Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Het bij Ministeriële regeling (?) aanwijzen van ondernemingen en instellingen, die in belangrijke mate hun bedrijf maken van kredietverlening aan lagere publiekrechtelijke lichamen, waarop het besluit van 21 december 1978, Stb. 672, niet van toepassing is.
Periode: 1979–1992
Grondslag: Besluit van 21 december 1978, Stb. 672, art. 1.3.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring, wijziging, verlenging en intrekking van de algemene voorschriften inzake bedrijfsvoering, welke De Nederlandsche Bank aan geregistreerde kredietinstellingen kan opleggen i.v.m. het toezicht op de solvabiliteit en liquiditeit van kredietinstellingen (de commissie van advies gehoord).
Periode: 1952–1956
Grondslag: WTK 1952, art. 11.2.; art. 12.
Waardering: b (1)
Het voorbereiden van de vaststelling van wetten tot bekrachtiging van besluiten houdende goedkeuring van algemene voorschriften voor de bedrijfsvoering voor kredietinstellingen, i.v.m. het toezicht op de solvabiliteit en liquiditeit, wanneer de betrokken commissie van advies ongunstig adviseert ten aanzien van door de Bank voorgestelde algemene voorschriften.
Periode: 1952–1956
Grondslag: WTK 1952, art. 11.3.
Waardering: b (1)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming – uit een voordracht van de representatieve organisaties van kredietinstellingen – en ontslag van leden en plaatsvervangende leden van de commissies die dienen te adviseren over de algemene voorschriften van De Nederlandsche Bank voor de bedrijfsvoering van kredietinstellingen, in het kader van het toezicht van de Bank op de solvabiliteit en liquiditeit.
Periode: 1952–1956
Grondslag: WTK 1952, art. 11.4.; art. 11.5.
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het voorbereiden van beschikkingen op beroepschriften van kredietinstellingen tegen publicatie door De Nederlandsche Bank van adviezen i.v.m. door de Bank gesignaleerde ontwikkelingen, die een bedreiging zouden kunnen vormen voor solvabiliteit en liquiditeit van een kredietinstelling.
Periode: 1952–1978
Grondslag: WTK 1952, art. 18.2.; WTK 1956, art. 18.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van groepen van rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, niet zijnde kredietinstellingen, die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van gelden op termijnen van twee jaren of langer opvorderbaar en van het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en beleggingen, waarop De Nederlandsche Bank toezicht mag houden i.v.m de solvabiliteit en liquiditeit.
Periode: 1979–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 30.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarbij de artikelen 1.5, 2-11, 13, 16, 17.2-4, 18-20, 23-27, 31-41, 44 en 46-50 van toepassing worden verklaard voor groepen van rechtspersonen, vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en natuurlijke personen, niet zijnde kredietinstellingen, die hun bedrijf maken van het ter beschikking verkrijgen van gelden op termijnen van twee jaren of langer opvorderbaar en van het voor hun eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen en beleggingen (i.v.m het toezicht van De Nederlandsche Bank op de solvabiliteit en liquiditeit).
Periode: 1979–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 30.3.
Waardering: b (5)
Het aanwijzen van ondernemingen en instellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, van de Eerste richtlijn van de Raad van de EG van 12 december 1977, waarbij de belangen van crediteuren uit andere hoofde dan dit Besluit voldoende beschermd zijn en waarop het Besluit van 1 mei 1981, Stb. 289, derhalve niet van toepassing is.
Periode: 1981–1992
Grondslag: Besluit van 1 mei 1981, Stb. 289, art. 1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van beschikkingen op beroepschriften van kredietinstellingen tegen de weigering van De Nederlandsche Bank om een verklaring van geen bezwaar (als bedoeld in art. 13.1) af te geven.
Periode: 1952–1978
Grondslag: WTK 1952, art. 13.3.; WTK 1956, art. 13.3.
Waardering: b (5)
Het – onder voorwaarden en beperkingen – verlenen, weigeren of intrekken van verklaringen van geen bezwaar:
a. aan geregistreerde kredietinstellingen tot:
vermindering van het eigen vermogen;
het verwerven van deelnemingen in andere instellingen of ondernemingen,
het geheel of gedeeltelijk overnemen van de activa en passiva van andere ondernemingen of instellingen;
het aangaan van fusies;
het overgaan tot financiële (of vennootschappelijke) reorganisatie;
het doen toetreden van een beherend vennoot tot de kredietinstelling;
tot het uitbrengen van zijn stem, aan degene, die op grond van aandelen of lidmaatschapsrechten, die hij rechtstreeks of middellijk in een kredietinstelling heeft, meer dan een twintigste deel van het aantal stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders onderscheidenlijk in de ledenvergadering kan uitbrengen of doen uitbrengen;
b. aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling wil aanhouden, verwerven of vergroten, dan wel enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling wil uitoefenen; het stellen van termijnen waarbinnen het verwerven etc. van een deelneming die zonder verklaring van geen bezwaar of zonder inachtneming van de daarin gestelde beperkingen en voorschriften tot stand is gebracht ongedaan moet worden gemaakt of waarbinnen alsnog aan die voorwaarden of beperkingen moet zijn voldaan.
Periode: 1979–....
Grondslag: a. WTK 1978, art. 25.3; art. 25.4.; art. 25.5.; art. 25.6.; art. 25.7.; art. 25.8.; WTK 1992, art. 23.; art. 26.; vgl. art. 41.;
b. WTK 1992, art. 24.; art. 26.
Waardering: b (5)
Het verlenen van machtigingen aan De Nederlandsche Bank om te bepalen dat geregistreerde kredietinstellingen verplicht zijn de in te dienen jaarstukken vooraf te laten onderzoeken door een accountant.
Periode: 1952–1956
Grondslag: WTK 1952, art. 15.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten houdende nadere regels met betrekking tot:
het opleggen van de verplichting aan kredietinstellingen, die zijn ingeschreven in de tweede, derde of vierde afdeling van het register, om aangesloten te zijn bij of zich onder toezicht te stellen van een door Onze Minister aan te wijzen organisatie op het gebied, waarop de in het desbetreffende register ingeschreven kredietinstellingen werkzaam zijn;
het opleggen van de verplichting aan leden van een organisatie als bedoeld onder a op het gebied van het spaarbankwezen om de naam spaarbank te voeren;
het verbieden aan anderen dan kredietinstellingen, ingeschreven in de derde (1952) of vierde (1956) afdeling van de register, van het bezigen van het woord sparen, spaarbank of vormen daarvan in hun benaming of in de benaming van door hen uitgegeven bewijzen van inleg.
Periode: 1952–1978
Grondslag: WTK 1952, art. 19.1.; WTK 1956, art. 19.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen tot aanwijzing van organisaties, ondernemingen en instellingen waarop het verbod op het bezigen van het woord sparen of vormen daarvan in hun benaming of in de benaming van door hen uitgegeven bewijzen van inleg niet van toepassing zal zijn.
Periode: 1952–1956
Grondslag: WTK 1952, art. 19.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de beschikking
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van regels volgens welke De Nederlandsche Bank de kosten, die door de Bank of door andere organen, aan welke de uitvoering van het toezicht op geregistreerde kredietinstellingen is opgedragen, worden gemaakt, op de geregistreerde kredietinstellingen mogen verhalen.
Periode: 1952–....
Grondslag: WTK 1952, art. 23.; WTK 1956, art. 23.; WTK 1978, art. 48.; WTK 1992, art. 86.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van de vorm waarin De Nederlandsche Bank in de Staatscourant periodiek mededeling doet van de voornaamste gegevens uit de balans, winst- en verliesrekening en de periodieke staten nopens het bedrijf, die de kredietinstellingen bij De Nederlandsche Bank moeten indienen.
Periode: 1952–1978
Grondslag: WTK 1952, art. 24.; WTK 1956, art. 24.
Waardering: b (5)
Het (deels) publiceren van (door De Nederlandsche Bank aan de Minister van Financiën) uitgebrachte jaarverslagen inzake de uitvoering van deze wet en de krachtens deze wet genomen besluiten.
Periode: 1952–1992
Grondslag: WTK 1952, art. 25.; WTK 1956, art. 25.; WTK 1978, art. 50.
