingsobjecten als bedoeld in het eerste lid, en in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, vermeldt dat hij voor het aanbieden niet vergunningplichtig is ingevolge de wet en niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
§ 2.1. Aanbieden van beleggingsobjecten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de wet
Artikel 3
Van artikel 2:60, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld ondernemingen waaraan vorderingen uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet zijn overgedragen die zij niet zelf als wederpartij zijn aangegaan, indien het beheer en de uitvoering van die overeenkomsten krachtens overeenkomst geschiedt door een kredietbeheerder.
§ 2.2. Aanbieden van krediet
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:64, eerste lid, van de wet
Artikel 4
Vervallen
§ 2.4. Adviseren
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:79, eerste lid, van de wet
Artikel 5
Van artikel 2:75, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
- a. adviseurs voorzover zij adviseren over beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
- b. adviseurs voorzover zij adviseren over verzekeringen aan:
- 1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
- 2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
- 3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur verbonden zijn, deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
- c. vervallen;
- d. adviseurs voorzover zij tevens optreden als bemiddelaar ten aanzien van het aanbevolen financiële product en zij als bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel c;
- e. adviseurs in verzekeringen voorzover zij tevens optreden als bemiddelaar ten aanzien van de aanbevolen verzekering en zij als bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c;
- f. adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie van een consument, voorzover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, die consument adviseren en de door hen verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun hoofdberoepswerkzaamheid;
- g. de Staat der Nederlanden voorzover hij in het kader van publieksvoorlichting adviseert over zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering;
- h. gemeenten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel f, voorzover zij tevens adviseren over de verzekering waarin zij bemiddelen;
- i. adviseurs voor zover zij tevens optreden als bemiddelaar ten aanzien van het aanbevolen financiële product en zij als bemiddelaar zijn vrijgesteld ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel g; en
- j. adviseurs voorzover zij adviseren over andere financiële producten dan krediet aan:
- 1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- 2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- 3°. consumenten of, indien het advies over verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel f, is slechts van toepassing indien het adviseren slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de totale werkzaamheden van de adviseur en hij het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot het aanbevolen financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent, bemiddelt, optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing indien de desbetreffende adviseur in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject vermeldt dat hij voor het adviseren ten aanzien van het beleggingsobject niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing indien de in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, bedoelde andere onderneming volledig verantwoordelijk is voor het adviseren.
§ 2.0c. Bedrijf van wisselinstelling
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:54k, eerste lid, van de wet
Artikel 6
Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld:
- a. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
- b. bemiddelaars die bemiddelen in krediet, bedoeld in artikel 1:20 van de wet, voor zover de werkzaamheden slechts betrekking hebben op het aan een consument verlenen van kosteloos uitstel van betaling van een bestaande vordering tot betaling van een geldsom;
- c. bemiddelaars die bemiddelen in krediet anders dan als bedoeld in artikel 1:20 van de wet die geen kredietbeheerder zijn, voor zover de werkzaamheden slechts betrekking hebben op het incasseren van vorderingen of het verlenen van kosteloos uitstel van betaling van vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst inzake krediet;
- d. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in financiële producten ten aanzien waarvan het een andere onderneming waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden ingevolge de wet is toegestaan deze aan te bieden of daarin te bemiddelen;
- e. bemiddelaars in goederenkrediet dat niet dient ter verschaffing van het genot van beleggingsobjecten of financiële instrumenten aan een consument;
- f. bemiddelaars, met uitzondering van bemiddelaars in krediet, voorzover zij bemiddelen ten behoeve van:
- 1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- 2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- 3°. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden;
- g. gemeenten voorzover zij bemiddelen in zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van zorgverzekeringen tussen financiëledienstverleners en consumenten van wie het inkomen niet meer dan 130 procent van de relevante bijstandnorm als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet bedraagt;
- h. bemiddelaars die voor het verlenen van beleggingsdiensten een op grond van artikel 2:96 van de wet verleende vergunning hebben, voorzover zij niet bemiddelen in verzekeringen of hypothecair krediet;
- i. bemiddelaars die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid beschikken over gegevens betreffende de financiële situatie van de consument, voor zover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, deze gegevens op verzoek van de werkgever van de betreffende consument verstrekken aan de aanbieder.
