Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument van het handelen van de rijksoverheid en andere actoren op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, 1945–
Samensteller: Huib Sauter
Ministerie van OCW
Versie: Vastgesteld
1. Lijst van gebruikte afkortingen
Amvb: Algemene maatregel van bestuur
AVRO: Algemeene Vereeniging Radio Omroep
BNN: Bart News Network
CRM: (Ministerie van) Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk
EDUCOM: Educatieve omroepinstelling
EG: Europese Gemeenschap
EO: Evangelische Omroep
EZ: (Ministerie van) Economische Zaken
Fin.: (Ministerie van) Financiën
HMG: Holland Media Groep
ICT: Informatie- en Communicatietechnologie
IKOR: Interkerkelijk Overleg in Radioaangelegenheden
IPO: Interprovinciaal Overleg
HCB: Handboek Cultuurbeleid
KB (kb): Koninklijk Besluit
KB: Koninklijke Bibliotheek
KPN: Koninklijke PTT Nederland N.V.
KRO: Katholieke Radio Omroep
MLB: (directie) Media Letteren en Bibliotheken
NBD: Stichting Nederlandse Bibliotheekdienst
NBLC: Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum
NCRV: Nederlandse Christelijke Radiovereniging
NDP: Nederlandse Dagbladpers
NICAM: Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media
NLPV: Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds
Nma: Nederlandse Mededingingsautoriteit
NOB: Nederlands Omroepproductie Bedrijf
NOS: (1967–1987 en 1994–): Nederlandse Omroep Stichting
NOS: (1987–1994): Nederlandse Omroepprogramma Stichting
NOZEMA: Nederlandse Omroep Zender Maatschappij
NPS: Nederlandse Programma Stichting
NRU: Stichting Nederlandse Radio Unie
NTS: Nederlandse Televisie Stichting
NUV: Nederlands Uitgevers Verbond
NVJ: Nederlandse Vereniging van Journalisten
OCenW: (Ministerie van) Onderwijs Cultuur en Wetenschappen
OKW: (Ministerie van) Onderwijs Kunsten en Wetenschappen
OPTA: Onafhankelijke Post- en Communicatieautoriteit
O&W: (Ministerie van) Onderwijs en Wetenschappen
PCB: Provinciale Bibliotheek Centrale
PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn
PTT: Post Telegraaf en Telefoon
RABIN: Raad van Advies voor het bibliotheekwezen en de informatieverzorging
REM: Reclame Expliotatie Maatschappij
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
RTL: Radio Televisie Luxemburg
RVU: Radio Volksuniversiteit
SBS6: SBS Broadcasting
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
STER: Stichting Ether Reclame
TK: Tweede Kamerstukken
VARA: Vereniging van Arbeiders Radio-amateurs
VOO: Veronica Omroep Organisatie
VPRO: Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep
VenW: (Ministerie van) Verkeer en Waterstaat
WEM: Wet Economische Mededinging
Wereldomroep: Stichting Radio Nederland Wereldomroep
WVC: (Ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
2. Inleiding
Het institutioneel onderzoek op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, uitgevoerd binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Loco Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt, heeft geleid tot het rapport Vrijheid van meningsuiting, gereguleerd gegarandeerd, een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein Media, letteren en bibliotheken, 1945–1999. Het is opgesteld volgens de methode die is ontwikkeld door de Rijksarchiefdienst in het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) en beschrijft de taken en handelingen van alle actoren op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken.
Dit rapport vormt de basis voor het hier voorliggende concept basisselectiedocument (BSD). In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden, zoals bedoeld in de Archiefwet 1995, uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.
Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.
Het BSD is als volgt samengesteld:
De vaststelling van het BSD geschiedt volgens de voorschriften van het Archiefbesluit.
Na verkregen instemming van alle actoren zal het ontwerp BSD met de voorgestelde waarderingen van de handelingen (bewaren of vernietigen en de vernietigingstermijnen) voor advies worden ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Elk hoofdstuk wordt beschouwd als een afzonderlijke selectielijst van de desbetreffende actor. Een verslag van dit schriftelijke instemmingsoverleg wordt met het ontwerp-BSD aan de RvC meegezonden.
Aan het overleg zal op verzoek ook een deskundige van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap deelnemen.
Voordat het ontwerp-BSD bij de RvS ingediend wordt, zal het eerst voor een periode van acht weken ter publieke inzage worden gelegd bij de registratiebalie van het Nationaal Archief en in de bibliotheken van het Ministerie van OCW en de rijksarchieven in de provincie, zoals zal worden aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Na de ingewonnen adviezen zal het BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden vastgesteld.
3. Verantwoording van het onderzoek
3.1 MLB
Het institutioneel onderzoek voor de beleidsterreinen media, letteren en bibliotheken, dat aan dit BSD ten grondslag ligt, beperkt zich in het overheidshandelen tot de wetgeving en het beleid uit de periode 1945–1999. Vanaf 1988 zijn deze beleidsterreinen aan één – gelijknamige – directie toevertrouwd. Vóór die tijd nam organisatorisch gezien niet alleen het mediabeleid een aparte plaats in ten opzichte van het letteren- en bibliotheekbeleid, maar hadden deze laatste twee beleidsterreinen zelf ook geheel gescheiden invalshoeken, namelijk de culturele aan de ene kant en de sociaal-culturele, vanuit het vormings- en ontwikkelingswerk, aan de andere.
Deze gescheiden ontwikkeling is vanuit wet- en regelgevingsoptiek natuurlijk niet van de ene op de andere dag, in 1988, teniet gedaan. De Mediawet en de Welzijnswet die de grondslag vormden voor het openbare bibliotheekwerk waren net, in 1987, in werking getreden en de steunverlening aan de letteren ging op de oude voet verder. Maar waar het letteren- en bibliotheekbeleid steeds meer raakvlakken gingen vertonen, afgezien van misschien al een zekere natuurlijke verwantschap, bleven de media toch een geheel eigen plaats innemen.
De Mediawet is met de daaruit voortvloeiende besluiten een allesomvattend stuk wetgeving die het gehele mediaveld bestrijkt. Dit zijn de persmedia (kranten, nieuwsbladen en tijdschriften) en de omroepmedia (radio en televisie). Hieronder worden tevens verstaan: nieuwe technieken voor de productie en distributie van – vooral elektronische – informatie.
In art. 1b van de Mediawet wordt dit kort en goed omschreven als: ‘alle gedrukte en elektronische vormen van massacommunicatie’.
In de Mediawet is vroegere regelgeving op deelterreinen is samengebracht.
Letteren en bibliotheken ontmoeten elkaar vooral op het stuk van de leenvergoeding die voor het eerst in de Welzijnswet van 1987 wordt geregeld. Via de Tijdelijke wet leenvergoeding komt deze regeling in 1995 in de Auteurswet 1912.
Overigens blijft de ondersteuning van de letteren als één van de scheppende kunsten geregeld in de Fondsenwet scheppende kunsten en vervolgens in de Wet specifiek cultuurbeleid.
Alles bijeengenomen was in het institioneel onderzoek niet te ontkomen aan een aparte behandeling van de media enerzijds en letteren en bibliotheken anderzijds.
De ontwikkelingen op het gebied van de media gaan sneller en zijn complexer dan die bij de andere deelbeleidsterreinen. Dit heeft ook gevolgen voor het tempo van de aanpassingen die nodig zijn op de beleidsterreinen media enerzijds en letteren en bibliotheken anderzijds vanaf 2000.
De instituties op het terrein van de media, letteren en bibliotheken die onderwerp van onderzoek zijn geweest, zijn beperkt tot overheidsinstellingen en de instellingen of personen aan wie een overheidstaak is toebedeeld. Dit zijn bijvoorbeeld door de overheid ingestelde rechtspersonen met een privaatrechtelijke rechtsvorm (bv. een stichting) alsmede de personen die namens deze optreden.
Buiten beschouwing blijven, ten aanzien van de media, de omroepverenigingen en -stichtingen gezien het overwegend privaatrechtelijk karakter ervan, gelet op de wijze van ontstaan en de taak die hen is toebedeeld.
3.2 Andere beleidsterreinen
Kunsten
Bij de afbakening van MLB met andere beleidsterreinen valt, althans wat letteren betreft, de begrenzing dan wel het raakvlak met het beleidsterrein Kunsten het meest in het oog. Als scheppende kunst staat letteren immers op één lijn met de andere scheppende kunsten als beeldende kunsten, de toonkunst, architectuur enz. De in verschillende opzichten parallel lopende beleidsuitgangspunten van letteren en bibliotheken én het sterk ‘mediale’ karakter van de uitoefening van deze discipline zijn overwegingen geweest om het deelbeleidsterrein letteren bij Media en Bibliotheken te trekken. Dat laat echter onverlet dat veel wet- en regelgeving die op de kunsten en de kunstbeoefening in het algemeen betrekking hebben onverkort ook van toepassing zijn op letteren. Dit geldt de Fondsenwet scheppende kunsten (Stb. 1981, 355), de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473). Deze wetten worden in extenso behandeld in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) betreffende het beleidsterrein Kunsten: ‘Volgens de regelen der kunst’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein kunsten, 1965–1999 (PIVOT-rapport 71).
De adviesraden die zich bezighouden met het terrein van de letteren zijn de Raad voor de Kunst en zijn opvolger de Raad voor Cultuur. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar het hiervoorgenoemde RIO Kunsten respectievelijk het RIO betreffende het beleidsterrein Cultuurbeheer: ‘Cultuurbeheer’. Een institutioneel onderzoek naar het cultuurbeheer van de rijksoverheid in de periode 1945–2000 (PIVOT-rapport 125).
Alleen voor zover hierin regelingen voorkomen die specifiek betrekking hebben op letteren worden deze hier behandeld. Dit is bijvoorbeeld het geval met de op grond van de Fondsenwet ingestelde letteren-, productie- en vertalingenfondsen.
