Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
Laatst bijgewerkt 2026-04-25
State In force
Source BWB
artikelen 168
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Een leeftijdscohort heeft een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een leeftijdscohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren indien de uitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden.

6.

De vaststelling en toetsing van de risicohouding vindt plaats in vier fasen:

  • a. het risicopreferentie-onderzoek;
  • b. de weging van de informatie uit de bronnen risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten om tot vaststelling van de risicohouding te komen;
  • c. de vormgeving van het beleggingsbeleid of toedelingsregels op basis van de vastgestelde risicohouding door een ALM analyse; en
  • d. jaarlijkse toetsing op basis van een scenario-analyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels passend zijn bij de vastgestelde risicohouding en aanpassing van het beleggingsbeleid of de toedelingsregels indien dat niet het geval is.
Artikel 14u. Maatstaven risicohouding
1.

De vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort wordt vertaald naar de volgende maatstaven waarvoor gebruik wordt gemaakt van een scenario-analyse:

  • a. de risicomaatstaf: de maximaal aanvaardbare afwijking van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een pessimistisch scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario waarbij het in de opbouwfase gaat om een gewogen gemiddelde van alle ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase en in de uitkeringsfase om de afwijking van ouderdomspensioenuitkeringen van jaar op jaar;
  • b. de verwachtingsmaatstaf: de minimale verwachting voor de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario op basis van een hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid waarbij de verwachte uitkeringsstroom het inflatierisico door middel van reële obligaties afdekt binnen de uniforme scenariosets, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; en
  • c. de lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase: bij mechanismen die risico naar de toekomst verplaatsen, zoals een aangepast projectierendement of spreiding van schokken, de maximaal aanvaardbare afwijking van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een pessimistisch scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario, waarbij het in de teller en de noemer van de maatstaf gaat om een gewogen gemiddelde van alle resterende reële ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase.
2.

Voor zover fondsen een beëindigde uitkeringsovereenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel een beëindigde uitkeringsregeling, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die artikelen luidden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, of vastgestelde uitkeringen uitvoeren voldoet de risicohouding aan de prudent person regel en komt deze voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het fonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets en voor de korte termijn in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor.

3.

Onze Minister stelt regels voor de vaststelling van de maatstaven.

Artikel 14v. Risicopreferentie-onderzoek
1.

Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Hierbij zal tenminste de mate van relatieve risicoaversie van deze groep worden afgeleid uit het onderzoek. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep, op basis van onder meer deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitkomsten van het onderzoek zijn bruikbaar voor het vaststellen van de risicohouding op cohortniveau.

2.

Het risicopreferentie-onderzoek sluit aan bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en geeft in de uitvraag een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachte pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering. Hiervoor wordt een realistische inschatting van de hoogte van de pensioenpremie gebruikt.

3.

De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De grootte van ieder cohort moet onderbouwd worden op grond van de uitkomsten van het onderzoek.

4.

De uitvoerder streeft ernaar dat de respons per cohort een adequate weerspiegeling is van de cohortpopulatie. De cohortpopulaties samen zijn een weerspiegeling van de deelnemerspopulatie. De uitvoerder onderbouwt dat sprake is van een adequate weerspiegeling en dat de vertaling van individuele uitkomsten naar cohortniveau zo representatief als mogelijk zijn.

5.

Het risicopreferentie-onderzoek levert een zo objectief mogelijk, controleerbaar, systematisch, reproduceerbaar en kwantitatief interpreteerbare uitkomst op.

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 6a. Bestuur en toezicht fonds

Hoofdstuk 6b. Opdrachtbevestiging

Artikel 28d. Opdrachtbevestiging
1.

Uiterlijk bij de opdrachtaanvaarding, bedoeld in artikel 102a, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 109a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en bij elke ingrijpende wijziging, informeert het fonds de vertegenwoordigers van werkgevers of werkgeversverenigingen, werknemers of werknemersverenigingen of beroepspensioenverenigingen die de pensioenregeling zijn overeengekomen ten minste en voor zover van toepassing over:

  • a. de risicohouding;
  • b. de regels ten aanzien van de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve;
  • c. de toedelingsregels;
  • d. het projectierendement of de vaste daling; en
  • e. de spreidingssystematiek dan wel de spreidingsmethodiek, genoemd in artikel 1cb.
2.