- j. bewindvoerders als bedoeld in artikel 435, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover zij in de uitoefening van hun taak bemiddelen; en
- k. curatoren als bedoeld in artikel 383, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover zij in de uitoefening van hun taak bemiddelen.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing indien de desbetreffende bemiddelaar in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject vermeldt dat hij voor het aanbieden van het beleggingsobject niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is slechts van toepassing indien de desbetreffende andere onderneming volledig verantwoordelijk is voor het bemiddelen.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is slechts van toepassing indien de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak, of dan de periode van dienstverlening en de desbetreffende bemiddelaar in goederenkrediet:
- a. de consument niet adviseert over het financiële product waarin hij bemiddelt; en
- b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet en het goederenkrediet dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel het verlenen van een dienst.
Artikel 7
Van artikel 2:80, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld bemiddelaars in verzekeringen voorzover:
- a. hun werkzaamheden slechts betrekking hebben op het innen van premies;
- b. zij bemiddelen voor:
- 1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
- 2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
- 3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden, deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
- c. zij een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het bemiddelen in verzekeringen en de verzekering:
- 1°. een aanvulling is op de levering van een zaak of de verlening van een dienst door de desbetreffende bemiddelaar, en de verzekering het risico dekt van defect, verlies, of beschadiging van de geleverde zaak of het niet-gebruik van de verleende dienst; of
- 2°. het risico dekt van beschadiging of verlies van bagage of andere risico’s die verband houden met een bij die bemiddelaar geboekte reis; en het bedrag van de premie voor de verzekering niet hoger is dan € 600 pro rata per jaar, of, indien de verzekering een aanvulling is op een dienst en de duur van de dienst gelijk is aan of minder is dan drie maanden, het bedrag van de premie niet hoger is dan € 200 per persoon.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel c, is slechts van toepassing op een bemiddelaar indien de verzekeraar of bemiddelaar in verzekeringen waarvoor de bemiddelaar bemiddelt ervoor zorg draagt dat de bemiddelaar voldoet aan artikel 47, vierde en vijfde lid.
§ 2.0d. Bedrijf van kredietunie
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:54q van de wet
Artikel 8
Van artikel 2:86, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld herverzekeringsbemiddelaars voorzover zij financiële diensten verlenen aan cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
§ 2.0e. Bedrijf van kredietunie
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:54q van de wet
Artikel 9
Van artikel 2:92, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agenten voorzover zij verzekeringen sluiten met:
- a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten, waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
§ 2.1. Aanbieden van beleggingsobjecten
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, van de wet
Artikel 10
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen met zetel in Australië, de Verenigde Staten van Amerika of Zwitserland, die in Nederland uitsluitend beleggingsdiensten verlenen aan in aanmerking komende tegenpartijen of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling I, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening, voor zover op het verlenen van de desbetreffende beleggingsdiensten of het in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening toezicht wordt uitgeoefend door een toezichthoudende instantie in de staat van hun zetel en indien zij dit voorafgaand aan het verlenen van die beleggingsdiensten of beleggingsactiviteit in Nederland aan de Autoriteit Financiële Markten hebben aangetoond door middel van:
- a. een verklaring, afgegeven door de desbetreffende toezichthoudende instantie; of
- b. een schriftelijke verwijzing naar de website van de desbetreffende toezichthoudende instantie, indien de in de aanhef bedoelde informatie aldus kan worden verkregen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder toezichthoudende instantie mede verstaan een organisatie die geen toezichthoudende instantie is in de zin van artikel 1:1 van de wet en die als zelfregulerende organisatie, belast met toezicht op het verlenen van beleggingsdiensten is aangewezen of erkend door een toezichthoudende instantie.
Indien zij in de staat van hun zetel niet langer onder toezicht staan voor de beleggingsdienst die zij in Nederland verlenen, melden de beleggingsondernemingen, bedoeld in het eerste lid, dat onverwijld aan de Autoriteit Financiële Markten.
Het eerste lid is niet van toepassing op beleggingsondernemingen die op grond van artikel 47, derde lid, eerste en tweede volzin, van de verordening markten voor financiële instrumenten bevoegd zijn om vanuit een bijkantoor dat is gelegen in een andere lidstaat in Nederland de in het eerste lid bedoelde beleggingsdiensten te verlenen of in de uitoefening van hun beroep of bedrijf te handelen voor eigen rekening.
Beleggingsondernemingen als bedoeld in het eerste lid die op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan de inwerkingtreding van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn daarvan ook na dat tijdstip vrijgesteld, mits zij voor 1 januari 2019 aan de Autoriteit Financiële Markten op een door haar voorgeschreven wijze melden dat zij in Nederland geen beleggingsdiensten verlenen aan niet-professionele beleggers of professionele beleggers als bedoeld in bijlage II, afdeling II, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.
