Bijlage bij besluit van 12 juni 2008, nr. CPP2008/1137M

Type Beleidsregel
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-03
State In force
Source BWB
artikelen 314
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bij de beoordeling van het aangeboden saneringsakkoord bekijkt de ontvanger welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken. Uitgangspunt hierbij is de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek.

26.4. Administratief beroep

Ook de Belastingdienst heeft de inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel) verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.

De hier te lande alleenwonende gehuwde belastingschuldige die zijn in het buitenland verblijvende echtgenote en/of kinderen daadwerkelijk onderhoudt, wordt voor de berekening van de betalingscapaciteit niet als een alleenstaande aangemerkt. Uitgegaan wordt van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw. Als huur wordt de hier te lande betaalde huur in aanmerking genomen. Door toepassing van het normbedrag voor echtgenoten in de zin van artikel 3 Pw, wordt in het kwijtscheldingsbeleid op forfaitaire wijze rekening gehouden met de bedragen die de buitenlandse werknemer aan zijn bloed- of aanverwanten overmaakt voor de kosten van levensonderhoud. Met de werkelijke bedragen die de buitenlandse belastingschuldige overmaakt, wordt geen rekening gehouden.

26.3. Kwijtschelding van rijksbelastingen voor ondernemers

Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot sanering wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere crediteuren hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede komen.

26.4.4. Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding

Deze kwijtschelding komt pas aan de orde nadat alle gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.

26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding

Voor een saneringsakkoord als bedoeld in artikel 21 van de regeling (zie ook artikel 26.3.1) betekent dit dat de ontvanger daarmee in kan stemmen, als het door hem te ontvangen deel van de belastingschuld, ten minste hetzelfde percentage bedraagt als hetgeen aan concurrente crediteuren die in het akkoord zijn betrokken, op hun vorderingen wordt aangeboden. Dit is van overeenkomstige toepassing in de situatie bedoeld in artikel 26.3.8, tweede gedachtestreepje.

26.4.3. Beroepsfase kwijtschelding

Bij toetreding tot een saneringsakkoord kan de ontvanger er van afzien derden alsnog aansprakelijk te stellen. In dat geval moet bij de vaststelling van het bedrag dat aan de ontvanger moet worden voldaan rekening worden gehouden met het bedrag dat uit de aansprakelijkstelling geïnd had kunnen worden.

Als de ontvanger toetreedt tot een saneringsakkoord en daarnaast nog derden aansprakelijk stelt, blijft bij de vaststelling van het bedrag dat in het akkoord moet worden voldaan een (eventuele) opbrengst uit de aansprakelijkstelling buiten beschouwing. In de situatie dat de aansprakelijkgestelde zijn regresrecht op de gesaneerde onderneming uitoefent en het bedrijf daardoor opnieuw in moeilijkheden komt, eist de ontvanger niet dat de onderneming het ontstane tekort alsnog aanvult. Als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, eist de ontvanger evenmin het ontstane tekort op.

Bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding zijn de gegevens en normen van belang die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Wanneer echter blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige ten opzichte van het eerste verzoek zodanig is gedaald dat de betalingscapaciteit destijds in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening plaats. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag en zorgtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening vindt niet plaats bij wijzigingen in de kosten van bestaan.

26.4.5. Beslissing directeur op beroep bij kwijtschelding

De ontvanger verleent geen medewerking aan een saneringsakkoord waarbij één of meer schuldeisers het gedeelte van hun vordering dat niet wordt voldaan niet kwijtschelden maar overdragen aan een derde of omzetten in aandelenkapitaal.

Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de vordering die zij hebben, te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder meer:

26.3.9. Betaling bedrag saneringsakkoord

Bij de behandeling van het aangeboden akkoord is het de taak van de belastingschuldige/ondernemer er voor te zorgen dat de formele schuld zo nauwkeurig mogelijk overeenstemt met de materiële schuld. Als de belastingschuldige niet de gegevens overlegt die (kunnen) leiden tot een juiste vaststelling van de verschuldigde belasting, is er geen aanleiding voor de ontvanger toe te treden tot het aangeboden akkoord.

Ook de Belastingdienst heeft de inspanningsverplichting om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen en de eventueel nog (materieel) verschuldigde belastingen over tijdvakken tot aan het tijdstip waarop het verzoek om sanering is ingediend, te formaliseren.

26.4. Administratief beroep

26.3.5. Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord

Voor de berekening van het dubbele percentage dat aan de fiscus moet worden uitgekeerd, brengt de ontvanger op de vorderingen van de concurrente crediteuren eerst in mindering de bedragen die de concurrente crediteuren door zekerheid hebben gedekt. Het begrip ‘ten minste’ verdient in elk geval extra aandacht als in het verleden onevenredige betalingen aan concurrente schuldeisers zijn gedaan.

Voordat een beoordeling van het aanbod plaatsvindt, moet worden nagegaan of in de periode direct voorafgaand aan het tijdstip waarop het verzoek tot sanering wordt ontvangen wellicht extra aflossingen aan bepaalde andere crediteuren hebben plaatsgevonden. Als hiervan sprake is, moet aan de ontvanger – met doorbreking van de eis dat het dubbele percentage moet worden aangeboden – een hoger percentage dan het dubbele ten goede komen.

26.3.5a. Tijdelijk uitkeringspercentage bij saneringsakkoorden

De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht aan de directeur. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.

Bestuurlijke boeten moeten ook integraal in het akkoord worden betrokken. Uitgangspunt is dat het heffingstraject moet worden afgewerkt voordat tot sanering kan worden overgegaan. Daarna past de ontvanger het akkoordpercentage toe op de belastingschuld én op de bestuurlijke boete.

Als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.

27.2. Aansprakelijkgestelden en verjaring

Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan.

Een aantal crediteuren neemt een zodanige positie in dat zij niet noodzakelijkerwijs tot een akkoord hoeven toe te treden om (een deel van) de vordering die zij hebben, te kunnen innen. Tot die crediteuren behoren onder meer:

26.3.9. Betaling bedrag saneringsakkoord

De betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan indien de belastingschuldige na de sanering het bedrijf of zelfstandig beroep blijft uitoefenen en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. In het geval de ontvanger betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1, 25.6.2 en 25.6.2a van overeenkomstige toepassing waarbij in afwijking van:

De ontvanger verleent kwijtschelding indien het saneringsakkoord in het geheel is nagekomen.

In alle gevallen waarin de directeur het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.