Het fonds licht toe welke overwegingen aan de vormgeving van de pensioenregeling, waaronder de in het eerste lid genoemde onderdelen ten grondslag liggen. Gezien de samenhang tussen de verschillende onderdelen, beoordeelt het fonds de afwegingen bij de verschillende onderdelen ook in samenhang met elkaar. Hierbij wordt ten minste toegelicht:

  • a. hoe de vormgeving van de pensioenregeling aansluit op de opdracht en doelstellingen;
  • b. wat de effecten van de vormgeving van de pensioenregeling zijn op de verwachte pensioenen voor de verschillende leeftijdscohorten;
  • c. hoe het fonds de resultaten van het risicopreferentie-onderzoek, de wetenschappelijke inzichten en de deelnemerskenmerken heeft gewogen en op basis daarvan de risicohouding heeft vastgesteld per leeftijdscohort;
  • d. hoe de vormgeving van de pensioenregeling verband houdt met de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort; en
  • e. de onderbouwing in welke mate de gevolgen van de voorgenomen pensioenregeling, zowel op de onderdelen als de gezamenlijke werking van de verschillende onderdelen, passen bij deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden, gegeven de samenstelling van de populatie van het fonds.
3.

Het fonds informeert de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, aanhef, bij de opdrachtbevestiging over de consequenties van arbeidsvoorwaardelijke keuzes, waaronder ten minste de gevolgen voor:

  • a. de uitvoerbaarheid en uitvoeringskosten; en
  • b. in geval van een solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling de kans dat de beoogde pensioendoelstelling, gegeven de premie wordt behaald aan de hand van een uniforme scenario-analyse
4.

De toezichthouder kan regels stellen ten aanzien van de wijze waarop de informatie wordt gegeven.

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Artikel 43a. Mijlpalen

Vervallen

Paragraaf 9b.2

Artikel 44a. Hoorrecht

Een vereniging van gewezen deelnemers respectievelijk van pensioengerechtigden, vertegenwoordigt een substantieel gedeelte van de gewezen deelnemers respectievelijk van de pensioengerechtigden als bedoeld in artikel 150g van de Pensioenwet dan wel artikel 145f van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • b. haar statutaire doel omvat in elk geval de belangenbehartiging van gewezen deelnemers respectievelijk van pensioengerechtigden bij het fonds;
  • c. de vereniging vertegenwoordigt ten minste:
  • 1°. duizend gewezen deelnemers of 10% van alle gewezen deelnemers bij het fonds; of
  • 2°. duizend pensioengerechtigden of 10% van alle pensioengerechtigden bij het fonds; en
  • d. de vereniging maakt haar bestaan tijdig kenbaar aan de partijen die betrokken zijn bij de vaststelling, wijziging of intrekking van de pensioenovereenkomst dan wel de beroepspensioenregeling waarbij de vereniging de melding rechtstreeks kan doen of via het fonds.
Artikel 45a. Ondersteuning transitiecommissie
1.

De transitiecommissie wordt ondersteund door een secretariaat. Het secretariaat is ondergebracht bij de Sociaal-Economische Raad, bedoeld in de Wet op de Sociaal-Economische Raad.

2.

De werkzaamheden en huisvesting van het secretariaat van de transitiecommissie worden, voor zover goedgekeurd, gefinancierd door Onze Minister. Hieronder worden in ieder geval verstaan:

  • a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning;
  • b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid; en
  • c. de kosten voor publicaties van jaarverslagen.
Artikel 45b. Jaarverslag transitiecommissie
1.

De transitiecommissie maakt een jaarverslag van haar werkzaamheden dat bestaat uit een financieel jaarverslag en een verslag van de werkzaamheden.

2.

De transitiecommissie maakt het jaarverslag over het afgelopen jaar steeds openbaar voor 1 april. Het jaarverslag over 2027 dient uiterlijk voor 1 juli 2027 openbaar gemaakt te worden.

Artikel 45c. Reglement transitiecommissie
1.

De transitiecommissie stelt een reglement vast waarin in ieder geval is vastgelegd:

  • a. de procedure voor het aanvragen van bemiddeling dan wel bindend advies;
  • b. de termijnen die gelden voor het in behandeling nemen van een aanvraag;
  • c. in welke gevallen een aanvraag niet dan wel niet langer in behandeling wordt genomen en hoe de aanvragers daarover worden geïnformeerd;
  • d. de procedure voor het openbaar maken van een bindend advies; en
  • e. de wijze waarop besluitvorming plaatsvindt.
2.

De transitiecommissie kan in het reglement nadere regels opnemen met betrekking tot de informatie en opgaven, bedoeld in artikel 45d, eerste lid.

3.

Het reglement wordt door de transitiecommissie vastgesteld na overleg met Onze Minister.

