Besluit van 5 september 2007, houdende nadere regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden)
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 16 april 2007, no. Trcjz/2007/1198, Directie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 3, derde lid, 4, eerste tot en met vierde lid, 10, 13, eerste en tweede lid, 16, eerste en derde tot en met vijfde lid van, richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 230),
de artikelen 3, derde lid, onder ii, vijfde lid en zevende lid, 4, eerste en tweede lid, 5, eerste en tweede lid, 8, eerste tot en met vijfde lid, alsmede zevende tot en met negende lid, 20, van richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PbEG L 123),
bijlage V van richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196),
richtlijn 86/609/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG L 358),
richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50),
richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 327),
verordening 396/2005/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten en bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEG L 70),
artikel 44, eerste lid, van de Grondwet met betrekking tot artikel 74 van dit besluit,
de artikelen 4, eerste lid, onderdeel e, 23, tweede en derde lid, 25, eerste lid, 28, tweede en derde lid, 29, derde lid, 36, derde lid, 44, tweede en derde lid, 49, tweede lid, 50, derde lid, 56, derde lid, 71, derde lid, 74, tweede lid, 75, 76, derde lid, 78 tot en met 81, eerste lid, 108, derde lid, 123, eerste lid, 124, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden,
artikel 24, eerste lid en tweede lid, onder b, van de Wet milieugevaarlijke stoffen,
artikelen 1, onder i, en 7, van de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, en
artikel 16, eerste en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 juli 2007, no. W11.07.0110/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 29 augustus 2007, no. Trcjz/2007/2853, Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene begrippen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:
- b. verordening 396/2005/EG: Verordening nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EG van de Raad (PbEU L 70);
- c. richtlijn 67/548/EEG: richtlijn nr. 67/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196);
- d. richtlijn 2000/60/EG: richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327);
- e. richtlijn 2004/10/EG: richtlijn nr. 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen (gecodificeerde versie) (PbEU L 50);
- f. bodem: bodem als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
- g. gasvormende toestand: toestand van een gewasbeschermingsmiddel of biocide waarin het middel of de biocide na gasvorming zijn werking verkrijgt;
- h. maximumresidugehalte (MRL): het hoogste wettelijk toegestane concentratieniveau van een residu van gewasbeschermingsmiddelen of biociden in of op een levensmiddel of diervoeder op basis van goede landbouwpraktijken en de laagste blootstelling van consumenten die noodzakelijk is met het oog op de bescherming van kwetsbare consumenten;
- i. richtlijn 1999/45/EG: richtlijn nr. 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten (PbEG 1999, L 200);
- j. uitvoeringsverordening (EU) 545/2011: Verordening (EU) nr. 545/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);
- k. uitvoeringsverordening (EU) 546/2011: Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PbEU 2011, L 155);
- l. verhard oppervlak: oppervlak dat is verhard door bebouwing, bestrating en overige verhardingen aangebracht op de bodem voor verbetering van draagvlak en begaanbaarheid;
- m. onverhard oppervlak: oppervlak niet zijnde verhard oppervlak.
Hoofdstuk 2. Taken van het college
Artikel 2. Andere taken van het college
Het college is belast met:
- a. de aan Nederland opgedragen werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 6 tot en met 9 van hoofdstuk II van verordening 396/2005/EG alsmede het doen van voorstellen voor het vaststellen van het maximaal toelaatbare residugehalte (MRL) door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Economische Zaken, voor zover deze niet communautair zijn vastgesteld;
- b. het vaststellen van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van gewasbeschermingsmiddelen voor bodem of waterorganismen op verzoek van de houder van een toelating, bedoeld in artikel 3, onderdeel 24, van verordening (EG) 1107/2009 of op verzoek van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien dit risiconiveau niet reeds bij een toelating door het college is vastgesteld;
- c. het vaststellen of ambtshalve wijzigen van de wijze waarop op een etiket de voorschriften worden vermeld die bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;
- d. het adviseren aan Onze Minister over de toepassing van artikel 38 van de wet;
- e. het naar aanleiding van een ontwerp-beoordelingsverslag als bedoeld in artikel 11 van verordening (EG) nr. 1107/2009, in het kader van artikel 12, eerste en tweede lid, van verordening (EG) nr. 1107/2009 maken van schriftelijke opmerkingen over werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen.
Hoofdstuk 3. Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden
§ 1. Te leveren gegevens
Artikel 3. Bij de aanvraag te leveren gegevens
Vervallen
Artikel 4. Onderzoeksmethode
Vervallen
Artikel 5. Achterwege laten van gegevens
Vervallen
§ 2. Beslistermijnen
Artikel 6. Beslistermijnen voor aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen
Vervallen
Artikel 7. Beslistermijnen voor aanvragen inzake biociden
Vervallen
Hoofdstuk 4. Beoordeling van aanvragen
§ 1. Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen
Artikel 8. Toelating niet-professioneel gebruik
Het college verleent geen toelating voor niet-professioneel gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat overeenkomstig richtlijn 1999/45/EG is ingedeeld als giftig, zeer giftig, kankerverwekkend, mutageen of vergiftig voor de voortplanting.
Artikel 9. Ontbrekende beoordelingsmethoden
Het college beoordeelt een aanvraag bij het ontbreken van vastgestelde beoordelingsmethoden aan de hand van de uniforme beginselen voor het evalueren en toelaten van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 29, zesde lid, van verordening (EG) 1107/2009, voor zover dit naar zijn oordeel naar wetenschappelijk inzicht redelijkerwijs mogelijk is.