26.4.1. Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding

27.3. Stuiting van de verjaring

Als de belastingschuldige het nader toegezonden verzoekformulier niet terugzendt, stelt de ontvanger hem in de gelegenheid dit alsnog te doen. Als de belastingschuldige hieraan geen gevolg geeft, stelt de ontvanger de directeur daarvan in kennis. De ontvanger adviseert de directeur dan om niet aan het beroepschrift tegemoet te komen.

Of het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden. Hiervan is echter in ieder geval sprake als inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.

De ontvanger merkt een door de belastingschuldige gemaakt bezwaar tegen de beslissing op het verzoek om kwijtschelding aan als een administratief beroep dat is gericht aan de directeur. Dit geldt ook als de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld waarvoor de ontvanger eerder een verzoek om kwijtschelding geheel of gedeeltelijk heeft afgewezen en daarbij geen andere feiten of veranderde omstandigheden vermeldt.

In de hiervoor genoemde situaties geeft de ontvanger een nieuwe voor administratief beroep vatbare beschikking af als hij aanleiding ziet om een voor de belastingschuldige gunstigere beslissing te nemen.

27.5. Afstand van verjaring

Als de belastingschuldige, behoudens de situatie als bedoeld in de vorige alinea, een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, dan beslist de ontvanger op dat verzoek bij voor administratief beroep vatbare beschikking. Bij deze beslissing houdt hij rekening met deze andere feiten of veranderde omstandigheden. Dit geldt ook als het een belastingschuld betreft waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist.

Als de belastingschuldige opnieuw verzoekt om kwijtschelding ter zake van een belastingschuld waarvoor de directeur al op een administratief beroep afwijzend heeft beslist zonder daarbij andere feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, wijst de ontvanger dit verzoek af onder verwijzing naar de uitspraak van de directeur bij voor administratief beroep vatbare beschikking.

Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ indien:

Als de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding maar de ontvanger voortzetting van de invordering niet gewenst vindt, wijst de ontvanger het verzoek om kwijtschelding af. De ontvanger neemt in die beschikking op in hoeverre hij geen invorderingsmaatregelen zal treffen. Tegen het besluit van de ontvanger om geen invorderingsmaatregelen meer te treffen staat geen administratief beroep open.

Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep is gebaseerd, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.

De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel – als dit minder is – de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.

27a.1. Verlenen betalingskorting en vermindering van de belastingaanslag

Bij een vermindering van de belastingaanslag kan uitsluitend betalingskorting worden verleend als:

In alle gevallen waarin de directeur het beroep gegrond oordeelt, kan hij de zaak inhoudelijk afdoen. Hetzij door het verzoek alsnog toe te wijzen, hetzij door het af te wijzen onder verbetering of vervanging van de gronden.

Wanneer de belastingschuldige op of voor de eerste vervaldag van de aanslag een ander bedrag dan de formele belastingschuld heeft betaald, is wat betreft de betaalde maar niet verschenen termijnen het bepaalde in artikel 7.8 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28. Invorderingsrente

Indiening van het beroepschrift na de termijn van tien dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat – als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet – van de directeur mag worden verwacht dat hij alsnog ambtshalve de grieven die in het beroepschrift zijn aangedragen op hun waarde beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling.

27.4. Schorsing van de verjaring

Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.

Als de ontvanger nalaat om tijdig een beslissing te nemen op een verzoek om kwijtschelding, kan de belastingschuldige hiertegen beroep instellen bij de directeur. Hieraan is geen termijn gebonden.

Als tijdens de beroepsprocedure blijkt dat de ontvanger kwijtschelding had moeten verlenen, dan hoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.

In aansluiting op artikel 28 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

26.5.1. Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding

Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.

28.3a. Vermindering in rekening gebrachte invorderingsrente bij uitstel van betaling op grond van artikel 25.4.6

Als de ontvanger besluit tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen voor de nog openstaande schuld zonder dat hij daaraan voorwaarden verbindt, heeft de beslissing voor de belastingschuldige materieel dezelfde gevolgen als kwijtschelding.

De ontvanger kan ook besluiten geen invorderingsmaatregelen meer te nemen voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten de invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel – als dit minder is – de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. De ontvanger neemt deze verrekeningsvoorwaarde uitdrukkelijk in de beschikking op.

Als de ontvanger besluit voorlopig geen invorderingsmaatregelen meer te nemen, zal hij in zijn beschikking voorwaarden of een tijdsbepaling opnemen. Anders dan kwijtschelding is een dergelijke beschikking herroepelijk. Als de belastingschuldige de voorwaarden niet nakomt, neemt de ontvanger een nieuwe beschikking, waarbij hij zijn eerdere beschikking intrekt. De ontvanger kan hiertoe pas overgaan nadat hij de belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de eerdere beschikking in te trekken en niet binnen veertien dagen alsnog aan de voorwaarden of de tijdsbepaling is voldaan.

Artikel 27. Verjaring

In aansluiting op afdeling 4.4.3.van de Awb en artikel 27 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.

Artikel 27a. Betalingskorting

In aansluiting op artikel 27a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de verlening van betalingskorting bij vermindering van de belastingaanslag.

27a.1. Verlenen betalingskorting en vermindering van de belastingaanslag

Bij een vermindering van de belastingaanslag kan uitsluitend betalingskorting worden verleend als:

Als de betekening van een dwangbevel uitsluitend plaatsvindt om de verjaring te stuiten, dan licht de ontvanger de belastingschuldige in over het doel van de betekening. Deze betekening is kosteloos.

27a.2. Bijzondere situaties

Om in aanmerking te komen voor de betalingskorting moet de belastingschuldige voor of op de eerste vervaldag het gehele bedrag van de belastingaanslag – formeel verschuldigd op de eerste vervaldag – hebben voldaan. Dit uitgangspunt geldt met name ook, waardoor de betalingskorting derhalve niet zal worden verleend, in de volgende situaties:

Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag.

27.5. Afstand van verjaring

Van eenmaal verkregen verjaring kan afstand worden gedaan. De ontvanger beroept zich echter alleen op afstand van verjaring, als zonder meer duidelijk is dat de belastingschuldige daadwerkelijk bedoelt afstand van de verjaring te doen.

Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen beleidsregels gemaakt.

De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de belastingaanslag verbonden. Als voor een belastingaanslag de verjaring is ingetreden, laat de ontvanger dus ook voor de rente en kosten invordering en verrekening achterwege.

De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.

Na intreding van de verjaring maakt de ontvanger geen gebruik van de mogelijkheid om een belastingschuld in te vorderen door middel van een dagvaarding.

27.8. Verjaring van belastingteruggaven

Voor de verjaring van belastingteruggaven geldt eenzelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. De ontvanger zal een beroep op de verjaring doen, tenzij hij gerede twijfel heeft of de belastingaanslag aan de belastingschuldige is bekendgemaakt.