Waardering: b (3)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling van besluiten houdende de gronden waarop De Nederlandsche Bank – onverminderd het bepaalde in art. 3 en 4 – aan ondernemingen of instellingen, die niet in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen gevestigd zijn (of waarin zodanige ondernemingen of instellingen rechtstreeks of middellijk zeggenschap hebben):
een vergunning tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling kan weigeren; of
een verleende vergunning kan intrekken; of
voorwaarden kan stellen voor het verlenen van een dgl. vergunning met inachtneming van door de Minister van Financiën te stellen richtlijnen;
.... tot vaststelling van besluiten, waarin wordt bepaald dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 9, de Bank voor bijkantoren in Nederland van in een niet lidstaat van de EG gevestigde kredietinstellingen vergunningen als bedoeld in artikel 38 kan weigeren danwel slechts verleent onder het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften, met inachtneming van door de Minister van Financiën te stellen richtlijnen.
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 7.2.; WTK 1992, art. 81.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling van richtlijnen die De Nederlandsche Bank in acht moet nemen als zij voorwaarden stelt voor het verlenen van vergunningen tot het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling aan ondernemingen of instellingen, die niet in een lidstaat van de Europese Gemeenschappen gevestigd zijn (of waarin zodanige ondernemingen of instellingen rechtstreeks of middellijk zeggenschap hebben;
tot vaststelling van richtlijnen die door de Bank in acht moeten worden genomen bij het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften aan vergunningen als bedoeld in artikel 38 aan bijkantoren in Nederland van in een niet lidstaat van de EG gevestigde kredietinstellingen.
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 7.2.; WTK 1992, art. 81.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen waarbij de Minister bepaalt dat:
De Nederlandsche Bank, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 8 en 9, de behandeling van vergunningen zoals bedoeld in artikel 6, welke zijn aangevraagd door dochtermaatschappijen van in niet lidstaten van de EG gevestigde ondernemingen, voor een bepaalde termijn opschort, dan wel die vergunningen slechts in een door de Minister te bepalen aantal zal verlenen;
in afwijking van het bepaalde in de artikelen 24 en 26, de behandeling van aanvragen voor verklaringen van geen bezwaar zoals bedoeld in artikel 24, eerste lid, welke afkomstig zijn van in niet lidstaten van de EG gevestigde ondernemingen, voor een bepaalde termijn wordt opgeschort, dan wel dat die verklaringen slechts in een door de Minister te bepalen aantal zullen worden verleend;
in afwijking van het bepaalde in de artikelen 31, onderscheidenlijk 32, het bepaalde in de artikelen 38 tot en met 44, onderscheidenlijk 82, van toepassing is op in een niet lidstaat van de EG gevestigde ondernemingen, die een voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling benodigde vergunning verkrijgen en die dochtermaatschappij zijn van een in een niet lidstaat gevestigde onderneming of instelling, wanneer die staat partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTK 1992, art. 81.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van de verhouding tussen de minimale omvang van door kredietinstellingen bij De Nederlandsche Bank in rekening-courant aan te houden tegoeden en de door de kredietinstellingen ter beschikking verkregen gelden (of bepaalde onderdelen van die gelden).
Periode: 1978–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 21.1.a
Waardering: b (4)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling van het aantal voordrachten dat de Bankraad kan doen i.v.m. de benoeming van bijzondere leden van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.
Periode: 1978–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 41.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van bijzondere leden van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (voordrachten aan Ons, samen met de Minister van Justitie).
Periode: 1978–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 41.3.
Waardering: b (4)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling van het bedrag dat tenminste moet worden aangetrokken door ondernemingen en instellingen, welke ingevolge de artikelen 13 en 30, derde lid, als kredietinstelling zijn geregistreerd of waarop artikel 1, derde lid van toepassing is.
Periode: 1978–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 42.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot verlening van vrijstelling of ontheffing van het bepaalde in art. 42.1 en tot vaststelling van de voorwaarden aan die ontheffing verbonden.
N.B. Art. 42.1: ‘Het is een ieder verboden zich tot het publiek te wenden of in enigerlei vorm te bemiddelen terzake van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden beneden een door Onze Minister te bepalen bedrag door anderen dan ondernemingen en instellingen, welke ingevolge de artikelen 13 en 30, derde lid, zijn geregistreerd of waarop artikel 1, derde lid van toepassing is’.
Periode: 1978–1992
Grondslag: WTK 1978, art. 42.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot verlening van vrijstelling van het verbod om bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te hebben, dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTK 1992, art. 82.3.; art. 82.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling van de voorwaarden tot verlening van vrijstelling of ontheffing van het verbod tot het voeren van de naam bank of vertalingen of vormen daarvan door ondernemingen die niet geregistreerd zijn ingevolge de artikelen 13 en 30, lid 3;
tot – onder beperkingen en voorschriften – verlening van vrijstelling van het verbod om in de naam of bij de uitoefening van een bedrijf het woord bank of vertalingen daarvan te gebruiken, tenzij zulks in zodanige samenhang geschiedt dat daaruit duidelijk blijkt dat de desbetreffende onderneming of instelling niet werkzaam is op financiële markten.
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 43.3.; WTK 1992, art. 83.3.; art. 83.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten waarbij een tussen De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties overeengekomen garantieregeling dwingend aan kredietinstellingen wordt opgelegd.
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 44.2.; WTK 1992, art. 84.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot vaststelling, wijziging en intrekking van garantieregelingen, indien het overleg tussen De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties binnen een door de Minister van Financiën gestelde termijn niet tot overeenstemming leidt, dan wel de regeling waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet Onze instemming heeft (niet de instemming van de Minister van Financiën heeft).
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 44.3; art. 44.5.; WTK 1992, art. 84.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling van wetten tot bekrachtiging van Koninklijke Besluiten tot vaststelling, wijziging en intrekking van garantieregelingen, indien het overleg tussen de Bank en de representatieve organisaties binnen een door de Minister van Financiën gestelde termijn niet tot overeenstemming leidt, dan wel de regeling waaromtrent overeenstemming is, niet Onze instemming heeft (niet de instemming van de Minister van Financiën heeft).
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art.44.4.; art. 44.4.; WTK 1992, art. 84.5.
Waardering: b (1)
Het verlenen van vrijstelling van de bepaling dat kredietinstellingen, die ingevolge artikel 52.2.c. zijn geregistreerd, verplicht zijn mee te werken aan een garantieregeling.
Periode: 1993–....
Grondslag: WTK 1992, art. 84.3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot het dwingend opleggen van een regeling van de rente en de overige voorwaarden, welke in acht moeten worden genomen met betrekking tot direct opvraagbare tegoeden van natuurlijke personen, verenigingen en stichtingen.
N.B.In 1992: aan kredietinstellingen die ingevolge artikel 52.2.a-b zijn geregistreerd.
Periode: 1978–....
Grondslag: WTK 1978, art. 45.; WTK 1992, art. 85.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen waarin bepaald wordt dat ondernemingen of instellingen, die behoren tot een onderscheiden groep van ondernemingen of instellingen, niet als kredietinstellingen in de zin van de WTK worden beschouwd en het stellen van voorwaarden daarbij.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTK 1992, art. 1.3.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten waarbij wordt bepaald, dat op in een EG-lidstaat gevestigde ondernemingen die het bedrijf van kredietinstelling in Nederland willen uitoefenen door middel van een bijkantoor, of door het ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden door middel van het verrichten van diensten, in plaats van respectievelijk artikel 31 en 32 de artikelen 38 tot en met 44 en 82 van toepassing zijn, indien de lidstaat waarin die kredietinstellingen gevestigd zijn de Richtlijnen van de EG niet of onvoldoende nakomt.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTK 1992, art. 33.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot vaststelling, wijziging en bekendmaking van door De Nederlandsche Bank – in overeenstemming met de autoriteit die ingevolge de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 belast is met het toezicht op verzekeraars – geformuleerde voorschriften voor houders van verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 24.1., indien die aan het hoofd staan van een groep, waartoe een of meer kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1.1.a., en een of meer verzekeraars als bedoeld in artikel 1.1.h. van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 behoren en waartoe tenminste een kredietinstelling behoort die een vergunning als bedoeld in artikel 6 heeft verkregen.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTK 1992, zoals gewijzigd bij Wet van 6 april 1994, Stb. 278, art. 25a.2.; art. 25a.3.; 25a.4.
Waardering: b (5)
9.1.4 Regulering van en toezicht op het effectenverkeer / de handel in effecten (1940–)
9.1.4.1 Toezicht op de handel in effecten ter beurze (1940–1992)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften omtrent:
de opening en sluiting der beurzen;
de noteringen en de wijze, waarop ter beurze zaken worden gedaan;
de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke lopen van voor een door de Minister van Financiën, in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden, aan te wijzen dag en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ter beurze werden gesloten;
de afwikkeling van andere zaken ter beurze gedaan, voor een door de Minister van Financiën, op den voet van het onder 3 bepaalde, aan te wijzen dag.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen houdende aanwijzing – in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden – van de dag waarop ‘bijzondere regels’ van kracht worden.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.