Artikel 10. Behandeling van zaaizaad
Vervallen
Artikel 11. Voorschriften
Het college kan bij de toelating het voorschrift opnemen dat het gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegepast na een melding bij Onze Minister van Economische Zaken.
Het college houdt bij zijn beslissing omtrent voorschriften als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de wet, rekening met onder meer:
- a. de resultaten van de risicobeoordeling, met name de relatie tussen blootstelling en effect;
- b. de aard en de ernst van het effect;
- c. het risicobeheer dat kan worden toegepast;
- d. het toepassingsgebied van het gewasbeschermingsmiddel;
- e. de werkzaamheid van het gewasbeschermingsmiddel;
- f. de fysische eigenschappen van het gewasbeschermingsmiddel;
- g. de naleefbaarheid van het voorschrift;
- h. de handhaafbaarheid van het voorschrift; en
- i. de geschiktheid voor niet-professionele gebruikers.
Onze Minister kan regels stellen voor de wijze waarop het college uitvoering geeft aan het eerste en tweede lid alsmede de wijze waarop het college bij de toelating voorschriften geeft voor de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, goede gewasbeschermingspraktijken of het gebruik van voertuigen, werktuigen, methoden, technieken en materialen.
Het college stelt bij iedere toelating voor niet-professioneel gebruik voorschriften als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen b en c, van de wet. Deze voorschriften hebben betrekking op gebruiksklare formuleringen.
§ 2. Beoordeling van aanvragen inzake biociden
Artikel 12. Toepassing gemeenschappelijke beginselen en beoordelingsmethoden
Vervallen
Artikel 13. Ontbrekende beoordelingsmethoden
Vervallen
Artikel 14. Niet toe te laten gebruik van biociden
Biociden worden bij de productie en distributie van drinkwater niet toegepast.
In afwijking van het eerste lid mogen biociden bij de productie en distributie worden toegepast, indien is voldaan aan de bij regeling van Onze Minister gestelde voorwaarden, waaronder de mogelijkheid van een melding bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Artikel 15. Kaderformulering
Vervallen
Artikel 16. Voorschriften
Vervallen
Hoofdstuk 5. Handel en gebruik
§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid
Artikel 17. Bewijs van vakbekwaamheid inzake gewasbeschermingsmiddelen
Een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 71, tweede lid, onderdeel a, van de wet, inzake gewasbeschermingsmiddelen kan worden verstrekt aan de persoon die:
- a). een bij regeling van Onze Minister aangewezen opleiding heeft gevolgd;
- b). een bij regeling van Onze Minister aangewezen examen heeft afgelegd, of
- c). een instructie heeft gevolgd waarvan de bij regeling van Onze Minister aangewezen instantie heeft geoordeeld dat hiermee voldoende kennis van de in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG genoemde onderwerpen wordt verkregen, gelet op de taken en verantwoordelijkheden van die persoon.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over het vereiste kennisniveau voor de onderwerpen, genoemd in bijlage I bij richtlijn 2009/128/EG, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen en in voorkomend geval binnen de groepen van distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen, voorlichters en professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen.
Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.
De gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, dat is verkregen op grond van het eerste lid, onderdeel c, geeft geen recht op het ontvangen of voorhanden hebben van gewasbeschermingsmiddelen, toegelaten voor professioneel gebruik.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld over de gelding van het bewijs van vakbekwaamheid, waarbij de gelding kan worden beperkt tot bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, bepaalde toepassingen of bepaalde ruimten of terreinen.
Artikel 18. Geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid
Een bewijs van vakbekwaamheid wordt verstrekt voor een termijn van vijf jaar na het tijdstip waarop de opleiding is afgerond, het examen is afgelegd, of de instructie is verkregen, overeenkomstig artikel 17, eerste lid, of aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, is voldaan.
De geldigheid van een bewijs van vakbekwaamheid wordt na afloop van de termijn, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve verlengd onder door Onze Minister bij ministeriële regeling vast te stellen voorwaarden.
De vernieuwing van een bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, en 17a, eerste lid, wordt geweigerd indien niet is voldaan aan bij regeling door Onze Minister vast te stellen voorwaarden inzake scholing.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, in een geval als bedoeld in artikel 85, eerste of derde lid, van de wet, tijdelijk of permanent intrekken. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen en de mate waarin tot intrekking kan worden overgegaan.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling vast wanneer en op welke wijze na intrekking opnieuw een bewijs van vakbekwaamheid verkregen kan worden.
Artikel 19. Buitenlandse getuigschriften
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon, die onderdaan is van een betrokken staat als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties wanneer op grond van artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties is aangetoond dat deze persoon over gelijkwaardige kwalificaties beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, kan een bewijs van vakbekwaamheid voor gewasbescherming, onderscheidenlijk biociden, verstrekken aan een persoon die beschikt over een getuigschrift niet ouder dan vijf jaar van een door Onze Minister erkende buitenlandse opleiding buiten een betrokken staat als bedoeld in het eerste lid, wanneer deze persoon door ervaring of opleiding na het verkrijgen van het getuigschrift nog steeds over een gelijkwaardige kwalificatie beschikt als de houder van een bewijs van vakbekwaamheid dat is verkregen op grond van artikel 17, eerste lid, of 17a, eerste lid.
De houder van een bewijs van vakbekwaamheid beheerst de Nederlandse taal op een zodanig niveau dat voorschriften op etiketten van gewasbeschermingsmiddelen en biociden en andere voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen en biociden bij of krachtens de wet geldende voorschriften begrepen en uitgevoerd kunnen worden.