De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift de verschuldigde rente verminderen.

In aansluiting op artikel 27a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de verlening van betalingskorting bij vermindering van de belastingaanslag.

27a.1. Verlenen betalingskorting en vermindering van de belastingaanslag

Bij een vermindering van de belastingaanslag kan uitsluitend betalingskorting worden verleend als:

28.5. Rente- of schadevergoeding

Als een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het niet verlenen van de betalingskorting, verklaart de ontvanger de belanghebbende niet-ontvankelijk.

Artikel 28a. en artikel 28b

Wanneer de belastingschuldige op of voor de eerste vervaldag van de aanslag een ander bedrag dan de formele belastingschuld heeft betaald, is wat betreft de betaalde maar niet verschenen termijnen het bepaalde in artikel 7.8 van overeenkomstige toepassing.

In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.

28.7.2. Verschuldigde invorderingsrente

In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.

Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en artikel 28b van de wet geen beleidsregels gemaakt.

De ontvanger corrigeert de renteberekening als daarbij onjuiste gegevens zijn gebruikt. Dit geldt ook voor een belastingaanslag waaraan een nieuwe dagtekening wordt toegekend die leidt tot een ander aanvangstijdstip voor de renteberekening.

Artikel 33. Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle rijksbelastingen

In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

Als de ontvanger als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening brengt, kan er slechts in uitzonderlijke situaties aanleiding bestaan die rente te verminderen. De ontvanger moet dan van mening zijn dat het niet tijdig voldoen van de belastingschuld niet kan worden verweten aan de belastingschuldige en bovendien dat de invordering van rente onredelijk en onbillijk is.

Artikel 30. Beschikking invorderingsrente

28.3a. Vermindering in rekening gebrachte invorderingsrente bij uitstel van betaling op grond van artikel 25.4.6

De ontvanger vermindert in rekening gebrachte invorderingsrente tot nihil, voor zover deze in rekening is gebracht over de periode dat de belastingschuldige uitstel van betaling heeft genoten op grond van artikel 25.4.6.

Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.

Het begrip ‘gevestigd’ in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.

28.6. Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk

Kwijtschelding van uitsluitend invorderingsrente is niet mogelijk. De ontvanger doet ook geen toezegging dat de rente niet zal worden ingevorderd. Dit laat onverlet dat de ontvanger kwijtschelding verleent of rente buiten invordering laat, als hij de hoofdsom kwijtscheldt of buiten invordering laat op grond van het bepaalde in artikel 26 van deze leidraad.

Er zijn in deze leidraad op de artikelen 31 en 31a van de wet geen beleidsregels gemaakt.

28.7.1. Vergoeding invorderingsrente

In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.

Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en artikel 28b van de wet geen beleidsregels gemaakt.

Artikel 28c

Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen beleidsregels gemaakt.

De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.

32.3. Belastingrente, heffingsrente en aansprakelijkheid

Artikel 30. Beschikking invorderingsrente

In aansluiting op artikel 30 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.

Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de ontvanger aan als een bezwaarschrift.

30.2. Invorderingsrente – (hoger) beroep en cassatie

Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de invorderingsrente relevant zijn.

De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.

33.3. Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid

De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet doelt, kan – behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen – onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.

In aansluiting op artikel 32 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde ‘leeg’ maken van het lichaam.

In situaties waarin de ontvanger feitelijk de keuze heeft tussen de toepassing van zowel een aansprakelijkheidsbepaling uit de wet als een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht, geldt in beginsel hetgeen is vermeld in artikel 3.1 van deze leidraad.

34.3. Volgorde aansprakelijkstelling bij inlening

32.2. Gemeenschapsschulden

De ontvanger merkt een belastingschuld in principe aan als een gemeenschapsschuld.

Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.

De ontvanger kan de gewezen bestuurder aansprakelijk stellen voor de belastingschuld waarvoor hij ten tijde van zijn bestuursperiode hoofdelijk aansprakelijk was, te weten de schuld die in deze periode materieel is ontstaan.

In aansluiting op artikel 33 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

33.1. Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid

De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ zijn dezelfde als bij de heffing van de diverse belastingen.

33.2. Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid

Het begrip ‘gevestigd’ in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft een feitelijke betekenis. Waar een lichaam is gevestigd, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval.

De ontvanger moet hierbij aansluiting zoeken bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR.

Als de overeenkomst tussen de verhuurder en de huurder gekwalificeerd moet worden als aanneming van werk, wordt de huurder van het bemande materieel niet op grond van artikel 34 van de wet aansprakelijk gesteld, maar op grond van artikel 35 van de wet (ketenaansprakelijkheid).

De ontbinding van het lichaam waarop artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet doelt, kan – behalve op grond van de verschillende formele ontbindingsbepalingen – onder omstandigheden ook worden afgeleid uit handelingen van vennoten of organen van rechtspersonen.

Voor de berekening van de driejaarstermijn wordt de stilzwijgende ontbinding – bedoeld in de vorige volzin – geacht zich te hebben voltrokken ten tijde van het verrichten van de handelingen.

Als ontbinding kan niet worden aangemerkt het feitelijk staken van de bedrijfsuitoefening en/of het voortzetten van de activiteiten van de vennootschap in een andere rechtsvorm, het zogenaamde ‘leeg’ maken van het lichaam.

33.4. Vereffenaar bij aansprakelijkheid

Niet alleen degene die met de vereffening is belast, is aansprakelijk op grond van artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet, maar ook degene die feitelijk als vereffenaar is opgetreden zonder dat van een uitdrukkelijke lastgeving sprake is.

34.4.4. Surseance en inlenersaansprakelijkheid

Als een uitlener zijn werknemers uitleent aan een buitenlandse inlener voor het verrichten van werkzaamheden in Nederland en in verband daarmee in Nederland loonheffingen of omzetbelasting is verschuldigd, dan is de buitenlandse inlener daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 34 van de wet.

Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.

34.4.1. Vrijwaring inlenersaansprakelijkheid door betaling via de g-rekening

33.7. Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers

Bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid of van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is alsmede leiders van een vaste inrichting van een niet in Nederland gevestigd lichaam dan wel de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij bewijzen dat de niet-betaling niet aan hen is te wijten.

Niet-verwijtbaarheid wordt naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld, waarbij veel afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer, hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te bieden, toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten. Daaronder is begrepen een sterk verslechterde economische situatie van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is zijn betalingsverplichtingen na te komen.

34.4.1. Vrijwaring inlenersaansprakelijkheid door betaling via de g-rekening

Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.

Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen beleidsregels gemaakt.

De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 34.8.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.

