Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Politie 1945–1993 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Type Archiefselectielijst
Publication 2012-04-05
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 september 2007, aca-2007.03991/4);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Politie over de periode 1945–1993’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor het beleidsterrein ‘politie’, 1945–1993

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van het handelen van de zorgdragers

Minister van Justitie,

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Minister van Algemene Zaken,

Minister van Buitenlandse Zaken,

Minister van Financiën,

Minister van Defensie,

Minister van Economische Zaken,

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Minister van Verkeer en Waterstaat,

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

op het beleidsterrein ‘politie’

in de periode 1945–1993

Versie SDU

Oktober 2007

Ministerie van Justitie

Project Wegwerken Archiefachterstanden (PWAA)

in samenwerking met Nationaal Archief

Lijst van afkortingen

Ab 1995: Archiefbesluit 1995

ACW: Adviescentrum Wagenparkbeheer Politie

AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur

APB: Algemeen Politieblad

ARA: Algemeen Rijksarchief

ARBARP: Ambtenarenreglement voor de bijzondere ambtenaren van rijkspolitie

ARRP: Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie

ARGP: Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie

AVD: Algemene Verkeersdienst Rijkspolitie

Aw 1995: Archiefwet 1995

Awb: Algemene wet bestuursrecht

BSD: basis-selectiedocument

CID: Criminele Informatiedienst

CRI: Centrale Recherche Informatiedienst

GOP: Georganiseerd Overleg Politie

GVP: Geneeskundige Verzorging Politie

KB: Koninklijk Besluit

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

LSOP: Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

PB: Politiebesluit

PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

PTD: Politietechnische Dienst der Rijkspolitie

PVD: Politie Verbindingsdienst

PW: Politiewet

RAD: Rijksarchiefdienst

RDB: Recherchedienst Betalingsverkeer

RIO: rapport institutioneel onderzoek

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

VDKH: Veiligheidsdienst van het Koninklijk Huis

Overheidsorgaan dat een rol speelt op een beleidsterrein

Complex van activiteiten, gericht op het tot stand brengen van een product, dat een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid

De selectiebeslissing ‘(blijvend) te bewaren’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

De selectiebeslissing ‘(op termijn) te vernietigen’ ten aanzien van de archiefbescheiden die de neerslag vormen van een gewaardeerde handeling

1. Verantwoording

1.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

1.2 Definitie van het beleidsterrein

In artikel 28 van de Politiewet 1957 staat de taak van de politie algemeen omschreven. ‘De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregelen te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen, die deze behoeven’. De handhaving van de rechtsorde kan onderverdeeld worden in twee onderling verweven componenten: de handhaving van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.

Handhaving van de openbare orde is de zorg voor de naleving van regels, bij niet naleving waarvan de orde en rust in het openbare leven wordt verstoord. Dit omvat enerzijds het voorkomen of beëindigen van verstoringen van de openbare orde en anderzijds de algemene, bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving, bijvoorbeeld door middel van vrijheidsbeperkende maatregelen of inbeslagneming.

Strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is in aanleg repressief gericht. Het omvat hoofdzakelijk de daadwerkelijke voorkoming, de opsporing, de beëindiging, de vervolging en berechting van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van beslissingen van de rechter of het openbaar Ministerie in strafzaken.

Ook de hulpverlenende taak van de politie hangt samen met haar opdracht de rechtsorde te handhaven. Hieronder kan men verstaan het verlenen van bijstand en raad aan het publiek, bijvoorbeeld het waarschuwen voor dreigende calamiteiten, het oplossen van noodsituaties of het verwijzen naar andere hulpverlenende instanties.

1.3 Afbakening van het beleidsterrein

Zoals hierboven staat beschreven, kan de taak van de politie worden omschreven als het handhaven van de rechtsorde en het verlenen van hulp. De politie is daarmee onderdeel van het Nederlandse rechtssysteem. Het beleidsterrein ‘politie’ heeft daarom veel raakvlakken met de andere beleidsterreinen die onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie vallen. Ook op andere beleidsterreinen dan ‘politie’ komt de rechtsorde namelijk aan bod.

In sommige gevallen, zoals in situaties van oorlog of van rampen wordt de rechtsorde echter niet gehandhaafd maar hersteld. Verder is op bepaalde beleidsterreinen de handhaving van de rechtsorde wel een taak, maar is uitvoering ervan een voorwaarde om het doel van het overheidsbeleid op die beleidsterreinen te bereiken. Zo moet de politie de uitvoering van de zogenaamde bijzondere wetten controleren, zoals de Opiumwet, de Drank- en horecawet, de Vreemdelingenwet, de Wet wapens en munitie, de Wet op de kansspelen, de Winkelsluitingswet, de Visserijwet, het Besluit Toezicht handel te water, de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties.1De handelingen die ingevolge deze wetten worden verricht, worden behandeld in RIO’s over de afzonderlijke beleidsterreinen. Het einddoel van de uitvoering van deze taak is niet de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde of hulp aan hen die deze behoeven. Controle op de handhaving van de bijzondere wetten is slechts een middel om het einddoel te bereiken. Zo is bijvoorbeeld het einddoel van de Visserijwet is beheer van de visstand.

Om de primaire politietaken te kunnen verrichten, moeten ook secundaire taken verricht worden. Voorbeelden hiervan zijn logistiek, personeels-, informatie- en financieel beheer. Deze ondersteunende taken behoren tot andere beleidsterreinen en worden dus behandeld in andere rapporten. Wanneer echter deze secundaire politietaken op een bijzondere manier worden verricht, komen deze taken en de daaruit voortvloeiende handelingen in dit RIO aan de orde. Zo bestaat er een personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid dat specifiek gericht is op de politie.

1.4 Historische ontwikkeling op het beleidsterrein

Volgens de Gemeentewet van 1851 was de politiezorg gescheiden in een gemeentelijke politiezorg en een rijkspolitiezorg. De gemeentelijke politiezorg rustte op de plaatselijke verordeningen en omvatte alles wat het huishoudelijk belang van de gemeente betrof. Alles wat het bovenlokaal belang raakte en te maken had met de handhaving van zogenaamde Rijkswetten, kwam rijkspolitiezorg te heten.

De totstandkoming van de Gemeentewet in 1851 mag worden gezien als het begin van de discussie over het politiebestel die zich tot op heden voortsleept, met slechts een korte tussenpoos gedurende de Duitse bezetting. Het duale bestel bleek een bron van ongenoegen, zowel binnen de politie als daarbuiten. Er bestond veel onduidelijkheid over wie bevoegd was voor welke taak. Verder werkte het verdeelde bestel onderlinge concurrentie in de hand en kwamen zaken als bijvoorbeeld de opbouw van het politieonderwijs nauwelijks van de grond. Meerdere onderzoekscommissies beten tussen 1851 en 1940 hun tanden stuk op dit ‘politievraagstuk’. De vraag welke organisatievorm voor de politie de beste zou zijn bleef in wezen onbeantwoord. Het was uiteindelijk de Duitse bezetter die in 1940 een abrupt einde maakte aan het duale stelsel en in 1942 de Staatspolitie invoerde.

Na de bezetting ging de discussie over het politievraagstuk weer op dezelfde voet voort. Om de politieorganisatie na de Duitse bezetting te regelen nam de Nederlandse regering in Londen het Buitengewoon Politiebesluit (Stb. 1944, E 123). Dit besluit bestempelde alle politiezorg tot rijkspolitiezorg en plaatste de gehele politie onder de leiding van de Minister van Justitie. Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250). Het was voor het eerst in de Nederlandse politiegeschiedenis dat er één regeling voor ongeveer het gehele algemene politiewezen werd gegeven, zij het dat het Politiebesluit met grote haast en vlak voor de heropening van het Parlement tot stand kwam. In die zin is dit besluit herhaaldelijk als een antiparlementaire daad aangemerkt.

Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

Het Politiebesluit bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

De periode tot aan de jaren zestig was er één van wederopbouw. Dat gold niet alleen voor Nederland als geheel, dat zich in rap tempo herstelde van de bezettingstijd, maar evenzeer voor het politieapparaat. De Nederlandse politie was de bezetting niet ongeschonden uitgekomen. Politiemensen waren direct of indirect betrokken geweest bij de maatregelen van de Duitse bezetter. Direct na de bevrijding werd dan ook een proces van zuivering in gang gezet. De afwikkeling van dit proces nam meer tijd in beslag dan men aanvankelijk in regeringskringen had geschat. Om het personeel aan te vullen werden tal van maatregelen getroffen. Zo werden onder meer de toelatingseisen verlaagd. Het personeelstekort droeg ook bij tot het nemen van het eerder genoemde Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie.

Zowel bij de gemeentepolitie als bij het Korps Rijkspolitie kwamen in de eerste naoorlogse jaren tal van specialismen van de grond. Bij de gemeentepolitie gebeurde dit veelal op lokaal niveau. De sturing van bovenaf was gering. Bij het Korps Rijkspolitie lag dit anders. Hier had de Minister van Justitie als direct verantwoordelijk bewindspersoon en als budgethouder wel een grote invloed op de totstandkoming van specialistische onderdelen. Bij de oprichting werden reeds op districtsniveau verkeersgroepen samengesteld. Aanvankelijk hadden deze nog een geringe omvang, maar vanwege de snelle groei van de automobiliteit en het wegenverkeersnet groeiden ook deze eenheden uit tot volwassen onderdelen. Tussen 1959 en 1961 werden de verkeersgroepen grondig gereorganiseerd en uitgebreid.