Waardering: b (6)
Het vooraf goedkeuren/beoordelen van wijzigingen in het Fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.
N.B. Het Fondsenreglement is voor de eerste maal vastgesteld op 15 juni 1983. Zie ook Wet Toezicht Effectenverkeer. Vgl. art. 2 van de Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23, dat voorschrijft dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer om advies gevraagd moet worden.
Periode: 1983–
Grondslag: Beschikking Beursnotering 1983, art. 1.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (?) tot aanwijzing van bevoegde autoriteiten als bedoeld in de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 maart 1979, van 17 maart 1980 en van 15 februari 1982.
Periode: 1983–
Grondslag: Beschikking Beursnotering 1983, art. 2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen op voordrachten van de Vereniging voor de Effectenhandel inzake de toelating van fondsen tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam; het doen van mededeling in de Staatscourant van opneming van het toegelaten fonds in de prijscourant der beurs.
N.B. Bij Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23, werden de bevoegdheden van de Minister van Financiën in zake artikel 2.2. en 3 van de Beurswet en artikel 4 van de Beschikking Beursnotering 1983 toegekend aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer.
Periode: 1983–1989
Grondslag: Beschikking Beursnotering 1983, art. 4.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van belanghebbenden tegen besluiten van de Vereniging voor de Effectenhandel om fondsen te schorsen of te doen vervallen uit de officiële notering ter beurze van Amsterdam.
Periode: 1983–
Grondslag: Beschikking Beursnotering 1983, art. 7.2.; art. 7.3.; art. 7.4.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het aanwijzen van fondsen, die in de prijscouranten van de beurzen/van de Optiebeurs moeten worden opgenomen en het publiceren van die aanwijzingen in de Staatscourant.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van aanwijzingen door de Commissie van Toezicht op de Optiebeurs/de Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt van fondsen die in de prijscourant van de Optiebeurs/de Financiële Termijnmarkt worden opgenomen.
Periode: 1978–1989
Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 1.2.
Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 1.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot vaststelling van de koersen, welke als maatstaf moeten dienen ter berekening van de waarde van fondsen, strekkende tot onderpand van niet afgeloste prolongaties, voorschotten in rekening-courant of voor andere leningen, welke lopen van voor de dag, bedoeld in artikel 2.2.3.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 4.1.
Opmerking: Artikel 2.2.3 betreft de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke van vóór 29 juli 1914 lopen (en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ten beurze werden gesloten).
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot vaststelling van de termijn, waarbinnen de geldnemer, wiens onderpand niet meer het overeenkomstige surplus oplevert, verplicht is dit surplus aan te vullen, indien de notering van een fonds lager is dan krachtens de artikel 4.1. bepaalde koers.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 4.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot vaststelling van regels welke pandhouders in acht moeten nemen, wanneer zij zonder toestemming van de pandgever fondsen willen verkopen, welke strekken tot onderpand voor verbintenissen als bedoeld in artikel 4.1.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 5.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van voordrachten voor de benoeming (door Ons) van leden van de Commissie van Advies in Beurszaken.
Periode: 1940–1992
Grondslag: Beurswet 1914, art. 8.
Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)
Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum
Het vaststellen van besluiten tot overdracht van bevoegdheden uit hoofde van de Beurswet 1914 of uit kracht dier wet gegeven voorschriften aan de Commissie van Bijstand voor Uitvoering van de Beurswet 1914.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 1.5.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van besluiten tot heropening van alle beurzen in de zin van de Beurswet voor geld- en fondsenhandel.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 2.1.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van besluiten tot opening en sluiting van beurzen, alsmede tot vaststelling van de dagen en uren waarop de beurzen geopend zullen zijn.
Periode:` 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 7.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende voorwaarden waaronder de executiebeurs toegankelijk is voor het publiek.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 4.3.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen waarbij aan hen die de Voorschriften, Statuten en Reglementen van de Vereeniging voor den Effectenhandel overtreden de toegang tot de beurzen wordt ontzegd.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 4.4.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van besluiten tot goedkeuring van de besluiten van het bestuur en de ledenvergaderingen van de Vereeniging voor den Effectenhandel betreffende zodanige onderwerpen als waaromtrent door de Minister krachtens de Beurswet 1914 voorschriften kunnen worden gegeven.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 5.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming en ontslag van leden van de Commissie voor de Waardebepaling.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 6.2.
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van beschikkingen op beroepschriften van hen die zich in hun belangen geschaad achten door beschikkingen van de Commissie voor de Waardebepaling.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 6.8.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na afhandeling
Het verlenen van vergunningen voor de veiling van fondsen, onder goedkeuring van de plaats, de voorwaarden en de wijze van aankondiging van die veilingen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 8.
Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling (op verzoek) van de onderpandskoersen als bedoeld in art. 4, lid 1, der Beurswet 1914.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 10.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling (op verzoek) van executiekoersen ten aanzien van die fondsen, waaromtrent de Minister dit nodig oordeelt.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 11.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van de rentekoers voor geldleningen tegen onderpand van fondsen, welke leningen zijn aangegaan voor 10 mei 1940.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 12.2.; zie wijziging van december 1940
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot aanwijzing van niet tot de dagelijkse notering toegelaten fondsen waarin geen transacties (als bedoeld in artikel 12bis) mogen plaatsvinden.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 12bis.8.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende toestemming tot het publiceren van de koersen van fondsen welke niet tot de dagelijkse notering zijn toegelaten.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 12bis.9.
Waardering: b (5)
Het verlenen van toestemming aan kopers van voor 10 mei 1940 ter beurze gekochte fondsen om, in geval van gebreke van levering, gelijsoortige fondsen als de gekochte door twee makelaars ter beurze, of indien aldaar niet mogelijk, elders voor rekening van de verkoper te doen inkopen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 14.
Waardering: b (6)
Het verlenen van toestemming aan verkopers van voor 10 mei 1940 ter beurze verkochte fondsen om, in geval van gebreke van betaling, gelijksoortige fondsen als de verkochte door twee makelaars ter beurze, of indien aldaar niet mogelijk, elders voor rekening van de koper te doen verkopen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 15.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van besluiten tot wijziging van de rentekoers op beleningen en prolongatiën gesloten voor 10 mei 1940.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 16.5.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van het tijdstip – na heropening van de beurs – waarop geldleningen als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub 3, der Beurswet 1914, door de geldgever weer kunnen worden aangezegd of opgevraagd (beëindiging van de niet opeisbaarheid van de betreffende geldleningen).
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 25.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot verlenging van de termijn (van een jaar) na heropening van de beurs, waarna een geldgever geldleningen, als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub 3, van de Beurswet 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst vastgestelde onderpandkoersen, een surplus van 30% met bevoegdheid voor de geldgever tot herbelening aanwijst, kan aanzeggen of opvragen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 26.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot goedkeuring van de wijze van deponering van onderpanden ten behoeve van geldgevers als pandhouders, wanneer geldgevers weigeren om die onderpanden van geldnemers in ontvangst te nemen (wanneer geldnemers gebruik wensen te maken van de bepaling in artikel 26.1.).
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 27.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van besluiten waarbij de mogelijkheid dat beleningen, prolongatiën, on-call- en leenposten, als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub 3, van de Beurswet 1914, ten beurze kunnen worden aangezegd en saldi in rekening-courant kunnen worden opgevraagd, wordt opengesteld.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 30.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van koersen van niet-geleverde fondsen wanneer een geldgever in gebreke blijft om een verschuldigde post te leveren en een geldnemer zich voor de waarde der niet geleverde fondsen wil doen crediteren.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 36.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vaststelling
Het vaststellen van dag en wijze van verkoop van onderpanden ter executiebeurze, wanneer een geldgever gebruik wil maken van zijn recht tot verkoop van onderpanden.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 38.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vaststelling
Het verlenen van toestemming tot afwijking van het in artikel 39, lid 1, bepaalde (dat het gehele onderpand van een geldlening, waarvan de pandverkoop is aangevraagd, tot het beloop van het verschuldigde is bereikt, ten hiervoor aangewezen dage moet worden verkocht).
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 39.4.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het verlenen van toestemming aan de koper, de verkoper, de geldgever of de geldnemer die zijn recht tot inkoop en verkoop, als bedoeld in de artikelen 14, 15 en 36 wenst uit te oefenen, alsmede het vaststellen van de maximum of minimum koersen voor in- en verkoop en de datum en voorwaarden waarop deze in- en verkoop zal geschieden.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 41bis.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het verlenen van toestemming aan een geldgever om af te wijken van de regel, dat eerst nadat het onderpand ener lening geheel is verkocht terzake dier lening andere rechtsmaatregelen dan verkoop ter executiebeurze tegen de geldnemer mogen worden aangewend.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 43.1.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van het tijdstip, waarna de verkoper de betaling van aandelen NHM, op termijn verkocht voor 10 mei 1940, weer kan vorderen (herstel van de mogelijkheid tot afwikkeling van voor 10 mei 1940 op termijn verkochte aandelen NHM).