Het mediabeleid, te beginnen met telefonie en telegrafie en later ook radio, was allereerst in handen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het waren immers ook transportmiddelen, ditmaal voor berichtenverkeer en als zodanig onderwerp van beleid en regelgeving van dit Ministerie. Het hielp de technische randvoorwaarden te verwezenlijken die nodig waren om dit verkeer, in het algemeen belang, mogelijk te maken, bereidde maatregelen voor en voerde ze uit om de diverse belangen op elkaar af te stemmen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat was verantwoordelijk voor de eerste mediawet, de Telegraaf- en telefoonwet van 11-1-1904 (Stb. 7) en het Tijdelijk Telegraaf-, telefoon- en Radiobesluit van 1944 (Stb. E188). 1n 1948 ging zijn verantwoordelijkheid voor wat betreft de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma’s over op de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Het beleidsterrein van de Minister van Verkeer en Waterstaat voor wat zijn aandeel in de telecommunicatie betreft wordt beschreven in het RIO ‘Telecommunicatie en post in Nederland’, 1945–1990. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein telecommunicatie en post, 1945–1990 (PIVOT-publicatie nr. 4).
In dit BSD worden begrotingsaangelegenheden beschreven, voor zover het specifiek op het letterenbeleid en de uitvoering ervan betrekking heeft (subsidiëring, uitkeringen, prijzengelden). Voor de procedure van het vaststellen van de rijksbegroting voor het kunstenbeleid in het algemeen wordt verwezen naar het RIO ‘Per slot van rijksrekening’. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting, 1940–1993 (PIVOT-publicatie nr. 15).
Het Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Met deze wetgeving wordt beoogd de creatieve prestaties op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst te beschermen door een vergoeding te geven aan de maker ervan voor de uitlening, duplicering en verhuur van hun werk. Dit is beschreven in het RIO ‘Ere wie ere toekomt’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein auteursrecht, (1912) 1945–2000 (PIVOT-publicatie nr. 118).
Het bibliotheekbeleid valt uiteen in enerzijds de zorg voor het openbare bibliotheekwerk, gericht op en bestemd voor de algemene gebruiker en anderzijds het wetenschappelijke bibliotheekwerk, dat wordt uitgeoefend binnen wetenschappelijke instituten of verbonden is aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en HBO. Als zodanig fungeren de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Universiteits- en HBO-bibliotheken. De eerste twee bibliotheekinstellingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Wetenschapsbeleid, voor de laatstgenoemde bibliotheken is de Minister van Onderwijs en Wetenschappen verantwoordelijk. Dit blijft onveranderd na de departementale herindeling in 1994; het beleidsterrein openbare bibliotheek, dat met ‘Cultuur’ naar Onderwijs en Wetenschappen was overgegaan, bleef onder Cultuur vallen.
De voornoemde beleidsterreinen Wetenschapsbeleid en Wetenschappelijk onderwijs worden in twee afzonderlijke Rapporten Onderzoek behandeld:
3.3 Bronnen
Als bronnen voor dit onderzoek zijn in de eerste plaats de wet- en regelgeving gebruikt op het gebied van de media vanaf de eerste op dit gebied fungerende wet van 1904, voor zover nog van kracht na 1945 tot de laatste wijzigingswet van de Mediawet uit 1999. Voor de bibliotheken gold tot 1975 nog de rijkssubsidieregeling 1921 (zoals gewijzigd in 1961). De eerste structurele (kader)wetgeving op het gebied van de letteren dateert pas van 1981.
Op Europees niveau zijn in dit BSD alleen Europese Richtlijnen bron voor het onderzoek. MLB-regelgeving die rechtstreekse werking heeft in de lidstaten van de Europese Unie zoals de Europese verordeningen van de Europese Commissie, is er (nog) niet.
Een volledig overzicht van de gebruikte wet- en regelgeving is in het laatste hoofdstuk opgenomen.
Deze gegevens werden aangevuld met informatie uit beleidsdocumenten en literatuur en informatie van personen die op dit beleidsterrein actief zijn (geweest). Deze informatie is verkregen uit interviews met en commentaren op het concept RIO van
Van de kant van het Nationaal Archief zijn commentaren ontvangen en verwerkt van
Voorts zijn opmerkingen ontvangen en verwerkt van:
3.4 Structuur van het onderzoek
Het institutioneel onderzoek volgde de richtlijn die voor onderzoeksrapporten in het kader van PIVOT is uitgezet. In hoofdstuk 4 volgt een overzicht van de ambtelijke organisatie waarbinnen de afdelingen fungeerden. Het vijfde hoofdstuk geeft een beschrijving van de belangrijkste organen en actoren die op de beleidsterreinen MLB in de periode vanaf 1945 een rol hebben gespeeld.
Na hoofdstuk 6 waarin een uiteenzetting wordt gegeven over selectie en selectielijsten volgt de Selectielijst met de handelingen op de beleidsterreinen Media en Letteren en Bibliotheken. Deze handelingen geven het geheel van taken en taakgebieden weer van de onderscheiden actoren. Bij het institutioneel onderzoek is van de systematiek van de Mediawet is gebruik gemaakt om alle vanaf 1945 voorkomende handelingen in een logisch verband samen te brengen. Alleen de handelingen die voortvloeien uit de wetgeving betreffende het perswezen van 1946–1987 vielen buiten deze systematiek. Vlak na de oorlog moest de zuivering van het perswezen worden geregeld en tot 1987, het jaar van de invoering van de Mediawet, droeg de perswetgeving daarvan de sporen. Pas in de Mediawet is de perswetgeving tot maatschappelijk proporties teruggebracht zodat een integraal media-wetgevingssysteem kon ontstaan waarin ook het perswezen een plaats kreeg.
Bij het samenstellen van het BSD is de systematiek vervangen door een hoofdstuksgewijze indeling van het BSD in selectielijsten per actor. De oorspronkelijke volgnummers van de handelingen zijn in het BSD overgenomen.
De bijlagen bevatten ten slotte het overzicht van de geraadpleegde wet- en regelgeving en van de geraadpleegde literatuur.
Tot slot een korte beschouwing omtrent handelingen betreffende het voorbereiden van amvb’s.
Bij deze handelingen gaat het om delegatie van diverse regelgeving door een bepaalde wet aan de Kroon, die zijn neerslag krijgt in één amvb.
Voorbeelden zijn de Archiefwet waarin alle delegatie van regelgeving is samengebracht in het Archiefbesluit en voor wat betreft de Mediawet is dat het Mediabesluit.
Zoals gebruikelijk worden alle handelingen die in de wet voorkomen m.b.t. het voorbereiden van amvb’s door de Minister afzonderlijk beschreven. In de handelingenlijst komen dus nog tal van deelbeleidsterreintjes en in mindere mate uitvoeringstaken voor, waarvan de regeling bij amvb aan de Minister is opgedragen.
Het amvb zelf zal dus in feite de handelingen bevatten ten aanzien waarvan de wet aan de Minister heeft opgedragen een regeling te treffen.
Hij kan die handelingen zelf verrichten, maar ook anderen of andere instanties kunnen als actor optreden.
Amvb’s kunnen echter ook alleen regelingen, aanwijzingen e.d. bevatten die niet terug te voeren zijn op een actor. Ten slotte kan het voorkomen dat een delegatie van regelgeving niet heeft geleid tot een regeling terzake.
Wat heeft dit voor effect op de samenstelling van de handelingenlijst?
Het feit dat één algemene maatregel van bestuur is samengesteld, betekent dat daaraan één handeling is vooraf gegaan, namelijk het voorbereiden van een amvb betreffende de uitvoering van het mediabeleid. Alle afzonderlijke handelingen betreffende het voorbereiden van de in de wet vermelde amvb’s kunnen hiermee vervallen. Verdere neerslag vloeit niet voort uit de handelingen van de afzonderlijk in de wet vermelde amvb’s maar uit de diverse bepalingen van het ene Mediabesluit.
3.5 Elementen van de handeling
Hieronder wordt een korte uiteenzetting gegeven van de onderdelen waaruit de ‘handeling’ in ruime zin bestaat.
Dit is het volgnummer van de handeling. Elke handeling heeft een uniek nummer.
Hier staat het orgaan dat formeel verantwoordelijk is voor de uitvoering van de handeling. Wanneer meerdere organen dezelfde handeling verrichten, worden deze actoren onder elkaar gezet. De vermelde jaartallen geven de periode aan waarin de actor verantwoordelijk was/is voor het verrichten van de handeling.
Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Hier staat het tijdvak vermeld tot welk jaar (vanaf 1945) de wettelijke grondslag van de handeling van kracht is. Wanneer geen eindjaar wordt vermeld is de wettelijke grondslag op het afsluitjaar van het BSD (1999, dus niet: tot heden) nog steeds van kracht.
Het kan voorkomen dat de op basis van wet- en regelgeving geformuleerde handelingen (nog) niet worden uitgevoerd. Ter complementering van de context worden ook deze handelingen opgenomen.
Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.
Vermeld worden:
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bronworden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Hier achter staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren.
De gegeven opsommingen van producten is niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.
In de uiteindelijke selectielijst worden de producten niet vermeld.
Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.
4. De ambtelijke organisatie vanaf 1945
4.1 Algemeen
Na de oorlog werden de door de bezetter ingestelde departementen van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming en van Volksvoorlichting en Kunsten weer teruggebracht tot het ene Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van voor de oorlog. Met de reorganisatie die daarmee gepaard ging werden moderne media als radio en film bij het departement gevoegd.
Hierna volgt vanaf 1945 een afdelingsgewijze overzicht van de departementale organisatie van het mediabeleid.1Staatsalmanakken 1945 tot 2000;Rapport van de Commissie Publieke omroep ‘Terug naar het Publiek’, juni 1996.
(1918) 1945–1965 – Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
1965–1982 – Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
1982–1994 – Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
1994 tot 2000 – Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
4.2 Pers
In 1945 valt de afd. Pers rechtstreeks onder de SG zoals Kabinet, afd. Personeelszaken e.a.
Taak: Organisatie van en controle op het perswezen.
1946 uitgebreid met het beleid inzake de perszuivering.
1947 taakomschrijving: uitvoering van de wet noodvoorziening perswezen (Stb. 1947, H211) en de distributie van papier t.b.v. de pers.
De afdeling bestaat uit het bureau perszuivering en het bureau papierverdeling pers.