34.4.2. Inlenersaansprakelijkheid bij WSNP of faillissement uitlener

De ontvanger kan de inlener ook aansprakelijk stellen voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de uitlener op diens g-rekening zijn bijgeschreven, aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. De bedragen die na faillissementsdatum zijn gestort, vallen in de boedel en kunnen niet meer worden afgeboekt op de belastingschuld.

34.7. Verklaring betalingsgedrag uitlener

Als de overeenkomst tussen de verhuurder en de huurder gekwalificeerd moet worden als aanneming van werk, wordt de huurder van het bemande materieel niet op grond van artikel 34 van de wet aansprakelijk gesteld, maar op grond van artikel 35 van de wet (ketenaansprakelijkheid).

34.2. Extraterritoriale werking van de inlenersaansprakelijkheid

Als een uitlener zijn werknemers uitleent aan een buitenlandse inlener voor werkzaamheden in het buitenland en in verband daarmee in Nederland loonheffingen of omzetbelasting is verschuldigd, dan is de buitenlandse inlener daarvoor niet aansprakelijk op grond van artikel 34 van de wet.

34.7. Verklaring betalingsgedrag uitlener

Betaling op de g-rekening van een uitlener/opdrachtnemer die ook een zelfstandige zonder personeel levert, levert in beginsel geen oneigenlijk gebruik van de g-rekening op.

In situaties waar sprake is van doorlenen, alsmede in situaties als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn meerdere derden aansprakelijk voor dezelfde schuld.

34.8.2. Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief

Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.

34.4. Inlenersaansprakelijkheid en g-rekening

De inlener die inleent van een uitzendonderneming kan onder bepaalde voorwaarden disculpatie verkrijgen. Deze voorwaarden zijn:

Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.

34.8. De omvang van de aansprakelijkheid

De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 34.8.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.

De inlener die inleent van een uitzendonderneming kan onder bepaalde voorwaarden disculpatie verkrijgen. Deze voorwaarden zijn:

34.8.2. Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief

Dit geldt ook voor bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de WSNP. Ook in verband met de afwikkeling van de WSNP of het faillissement (door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator), vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk plaats na de datum waarop de WSNP of het faillissement is uitgesproken.

De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen burgerservicenummer van de arbeidskracht onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.

34.8.2. Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief

Een beroep op onrechtmatig handelen behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de ontvanger moet bewijzen dat is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is en dat hij schade heeft geleden.

Er is al sprake van in strijd handelen met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is, als een g-rekeninghouder bedragen stort of ontvangt terwijl hij wist dat er geen sprake was van inlening en hij deze bedragen niet heeft teruggestort. De schade bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonheffingen en omzetbelasting zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd zijn en/of later verschuldigd worden, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.

34.6.3. Overgangsregeling

De regeling als bedoeld in de artikelen 34.6.1 en 34.6.2 gaat in per 1 juli 2012. Vóór 1 juli 2012 geldt dat inleners vrijwaring kunnen krijgen tot het bedrag van de stortingen op de G-rekening. Als de periode van inlening zowel onder de oude als de nieuwe regeling valt, geldt de volgende overgangsregeling. Stortingen op de G-rekening die na 1 juli worden gedaan en die zien op inlening vóór 1 juli 2012 (en dus gerelateerd moeten worden aan termijnen verschuldigde loonheffingen en/of omzetbelasting vóór 1 juli 2012) volgen de oude regeling (vrijwaring tot het bedrag van de storting). Voor de stortingen gedaan na 1 juli 2012 die betrekking hebben op inlening van na die datum geldt het nieuwe regime.

34.7. Verklaring betalingsgedrag uitlener

Als de bewindvoerder instemming weigert, dan zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.

Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener, betrekt de ontvanger de omzetbelasting van de fiscale eenheid in de af te geven verklaring.

34.6. Disculpatie van de inlener

De vraag of sprake is van disculpatie – hetgeen de aansprakelijke inlener(s) aannemelijk zal moeten maken – moet de ontvanger steeds op individuele basis beoordelen.

De inlener van uitzendondernemingen die voldoen aan de voorwaarden opgenomen in artikel 34.6.1 of 34.6.2 van deze leidraad, heeft automatisch recht op disculpatie van artikel 34, vijfde lid, van de wet.

34.6.1. Voorwaarden disculpatie van inlener van SNA-gecertificeerde uitzendondernemingen

De inlener die inleent van een uitzendonderneming kan onder bepaalde voorwaarden disculpatie verkrijgen. Deze voorwaarden zijn:

35.1. Berekening omvang ketenaansprakelijkheid

De inlener kan de identiteit van de ingeleende werknemer aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de arbeidskracht op te nemen:

De inlener kan de identiteit van de arbeidskracht aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de arbeidskracht op te nemen:

Uitzendondernemingen die beursgenoteerd zijn in een OESO-land kunnen voor bedrijfsonderdelen die NEN 4400-1 of 4400-2 gecertificeerd zijn, zekerheid stellen als alternatief voor het storten op de G-rekening. Deze zekerheid gaat in de vorm van bankgarantie waarop de ontvanger een beroep kan doen als één (of meer) van genoemde bedrijfsonderdelen de loonheffingen en/of de omzetbelasting niet afdraagt (afdragen). De bankgarantie bedraagt 9% van de door alle gecertificeerde bedrijfsonderdelen van de uitzendonderneming over het voorafgaande jaar totaal verschuldigde bedrag aan loonheffingen en omzetbelasting.

35.1. Berekening omvang ketenaansprakelijkheid

De voorwaarden die aan dit alternatief worden gesteld, zijn:

34.6.3. Overgangsregeling

De regeling als bedoeld in de artikelen 34.6.1 en 34.6.2 gaat in per 1 juli 2012. Vóór 1 juli 2012 geldt dat inleners vrijwaring kunnen krijgen tot het bedrag van de stortingen op de G-rekening. Als de periode van inlening zowel onder de oude als de nieuwe regeling valt, geldt de volgende overgangsregeling. Stortingen op de G-rekening die na 1 juli worden gedaan en die zien op inlening vóór 1 juli 2012 (en dus gerelateerd moeten worden aan termijnen verschuldigde loonheffingen en/of omzetbelasting vóór 1 juli 2012) volgen de oude regeling (vrijwaring tot het bedrag van de storting). Voor de stortingen gedaan na 1 juli 2012 die betrekking hebben op inlening van na die datum geldt het nieuwe regime.