§ 2. Invoer en doorvoer
Artikel 20. Niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen of biociden
Vervallen
Artikel 21. Administratie van niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen of biociden
Vervallen
Artikel 22. Opslag
Vervallen
§ 1. Bewijs van vakbekwaamheid
Artikel 23. Aanprijzing
Vervallen
Artikel 24. Administratie toegelaten biociden
Een ieder die bedrijfsmatig biociden distribueert, levert of aflevert houdt een administratie bij.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende gegevens:
- a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
- b. het aantal verpakkingseenheden per ontvangst of aflevering alsmede de op de verpakking aangegeven volume- of massa-eenheden,
- c. de totale hoeveelheid voorraad en de veranderingen van de voorraad,
- d. de datum van ontvangst, aflevering of verandering als bedoeld in de onderdelen b en c, en
- e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de afnemer van de biocide.
De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar. De administratie is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf.
Onze Minister kan categorieën van biociden uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
Bij regeling van Onze Minister kunnen aanvullende administratievoorschriften worden gesteld voor producenten, distributeurs, importeurs en gebruikers van biociden.
Artikel 25. Administratie van de toepassing van toegelaten biociden door derden
Een ieder die biociden, die niet zijn aangemerkt als geschikt voor niet-professioneel gebruik, voor gebruikers voorhanden heeft, ontvangt of toepast, houdt een administratie bij.
De administratie, bedoeld in het eerste lid, omvat ten minste de volgende gegevens:
- a. de naam, zoals die op de verpakking is vermeld, en het toelatingsnummer,
- b. de ontvangen of toegepaste hoeveelheden biociden,
- c. de voorraad middelen op 1 januari van enig kalenderjaar,
- d. de datum van ontvangst of toepassing als bedoeld in onderdeel b, en
- e. de naam, het adres en de woonplaats van de leverancier of de gebruiker van de biocide.
De administratie bestrijkt een periode van de laatste vijf jaar.
Onze Minister kan categorieën van middelen uitzonderen van het gebod, bedoeld in het eerste lid.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling aanvullende administratievoorschriften stellen.
§ 4. Goede praktijken, geïntegreerde bestrijding en juist gebruik
Artikel 26. Geïntegreerde gewasbescherming
Een ieder die met het oog op gebruik in enig jaar gewasbeschermingsmiddelen voorhanden of in voorraad heeft, of voornemens is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken of onder zijn verantwoordelijkheid dan wel in zijn opdracht te laten gebruiken, houdt gedurende het teeltseizoen een gewasbeschermingsmonitor bij waarin aandacht wordt besteed aan de aspecten genoemd in bijlage 3. De monitor wordt binnen twee maanden na een teelt afgerond.
In de gewasbeschermingsmonitor wordt vermeld op welke wijze bij de behandeling van uitgangsmateriaal, tijdens het telen, bij de behandeling van geoogste planten of ander plantaardig materiaal, waaronder bij toepassing op verharde oppervlakken, invulling en uitvoering is gegeven aan de beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde gewasbescherming, zoals opgenomen in de bijlage III bij richtlijn 2009/128/EG.
Onze Minister kan op verzoek van een beroepsinstantie bij beleidsregel een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken vaststellen.
Een gids voor goede gewasbeschermingspraktijken als leidraad voor een juiste uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming kan onder meer uitgangspunten voor de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor en handelwijzen voor de teelt bevatten.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling teeltvoorschriften vaststellen die bij de opstelling van een gewasbeschermingsmonitor in acht genomen worden.
Het eerste lid is niet van toepassing op degene die:
- a. uitsluitend een gewasbeschermingsmiddel voor niet-professioneel gebruik toepast,
- b. onder de verantwoordelijkheid dan wel in opdracht van een derde een gewasbeschermingsmiddel toepast, of
- c. uitsluitend minder dan 2 hectare maïs of gras teelt.
7.
Bij ministeriële regeling van Onze Minister kan worden bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is op een categorie van gebruikers, indien een systeem van kwaliteitszorg of andere regelgeving reeds op vergelijkbare wijze in de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming voorziet.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld over geïntegreerde gewasbescherming door professionele gebruikers.
Artikel 27. Toegankelijkheid gewasbeschermingsmonitor
De gewasbeschermingsmonitor is op een toegankelijke wijze opgesteld, op eenvoudige wijze beschikbaar en aanwezig op het bedrijf van de gebruiker.
Onze Minister kan voor een gewasbeschermingsmonitor als bedoeld in het eerste lid, een standaardformulier vaststellen.
Onze Minister kan regels stellen voor het gebruik van het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid.
Onze Minister maakt het standaardformulier, bedoeld in het tweede lid, bekend in de Staatscourant.
Artikel 28. Juist gebruik van biociden
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor een juist gebruik van biociden.
§ 5. Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen
Artikel 29. Toepassing met luchtvaartuigen
Het is verboden een gewasbeschermingsmiddel met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een bedreiging van de plantaardige productie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet. Artikel 38, tweede tot en met vijfde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing.
Het is verboden een biocide met behulp van een luchtvaartuig toe te passen, met dien verstande dat Onze Minister van dit verbod vrijstelling kan verlenen in verband met een niet op andere wijze te bestrijden gevaar als bedoeld in artikel 46, eerste lid, van de wet.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen voor de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een gewasbeschermingsmiddel of een biocide met behulp van een luchtvaartuig wordt toegepast.