Artikel 11
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld:
- a. personen die beschikken over een vergunning of ontheffing als bedoeld in artikel 2:75 van de wet voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet;
- b. personen waaraan het ingevolge artikel 2:76, tweede en vijfde lid, van de wet is toegestaan om te adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voor zover de betrokken personen:
- a. in Nederland beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 van de wet, met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe;
- b. geen aan hun cliënten toebehorende gelden of effecten aanhouden;
- c. in Nederland orders doorgeven aan beleggingsinstellingen of icbe’s die in Nederland rechten van deelneming mogen aanbieden en aan banken en beleggingsondernemingen die in Nederland beleggingsdiensten mogen verlenen;
- d. beschikken over een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening; en
- e. de Autoriteit Financiële Markten in kennis hebben gesteld van hun voornemen om beleggingsdiensten als bedoeld in onderdeel a te verlenen.
Andere personen dan bedoeld in het eerste lid, indien zij voldoen aan het tweede lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen d, e, g, h, j tot en met m, van de wet. Het ingevolge de artikelen 4:11, tweede en derde lid, 4:15, eerste en tweede lid, en 4:83 van de wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4:75, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekering of de daarmee vergelijkbare voorziening de aansprakelijkheid wegens fouten, verzuimen of nalatigheden voortvloeiend uit de in dit artikel bedoelde beleggingsdiensten dekt en de dekking ten minste € 500.000 per schadegeval en ten minste € 750.000 per jaar voor alle schadegevallen gezamenlijk bedraagt;
Artikel 12
Van artikel 2:96, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld crowdfundingdienstverleners als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de verordening Europese crowdfundingdienstverleners voor zover zij ingevolge die verordening gerechtigd zijn crowdfundingdiensten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder ii, van de verordening Europese crowdfundingdienstverleners te verlenen.
Artikel 13
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld beleggingsondernemingen voorzover zij als particuliere participatiemaatschappijen beleggingsdiensten verlenen met betrekking tot aandelen in hun eigen geplaatste kapitaal.
Artikel 14
Van artikel 2:96 van de wet zijn vrijgesteld:
- a. beheerders van een individueel vermogen waarvan de aandelen uitsluitend kunnen worden gehouden door een kring van bloed- of aanverwanten voorzover zij individuele vermogens beheren van de tot die kring behorende personen; en
- b. beheerders van een individueel vermogen die een stichting zijn met als enig doel het beheren van individuele vermogens van een kring van bloed- of aanverwanten, voorzover zij individuele vermogens beheren van de tot die kring behorende personen.
Hoofdstuk 3. Vrijstelling van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen
§ 2.3. Aanbieden van rechten van deelneming
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:74 van de wet
Artikel 15
Nederlandse beheerders van beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 2:66a, eerste en tweede lid, van de wet zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van hetgeen in artikel 3:7, van de wet is bepaald.
Bewaarders van beleggingsinstellingen als bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet is bepaald voor zover zij belast zijn met de bewaring van de activa van die beleggingsinstellingen.
Artikel 16
Personen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 12 zijn tevens vrijgesteld van het ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, met uitzondering van de artikelen 3:5 en 3:7 van de wet.
Artikel 17
Vervallen
Artikel 18
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, en beleggingsondernemingen als bedoeld in de artikelen 11, 13 en 14 zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 3:5 en 3:7, van de wet is bepaald.
Beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzonderingen van de artikelen 3:5 en 3:7 van de wet.
Personen die ingevolge artikel 10b zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet, zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 3:5 en 3:7 van de wet.
§ 3.1. Beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bewaarders
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 19
Gerechtsdeurwaarders als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Gerechtsdeurwaarderswet zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voorzover zij de opvorderbare gelden aanhouden op een rekening als bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet.
Notarissen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het notarisambt zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voorzover zij de opvorderbare gelden aanhouden op een rekening als bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt.
Artikel 20
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld stichtingen die:
- a. als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van de opvorderbare gelden ten behoeve van de rechthebbenden of degenen die zullen blijken de rechthebbenden te zijn; en
- b. uitsluitend werkzaam zijn voor advocaten die niet zelf gerechtigd zijn tot de opvorderbare gelden, hetgeen uit een schriftelijke overeenkomst tussen de desbetreffende stichtingen en de betrokken advocaten blijkt.