Artikel 45d. Bindend advies
1.

Indien de aanvraag een verzoek tot bindend advies betreft overleggen de aanvragers bij de aanvraag:

  • a. informatie over de onderwerpen waarover overeenstemming is bereikt;
  • b. informatie over de onderwerpen waarover geen overeenstemming is bereikt;
  • c. informatie over de onderhandelingsinzet van de beide aanvragers bij de onderwerpen waarover geen overeenstemming is bereikt;
  • d. de berekeningen van de effecten voor de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde van de verschillende opties; en
  • e. een oordeel over de uitvoerbaarheid van de beoogde uitvoerder.
2.

De transitiecommissie maakt een bindend advies openbaar binnen vier weken na bekendmaking aan de aanvragers.

Artikel 45e. Tijdstip verzoeken aan transitiecommissie
1.

Een verzoek tot bemiddeling door de transitiecommissie dient voor 1 januari 2024 te worden ingediend bij de transitiecommissie als partijen de pensioenovereenkomst dan wel de beroepspensioenregeling willen laten uitvoeren door een pensioenfonds en voor 1 januari 2026 als partijen deze willen laten uitvoeren door een verzekeraar of premiepensioeninstelling.

2.

Een verzoek tot het bindend adviseren door de transitiecommissie dient voor 1 juli 2024 dan wel in de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 maart 2026 te worden ingediend bij de transitiecommissie als partijen de pensioenovereenkomst dan wel de beroepspensioenregeling willen laten uitvoeren door een pensioenfonds en voor 1 januari 2027 als partijen deze willen laten uitvoeren door een verzekeraar of premiepensioeninstelling.

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Artikel 46a. Communicatieplan
1.

De uitvoerder neemt in het communicatieplan op dat bij het informeren van de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden, naast de informatie, bedoeld in artikel 150j, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145i, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in ieder geval ook het volgende wordt opgenomen:

  • a. de persoonsgegevens van de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde;
  • b. de naam en het contactadres van de uitvoerder;
  • c. de peildatum waarop de informatie betrekking heeft;
  • d. het karakter van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling voor en na de peildatum;
  • e. de pensioensoorten voor en na de peildatum, waarbij bij partnerpensioen onderscheid wordt gemaakt tussen partnerpensioen op opbouwbasis en partnerpensioen op risicobasis;
  • f. de hoogte van de dekking van het nabestaandenpensioen voor en na de peildatum;
  • g. uitleg over verschillen in bedragen voor en na de peildatum; en
  • h. de doelgroepen, doelstellingen en de planning van de informatieverstrekking, waarbij in ieder geval de belangrijkste communicatiemomenten zijn opgenomen.
2.

De uitvoerder geeft verder informatie over het stellen van vragen aan de uitvoerder, over de interne klachtenprocedure van de uitvoerder en neemt een verwijzing op naar het pensioenregister.

3.

De uitvoerder legt de wijze waarop de pensioenuitvoerder omgaat met inkomende waarden in het kader van de collectieve waardeoverdracht, waaronder begrepen de wijze waarop wordt omgegaan met opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, vast in het pensioenreglement.

4.

In geval de gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling is ondergebracht bij een nieuwe uitvoerder, is de oude uitvoerder verplicht op verzoek van de nieuwe uitvoerder de relevante informatie tijdig te verstrekken.

5.

De uitvoerder dient het communicatieplan in bij de Stichting Autoriteit Financiële Markten en informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden over de indiening en de inhoud van het communicatieplan en over het verdere proces. De verzekeraar of premiepensioeninstelling die gebruikt maakt van artikel 150i, vierde lid, onderdeel b, van de Pensioenwet, of artikel 145h, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of pensioengerechtigden tijdig maar uiterlijk wanneer de gewijzigde pensioenovereenkomst of gewijzigde beroepspensioenregeling bekend is.

6.

Het door de uitvoerder verstrekken van informatie aan deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden, bedoeld in artikel 150j, derde lid, van de Pensioenwet of artikel 145i, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vindt uiterlijk plaats één maand voor het tijdstip van overgang op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling, bedoeld in artikel 220i, tweede lid, van de Pensioenwet of artikel 214g, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

7.

De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen over de vormgeving en wijze van leveren van het communicatieplan.

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardenoverdracht en aanwenden vermogen

Artikel 46b. Interne collectieve waardeoverdracht fondsen
1.

De toezichthouder beoordeelt het voornemen tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 150m, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling op de volgende aspecten:

  • a. het besluitvormingsproces;
  • b. financiële en andere risico’s;
  • c. de financiële effecten;
  • d. de collectieve actuariële gelijkwaardigheid; en
  • e. de evenwichtige belangenafweging door het fonds.
2.