Voor wat betreft de uitvoering van de recherchetaak besloot de Minister van Justitie in november 1946 om aan iedere districtscommandant twee ambtenaren voor recherchewerkzaamheden toe te voegen. In de loop van de jaren vijftig werd de recherchetaak verbreed.

Op het terrein van de grootschalige ordehandhaving was er gedurende de jaren veertig en vijftig nog nauwelijks behoefte aan een vorm van specialisme. Was er ergens sprake van een rel dan verleende onderdelen van gemeente- of rijkspolitie bijstand. Zij waren hier niet speciaal voor opgeleid. Bij de parlementaire behandeling van de Politiewet 1957 sprak men voor het eerst over de noodzaak van speciale eenheden. Dit omdat de Koninklijke Marechaussee aan de burgerlijke politietaak zou worden onttrokken. De eerste Mobiele Eenheden werden In 1959 opgericht.

In 1969 presenteerde de regering haar eerste voorstellen voor een herziening van de Politiewet van 1957. Zij deed dit in het boekje Herziening Politiewet. Dit ontwerp sprak onder meer over de inrichting van gemeenschappelijke korpsen van gemeentepolitie in het stedelijk gebied. De korpsen werden zodoende tot samenwerking gedwongen. De bevoegdheden van de centrale overheid met betrekking tot de organisatie van gemeentepolitiekorpsen werden in dit ontwerp uitgebreid. Binnen en buiten het parlement maakte men korte metten met deze voorstellen.

De stijgende criminaliteit stelde de politie voor geheel nieuwe problemen. De oplossing leek dus te liggen in een schaalvergroting van de politieorganisatie. Dit uit oogpunt van doelmatigheid, zodat een einde zou kunnen worden gemaakt aan de wildgroei van (te) kleine gemeentelijke politiekorpsen. Beide Ministers dachten aan de instelling van een gedeconcentreerde regionale politie, met daarnaast een aantal landelijk opererende diensten korpsen, waaronder een recherche en een verkeersdienst.2J.M. Boek, 284 Het was echter niet mogelijk om afstand te doen van de bestaande gezagsdualiteit. Er bleef in hun ogen een wezenlijk verschil bestaan tussen de administratieve en de justitiële onderdelen van de politietaak. Dit betekende dat onderdelen van de politietaak over de beide politieMinisteries verdeeld zouden blijven.

De Tweede Kamer bleek vooral over dit laatste punt te vallen. Een aantal Kamerleden zetten zich af tegen de handhaving van het gezagsdualisme. Zij waren van opvatting dat de preventieve kant van het politiewerk steeds meer en de repressieve kant steeds minder belangrijk werd. Mocht men dus een einde aan het gezagsdualisme dan zou met zich meebrengen dat het Ministerie van Justitie zijn zeggenschap over de politie zou verliezen.

Het wilde niet vlotten. Ondanks herhaalde beloften slaagde de regering er pas in mei 1981 in om een nieuw voorstel voor een herziene Politiewet aan de Tweede Kamer voor te leggen. In dit voorstel waren rijks- en gemeentepolitie tot één geheel gevormd, verdeeld over 26 regionale korpsen, conform de nieuwe provinciale herindeling. Het algemeen beheer van de provinciale politie kwam in handen van de commissaris der Koningin. De officieren van justitie behielden hun verantwoordelijkheid voor de opsporing van strafbare feiten. Daarnaast was er ruimte voor de genoemde landelijke diensten. De centrale overheid zou tevens bevoegd zijn om in kwesties als opleiding, bewapening, uitrusting, materieelvoorziening, automatisering te beslissen. Het gezagsdualisme bleef aldus gehandhaafd. Volgens de rechtshistoricus Boek kwam dit voorstel er in grote lijnen neer op een politieorganisatie die op bestuurlijk grotere schaal werd georganiseerd, met afschaffing van het onderscheid rijks- en gemeentepolitie, maar met handhaving van de traditionele politiefunctie en daaraan verbonden gezags- en beheersstructuren.3J.M. Boek, 287

De gehele reorganisatie kon echter pas in gang worden gezet als de provinciale herindeling was ingevoerd. Dit was één van de zwakke punten in het plan. Door dit besluit verbond de regering de invoering van de regionale politie aan het welslagen van de bestuurlijke herindeling, en die laatste operatie was niet geheel onomstreden.

Vooruitlopend op de reorganisatie werden de korpsen uitgenodigd om samenwerkingsprojecten op te zetten, ten einde werkzaamheden te combineren en aan elkaar te wennen.4‘Nauwere samenwerking rijks- en gemeentepolitie in afwachting van gewestvorming’, in APB, 1975, jg. 124, no. 9, 207. In de loop van de jaren zeventig ontstonden meerdere van deze samenwerkingsprojecten, onder anderen in de agglomeratie Eindhoven en in het Gooi.

Naar aanleiding van het wetsvoorstel 1981 ontbrandde er wederom een felle politieke discussie, waarbij met name de PvdA van oordeel was dat de politiefunctie gezien zijn preventieve aard onderdeel moest uitmaken van het gehele bestuurlijke beleid. De partij was dan ook een aanhanger van de opvattingen van de POS. Zij wilde een politie die zo dicht mogelijk bij de burger stond, het liefst kleinschalig georganiseerd in wijkteams. Hiermee nam zij stelling tegen de grootschalig georganiseerde provinciale politie.

Toen in 1985 duidelijk werd dat de provinciale herindeling niet door zou gaan, besloot de regering het wetsvoorstel voor een provinciale politie definitief in te trekken. In de nota De toekomst van het politiebestel maakten de Ministers Korthals Altes (Justitie) en Rietkerk (Binnenlandse Zaken) dit besluit bekend. Hen restte niets anders dan de handhaving van het bestaande bestel van rijks- en gemeentepolitie. Tegelijkertijd gaven zij aan dat hen er alles aan gelegen was om de samenwerking tussen de beide onderdelen te intensiveren.

In mei 1986 ontving de Tweede Kamer een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van de Politiewet 1957. Uitgaande van de gewenste schaalvergroting richtte dit voorstel zich vooral op een uitbreiding van de samenwerking tussen de politiekorpsen. De beide politieMinisters konden op grond van deze wijziging regels geven met betrekking tot de samenwerking tussen de verschillende politiediensten, desnoods mochten zij voorbijgaan aan de beheersbevoegdheid van de burgemeester. De samenwerking zou zich vooral moeten bewegen op het terrein van recherche, het grootschalig optreden, de surveillance en de handhaving van bijzondere wetten. Door de grens voor gemeentepolitie op te trekken naar 40.000 zielen, sloot de regering de mogelijkheid voor oprichting van nog meer kleine korpsen van gemeentepolitie af.

Gedurende de jaren tachtig laaide de discussie over de sterkte opnieuw op. Dit gebeurde mede in het kader van het project Reorganisatie van de Rijksdienst, waarmee het Kabinet Lubbers I aanzette tot een efficiëntere bedrijfshuishouding binnen de overheidssector. Bij de politie deden verscheidene werkgroepen en commissies onderzoek naar de relatie tussen sterkte en bedrijfsvoering. De eerste was de werkgroep Verdeling sterkte gemeentepolitie die in 1984 werd ingesteld. Deze werkgroep stelde een nieuwe sterkteformule samen, waarbij andere criteria dan alleen het inwonertal van de gemeente bepalend werden voor de vaststelling van de sterkte.

In 1986 ging de Werkgroep Politie Budget (WPB) aan de slag. Deze werkgroep diende te zoeken naar beleidsalternatieven binnen het lopende politiebudget van beide politieMinisteries. De WPB richtte zich dus niet uitsluitend op de gemeentepolitie. Aan de hand van haar onderzoek adviseerde de WPB in 1987 om flink te snoeien in de organisatie en de sterkte van de politie. Accenten moesten worden verlegd. Zo zou er meer aandacht voor de automatisering moeten komen. Het advies tot personeelsvermindering viel niet overal in goede aarde. Voor de politiebonden was dit advies in ieder geval onbespreekbaar. Het Kabinet Lubbers II maakte echter bekend de aanbevelingen te zullen volgen en stuurden darmee aan op een regelrechte confrontatie met de politiebonden.

In het regeeraccoord voor het Kabinet Lubbers III van oktober 1989, presenteerde de nieuwe regering een blauwdruk voor een nieuwe politieorganisatie. Het stuk ging uit van een integratie van de rijks- en gemeentepolitie in regionale korpsen, grotendeels gebaseerd op de uitkomsten van de PKP. Een en ander betekende dat het Korps Rijkspolitie zou worden opgeheven. De dagelijkse politiezorg werd binnen het regionale korps, voor wat betreft de inzet van menskracht en materieel, zoveel mogelijk gedeconcentreerd en op lokaal niveau uitgeoefend. De burgemeester van de grootste gemeente binnen een regio zou in de regel optreden als korpsbeheerder. Over de landelijke beheersbevoegdheden bestond nog geen duidelijkheid, al lag het voor de hand dat deze bevoegdheid bij de Minister van Binnenlandse Zaken kwam te liggen. Zoals ook in de eerdere plannen al te berde was gebracht kwamen er op rijksniveau een nog nader te bepalen aantal diensten, instellingen en facilitaire bedrijven ten behoeve van de politie. Deze vielen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie.