Artikel 21
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld personen of vennootschappen die opvorderbare gelden aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben tegen uitgifte van waardepapieren aan toonder als onderdeel van een verkooptransactie in het groothandels-, industrieel of detailhandelsbedrijf, voorzover zij:
- a. per verkooptransactie voor een bedrag van ten hoogste een vierde van de verkoopprijs aan waardepapieren verkopen; en
- b. jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bij de Nederlandsche Bank indienen, waarbij wordt vermeld het totale bedrag aan:
- 1°. verkooptransacties; en
- 2°. uitgegeven waardepapieren.
Artikel 22
Betaaldienstverleners als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voor zover het opvorderbare gelden betreft die zijn of worden ontvangen van betaaldienstgebruikers in verband met het verlenen van betaaldiensten als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 23
Trustkantoren die werkzaam mogen zijn in Nederland op grond van artikel 2 van de Wet toezicht trustkantoren zijn vrijgesteld van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, voorzover:
- a. het aantrekken, ter beschikking hebben of ter beschikking krijgen van de opvorderbare gelden rechtstreeks voortvloeit uit administratieve activiteiten die worden verricht op grond van een overeenkomst tussen het trustkantoor en degene van wie de gelden worden aangetrokken, op basis waarvan het trustkantoor diensten als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, onder 2°, van de Wet toezicht trustkantoren verleent;
- b. zij de opvorderbare gelden tijdelijk beheren; en
- c. zij de opvorderbare gelden scheiden van de gelden van het trustkantoor door de opvorderbare gelden aan te houden op een afgescheiden rekening.
Artikel 25 van de Wet op het notarisambt is van overeenkomstige toepassing op de afgescheiden rekening, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
Artikel 24
Van artikel 3:5, eerste lid, van de wet, zijn vrijgesteld stichtingen:
- a. die uitsluitend werkzaam zijn voor trustkantoren die werkzaam mogen zijn in Nederland op grond van artikel 2 van de Wet toezicht trustkantoren;
- b. die als enige activiteit hebben het tijdelijke beheer van opvorderbare gelden van degene met wie een trustkantoor als bedoeld in onderdeel a een overeenkomst als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a is aangegaan, voorzover:
- 1°. de opvorderbare gelden uitsluitend worden aangetrokken, ter beschikking worden gehouden of ter beschikking worden verkregen door de stichting ter uitvoering van die overeenkomst en het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van de opvorderbare gelden rechtstreeks voortvloeit uit de administratieve activiteiten die op grond van die overeenkomst door het trustkantoor worden verricht; en
- 2°. de stichting de opvorderbare gelden alleen uitkeert, indien degene met wie het trustkantoor de overeenkomst is aangegaan hiertoe een opdracht aan het trustkantoor heeft gegeven; en
- c. waarvan het beleid wordt bepaald of mede bepaald door personen wier betrouwbaarheid ingevolge de wet of de Wet toezicht trustkantoren buiten twijfel staat.
De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voorzover de stichtingen, bedoeld in het eerste lid, zorg dragen voor een onvoorwaardelijke garantie voor alle verplichtingen ontstaan door het aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van de opvorderbare gelden, welke is afgegeven door het desbetreffende trustkantoor of een onderneming die deel uitmaakt van dezelfde groep als dit trustkantoor en dit trustkantoor onderscheidenlijk die onderneming een eigen vermogen heeft dat gedurende de gehele looptijd van de garantie positief is.
§ 2.6. Herverzekeringsbemiddelen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:91, eerste lid, van de wet
Artikel 25
Waarborg- en garantiefondsen zijn vrijgesteld van artikel 3:6, eerste lid, van de wet voor zover zij waarborgen of garanties aanbieden die ten gunste komen van:
- a. natuurlijke personen of vennootschappen die geen rechtspersoon zijn en per aangeboden waarborg of garantie een verplichting van minder dan 12.500 euro per begunstigde per potentieel schadegeval wordt aangegaan; of
- b. rechtspersonen.
Het eerste lid is niet van toepassing op waarborg- en garantiefondsen die hun werkzaamheden hebben aangevangen na 31 december 2015.
§ 2.7. Optreden als gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent
Vrijstelling als bedoeld in artikel 2:95, eerste lid, van de wet
Artikel 26
Financiëledienstverleners die in Nederland krediet mogen aanbieden, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, voorzover zij het woord ‘voorschotbank’ of een vertaling daarvan bezigen in hun naam of bij de uitoefening van hun bedrijf.
Artikel 27
Gemeentelijke kredietbanken die zijn opgericht met inachtneming van artikel 4:36 van de wet en ten aanzien waarvan artikel 4:37 van de wet is toegepast, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet.