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 45.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van de passagekoers en de prolongatiekoers (zolang de beurs nog niet is heropend), cq. de passagekoers van aandelen NHM op rescontredagen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 46.1.; art. 46.2.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van beschikkingen, waarbij op verzoek van één der partijen de in deze afdeling (Afdeling III: Bepalingen omtrent de afwikkeling van zaken van voor 10 mei 1940) voorgeschreven termijnen in bijzondere gevallen worden verlengd, of waarbij, indien iets op een bepaalde dag moet geschieden, uitstel wordt verleend, of waarbij op verzoek van belanghebbenden nadere regelingen worden getroffen.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 59.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van regelingen tot aanwijzing van dagen, welke niet als werkdagen worden beschouwd (in verband met bepalingen ten aanzien van daggeldleningen tegen onderpand van fondsen).
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 62.3.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van het formulier van de akte volgens de welke daggeldleningen of prolongaties worden gesloten.
Periode: 1940–1947
Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 78.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van de waarde van de certificaten van Amerikaanse aandelen (onderpand en executiekoersen) die dienen als onderpand voor geldleningen.
Periode: 1941
Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 4.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van regelingen inzake de wijze van afgifte door de Vereeniging voor den Effectenhandel van verklaringen die noodzakelijk zijn om na 30 april 1941 te kunnen beschikken over certificaten van Amerikaanse aandeelen.
Periode: 1941
Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 16.4.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van regelingen inzake de wijze van afgifte door de Vereeniging voor den Effectenhandel van verklaringen die noodzakelijk zijn om te kunnen beschikken over certificaten van Amerikaanse aandeelen.
Periode: 1941–
Grondslag: Beursvoorschriften 1941A voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 10.4.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (?) houdende gelijkstelling van bepaalde effecten met effecten, uitgegeven door of ten laste van een publiekrechtelijk of privaatrechtelijk lichaam of instelling, gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika, waarvan de opbrengsten in Amerikaanse dollars aldaar betaalbaar zijn, dan wel met certificaten van dgl. effecten, uitgegeven door in Nederland gevestigde trust- of administratiekantoren.
Periode: 1946–1947
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1946, art. 4.2.c.; art. 4.3.c. [wijziging: Beschikking van 7 mei 1946, Stb. G 109]; art. 4.4.c. [wijziging: Beschikking van 16 juli 1946, Stb. G 182]; art. 4.2.c. [wijziging: Beschikking van 11 september 1946, Stb. G 182].
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen (?) tot regeling van alle gevallen, waarin de Beschikking Beursverkeer 1946 niet voorziet.
Periode: 1946–1947
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1946, art. 8.
Waardering: b (5)
Het verlenen van toestemming tot aankoop of verkoop van effecten anders dan door bemiddeling van leden van de Vereniging voor de Effectenhandel te Amsterdam, van de Vereniging van Effectenhandelaren te Rotterdam of van de Bond voor de geld- en effectenhandel in de Provincie te ’s-Gravenhage.
Periode: 1947–1986
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen waarin wordt bepaald dat de aankoop van effecten anders dan tegen voldoening van de koopsom in betaalmiddelen of ten laste van een vrije rekening van de koper mag plaatshebben.
Periode: 1947–1954
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van beschikkingen waarin wordt bepaald dat de leden van de Vereeniging voor den Effectenhandel het aan de verkoper van effecten toekomende bedrag niet op een vrije rekening tegoed hoeven te schrijven.
Periode: 1947–1954
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 4.1.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het verlenen van toestemming tot de aankoop van effecten anders dan met eigen geld.
N.B. De toestemming kan namens de Minister door anderen verstrekt worden.
Periode: 1947–1986
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 5.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van beschikkingen in gevallen die niet vallen onder de werking van de Beschikking Beursverkeer 1947.
Periode: 1947–1986
Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 8.
Waardering: b (5)
N.B. Het secretariaat van de Commissie van Toezicht op de Optiebeurs en de Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt berustte bij het hoofd van de Afdeling FMI van het Ministerie van Financiën.
De Stichting Toezicht Effectenverkeer oefende aanvankelijk toezicht uit op de Effectenbeurs, de Optiebeurs en de Financiële Termijnmarkt, alle te Amsterdam. In oktober 1989 werd daaraan de Olietermijnmarkt te Rotterdam toegevoegd.
Het – na raadpleging van het bestuur van de Optiebeurs – benoemen van de voorzitter en de leden van de Commissie van Toezicht op de Optiebeurs.
Periode: 1978–1989
Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 3.; art. 4.
Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van het reglement ter regeling van de werkzaamheden van de Commissie van Toezicht op de Optiebeurs en van eventuele wijzigingen daarin.
Periode: 1978–1989
Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 5.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van het bedrag van de jaarlijkse onkosten van de Commissie van Toezicht op de Optiebeurs en het verhalen van dat bedrag op de Optiebeurs.
Periode: 1978–1989
Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 8.3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vaststelling
Het – na raadpleging van het bestuur van de Financiële Termijnmarkt – vaststellen van beschikkingen tot benoeming van de voorzitter en de leden van de Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt.
Periode: 1987–1989
Grondslag: Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 3.; art. 4.
Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van het reglement tot regeling van de werkzaamheden van de Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt en van eventuele wijzigingen daarin.
Periode: 1987–1989
Grondslag: Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 5.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van het bedrag van de jaarlijkse onkosten van de Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt en het verhalen van dat bedrag op de Financiële Termijnmarkt.
Periode: 1987–1989
Grondslag: Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 8.3.
Waardering: v Termijn: 10jaar na vaststelling
9.1.4.2 Toezicht op de handel in effecten buiten de beurs om (1985-1990/1992)
Het aanwijzen van effectenbeurzen in landen buiten de EG als zijnde beurzen in de zin van de Wet effectenhandel.
Periode: 1986–ca. 1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels waaraan het prospectus, dat algemeen verkrijgbaar moet zijn bij de aanbieding van effecten, moet voldoen om de aanbieding van die effecten niet onder het in art. 4.1. van deze wet vervatte verbod te laten vallen.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, 4.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie in geval van verlening van vrijstelling, dan wel ontheffing van het verbod om in of vanuit Nederland buiten een besloten kring bij uitgifte effecten aan te bieden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, die niet of beroepsmatig handelen of beleggen in effecten.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 6.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels waaraan het prospectus ten aanzien van de deelneming in een fonds voor gemene rekening moet voldoen, alsmede houdende eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie, waaraan de beheerder van een dergelijk fonds, moeten voldoen.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 9.2.
N.B. Artikel 9 is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet toezicht beleggingsinstellingen – Wet van 27 juni 1990, Stb. 380 – op 15 oktober 1990.
Waardering: b (5)
Het verlenen/intrekken van vrijstellingen, dan wel ontheffingen van het verbod om in of vanuit Nederland buiten een besloten kring bij uitgifte effecten aan te bieden aan natuurlijke personen en rechtspersonen, die niet of beroepsmatig handelen of beleggen in effecten; het stellen van beperkingen aan die ontheffingen; het verbinden van voorschriften aan die vrijstellingen/ontheffingen.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 5.2.; art. 12.; art. 14.
Waardering: b (5)
Het verlenen/intrekken van vergunningen om in of vanuit Nederland buiten een besloten kring bemiddeling bij effectentransacties aan te bieden aan natuurlijke personen en rechtspersonen die niet effecten plegen uit te geven of daarin beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen; het stellen van beperkingen aan die vergunningen; het verbinden van voorschriften aan die vergunningen.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 6.; art. 12.; art. 14.; zie ook Besluit effectenhandel, art. 3 – 9.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vergunning
Het verlenen/intrekken van vrijstellingen, dan wel ontheffingen van het verbod om zonder vergunning in of vanuit Nederland buiten een besloten kring bemiddeling bij effectentransacties aan te bieden aan natuurlijke personen en rechtspersonen die niet effecten plegen uit te geven of daarin beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen; het stellen van beperkingen en het verbinden van voorschriften aan die vrijstellingen of ontheffingen.
Periode: 1986–1992
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 8.; art. 12.; art. 14.