Artikel 30. Gasvormige of gasvormende gewasbeschermingsmiddelen en biociden in besloten ruimten
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand in een besloten ruimte toepast, draagt er zorg voor dat:
- a. inwerking en verspreiding van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide buiten de ruimte of grond, waarin deze behandeling plaatsvindt zoveel mogelijk wordt voorkomen;
- b. alle toegangen zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld waarschuwingssignaal alsmede naar een door Onze Minister opgesteld model vastgesteld opschrift inzake de aard en het gevaar van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide;
- c. de ruimte ontoegankelijk is voor onbevoegden;
- d. na de in het gebruiksvoorschrift van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of biocide opgenomen veiligheidstermijn de aanwezigheid of de concentratie van het toegepaste gewasbeschermingsmiddel of de toegepaste biocide wordt gemeten met een daartoe geschikt instrument;
- e. het waarschuwingssignaal en het opschrift, bedoeld in onderdeel b, worden na de meting, bedoeld in onderdeel d, zo mogelijk, afhankelijk van het resultaat van de meting, verwijderd.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling verlenen van verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.
Artikel 31. Gasvormige of gasvormende gewasbeschermingsmiddel of biocide buiten besloten ruimten
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien gebruik wordt gemaakt van een speciale installatie waarvoor ingevolge de Wet milieubeheer een vergunning is afgegeven voor uitsluitend het gebruik van gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden.
Degene die een gewasbeschermingsmiddel of biocide in een gasvormige of gasvormende toestand anders dan voor het bestrijden van mollen of woelratten buiten een besloten ruimte toepast stelt na de behandeling een gasvrijverklaring op voor de opdrachtgever.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:
- a. de wijze waarop een melding als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan alsmede binnen welke termijn een melding wordt gedaan of ingetrokken en
- b. de geldigheidsduur van de melding.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen gasvormige en gasvormende gewasbeschermingsmiddelen of biociden nadere regels stellen en vrijstelling geven van verplichtingen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, onder de bij die vrijstelling gegeven voorwaarden en beperkingen.
Artikel 32. Periodieke toepassing
Degene die een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide toepast, meldt het voornemen tot toepassing bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, indien bij de toelating is bepaald dat voornoemd gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide niet in twee opeenvolgende jaren mag worden toegepast.
Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, verstrekt een ontvangstbewijs van de melding aan de melder.
Het voornemen tot toepassing van een gewasbeschermingsmiddel, onderscheidenlijk biocide wordt eveneens bij Onze Minister van Economische Zaken, onderscheidenlijk Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, gemeld, voor zover voor de toepassing van een gewasbeschermingsmiddel of biocide in afwijking van de toelating, bedoeld in het eerste lid:
- a. een vrijstelling is verleend voor een proef of experiment als bedoeld in artikel 37, eerste lid, of artikel 64, eerste lid, van de wet,
- b. een vrijstelling is verleend op grond van artikel 38 of artikel 46, eerste lid, van de wet.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling regels inzake:
- a. de wijze waarop een melding wordt gedaan of ingetrokken;
- b. de termijn voorafgaand aan de toepassing van het gewasbeschermingsmiddel of de biocide waar binnen een melding wordt gedaan,
- c. de geldigheidsduur van de melding, en
- d. de gegevens die bij de melding worden verstrekt.
De aanvrager verstrekt het ontvangstbewijs, bedoeld in het tweede lid, aan de leverancier van het gewasbeschermingsmiddel bij de ontvangst van het gewasbeschermingsmiddel. De distributeur geeft een getekend afschrift van het ontvangstbewijs aan de melder.
De melder, onderscheidenlijk de distributeur, bewaart het getekende afschrift van het ontvangstbewijs, onderscheidenlijk het ontvangstbewijs in zijn administratie.
Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
§ 5. Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen
Artikel 33. Kosten dwangbevel
De kosten, bedoeld in artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht die Onze Minister in rekening kan brengen voor het uitvaardigen van een dwangbevel bedragen ten hoogste een bedrag dat is berekend met toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen.
§ 4. Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik
Artikel 34. Behandeling van de aanvraag
Vervallen
Artikel 35. Vaststelling van een lijst
Vervallen
Artikel 36. Dringend vereiste biocide
Vervallen
Artikel 37. Vierde fase werkprogramma en middelen voor de biologische landbouw
Vervallen
Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
Artikel 38. Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit
Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Artikel 39. Wijziging delegatiegrondslag Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
Wijzigt het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.
Artikel 40. Wijziging delegatiegrondslag Besluit glastuinbouw
Wijzigt het Besluit glastuinbouw.
Artikel 41. Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
Artikel 42. Besluit beheer en schadebestrijding dieren
Wijzigt het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.
Artikel 43. Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer
Wijzigt het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer.
Artikel 44. Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
Wijzigt het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer.
Artikel 45. Besluit EOS: demo en transitie-experimenten
Wijzigt het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten.
Artikel 46. Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Wijzigt het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.
Artikel 47. Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998
Wijzigt het Besluit implementatie EG-verbodsrichtlijn Wms 1998.
Artikel 48. Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer
Wijzigt het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.
Artikel 49. Besluit jachthavens
Wijzigt het Besluit jachthavens.
Artikel 50. Registratiebesluit externe veiligheid
Wijzigt het Registratiebesluit externe veiligheid.
Artikel 51. Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
Wijzigt het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.
Artikel 52. Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003
Wijzigt het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003.
Artikel 53. Besluit politieregisters
Wijzigt het Besluit politieregisters.
Artikel 54. Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer
Wijzigt het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.
Artikel 55. Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
Wijzigt het Kennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.
Artikel 56. Registratiebesluit Wet milieugevaarlijke stoffen
Wijzigt het Registratiebesluit Wet milieugevaarlijke stoffen.