Het fonds verstrekt het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan ten behoeve van de advisering, dan wel goedkeuring, bedoeld in artikel 150m, vierde en zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, vierde en zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in ieder geval de volgende gegevens:

  • a. het voorgenomen besluit tot collectieve waardeoverdracht, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende onderwerpen:
  • 1°. indien van toepassing, de onderbouwing van het toepassen van de vba-methode voor de waardering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten en het aanwenden van het vermogen;
  • 3°. indien van toepassing: de hoogte van de initiële vulling van het compensatiedepot; en
  • 4°. indien van toepassing: de hoogte van de initiële vulling van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve;
  • b. hoe zal worden omgegaan met arbeidsongeschiktheidspensioen, premievrije voortzetting en nabestaandenpensioen;
  • c. informatie over het besluitvormingsproces;
  • d. de kwantitatieve effecten van de collectieve waardeoverdracht;
  • e. de overwegingen en afwegingen van het fonds bij het voorgenomen besluit en een motivering waarom de effecten evenwichtig worden geacht;
  • f. de gewijzigde pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling;
  • g. de afspraken met betrekking tot compensatie; en
  • h. de transitie-effecten van de totale transitie in termen van netto profijt per leeftijdscohort in hele geboortejaren en in termen van de pensioenverwachting per leeftijdscohort in hele geboortejaren die, voor zover het ouderdomspensioen betreft, wordt weergegeven op basis van een pessimistisch, verwacht en optimistisch scenario, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.
3.

Indien van toepassing verstrekt het fonds aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, alsmede het advies van het verantwoordingsorgaan of de reactie op het verzoek tot goedkeuring van het belanghebbendenorgaan.

Artikel 46c. vba-rekenmethodiek
1.

Bij de vba-methode, bedoeld in de artikelen 150n van de Pensioenwet dan wel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en bij het berekenen van transitie-effecten als bedoeld in 150e, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel 145d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de value based ALM-rekenmethodiek.

2.

Bij de vba-rekenmethodiek geldt voor de berekeningen het volgende:

  • a. bij de analyse wordt gebruik gemaakt van minimaal 20.000 risico-neutrale scenario’s als bedoeld in artikel 43;
  • b. de duur van de gehele prognosehorizon is zoals vastgesteld in de risico-neutrale scenario’s, bedoeld in artikel 43; en
  • c. voor de demografische ontwikkeling binnen de uitvoerder wordt over de gehele prognosehorizon een realistische aanname gehanteerd.
3.

Bij de vba-rekenmethodiek geldt voor de berekeningen door een fonds het vastgestelde fondsbeleid. Bij de vaststelling van het fondsbeleid geldt het volgende:

  • b. bij de waardering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten voor de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling, of flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling sluit het fonds aan bij de onderdelen zoals in de opdrachtbevestiging, bedoeld in artikel 28d, is vastgelegd of het fonds van plan is vast te leggen;
  • c. voor zover sprake is van incomplete beleidsonderdelen voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon worden realistische aannames gehanteerd;
  • d. een fonds kan voor de uitvoering van de volledige prognosehorizon afwijken van het fondsbeleid, zoals vastgelegd in de actuariële en bedrijfstechnische nota of in de opdrachtbevestiging, waarbij dit uitsluitend mogelijk is indien dit leidt tot een realistischere invulling op langere termijn;
  • e. bij de volledige prognosehorizon wordt verondersteld dat de status van deelnemer of gewezen deelnemer niet wijzigt tot aan de pensioendatum voor zover de toeslagverlening voor deelnemers en gewezen deelnemers verschillend is; en
  • f. te allen tijde wordt voldaan aan de huidige wet- en regelgeving.
4.

Voor zover een uitvoerder bij de berekening gebruik maakt van maatmensen leidt deze vereenvoudiging niet tot materiële afwijkingen in de berekening van de marktwaarden van de te verwachte pensioenuitkeringen van deelnemers, gewezen deelnemers en andere aanspraakgerechtigden.

5.

De uitvoerder onderbouwt de aannames, vereenvoudigingen en, voor zover van toepassing, de afwijking van het fondsbeleid op adequate wijze en neemt dit op in het implementatieplan.

Artikel 46d. Omrekenmethoden en aanwenden vermogen
1.

Bij de standaardmethode, bedoeld in artikel 150n van de Pensioenwet dan wel artikel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van een standaardregel.

2.