Waardering: b (5)
Het verlenen/intrekken van vergunningen om vanuit Nederland buiten een besloten kring de deelneming in een fonds voor gemene rekening open te stellen voor natuurlijke personen of rechtspersonen die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten; het stellen van beperkingen aan die vergunningen; het verbinden van voorschriften aan die vergunningen.
Periode: 1986–1990
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 9.; art. 12.; art. 14.; zie ook Besluit effectenhandel, art. 11 – 16.
N.B. Artikel 9 is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet toezicht beleggingsinstellingen – Wet van 27 juni 1990, Stb. 380 – op 15 oktober 1990.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vergunning
Het verlenen/intrekken van vrijstellingen dan wel ontheffingen van het verbod om zonder vergunning vanuit Nederland buiten een besloten kring de deelneming in een fonds voor gemene rekening open te stellen voor natuurlijke personen of rechtspersonen die niet beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten; het stellen van beperkingen en het stellen van voorschriften aan die vrijstellingen en ontheffingen.
Periode: 1986–1990
Grondslag: Wet effectenhandel, art. 11.; art. 12.; art. 14.
N.B. Artikel 11 is vervallen met de inwerkingtreding van de Wet toezicht beleggingsinstellingen – Wet van 27 juni 1990, Stb. 380 – op 15 oktober 1990.
Waardering: b (5)
N.B. Art. 5 van de Regeling van 21 april 1986, Stcrt. 79, houdende regeling bescherming persoonlijke levenssfeer bij geautomatiseerde registratie van persoonsgegevens bij de uitvoering van de Wet effectenhandel, wijst het hoofd van de Afdeling FMI van de Directie BGW aan als houder van de registratie.
Het systematisch vastleggen, opslaan, verwijderen en ter beschikking stellen van gegevens ten behoeve van de uitvoering van het toezicht op grond van de Wet effectenhandel en de naleving van de Wet effectenhandel.
Periode: 1986–
Grondslag: Regeling van 21 april 1986, Stcrt. 79, art. 3- 11.
Opmerking: Het komt er op neer dat er lijsten van bonafide en ‘zwarte’ firma’s worden aangelegd. Het gaat om de registratie van firma’s die hun diensten aanbieden aan particulieren mbt effectentransacties. De gegevens zullen dan in een soort register of vergunningstoekenning zijn vastgelegd. Het betreft dan gegevens als de toekenning van de vergunning, naam en andere registraties van die firma, onderzoekgegevens naar die firma’s en het uitwisselen van inlichtingen met bijv. Justitie en FIOD.
Waardering: b 5 (basisregistratie/geautomatiseerd bestand)
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van geregistreerden die verzet aantekenen tegen de weigering van de houder van de registratie om verbetering of verwijdering te bewerkstelligen van gegevens die naar het oordeel van die geregistreerden onjuist zijn of ten onrechte in de registratie zijn opgenomen.
Periode: 1986–(?)
Grondslag: Regeling van 21 april 1986, Stcrt. 79, art. 10.3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
9.1.4.3 Toezicht op de beleggingsinstellingen (1990–)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende eisen waaraan beleggingsinstellingen moeten voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 5.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels waaraan beleggingsmaatschappijen moeten voldoen wanneer wordt afgeweken van de eis, dat activa in bewaring moeten worden gegeven bij van die beleggingsmaatschappijen onafhankelijke bewaarders.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 6.5.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van soorten beleggingsinstellingen waarvoor de bij en krachtens artikel 12.2. van de Wet toezicht beleggingsinstellingen gestelde regels met betrekking tot het beleggen, gelet op het beleid van die instellingen inzake beleggingen of het aangaan van leningen, niet geschikt zijn, en waarop artikel 6 derhalve niet van toepassing is.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 7., onder c.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en informatieverschaffing.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 12.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende aanvullende regels met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en informatieverschaffing wanneer een vergunning verstrekt is op basis van art. 6.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 12.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot het – onder beperkingen en voorschriften – verlenen van vrijstelling van het verbod (art. 4) om in of vanuit Nederland buiten een besloten kring gelden of andere goederen ter deelneming in een beleggingsinstelling waaraan geen vergunning is verleend, te vragen of te verkrijgen dan wel rechten van deelnemingen in een dergelijke beleggingsinstelling aan te bieden.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 14.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen inzake het in rekening brengen aan beleggingsinstellingen van de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van die taken en de uitoefening van die bevoegdheden die uit de Wet voortvloeien.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 28
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende (gedeeltelijke) overdracht van de taken en bevoegdheden welke de Minister op basis van de WTB heeft aan één of meer rechtspersonen, die deze als eigen taken uitvoeren en als eigen bevoegdheden uitoefenen.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 29.
Waardering: b (4)
Het (opnieuw) goedkeuren van (schriftelijke) overeenkomsten tot uitwerking van de in artikel 27 van de WTB bedoelde informatie-uitwisseling tussen De Nederlandsche Bank en andere toezichthoudende autoriteiten (na de totstandkoming van verdragen tot wederzijdse informatie-uitwisseling tussen Nederland en andere staten).
Periode: 1990–....
Grondslag: Besluit van 14 augustus 1990, art. 3.2.; art. 3.3.
Waardering: b (5)
Het (gedeeltelijk) publiceren van het jaarverslag van de toezichthoudende instelling.
N.B. Van publicatie zijn uitgesloten de passages handelend over de uitvoering van de artn. 5.3., 6.7., 12.3., 21 en 22.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 29.6.
Waardering: b (3)
Het weigeren of intrekken van vergunningen, dan wel het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan vergunningen, dan wel het wijzigen van eerder gestelde beperkingen en voorschriften, indien a) de beleggingsinstelling haar zetel heeft of haar beheerder zijn zetel heeft in een staat, niet zijnde een lid-staat, waar Nederlandse financiële instellingen niet worden toegelaten of aan onredelijke beperkingen worden onderworpen, of b) een natuurlijke persoon of rechtspersoon met de nationaliteit van een onder a bedoelde staat rechtstreeks of middellijk overwegende zeggenschap kan uitoefenen in de beleggingsinstelling.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 30.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van een organisatie van beleggingsinstellingen of van bewaarders als representatieve organisatie met betrekking tot de uitvoering van deze wet.
Periode: 1990–....
Grondslag: WTB, art. 32.
Waardering: b (5)
9.1.4.4 Toezicht op het effectenverkeer (1992–)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin regels worden gesteld met betrekking tot prospectussen waarin effecten bij uitgifte worden aangeboden, dan wel een aanbieding van (eerder in omloop zijnde) effecten in het vooruitzicht wordt gesteld.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 3.2.b-c.
Waardering: b (5)
Het – onder voorschriften – verlenen van vrijstellingen van het verbod op het aanbieden van effecten.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 4.; art. 14.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en de beschikbaarheid van informatie die instellingen, te wier laste buiten een besloten kring effecten zijn uitgegeven, die niet zijn toegelaten tot de notering aan een op grond van artikel 16 erkende effectenbeurs, verkrijgbaar moeten stellen.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 5.1.
Waardering: b (5)
Het – onder voorschriften – verlenen van vrijstellingen van de verplichting tot het aanbieden van periodieke informatie door instellingen, te wier laste buiten een besloten kring effecten zijn uitgegeven, die niet zijn toegelaten tot de notering aan een op grond van artikel 16 erkende effectenbeurs.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 5.2-3.; art. 14.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin eisen worden gesteld ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie, waaraan een aanvrager van een vergunning om als effectenbemiddelaar te mogen optreden, moet voldoen.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 6.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin eisen worden gesteld met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie, waaraan een effectenbemiddelaar aan wie een vergunning is verleend, verplicht is zich te houden.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 7.1.
Waardering: b (5)
Het – onder voorschriften – verlenen van vrijstellingen van het verbod om zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring (onder voorwaarden en beperkingen).
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 9.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin eisen worden gesteld ten aanzien van betrouwbaarheid en deskundigheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie, waaraan een vermogensbeheerder aan wie een vergunning wordt verleend, moet voldoen.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 10.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarin eisen worden gesteld met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie, waaraan een vermogensbeheerder aan wie een vergunning is verleend verplicht is zich te houden.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 11.1.
Waardering: b (5)
Het – onder voorschriften – verlenen van vrijstellingen van het verbod om zonder vergunning als vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring (onder voorwaarden en beperkingen).
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 12.; art. 13
Waardering: b (5)
Het doen van mededeling van de verlening van een vrijstelling, vergunning, erkenning en de intrekking daarvan in de Staatscourant.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 35.
Waardering: v Termijn: 1 jaar na publicatie
Het (onder voorwaarden en beperkingen) verlenen/intrekken van erkenning aan/van de houder(s) van effectenbeurzen.