In de loop van 1990 kregen de plannen meer structuur. Er kwamen 25 regiokorpsen een Korps Landelijke Politiediensten (KLPD). Het beheer in de regio kwam in handen van een korpsbeheerder, de burgemeester van de grootste gemeente in die regio. Hij voerde overleg met de officier van justitie. Een korpschef, meestal een hoofdcommissaris, kreeg de dagelijkse leiding over een regiokorps. Daarnaast kwam er een regionaal college voor beslissingen over de hoofdlijnen van het beleid. Hierin zaten alle burgemeesters uit de regio en de officier van justitie. De Minister van Binnenlandse Zaken werd verantwoordelijk voor de Nederlandse politie als geheel. Het Ministerie van Justitie bleef verantwoordelijk voor de opsporing. Hiermee bleef het gezagsdualisme gehandhaafd, ook al was er wel degelijk sprake van een verschuiving, waarbij de balans doorsloeg nar Binnenlandse Zaken. De Koninklijke Marechaussee kreeg in de nieuwe situatie weer een volledige politietaak. Zij zou de taken van het Korps Rijkspolitie op de burgerluchtvaartterreinen overnemen.

Het verkrijgen van voldoende politieke steun was geen probleem. Het merendeel der partijen had immers al zijn voorkeur uitgesproken voor een eenheidspolitie. Belangrijker was het creëren van voorwaarden waaronder het politiepersoneel akkoord zou gaan met de operatie. Daarom was de regering ook bereid om water bij de wijn te doen. Er kwam een Sociaal Akkoord dat garandeerde dat tijdens de reorganisatie niemand tegen zijn wil zou worden verplaatst en dat gedwongen ontslag uitsloot. Voorts zou de reorganisatie gepaard gaan met een algemene herwaardering van de functies op grond van een nieuw functiewaarderingssysteem dat in samenspraak met de politiebonden zou worden samengesteld. Er kwam een verbeterde medezeggenschapsregeling en tenslotte verdween het verschil in arbeidsvoorwaarden tussen executief en niet-executief personeel. Daarmee werd vrijwel aan alle eisen van de politiebonden tegemoet gekomen.5Zie: W.A.J. Gooren, De organisatie van de reorganisatie, Tilburg. In 1992 ging de reorganisatie van start. De afronding vond in april 1994 plaats.

Voor een uitgebreide historische ontwikkeling van het beleidsterrein politie wordt verwezen naar het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm..

1.5 Totstandkoming BSD

Voorafgaand aan het Basisselectiedocument (BSD) is er een institutioneel onderzoek verricht naar de taakontwikkeling van het Ministerie in de periode na 1940. Dit leidde tot het opstellen van het rapport institutioneel onderzoek (RIO) Handelen met de sterke arm, Rapport institutioneel onderzoek naar het beleidterrein ‘politie’ 1945–1993. Dit rapport is verschenen in 2000 in de PIVOT reeks onder nummer 100. De auteur van dit rapport is drs. M.J. Bagchus. De periode vanaf 1994 is beschreven in Handelen met de sterke arm deel II (PIVOT-rapport nummer 31). Tot deze scheiding is besloten omdat met de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 de organisatie van de politie en daarmee de handelingen, actoren en gegevens op het beleidsterrein ingrijpend gewijzigd zijn. Waar op deelbeleidsterreinen tussen beide RIO’s van overlap sprake is, wordt naar het desbetreffende rapport verwezen.

Het Nationaal Archief heeft het eerste RIO beoordeeld en geconcludeerd dat de context onvoldoende was. Het Ministerie van Justitie heeft de aanpassing van de context uitbesteed aan de Nederlandse Politie Academie (LSOP). Het aanvullend onderzoek naar de ontwikkeling van het beleidsterrein is in 2005 – 2006 uitgevoerd door drs. R.van der Wal, historicus en onderzoeker aan de Politieacademie. De context is uitgebreid en aan het BSD zijn een aantal handelingen toegevoegd (nrs. 2, 642, 258, 278, en 333).

Het nieuwe RIO is in september 2006 goedgekeurd door het Nationaal Archief. Het oorspronkelijke BSD is in 2006–2007 aangepast door (BSD-)medewerkers van PWAA. Aanvullend onderzoek naar de herkomst van commissies is uitgevoerd door mw. drs. L. Boer en mw. M. van de Kamp, BSD-medewerkers van PWAA. Redactionele werkzaamheden zijn uitgevoerd door mw. H. Yildirim, dhr. C. Carels, mw. C. Akkerveken en mw. M. Tollens.

Naar aanleiding van het driehoeksoverleg zijn een aantal zaken ten opzichte van het RIO gewijzigd.

Een aantal actoren die wel staan beschreven in het RIO zijn niet opgenomen in het BSD. De actoren burgemeester en Commissaris van de Koningin zijn opgenomen in het nog te verschijnen BSD Lagere Overheden. De Regi⁠stratiekamer is een ZBO en heeft een eigen selectielijst. De Raad voor de gemeentefinancien en de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën staan in het BSD Lagere overheden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van VROM gaven aan de vakMinistershandeling niet vast te willen stellen, omdat zij gebruik maken van een andere, relevante handeling.

Hiernaast zijn een aantal nieuwe handelingen opgenomen, met onderwerpen als de oprichting van de KLPD; terrorismebestrijding, overleg met lagere overheden en maatschappelijke vertegenwoordigingen. Voor de Commissie GOP zijn drie handelingen uit het vastgestelde BSD Politie deel II overgenomen. De nieuwe handelingen zijn doorgenummerd vanaf het RIO en beginnen bij nummer 644.

Namens het Ministerie van Justitie zijn de handelingen beoordeeld door:

Drs. G. Beks, projectleider, Directie Informatisering

Dhr. M. van Rijn, archiefonderzoeker, Directie Bedrijfsvoering & Ondersteuning Bestuursdepartement

Dhr. W.C. Kampers, medewerker, OM Arrondissement Den Haag

Dhr. H. van Kammen, adviseur Documentaire Informatie Voorziening, Korps Landelijke Politiediensten, Concerndienst Facilitair Bedrijf, Afdeling Advies & Beleid, Vakcluster Documentaire Informatie Voorziening

Dhr.drs. J.P.A. Kiemel, medewerker kabinet College van procureurs-generaal

1.6 Lijst van actoren

Op het beleidsterrein politie hebben zowel de Ministerie van Justitie als de Ministerie van Binnenlandse Zaken een groot aantal commissies opgericht. Omdat beide Ministers elk afzonderlijk verantwoordelijk zijn voor de deelbeleidsterreinen Rijkspolitie en Gemeentepolitie en de commissies vaak adviseren over het beleidsterrein politie in het algemeen, is niet in alle gevallen helder bij welk Ministerie het secretariaat van de commissies berust. Nader onderzoek naar de instellingsbesluiten bij het Ministerie van Justitie leverde niet in alle gevallen duidelijkheid op. Een aantal commissies zijn daarom voor alle zekerheid in de selectielijsten van beide Ministers opgenomen. Hieronder zijn ze opgesomd.

Bij nader onderzoek bij het Ministerie van Justitie naar de herkomst van onderstaande commissies bleek hiernaast dat een groot aantal niet was opgenomen. Omdat het te tijdrovend is om al deze commissies te beschrijven en aparte selectielijsten op te stellen, is een algemene handeling voor de actor ‘adviescommissies’ opgenomen (nr. 619). In de bijlage vindt u een overzicht van commissies die onder deze handeling vallen.

Gedurende het onderzoek doken ook een groot aantal stuur- en werkgroepen op: deze actoren vallen onder de handelingen van de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken.

Minister van Justitie

Procureur-Generaal

(Hoofd)officier van Justitie

hulpofficier van Justitie

Raad voor het KLPD in oprichting

Adviescommissies verkeerstoezicht

Voorlopige Raad voor de Centrale Recherche Informatiedienst

Commissie politiewetgeving (commissie Langemeyer)

Begeleidingscommissie samenwerking politie

Commissie van Begeleiding en Overleg inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

Commissie van Advies inzake opsporing georganiseerde misdrijven van terroristische aard

Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit

Begeleidingscommissie CID

Politiekledingcommissie

Commissie voor Georganiseerd overleg

Commissie Georganiseerd Overleg Politie

Algemene Dienstcommissie Korps Rijkspolitie

College van Advies inzake het overleg met de dienstcommissies in de diensteenheden bij het Korps Rijkspolitie en bij de overige diensten en instellingen ressorterende onder de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut (i.e. Raad van Beheer van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie)

Raad van Bestuur van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps Rijkspolitie en de gemeentepolitie/Nederlandse Politie Academie

Commissie van Gecommitteerden

Redactieraad APB

Adviescommissies

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Adviescommissies verkeerstoezicht

Commissie Politiewetgeving (commissie Langemeyer)

Stuurgroep Reorganisatie Politie

Commissie onderzoek kosten gemeentepolitie (Commissie Van Tuyll)

Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën

Raad voor de gemeentefinanciën

Begeleidingscommissie samenwerking politie

Centrale Commissie Misdaadvoorkoming

Politiekledingcommissie

Commissie Geneeskundige Verzorging Politie

Commissie van beroep Geneeskundige Verzorging Politie

Commissie Georganiseerd Overleg Politie

Commissie Georganiseerd Overleg LSOP

Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg

College van Advies Georganiseerd Overleg

Commissie als bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de politie

Commissie KLPD

Commissie van Advies Politiepersoneel

Centrale wervingscommissie gemeentepolitie

Raad van Beheer Rijksopleidingsinstituut

Raad van Bestuur Rijksopleidingsinstituur

Curatorium NPA

Commissie van Voorbereiding opleidingsinstituut

Selectiecommissie opleidingsinstituut

Begeleidingscommissie NPA

Examencommissie opleidingsinstituut

Commissie van Gecommitteerden

Begeleidingscommissie Opleidingsinstellingen

Begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren

Bestuursraad LSOP

Directie LSOP

Redactieraad APB

Adviescommissies

– Minister-President

– Minister van Defensie

– Minister van Financiën

– VakMinister

2. Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

3. Selectiecriteria

Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de onderstaande algemene selectiecriteria. Deze criteria zijn in 1997 door het Convent van Rijksarchivarissen vastgesteld en geaccordeerd door PC DIN en KNHG.