In het geval van matiging wordt bij de brutering van het loon – althans voor zover het de loonbelasting en premie volksverzekeringen betreft – gebruik gemaakt van een marginaal percentage. Het marginale tarief is de uitkomst van een berekening waarbij het (gewogen) gemiddelde tarief dat behoort bij de laagste (geknipte) tariefschijf ex artikel 20a juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt vermenigvuldigd met twee, vervolgens wordt geteld bij het tarief dat behoort bij de tweede tariefschijf (t.a.p.) waarna de som wordt gedeeld door drie. De loonbelasting/premie volksverzekeringen over de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage.

35.2. Het begrip aannemer en ketenaansprakelijkheid

Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener, betrekt de ontvanger de omzetbelasting van de fiscale eenheid in de af te geven verklaring.

Op de procedure voor de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan, is het bepaalde in artikel 35.12 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing.

34.8. De omvang van de aansprakelijkheid

Als de ontvanger – voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan – ten laste van de uitlener derdenbeslag legt onder de aansprakelijke inlener, is de inlener op grond van artikel 476a Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de geldsom die door het beslag is getroffen aan de ontvanger af te dragen.

35.2.3. Het uitvoeren van een werk buiten dienstbetrekking

Omdat de aansprakelijkheid in een aansprakelijkstelling op een later tijdstip wordt geconcretiseerd, moet ten tijde van de beschikking ex artikel 49 van de wet worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid – zoals ontstaan ten tijde van de wettelijke inhoudingsplicht – nog is verschuldigd.

De ontvanger beoordeelt of het bedrag van de primaire aansprakelijkheid moet worden verminderd als gevolg van betalingen (op aangifte en/of op naheffingsaanslag) door de werkgever/uitlener die toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. Deze toerekening van betalingen aan de ‘werknemer’ kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen over de verschillende aangiftetijdvakken.

Als afdrachten/betalingen redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener.

34.8.2. Inlenersaansprakelijkheid en anoniementarief

De inlener is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door de uitlener over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.

De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:

De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de inlener de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden door de ingeleende arbeidskrachten. Als mocht blijken dat het in de administratie van de inlener opgenomen burgerservicenummer van de arbeidskracht onjuist is, zal de inlener in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.

35.2.1. Werk van stoffelijke aard

De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de arbeidskracht, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de Richtsnoeren van de Autoriteit Persoonsgegevens. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase. Dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.

35.2. Het begrip aannemer en ketenaansprakelijkheid

35.3.4. Uitbesteding werk en eigenbouwerschap

Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35.5.1 en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34.8.1 van deze leidraad.

Deze ‘tariefmatiging’ – die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag – vindt niet plaats als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.

34.8.3. Samenloop derdenbeslag en inlenersaansprakelijkheid

Als de ontvanger – voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan – ten laste van de uitlener derdenbeslag legt onder de aansprakelijke inlener, is de inlener op grond van artikel 476a Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de geldsom die door het beslag is getroffen aan de ontvanger af te dragen.

35.2.2. Vervoersovereenkomsten en werk van stoffelijke aard

34.9. Latere brutering en inlenersaansprakelijkheid

De inlener is ook aansprakelijk voor de loonheffingen die verschuldigd zijn als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de uitlener de nageheven loonheffingen niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonheffingen die als gevolg van dit 'voor eigen rekening nemen' verschuldigd zijn, worden aangemerkt als 'belasting ter zake van het werk'.

De vraag of sprake is van een eigenbouwer moet worden beantwoord aan de hand van de volgende criteria:

35.3.1. Eigenbouwerschap – beoordeling van geval tot geval

In overleg met de inspecteur waaronder de eigenbouwer ressorteert, beoordeelt de ontvanger of sprake is van eigenbouwerschap aan de hand van de concrete omstandigheden van het betrokken bedrijf en van de onderhavige werkzaamheden.

35.3.6. Gemeentelijke grondbedrijven en eigenbouwerschap

De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de loonheffingen van de aannemer ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Omdat de aansprakelijkheid in een aansprakelijkstelling op een later tijdstip wordt geconcretiseerd, moet ten tijde van de beschikking ex artikel 49 van de wet worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid – zoals ontstaan ten tijde van de wettelijke inhoudingsplicht – nog is verschuldigd.

De ontvanger moet beoordelen of het bedrag van de primaire aansprakelijkheid moet worden verminderd als gevolg van betalingen (op aangifte en/of op naheffingsaanslag) door de onderaannemer/inhoudingsplichtige.

Deze toerekening van betalingen aan ‘het werk’ gebeurt naar redelijkheid en kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de onderaannemer en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen over de verschillende aangiftetijdvakken. Als afdrachten/betalingen redelijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werken en/of de indirecte loonkosten, vindt een evenredige toerekening daarvan plaats aan alle werken en/of indirecte loonkosten gedurende het naheffingtijdvak.

In verband daarmee is het niet mogelijk voor bepaalde bedrijfstakken of voor bepaalde typen van bedrijven, dan wel voor bepaalde categorieën werkzaamheden in het algemeen, aan te geven of sprake is van eigenbouwerschap.

Het begrip aannemer heeft in het kader van de ketenaansprakelijkheid een eigen zelfstandige betekenis. Onder ‘aannemer’ wordt in dit verband verstaan de persoon die zich jegens een ander – de opdrachtgever – verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard te verrichten tegen een te betalen prijs.

Voor de interpretatie van het begrip ‘bedrijf’ kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan: een onderneming of een daarmee vergelijkbare entiteit (bijvoorbeeld een overheidsbedrijf).

35.3.3. De normale bedrijfsuitoefening en eigenbouwerschap

Niet elke arbeid die resulteert in een tastbaar product kan worden gerekend tot de ‘uitvoering van een werk van stoffelijke aard’ in de zin van dit artikel. De eigen aard van de arbeid moet ook in de beschouwing worden betrokken. Alle werken of producten die door een in hoofdzaak geestelijke of intellectuele arbeid tot stand komen, zijn niet als werk van stoffelijke aard te beschouwen.

35.4. Extraterritoriale werking van de ketenaansprakelijkheid

Als het overheidslichaam handelt onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten (bedrijven) en dus niet ‘als overheid’, dan zal het uiteraard steeds kunnen worden aangemerkt als bedrijf. Wat geldt voor publiekrechtelijke lichamen, geldt evenzeer voor publiekrechtelijke instellingen en organen, zoals gemeentelijke grondbedrijven.

Vervoersovereenkomsten als bedoeld in artikel 34.1 vallen buiten de werking van artikel 35 van de wet, omdat geen sprake is van een werk van stoffelijke aard. Als het vervoer echter onderdeel uitmaakt van en ondergeschikt is aan een overeenkomst tot uitvoering van een werk van stoffelijke aard, dan moet dat vervoer niet worden afgesplitst van dat grotere geheel.