N.B.Het verlenen/intrekken van dgl. erkenningen geschiedt na raadpleging van de rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn gedelegeerd, vgl. art. 27.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 16.; vgl. art. 17.; art. 19.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van voorschriften voor houder(s) van effectenbeurzen met betrekking tot de voor die effectenbeurzen te hanteren regels, alsmede inzake beschermingsconstructies en hun toepassing; het vaststellen van voorschriften inzake de opening en sluiting van effectenbeurzen.
N.B. Bij Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 2, werd deze bevoegdheid uitgezonderd van overdracht aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer. Andere uitzonderingen worden genoemd in artikel 25 van de Wet toezicht effectenverkeer.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 18.; Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van voorschriften voor organisaties als bedoeld in artikel 8 en 12 om de regels die gelden voor effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders in overeenstemming te doen zijn met de richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen/de Europese Unie inzake het effectenverkeer; het vaststellen van voorschriften ter uitvoering van dergelijke richtlijnen.
N.B. Het geven van voorschriften geschiedt na raadpleging van de rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn gedelegeerd, vgl. art. 27.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 20.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van voorschriften voor de houder(s) van effectenbeurzen ter uitvoering van de richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen/Europese Unie inzake het effectenverkeer.
N.B. Het geven van voorschriften geschiedt na raadpleging van de rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn gedelegeerd, vgl. art. 27.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 20.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (?) tot goedkeuring van wijzigingen in het Fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 30 maart 1992, Stcrt. 63, art. 2.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur waarbij – onder voorwaarden en beperkingen – taken en bevoegdheden die de Minister van Financiën krachtens deze wet heeft, kunnen worden overgedragen aan één of meer rechtspersonen.
N.B. Van deze mogelijkheid zijn uitgesloten de bevoegdheden in de artikelen 16, 19, 20, 26, 28 en 31; hetzelfde geldt voor het verlenen van vrijstellingen als bedoeld in de artikelen 4, 5, 9 en 13.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 25.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen:
a. tot goedkeuring van (schriftelijke) overeenkomsten tot uitvoering van de in artikel 24 van de Wet toezicht effectenverkeer bedoelde informatie-uitwisseling tussen de Stichting Toezicht Effectenverkeer en andere toezichthoudende autoriteiten;
b. tot het opnieuw goedkeuren van (schriftelijke) overeenkomsten tot uitvoering van de in artikel 24 van de Wet toezicht effectenverkeer bedoelde informatie-uitwisseling tussen de Stichting Toezicht Effectenverkeer en andere toezichthoudende autoriteiten, na totstandkoming van een verdrag tot uitwisseling van informatie met andere landen;
c. tot goedkeuring (?) van de door de Stichting Toezicht Effectenverkeer op grond van artikel 18 van de Wet toezicht effectenverkeer te stellen voorschriften met betrekking tot de voor een effectenbeurs te hanteren regels, hun toepassing en de controle op de naleving van deze regels, voor zover deze regels van algemene strekking zijn.
Periode: 1992–....
Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 3.
Waardering: b (5)
Het voeren van overleg met de Stichting Toezicht Effectenverkeer over door de Stichting uit te vaardigen nadere regels op basis van de artikelen 3, 5, 6, 7, 10 en 11 van de Wet toezicht effectenverkeer.
Periode: 1992–....
Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 3.5.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming, schorsing en ontslag van de bestuurders van de rechtspersoon waaraan de Minister van Financiën zijn bevoegdheden krachtens de Wet toezicht effectenverkeer heeft overgedragen.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 25.2.b.
Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van voorschriften voor rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn overgedragen ter uitvoering van richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen/Europese Unie inzake het effectenverkeer.
N.B. Het geven van voorschriften geschiedt na raadpleging van de rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn gedelegeerd, vgl. art. 27.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 25.4.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen tot goedkeuring van wijzigingen in de statuten van rechtspersonen waaraan taken in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn gedelegeerd.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 26.
Waardering: b (4)
Het (deels) publiceren van jaarverslagen van de rechtspersoon of rechtspersonen over de uitoefening van de aan hem/hen gedelegeerde taken en bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer.
N.B. Van publicatie zijn uitgezonderd de gedeelten die handelen over de uitvoering van de artikelen 4, 5.2., 5.3., 6.3., 7.2., 10.3. en 11.2.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 25.5.
Waardering: b (3)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen inzake de kosten die door de Minister van Financiën dan wel door rechtspersonen aan wie bevoegdheden in het kader van de Wet toezicht effectenverkeer zijn overgedragen in rekening mogen worden gebracht.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 28.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (?) inzake de onderverdeling en het door een accountant doen controleren van de begroting van de Stichting Toezicht Effectenverkeer.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 63, art. 2.2.; art. 2.3.
Waardering: b (5)
Het weigeren of intrekken van vergunningen, dan wel het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan vergunningen, dan wel het wijzigen van eerder gegeven beperkingen en voorschriften, indien a) de effectenhandelaar of vermogensbeheerder zijn zetel heeft in een staat, niet zijnde een lidstaat van de EG, waar Nederlandse financiële instellingen niet worden toegelaten of aan onredelijke beperkingen worden onderworpen; b) een natuurlijke persoon of rechtspersoon met de nationaliteit van een onder a bedoelde staat rechtstreeks of middellijk overwegende zeggenschap kan uitoefenen in het bedrijf van de effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder.
Periode: 1992–....
Grondslag: WTE, art. 31.
Waardering: b (5)
9.1.4.5 Melding van zeggenschap in ter beurze genoteerde vennootschappen (1992–)
Het – de Stichting Toezicht Effectenverkeer gehoord – (op verzoek) verlenen van ontheffingen aan vennootschappen van de in artikel 9 omschreven verplichting tot openbaarmaking van meldingen in het kader van de Wet melding zeggenschap.
Periode: 1992–....
Grondslag: WMZ, art. 11.1.; art. 11.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de ontheffing
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur, waarin taken en bevoegdheden die de Minister van Financiën op basis van de Wet melding zeggenschap heeft – onder voorwaarden – worden overgedragen aan een rechtspersoon.
Periode: 1992–....
Grondslag: WMZ, art. 15.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende:
a. goedkeuring vooraf van de door de Stichting Toezicht Effectenverkeer opgestelde regels met betrekking tot de wijze waarop de samenstelling van het percentage als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, van de Wet melding zeggenschap moet worden kenbaar gemaakt;
b. goedkeuring vooraf van schriftelijke afspraken tussen de Stichting Toezicht Effectenverkeer en buitenlandse bevoegde autoriteiten ten behoeve van de in artikel 14.2. en 14.3. van de Wet melding zeggenschap bedoelde informatie-uitwisseling;
c. goedkeuring (opnieuw) van schriftelijke afspraken tussen de Stichting Toezicht Effectenverkeer en buitenlandse bevoegde autoriteiten ten behoeve van de in artikel 14.2. en 14.3. van de Wet melding zeggenschap bedoelde informatie-uitwisseling, na totstandkoming van verdragen tot informatie-uitwisseling.
Periode: 1992–....
Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 749, art. 3.
Waardering: b (5)
Het publiceren van een door de Stichting Toezicht Effectenverkeer opgesteld jaarlijks verslag over de uitoefening van de aan haar in het kader van de Wet melding zeggenschap gedelegeerde taken en bevoegdheden.
Periode: 1992–....
Grondslag: WMZ, art. 15.4.
Waardering: b (3)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen inzake het verhaal van de kosten voor de uitvoering en uitoefening van de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet melding zeggenschap op vennootschappen en op degenen op wie een meldingsplicht rust.
Periode: 1992–....
Grondslag: WMZ, art. 16.
Waardering: b (5)
Het beoordelen van de begrotingen van inkomsten en uitgaven van de Stichting Toezicht Effectenverkeer, alsmede van de staten van werkelijke inkomsten en uitgaven.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 16 januari 1992, art. 2.1.; art. 7.; art. 8.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na goedkeuring
Het vaststellen van regels met betrekking tot de onderverdeling van de begroting van de Stichting Toezicht Effectenverkeer; het opleggen van de verplichting om die begroting voor te leggen aan een externe accountant.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 16 januari 1992, art. 2.2.; art. 2.3.
Waardering: b (5)
9.1.4.6 Effectenvernieuwing (1941–)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot goedkeuring van de tarieven welke het Effectenvernieuwingsbureau voor zijn bemoeiingen (en ter dekking van de door hem te dragen risico’s) in rekening mag brengen.
Periode: 1941–....
Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 3.4.; art. 17.; Effectenvernieuwingswet, art. 2.3.; Beschikking van 6 april 1955, Stcrt. 69, art. 10.