Artikel 28
Beleggingsinstellingen en icbe’s die zijn opgericht door een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsinstellingen en icbe’s die een beheerder hebben die tot dezelfde groep behoort als een zodanige financiële onderneming en beleggingsinstellingen en icbe’s waarvan de deelnemingsrechten door tussenkomst van een zodanige financiële onderneming aan het publiek worden aangeboden, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, indien:
- a. zij een beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten zijn en de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef, of de beheerder, bedoeld in de aanhef, het dagelijks beleid van de beleggingsmaatschappij of maatschappij voor collectieve belegging in effecten bepaalt;
- b. zij een beleggingsinstelling of icbe zijn en de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef, of de beheerder, bedoeld in de aanhef, de beheerder van de beleggingsinstelling of icbe is;
- c. zij een beleggingsinstelling of icbe zijn waarvan de deelnemingsrechten door tussenkomst van de financiële onderneming, bedoeld in de aanhef, aan het publiek worden aangeboden en die financiële onderneming daartoe een overeenkomst heeft gesloten met de beleggingsinstelling of icbe, of met de beheerder van die beleggingsinstelling of icbe;
- d. zij de naam van de financiële onderneming in hun naam voeren; en
- e. uit hun naam duidelijk blijkt dat het om een beleggingsinstelling of icbe gaat.
Artikel 29
Vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, zijn:
- a. beleggersgiro’s die rekeningen beheren voor beleggingsinstellingen of icbe’s die ingevolge artikel 28 zijn vrijgesteld, welke beleggingsinstellingen of icbe’s door het openen van de rekening vorderingen hebben verkregen, luidende in effecten of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, door middel van welke rekening transacties in effecten of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe kunnen worden bewerkstelligd;
- b. beleggingsondernemingen die werkzaamheden verrichten, gericht op het aanbieden van de mogelijkheid om door het openen van een rekening vorderingen te verkrijgen, luidende in effecten of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, door middel van welke rekening transacties in effecten of rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe kunnen worden bewerkstelligd, welke werkzaamheden worden verricht voor beleggingsinstellingen of icbe’s die ingevolge artikel 28 zijn vrijgesteld; en
- c. door een bank ingevolge artikel 4:87, derde lid, van de wet opgerichte bewaarinstellingen of beleggersgiro’s die rekeningen in financiële instrumenten beheren waarmee transacties in financiële instrumenten kunnen worden bewerkstelligd ten behoeve van klanten van die bank.
De in artikel 28, onderdelen d en e, bedoelde voorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing op de vrijstelling in het eerste lid.
Artikel 30
Dochterondernemingen van een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, indien de verplichtingen van de dochterondernemingen worden gegarandeerd door die financiële onderneming.
Artikel 31
Personen of vennootschappen die bemiddelen of als tussenpersoon werkzaamheden verrichten als bedoeld in artikel 4:3, eerste lid, van de wet, ten behoeve van een financiële onderneming die in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, zijn vrijgesteld van artikel 3:7, eerste lid, van de wet, voorzover zij bij het bemiddelen of bij het verrichten van werkzaamheden als tussenpersoon gebruik maken van de naam van die financiële onderneming.
§ 3.4. Gebruik van het woord ‘bank’
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:7, derde lid, van de wet
Artikel 32
De banken die zijn aangesloten bij de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. zijn vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank op de naleving van hetgeen ingevolge de artikelen 3:10, 3:17, 3:17a, 3:18, 3:18a, 3:57, 3:62a, 3:62b, 3:63 en 3:159ai van de wet en de delen 2 tot en met 8 van de verordening kapitaalvereisten en hoofdstuk 2 van de securitisatieverordening is bepaald, voorzover de Coöperatieve Centrale Raiffeissen-Boerenleenbank B.A. en de aangesloten banken voldoen aan artikel 3:111, eerste lid, van de wet.
Hoofdstuk 3. Vrijstelling van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen
§ 3.1. Beheerders, beleggingsinstellingen, beleggingsondernemingen en bewaarders
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 33
Van artikel 4:3, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld degenen die werkzaamheden verrichten als bedoeld in dat lid, voorzover:
- a. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van stichtingen als bedoeld in artikel 20 of 24;
- b. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van personen of vennootschappen als bedoeld in artikel 21; of
- c. zij deze werkzaamheden verrichten ten behoeve van financiële ondernemingen die in Nederland het bedrijf van bank mogen uitoefenen.
Aan de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, worden de volgende voorschriften verbonden:
- a. de werkzaamheden vinden plaats op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de tussenpersoon en de financiële onderneming en van deze overeenkomst wordt mededeling gedaan aan de Autoriteit Financiële Markten;
- b. uit de administratie van de tussenpersoon blijkt dat de gelden op naam van de desbetreffende financiële onderneming zijn ontvangen; en
- c. de tussenpersoon geeft bij zijn werkzaamheden aan voor welke financiële onderneming hij de werkzaamheden verricht.