Artikel 57. Spaanplaatbesluit (Warenwet)
Wijzigt het Spaanplaatbesluit (Warenwet).
Artikel 58. Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Artikel 59. Warenwetbesluit deponering informatie preparaten
Wijzigt het Warenwetbesluit deponering informatie preparaten.
Artikel 60. Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven
Wijzigt het Warenwetbesluit Levensmiddelenadditieven.
Artikel 61. Besluit inbeslaggenomen voorwerpen
Wijzigt het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.
Artikel 62. Besluit kwaliteitseisen en monitoring water
Wijzigt het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water.
Artikel 63. Besluit milieu-effectrapportage 1994
Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.
Artikel 64. Besluit externe veiligheid inrichtingen
Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Artikel 65. Besluit landbouw milieubeheer
Wijzigt het Besluit landbouw milieubeheer.
Artikel 66. Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie
Wijzigt het Aanwijzingsbesluit rechtspersonen met een beperkte kasbeheerfunctie.
Artikel 67. Besluit BIBOB
Wijzigt het Besluit BIBOB.
Artikel 68. Besluit milieuverslaglegging
Wijzigt het Besluit milieuverslaglegging.
Artikel 69. Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
Wijzigt het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.
Artikel 70. Besluit financiële zekerheid milieubeheer
Wijzigt het Besluit financiële zekerheid milieubeheer.
Artikel 71. Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen
Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.
Artikel 72. Besluit vervoer gevaarlijke stoffen
Wijzigt het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen.
Artikel 73. Lozingenbesluit bodembescherming
Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.
Artikel 74. Besluit overdracht zorg voor beleid inzake biociden
Het koninklijk besluit van 14 december 2004, houdende de overdracht van de zorg voor het beleid inzake biociden (Stb. 2004, 696) wordt ingetrokken.
Artikel 75. Overgangsrecht bewijs van vakbekwaamheid
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de gelijkstelling van vergunningen verstrekt ingevolge het Besluit vakkennis- en vakbekwaamheidseisen bestrijdingsmiddelen zoals dit besluit bij inwerkingtreding van de wet bestond aan bewijzen van vakbekwaamheid verstrekt op grond van de artikelen 71, derde lid, en 76, derde lid, van de wet.
Artikel 76. Overgangsrecht Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties
Wijzigt dit besluit.
Artikel 77. Inwerkingtreding
Indien het bij koninklijke boodschap van 1 maart 2006 ingediende voorstel van wet regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden) (Kamerstukken II 2005/06, 30474, nr. 2), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking met uitzondering van:
- a. artikel 29, eerste en tweede lid, dat vijf jaar na dat tijdstip in werking treedt en
- b. artikel 20, derde lid, dat in werking treedt op 1 september 2009.
In afwijking van het eerste lid kan artikel 29, eerste en tweede lid, op een eerder bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden indien een communautaire maatregel dit vereist.
Artikel 78. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Bijlage. bij artikel 26, tweede lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 26, tweede lid.
Op het gebied van preventie:
- a. het inzichtelijk maken van de grondgebonden ziekten, plagen en onkruiden die zich, gelet op het soort grond waarop geteeld wordt, redelijkerwijs in de betrokken gewassen kunnen voordoen;
- b. het gebruiken van ziekten- en plaagvrij uitgangsmateriaal;
- c. het bij voorkeur gebruiken van rassen die resistent zijn tegen ziekten en plagen;
- d. het treffen van bedrijfshygiënische maatregelen;
- e. het hanteren van beheersings- en bestrijdingsstrategieën tegen aaltjes; en
- f. het toepassen van vrucht- en teeltwisseling met het oog op het realiseren en instandhouden van een goede bodemkwaliteit en diversiteit van bodemorganismen.
Op het gebied van het vaststellen van de noodzaak tot bestrijding:
het uitvoeren van gewasinspecties.
Op het gebied van bestrijding zonder toepassing van gewasbeschermingsmiddelen:
- a. het inzetten van natuurlijke ziektebestrijders en plaagbestrijders alsmede het instandhouden of bevorderen van hun activiteiten; en
- b. het toepassen van mechanische en andere vormen van onkruidbestrijding.
Op het gebied van toepassen van gewasbeschermingsmiddelen:
- a. het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij voorkeur door middel van zaadbehandeling, plant- of pootgoedbehandeling dan wel stekbehandeling;
- b. het rekening houden bij de keuze van in te zetten gewasbeschermingsmiddelen met hun milieueigenschappen en selectiviteit, alsmede met de gevolgen daarvan voor de arbeidsbescherming bij en na toepassing van die middelen;
- c. het pleksgewijs toedienen van gewasbeschermingsmiddelen;
- d. het toepassen van systemen voor lage dosering van gewasbeschermingsmiddelen bij onkruidbestrijding; en
- e. rekening houden met (extreem) natte omstandigheden door zoveel mogelijk gebruik te maken van een systeem met spuitbanen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 1a
Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1, eerste en tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer.
Hoofdstuk 2. Taken van het college
Hoofdstuk 3. Aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen en biociden
§ 1. Te leveren gegevens
§ 2. Beslistermijnen
Hoofdstuk 4. Beoordeling van aanvragen
§ 1. Beoordeling van aanvragen inzake gewasbeschermingsmiddelen
§ 2. Beoordeling van aanvragen inzake biociden
Hoofdstuk 5. Handel en gebruik
§ 2. Beoordeling van aanvragen inzake biociden
§ 2. Invoer en doorvoer
§ 3. Aanprijzing en administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden
§ 2. Invoer en doorvoer
§ 3. Administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
§ 3a. Afleveren biociden
§ 4. Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Bijlage. bij artikel 26, tweede lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Beginselen van goede gewasbeschermingspraktijken en geïntegreerde bestrijding als bedoeld in artikel 26, tweede lid.