Bij de vba-methode, bedoeld in artikel 150n van de Pensioenwet en artikel 145m van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruik gemaakt van de rekenmethodiek in artikel 46c.

3.

Bij dekkingsgraden, na de initiële vulling van een solidariteitsreserve, een risicodelingsreserve of een compensatiedepot, tussen 105% en 110% als bedoeld in artikel 150n, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145m, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kan 5% van het vermogen verschoven worden om evenwichtiger uitkomsten te bereiken.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de voorgeschreven standaardregel.

Artikel 46e. Transitie-effecten
1.

Bij de netto profijt berekening, bedoeld in de artikelen 150e, 150p, vierde lid, en 220e, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 145d, 145o, vierde lid, en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt de vba- rekenmethodiek, bedoeld in artikel 46c gehanteerd met dien verstande dat de berekening wordt uitgevoerd met minimaal 10.000 risico-neutrale scenario’s als bedoeld in artikel 43.

2.

Het netto profijt effect van het financieel toetsingskader tijdens de transitie, bedoeld in artikel 150p, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel in artikel 145o, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt berekend door het netto profijt van het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling af te zetten tegen het netto profijt dat ontstaat door het indienen van een overbruggingsplan.

3.

Het netto profijt effect wanneer gebruik is gemaakt van de mogelijkheid in het jaar 2022 en 2023 toeslag te verlenen bij een beleidsdekkingsgraad vanaf 105% wordt berekend door het netto profijt van het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling af te zetten tegen het netto profijt dat ontstaat door het gebruik maken van deze mogelijkheid.

4.

Het resultaat van de netto profijt berekening in de artikelen 150e, 150p, vierde lid, en 220e, vierde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, 145o, vierde lid en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt uitgedrukt als percentage van de marktwaarde van te verwachte pensioenuitkeringen bij het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling.

  • a. het pessimistisch scenario het 5e percentiel is;
  • b. het verwacht scenario het 50e percentiel is; en
  • c. het optimistisch scenario het 95e percentiel is.
6.

Bij de bruto profijt berekening, bedoeld in de artikelen 150e, derde lid, en 220e, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, derde lid, en 214d, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt op moment van berekening het volgende gehanteerd:

  • c. voor de individuele loonontwikkeling van deelnemers en gewezen deelnemers wordt aangesloten bij voor de uitvoerder specifieke uitgangspunten.
7.

Het resultaat van de bruto profijt berekening in de artikelen 150e, derde lid, en 220e, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 145d, derde lid, en 214d, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt uitgedrukt als percentage van de marktwaarde van te verwachte pensioenuitkeringen bij het ongewijzigd voortzetten van de pensioenovereenkomst dan wel beroepspensioenregeling.

8.

De uitvoerder onderbouwt de voor de uitvoerder specifieke uitgangspunten, bedoeld in het zesde lid, onderdeel c, op adequate wijze en neemt dit op in het implementatieplan.

9.

De transitie-effecten netto profijt, pensioenverwachting en bruto profijt worden berekend in ieder geval per leeftijdscohort in hele geboortejaren waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden.

10.

De uitvoerder verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden een uitleg over en redenen voor verschillen in bedragen voor en na de peildatum, waaronder indien van toepassing het effect van het vervallen van de maximering van de toeslagverlening op de scenario’s, bedoeld in artikel 7e, eerste lid, voor en na de peildatum.

Artikel 46f. Ontheffing bij interne collectieve waardeoverdracht fonds
1.

Een fonds dient een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 150oa, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145na, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, tegelijk in met het doen van de melding aan de toezichthouder van het voornemen tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 150m, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145l, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

De toezichthouder neemt een besluit over de aanvraag tot ontheffing tegelijk met het besluit of het een verbod tot waardeoverdracht zal opleggen. De toezichthouder verleent geen ontheffing indien een verbod tot waardeoverdracht wordt opgelegd.

3.

Van redelijkerwijs niet kunnen voldoen als bedoeld in artikel 150oa, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145na, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is sprake indien het fonds aan de toezichthouder aantoont dat:

  • a. sprake is van specifiek voor het fonds geldende bijzondere omstandigheden of fondskarakteristieken;
  • c. het fonds redelijkerwijs op geen andere wijze kan voldoen aan de betreffende voorwaarden zonder dat toepassing daarvan leidt tot onevenwichtig nadeel.
4.