In 1948 wordt het bureau perszuivering weer opgeheven. Er is dan weer een ongedeelde afdeling met de twee taken wetsuitvoering en papierdistributie.
In 1950 gaat de afdeling Pers samen met het bureau Radio.
4.3 Radio
1945 ressorteert een afdeling Radio onder het directoraat-generaal van Kunsten en Wetenschappen met als taak het onderhouden van het contact tussen de regering en de omroepinstanties en het behartigen van de niet-technische zijde van de omroep.
In 1948 komt zij als bureau Radio onder de afdeling Kabinet en Algemene Zaken, totdat dit in 1950 samengevoegd wordt met de Afdeling Pers.
4.4 Pers en radio
De afdeling Pers en Radio, onderverdeeld in bureaus met de al genoemde taken, wordt het jaar daarop al uitgebreid met Televisie.
De afdeling ressorteert dan, zoals alle afdelingen in de ‘platte’ organisatie die het Ministerie vanaf 1947 is, rechtstreeks onder de secretaris-generaal.
4.5 Radio, televisie en pers
De afdeling Radio, Televisie en Pers (RTP) bestaat uit:
In 1954 lijkt de verdeling in bureaus weer te zijn opgeheven, om in 1957 weer terug te keren in gelijknamige onderafdelingen. De taak van de eerste onderafdeling wordt uitgebreid met het algemeen en het financieel toezicht op de televisie.
Vanaf 1955 wordt de platte organisatie weer verlaten en komt de afdeling RTP te vallen onder het Directoraat-generaal voor de Kunsten en de buitenlandse culturele betrekkingen en vanaf 1960 onder het DG voor de Volksontwikkeling, overigens zonder taakwijzigingen.
Naast de al bestaande Radioraad en de Persraad komt ook de Dienst van de Regeringscommissaris voor het Radiowezen binnen het werkveld van de afdeling te liggen.
In 1965 gaat de afdeling ongewijzigd over naar het nieuwe Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
Daar maakt zij deel uit van het Directoraat-generaal voor de Volksontwikkeling en (Openlucht)recreatie.
Het belang en de omvang van het werkterrein nemen zienderogen toe en na een korte overstap in 1966 als hoofdafdeling krijgt zij in 1969 de ‘status’ van directie.
De directie RTP bestaat dan uit de hoofdafdeling Omroepzaken met de afdelingen juridische omroepzaken, financiële en technische omroepzaken en zendtijd en algemene omroepzaken en de afdeling Perszaken. Eerstgenoemde hoofdafdeling wordt in 1974 de afdeling Algemene Beleidsontwikkeling. Taken zijn het behandelen van vraagstukken en het voorbereiden en uitvoeren van regelingen op het gebied van de omroep (met uitzondering van de zendertechniek) alsmede het algemene en financiële toezicht op radio en televisie. In 1974 wordt de taak ruimer geformuleerd en heeft de afdeling tot taak het algemene beleid op het gebied van de massamedia te ontwikkelen, voorts het behandelen van algemene vraagstukken, het bevorderen en begeleiden van wetenschappelijk onderzoek en het deelnemen aan internationaal overleg.
De afdeling juridische omroepzaken heeft naast de nationale regelingen op het gebied van de massamedia, bemoeienis met aangelegenheden die verband houden met internationale verdragen. Voorts behandelt zij beroeps- en bezwaarschriften.
Het takenpakket van de afdeling financiële en technische (omroep)zaken omvat het financiële beleid inzake de massamedia, behandeling van zaken op het gebied van zender- en studio-opbouw, kleurentelevisie, satelliettelevisie en draadomroep.
De afdeling zendtijd en algemene (omroep)zaken houdt zich bezig met het beleid inzake de verdeling en het gebruik van de zendtijd en van de draadomroep, educatieve en regionale omroep, het (repressieve) toezicht op de inhoud van de uitzendingen en de behandeling van klachten en verzoeken om inlichtingen.
De afdeling perszaken ten slotte behandelt vraagstukken en bereidt regelingen voor op het gebied van het perswezen.
Diverse adviesraden, overlegorganen en omroeporganisaties bestaan op dat moment of zijn inmiddels ontstaan:
de Regeringscommissaris voor de omroep, de Omroepraad, de Nederlandse Omroepstichting, de Programmaraad voor de radio en de programmaraad voor de televisie, de programmacoördinatiecommissies voor de radio en voor de televisie, de Stichting Radio Nederland Wereldomroep, de Reclameraad, de Stichting Etherreclame (STER), de Persraad en het Bedrijfsfonds voor de Pers.
Terwijl het bovenliggende directoraat-generaal enige malen van naam verandert (1976: Natuurbehoud, recreatie en media; 1981: Recreatie en media; 1984: Culturele Zaken) blijft de directie RTP van naam en interne organisatie ongewijzigd tot 1988.
Het DGCZ ging in 1984 bij een departementale herindeling op in het Ministerie van WVC. WVC ontstond door een samenvoeging van het Ministerie van CRM met het DG Volksgezondheid en Milieuhygiëne. Op 1 januari 1985 werd formeel de directie RTP aan het DGCZ toegevoegd. Van dat DGCZ maakten de sectoren Kunsten, MMA en IB al eerder deel uit. Als reden voor het onderbrengen van de directie RTP bij het DGCZ in 1985 werd genoemd de vergroting van de samenhang tussen mediabeleid en cultuurbeleid.2Notitie Cultuurbeleid, TK 1984–1985, 18990, nrs 1–2, p. 25.
In 1988 gaat de afdeling op in de nieuwe afdeling Media, Letteren en Bibliotheken, zoals zij tot op de dag van vandaag, zij het vanaf 1994 als onderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, nog bestaat.
4.6 Letteren
Na een korte tijd, van 1945–1947, deel uitgemaakt te hebben de afdeling muziek, toneel en letteren (rechtstreeks onder de SG staande), heeft het beleidsterrein Letteren tot en met 1982 steeds met Toneel één organisatieeenheid gevormd.
Tot 1967 ressorteerde deze, eerst als bureau, later als (onder-) afdeling onder de (hoofd-)afdeling Kunsten, daarna, tot 1971 onder de directie Oudheidkunde en Natuurbescherming (OKN). Inmiddels was in 1965 het nieuwe Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ingesteld en een jaar later het, nog steeds bestaande, directoraat-generaal voor culturele zaken (DGCZ). In 1971 werd blijkbaar ingezien dat OKN geen logisch onderkomen vormde en kwam de afdeling weer te vallen onder de nieuwe directie Kunsten.
Deze situatie bleef ongewijzigd na de oprichting van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1982, alleen werd ‘Letteren’ in 1983 afgesplitst van ‘Toneel’ (dat onderdeel werd van de afdeling Podiumkunsten). Tot 1988, toen de afdeling werd ondergebracht in de nieuwe directie Media, Letteren en Bibliotheken, legde de afdeling zich in grote lijnen toe op het subsidiëren van instellingen en manifestaties op het gebied van de letterkunde, het instellen van prijzen, verlenen van opdrachten, subsidiëren van reizen, het verstrekken van persoonlijke toelagen, steun voor publicaties en tijschriften en steun voor verbreiding van de Nederlandse letteren in het buitenland.
4.7 Bibliotheken
Het onderdeel Bibliotheken van de huidige sector Letteren en Bibliotheken kent een geheel andere voorgeschiedenis.
Als aanvulling van het particulier initiatief, onder andere door morele en financiële steun aan instellingen op het gebied van leeszalen en volksbibliotheken3Staatsalmanak 1946., maakte dit beleids-terrein in 1945 deel uit van de afdeling Volksopvoeding. Een jaar later werd deze naam gewijzigd in Volksontwikkeling die de organisatie-eenheid, door diverse reorganisaties heen, tot 1964 zou behouden. Lange tijd ressorteerde het onder het directoraat-generaal voor Vorming buiten schoolverband (VBS) en daarna, van 1960 tot 1976, onder het DG voor Volksontwikkeling (DGV). (Met de instelling van het nieuwe Ministerie van CRM is daar ‘Recreatie’ bij gekomen (DGVR).
In 1964 kreeg de afdeling de benaming Vorming voor Volwassenen, maar voordien al, in 1960, heeft het beleidsterrein zich in die zin gestructureerd dat een nieuwe onderafdeling Lectuurvoorziening hiervoor wordt ingesteld.
In 1976 wordt de term lectuurvoorziening vervangen door bibliotheekwerk. De afdeling is dan onderdeel van de directie Sociaal Cultureel Werk van het DG voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
De doelstelling is: het bepalen van het rijksoverheidsbeleid ten aanzien van het bibliotheekwerk en het bieden van mogelijkheden aan het (openbare) bibliotheekwerk zijn doelstelling in overeenstemming met het overheidsbeleid te realiseren.4Staatsalmanak 1977.
Als taken worden genoemd: het ontwikkelen van het beleid ten aanzien van het bibliotheekwerk, het inpassen van dat beleid in het directie-, departements- en regeringsbeleid, het beoordelen van het beleidsmatig en bedrijfsorganisatorisch functioneren van het bibliotheekwerk en de bibliotheken, het ontwerpen van uitvoeringsbepalingen bij de Wet op het openbare bibliotheekwerk en het toepassen van de bepalingen van de wet en de uitvoeringsbepalingen.
Tot de instelling in 1988 van de directie Media, Letteren en Bibliotheken vinden er enige organisatorische veranderingen plaats van meer of minder ondergeschikte aard: in 1984 krijgt het bibliotheekwerk een plaats binnen het gehele informatie-voorzieningsbeleid. De dan ontstane afdeling Bibliotheekwerk en Informatie-verzorging (als onderdeel van de directie Maatschappelijke Ontwikkeling) heeft tot taak het bevorderen van de toegankelijkheid van informatiemateriaal inclusief de mogelijkheid kennis te nemen van gepubliceerde cultuuruitingen, en het ontwikkelen van een informatieverzorgingsbeleid.
Voorts bepaalt de afdeling het beleid ten aanzien van het bibliotheekwerk ten behoeve van blinden en slechtzienden. Nadat de leenvergoedingsregeling in de Welzijnswet van 1987 zijn wettelijke grondslag had gekregen, zou in het jaar daarop de afzonderlijke taakeenheid Uitvoering Leenvergoeding van de nieuwe directie Media, Letteren en Bibliotheken hiermee worden belast.