Bij de gemengde overeenkomsten waarin de vervoersprestatie niet ondergeschikt is aan het overeengekomen werk van stoffelijke aard, moeten de onderscheiden prestaties in beginsel worden gesplitst.

35.2.3. Het uitvoeren van een werk buiten dienstbetrekking

Voor de toepassing van artikel 35 van de wet moet het uitvoeren van een werk buiten dienstbetrekking gebeuren. Voor het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij de Wet op de loonbelasting 1964.

35.3. Het begrip eigenbouwer

De zogenaamde ‘eigenbouwer’ wordt met een aannemer gelijkgesteld en is geen opdrachtgever.

De vraag of sprake is van een eigenbouwer moet worden beantwoord aan de hand van de volgende criteria:

35.3.1. Eigenbouwerschap – beoordeling van geval tot geval

In overleg met de inspecteur waaronder de eigenbouwer ressorteert, beoordeelt de ontvanger of sprake is van eigenbouwerschap aan de hand van de concrete omstandigheden van het betrokken bedrijf en van de onderhavige werkzaamheden.

35.5.3. Wanprestatie/onrechtmatig handelen en ketenaansprakelijkheid

De gemeente treedt in een dergelijk geval op als overheid, hetgeen handelen als eigenbouwer uitsluit.

Voor de interpretatie van het begrip ‘bedrijf’ kan aansluiting worden gezocht bij hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan: een onderneming of een daarmee vergelijkbare entiteit (bijvoorbeeld een overheidsbedrijf).

35.5.4. Surseance en ketenaansprakelijkheid

De omstandigheid dat geen winst wordt beoogd en/of feitelijk wordt behaald, leidt op zich bezien niet tot de conclusie dat geen bedrijf wordt uitgeoefend. Publiekrechtelijke lichamen oefenen (behoudens de hierna genoemde uitzonderingen) geen bedrijf uit in de hiervoor bedoelde zin indien en voor zover zij handelen als overheid. Het publiekrechtelijke lichaam handelt ‘als overheid’ als het handelt volgens het specifiek voor hem geldende juridische regime.

Op deze hoofdregel bestaat een tweetal uitzonderingen:

Als het overheidslichaam handelt onder dezelfde juridische voorwaarden als particuliere economische subjecten (bedrijven) en dus niet ‘als overheid’, dan zal het uiteraard steeds kunnen worden aangemerkt als bedrijf. Wat geldt voor publiekrechtelijke lichamen, geldt evenzeer voor publiekrechtelijke instellingen en organen, zoals gemeentelijke grondbedrijven.

35.3.3. De normale bedrijfsuitoefening en eigenbouwerschap

Bij de beoordeling of een werk in de normale uitoefening van het bedrijf wordt uitgevoerd, is uitsluitend van belang wat in het betreffende bedrijf feitelijk gebruikelijk is.

Het is mogelijk dat naast de voortbrenging van producten bestemd voor de markt, het voor het bedrijf gebruikelijk is zelf zijn bedrijfsmiddelen te maken en/of te onderhouden. In dat geval kan dus sprake zijn van eigenbouwerschap met betrekking tot de vervaardiging en/of het onderhoud van de eigen bedrijfsmiddelen.

Als het voor het betreffende bedrijf niet gebruikelijk is eigen bedrijfsmiddelen te vervaardigen, dan leidt het incidenteel vervaardigen van een bedrijfsmiddel niet tot eigenbouwerschap.

Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.

35.8. (Niet-)verwijtbaarheid en ketenaansprakelijkheid

De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 35.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.

Woningcorporaties en andere op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet ‘toegelaten instellingen’ oefenen in beginsel een bedrijf uit. Als voor eigen rekening en risico een nieuwbouwproject wordt uitgevoerd – hetzij voor de verkoop, hetzij voor de verhuur – en het realiseren van een nieuwbouwproject meer dan incidenteel gebeurt, is de corporatie eigenbouwer. De corporatie moet dan een zodanige ervaring en kennis hebben met betrekking tot het bouwen, dat zij door hiervan gebruik te maken feitelijk op dezelfde wijze optreedt als een hoofdaannemer die het gehele werk uitbesteedt.

35.3.6. Gemeentelijke grondbedrijven en eigenbouwerschap

Als een gemeentelijk grondbedrijf door haar verworven stukken grond bouwrijp maakt om deze bijvoorbeeld te verkopen, in erfpacht uit te geven of te verhuren, dan treedt het grondbedrijf met betrekking tot een dergelijke activiteit op als eigenbouwer. Het aanleggen/totstandbrengen van gemeenschapsvoorzieningen door het gemeentelijke grondbedrijf levert geen bedrijfsmatig handelen op (zie artikel 35.3.2 van deze leidraad).

De gemeente treedt in een dergelijk geval op als overheid, hetgeen handelen als eigenbouwer uitsluit.

35.3.7. Winkelbedrijf in de confectiesector en eigenbouwerschap

35.8.2. Wanneer verwijtbaarheid

Hierdoor zal bijvoorbeeld ook het winkelbedrijf onder omstandigheden kunnen worden aangemerkt als eigenbouwer. Het moet dan gaan om voor het winkelbedrijf normale bedrijfsactiviteiten. Bepalend is of het winkelbedrijf het proces in technische of organisatorische zin beheerst. Hiervan zal sprake zijn als het winkelbedrijf normaliter zeer gedetailleerde opdrachten verstrekt en ook in het verdere productieproces een begeleidende/controlerende rol kan vervullen.

Als het winkelbedrijf in de hoedanigheid van opdrachtgever aansprakelijk kan worden gesteld, (zie artikel 35a, aanhef, van deze leidraad) blijft een aansprakelijkstelling op grond van het zogenoemde eigenbouwerschap ex artikel 35, derde lid, onderdeel b, van de wet achterwege.

35.4. Extraterritoriale werking van de ketenaansprakelijkheid

Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonheffingen is verschuldigd, dan is de buitenlandse aannemer daarvoor niet aansprakelijk op grond van artikel 35 van de wet.

35.6. Rechtstreekse storting en ketenaansprakelijkheid

Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger het verhaalde bedrag vanwege het eerdere derdenbeslag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen, als blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag – ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt – als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger, beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van aanneming van werk) tussen de aannemer en de onderaannemer.

35.5.1. Vrijwaring ketenaansprakelijkheid door betaling via de g-rekening

Voor de vrijwaring als bedoeld in artikel 35, vijfde lid, van de wet, moet zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.