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd. Alsmede archiefbescheiden die te maken hebben met de verstoring van de openbare orde met landelijke betekenis.

Met betrekking tot persoonsdossiers wordt een afwijkende waardering gehanteerd wanneer het ‘belangrijke personen’ op het beleidsterrein betreft. De bewaarcriteria voor persoonsdossiers worden uitgewerkt in de nota ‘Persoonsdossiers: een geval apart’ (2006), vanaf pagina 11.

4. Verslag vaststellingsprocedure

In februari 2007 is het ontwerp-BSD door de Minister van Justitie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Minister van Algemene Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Defensie, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 1 augustus 2007 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief. Tevens is de selectielijst beschikbaar gesteld via de website van het Nationaal Archief en de website van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 25 september 2007 bracht de RvC advies uit (aca-2007.03991/4), hetwelk geen aanleiding heeft gegeven tot wijzigingen in de ontwerp-selectielijst.

Daarop werd het BSD op 8 oktober 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Projectdirecteur Project Wegwerken Archiefachterstanden (conform het convenant d.d. 30 mei 2006) namens de Minister van Algemene Zaken (C/S&A/07/2268), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/2269), de Minister van Buitenlandse Zaken (C/S&A/07/2491), de Minister van Defensie (C/S&A/07/2491), de Minister van Economische Zaken (C/S&A/07/2493), de Minister van Financiën (C/S&A/07/2494), de Minister van Justitie (C/S&A/07/2495), de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/2496), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/07/2497), de Minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/2498) en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/2499) vastgesteld.

5. Leeswijzer

Dit is het volgnummer van de handeling.

Dit nummer is overgenomen uit het RIO. Als het volgnummer van één of meerdere handelingen in het BSD afwijkt van het oorspronkelijke RIO-nummer, dan wordt deze vermeld in een concordans.

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid.

In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Bijvoorbeeld:

Het voorbereiden, coördineren en bepalen van het beleid inzake geluidshinder.

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Is geen specifiek beginjaar bekend dan wordt een beginjaar geschat, of 1945– genoemd. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht, indien bekend, kan op twee manieren worden vermeld.

(1)

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2 (Stb. 1947, H 423), Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid, lid 3 (Stb. 1969, 598), gewijzigd 1978 (Stb. 1978, 254), vervallen in 1986 (Stb. 1986, 1)

(2)

De overige gegevens (vindplaats, wijzigingen of vervallen kunnen worden vermeld in een overzicht van geraadpleegde wetten)

Bijvoorbeeld:

Reclasseringsregeling 1947, art. 9, lid 2, Reclasseringsregeling 1970, art. 8, lid 3

NB: Met vindplaats wordt de vermelding in het staatsblad of staatscourant bedoeld. Het verdient de voorkeur de vindplaats van de grondslag op te nemen in het handelingenblok. Een andere mogelijkheid is de vindplaats in het overzicht van wet- en regelgeving te vermelden. Duidelijk moet zijn op welke versie van een wet- of regeling een handeling gebaseerd is.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron (interne regelgeving, beleidsnota’s) worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.

Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct Toepassing is afhankelijk van de zorgdrager.

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer (een onderdeel van) het handelingenblok toelichting behoeft.

Waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn, zonodig aangevuld met een bewerkingsinstructie, bijvoorbeeld: ‘v 5 jaar na voltooiing project’.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

6. Actorenoverzicht

Op 8 november 1945 volgde het Politiebesluit (Stb. 1945, F 250), dat ten dele terugviel op het zo omstreden vooroorlogse duale politiebestel. Het eerste artikel van het Politiebesluit 1945 bepaalde dat de politie bestond uit de gemeentepolitie en uit het Korps Rijkspolitie. Rijks- en gemeenteveldwacht. De Koninklijke Marechaussee werd uit het bestel geschreven en zou zich alleen toeleggen op de militaire politietaak. Het Korps Politietroepen keerde niet meer terug.

Gemeente en rijkspolitie kregen ieder hun eigen bewakingsgebieden toebedeeld. De grote en middelgrote gemeenten (65 in totaal) waren het werkterrein van de gemeentepolitie. In de plattelandsgemeenten waakte de rijkspolitie. De algemene leiding, de organisatie en het beheer van de rijkspolitie kwam te berusten bij de Minister van Justitie. In gemeenten met gemeentepolitie werd de burgemeester belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie. De dagelijkse leiding over het Korps Rijkspolitie werd opgedragen aan de algemeen inspecteur. Het korps was georganiseerd in districten en groepen.

Het Politiebesluit van 1945 bepaalde dat ten aanzien van een aantal beheersaangelegenheden centrale beheersregelingen werden vastgesteld waaraan het bevoegd gezag (de burgemeester voor wat betreft de gemeentepolitie en de Minister van Justitie voor wat betreft de rijkspolitie) zich dienden te houden. Deze beheersbevoegdheid werd vanaf 1945 gedeeld door de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken. De Minister van Justitie was verantwoordelijk voor de rijkspolitie; de Minister van Binnenlandse Zaken voor de gemeentepolitie. Voor die tijd had de Minister van Binnenlandse Zaken slechts een bijrol op het beleidsterrein. Als gevolg van het politiebesluit nam dit Ministerie voortaan een gelijkwaardige rol in. Door de Kroon, op gemeenschappelijke voordracht van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken, bij gemeenschappelijke Ministeriële beschikking of in onderling overleg werden regels gegeven over beheerszaken als rechtspositie, tucht, benoembaarheideisen, opleiding, indeling en sterkte, werving, kleding, en bewapening.

De Minister van Defensie speelt een grote rol op het beleidsterrein politie en neemt actief deel aan de beleidsvorming. De taken van deze Minister zijn nauw verweven met die van de politie. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) ressorteert onder het Ministerie. Aan de Koninklijke marechaussee zijn een aantal politietaken opgedragen, zoals het waken voor de veiligheid van de leden van het Koninklijk Huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen; de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen; en de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van de Minister van Defensie en op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen (Stb. 1951, 92) ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen.

De Minister-president verleent eervol ontslag aan een bij KB benoemde ambtenaar van politie indien uit zijn gedragingen van zodanige gezindheid blijkt dat er geen voldoende waarborg aanwezig is dat hij zijn plicht getrouwelijk zal vervullen. Ook benoemt hij de (plaatsvervangende) leden van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie

De vakMinisters overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken over de aanwijzing van een bewakingskern.

De procureur-generaal bij het gerechtshof oefent er het openbaar Ministerie uit. Daarnaast was hij ingevolge het Politiebesluit 1945 en de Politiewet 1957 fungerend directeur van politie. Hij werd daarbij bijgestaan door een commissaris van rijkspolitie en een afdeling rijksrecherche. Bovendien viel van 1947 tot 1990 een afdeling van de postale recherche onder zijn gezag.

Bij het Politiebesluit 1945 kreeg de procureur-generaal het gezag over de rijkspolitie. Hij diende zich te overtuigen van de richtige uitoefening van de rijkspolitiezorg door alle onderdelen van de politie. De politiezorg tot handhaving van de openbare orde en rust geschiedde onder leiding en verantwoordelijkheid van de burgemeesters en voor zoveel nodig van de commissaris der koningin. De politiewet 1957 plaatste de procureur-generaal, fungerend directeur van politie, wat meer op afstand. Hij kreeg als taak toe te zien dat de politie in zijn ambtsgebied haar taak ten dienste van justitie en ter uitvoering van de wettelijke voorschriften, met de uitvoering waarvan de Minister van justitie is belast, naar behoren vervulde.

De officier van Justitie maakt deel uit van het Openbaar Ministerie en ziet toe op de opsporing van strafbare feiten door de politie. Daarnaast treedt hij op als openbaar aanklager.

Deze functionarissen konden door de Minister van Justitie worden aangewezen.

Hij had in ondergeschiktheid aan de Minister van Justitie de dagelijkse leiding van het Korps Rijkspolitie. Dit hield in dat hij belast was met het toezicht op en de zorg voor de organisatie en het beheer van het korps.

Het hoofd van de Afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie was belast met de landelijke coördinatie van de misdaadpreventie. In overleg met de Minister van Justitie wees de Minister van Binnenlandse Zaken een plaatsvervangend coördinator aan.