4.8 Media, Letteren en Bibliotheken
De directie Media, letteren en bibliotheken (MLB), onderdeel van het Directoraat-gene-raal Culturele Zaken (DGCZ), bestaat voor wat de media betreft uit de afdeling, later sector Media en verder de afdelingen Letteren Bibliotheken, die later tot één sector L en B worden gevormd. Zij worden ondersteund door de afdelingen/sectoren juridische zaken en financiële en technische zaken.
De taak van de laatste sectoren behelzen het ontwikkelen van een samenhangend beleid op de terreinen van omroep, pers, nieuwe media, letteren en bibliotheken, met bijzondere aandacht voor de pluriformiteit en toegankelijkheid van informatie, de bevordering en instandhouding van de productie, distributie van cultuuruitingen en participatie aan de cultuur.
De taak van de sector Media omvat verder het ontwikkelen van beleid op het gebied van de massamedia.
Het beleidsonderdeel Letteren van de sector L en B verlegt het accent naar een kwalitatief bepaald letterenbeleid, gericht op het tot stand doen komen, vernieuwen, behouden, ontsluiten van en participeren in de Nederlandse en Friese literatuur.
Doel en taken van het beleidsonderdeel Bibliotheken van de sector L en B blijven ongewijzigd.
Wanneer in 1994 de Cultuurpoot weer terugkeert naar het dan gevormde Ministerie van OCenW wordt de directie MLB ongewijzigd en als blijvend onderdeel van het DGCZ overgenomen.
5 De actoren
5.1 De actoren op het beleidsterrein van de media
5.1.1 Minister van Cultuur:
Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1918) 1945–1965),
Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982),
Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994),
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
belast met de zorg voor de media (1994–2000)
Na de tweedeling gedurende de oorlog van het Ministerie in het departement van Opvoeding Wetenschap en Kultuurbescherming en van Volksvoorlichting en Kunsten viel vanaf 1945 het onderwijs-, kunst- en cultuurbeleid weer onder verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Het beleidsterrein media, dat in het begin, zoals hiervóór al vermeld, alleen nog maar ‘radio’ omvatte en onder de afdeling Volksvoorlichting viel, werd toen overgenomen door het Directoraat-generaal Kunsten en Wetenschappen en later, vanaf 1950, uitgebreid met achtereenvolgens de beleidsterreinen Pers en Televisie. Als afdeling Radio, Televisie en Pers (RTP) bleef dit, vanaf 1960 onder het Directoraat-generaal voor de Volksontwikkeling, bestaan tot de reorganisatie in 1965.
In 1965 vond een ingrijpende departementale herindeling plaats, waarbij de beleidsterreinen kunsten, oudheidkunde, natuurbescherming en volksontwikkeling als 'buitenschoolse cultuurzorg’ werden losgemaakt van onderwijs en wetenschappen. Onder de noemer Cultuur werden zij ondergebracht in het nieuwe Ministerie Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM). In 1982 werd CRM en een deel van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid samengevoegd tot het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC).
In 1994 keerde cultuur weer terug naar het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Hier behoort het tot de portefeuille van de staatssecretaris van Cultuur. De media ressorteren dan onder het Directoraat-generaal Culturele Zaken, samen met Lettteren en Bibliotheken.
Voor de media kan dan ook voor de gehele periode vanaf 1945 de Minister van Cultuur als actor worden ‘opgevoerd’.
5.1.2 Minister van Perszaken (1946–1951)
Na de beëindiging van de oorlog genoot de pers bijzondere bescherming in verband met het herstel van de persvrijheid. Hiertoe werd de Wet Noodvoorziening Perswezen (Stb. 1947, H211) tot stand gebracht die bepalingen bevatte over de Persraad, Commissie voor de Perszuivering en van de Raad van Beroep voor de Perszuivering.
In deze wet wordt als verantwoordelijk Minister de Minister van Perszaken genoemd. Hiermee wordt bedoeld de Minister van OK&W, als uitvoerder van deze wet speciaal belast met perszaken. Het Ministerie was per slot van rekening ook uitgebreid met een nieuw bureau Perzuivering. De Minister bereidde KB’s en AMVB’s voor inzake benoemingen en voorschriften voor de hierbovengenoemde persinstellingen. Ook moest hij waken voor de voortgang van de perszuivering. Verder had hij diverse bevoegdheden ten aanzien van het verkrijgen van bezittingen van als gevolg van de perszuivering geliquideerde uitgeverijen.
De Persraad kon hij opdracht geven een onderzoek in te stellen.
Aan de opvolger van de wet, de Wet voorziening perswezen (25-4-1951, Stb. 130), is de speciale bestemming met betrekking tot het herstel van de persvrijheid onttrokken, en keert de ‘Minister van Perszaken’ niet meer terug.
5.1.3 Minister van Verkeer en Waterstaat
De Minister van Verkeer en Waterstaat was verantwoordelijk voor de eerste mediawet, de Telegraaf- en telefoonwet (11-1-1904, Stb. 7). Onder zijn verantwoordelijkheid kwam nog het Tijdelijk telegraaf-, telefoon- en radiobesluit (17-9-1944, Stb. E188) tot stand, maar bij wijziging van de Telegraaf- en telefoonwet 1948 (I490) ging de verantwoor-delijkheid, voor zover het de bepalingen betrof inzake de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma’s (art. 3 ter en quater) over op de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Aldus komen in 1955 en 1965 het Televisiebesluit resp. het Radiobesluit tot stand. In 1967 worden de omroepregelingen geheel in de nieuwe Omroepwet (Stb. 176, 1967) en de wet op de Omroepbijdragen (1968, Stb. 687) opgenomen waardoor de desbetreffende bepalingen in de Telegraaf- en telefoonwet werden geschrapt. De opvolgers van deze wet, de wet op de Telecommunicatievoorzieningen (1989) en de Telecommunicatiewet (1998), bevatten voor het beleidsterrein omroep en media dan ook geen handelingen meer (Zie ook 3.2 – Telecommunicatie, en 7.5)
De Omroepwet vereist bij tal van handelingen van de Minister van Cultuur de medewerking van de Minister van Verkeer en Waterstaat, ‘belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT’. Voorbeelden hiervan zijn de medewerking bij uitvoering van bepalingen betreffende doorgifte van programma’s en de overbrenging van uitzendingen door middel van een of meer draadomroeprichtingen. Ook worden samen met de Minister, belast met het Staatsbedrijf der PTT, de kosten vastgesteld die aan de inning van het kijkgeld zijn verbonden. Hieraan ligt ten grondslag dat in de wet (de Wet op het Kijkgeld) een bevoegdheid voor het Staatsbedrijf van de PTT is geregeld.
Na vervanging van de Telegraaf-en Telefoonwet in 1989 komt de Minister van Verkeer en Waterstaat in dit BSD alleen nog als actor voor,voor zover hij handelingen verricht op grond van de Mediawet. Hij heeft overigens na 1948, evenals de hierna volgende actoren, geen bemoeienis met de Media als drager van cultuurgoed en evenmin de zorg voor de instandhouding daarvan. De hier bedoelde actoren hebben een taak, voor zover die althans in de mediawetgeving is vastgelegd, ten aanzien van de realisering van de arbeidsrechtelijke en technische randvoorwaarden. In de meeste gevallen vloeit die taak voort uit de medewerkingseis. In brede zin zijn hun taken beschreven in de RIO’s en BSD’s die hun eigen beleidsterreinen betreffen.
In de Omroepwet wordt de Minister van VenW, voor zover hij met de bovengenoemde aangelegenheden was belast, aangeduid met ‘Onze Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT’. Dit hangt nauw samen met het feit dat het Staatsbedrijf der PTT altijd onder de Minister van Verkeer en Waterstaat heeft geressorteerd, tot de verzelfstandiging ervan in 1989. Daarna is uitsluitend sprake van de Minister van VenW, maar het gaat hierbij om een en dezelfde actor.
Hetzelfde is het geval met de Minister van Cultuur in de Omroepwet. Hierin wordt hij artikel 2 lid 1a (Algemene bepalingen) ‘Onze Minister, belast met de zaken van de omroep’genoemd met het oog op zijn specifieke taken en bevoegdheden op grond van de Omroepwet.
5.1.4 Minister van Binnenlandse Zaken
Van 1945 tot 1964 bepaalde de Minister van Binnenlandse Zaken nog het vergoedings--bedrag voor het hebben van een radiotoestel op grond van het Tijdelijk Telegraaf, Telefoon- en Radiobesluit (Stb. 1944, E188). Onder dit besluit was hiervoor aanvankelijk de medewerking van de Minister van Verkeer en Waterstaat vereist, maar een jaar later, na de wijziging van de Telegraaf- en Telefoonwet, kwam hiervoor de Minister van Cultuur in de plaats.
De omroepdistributie en het scheppen van voorwaarden voor de realisering daarvan lag op grond van de Telegraaf- en Telefoonwet, d.w.z. tot en met 1948, in handen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Hiertoe werden onder zijn verantwoordelijkheid amvb’s of kb’s uitgevaardigd en verleende hij machtigingen voor het gebruik van inrichtingen.
5.1.5 Minister van Economische Zaken
De Minister van Economische Zaken is bevoegd waarnemers aan te wijzen bij het bestuur van de Reclamestichting / Stichting Etherreclame
5.1.6 Minister van Algemene Zaken; Minister-president
In bijzondere omstandigheden zoals oorlogstoestand of nationale rampen kan in het hele land de zgn. burgerlijke uitzonderingstoestand worden ingesteld. Door de wet zijn in dergelijke omstandigheden aan de Minister van Algemene Zaken cq. de Minister-president in wiens handen de coördinatie van het regeringsbeleid ligt, uitgebreide bevoegdheden toegekend. De Omroepwet belast hem, zij het in overleg met de Minister van Cultuur en van de PTT, met het toezicht op de uitzendingen van de omroepen. Overigens komt dit in de Mediawet niet meer terug.