Van artikel 4:3, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld crowdfundingdienstverleners als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de verordening Europese crowdfundingdienstverleners die faciliteren bij het verstrekken van leningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, onder ii, van die verordening, indien de tegenwaarde van een crowdfundingaanbod als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de verordening Europese crowdfundingdienstverleners ten behoeve waarvan de crowdfundingdienstverlener een crowdfundingdienst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de verordening Europese crowdfundingdienstverleners verleent de in artikel 1, tweede lid, onderdeel c, van die verordening bedoelde grenswaarde niet overschrijdt.
§ 3.1a. Elektronischgeldinstellingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 34
Kredietunies zijn vrijgesteld van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen indien het bedrag aan aangetrokken opvorderbare gelden minder bedraagt dan € 10.000.000
Een kredietunie als bedoel in het eerste lid vermeldt op haar website, in reclame-uitingen en in documenten over de bedrijfsactiviteiten van de onderneming, dat de onderneming voor de uitoefening van haar activiteiten niet vergunningplichtig is ingevolge de wet en niet onder toezicht staat van de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten.
§ 3.1a. Elektronischgeldinstellingen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 35
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 10 zijn vrijgesteld van het ingevolge afdeling 4.2.1 en de artikelen 4:13, 4:14, 4:17, 4:26, 4:83, 4:84, 4:87, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet bepaalde.
Beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 10a, eerste lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge de hoofdstukken 4.2 en 4.3, met uitzondering van artikel 4:91n, van de wet.
Personen die ingevolge artikel 10b zijn vrijgesteld van artikel 2:96 van de wet, zijn tevens vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van artikel 4:3 van de wet.
Artikel 36
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 14 zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
Artikel 37
Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 13 zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van de artikelen 4:20, 4:22, 4:23, 4:24, 4:25, 4:88 en 4:89, van de wet bepaalde.
Artikel 38
Vervallen
§ 3.1b. Verzekeraars met beperkte risico-omvang
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 39
Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde voorzover zij financiële diensten, anders dan met betrekking tot krediet, verlenen aan:
- a. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- b. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- c. consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddeling betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
Artikel 40
Gemeentelijke kredietbanken ten aanzien waarvan artikel 4:37 van de wet is toegepast zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen, met uitzondering van artikel 4:20, van de wet bepaalde, voorzover zij financiële diensten verlenen met betrekking tot betaalrekeningen en de daaraan verbonden betaalfaciliteiten in het kader van het beheer van cliëntgelden als onderdeel van een integraal hulpverleningstraject.
Artikel 41
Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van artikel 4:9, tweede lid, van de wet voorzover zij financiële diensten verlenen met betrekking tot:
- a. betaalrekeningen en de daaraan verbonden betaalfaciliteiten;
- b. spaarrekeningen en de daaraan verbonden spaarfaciliteiten, tenzij het spaarrekeningen betreft waarvan de rentevergoeding is gekoppeld aan de koersontwikkeling van tot de handel op een markt in financiële instrumenten toegelaten financiële instrumenten.
Financiëledienstverleners zijn vrijgesteld van artikel 4:23, eerste en tweede lid, van de wet voorzover zij financiële diensten verlenen met betrekking tot financiële producten, met uitzondering van:
- a. complexe producten als bedoeld in artikel 1, van het besluit;
- b. spaarrekeningen en de daaraan verbonden spaarfaciliteiten, waarvan de rentevergoeding is gekoppeld aan de koersontwikkeling van tot de handel op een markt in financiële instrumenten toegelaten financiële instrumenten;
- c. financiële instrumenten;
- d. krediet waarvan de kredietsom meer dan € 1.000 bedraagt;
- e. hypothecair krediet;
- f. verzekeringen in verband met het geheel of gedeeltelijk wegvallen van het inkomen van een cliënt;
- g. combinaties van twee of meer van de financiële producten, bedoeld in de onderdelen a tot en met h van de definitie van financieel product in artikel 1:1 van de wet.
§ 3.1c. Kredietunies
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:3 van de wet
Artikel 42
Aanbieders van complexe producten als bedoeld in artikel 1 van het besluit zijn vrijgesteld van artikel 150 van het besluit, voorzover het complexe producten betreft waarvoor de consument eenmalig een premie betaalt of eenmalig een storting doet.