35.8.1. Gehele keten moet niet-verwijtbaar zijn

De ontvanger vergelijkt het bedrag van de primaire aansprakelijkheid, verminderd met de vrijwarende stortingen zoals hiervoor is aangegeven, met de uitkomst van de berekening zoals in artikel 35.1 van deze leidraad is toegelicht. In de aansprakelijkstelling gaat de ontvanger uit van de laagste van de twee uitkomsten.

35.5.2. Ketenaansprakelijkheid bij WSNP of faillissement onderaannemer

De ontvanger kan de aannemer ook aansprakelijk stellen voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de onderaannemer op diens g-rekening zijn bijgeschreven, aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. De bedragen die na faillissementsdatum zijn gestort, vallen in de boedel en kunnen niet meer worden afgeboekt op de belastingschuld.

Dit geldt ook voor bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de WSNP. Ook in verband met de afwikkeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement (door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator), vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk plaats na de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement is uitgesproken.

35.5.3. Wanprestatie/onrechtmatig handelen en ketenaansprakelijkheid

De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) van een g-rekeninghouder, als deze bedragen van de g-rekening heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst waardoor het pandrecht van de fiscus is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt, begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.

35.9. Het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid

Er is al sprake van in strijd handelen met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer gepast is, als een g-rekeninghouder bedragen stort of ontvangt terwijl hij wist dat er geen sprake was van aanneming van werk en hij deze bedragen niet heeft teruggestort. De schade bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonheffingen zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd zijn en/of later verschuldigd worden, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.

35.5.4. Surseance en ketenaansprakelijkheid

Zodra de ontvanger bekend is met een surseanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij – binnen een door de ontvanger te stellen termijn – schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surseanceverlening.

35.9. Het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid

De aannemer is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door zijn onderaannemer over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.

35.6.1. Rechtstreekse storting door aannemer

De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de aannemer de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Als mocht blijken dat het in de administratie van de aannemer opgenomen burgerservicenummer van de werknemer onjuist is, zal de aannemer in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.

De aannemer kan de identiteit van de werknemer aantonen door in zijn administratie de volgende gegevens van de werknemer op te nemen:

35.12.3. Verklaring betalingsgedrag en ambtshalve aanslagen

Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger het verhaalde bedrag vanwege het eerdere derdenbeslag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen, als blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag – ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt – als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger, beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van aanneming van werk) tussen de aannemer en de onderaannemer.

35.12.4. Verklaring betalingsgedrag en naheffingsaanslagen

Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende aannemer zelf aangaat, en niet de positie van de inhoudingsplichtige of die van andere aansprakelijken voor de naheffingsaanslag beïnvloedt, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35.5.1 van deze leidraad.

35.8.1. Gehele keten moet niet-verwijtbaar zijn

De aansprakelijkheid op grond van artikel 35, eerste lid, van de wet geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een onderaannemer, als aannemelijk is dat de niet-betaling aan hem noch aan een aannemer is te wijten.

35.11.1. VAR-wuo of VAR-row in plaats van VAR-dga

Niet-verwijtbaarheid wordt in het algemeen naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld; daarbij hangt veel af van de feitelijke omstandigheden. Zo kan van niet-verwijtbaarheid sprake zijn als een ondernemer – hoewel hij de nodige voorzieningen heeft getroffen om eventuele tegenslagen in zijn bedrijf het hoofd te kunnen bieden – toch wordt geconfronteerd met niet te voorziene calamiteiten van zodanige omvang dat hij ondanks zijn voorzorgen niet meer in staat is aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen. Dat kan het gevolg zijn van algemeen geldende omstandigheden zoals een verslechterde economische situatie of uitzonderlijk slechte weersomstandigheden.

35.12.1. Verklaring betalingsgedrag onderaannemer

Zie voor de volgorde van aansprakelijkstelling van de opdrachtgever in de confectiesector, artikel 35a.4 van deze leidraad.

In de navolgende omstandigheden is sprake van verwijtbaarheid tenzij deze omstandigheden aan geen enkele schakel van de keten kunnen worden toegerekend:

35.9. Het anoniementarief en ketenaansprakelijkheid

De aannemer is aansprakelijk voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen die met toepassing van het anoniementarief (ex artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964) zijn berekend en door zijn onderaannemer over het werk zijn verschuldigd. Dit geldt ook voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet die zonder toepassing van het maximumpremieloon, respectievelijk het maximumbijdrageloon zijn berekend.

De ontvanger matigt de primaire aansprakelijkheid als:

De ontvanger zal de hoogte van de aansprakelijkstelling niet matigen als blijkt dat de aannemer de voor de matiging vereiste gegevens niet heeft geadministreerd ten tijde van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Als mocht blijken dat het in de administratie van de aannemer opgenomen burgerservicenummer van de werknemer onjuist is, zal de aannemer in de gelegenheid worden gesteld alsnog het juiste burgerservicenummer te overleggen.

35.12.2. Twee soorten verklaringen betalingsgedrag onderaannemer

De administratie moet ook een adequate procedure bevatten aan de hand waarvan de identificatie van de werknemer, de verificatie van het identiteitsbewijs en de vastlegging van de persoonsgegevens plaatsvindt. Deze procedure moet ten minste voldoen aan de bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming, de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming en de Richtsnoeren van de Autoriteit Persoonsgegevens. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van herrekeningsregels. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling, maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepfase. Dit gebeurt aan de hand van de volgende herrekeningsregels.

35.12.4. Verklaring betalingsgedrag en naheffingsaanslagen

De berekening van de verschuldigde premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet vindt plaats alsof de identiteit van de werknemers waarvoor de aannemer om matiging verzoekt op het moment van inhouding vaststond. De uitkomst van die berekening vormt het bedrag waarvoor de aannemer na matiging aansprakelijk gesteld kan worden.

35.12.3. Verklaring betalingsgedrag en ambtshalve aanslagen

Deze ‘tariefmatiging’ – die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag – vindt niet plaats als de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer met anoniem personeel werkte. De beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft daardoor achterwege.

De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de loonheffingenschuld die is ontstaan vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zal (kunnen) worden afgedragen.

De aannemer is ook aansprakelijk voor de loonheffingen die verschuldigd zijn als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonheffingen niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonheffingen die als gevolg van dit ‘voor eigen rekening nemen’ verschuldigd zijn, worden aangemerkt als ‘belasting ter zake van het werk’.

Als de ontvanger (ten onrechte) een schone verklaring heeft afgegeven, op het moment waarop nog formeel verschuldigde loonheffingen openstaan waartegen geen bezwaar- of een (hoger) beroepschrift is ingediend en waarvoor geen betalingsregeling is getroffen, wordt voor die loonheffingenschuld de aannemer niet aansprakelijk gesteld.