In laatstgenoemde wet ligt zijn (coördinerende) taak ten aanzien van de omroep voornamelijk op het gebied van de overheidsvoorlichting. Hij geeft regels (via een amvb) voor het Commissariaat voor de Media inzake de toewijzing van zendtijd voor landelijke omroep t.b.v. overheidsvoorlichting (en eventueel een teletekstprogramma).
5.1.7 Minister van Financiën
Na de afschaffing van de omroepbijdragen kwam in 1999 de financiering uit belastingheffing hiervoor in de plaats. Het omroepbijdragenbeleid ging derhalve over naar de Minister van Financiën.
Samen met de Dienst Omroepbijdragen was de Minister van Financiën op grond van een wijziging van de Mediawet belast met het vaststellen van de ermogensbestanddelen die van de Dienst Omroepbijdragen over zouden gaan op de Staat.
5.1.8 Adviescolleges algemeen
De Radioraad ( incl. Televisieraad), Omroepraad, Mediaraad, de Reclameraad, Persraad, Bibliotheekraad e.a.is een vast colleges van advies in zaken van wetgeving en bestuur’ in de zin van art. 79 van de Grondwet en ingesteld bij wet. Zij dient de regering of de afzonderlijke Minister(s) desgevraagd of uit eigen beweging van advies.
5.1.9 Radioraad (1945 (1928) –1969, incl. Televisieraad (1953–1954)
Ingesteld bij de Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Stb. 7) resp. krachtens de wet van 12-5-1928, Stb. 169, opgeheven bij de inwerkingtreding van de Omroepwet.
In het Televisiebesluit 1956 lag al besloten dat de Radioraad het aangewezen adviescollege was ook voor televisieaangelegenheden met uitzondering van in dat besluit genoemde zaken. Met het vervallen van die uitzonderingen ontviel ook het bestaansrecht van een apart adviesorgaan voor de televisie (en bleef voor het gemak ‘Radioraad’ maar bestaan).
De Radioraad was het eerste media-adviescollege in Nederland.
5.1.10 Omroepraad (1969–1988)
Ingesteld bij wet van 1-3-1967, Stb. 176 (Omroepwet), opgeheven bij de inwerkingtreding van de Mediawet in 1988.
5.1.11 Mediaraad (1988–1995)
Ingesteld bij wet van 21 april 1987, Stb. 249 (Mediawet), opgeheven bij de inwerkingtreding van de instellingswet Raad voor Cultuur 22-11-1995. De wet van 1987 voorziet in een logische opvolging van de Omroepraad, met inbegrip van de Persraad en de Reclameraad. De wens naar een samenhangend mediabeleid kwam hierin duidelijk tot uitdrukking.
De Mediawet stelt de raad uitdrukkelijk in de mogelijkheid commissies in te stellen ten
behoeve van zijn werkzaamheden.
5.1.12 Reclameraad (1965–1988)
Ingesteld bij besluit van 11-11-1965, Stb. 486 (krachtens de Telegraaf- en Telefoonwet 1904, Stb. 7), opgeheven bij de inwerkingtreding van de Mediawet in 1988.
De taken van de Reclameraad zijn:
De Minister wijst organisaties aan die hem een aanbeveling moeten doen van personen die door hem als lid van de Reclameraad zullen worden benoemd.
5.1.13 Persraad (1945–1988)
Ingesteld bij het Tijdelijk Persbesluit (Stb. 1945, F144) en opgeheven bij de inwerkingtreding van de Mediawet in 1988.
Naast zijn adviserende taak had de raad vlak na de oorlog specifieke taken en bevoegdheden in het kader van het overheidsbeleid inzake de zuivering en ordening van de pers, in samenwerking met de Commissie voor de Perszuivering die eveneens bij het Tijdelijk Persbesluit was ingesteld. De meest actieve betrokkenheid van de Persraad bij de zuivering blijkt wel uit zijn bevoegdheden om getuigen op te roepen en te horen en om in te grijpen in het bestuur van een persuitgeverij of persvoorlichting ter verzekering van de zuivering van het Nederlandse perswezen. Zelf benoemde functionarissen van het bestuur van een persuitgeverij of persvoorlichting kon hij ontslaan.
Ook na de zuiveringsperiode bleef de Persraad regelende bevoegdheden en beschikkingsbevoegdheden behouden die vooral van controlerende aard waren of die de naleving van verplichtingen van dagbladondernemingen moesten waarborgen.
Met de invoering van de Mediawet nam de nieuwe Mediaraad uiteraard de adviestaak over, maar werden de overige taken, voor zover ze althans nog van toepassing waren en niet vervielen, elders in de wet geregeld.
5.1.14 Regeringscommissaris voor het radiowezen (vanaf 1967: voor de omroep) (1947–1988)
Bij Ministeriële beschikking van 1947 werd de instructie voor de Regeringscommissaris voor het radiowezen vastgesteld. Aan hem was het toezicht opgedragen op de besteding van de gelden door de omroepen middels het vaststellen van de begrotingen van de (aspirant)omroeporganisaties en de NRU.
Om zijn toezichthoudende taak naar behoren te kunnen uitoefenen was hem een aantal bevoegdheden van regelgevende en besluitvormende aard toegekend als het geven van bindende aanwijzingen aan omroepinstellingen en de Wereldomroep en het verplichten van de omroepen en de NRU om hem of door hem aan te wijzen personen toegang te verschaffen tot gebouwen en documenten.
Verder benoemde hij het personeel van zijn dienst en beheerde hij de op de algemene reserverekening geboekte gelden.
In de Omroepwet van 1967 kreeg zijn toezichthoudende taak ten opzichte van de omroepen een meer algemeen karakter. De instructie gaf hem daartoe de geëigende bevoegdheden in de vorm van voorschriften en bindende aanwijzingen bij overtreding waarvan de Minister middels toepassing van art. 61 Omroepwet sancties kon opleggen in de vorm van berisping, opschorting van vergoedingen of uitsluiting van het doen van uitzendingen.
Ook kon hij besluiten van het bestuur van de NOS en de Wereldomroep ter schorsing aan de Minister voordragen.
Van beslissingen van de Regeringscommissaris stond beroep open bij de Minister.
In de lijn van de ontwikkelingen naar een nieuwe Mediawet en de veranderde inzichten met betrekking tot de rol van de overheid van ‘betutteling’ naar ‘overheid op afstand’ veranderde langzamerhand ook het karakter van de taken en bevoegdheden van de Regeringscommissaris. Het controle-element verdween meer en meer naar de achtergrond, de inhoud van de uitzendingen was niet meer het onderwerp van toezicht maar de naleving van de wet en zijn aanwijzingen hadden dientengevolge niet meer rechtstreeks betrekking op de inhoud maar veeleer op de vorm.
Met de inwerkingtreding van de Mediawet komt het Commissariaat voor de Media voor hem in de plaats.
5.1.15 Commissariaat voor de Media (1988–)
Ingesteld bij wet van 21 april 1987, Stb. 249 (Mediawet).
Het Commissariaat voor de Media is in zijn hoedanigheid van zelfstandig bestuursorgaan geen adviescollege in de zin van art. 79 van de Grondwet maar een administratief orgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het had namelijk bij uitstek een bestuurstaak, met tal van taken en bevoegdheden die hem bij of krachtens de wet waren toebedeeld, welke tevoren aan de Minister toekwamen.
Dit had te maken met de uitgangspunten van het nieuwe mediabeleid die waren geformuleerd in de aanloopfase naar de nieuwe Mediawet. ‘Overheid op afstand’ heette het in de Medianota van 1983, waarmee werd beoogd de relaties van het omroepveld met de regulerende en toezichthoudende overheid te depolitiseren en om de omroepen in het maatschappelijke krachtenveld beter tot hun recht te laten komen.
In plaats van zich rechtstreeks en gedetailleerd met regelgeving jegens de omroepen bezig te houden, bepaalt de Minister in de nieuwe mediawetgeving vooral de kaders waarbinnen het Commissariaat voor de media opereert en beslissingen neemt.
De taken en bevoegdheden van het Commissariaat kunnen, overeenkomstig de drie afdelingen van het ambtelijk apparaat, grofweg in drie groepen worden onderscheiden:
Het uitoefenen van toezicht op de naleving van de wet houdt niet alleen in de breedte maar ook in de diepte een breed scala van taken en bevoegdheden in. Zij kunnen het karakter hebben van regelgeving, het geven van richtlijnen voorschriften, aan het begin van een traject tot en met het toepassen van sancties aan het einde. Daartussenin neemt het Commissariaat tal van toestemmings- of goedkeuringsbesluiten (dan wel besluiten tot het weigeren ervan), besluiten tot het verlenen van vergunningen of ontheffingen en vaststellingsbesluiten, uiteraard alles binnen de kaders die de wet stelt. En bij de uitoefening van deze taken en bevoegdheden verschijnt het in de wet op nagenoeg elke plaats ten tonele.
Als voorbeelden van deze taken en bevoegdheden kunnen genoemd worden:
Toewijzen van zendtijd aan de landelijke, regionale en lokale omroepen, de NOS en de STER, het stellen van regels en het geven van richtlijnen inzake de uitvoering van taken van omroepinstellingen, zoals verslaglegging, uitzenden van toetsbeelden, de jaarlijkse verantwoording, reservefondsen. Verder met betrekking tot zaken die verband houden met concessieverleningen en het vaststellen van ledenaantallen in verband met de A- B- en C-status. De vaststelling van de status zelf geschiedt trouwens door het Commissariaat. Het Commissariaat kan ook bindende aanwijzingen geven in een uitspraak in geschillen tussen een draadomroepinstelling en een omroepinstelling.
Regelingen en besluiten van omroepinstellingen zijn, natuurlijk voor zover en in de gevallen dat de wet of algemene maatregel van bestuur dit uitdrukkelijk bepaalt, vaak onderworpen aan de toestemming of goedkeuring van het Commissariaat. Dit geldt in het bijzonder de begroting en jaarrekening van de landelijke omroepinstellingen, de provincie, de Wereldomroep en de NOS, voor zover zij aanspraak konden maken op een kostenvergoeding (de provincie i.v.m. het verlenen van een kostendekkende vergoeding ten behoeve van het functioneren en de infrastructuur van één regionale radio-omroepinstelling).