Ingevolge de CID-regeling (Stcrt. 1986, 141) is het hoofd van de Centrale Recherche Informatiedienst belast met het aanleggen en bijhouden van een bestand van criminele inlichtingen betreffende CID-subjecten, voor zover die inlichtingen van (inter)nationale betekenis zijn, alsmede het verstrekken van informatie aan de betrokken politiekorpsen.

Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Raad voor het KLPD in oprichting (Stcrt. 1992, 206)

Einddatum: 1 januari 1994

Opvolger: Zie Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 272–274.

Samenstelling: ambtelijk, interdepartementaal

Taak: het adviseren van:

Op grond van artikel 34i.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals ingevoegd bij Wet van 20 december 1968 (Stb. 734) werden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken commissies voor zaken van verkeerstoezicht ingesteld. Deze commissies hadden tot taak de Ministers gevraagd of ongevraagd te adviseren over bestuurlijke, justitiële of politie-technische aangelegenheden van verkeerstoezicht. Voorzitters en leden werden benoemd en ontslagen door de Ministers die ook voorzagen in het secretariaat. Bij Algemene Maatregel van Bestuur konden nadere regels over de taak, samenstelling en werkwijze van de adviescommissies verkeerstoezicht worden vastgesteld.

Voorbeeld van een dergelijke commissie was de Centrale Politie Verkeerscommissie. Zie hiervoor Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 276–277.

Ingesteld: art. 1 Instellingsbesluit voorlopige Raad voor de CRI (Stcrt. 1989, 208)

Einddatum: uiterlijk 1995

Voorzitter: mr. R.A. Gonsalves, procureur-generaal, fungerend directeur van politie bij het gerechtshof in Den Bosch

Samenstelling: vertegenwoordigers van het OM, openbaar bestuur en politie

Secretaris: een vertegenwoordiger van het Ministerie van Justitie. Artikel 6 van het instellingsbesluit bepaalt dat de bescheiden van de voorlopige raad zich dienen te bevinden in het centraal archief van het Ministerie van justitie

Taak:

Ingesteld: beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken dd 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

Einddatum: 1 januari 1949

Voorzitter: Prof. mr. G.E. Langemeyer, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie

Samenstelling: vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie, Binnenlandse Zaken en Defensie, Openbaar Ministerie, openbaar bestuur, rijkspolitie en gemeentepolitie

Secretaris: een ambtenaar van het Ministerie van Justitie en een van het Ministerie van Binenlandse Zaken

Taak: het aan de hand van de ontworpen politiewetgeving nagaan of hierin voldoende is gewaarborgd dat:

Ingesteld:

opgeheven: 1994

taak:

voorzitters:

leden:

opmerking: art. 6.2 van het instellingsbesluit bepaalt dat het archief bij de opheffing van de stuurgroep overgedragen wordt aan het hoofd van de algemene secretarie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Ingesteld: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 17 juli 1975 en 11 augustus 1975 (Stcrt. 172, 1975)

Opgeheven: beschikking Ministers van Binnenlandse Zaken en Financiën, repectievelijk van 11 december 1978 en 30 januari 1979 (Stcrt. 130, 1979)

Voorzitter: H.G.I. baron van Tuyll van Serooskerke, oud-burgemeester van Utrecht

andere leden: 8, namelijk vertegenwoordigers van de Ministeries van Binnenlandse Zaken (3), Justitie (1) en Financiën (2), gemeentelijke politiekorpsen (1) en de VNG (1)

secretaris: medewerker van het Bureau Administratieve en Financiële Zaken van de Directie Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

taak:

opvolger: werkgroep Onderzoek vergoeding kosten gemeentepolitie, 1982-1984

opmerkingen: Artikel 2 van de opheffingsbeschikking stipuleert dat de archiefbescheiden van de commissie worden opgenomen in de archieven van het departement van Binnenlandse Zaken

De raad voor de gemeentefinanciën was ingesteld ingevolge de Financiële-Verhoudingswet 1960 en 1984 (art. 40–50 Stb. 1983, 650). Voorganger was de Rijkscommissie van advies voor de gemeentefinanciën ingesteld bij art. 37 der wet van 15 juli 1929 (Stb. 388), gewijzigd bij wet van 24 januari 1952 (Stb. 39). Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 301–302.

Ingesteld: beschikking Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, repectievelijk van 27 april 1978 en 24 mei 1978 (Stcrt. 105, 1978)

Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2), Landelijk Contact van Hoofdcommissarissen en Commissarissen van Gemeentepolitie (1), Openbaar Ministerie (1), korps rijkspolitie (1), Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (2), Ministerie van Justitie (1), Ministerie van Binnenlandse Zaken (1) en adviserende leden (2)

Secretaris: een medewerker van het Ministerie van Justitie en een medewerker Ministerie van Binnenlandse Zaken

Taak:

Ingesteld:

Voorzitter: daartoe aangewezen landelijk officier van justitie

andere leden: 12, ambtenaren van gemeente- en rijkspolitie, marechaussee, CRI, BVD en Binnenlandse Zaken

taak:

Ingesteld:

opgeheven: De vaststelling van de Commissie is komen te vervallen bij de wijziging van 16 november 1989 (Stcrt. 229) van de Samenwerkingsregeling bestrijding terroristische misdrijven Stcrt. 58, 1981)

voorzitter: Mr. W.A. baron Van der Feltz, Procureur-Generaal bij het gerechtshof te Den Haag

andere leden: 5 vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie en het Binnenlands Bestuur

taak:

Ingesteld: Beschikking Instelling Centrale Commissie Misdaadvoorkoming (Stcrt. 1980, 4)

Voorzitter: Hoofd van de Hoofdafdeling Opsporingsbeleid en Criminaliteitsbestrijding van de Directie Politie van het Ministerie van Justitie

Secretaris: medewerker van de afdeling Voorkoming Criminaliteit van het Ministerie van Justitie

andere leden: 11 vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, Openbaar Ministerie, Binnenlands Bestuur en politie

taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken ten aanzien van het met betrekking tot de misdaadvoorkoming te voeren beleid

Ingesteld: bij beschikking Instelling Landelijke Contactcommissie Voorkoming Criminaliteit (Stcrt. 1980, 4))

Samenstelling: ten hoogste 20 leden, waaronder voorzitter en secretaris, afkomstig uit belanghebbende groeperingen en instanties uit de maatschappij. De leden worden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd en ontslagen.

Taak: het gevraagd of ongevraagd adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken omtrent door de overheid te treffen maatregelen op het gebied van voorkoming van de criminaliteit alsmede omtrent het opheffen van knelpunten bij de uitvoering van reeds getroffen maatregelen

Ingesteld: art. 15.1 CID-regeling (Stcrt.1986, 141) en bij Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie CID d.d. 28 augustus 1987, nr. 1017/587

Opgeheven: 1990

Taak: het bevorderen en begeleiden van de landelijke politiële samenwerking op het gebied van criminele inlichtingen en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken

Ingesteld: Instellingsbeschikking Begeleidingscommissie Werkdrukonderzoek Regionale CID d.d. 28 augustus 1990, (Stcrt. 1990, 243)

Samenstelling: 7 vertegenwoordigers van Openbaar Ministerie, rijks- en gemeentepolitie en van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie

Taak: het begeleiden van het ontwikkelen van meetinstrumenten waarmee de verschillen in aard en omvang van de regionale CID’s zichtbaar gemaakt kunnen worden en het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de herverdeling van het RCID-budget

Ingesteld: Beschikking Politiekledingcommissie (Stcrt. 1977, 186). Ingetrokken en opnieuw vastgesteld bij de Kledingbeschikking Politie 1980 (Stcrt. 1980, 234) en Kledingregeling Politie 1987 (Stcrt. 1987, 118)

Samenstelling: Vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, van het Ministerie van Financiën, van politiebonden en -verenigingen, rijks- en gemeentepolitie.

Taak:

opmerking: De voorzitter, leden en secretaris worden benoemd door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Voor wat betreft de vertegenwoordiger van het Ministerie van Financiën in overeenstemming met de Minister van Financiën.

Ingesteld:

aard: gemengd ambtelijk; interdepartementaal; permanent

samenstelling: Ten minste zes leden; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken

taak:

bron: Instructie voor de commissie GVP (Stcrt, 1953, 62), (Stcrt 1957, 252), (Stcrt. 1972, 194)

Commissie van beroep GVP

Ingesteld:

opgeheven: bij KB van 15 januari 1993 (Stb. 1993, 93)

voorganger: Van 1975 tot 1980 nam de Commissie van beheer GVP deze taak waar

samenstelling: Drie leden en voor ieder van deze leden een plaatsvervangend lid; benoemd, geschorst en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. De Ministers voegen een (plaatsvervangend) secretaris toe

taak: het beslissen over de besluiten, handelingen en weigeringen (om te besluiten of te handelen) ten aanzien van deelnemers, hun nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden door de commissie van beheer DGVP genomen, verricht of uitgesproken inzake de op het besluit geneeskundige verzorging politie gebaseerde uitvoeringsregelen.