Waardering: b (5)
Het stellen van waarborgen met betrekking tot de verplichtingen van het Effectenvernieuwingsbureau en het verlenen van benodigde kasvoorschotten.
Periode: 1941–....
Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 3.5.; Effectenvernieuwingswet, art. 2.4.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de waarborg/terugbetaling van de voorschotten
(560) HANDELING
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen inzake de werkwijze van het Effectenvernieuwingsbureau (en de aanwijzing en de wijze van behandeling van de ingevolge artikel 1 van het Effectenvernieuwingsbesluit aangewezen waardepapieren).
Periode: 1941–....
Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art 3.6.; Effectenvernieuwingswet, art. 2.6.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot goedkeuring van de voorwaarden waaronder het Effectenvernieuwingsbureau duplicaten of vervangende waarden van effecten en de ter zake van die effecten ontvangen uitkeringen aan de aanvrager kan teruggeven.
Periode: 1965–....
Grondslag: Effectenvernieuwingswet, art. 12.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot aanwijzing van een effectenprijscourant, waarin het Effectenvernieuwingsbureau de aanvraag tot vervanging van effecten bekend moet maken, wanneer de identiteit van de te vervangen effecten is komen vast te staan, doch niet is voldaan aan de in artikel 9 gestelde vereisten.
Periode: 1965–....
Grondslag: Effectenvernieuwingswet, art. 14.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na intrekking/ vervallen
(565) HANDELING
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot aanwijzing van een effectenprijscourant, waarin het Effectenvernieuwingsbureau de vordering van een duplicaat of vervangende waarden bekend moet maken.
Periode: 1965–....
Grondslag: Effectenvernieuwingswet, art. 17.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na intrekking/ vervallen
Het voeren van overleg met de Stichting Effectenvernieuwing over de voorwaarden die gesteld moeten worden bij de overdracht van premies van meer dan fl. 1000 die zijn gevallen op door de Stichting in bewaring gehouden duplicaten van effecten (vgl. art. 19 van de Effectenvernieuwingswet).
Periode: 1966–....
Grondslag: Beschikking van 20 december 1965, art. 8.2.
Waardering: V 10 jaar na vervallen van de voorwaarden
9.1.4.7 Giraal effectenverkeer (1977–)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende aanwijzing van een rechtspersoon als centraal instituut zoals bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 1.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming en ontslag van de toezichthouder op het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 2.1.
Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels met betrekking tot het toezicht op het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 2.4.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (?) houdende aanwijzingen ten behoeve van de toezichthouder op het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Instructie toezichthouder, art. 5.1.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen waarbij aan de toezichthouder toestemming wordt verleend om functies te bekleden bij instellingen die zijn aangesloten bij het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Instructie toezichthouder, art. 6.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beëindiging van de functie
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van wijzigingen in de statuten van het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 2.5.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen tot vernietiging van besluiten van organen van de centrale instelling als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van de door het centrale instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer vastgestelde regels betreffende de toelating als aangesloten instelling en betreffende de intrekking van zodanige toelating.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 4.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen op beroepschriften van instellingen wier verzoek tot toelating als aangesloten instelling door het centrale instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer is afgewezen, dan wel wier toelating is ingetrokken.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 5.; art. 6.
N.B. Art. 6 is vervallen in 1994 in verband met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels met betrekking tot de behandeling van beroepschriften van instellingen wier verzoek tot toelating als aangesloten instelling door het centrale instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer is afgewezen, dan wel wier toelating is ingetrokken.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 6.2.
N.B. Art. 6 is vervallen in 1994 in verband met de invoering van de Algemene wet bestuursrecht.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen, waarin bij het centrale instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer aangesloten instellingen voor bepaalde soorten effecten worden vrijgesteld van de verplichting om terstond kennis te geven van een door haar verrichte bijschrijving aan degene op wiens naam de bijschrijving in het verzameldepot heeft plaatsgevonden.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 25.3.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing – op verzoek van het centrale instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer – van buitenlandse instellingen waarbij het centrale instituut tegoeden mag aanhouden.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 35.b.
Waardering: b (5)
9.1.5 Regulering van en toezicht op het giroverkeer / de Rijkspostspaarbank (1940–1985)
9.1.5.1 Giroverkeer
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot aanwijzing van met het giraal betalingsverkeer verband houdende werkzaamheden, welke door de Postcheque- en Girodienst mogen worden verricht.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.1.b.; Postwet 1954, art. 7.1.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten houdende regels ten aanzien van de organisatie, het beheer en het gebruik van de PCGD, de voorwaarden waarop de handelingen en werkzaamheden door de dienst worden verricht, zomede ten aanzien van de rechten, welke worden geheven.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.2.
Waardering: b (4)
Het (mede)goedkeuren van door de directeur van de PCGD verleende vrijstellingen van de betaling van rechten bedoeld in artikel 35, lid 1, onder a en d, aan de houders van postrekeningen, geopend ten behoeve van (de takken van) ’s Rijks dienst.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 37.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende besluiten tot gehele/gedeeltelijke sluiting (cq. wederopenstelling) van girokantoren voor de behandeling van opdrachten tot bijschrijving of afschrijving in geval van gevaar voor ontreddering van de dienst, alsmede tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop rekeninghouders tijdens de sluiting over hun tegoed kunnen blijven beschikken.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 47.; Girobesluit 1955, art. 7.; Girobesluit 1966, art. 7.
Waardering: b (6)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van de hoogte van de rente die vergoed wordt aan houders van particuliere postrekeningen (1972 – 1974); tot vaststelling van de categorieën van rekeninghouders aan wie rente over het beschikbare tegoed wordt vergoed en tot vaststelling van de hoogte van die rentevoet (sinds 1974).
Periode: 1955–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1955, art. 20.1.; Girobesluit 1966, art. 20.1.
Waardering: b (5)
Het verlenen van machtigingen aan de directeur van de Postcheque- en Girodienst tot het mogen weigeren van opdrachten tot verhoging van rentedragende tegoeden op postrekeningen, dan wel tot weigering van rentevergoeding over bedragen boven een door de directeur der PCGD te bepalen maximum.
Periode: 1982–(1985)
Grondslag: Beschikking van 30 juni 1982, Stcrt. 122, art. 4.; Beschikking van 26 april 1983, Stcrt. 88, art. 4.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke Besluiten) waarbij wordt bepaald op welke wijze de bewaring van bij de PCGD belegde gelden zal geschieden.
Periode: 1940–1954
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.4.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels voor de belegging van gelden van de PCGD, alsmede voor het bewaren van de beleggingen en van de in pand genomen waarden.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.3.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van instructies tot regeling van de werkzaamheden der Commissie van Advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Waardering: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming van de leden van de Commissie van Advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld; het aanwijzen van de voorzitter van die Commissie.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Waardering: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur regelende de wijze waarop de Commissie van Advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld van advies dient bij de uitvoering van deze wet.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.3.
Waardering: b (4)
Het (mede)opstellen van en het zo nodig voeren van overleg met de andere Minister (de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT) over adviesaanvragen die aan de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet, zullen worden voorgelegd.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 2.2.
Waardering: b (5)
Het verlenen van toestemming aan de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936, tot openbaarmaking van zijn adviezen.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 5.
Waardering: v Termijn : 5 jaar na toestemming
Het verlenen en intrekken van vergunningen aan/van gemeenten die een girodienst willen oprichten/hebben opgericht.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.; art. 5.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende bepalingen ten aanzien van gemeentelijke girodiensten (o.a ten aanzien van de belegging van gelden, de deelneming aan het interlokale en internationale betalingsverkeer en de aan de PCGD voor diens bemoeiingen te betalen vergoedingen).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.3; art. 2.4.; art. 2.5.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de rentevoet en van de voorwaarden in acht te nemen met betrekking tot de saldi-tegoeden welke bij gemeentelijke girodiensten worden aangehouden.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.6., zoals gewijzigd bij Wet van 13 april 1978, houdende bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen, art. 57.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen (?) waarin aan een gemeentelijke dienst, die al voor inwerkingtreding van de Girowet bestond, voorschriften worden gegeven terzake van de belegging van gelden, de deelneming aan het interlokale en internationale betalingsverkeer en de aan de PCGD voor diens bemoeiingen te betalen vergoedingen.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 3.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels volgens welke door de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën toezicht wordt uitgeoefend op gemeentelijke girodiensten.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 4.
Waardering: b (5)
Het aanwijzen van ambtenaren die inzage nemen in de boeken en bescheiden betreffende de administratie van gemeentelijke girodiensten.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 9.1.