Het afdwingen van de naleving van voorschriften kan het Commissariaat door middel van het opleggen van administratieve boetes of het in mindering brengen van kostenvergoedingen met het bedrag van de boete.
Wanneer de NOS een besluit neemt in strijd met het recht of het algemeen belang kan het Commissariaat dit besluit, op verzoek van een belanghebbende omroepinstelling, onverbindend verklaren.
Belangrijke financiële taken die de wet aan het Commissariaat opdraagt zijn het beschikbaar stellen van gelden, het vaststellen van bedragen per uur zendtijd, het bepalen van de hoogte van voorschotten op de kostenvergoedingen en het wijzigen of intrekken ervan al naar gelang de wet dit voorschrijft.
Om zijn taak als toezichthouder te kunnen uitvoeren heeft het Commissariaat de bevoegdheid omroepinstellingen te verplichten inlichtingen te verschaffen en opnamen van de uitgezonden programma’s ter beschikking te stellen.
5.1.16 Stichting Radio Nederland Wereldomroep (1947–)
Ingesteld bij Ministeriële beschikking van 14 april 1947.
De hoofdtaken zijn:
Voorts kan zij een commissie van overleg instellen ter behartiging van aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.
5.1.17 De Nederlandse Omroep Stichting (NOS) (1967–1987)
De handelingen van de Publieke Omroep in het bsd te vervallen.
Ingesteld bij wet van 1 maart 1967, Stb. 176; opgeheven bij de inwerkingtreding van de Mediawet.
De voorlopers van de NOS waren de Stichting ‘Nederlandse Radio Unie’ (NRU) (1965–1967 ) en de Nederlandse Televisie Stichting (NTS) (1955–1967 ). Beide waren opgericht bij notariële akte en hun taken waren geregeld in het Televisiebesluit van 1956 en het Radiobesluit van 1965. Opgeheven bij de inwerkingtreding van de Omroepwet.Van deze voorlopers zijn geen handelingen opgenomen
Bij wet van 21-4-1987 (Mediawet) genoemde opvolger van de Nederlandse Omroep Stichting, opgegaan in De Nederlandse Omroep Stichting (NOS) (1994– ) bij de gewijzigde Mediawet van 28-4-1994.
De primaire functie van de radio-, tv- en omroepstichtingen was en is het coördineren en regelen van alle omroepzaken die de aangesloten omroeporganisaties gemeen hebben en het namens de aangesloten omroeporganisaties optreden naar buiten.
Hierdoor kreeg de NRU/NTS/NOS een gemeenschappelijk, een nationaal karakter, waardoor deze zich bij uitstek leende voor bepaalde soorten programma’s die niet of minder pasten bij de verzuilde, sterk autonome afzonderlijke omroepen en daarop aanvullend waren. Bij de toewijzing van zendtijd werd hiermee ook rekening gehouden.
Was het aanvankelijk een samenwerkingsverband op vrijwillige basis op privaatrechtelijke grondslag, in de Omroepwet krijgt het samenwerkingsverband publiekrechtelijke trekken doordat het taken en bevoegdheden verwerft die een organisatie alleen door de wet kan verwerven.
In het Radio- en Televisiebesluit was daar al een begin mee gemaakt, zo konden de NTS en de NRU overeenkomsten sluiten over het uitzenden van programma’s en onkostenvergoedingen vaststellen voor zendtijdbezittende instellingen.
Aan de NOS worden door de Minister benoemingsbevoegdheden gedelegeerd en krijgt het taken en bevoegdheden die te onderscheiden zijn in het waken over het gemeenschappelijk belang van de omroepinstellingen en het vaststellen van algemene uitgangspunten, besluitvorming ten aanzien van coördinatie tussen de netten, zendtijdindeling, vaststellen van meerjarenplannen en het sluiten van overeenkomsten. De NOS bepaalt verder de tarieven voor het uitzenden van reclame in radio en televisie en draagt bij in de kosten van de door de Minister van OCenW betaalde vergoedingen aan diverse instellingen en activiteiten.
Ten slotte houdt de NOS toezicht op het interne beleid en de naleving van NOS-besluiten.
5.1.18 Stichting Etherreclame (STER) (1967–)
Ingesteld bij wet van 1-3-1967, Stb. 176 (Omroepwet).
Hoofdtaak is het uitzenden van reclameboodschappen van derden. De wet kent deze bevoegdheid toe aan de STER met uitsluiting van andere omroepinstellingen.
De STER stelt verder de tarieven vast voor het uitzenden van reclame in radio en televisie.
De (netto-)inkomsten worden ter beschikking gesteld van de Minister van OCenW ter bestrijding van de kosten verbonden aan vergoedingen aan de in de wet genoemde instellingen en activiteiten.
5.1.19 Dienst omroepbijdragen (1996–1999)
Als zelfstandig bestuursorgaan ingesteld bij wet van 19 december 1996, Stb. 648, tot wijziging van bepalingen van de Mediawet, art. 122, belast met het innen van de omroepbijdragen. Bij deze wijziging nam de Dienst omroepbijdragen de taak over van de met de inning belaste dienst van het Staatsbedrijf der PTT / Koninklijke PTT Nederland (KPN).
Aan de Dienst zijn bevoegdheden toegekend die het mogelijk maken zijn functie in grote mate van zelfstandigheid te vervullen (registratie van houders, aanmaning wanbetalers). Daarnaast heeft hij de (beschikkings)bevoegdheid om naar gelang de omstandigheden (door de wet aangegeven) al dan niet tot inning over te gaan of termijnbetaling toe te staan.
Ten slotte heeft hij de mogelijkheid om dwangmiddelen en sancties toe te passen tegen wanbetalers zoals het opleggen van boeten en het invorderen van apparatuur.
De Dienst omroepbijdragen is eind 1999 opgeheven. Sinds 2000 wordt geen kijk- en luistergeld meer betaald, maar komt de Rijksomroepbijdrage uit de algemene middelen (via de belastingen geïnd).
De zorg voor de archieven van de Dienst Omroepbijdragen is na de opheffing overgegaan naar de Minister van Financiën. Hetzelfde geldt t.a.v. de betrokkenheid bij de vaststelling van de handelingen van de Dienst Omroepbijdragen
5.1.20 Commissie voor de Perszuivering (1945–1951)
Ingesteld bij het Tijdelijk Persbesluit 1945 (Stb. F177). Bij de Wet noodvoorziening perswezen (Stb. 1947, H211) werden zijn taken wettelijk geregeld en werd tegen uitspraken van de Commissie beroep opengesteld bij de Raad van Beroep voor de Perszuivering.
Uitspraken waartegen beroep mogelijk was hadden betrekking op het verbod gedurende ten minste 3 jaar een persorgaan uit te geven onder een tijdens de bezetting gebruikte naam en waarvan personen zijn ontzet van het recht tot functieuitoefening, het ontzetten van in de oorlog ‘foute’ redacteuren of verslaggevers van het recht om in een journalistieke functie werkzaam te zijn en de weigering een (voorlopig) certificaat van geen bezwaar aan redacteuren of verslaggevers te verlenen voor een verschijningsvergunning van hun dag- of nieuwsblad of om een journalistieke of leidinggevende functie uit te oefenen.
De Commissie bepaalde de manier waarop de uitspraken openbaargemaakt werden. Ten slotte kon zij de Minister van Perszaken eigener beweging adviseren om over te gaan tot vordering van een ‘foute’ persuitgeverij of bedrijfsonderdelen ervan.
Bij de inwerkingtreding van de Wet voorziening perswezen in 1951, die het einde van de perszuivering inluidde, werd de Commissie opgeheven.
De Raad van Beroep voor de Perszuivering is in dit BSD niet opgenomen omdat het archief van deze raad, dat na de opheffing ervan in 1951 immers een afgesloten archief is, reeds in 1970 is geïnventariseerd en overgebracht.5W.J.E. van de Water, Inventaris van het Archief van de Raad van Beroep voor de Perszuivering, 1947–1951.Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1970.
5.2 De actoren op het beleidsterrein van letteren en bibliotheken
5.2.1 Minister van Cultuur
Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (1918)1945–1965),
Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965–1982),
Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994),
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, belast met de zorg voor letteren en bibliotheken (1994–2000)
Onder Minister van Cultuur wordt derhalve verstaan: de Minister waaronder cultuur ressorteert.
Bibliotheken en letteren gingen in 1945, na de tweedeling van het departement in de oorlog, over van de afdelingen ‘Kultuurbescherming’ respectievelijk ‘Kunsten’ naar het DG Vorming Buiten Schoolverband, in 1960 het DG voor de Volksontwikkeling, en het DG voor Kunsten en Wetenschappen.
Bij de departementale herindeling van 1965 kwamen door de overgang van Volksontwikkeling en Kunsten naar het nieuwe departement van CRM ook de beleidsterreinen bibliotheek en letteren onder verantwoordelijkheid van de nieuwe Minister.
Alleen voor de wetenschappelijke bibliotheken aan de instellingen voor wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs, de bibliotheek van de KNAvW en de Koninklijke Bibliotheek bleef, zoals reeds aangestipt, de Minister van Onderwijs en Wetenschappen (met inbegrip van Wetenschapsbeleid) verantwoordelijk.
Deze deelbeleidsterreinen gingen, ondanks de scheidingsperikelen waarmee het ontstaan van het nieuwe Ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk in 1965 gepaard ging, naar het nieuwe Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
De departementale herindeling van 1994 bracht met de terugkomst van cultuur (inmiddels uitgebreid met onder andere musea en archieven), de verantwoordelijkheid over het bibliotheekbeleid in zijn geheel weer terug bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, dan wel de staatssecretaris van Cultuur. Voor het letterenbeleid is gedurende de gehele periode vanaf 1945 de Minister van Cultuur actor; voor bibliotheken is dat tot 1965 de Minister van Onderwijs, zij het dat de wetenschappelijke bibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen bleven vallen.