Op het gebied van preventie:
- a. het inzichtelijk maken van de grondgebonden ziekten, plagen en onkruiden die zich, gelet op het soort grond waarop geteeld wordt, redelijkerwijs in de betrokken gewassen kunnen voordoen;
- b. het gebruiken van ziekten- en plaagvrij uitgangsmateriaal;
- c. het bij voorkeur gebruiken van rassen die resistent zijn tegen ziekten en plagen;
- d. het treffen van bedrijfshygiënische maatregelen;
- e. het hanteren van beheersings- en bestrijdingsstrategieën tegen aaltjes; en
- f. het toepassen van vrucht- en teeltwisseling met het oog op het realiseren en instandhouden van een goede bodemkwaliteit en diversiteit van bodemorganismen.
Op het gebied van het vaststellen van de noodzaak tot bestrijding:
het uitvoeren van gewasinspecties.
Op het gebied van bestrijding zonder toepassing van gewasbeschermingsmiddelen:
- a. het inzetten van natuurlijke ziektebestrijders en plaagbestrijders alsmede het instandhouden of bevorderen van hun activiteiten; en
- b. het toepassen van mechanische en andere vormen van onkruidbestrijding.
Op het gebied van toepassen van gewasbeschermingsmiddelen:
- a. het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij voorkeur door middel van zaadbehandeling, plant- of pootgoedbehandeling dan wel stekbehandeling;
- b. het rekening houden bij de keuze van in te zetten gewasbeschermingsmiddelen met hun milieueigenschappen en selectiviteit, alsmede met de gevolgen daarvan voor de arbeidsbescherming bij en na toepassing van die middelen;
- c. het pleksgewijs toedienen van gewasbeschermingsmiddelen;
- d. het toepassen van systemen voor lage dosering van gewasbeschermingsmiddelen bij onkruidbestrijding; en
- e. rekening houden met (extreem) natte omstandigheden door zoveel mogelijk gebruik te maken van een systeem met spuitbanen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 17a. Bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden
Een bewijs van vakbekwaamheid inzake biociden als bedoeld in artikel 71, tweede en vierde lid, van de wet wordt verstrekt aan de persoon die voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen voorwaarden inzake:
- a. de distributie van gasvormige en gasvormende biociden,
- b. de bestrijding van mollen en woelratten,
- c. het afweren of bestrijden van een dierplaag,
- d. het bestrijden van een houtrotverwekkende schimmel, of
- e. het toepassen van gasvormige en gasvormende biociden, met uitzondering van de bestrijding van mollen en woelratten als bedoeld in onderdeel b.
De ondernemer van een bedrijf of hoofdverantwoordelijke voor een instelling is vrijgesteld van een bewijs van vakbekwaamheid voor handelingen met betrekking tot biociden:
- a. die niet zijn genoemd in het eerste lid, of
- b. die zijn genoemd in het eerste lid en die worden uitgevoerd door:
- 1°. een bedrijfsvoerder die in dienst is en die beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid, of
- 2°. een bedrijf dat voor de ondernemer een biocide toepast en waarvan de persoon die de biocide distribueert aan klanten of toepast, beschikt over een daartoe verstrekt bewijs van vakbekwaamheid als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 71, eerste, tweede en derde lid, van de wet, is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde gevallen.
Het bewijs van vakbekwaamheid vermeldt de volledige naam, het adres, de woonplaats en de geboortedatum van betrokkene en kan een opsomming bevatten van onderwerpen waarvan kennis is verworven en op welk niveau.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in de artikelen 71, tweede lid, van de wet.
§ 2. Invoer en doorvoer
§ 3. Aanprijzing en administratie van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden
§ 4. Goede praktijken, geïntegreerde gewasbescherming en juist gebruik
Artikel 27a. Gebruik van prioritaire gevaarlijke stoffen
Een gewasbeschermingsmiddel dat een prioritaire gevaarlijke stof bevat als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2000/60/EG wordt niet gebruikt in de nabijheid van een oppervlaktewaterlichaam of in gebieden waarvoor in de omgevingsverordening regels zijn gesteld om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water, bedoeld in artikel 2.18, aanhef en onder c, van de Omgevingswet.
Artikel 27b. Gewasbescherming buiten de landbouw
Het is een professionele gebruiker niet toegestaan om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen.
Het eerste lid is niet van toepassing in bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden of omstandigheden voor zover het een toepassing van een gewasbeschermingsmiddel betreft:
- a. die noodzakelijk is voor een veilige exploitatie van bedrijfsmatige activiteiten of inrichtingen;
- b. die noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu; of
- c. op specifieke terreinen voor recreatieve doeleinden of voor het beoefenen van sport die vanwege hun aard of omvang redelijkerwijze niet op een andere wijze kunnen worden onderhouden.
Bij ministeriële regeling kunnen voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de gebieden en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid.
Het eerste lid geldt niet voor land- en tuinbouwbedrijven die gewassen telen of kweken.
Artikel 27c. Middelen met laag risico bij het brede publiek of kwetsbare groepen
Vervallen
Artikel 27d. Waarschuwingen in recent behandelde gebieden
Indien een gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarvoor in het gebruiksvoorschrift bij de toelating een wachttermijn voor herbetreding is bepaald, zorgt een professionele gebruiker er voor dat andere personen op het bedrijf weten van die wachtttermijn en voor welke arealen van het bedrijf die wachttermijn geldt.