Bron: Regeling instellen van beroep (Stcrt. 1980, 30)

Ingesteld: art. 2.1 Regeling Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken (Stb. 1960, 623)

Voorzitter: Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Secretaris: benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken uit de overheidsvertegenwoordiging in de commissie

Leden: een overheidsvertegenwoordiging, benoemd door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken en vertegenwoordigers van verenigingen van politieambtenaren

Taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van politieambtenaren en het behandelen van de onderwerpen die haar door deze Ministers zijn voorgelegd

Ingesteld:

voorzitter: Algemeen inspecteur van het korps rijkspolitie of een door de Minister aangewezen plaatsvervanger

secretaris: aangewezen door de Minister van Justitie

samenstelling: een door de Minister van Justitie uit ambtenaren van het Korps Rijkspolitie aangewezen overheidsvertegenwoordiging en een personeelsvertegenwoordiging, aangewezen door de verenigingen die zijn toegelaten tot de afdeling rijkspolitie van de Commissie voor georganiseerd overleg

taak: het leveren van bijdragen aan het overleg met de Minister van Justitie over onderwerpen die van belang zijn voor de uitvoering van rechtspositieregels ten aanzien van de rijkspolitie, voor zover de behandeling niet is voorbehouden aan de Centrale Commissie voor Georganiseerd overleg in ambtenarenzaken, de commissie GOP of aan een afdeling daarvan

Ingesteld: art. 74.1 Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571)

Taak: het adviseren van de Minister van Justitie over geschillen tussen het hoofd van een diensteenheid en de dienstcommisssie

Samenstelling: Een voorzitter en vier leden, allen door de Minister van Justitie benoemd en ontslagen evenals hun plaatsvervangers. De benoeming van de voorzitter en diens plaatsvervanger geschiedt op voordracht van de leden van het College. De benoeming van twee leden en hun plaatsvervangers geschiedt op voordracht van de toegelaten verenigingen.

Ingesteld: Besluit instelling Commissie voor Georganiseerd Overleg Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie

Taak: het leveren van een bijdrage aan het georganiseerd overleg met de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van degenen die betrokkken zijn bij de verzelfstandiging van de uitvoering van taken op het gebied van werving, selectie en onderwijs voor de politie

Samenstelling: Vertegenwoordigers van de Centrales van verenigingen van ambtenaren. Elke centrale is bevoegd tot aanwijzing van twee leden en twee plaatsvervangende leden. Voorzitter is de Directeur-Generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Plaatsvervangend voorzitter is de Directeur-Generaal Politie en Vreemdelingenzaken van het Ministerie van Justitie.

ingesteld: Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)

samenstelling: vertegenwoordigers van NPB, ACP, ANPV, VMHP en van andere toegelaten verenigingen. Elke vereniging is bevoegd tot aanwijzing van 2 leden en 2 plaatsvervangende leden

voorzitter van het overleg: directeur-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

plv voorzitter van het overleg: directeur-generaal Politie en Criminaliteitsbestrijding van het Ministerie van Justitie

secretaris van het overleg: door MvBiZa benoemd

Deze commissie is ingesteld met het Besluit overleg en Medezeggenschap Reorganisatie Politiebestel (Stb. 1991, 675)(art. 15 WTVRP). Dit besluit (Stb. 1991, 675) trad in werking per 1 januari 1992 (Stb 1991, 674) en werd in 1994 ingetrokken (Stb. 1994, 216). Het had tot doel de instelling te bevorderen van één overlegorgaan waarmee georganiseerd overleg werd gevoerd over de personele aspecten van de reorganisatie. Dit is de Buitengewone Commissie voor Georganiseerd Overleg geworden. Daarnaast werden Regionale Commissies ingesteld voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in de politieregio en een Commissie Korps Landelijke Diensten voor georganiseerd overleg in politie-ambtenarenzaken in het Korps Landelijke Diensten. Wat betreft de aard, inhoud en structuur van het overleg sluiten de bepalingen aan bij die van het Besluit Overleg en Medezeggenschap Politie (Stb. 1985, 571).

Zie ook Handelen met de sterke arm, deel 2 blz. 285.

In artikel 93 van het ARGP (Stb. 1953, 74) werd deze commissie in het ambtenarenreglement geïntroduceerd. Bij besluiten van 21 februari 1956 (Stb. 1956, 79) en van 24 december 1957 (Stb. 1957, 558) werd voor deze commissie aangewezen de commissie bedoeld in artikel 97b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (zie hiervoor de nog te verschijnen PIVOT-rapporten over personeels- en arbeidsvoorwaardenbeleid voor ambtenaren). Bij besluit van 28 januari 1993 (Stb. 1993, 102) werd de commissie daadwerkelijk ingesteld.

Ingesteld: art. 2 van het Besluit van 28 januari 1993, houdende regelen met betrekking tot de instelling, de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie bedoeld in het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie en het Ambtenarenreglement voor het Korps Rijkspolitie (Stb. 1993, 102)

Taak:

Samenstelling: Vijf leden (onder wie de voorzitter), benoemd voor een periode van zes jaar door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken op voorstel van de politievakorganisaties die deel uitmaken van de commissie voor georganiseerd overleg.

Secretaris: Door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. Na opheffing van de commissie zal het archief worden overgedragen aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

Ingesteld: art. I Beschikking instelling Commissie van Advies Politiepersoneel (Stcrt. 1966, 244)

Samenstelling: interdepartementaal

Secretaris: een medewerker van de afdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over:

Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling Centrale wervingscommissie gemeentepolitie (Stcrt. 1972, 82)

Taak: In verband met de verwachte grote afvloeiing wegens functioneel leeftijdsontslag van gemeentelijke politieambtenaren kreeg de centrale wervingscommissie tot taak het ontwerpen van plannen en procedures voor wervingsvoorlichting, werving en voorselectie van adspiranten van gemeentepolitie. Regionale wervingscentra voerden deze plannen vervolgens uit.

Samenstelling: Voorzitter, door de Minister van Binnenlandse Zaken aangewezen, en als leden de voorzitters van de regionale wervingscommissies alsmede door de betrokken burgemeesters aangewezen ambtenaar van de gemeentelijke politiekorpsen van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Het secretariaat werd vervuld door het bureau Personeelsvoorziening van de hoofdafdeling Politie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

Ingesteld: art. 2.1 Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473; gewijzigd Stb. 1951, 55)

Einddatum: 1963 (Stcrt. 1963, 75)

Opvolger: Raad van Bestuur

Samenstelling: Voorzitter en tenminste zes en ten hoogste acht leden. De voorzitter wordt benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, evenals ten hoogste twee leden. In onderling overleg benoemen de Ministers ieder drie leden.

Ingesteld: art. 3.1 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75)

Opgeheven: 1973, art. 1 Beschikking omzetting bestuursvorm NPA (Stcrt. 1973, 217)

Voorganger: Raad van Beheer

Opvolger: Curatorium NPA

Taak: het erop toezien dat de opleiding en vorming aan het rijksopleidingsinstituut naar de eis geschieden

Samenstelling: de voorzitter, de leden en de secretaris worden bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers Justitie en Binnenlandse Zaken benoemd. (Zie bijvoorbeeld de beschikking ontslag leden Raad van Bestuur van de NPA Stcrt. 1973, 217)

Ingesteld:

voorganger: Raad van Bestuur

taak: het adviseren van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over belangrijke aangelegenheden betreffende de opleiding aan de NPA

samenstelling: Voorzitter (tevens lid), ten hoogste acht andere leden, ten hoogste drie adviserende leden en een secretaris (geen lid), allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Als voorzitter fungeert een commissaris van de koningin. Vertegenwoordigers van het bestuur, het openbaar Ministerie, de politievakorganisaties, de politie en de wetenschap komen in aanmerking voor lid. De voorzitter van de selectiecommissie is tevens lid van het curatorium. De directeuren Politie van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, alsmede de directeur van de NPA zijn adviserende leden. (Zie bijvoorbeeld de Beschikkingen benoeming leden Curatorium NPA in Stcrt. 1973, 217 en Stcrt. 1978, 220, of de toelichting bij de Regeling NPA in Stcrt. 1991, 102)

Ingesteld:

opgeheven: 1973 (Stb, 1973, 249)

opvolger: Selectiecommissie

samenstelling: Op grond van het besluit van 1949 waren het aanvankelijk zeven personen, na de wijziging van 1951 vijf personen. De voorzitter en drie leden werden door de Minister van Binnenlandse Zaken benoemd, het vierde lid werd door de Minister van Justitie aangewezen. In de periode 1949–1951 werden de overige twee leden door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken gezamenlijk benoemd. Op grond van het besluit van 1963 bestond de commissie uit een voorzitter en ten hoogste vijf andere leden, waaronder de secretaris. Op grond van de Beschikking NPA (Stcrt. 1980, 149) bestond de selectiecommissie uit een voorzitter, een secretaris, tenminste acht andere leden en eventueel buitengewone leden. Zij werden allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking opheffing commissie van voorbereiding Stcrt. 1973, 249)

taak: het adviseren van de Raad van Beheer/Raad van Bestuur over toelating van leerlingen tot de opleiding

Ingesteld: art. 3.1 Toelatingsbeschikking NPA (Stcrt. 1973, 249)

Taak: het adviseren van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie over toelating van leerlingen tot de opleiding

Samenstelling: Voorzitter en ten hoogste (vanaf 1977 Stcrt. 1977, 145: tenminste) vijf andere leden waaronder een secretaris en eventueel buitengewone leden, allen benoemd en ontslagen bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. (Zie bijvoorbeeld de beschikking samenstelling selectiecommissie Stcrt. 1973, 249)

Ingesteld:

samenstelling: Aanvankelijk werd de commissie aan het einde van elke cursus van het Rijksinstituut tot opleiding van hogere ambtenaren voor het korps rijkspolitie en de gemeentepolitie door de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen. Vanaf 1967 (Stcrt. 1967, 113) bestond de examencommissie uit de directeur (voorzitter), plaatvervangend directeur (plaatsvervangend secretaris) en leraren (leden), tenzij de Ministers anders bepaalden.