5.2.2 Minister van Justitie
Tot de competentie van de Minister van Justitie behoort de uitvoering van de Auteurswet en de daaruit voortvloeiende amvb College van Toezicht voor het leenrecht. Voor de totstandkoming van diverse besluiten van de Minister van Justitie, met name de aanwijzing van de Stichting Leenrecht die belast is met het innen en verdelen van de leenvergoedingsbedragen en benoemingen van het College van Toezicht is overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nodig.
5.2.3 Minister van Binnenlandse Zaken
De Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de coördinatie van het rijksbeleid dat de gemeenten of provincies raakt (Provincie- en Gemeentewet). Volgens de Bibliotheekwet is dan ook overeenstemming met de Minister van BiZa nodig (en moet de Minister daartoe een besluit nemen) wanneer de Minister van Cultuur besluit gemeenten of de provincies ontheffing te verlenen van de verplichting tot het instandhouden van openbare bibliotheken, filialen, afzonderlijke jeugdafdelingen en speciale afdelingen (‘objecten van openbare bibliotheek-voorziening’ ex art. 1 lid 1g Bibliotheekwet) door een privaatrechtelijke instelling te bevorderen.
5.2.4 Adviesorganen (zie 8.1.10: algemeen):
Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen (1922–1975)
Rijksadviescommissie voor de openbare bibliotheken (1961–1974)
Bibliotheekraad (1975–1987)
Raad van advies voor het bibliotheekwezen en de informatieverzorging RABIN (1987–1995)
Nadat in 1960 de volksbibliotheken waren omgezet in openbare bibliotheken werd in 1961 de advisering uitgebreid bij beschikking van de staatssecretaris waarbij de Rijksadviescommissie voor de openbare bibliotheken werd ingesteld. Deze trad hiermee op naast de vanaf 1922 reeds bestaande Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen. Beide werden in 1974 resp. 1975 opgeheven, waarvoor de Bibliotheekraad in de plaats kwam met de inwerkingtreding van de Wet op het openbare bibliotheekwerk (Bibliotheekwet) in 1975.
In de afdelingen van deze raad voor het openbaar bibliotheekwerk en de wetenschappelijke en speciale bibliotheken werden de beleidsterreinen van de vorige adviecommissies weerspiegeld.
Na de inwerkingtreding van de Welzijnswet in 1987, waarbij de Bibliotheekwet werd ingetrokken, werd in hetzelfde jaar de Raad van advies voor het bibliotheekwezen en de informatieverzorging (RABIN) ingesteld. Bij de gelijknamige wet werd de Bibliotheekraad opgeheven.
5.2.5 Inspectie:
Commissie van toezicht van de Centrale Vereniging voor openbare Leeszalen en Bibliotheken (C.V.) ((1921)1945–1959)
(het toezicht werd ook uitgeoefend door het dagelijks bestuur van de CV)
Rijkscommissie van toezicht op de openbare bibliotheken (1959–1961)
Rijksinspectie der openbare bibliotheken (1961–1975)
Rijksinspectie van het openbare bibliotheekwerk (1975–)
Het toezicht op de objecten van openbare bibliotheekvoorziening die vergoeding van kosten (subsidie) genieten werd tot 1959 uitgeoefend door de Commissie van toezicht van de Centrale Vereniging voor openbare Leeszalen en Bibliotheken (C.V.), opgevolgd door de Rijkscommissie van toezicht op de openbare bibliotheken (1959–1961), de Rijksinspectie der openbare bibliotheken (1961–1975) en vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe Bibliotheekwet door de Rijksinspectie voor het Bibliotheekwerk (RIOB).
De inspectie ziet toe dat de bepalingen van de wet op het openbare bibliotheekwerk en van haar uitvoeringsvoorschriften worden nageleefd en heeft mede tot taak de ontwikkeling van het openbare bibliotheekwerk te bevorderen. Verder doet zij de Minister voorstellen welke zij in het belang van het openbare bibliotheekwerk nodig acht en geeft zij adviezen aan openbare bibliotheken, gemeenten en provincies en aan andere organisaties die bemoeienis hebben met het openbare bibliotheekwerk.
5.2.6 Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (1991)
Opgericht: 09/12/1991
Doelstelling:
5.2.7 College van Toezicht voor het leenrecht (1997)
Bij algemene maatregel van bestuur van 11 september 1997 (Stbl. 1997, 104) door de Minister van Justitie opgericht tot het uitoefenen van toezicht op de Stichting Leenrecht die belast is met het innen en verdelen van de leenvergoedingsbedragen (artikel 15f, tweede lid, van de Auteurswet 1912 en artikel 15a, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten).
De Stichting Leenrecht is ingesteld in overeenstemming met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. De overeenstemming is tevens vereist bij benoemingsbesluiten van de Minister van Justitie. Het College van Toezicht is een zelfstandig bestuursorgaan.
Het College is in 2003 opgeheven en opgegaan in het College van Toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Laatstgenoemd college heeft advies uitgebracht over de handelingen van het College van Toezicht voor het Leenrecht.
6. Selectie
6.1 Doelstelling van de selectie
De selectie richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheids-organen, die vallen onder de werking van Archiefwet 19956Archiefwet 1995, Wet van 28 april 1995(Stb. 276), houdende vervanging van de Archiefwet 1962 (Stb. 313) en in verband daarmee wijziging van enige andere wetten.. De selectielijst is tot stand gekomen op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure. Deze procedure, welke zijn grondslag heeft in art. 5 van de Archiefwet 1995, is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 5 van het Archiefbesluit 1995, Stb. 671.
De hoofddoelstelling van de selectie is een onderscheid te maken tussen te bewaren ( dat wil zeggen naar de Rijksarchiefdienst over te brengen) en de (op termijn) te vernietigen gegevens van de bedoelde organen.
De te bewaren gegevens moeten een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk maken.
In dit BSD worden de handelingen van de verschillende organen geselecteerd op hun bijdrage aan de realisering van de selectiedoelstelling. Bij de selectie gaat het er om welke gegevensbestanden, behorend bij welke handeling, en berustend bij welke actor, bewaard moeten blijven met als doel het handelen van de rijks overheid met betrekking tot het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs op hoofdlijnen te kunnen reconstrueren.
Het handelen van overheidsorganen bestaat uit verschillende fasen in het beleidsproces. Deze fasen zijn o.a. agendavorming, beleidsvoorbereiding, beleidsbepaling, beleidsvaststelling, beleidsuitvoering en beleidsevaluatie. Om de reconstructie van het handelen op hoofdlijnen mogelijk te maken, dient dus vooral de neerslag van de eerste vier en de laatste fase bewaard te blijven.
De gegevensbestanden kunnen zowel uit papieren- als uit digitale documenten bestaan.
Indien de neerslag in aanmerking komt voor vernietiging dan vermeld het BSD een V met een termijn. De termijn gaat in nadat het administratieve belang van de neerslag verlopen is.
6.2 Selectiecriteria
Teneinde de selectiedoelstelling te operationaliseren zijn de in het rapport institutioneel onderzoek geformuleerde handelingen gewogen aan de hand van de door PIVOT opgestelde selectiecriteria.
Uitgaande van de selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1993 een lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Bij de vaststelling van deze selectiecriteria is bepaald dat de bruikbaarheid van de criteria binnen afzienbare tijd zou worden geëvalueerd. In pril 1996 werd met dat doel een werkgroep samengesteld. Bij de samenstelling van de werkgroep is gezorgd voor inbreng vanuit zowel de Rijksarchiefdienst/PIVOT als vanuit de zorgdragers. Op 26 november 1996 werden de resultaten tijdens een PIVOT-themabijeenkomst gepresenteerd, waarna als gevolg van discussie nog enige aanpassingen volgden. Op 29 april 1997 werden de herziene selectiecriteria door het afdelingswerkoverleg vastgesteld, waarop zij werden aangeboden aan het Convent vanrijksarchivarissen en voor advies voorgelegd aan de Raad voor Cultuur en de Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening Rijksoverheid (PC Din). Na verwerking van de adviezen zijn de herziene selectiecriteria vastgesteld door het Convent van Rijksarchivarissen. De nieuwe selectiecriteria onderscheiden zich van de oude criteria door een streven naar een duidelijker en eenduidige redactie van de formulering van de nieuwe criteria, teneinde de werkbaarheid te vergroten.
De algemene selectiecriteria zijn positief geformuleerd, het zijn bewaarcriteria.
De criteria geven de handelingen aan die met een B gewaardeerd worden, en waarvan de neerslag dus overgebracht dient te worden.
De neerslag van de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt niet overgebracht en kan op termijn vernietigd worden.
Handelingen die gewaardeerd worden met B(ewaren)
Algemene seleciecriteria
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet per se consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrument om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandig-heden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordleijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Naast de algemene criteria kunnen er ten aanzien van bepaalde handelingen, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstellingen, in een BSD beleidsterrein-specifieke criteria worden geformuleerd, die met behulp van de algemene criteria niet kunnen worden gewaardeerd. Binnen het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs is de noodzaak hiertoe niet aanwezig geacht.
6.3 De selectielijst
De selectielijst is geordend per actor, te beginnen bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, hierna aangeduid als de Minister van Onderwijs, die de voornaamste actor op het beleidsterrein wetenschappelijk onderwijs is.
De handelingen van deze lijst zijn doorlopend genummerd. Aangegeven worden:
RIO-nr: dit is het nummer van de handeling dat correspondeert met de nummering in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) van het beleidsterrein MLB;
Handeling complex van activiteiten dat verricht wordt door één of meer actoren en dat veelal een product naar de omgeving oplevert;
Periode de jaren waarin de handeling wordt verricht;
Grondslag de (wettelijke) basis van de handeling;
Product de weergave van het juridisch-bestuurlijk niveai van het eindproduct van de handeling;
Waardering hier wordt aangegeven of de neerslag van een handeling bewaard moet worden (B) of op termijn vernietigd kan worden (V).
Bij de handelingen die met een B gewaardeerd zijn wordt het selectiecriterium vermeld dat tot dat voorstel geleid heeft. De te bewaren neerslag dient na afloop van de overbrengingstermijn overgebracht te worden naar de Rijksarchiefdienst in goede, geordende en toegankelijke staat.
