Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer vanaf 1945 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2006, arc-2006.03203/2);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Minister van Buitenlandse Zaken, en
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
vanaf 1945
Versie november 2006
1. Lijst van afkortingen
AID: Algemene Inspectiedienst
AmvB: Algemene maatregel van bestuur
art.: artikel
BZK: (ministerie van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
BSD: Basis selectie document
CAS: Centrale Archief Selectiedienst
CBNE: Commissie voor de Opvoeding tot de Natuurbeschermingsgedachte
CCD: Centrale Controle Dienst
CIM: Coördinatiecommissie Internationale Milieuvraagstukken
COCOS: Coördinatiecommissie Ontwikkelingssamenwerking
COCO-VNGO: Coördinatiecommissie Verenigde Naties en Geassocieerde Organisaties
CRM: (minister(ie) van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
EHS: Economische Hoofdstructuur
EZ: (ministerie van) Economische Zaken
IKC: Informatie- en Kennis Centrum Natuurbeheer, onderdeel van de Directie NBLF
ITBON: Stichting voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur
IUCN: International Union for the Conservation of Nature en Natural Resources
IVN: Instituut voor Natuurbeschermingseducatie
KB: Koninklijk Besluit
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
LASER: Landelijke service bij regelingen van het ministerie van LNV
LVV: 1946–1960 (ministerie van) Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening
LenV: 1960–1989 (ministerie van) Landbouw en Visserij
LNV: 1989–2003 (ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
2003– (ministerie van) Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
N: (directie) Natuurbeheer
NA: Nationaal Archief
NBOR: (hoofd)directie Natuurbescherming en Openluchtrecreatie
NWC: Natuurwetenschappelijke Commissie
NMF: (directie) Natuur, Milieu en Fauna
NSW: Natuurschoonwet
Ntbo: Niet-terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie
OCW: (minister(ie) van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (voorheen: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)
OKW: (minister(ie) van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
RAD: Rijksarchiefdienst
RIN: Rijksinstituut voor Natuurbeheer
RIO: Rapport institutioneel onderzoek
RIVN: Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud
RMNO: Raad voor Milieu- en Natuuronderzoek
RMC: Rijksmilieuhygiënische Commissie
RPC: Rijksplanologische Commissie
SBB: Staatsbosbeheer
SBL: Stichting Beheer Landbouwgronden
SGR: Structuurschets Groene Ruimte
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
SZV: (ministerie van) Sociale Zaken en Volksgezondheid
Tbo: terrein beherende natuurbeschermingsorganisatie
TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)
VenW: (ministerie van) Verkeer en Waterstaat
VB: Verordeningenblad voor het Nederlandsche bezette gebied
VCNP: Voorlopige Commissie Nationale Parken
VoMil: (minister(ie) van) Volksgezondheid en Milieuhygiëne
VROM: (minister(ie) van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS: (minister(ie) van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WVC: (ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
2. Verantwoording
2.1 Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de minister van OCW en staat onder leiding van de Algemene Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast, maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal in een vroegtijdig stadium te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur, vastgesteld door de minister van OCW en de minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
2.2 Doel en werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
*2.3 De definitie van het beleidsterrein*
Natuur- en landschapsbeheer houdt zich bezig met het beschermen, in standhouden en ontwikkelen van cultuur-historisch en anderszins waardevolle landschappen.
2.4 De afbakening van het beleidsterrein
Het beleidsterrein natuur (de duurzame instandhouding en herstel en ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijk waarden) is in het kader van PIVOT opgesplitst in een viertal deelbeleidsterreinen.
Dit BSD is gebaseerd op het RIO nr. 79, ‘Natuur- en landschapsbeheer en Relatienotabeleid’ en de selectielijst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor dit beleidsterrein. Deze lijst is in 2000 vastgesteld (Stcrt. 2000, 219) en in december 2005 geactualiseerd.
In het onderhavige BSD zijn de handelingen opgenomen van de actoren ‘de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1945–1965)’ en ‘de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk’ (1965–1983).
Hiernaast zijn er een aantal handelingen opgenomen voor een viertal commissies, die onder de archiefzorg vallen van respectievelijk het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu. Het ministerie van Buitenlandse Zaken bleek geen archief te hebben van de COCO-VNGO: deze handeling is daarom geschrapt.
Naast handelingen die deze actoren in de genoemde periode heeft uitgevoerd en die reeds in de selectielijst van LNV zijn benoemd, zijn er ter aanvulling een aantal algemene handelingen opgenomen. Het is gebruikelijk dat algemene handelingen in een BSD worden opgenomen, omdat ze op praktisch elk beleidsterrein voorkomen. Algemene handelingen voorkomen bovendien dat er archiefmateriaal gemist wordt. Abusievelijk zijn deze algemene handelingen in beginsel niet in het RIO opgenomen, deze omissie is nu hersteld. Het ministerie van LNV wil de algemene handelingen alsnog opnemen; uit praktisch oogpunt geven deskundigen van LNV er echter de voorkeur aan om alle handelingen over een beleidsterrein in eenzelfde BSD op te nemen. Daarom worden de algemene handelingen opgenomen bij een volgende actualisatie van het vastgestelde BSD Natuur- en Landschapsbeheer, waar de minister van LNV zorgdrager van is.
Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zijn er handelingen toegevoegd voor een aantal commissies en werkgroepen die ook werkzaam bleken te zijn op het beleidsterrein Natuur- en Landschapsbeheer en niet eerder zijn meegenomen: de Interdepartementale Commissie Nationale Parken en Nationale Landschapsparken (Commissie Verhoeve) (nr. 234); Stuurgroep Economische en Financiële Problematiek Particuliere Natuurschoonwet Landgoederen (Stuurgroep N.S.W.-Landgoederen) (nrs. 244 t/m 247); Commissie Aankoop en Beheer Particuliere Natuurgebieden (251); Stuurgroep Inrichting Grevelingenbekken (Stuurgroep Grevelingen) (nrs. 248, 249); Commissie Waterwildreservaten IJsselmeer (CWIJ) (233); en het Nationaal Agentschap van het Europees Informatiecentrum voor Natuurbescherming (235). De handelingen zijn toegevoegd aan het RIO. Het ministerie van LNV neemt ook deze handelingen op bij een volgende actualisatie van het vastgestelde BSD Natuur- en Landschapsbeheer.
Op verzoek van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu is de actor van de handeling van de Rijksplanologische Dienst gewijzigd in de Rijksplanologische Commissie (nrs. 67 en 111). Op verzoek van het Nationaal Archief en met instemming van het Ministerie van VWS is handeling 130 gesplitst in handelingen 130 en 250.
In het RIO en in deze selectielijst is er voor gekozen om niet alle handelingen op basis van de Natuurbeschermingswet hier op te nemen. Handelingen met betrekking tot de bescherming van inheemse planten en dieren (art. 22–25 en 33a) zijn opgenomen in het RIO en BSD op het terrein van flora- en faunabeheer.
2.5 Doelstellingen en taken van de overheid op beleidsterrein Natuur- en landschapsbeheer
De doelstellingen van het nationale natuurbeleid sinds 1945 kennen de volgende hoofdlijnen:
Natuur- en landschapsbeheer focust zich hierbinnen op het beschermen, in standhouden en ontwikkelen van cultuur-historische en anderszins waardevolle landschappen.
In de eerste naoorlogse jaren waren zowel verwerving en beheer van waardevolle gebieden als educatie belangrijke instrumenten voor natuurbehoud. Na verschillende initiatieven tot natuureducatie op lokaal niveau werd in 1960 het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN) opgericht. CRM gaf deze instelling subsidie voor diverse projecten. Veel provincies gaven bijdragen voor de provinciale consulenten voor natuur en milieueducatie.
In de jaren zestig brak het besef door dat natuur en landschap niet konden voortbestaan zonder goed beheer op basis van een beheersplan. Staatsbosbeheer stelde zich ten doel voor alle terreinen een beheersplan te maken, en de Vereniging voor Natuurmonumenten en de provinciale landschappen volgden dat voorbeeld en ontvingen daarvoor van CRM subsidie. Het ministerie van Landbouw en Visserij verleende boseigenaren vanaf 1967 een bosbijdrage.
Van groot belang voor het natuurbehoud was de totstandkoming van de Natuurbeschermingswet (Stb. 1967, 572), die in 1968 in werking trad als wettelijk kader voor de bescherming van zowel natuurgebieden als inheemse planten- en diersoorten. De al eerder bestaande aanwijzing van staatsnatuurmonumenten werd nu geformaliseerd en uitgebreid met de mogelijkheid om ook particuliere gebieden in samenspraak met de betrokken provincies en gemeenten aan te wijzen als beschermd natuurmonument. Tegelijk voorzag de wet in de totstandkoming van beheersplannen voor dergelijke particuliere gebieden.
Het nieuwe Rijksaankoopplan uit 1969 voorzag in de aanschaf van 110.000 hectare aan natuurgebied, die in twintig jaar gerealiseerd zou moeten worden: 70.000 ha. door SBB en gemeenten en 40.000 ha. door particuliere natuurbeheerorganisaties. De particuliere aankopen werden mogelijk gemaakt door het leningensysteem van CRM. Dit systeem met een looptijd van twintig jaar bestond uit een afspraak met het ministerie van Financiën over de lening van een jaarlijks bedrag van 20 miljoen gulden, waarbij Financiën de rente en aflossing beschikbaar stelde. De grondprijsstijgingen bleven beperkt door het grote aanbod van weinig rendabele marginale landbouwgronden, bos en natuurterrein, zeker in vergelijking met (landbouw)gronden die voor stedelijke doeleinden gebruikt werden. Dit was het gevolg van het in vergelijking met de ons omringende landen stringente planologische beleid.
Naarmate de bevolking en de welvaart na de wederopbouw groeiden ontstond er een toenemende druk op de natuur. Stadsuitbreiding, industrialisatie, wegenaanleg, productieverhoging in de landbouw, ruilverkaveling, grote waterstaatswerken en militaire oefenterreinen gingen ten koste van het landschapsschoon en verarmden de flora en fauna zienderogen. Hoewel milieubederf geleidelijk werd erkend als gevaar voor de natuur, lag het argument voor natuurbehoud voorlopig nog altijd bij de recreatie. In de jaren zeventig werd de vrees voor het voortbestaan van de mens een overwegend motief om natuur en milieu te beschermen. Markante aanleidingen daarvoor waren het in 1972 verschenen rapport van de Club van Rome en de in 1973 uitgebroken eerste oliecrisis. Het jaar 1970 was overigens uitgeroepen tot internationaal natuurbeschermingsjaar.
Vanwege de toegenomen complexiteit differentieerde de overheid het brede beleidsveld natuur en landschap in een reeks beleidscategorieën, die voor het eerst uitgewerkt werden in de Structuurvisie Natuur en Landschap 1977.
De tijdgeest van democratisering werd ook zichtbaar bij de natuurbescherming. Tijdens een vergadering van de Vereniging voor Natuurmonumenten in 1969 gaven jongeren aan te willen participeren in de natuurbeschermingsorganisaties. In deze periode ontstonden actiegroepen die zich onder andere verenigden in de stichting Natuur en Milieu. De stichting kreeg subsidie van CRM en de provinciale milieufederaties; op basis van de werkgelegenheidsplannen 1978–1982 werden de subsidies zelfs duurzaam.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.