Bij de aanvraag voor ontheffing toont het fonds aan dat:

  • c. het fonds aan het verantwoordingsorgaan of het belanghebbendenorgaan, in aanvulling op artikel 46b, de transitie-effecten van de totale transitie inzichtelijk heeft gemaakt, waarbij ten minste het netto profijt en de pensioenverwachting als bedoeld in artikel 150e van de Pensioenwet dan wel artikel 145d van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, per leeftijdscohort in hele geboortejaren zijn opgenomen en waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en het verschil inzichtelijk wordt gemaakt voor de situatie dat de toezichthouder wel of geen ontheffing geeft;
  • d. het fonds indien van toepassing aan de raad van toezicht of de visitatiecommissie de gegevens, bedoeld in onderdeel c, alsmede het advies van het verantwoordingsorgaan of de reactie op het verzoek tot goedkeuring van het belanghebbendenorgaan heeft verstrekt;
  • e. het fonds aan de hand van de in onderdeel c opgenomen berekeningen de transitie-effecten van het aanvragen van een ontheffing nadrukkelijk heeft meegewogen en deze weging inzichtelijk maakt in de onderbouwing van de aanvraag voor de ontheffing en in het implementatieplan; en

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardeoverdracht en aanwenden vermogen

Paragraaf 9b.6. Financieel overbruggingsplan

Artikel 47a. Opschorting individuele waardeoverdracht
1.

De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege een van de omschreven situaties van opschorting in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de situatie op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand.

2.

Het ontvangende fonds informeert de deelnemer over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan als de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege een van de omschreven situaties van opschorting in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, na de datum dat het ontvangende fonds de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt of zodra de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18.

3.

De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra niet langer sprake is van een van de in artikel 150r van de Pensioenwet of artikel 145q van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situaties van opschorting. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

4.

Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting herleeft, geldt het volgende:

  • a. indien de opschorting plaatsvond na de datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 is, in afwijking van de definitie, bedoeld in artikel 1, de overdrachtsdatum de datum waarop de plicht tot waardeoverdracht is herleefd; en
  • b. indien de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 of de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt voor de herleving van de plicht tot waardeoverdracht, vraagt het ontvangende fonds binnen drie maanden na herleving van de plicht tot waardeoverdracht aan het overdragende fonds een opgave als bedoeld in artikel 18.

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Veroordelingen

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2.1. Veroordelingen

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Veroordelingen

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Veroordelingen

Wegenverkeerswet 1994:

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

2.3. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

Wegenverkeerswet 1994:

2.3. Transacties

2.2. Strafbeschikkingen

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

3.3. Andere feiten of omstandigheden

2.4. (Voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging

4. Toezichtantecedenten

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken, besluiten of maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

2.5. Andere relevante feiten of omstandigheden

3.2. Zakelijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

3.1. Persoonlijk

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

3.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4. Toezichtantecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 9g. Verwerkingsverantwoordelijken bij keuzebegeleiding

Voor de gegevensverwerking in het kader van keuzebegeleiding:

  • a. zijn de Sociale verzekeringsbank en de uitvoerders die via het pensioenregister gegevens verstrekken, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van de door hen verstrekte gegevens via het pensioenregister;
  • 1°. de verwerking van gegevens die plaatsvindt na verstrekking van de gegevens uit het pensioenregister;
  • 2°. de verwerking van gegevens voor zover het gegevens betreft over pensioenaanspraken en pensioenrechten bij die uitvoerder.
Artikel 9h. Taakverdeling bij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid keuzebegeleiding

Bij de toepassing van artikel 9g, onderdeel a, dragen de volgende organisaties zorg voor de toepassing van de artikelen 12 tot en met 22, 33 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming:

  • a. de Sociale verzekeringsbank voor zover het gegevens betreft over aanspraken op ouderdomspensioen en rechten op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet;
  • b. de uitvoerder voor zover het gegevens betreft met betrekking tot pensioenaanspraken en pensioenrechten die zijn opgebouwd bij die uitvoerder.

Hoofdstuk 4d. Risicohouding

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9. Nettopensioen

Paragraaf 9b.1. Risico-neutrale scenario’s

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Paragraaf 9b.5. Interne collectieve waardenoverdracht en aanwenden vermogen

Paragraaf 9b.7. Aanvullende maatregelen transitieperiode voor pensioenfondsen

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Hoofdstuk 10. Boeteregeling

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, mislukte uitlokking, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten

Wet op de economische delicten:

Door de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële ordeningswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

2.3. Transacties

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3. Financiële antecedenten

Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is of is geweest bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten worden ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.

3. Financiële antecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1ca. Gelijke aanpassingen met spreiden in uitkeringsfase bij solidaire premieovereenkomst of solidaire premieregeling
1.