§ 6. Technieken reiniging van verpakkingen
Artikel 32a. Reinigingsplicht verpakkingen
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de terugwinning of verwijdering van restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit de verpakkingen ervan.
§ 1. Handhaving
Artikel 33a. Bestuurlijke boetes
Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister regels omtrent de indeling van boetes in de volgende categorieën:
- a. € 50 tot € 250;
- b. € 250 tot € 500;
- c. € 500 tot € 1.000;
- d. € 1.000 tot € 10.000.
Bij het onderbrengen van overtredingen binnen de in het eerste lid genoemde categorieën wordt ten minste onderscheid gemaakt naar de functie van de overtreder.
In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een hogere boete vaststellen, indien de omstandigheden van het geval of de ernst van de overtreding daartoe aanleiding geven.
§ 5. Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen
Artikel 37a. Gegevensbescherming
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de duur van de gegevensbescherming bedoeld in artikel 47, vijfde lid, van de wet.
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Bijlage. bij artikel 26, tweede lid, van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 8a. Beoordelingsmethoden
Het college hanteert in het kader van de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van verordening (EG) 1107/2009, slechts de in de artikelen 8c en 8e tot en met 8g en de in bijlage 1 bedoelde beoordelingsmethoden, voor zover een Europees richtsnoer dat is vastgesteld volgens de procedure, bedoeld in artikel 77 van die verordening, geen beoordelingsmethode over hetzelfde onderwerp bevat.
Onze Minister van Economische Zaken doet mededeling in de Staatscourant van de vaststelling of wijziging van een in een Europees richtsnoer opgenomen beoordelingsmethode als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8b. Blootstelling als gevolg van professioneel gebruik
Vervallen
Artikel 8c. Blootstelling als gevolg van niet-professioneel gebruik
Het college schat de kwantitatieve blootstelling aan het gewasbeschermingsmiddel voor de toepasser van een middel bestemd voor niet-professioneel gebruik, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 545/2011, bijlage, deel A, punt 7.2.1.1, zonder rekening te houden met het effect van persoonlijke beschermingsmaatregelen.
Artikel 8d. Omstander beroepshalve aanwezig
Vervallen
Artikel 8e. Uitspoeling
Het college komt bij de toepassing van het uniforme beginsel, bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, bijlage, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.2, tot het oordeel dat een gewasbeschermingsmiddel geen onaanvaardbaar effect op het milieu heeft als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) 1107/2009 indien bij de toepassing van dit beginsel wordt aangetoond dat:
- a. de concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct in het grondwater gelijk is aan of lager is dan 0,1 μg/liter bij toepassing van één van de volgende methoden van beoordelen van het gewasbeschermingsmiddel:
- 1°. een berekening met het model PEARL voor het FOCUS Kremsmünster scenario, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
- 2°. een berekening met het model GeoPEARL, bedoeld in bijlage 1 onder 12.
- 3°. een toetsing aan metingen van concentraties in het bovenste grondwater,
- 4°. een berekening voor de verzadigde zone, bepaald volgens een rekenvoorschrift waarbij wordt uitgegaan van een afbraaksnelheid volgens de eerste orde kinetiek na 4 jaren op 10 meter diepte,
- 5°. een toetsing aan metingen van concentraties in het diepere grondwater op minimaal 10 meter beneden het maaiveld, of
- b. bij het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in een grondwaterbeschermingsgebied de maximaal toelaatbare concentratie van een werkzame stof, een relevant reactieproduct of een relevant afbraakproduct van 0,01 μg/liter gebaseerd op een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 1 tot en met 3 niet wordt overschreden, tenzij met nadere gegevens aan de hand van een berekening of toetsing als bedoeld in onderdeel a, onder 3, 4 of 5, wordt aangetoond dat in grondwaterbeschermingsgebieden de waarde van 0,1 μg/liter niet wordt overschreden.
Artikel 8f. Driftcijfers
Bij de risicobeoordeling voor waterorganismen, vogels, zoogdieren, niet-doelwitarthropoden, niet-doelwitplanten of oppervlaktewater bestemd voor de bereiding van drinkwater, hanteert het college specifieke driftcijfers. Het college stelt deze cijfers vast en maakt hen bekend op zijn website.
Artikel 8g. Beoordeling risico drinkwater
Het college beoordeelt bij de toepassing van het uniforme beginsel als bedoeld in uitvoeringsverordening (EU) 546/2011, deel I, onderdeel C Besluitvorming, punt 2.5.1.3, aan de hand van de beoordelingsmethoden, bedoeld in bijlage 1 onder 14 en 15.
Hoofdstuk 5. Handel en gebruik
Artikel 25a. Bijhouden van registers van gewasbeschermingsmiddelen
Bij regeling van Onze Minister kunnen ter uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in artikel 67 van verordening (EG) 1107/2009, regels of nadere regels worden gesteld met betrekking tot de registratie van de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, de opslag of het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 25b. Informatieverstrekking niet-professioneel gebruik
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld ter uitvoering van artikel 73, vierde lid, van de wet.
§ 5. Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen
§ 6. Technieken reiniging van verpakkingen
§ 6. Verpakkingen
Artikel 32b. Keuring van apparatuur
Apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt uitsluitend gebruikt indien zij voldoet aan de eisen van bijlage II bij richtlijn 2009/128/EG en daarvan blijkt door middel van een officieel goedkeuringsbewijs.