Bij de handelingen die met een V gewaardeerd worden, wordt zo mogelijk de termijn aangegeven, waarna de vernietiging kan plaatsvinden. De vernietigingstermijnen zijn ingevuld op grond van informatie uit bestaande vernietigingslijsten en gesprekken met vertegenwoordigers van het juridische en administratieve belang bij de verschillende zorgdragers.
6.4 Verslag vaststelllingsprocedure
In de periode 2004–2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Buitenlandse Zaken, van Economische Zaken, van Financiën, van Justitie, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van Verkeer en Waterstaat, van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en door het College van Toezicht Auteursrecht, Commissariaat voor de Media, Radio Nederland Wereldomroep, Stichting Etherreclame, het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds aan de staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juni 2006 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de zorgdragers, het Ministerie van OC&W en de rijksarchieven in de provincie / regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 26 juli 2006 bracht de RvC advies uit (arc-2006.03029/4), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
De handelingen van de Raad voor Cultuur worden niet vastgesteld.
Daarop werd het BSD op 26 januari 2007 door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de zorgdragers vastgesteld [C/S&A/07/293-305].
SELECTIELIJST
1. MINISTER VAN CULTUUR
1.1 Algemene handelingen inzake MLB
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen en evalueren van het beleid inzake media, letteren en bibliotheken (MLB)
Periode: 1945–
Product:
Waardering: B 1,2 B 1,2
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het instellen, instrueren en opheffen van commissies en werkgroepen ter voorbereiding van het beleid inzake MLB
Periode: 1945–
Bron: Begrotingen
Waardering: B 1,2 B 4
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het benoemen en ontslaan van leden van commissies en werkgroepen ter voorbereiding van het beleid inzake MLB
Periode: 1945–
Bron: Begrotingen
Waardering: B 1,2
V 75 jaar na geboortedatum
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het voorbereiden van interdepartementaal overleg ten aanzien van MLB en het opstellen van verslagen van de geleverde inbreng
Periode: 1945–
Opmerking: Het betreft hier materie waarvoor een andere Minister primair verantwoordelijk is. Het product, en daarmee de handeling, kan van invloed zijn op de voorbereiding en bepaling van het eigen beleid en de beleidsuitvoering.
Waardering: B 1,2 B 1,5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake het MLB-beleidsterrein
Periode: 1945–
Waardering: B 1,2 B 3
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen inzake het MLB-beleid en het anderszins informeren van leden van of commissies uit het parlement
Periode: 1945–
Waardering: B 1,2 B 3
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het informeren van de Nationale Ombudsman en parlementaire onderzoekscommissies naar aanleiding van klachten over de gevolgen of de uitvoering van het beleid inzake MLB
Periode: 1945–
N.B.: –Zie ook Pivot-rapport Behoorlijk behandeld over de Nationale Ombudsman.
– Parlementair onderzoek gebeurt meestal door de Commissies voor de Verzoekschriften.
Waardering: B 1,2 B 3
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen inzake MLB en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratiefrechtelijke organen
Periode: 1945–
N.B.: Zie ook Pivot-rapport Drie maal ‘s Raads recht over de Raad van State.
Waardering: B 1,2 B5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen inzake het MLB-beleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1,2 V 5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van het MLB-beleid
Periode: 1945–
Waardering: B 1,2 V 5 na vervallen
B5 eindproduct
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het voorbereiden van intern onderzoek en het vaststellen van onderzoeksrapporten inzake MLB
Periode: 1945–
Opmerking: De handeling betreft ook wetenschappelijk onderzoek.
Waardering: B 1,2 B 1,2
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van extern onderzoek inzake MLB
Periode: 1945–
Opmerking: De handeling betreft ook wetenschappelijk onderzoek.
Waardering: B 1,2 V 10
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het verstrekken van opdrachten en het vaststellen van eindrapportages van extern onderzoek inzake MLB
Periode: 1945–
Opmerking: De handeling betreft ook wetenschappelijk onderzoek.
Waardering: B 1,2 B 5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het gebied van MLB
Periode: 1945–
Waardering: B 1,2 V 10
1.2 Wetgeving, beleid en informatieverstrekking
1.2.1 Algemene wetgeving
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van het Protocol betreffende het publieke omroepstelsel in de lidstaten van de Europese Unie.
Periode: 1997–
Grondslag: Verdrag van Amsterdam / EG Verdrag art. 94
Product: Protocol betreffende het publieke omroepstelsel in de lidstaten
N.B.: Dit Protocol is gehecht aan het Verdrag van Amsterdam De eigen positie van de publieke omroepen in de lidstaten wordt in dit Protocol erkend. Tevens is vastgelegd dat het Verdrag geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de lidstaten om te voorzien in de financiering van de publieke omroep voor de door de lidstaten vastgestelde publieke opdracht.
Waardering: B 1
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het waarborgen van de vrijheid van ontvangst en van de doorgifte op hun grondgebied van televisie-uitzendingen uit andere lidstaten om redenen die binnen de door de Europese richtlijn gecoördineerde gebieden vallen (vrij verkeer van televisiediensten).
Periode: 1989–
Grondslag: Europese Richtlijn art. 2 bis, Publicatieblad 1989, nr. L 298;
1997, Publicatieblad nr. L 202
Product:
Waardering: B 5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van wet- en regelgeving terzake van de naleving door de televisieomroeporganisaties van de bepalingen van de Europese richtlijn en het toezicht daarop
Periode: 1989–
Grondslag: Europese Richtlijn art. 3, Publicatieblad 1989, nr. L 298;
1997, Publicatieblad nr. L 202
Product:
N.B.: Het staat de Minister vrij de televisieomroeporganisaties onder Nederlandse jurisdictie, naleving van strengere of meer gedetailleerde voorschriften te eisen op de gebieden die onder deze richtlijn vallen.
Waardering: B 1
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van voorstellen van wetten en algemene maatregelen van bestuur inzake de media, de wijzigingen daarop en de intrekking ervan.
Periode: 1947–
Grondslag: Grondwet (Stb. 1983, 70) art. 7 lid 2
Product: Omroepwet (1-3-1967, Stb. 176), Wet op het kijkgeld (6-10-1955, Stb. 489), Wet op de omroepbijdragen (20-12-1968, Stb. 687), Wet Voorziening Perswezen (25-4-1951, Stb. 130) Mediawet (21-4-1987,Stb. 249), Instellingswetten en -besluiten adviescolleges.
N.B.: Tot de Grondwetswijziging van 1983 regelde art. 7 (zonder onderverdeling in leden) alleen de vrijheid van drukpers.
De amvb’s zijn de besluiten van de Kroon waarbij krachtens de desbetreffende wetten sommige adviescolleges zijn ingesteld.
Waardering: B 1
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van een amvb inzake de uitvoering van de wet, de wijzigingen daarop en de intrekking ervan.
Periode: 1967–
Grondslag: Omroepwet (Stb. 1967, 176) art. 65, Mediawet (Stb. 1987, 249)
Wet op het kijkgeld (Stb. 1955, 489)
Product: Omroepbesluit (1-4-1969, Stb. 180), Mediabesluit (19-11-1987, Stb. 573),
Kijkgeldbesluit (24-12-1955, Stb. 580)
Waardering: B 1
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van een amvb inzake de invoering van artikelen van de Mediawet of onderdelen daarvan en inzake regels met betrekking tot de invoering van de wet in gevallen waarin geen overgangsmaatregelen zijn getroffen.
Periode: 1987–
Grondslag: Wijzigingswet op de Mediawet (Stb. 1997, 544) art. IV; Mediawet (Stb. 1987, 249) art. 160
Product: amvb van 17-12-1997, Stb. 18, houdende enkele bepalingen van overgangsrecht in verband met de invoering van de wet van 13-11-1997 (Stb. 544). Mediabesluit (Stb. 1987, 573) art. 74 t/m 77.
N.B.: Het stellen van bedoelde regels is niet langer mogelijk dan tot twee jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling. Bij wetswijziging Stb. 1994/385 vervalt deze bepaling. Bij wijziging Stb. 1994/914 van het amvb vervallen de art. 74-77 alsmede 77b en c.
Waardering: B 1
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van een kb inzake regeling van de gevallen waarin de wijzigingswet Stb, 1999/573 niet voorziet.
Periode: 1999–2001
Grondslag: Mediawet (Stb. 1999, 573) art. IX lid 1
Product: amvb
N.B.: De wet geeft deze mogelijkheid tot twee jaar na de inwerkingtreding ervan.
Waardering: B 1,5
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden van een kb inzake het tijdstip van inwerkingtreding van de mediawet- en regelgeving en de wijzigingen daarop.
Periode: 1978–
Grondslag: Omroepwet, Mediawet en de wijzigingswetten
Product: kb
N.B.: Het betreft de Omroepwet Stb. 1978, 665 (Wijzigingswet op de Omroepwet Stb. 1978/665, art. V) de Mediawet (Mediawet Stb.1987/249, art. 176); het Mediabesluit (Mediabesluit Stb. 1987/573, art. 81); de wijzigingswetten Stb. 1997/336, 1997/544, en 1999/573 (de resp. artt. VIII, VI en X); artikel II, onderdelen A, E, F, G en I van de wet Stb.1997/336 (Wijzigingswet op de Mediawet Stb. 1997/336, art. VIII); wet Stb. 1996, 648 (Wijzigingswet op de Mediawet Stb. 1996/648, art. XI lid 2).
Waardering: B 1,5
1.2.2 Ontwikkeling, evaluatie en verantwoording van beleid
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het instellen van commissies die adviseren over (aspecten van) het te voeren beleid ten aanzien van de media
Periode: 1945–
Grondslag:
Product: beschikking
Waardering: B 4
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het voorbereiden, mede vaststellen en coördineren van het beleid inzake de media
Periode: 1945–
Grondslag:
Product: nota’s
Waardering: B 1,2
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het instellen van commissies die adviseren over de evaluatie van het mediabeleid.
Periode: 1945–
Grondslag:
Product: beschikking
Waardering: B 4
Actor: Minister van Cultuur
Handeling: het opstellen van periodieke verslagen over de ontwikkelingen van het mediabeleid
Periode: 1945–
Grondslag:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)