Taak: het afnemen van de examens voor inspecteur van gemeentepolitie en officier van rijkspolitie

Ingesteld: art. 20.4 Beschikking opleiding hogere politieambtenaren (Stcrt. 1963, 75), zoals toegevoegd bij beschikking Stcrt. 1967, 113.

Eindatum: 1990

Taak: het houden van toezicht op het afnemen van de examens door de examencommissie

Samenstelling: bij gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken aangewezen hoofdambtenaren van beide Ministeries

Ingesteld: Gemeenschappelijke beschikking van de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 21/5 augustus 1974 (APB 1974, 21)

Opgeheven: Stb. 1978, 220

Taak:

samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en NPA. De secretaris was een beleidsmedewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Ingesteld: art. 1 Beschikking instelling begeleidingscommissie Studiecentrum voor hogere politieambtenaren (APB 1974, 20)

Taak:

samenstelling: Zeven vertegenwoordigers van de Ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken, rijkspolitie, gemeentepolitie en Politiestudiecentrum. Het secretariaat berust bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Mede als gevolg van de discussies over de reorganisatie van het politiebestel werden aan het begin van de jaren tachtig in de Tweede Kamer meerdere moties ingediend waarin werd aangedrongen op een samenvoeging van het rijks- en gemeentepolitieonderwijs. Kamerleden waren van mening dat men in dit geval niet moest wachten totdat de plannen voor een algehele reorganisatie van het bestel waren uitgekristalliseerd. De vraag was alleen op welke manier men de samenvoeging van het onderwijs het beste kon organiseren. Deze vraag werd beantwoord door het Instituut Toegepaste Psychologie (ITS) dat in 1985 onderzoek deed naar het meest wenselijke beheersmodel voor het politieonderwijs. Het ITS stelde voor om het beheer te regelen in een publiek rechterlijk bedrijfsorgaan. Dit werd het Landelijk Selectie en Opleidingsinstituut Politie (LSOP) dat bij Wet van 24 juni 1992 (Stb. 1992, 320) werd ingesteld.

Ingesteld: art. 3 Beschikking Algemeen Politieblad (Stcrt. 1975, 204)

Voorganger: Adviescommissie APB

Taak:

samenstelling: Ten hoogste twaalf leden: een vertegenwoordiger van elk der beide Ministers en van elk der organisaties die deelnemen aan de Stichting Politie Uitgeverij. Deze laatsten worden door elk der organisaties voorgedragen. Alle leden worden door beide Ministers, na overleg met de redactieraad, benoemd en ontslagen.

Selectielijsten

7. A: Actoren onder de zorg van de Minister van Justitie

7.1 Actor: de Minister van Justitie

Onder de navolgende handelingen zijn in voorkomende gevallen mede te verstaan de instelling en de werkzaamheden van onder de Minister van Justitie ressorterende ambtelijke en gemengde commissies, werkgroepen, projectgroepen en dergelijke, belast met een bepaalde (advies)taak in het kader van de desbetreffende handeling (vgl. RIO, Hoofdstuk 6).

7.1.1 Algemene handelingen

7.1.1.1 Beleidsontwikkeling en evaluatie

Handeling: het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van beleid inzake de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: B1

Handeling: het evalueren van de politiewetgeving

Grondslag: Onder meer: Beschikking instelling commissie politiewetgeving van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken d.d. 1 oktober 1948 (APB 1948, 22)

Periode: 1945–1993

Toelichting: in 1948 kreeg commissie Langemeyer opdracht de na de oorlog in werking getreden Politiewet te evalueren.

In 1970 kreeg prof. J.M. Polak de aanstelling van regeringscommissaris voor herziening van de politiewetgeving. Zijn onderzoek mondde uit in de in 1972 aan de Tweede Kamer voorgelegde Nota van Vraagpunten.

Product: Rapport Commissie Langemeyer (1949)

Nota van vraagpunten (1972)

Waardering: B2

Handeling: het instellen en opheffen van commissies en werkgroepen met betrekking tot het onderzoek naar sterkte, invulling van de politietaak en bedrijfsvoering.

Grondslag: begrotingen

Periode: 1945–1993

Toelichting: commissies die zich met deze thema’s hebben bezig gehouden zijn onder meer:

– Projectgroep Organisatie Structuren 1976-1979

– Werkgroep Politie Budget (WPB) 1986-1987

– Werkgroep Kwantitatieve Aspecten (WKA) 1986

– Projectgroep Kwantificering Politiesterkte (PKP) 1986-1988

Waardering: B4

7.1.1.2 Totstandkoming van wet- en regelgeving

Handeling: het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: B1

7.1.1.3 Verantwoording van beleid

Handeling: het opstellen van periodieke verslagen inzake ontwikkelingen betreffende de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: Verslagen: B3

Overige neerslag: V, 10 jaar

Handeling: het beantwoorden van kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van de Kamers der Staten Generaal inzake de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: B3

Handeling: het verstrekken van informatie aan de Commissies voor de Verzoekschriften van de Staten Generaal, aan overige kamercommissies en aan de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten van burgers inzake ontwikkelingen betreffende de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: B3

Handeling: het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake de politie en het voeren van verweer in beroepschriftenprocedures voor de Raad van State en/of de kantonrechter

Periode: 1945–1993

Waardering: B5

7.1.1.4 Internationaal beleid

Handeling: het mede-voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen inzake politiële samenwerking en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties

Periode: 1945–1993

Producten: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten

Opmerking: Voor handelingen voortvloeiend uit de regelingen op het terrein van de internationale politiële samenwerking zij verwezen naar paragraaf 3.2.5 van deel 2.

Waardering: B5

7.1.1.5 Informatieverstrekking

Handeling: het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: V, 3 jaar

7.1.1.6 Onderzoek

Handeling: het voorbereiden van intern (wetenschappelijk) onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5

Overig: V, 10 jaar na afronding onderzoek

12.

Handeling: het voorbereiden en begeleiden van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de politie

Periode: 1945–1993

Waardering: Vaststellingsbesluit en eindrapport: B5

Overige neerslag: V 10 jaar na afronding onderzoek

7.1.1.7 Overleg met lagere overheden

Handeling: Het voeren van (periodiek terugkerend) overleg met lagere overheden aangaande het beleidsterrein politie

Periode: 1945–1993

Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Waardering: B 1, 5

7.1.1.8 Overleg met maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven

Handeling: Het consulteren van maatschappelijke vertegenwoordigingen en/of het bedrijfsleven ten aanzien van onderwerpen op het beleidsterrein politie

Periode: 1945–1993

Product: o.a. verslagen, correspondentie, notulen, agenda’s

Opmerking: Onder deze handeling valt het overleg met vakbonden, zoals de Algemene Politiebond.

Waardering: B5

7.1.2 Organisatie en Beheer

7.1.2.1 Algemene Bepalingen

(art. 1-2 PW)

Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake aanwijzing van gemeenten met gemeentepolitie

Grondslag: art. 1b Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Waardering: B5

Handeling: het aanwijzen van burgerlijke of militaire korpsen of onderdelen daarvan, tot politie

Grondslag: art. 1c Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Opmerking: Dit is alleen geschied voor de Koninklijke Marechaussee in de grenscorrectiegebieden Elten en Tüddern

Waardering: B4

Handeling: het vaststellen van het tijdstip van overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd

Grondslag: art. 2.4 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 567)

Periode: 1957–1968, 1974–1983, 1988–1993

Opmerking: Van 1969 tot 1973 en van december 1983 tot december 1988 waren de wetten tot opschorting van de overgang van gemeenten van rijks- naar gemeentepolitie en omgekeerd van kracht (de zogenaamde Stopwetten in respectievelijk Stb. 1968, 733 en Stb. 1983, 640)

Waardering: B4

Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels over de samenwerking indien bij de wet wordt bepaald dat in twee of meer gemeenten een gemeenschappelijk korps van gemeentepolitie is

Grondslag: art. 2.5 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Waardering: B5

Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van, rechtspositie, tucht, benoembaarheidseisen, opleiding en onderricht, rangindeling, en overige personeelsaangelegenheden

grondslag: – art. 4.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

– art. 7.3 Ambtenarenreglement voor het korps rijkspolitie (Stb. 1953, 75)

Periode: 1945–1957

Product: bijvoorbeeld:

– Rangenbesluit politiepersoneel (Stb. 1946, G 339)

– Politieambtenarenreglement (Stb. 1947, H 144)

– Politietuchtreglement (Stb. 1947, H 145)

– Besluit reserve Rijks- en gemeentepolitie (Stb. 1948, I 350).

– Besluit opleiding hogere politieambtenaren (Stb. 1949, J 473)

– Besluit aanstellingseisen politieambtenaren (Stb. 1949, J 474)

– Besluit Surveillancehonden Politie (Stb. 1951, 143)

– Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie (Stb. 1953, 74)

– Besluit bekwaamheidseisen bevordering politieambtenaren (Stb. 1953, 551)

– Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1956, 370)

Opmerking: – Zie voor de handelingen op grond van de politiewet 1957 die aansluiten op deze handeling de paragrafen 3.2.2 en 3.2.4

– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortgevloeid zijn de paragrafen 3.2.5 e.v.