Onze Minister kan bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de keuring van in gebruik zijnde apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder regels omtrent de keuringsfrequentie, de keuringseisen, de keuringsinstanties, het in rekening te brengen tarief voor de keuring en voor de afgifte van het officiële keuringsbewijs, alsmede de aanwijzing van apparatuur waarop het eerste lid niet van toepassing is, dan wel een afwijkende keuringsfrequentie van toepassing is.
Hoofdstuk 6. Handhaving en overgangsperiode
§ 7. Keuring van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
§ 2. Overgangsperiode
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Bijlage 1. behorende bij artikel 8a, eerste lid
| Methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen | Methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen |
|---|---|
| 1. | Vervallen. |
| 2. | Vervallen. |
| 3. | Vervallen. |
| 4. | Vervallen. |
| 5. | Vervallen. |
| 6. | Vervallen. |
| 7. | Vervallen. |
| 8. | Vervallen. |
| 9. | Vervallen. |
| 10. | Vervallen. |
| 11. | Vervallen. |
| Residuen | |
| – | |
| Milieu | |
| 12. | Van der Linden, A.M.A et al (2004). The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils., RIVM report 601450019/2004. |
| 13. | Adriaanse, P.I. et al, (1996). Fate of pesticides in field ditches: the TOXSWA simulation model. Alterra-rapport nr. 023. |
| 14. | Adriaanse, P.I. et al (2008). Development of an assessment methodology to evaluate agricultural use of plant protection products for drinking water production from surface waters – a proposal for the registration procedure in the Netherlands. Alterra-rapport nr. 1635, ISSN 1566-7197. |
| 15. | Ctb (2005) Tijdelijke beoordelingsmethodiek drinkwatercriterium |
| 16. | Linders, J.B.H.J.; Van der Linden, A.M.A. and Stienstra, Y.J. [2010]. Surface water intended for the abstraction of drinking water after use of plant protection products on hard surfaces. Evaluation of plant production products. RIVM report 601450021/2010 en corrigendum Van der Linden [RIVM]. |
Bijlage 2. , behorend bij artikel 8b, tweede lid
Vervallen
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 5. Toepassingsmethoden, -technieken en -materialen
§ 6. Technieken reiniging van verpakkingen
§ 7. Keuring van apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
Hoofdstuk 6. Handhaving
Hoofdstuk 7. Overgangsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Bijlage 1. , behorende bij artikel 8a, eerste lid
| Methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen | Methoden voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen |
|---|---|
| Humane toxicology | |
| 1. | EUROPOEM I. (1996). The development, maintenance and dissemination of a European Predictive Operator Exposure Model (EUROPOEM) database. Draft final report, Commissie-document 7857/VI/97. |
| 2. | EUROPOEM Re-entry: Post application exposure to pesticides of workers in agriculture, Report of the re-entry workgroup, EUROPOEM II project, 2002; FAR3, CT96-1406, Draft Report. |
| 3. | EUROPOEM Bystander: Bystander working group report. EUROPOEM II project, 2002, Draft report. |
| 4. | Van Hemmen, JJ. (1992) Assessment of occupational exposure to pesticides in agriculture. Part I General aspects. Part II Mixing and loading. Part III Application. S-reeks S141 1/3, Ministerie SZW, Den Haag. |
| 5. | Van Goldstein Brouwers, YGC, Marquart, J, Van Hemmen, JJ. (1996) Assessment of occupational exposure to pesticides in Agriculture. Part IV Protocol for the use of generic exposure data. TNO Voeding, Rijswijk, Nederland, TNO report V 96.120. |
| 6. | Lundehn, J. R., Westphal, D., Kieczka, D., Krebs, B., Löcher-Bolz, S., & Maasfeld, W. (1992). Uniform principles for safeguarding the health of applicators of plant protection products (Uniform principles for operator protections); Mitteilungen aus der Biologischen Bundesanstalt für Land- und Forstwirschaft Bundesrepubliek Deutschland, Heft no. 277, Berlin, Germany. |
| 7. | Snippe R.J., Drooge H.L. van, Schipper H.J., Pater A.J. de, Hemmen J.J. van, (2002). Pesticide exposure assessment for registration purposes. TNO-report V3642. (2002) |
| 8. | RIVM CONSEXPO 4.1 |
| 9. | UK-POEM 07. www.pesticides.gov.uk |
| 10. | L.C.H. Prud’homme de Lodder et al (2006). Assessment of secondary exposure to lawn pesticides. RIVM SIR report 09709A00. |
| 11. | Duyzer, J., , van der Staay, M., Weststrate, H., Boertjes, B., Hollander, K. and Verhagen, H., 2004. De blootstelling van omwonenden van kassen aan gewasbeschermingsmiddelen via de lucht. TNO-rapport, R 2004/517: 72 pp. |
| Residuen | |
| – | |
| Milieu | |
| 12. | Van der Linden, A.M.A et al (2004). The new decision tree for the evaluation of pesticide leaching from soils., RIVM report 601450019/2004. |
| 13. | Adriaanse, P.I. et al, (1996). Fate of pesticides in field ditches: the TOXSWA simulation model. Alterra-rapport nr. 023. |
| 14. | Adriaanse, P.I. et al (2008). Development of an assessment methodology to evaluate agricultural use of plant protection products for drinking water production from surface waters – a proposal for the registration procedure in the Netherlands. Alterra-rapport nr. 1635, ISSN 1566-7197. |
| 15. | Ctb (2005) Tijdelijke beoordelingsmethodiek drinkwatercriterium |
Bijlage 1. , behorende bij artikel 8a, eerste lid
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)