Bij pensioeningang verdeelt de uitvoerder het voor pensioenuitkering bestemd vermogen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in een uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen, indien sprake is van toepassing van de toedelingsregels om gelijke aanpassingen als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 63a, achtste lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 75a, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met spreiden te realiseren.

2.

De hoogte van de variabele uitkering wordt vastgesteld op basis van het uitkeringsvermogen en het projectierendement. Voor het projectierendement wordt ten hoogste uitgegaan van de risicovrije rente.

3.

De pensioenuitvoerder bepaalt het financiële resultaat als gevolg van het behaalde beschermingsrendement en overrendement als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor alle pensioengerechtigden. Uit dit financiële resultaat van het collectief van pensioengerechtigden wordt het beschermingsrendement, dat volledige bescherming biedt voor het renterisico, ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat, toebedeeld aan het uitkeringsvermogen van iedere pensioengerechtigde.

4.

Na toedeling van het beschermingsrendement, bedoeld in het derde lid, wordt het resterende financiële resultaat op het moment van vaststelling volledig en onvoorwaardelijk verwerkt in het spreidingsvermogen en op basis van de spreidingsmethodiek, bedoeld in artikel 1cb, eerste lid, onvoorwaardelijk vastgesteld en verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden.

5.

De wijze waarop financiële resultaten, bedoeld in het vierde lid, worden verwerkt in het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, houdt in dat over de vastgestelde duur van de spreidingsperiode de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken onvoorwaardelijk in gelijke stappen dan wel in afnemende mate worden aangepast.

6.

Een uitvoerder kan bij het vaststellen en onvoorwaardelijk verwerken van het financiële resultaat in het uitkeringsvermogen, bedoeld in het vijfde lid, in een betreffend jaar rekening houden met de reeds eerder onvoorwaardelijk vastgestelde en verwerkte aanpassingen als gevolg van financiële resultaten. Hierbij geldt het volgende:

  • a. de eerder vastgestelde en onvoorwaardelijk verwerkte aanpassingen en de onvoorwaardelijke aanpassing in het betreffende jaar bij elkaar opgeteld leiden tot een patroon waarbij de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken in gelijke stappen dan wel in afnemende mate worden aangepast; en
  • b. de al onvoorwaardelijke vastgestelde en verwerkte aanpassingen worden niet gewijzigd.
7.

Indien de uitvoerder heeft gekozen voor toepassing in afnemende mate als bedoeld in het vijfde lid, kan de uitvoerder een afwijkende verwerking doorvoeren om het financiële resultaat binnen de duur van de spreidingsperiode volledig te verwerken in de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, mits:

  • a. de contante waarde van de nog totaal in de uitkering te verwerken financiële resultaten voor meer dan zestig procent in de eerste helft van de spreidingsperiode ligt; en
  • b. de onvoorwaardelijke aanpassing in het betreffende jaar er niet toe leidt dat sprake is van zowel positieve als negatieve onvoorwaardelijke aanpassingen in de hoogte van de pensioenuitkeringen.
Artikel 1cb. Spreidingsmethodiek bij gelijke aanpassingen met spreiden
1.

Voor toepassing van de artikelen 1ca en 1cc stelt de uitvoerder een spreidingsmethodiek vast. Een spreidingsmethodiek is de wijze waarop de uitvoerder de pensioenuitkeringen bij gelijke aanpassingen met spreiden vaststelt, waarbij onder de spreidingsmethodiek wordt begrepen:

  • a. de duur van de spreidingsperiode;
  • c. de grenzen aan de positieve en negatieve omvang van het spreidingsvermogen; en
2.

De spreidingsmethodiek is evenwichtig, transparant en consistent. De uitvoerder maakt de uitkomsten van de spreidingsmethodiek inzichtelijk aan de hand van een stochastische ALM-analyse en onderbouwt de gemaakte keuzes en vormgeving aan de hand van deze analyse.

3.

De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast voor minimaal vijf jaar. Onder omstandigheden kan hiervan afgeweken worden. De uitvoerder onderbouwt waarom deze keuze is gemaakt.

4.

Een wijziging van de spreidingsmethodiek heeft geen gevolgen voor de al onvoorwaardelijk verwerkte en toebedeelde financiële resultaten in het spreidingsvermogen, het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen.

5.

De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast in de opdrachtbevestiging, het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement.

Artikel 1cc. Gelijke aanpassingen met spreiden bij pensioeningang van een solidaire premieregeling
1.