Artikel 43
Aanbieders van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
Aanbieders zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, voorzover zij financiële producten, met uitzondering van krediet, aanbieden aan:
- 1°. consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen;
- 2°. consumenten die werkzaam zijn bij of anderszins onder de verantwoordelijkheid vallen van andere rechtspersonen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden; of
- 3°. consumenten of, indien het aanbieden van verzekeringen betreft, cliënten waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden.
Aanbieders van krediet zijn vrijgesteld van artikel 4:9, tweede lid, van de wet voorzover dat betrekking heeft op personen als bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet die geen andere werkzaamheden met betrekking tot krediet verrichten dan het incasseren van vorderingen.
Ondernemingen waarop de vrijstelling bedoeld in artikel 3, van toepassing is, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
Personen waarop de vrijstelling, bedoeld in artikel 3c van toepassing is, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde.
Aanbieders van verzekeringen zijn vrijgesteld van artikel 4:9, tweede lid, van de wet, voorzover dat betrekking heeft op personen als bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, die geen andere werkzaamheden verrichten met betrekking tot verzekeringen dan schadebehandeling of het innen van premies.
Aanbieders van zorgverzekeringen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet zijn vrijgesteld van artikel 4:17, eerste lid, van de wet en de artikelen 57, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en 77, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het besluit.
Kredietkopers waarop de vrijstelling, bedoeld in artikel 3d, van toepassing is, zijn vrijgesteld van het bepaalde ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet, met uitzondering van de artikelen 4:81g, 4:81j, 4:81k, eerste lid, en 4:81m, tweede lid, van de wet.
Artikel 44
Ziektekostenverzekeraars als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet marktordening gezondheidszorg, zijn vrijgesteld van de artikelen 4:19, 4:20, eerste tot en met derde lid, en 4:22.
§ 3.3. Waarborg- en garantiefondsen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, van de wet
Artikel 45
Van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde zijn vrijgesteld:
- a. adviseurs voorzover zij adviseren over beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a;
- b. adviseurs voorzover zij adviseren over verzekeringen aan:
- 1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
- 2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
- 3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden, deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
- c. adviseurs in verzekeringen voorzover zij als bemiddelaar ten aanzien van de aanbevolen verzekering zijn vrijgesteld ingevolge artikel 47, eerste lid, aanhef en onderdeel d;
- d. de Staat der Nederlanden voorzover hij in het kader van publieksvoorlichting adviseert over zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering;
- e. adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie van consumenten, voorzover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, consumenten adviseren en de door hen verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun hoofdberoepswerkzaamheid;
- f. adviseurs voorzover zij adviseren over financiële instrumenten aan personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf en niet tevens beleggingsdiensten verlenen.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is slechts van toepassing indien het adviseren slechts een marginaal onderdeel uitmaakt van de totale werkzaamheden van de adviseur en hij het aanbevolen financiële product niet tevens aanbiedt of met betrekking tot het aanbevolen financiële product niet tevens een beleggingsdienst verleent, bemiddelt, optreedt als gevolmachtigde agent of optreedt als ondergevolmachtigde agent.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing voorzover de adviseurs in reclame-uitingen en andere onverplichte precontractuele informatie inzake het beleggingsobject vermelden dat zij voor het adviseren over het beleggingsobject niet onder toezicht staan van de Autoriteit Financiële Markten.
Artikel 46
Adviseurs in financiële instrumenten die tevens beleggingsdiensten verlenen zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, tweede lid, en 4:15, eerste en derde lid, van de wet.
Adviseurs in rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, tweede lid, 4:15, eerste lid, 4:17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 4:20 van de wet, voorzover zij adviseren over rechten van deelneming in henzelf onderscheidenlijk in door hen beheerde beleggingsinstellingen of icbe’s.
Adviseurs in financiële instrumenten als bedoeld in bijlage B bij de richtlijn beleggingsdiensten die tevens beheerders van icbe’s zijn, zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, tweede lid, 4:15, eerste lid, 4:17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en 4:20 van de wet.
Adviseurs in financiële instrumenten die niet tevens beleggingsdiensten verlenen zijn vrijgesteld van artikel 4:20 van de wet indien zij adviseren aan personen die handelen in de uitoefening van hun beroep of bedrijf.