– In de Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) (Artikel II, sub 2) was bepaald dat de voorschriften ingevolge dit artikel van kracht bleven.

Waardering: B5

Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels voor rijks- en gemeentepolitie ten aanzien van indeling en sterkte, werving, kleding en bewapening, geneeskundige keuring en controle, huisvesting en overige uitrusting

Grondslag: art. 5.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Product: bijvoorbeeld:

– Voorlopige uniformbeschikking voor de Rijkspolitie (Beschikking van 8 november 1946, APB 1946/12)

– Voorschrift verstrekking kleding gemeentepolitie (Stcrt. 1949, 6)

Opmerking: Zie de opmerkingen bij de vorige handeling.

Waardering: B5

Handeling: het bij gemeenschappelijke beschikking vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere algemene regels zowel voor het korps rijkspolitie als voor de gemeentepolitie ten aanzien van de toekenning van rangen

Grondslag: art. 19.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Waardering: B5

Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 overplaatsen van ambtenaren van rijks- en gemeentepolitie naar een andere gemeente of een ander korps

Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1946

Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

Handeling: het binnen zes maanden na het inwerkingtreden van het Politiebesluit 1945 in rang verlagen van ambtenaren van rijks- of gemeentepolitie

Grondslag: art. 19.2 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1946

Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

Handeling: het vaststellen van voorschriften die voor een juiste uitvoering van het Politiebesluit 1945 worden gevorderd

Grondslag: art. 20 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Waardering: B5

7.1.2.2 Gemeentepolitie

(art. 3-9 PW)

Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing en ontslag van (hoofd)commissarissen van gemeentepolitie

Grondslag: – art. 3a Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

– art. 4.1a Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1945–1993

Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

Handeling: het verlenen en intrekken van opsporingsbevoegdheid aan onbezoldigde ambtenaren bij de gemeentepolitie

Grondslag: art. 4.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels terzake van het aannemen van vrijwilligers voor de reserve–gemeentepolitie door de burgemeester

Grondslag: art. 4.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Opmerking: Voor de bewaring van bepaalde dossiers is een aparte handeling in het BSD P-direct geformuleerd. Deze handeling, nummer 27, betreft dossiers van ambtenaren die voor het werkterrein van het betrokken departement of enig andere gebied van bijzondere betekenis zijn geweest, of waarvan de stukken voor het inzicht in de ontwikkeling van een functie en de organisatie van bijzonder belang wordt geacht en daarom blijvend bewaard worden. Aan de hand van de bij de handeling beschreven criteria kan worden beoordeeld welke dossiers voor bewaring moeten worden aangewezen.

Waardering: V 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag (zie opmerking)

Handeling: het instemmen met de benoeming of aanwijzing door de Minister van Binnenlandse Zaken van de korpschef in gemeenten waar geen commissaris van gemeentepolitie is

Grondslag: art. 4.3 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1958–1993

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het bepalen van de sterkte en de rangindeling van de gemeentepolitie, voor zover betreft de onderdelen meer in het bijzonder belast met recherchewerkzaamheden en het toezicht op vreemdelingen

Grondslag: art. 5.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Product: Ministeriële beschikking

Waardering: B5: neerslag met betrekking tot sterkte

Overige neerslag (waaronder neerslag met betrekking tot rangen): V, 10 jaar

Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels ten aanzien van de gemeentepolitie over de inrichting en uitrusting van de onderdelen, meer in het bijzonder belast met recherche–werkzaamheden, alsmede over de aanschaf, het gebruik en onderhoud van middelen ten dienste van de verre berichtgeving

Grondslag: art. 5.3 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), gewijzigd bij wet van 21 juni 1990 (Stb. 1990, 414)

Periode: 1958–1993

Waardering: B5

Handeling: het doen van voordrachten tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de gemeentepolitie, onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie en reserve-gemeentepolitie ten aanzien van rechtspositie, beëdiging, rangen, bezoldiging, tucht, benoembaarheidseisen en bevorderingsvereisten

Grondslag: art. 6.1 en 6.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Product: – Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958 (Stb. 1957, 547)

– Besluit Surveillancehonden Politie 1958 (Stb. 1957, 553).

– Besluit Reservepolitie 1958 (Stb. 1957, 559)

– Beloningsreglement reservepolitie (Stb. 1964, 474)

– Rangenbesluit politiepersoneel 1958 (Stb. 1957, 549)

– Rechtspositieregeling onbezoldigde ambtenaren van gemeentepolitie (Stb. 1957, 556)

– Besluit benoemingseisen politieambtenaren 1958 (Stb. 1957, 550)

– Besluit bekwaamheidseisen bevordering politie 1958 (Stb. 1957, 551)

– Besluit bevorderingseisen hoger politiepersoneel (Stb. 1957, 552)

opmerking: - Zie voor de hieraan voorafgaande handeling paragraaf 3.2.1

– Zie voor de handelingen die uit bovenstaande producten voortvloeien de paragrafen 3.2.5 e.v.

Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake het vaststellen, wijzigen of intrekken van regels voor de (reserve)gemeentepolitie ten aanzien van werving, opleiding en onderricht, kleding, bewapening en overige uitrusting, keuring en controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid

Grondslag: art. 7.2 Wet Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: het bij gezamenlijk besluit verplichten dat een ambtenaar van gemeentepolitie, die niet is aangesteld om uitsluitend administratief of technisch werkzaam te zijn, overgaat naar het korps rijkspolitie

Grondslag: art. 8.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling van het ontslag

7.1.2.3 Financiering (gemeente)politie

(Handelingen ingevolge artikel 9 en 9a Politiewet)

Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van nadere regels ten aanzien van de verdeling van politiekosten

Grondslag: art. 18 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

Periode: 1945–1957

Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

Handeling: het overeenstemmen met de Minister van Binnenlandse Zaken inzake de vaststelling van de omstandigheden en voorwaarden waaronder een gemeente in aanmerking komt voor een bijdrage ter tegemoetkoming in bijzondere opsporingskosten

Grondslag: art. 11.2 Besluit Vergoeding Politiekosten 1986 (Stb. 610, 1986)

Periode: 1986–1993

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: het jaarlijks vaststellen van het bedrag dat voor de uitvoering van de regeling bijzondere opsporingskosten van rijks- en gemeentepolitie bestemd is

Grondslag: art. 2.1 regeling bijzondere opsporingskosten 1989 (Stcrt. 91, 1989)

Periode: 1989–1993

Waardering: V, 7 jaar

7.1.2.4 Rijkspolitie

Handeling: het bepalen van de standplaats van de ambtenaren van Rijksrecherche, ingedeeld bij de parketten van de procureurs-generaal

Grondslag: – art. 6.2 Beschikking organisatie en taak der rijksrecherche (APB 1956, 21)

– art. 4.2 Organisatie- en taakbeschikking rijksrecherche (APB 1958, 4)

– art. 4.1 Organisatiebeschikking rijksrecherche 1974

Periode: 1945–1993

Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

Handeling: het doen van voordracht tot het bij KB vaststellen, wijzigen of intrekken van regels volgens welke bij het korps rijkspolitie vrijwilligers voor de reserve-rijkspolitie worden aangenomen

Grondslag: art. 10.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1958–1993

Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking

Handeling: het mandateren van bevoegdheden inzake het beheer van het korps rijkspolitie

Grondslag: art. 11 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Periode: 1985–1993

Product: – Instellingsbesluit Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie

– beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1985, 66)

– Mandaatbesluit beheersbevoegdheden POV Algemeen Inspecteur korps rijkspolitie (Stcrt. 1987, 24)

– Mandaatbesluit beheersbevoegdheden POV korps rijkspolitie (Stcrt. 1987, 64)

Waardering: B1

Handeling: het instellen van de Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie

Grondslag: art. 11 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

Instellingsbesluit Stuurgroep en Projectgroep deconcentratie beheersbevoegdheden Korps Rijkspolitie (Stcrt. 1985, 66)

Periode: 1985–1993

Waardering: B4

Handeling: het doen van voordracht tot KB inzake benoeming, schorsing of ontslag van de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

Grondslag: – art. 2.1 Politiebesluit 1945 (Stb. 1945, F 250)

– art. 12.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244), zoals gewijzigd bij wet van 14 december 1988 (Stb. 576)

Periode: 1945–1993

Opmerking: Alle neerslag is met V gewaardeerd, met uitzondering de neerslag betreffende personen die van invloed zijn geweest op (beleids) ontwikkelingen op het beleidsterrein van de Politie.

Waardering: V, 7 jaar na administratieve afhandeling ontslag

Handeling: het vaststellen, wijzigen of intrekken van de instructie voor de Algemeen Inspecteur van het korps rijkspolitie

Grondslag: – art. 39.1 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244)

– art. 12.2 Politiewet 1957 (Stb. 1957, 244) zoals bijgevoegd bij Wet 14 december 1988 (Stb. 576)

Periode: 1958–1993

Product: Bijvoorbeeld:

Beschikking Instructie Algemeen Inspecteur van het Korps Rijkspolitie van 2 februari 1961, Nr. 81S561. Opnieuw vastgesteld bij beschikking van 1 oktober 1984, Nr. 1193/584 (Stcrt. 1984, 206)

Waardering: B5

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)