Indien de toedelingsregels met gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca van toepassing zijn, geldt bij pensioeningang het volgende:

  • a. de verdeling, bedoeld in artikel 1ca, eerste lid, wordt bepaald op basis van de op dat moment geldende verhouding tussen de uitkeringsvermogens en de spreidingsvermogens voor alle pensioengerechtigden;
  • b. de wijze van verdeling, bedoeld in onderdeel a, kan aangepast worden op basis van een nauwkeurigere methode indien die verdeling beter aansluit bij te verwachten pensioenuitkeringen.
2.

Het op de pensioendatum door verdeling ontstane spreidingsvermogen wordt op basis van de spreidingsmethodiek, genoemd in artikel 1cb, eerste lid, verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van de pensioengerechtigde.

Artikel 5c. Informatie over gelijke aanpassingen met spreiden

Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca geldt vanaf vijf jaar voor pensioendatum het volgende:

  • a. de uitvoerder vermeldt dat het voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen, genoemd in artikel 5a, eerste, tweede en derde lid, vanaf pensioendatum bestaat uit een spreidingsvermogen en uitkeringsvermogen en geeft daarbij informatie over gelijke aanpassingen met spreiden; en
  • b. de uitvoerder geeft bij de opgave, bedoeld in artikel 5a, een kwalitatieve toelichting over het verloop van de pensioenuitkeringen en geeft daarbij aan of het pensioen waarschijnlijk zal dalen, stijgen of gelijk zal blijven.

Hoofdstuk 4c. Geschilleninstantie

Hoofdstuk 6. Waardeoverdracht

Paragraaf 6.1. Waardeoverdracht klein pensioen

Paragraaf 6.2. Individuele waardeoverdracht

Hoofdstuk 6b. Opdrachtbevestiging

Hoofdstuk 8. Toedeling taken toezichthouders

Hoofdstuk 8a. Vergunning en weerstandsvermogen algemeen pensioenfonds

Hoofdstuk 9a. Pensioenbewaarder

Hoofdstuk 9b. Transitie

Paragraaf 9b.2

Paragraaf 9b.3. Transitieplan en transitiecommissie

Paragraaf 9b.4. Implementatieplan

Paragraaf 9b.6. Financieel overbruggingsplan

Paragraaf 9b.7. Aanvullende maatregelen transitieperiode voor pensioenfondsen

Paragraaf 9b.8. Gelijke aanpassingen met spreiden

Artikel 47b. Gelijke aanpassingen met spreiden pensioengerechtigden
1.

De artikelen 1ca, 1cb en 1cc zijn van overeenkomstige toepassing voor personen die pensioengerechtigden zijn op het tijdstip dat de uitvoerder overgaat op uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst dat een solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling inhoudt waarbij de toedelingsregels om gelijke aanpassingen als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 63a, achtste lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 75a, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met spreiden te realiseren van toepassing zijn en waarbij sprake is van een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet dan wel artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling.

2.

Het tijdstip van het verdelen van het voor pensioenuitkering bestemd vermogen van pensioengerechtigden is het moment van de gewijzigde uitvoering.

Hoofdstuk 11. Overige en slotbepalingen

Bijlage. behorend bij artikel 32 van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Algemene wet inzake rijksbelastingen:

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Wet wapens en munitie:

Tegen betrokkene is een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigd ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder strafbeschikkingen wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare buitengerechtelijke afdoening ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, opgelegd door een daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

3.2. Zakelijk

4.2. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

4.1. Toezichtantecedenten

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten

Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt/bekleedde als beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, feitelijke zeggenschap in het bestuur uitoefent/uitoefende of anderszins (mede)verantwoordelijk is/was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

5.3. Andere feiten of omstandigheden

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

6. Overige antecedenten

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 46g. Informatie over beoordeling verzoek tot collectieve waardeoverdracht
1.

Het fonds maakt uiterlijk voorafgaand aan de collectieve waardeoverdracht, bedoeld in artikel 150l, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 145k, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, inzichtelijk waarom het fonds het verzoek tot collectieve waardeoverdracht van de werkgever of de beroepspensioenvereniging niet afwijst door middel van een kwalitatieve duiding van het niet overgaan op een dergelijke collectieve waardeoverdracht.

2.

Het fonds stelt de informatie, bedoeld in het eerste lid, op zijn website voor een ieder beschikbaar.

Paragraaf 9b.6. Financieel overbruggingsplan

Paragraaf 9b.7. Aanvullende maatregelen rondom transitieperiode voor pensioenfondsen

Artikel 47aa. Eenmalige individuele waardeoverdracht van pensioenrechten na invaren

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)