Waardering: v Termijn: 1 jaar na aanwijzing
Het uitoefenen van toezicht op gemeentelijke girodiensten (door te onderzoeken of de voor de diensten geldende bepalingen en voorwaarden worden nageleefd, door zich op de hoogte te stellen van de wijze waarop de diensten worden geëxploiteerd, door zich te overtuigen van de juistheid van de door de diensten verstrekte opgaven en van de wijze, waarop de beleggingen en de in onderpand genomen waarden worden bewaard).
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 9. (zie ook: Girowet 1936, art. 4.)
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorwaarden waaronder gemeentelijke stortings- en ophaaldiensten en gemeentelijke spaardiensten betalingen mogen verrichten aan openbare lichamen en daarmee gelijk te stellen begunstigden, ten behoeve van de daarbij aangeslotenen en ten laste van door dezen bij die diensten aan te houden tegoeden.
N.B. Wanneer diensten zich beperken tot het verrichten van dgl. betalingen vallen zij niet onder de werking van de wet.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 7.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van bijzondere voorwaarden waaraan een gemeentelijke stortings- of ophaaldienst of gemeentelijke spaarbank moet voldoen om te worden aangemerkt als dienst waarvoor de bepalingen van de Girowet niet gelden.
Periode: 1940–
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 2.; Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende gelijkstelling van andere met name aan te duiden openbare lichamen dan het Rijk en de gemeenten met gemeenten (voor de toepassing van deze wet).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 8.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van regels voor het monetaire beleid van de PCGD (tot 1978); het vaststellen van de wijze waarop de bewaring van de beleggingen en van de in pand genomen waarden zal geschieden.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postwet 1954, art. 7.2.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende:
a. het percentage van het bedrag hoger dan fl. 10 miljoen, dat op de postrekeningen gestort en nog niet terugbetaald is (met uitzondering van de tegoeden der rijkscomptabelen en van de saldi der dienstpostrekeningen), dat als kasreserve moet worden aangehouden bij De Nederlandsche Bank;
b. goedkeuring van onttrekkingen aan de kasreserve(s), anders dan bedoeld in art. 2, lid 3.
Periode: 1957–1972
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.1.; art. 2.2. (1972); art. 2.1. (1975); art. 2.6.; art 2.5. (1972); art. 2.4. (1975).
N.B. Art. 2.3. (art. 2.2. (1972)) luidt: ‘Telkens als door wijziging van het percentage voor de kasreserve of door wijziging van het bedrag der op postrekeningen gestorte en nog niet terugbetaalde bedragen als bedoeld in lid 1, het bedrag van de aldaar bedoelde kasreserve moet worden verhoogd of verlaagd, doet de Directeur-generaal van het Staatsbedrijf der PTT daarvan mededeling aan de Minister van Financiën en De Nederlandsche Bank N.V.’
Waardering: b (5)
Het overschrijven van het bedrag der kasreserve(s) op een rekening Kasreserve PCGD bij De Nederlandsche Bank; het verhogen of verlagen van de kasreserve(s) van de PCGD door overschrijving op of van de Rekening Kasreserve PCGD bij De Nederlandsche Bank ten laste van of ten gunste van de rekening van ’s Rijks Schatkist.
Periode: 1957–(1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.4.; art. 2.5.; art. 2.3 (1972); art. 2.2. (1975); art. 2.4 (1972); art. 2.3. (1975)
Waardering: v Termijn: 10 jaar na overschrijving
Het ter beschikking stellen van bedragen ter belegging aan de directeur van de Rijkspostspaarbank door overschrijving van de rekening van ’s Rijks Schatkist bij De Nederlandsche Bank op de bij deze bank aangehouden beleggingsrekening (PCGD).
Periode: 1957–(1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 3.2.
Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikbaar stelling
Het beoordelen van wijzigingen in de bedragen van de kasreserves die door de PCGD bij De Nederlandsche Bank moeten worden aangehouden.
Periode: 1975 – (1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.1. (1975)
Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum
9.1.5.2 Rijkspostspaarbank
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke) Besluiten:
a. tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur/onderdirecteur van de RPS;
b. voorziening in de tijdelijke waarneming van hun functies bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis van zowel de directeur als de onderdirecteur (tot 1942).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.4.; art. 2.5.
Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3. Postspaarbankwet 1954, art. 3.4.
Organiek Besluit PTT 1928, art. 3.; Organiek Besluit PTT 1946, art. 4.; Organiek Besluit PTT 1955, art. 25 (vervalt in 1983).
Waardering: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de ambtenaren der RPS (m.u.v. de directeur en de onderdirecteur).
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.5.
Waardering: b (1)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. regelende de inleg en terugbetaling van gelden uit de RPS;
b. regelende toelating van bepalingen, welke hij, die een inleg doet op een nieuw boekje ten name van een ander, kan stellen;
c. tot vaststelling van regelingen die afwijken van het bepaalde in de voorgaande leden van artikel 5;
d. inzake de voorwaarden waaronder gelegenheid wordt gegeven tot het openen van een spaarrekening en het daarop rentegevend inleggen van gelden, alsmede tot het sluiten van andere spaarcontracten bij de RPS.
N.B. Tot 1955 was de Minister belast met etc. de hoofdactor, daarna de Minister van Financiën.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; art. 5.5.; art. 5.6.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot opschorting of beëindiging van de uitgifte van beleggingsbewijzen.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 17 december 1973, Stb. 624, art. 10.c.1.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin bij de vaststelling van de rentevoet voor spaardeposito’s wordt onderscheiden naar de duur van de inleg en het minimum bedrag van de inleg.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 15 april 1975, Stb. 201, art. 10.e.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende nadere voorschriften betreffende de inschrijving en doorhaling van de inschrijving in de bescheiden van de RPS van de rechterlijke uitspraak inzake het bevel of de toestemming tot het verbinden van gelden, welke zijn ingelegd om te dienen tot zekerheid van voogdijbeheer.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 10.9.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot verlenging – de raad van toezicht gehoord/de commissie van advies gehoord – van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. waarin wordt bepaald hoeveel de RPS als commissieloon en verdere kosten in rekening mag brengen aan rekeninghouders, die gebruik maken van de mogelijkheid om door tussenkomst van de RPS inschrijvingen op naam in een Grootboek van de Nationale Schuld, rentegevende obligatiën ten laste van de Staat, of certificaten aan toonder van inschrijving in een Grootboek te doen aankopen;
b. tot vaststelling van het formulier, waarbij de inlegger de directeur van de RPS machtigt om over te gaan tot invordering van de rente van het kapitaal, dat ten kantore van de Directeur van het Grootboek der Nationale Schuld op enig hoofd van rekening door tussenkomst van de RPS is ingeschreven (tot 1942).
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. art. 8.2.; art. 8.4.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. tot vaststelling van het percentage, waarmee de waarde van inschrijving in het Grootboek der Nationale Schuld mag worden vermeerderd in geval van op- of afschrijvingen van Staatsschuldboekjes;
b. vaststelling van de regelen betreffende het in en afschrijven op Staatsschuldboekjes;
c. vaststelling van de hoogte van het commissieloon dat de RPS in rekening mag brengen in verband met inschrijvingen op of afschrijvingen van Staatsschuldboekjes.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 9.5.; art. 9.7.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. inzake de voorwaarden waaronder aan inleggers gelegenheid wordt gegeven tot het verkrijgen – ten laste van hun tegoed – van inschrijving in een staatsschuldboekje;
b. inzake de voorwaarden waaronder ten behoeve van inleggers bemiddeling wordt verleend voor het aankopen van nationale schuld ten laste van hun tegoed;
c. inzake de voorwaarden waaronder de rente van beleggingen in staatsschulden als inleg op een spaarrekening wordt bijgeschreven.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 7.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder duplicaatboekjes kunnen worden afgegeven of spaarbankboekjes kunnen worden vervangen.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 11.2.
Waardering: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de hoogte van de rente die wordt uitgekeerd op spaarrekeningen/tot vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, het maximum rentegevend tegoed en de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beëindigd.
Periode: 1940–1971
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 13.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.3.
Waardering: b (5)
Het vaststellen van nadere voorschriften voor de uitvoering van de bepaling in art. 23.5. van het Postspaarbankbesluit: ‘Voor zoveel de door den directeur ingeleverde saldobiljetten in orde zijn bevonden, wordt op elken renteverschijndag te zijner beschikking gesteld de alsdan verschenen rente van alle door tusschenkomst van den RPS verkregen inschrijvingen, waarvan de rente, krachtens procuratie als in het tweede lid bedoeld, door den directeur wordt geïnd.’
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 23.6.
Waardering: b (5)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)