§ 3.4. Gebruik van het woord ‘bank’
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:7, derde lid, van de wet
Artikel 47
Van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde zijn vrijgesteld:
- a. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a;
- b. bemiddelaars in krediet als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen b en c;
- c. bemiddelaars voorzover zij bemiddelen in verzekeringen aan:
- 1°. rechtspersonen waarin zij deelnemen;
- 2°. vennootschappen waarvan zij vennoot zijn; of
- 3°. rechtspersonen of vennootschappen waarin of waarvan andere rechtspersonen of vennootschappen waarmee zij in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden, deelnemen onderscheidenlijk vennoot zijn;
- d. bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel c;
- e. bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel a;
- f. gemeenten voorzover zij bemiddelen in zorgverzekeringen of ziektekostenverzekeringen ter aanvulling van een zorgverzekering tussen financiëledienstverleners en consumenten van wie het inkomen niet meer dan 130 procent van de relevante bijstandnorm als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Participatiewet bedraagt;
- g. gemeenten als bedoeld in onderdeel f voorzover zij adviseren over de verzekering waarin zij bemiddelen;
- h. bewindvoerders als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel j;
- i. curatoren als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is slechts van toepassing voorzover de desbetreffende bemiddelaar in reclame-uitingen en documenten waarin een aanbod van het beleggingsobject in het vooruitzicht wordt gesteld vermeldt dat hij voor het bemiddelen in het beleggingsobject niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.
Het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing ten aanzien van artikel 4:104 van de wet.
De vrijstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op de artikelen 4:19, tweede en derde lid, 4:20, eerste lid, 4:22a, 4:24a, 4:75a van de wet en de artikelen 28, 63a en 65b, tweede lid, van het besluit.
Een bemiddelaar in verzekeringen als bedoeld in artikel 7, aanhef en onderdeel c, verstrekt de cliënt voorafgaand aan de overeenkomst informatie over de identiteit en het adres van de verzekeraar of bemiddelaar in verzekeringen waarvoor de bemiddelaar bemiddelt en over de procedure om een klacht in te dienen.
Artikel 48
Bemiddelaars in verzekeringen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, zijn vrijgesteld van artikel 4:75, eerste lid, van de wet voorzover de andere onderneming volledig voor hen verantwoordelijk is als bedoeld in artikel 6, derde lid, en:
- a. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van bank heeft; of
- b. een financiële onderneming is die een door de Nederlandsche Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van verzekeraar heeft.
Artikel 49
Bemiddelaars in goederenkrediet als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde, met uitzondering van de artikelen 4:19, 4:20, eerste tot en met vijfde lid, 4:16, 4:22, 4:25, 4:28, 4:29, 4:74, 4:92, 4:96, eerste lid, 4:94, derde lid, en 4:99 van de wet.
Het eerste lid is slechts van toepassing voorzover het goederenkrediet betreft waarvan de looptijd niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak, of dan de periode van dienstverlening en indien het goederenkrediet dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel het verlenen van een dienst en de desbetreffende bemiddelaar in goederenkrediet:
- a. de consument niet adviseert over het goederenkrediet; en
- b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet.
Artikel 50
Bemiddelaars die voor het verlenen van beleggingsdiensten een op grond van artikel 2:96 van de wet verleende vergunning hebben zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, eerste lid, 4:10, eerste lid en 4:11, tweede en derde lid, van de wet voorzover zij bemiddelen in financiële producten, anders dan verzekeringen of hypothecair krediet.
Adviseurs, die tevens bemiddelaars zijn als bedoeld in het eerste lid, zijn vrijgesteld van de artikelen 4:9, eerste lid, 4:10, eerste lid, en 4:11, tweede en derde lid, van de wet, voorzover zij adviseren over de financiële producten waarin zij bemiddelen.
§ 3.3. Waarborg- en garantiefondsen
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:6, derde lid, van de wet
Artikel 51
Beleggingsondernemingen zijn vrijgesteld van de artikelen 85 en 86 van het besluit voorzover zij beleggingsdiensten verlenen aan professionele beleggers.
§ 3.4. Gebruik van het woord ‘bank’
Vrijstelling als bedoeld in artikel 3:7, derde lid, van de wet
Artikel 52
Herverzekeringsbemiddelaars zijn vrijgesteld van de artikelen 4:16, eerste lid, 4:17, eerste lid, en 4:99 van de wet en, indien ten minste een van de feitelijk leidinggevenden van de betreffende herverzekeringsbemiddelaar ten minste drie jaar relevante werkervaring heeft, van de artikelen 5 tot en met 7 van het besluit. Voorzover zij adviseren of bemiddelen zijn herverzekeringsbemiddelaars tevens vrijgesteld van artikel 4:72, onderscheidenlijk 4:73 van de wet.
Hoofdstuk 4. Vrijstelling van het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen
§ 3.5. Regime voor banken aangesloten bij een centrale kredietinstelling
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)