35.12.7. Beslistermijn verzoek betalingsgedrag

Zie voor de volgorde van aansprakelijkstelling van de opdrachtgever in de confectiesector, artikel 35a.4 van deze leidraad.

35.11.1. VAR-wuo of VAR-row in plaats van VAR-dga

Als de ontvanger (ten onrechte) een schone verklaring heeft afgegeven, op het moment waarop nog formeel verschuldigde loonheffingen openstaan waartegen geen bezwaar- of een (hoger) beroepschrift is ingediend en waarvoor geen betalingsregeling is getroffen, wordt voor die loonheffingenschuld de aannemer niet aansprakelijk gesteld.

35.12.1. Verklaring betalingsgedrag onderaannemer

Op verzoek kan de ontvanger een verklaring afgeven over het betalingsgedrag van de onderaannemer met wie de aannemer een contract wil sluiten. De verklaring die de ontvanger afgeeft, heeft alleen betrekking op de formeel verschuldigde loonheffingen.

De verklaring geeft geen garantie dat:

De ontvanger geeft geen verklaring af als:

Er zijn twee soorten verklaringen betalingsgedrag onderaannemer:

35.12.9. Nieuwe ondernemer en verklaring betalingsgedrag

De voorbehoudverklaring geeft de ontvanger af als de volgens aangifte verschuldigde loonheffingen en ook de nageheven loonheffingen zijn voldaan:

35.12.3. Verklaring betalingsgedrag en ambtshalve aanslagen

Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de betrokken onderaannemer in de afgelopen vijf jaar heeft verzuimd aangifte te doen, tengevolge waarvan ambtshalve één of meer naheffingsaanslagen naar geschatte bedragen zijn opgelegd, dan wordt de gevraagde verklaring – ook al zijn die naheffingsaanslagen betaald – afgegeven nadat de onderaannemer alsnog opgaaf heeft gedaan van de volgens hem verschuldigde belasting. Als door de opgaaf een naheffingsaanslag wordt opgelegd, geeft de ontvanger de verklaring af als is voldaan aan de eisen voor het afgeven van een verklaring zoals vermeld in artikel 35.12.2 van de Leidraad.

35.12.4. Verklaring betalingsgedrag en naheffingsaanslagen

Als de ontvanger ervan op de hoogte is dat de inspecteur van plan is binnen afzienbare tijd één of meer naheffingsaanslagen op te leggen, dan blijft het verzoek buiten behandeling tot die naheffingsaanslagen zijn opgelegd. De verklaring wordt slechts afgegeven wanneer alsnog is voldaan aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot de afgifte van een verklaring inzake het betalingsgedrag. De ontvanger deelt de reden van de opschorting schriftelijk aan de onderaannemer mee.

35.12.5. Verklaring betalingsgedrag en bezwaar of (hoger) beroep tegen naheffingsaanslagen

De ontvanger zal in geval van bezwaar, beroep en hoger beroep, slechts een schone verklaring afgeven als de inhoudingsplichtige de naheffingsaanslag(en) betaalt of tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid verstrekt aan de ontvanger bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie. Eén en ander in afwachting van een onherroepelijke uitspraak met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag(en). Ook vermeldt de ontvanger dat de onderaannemer voor deze belastingaanslagen zekerheid heeft gesteld.

Als het bedrijf echter gedurende langere tijd wordt voortgezet en de curator of bewindvoerder om een verklaring verzoekt, geeft de ontvanger een verklaring af.

Artikel 35a. Opdrachtgeversaansprakelijkheid

Als de ontvanger (ten onrechte) een schone verklaring heeft afgegeven, op het moment waarop nog formeel verschuldigde loonheffingen openstaan waartegen geen bezwaar- of een (hoger) beroepschrift is ingediend en waarvoor geen betalingsregeling is getroffen, wordt voor die loonheffingenschuld de aannemer niet aansprakelijk gesteld.

35.12.7. Beslistermijn verzoek betalingsgedrag

De ontvanger behandelt verzoeken met spoed; hij streeft er naar op een verzoek binnen een week na ontvangst te beslissen.

Voor het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij de Wet op de loonbelasting 1964.

De ontvanger geeft geen verklaring af als:

De weigering een verklaring af te leggen gebeurt bij beschikking; deze wordt bekendgemaakt onder vermelding waarom niet kan worden overgegaan tot afgifte van een verklaring.

35.12.9. Nieuwe ondernemer en verklaring betalingsgedrag

Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract, kan de ontvanger geen verklaring afgeven als nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat hij de gevraagde verklaring nog niet kan afgeven omdat nog niet eerder loonheffingen hoefden te worden afgedragen.

36.2. Gegevensverstrekking aan de curator en bestuurdersaansprakelijkheid

De Belastingdienst verstrekt desgevraagd aan de curator in het faillissement van een vennootschap – als bedoeld in de artikelen 2:50a, 2:138, 2:248 of 2:300a BW – gegevens over de bestuurders van deze vennootschap als deze gegevens worden verzocht in het kader van:

36.2. Gegevensverstrekking aan de curator en bestuurdersaansprakelijkheid

De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven gebeurt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de zzp-er dat hij geen verklaring inzake betalingsgedrag kan verstrekken omdat de zzp-er op grond van de gegevens die voorhanden zijn op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus geen loonheffingen hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen zzp-er is, en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.

35.12.11. Curator/bewindvoerder en verklaring betalingsgedrag

De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de loonheffingenschuld die is ontstaan vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zal (kunnen) worden afgedragen.

Als het bedrijf echter gedurende langere tijd wordt voortgezet en de curator of bewindvoerder om een verklaring verzoekt, geeft de ontvanger een verklaring af.

Artikel 35a. Opdrachtgeversaansprakelijkheid

In aansluiting op artikel 35a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten.

Voor de toepassing van artikel 35a van de wet moet het verstrekken van een opdracht tot het vervaardigen van kleding buiten dienstbetrekking gebeuren.

36.1. Samenloop met bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement

Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de koper van de bestaande zaak in beginsel niet direct aansprakelijk wordt gesteld, maar dat hij pas in laatste instantie wordt aangesproken, omdat de kopersaansprakelijkheid het karakter van een uiterst middel heeft.

Artikel 36. Bestuurdersaansprakelijkheid

De voorwaarde dat de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden moet plaatsvinden in de normale uitoefening van het bedrijf, sluit tevens uit dat particulieren die een opdracht verstrekken tot de vervaardiging van kleding in de ketenaansprakelijkheid worden betrokken.

35a.3. Reikwijdte opdrachtgeversaansprakelijkheid

De aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector heeft uitsluitend betrekking op de verschuldigde loonheffingen over een werk inhoudende de vervaardiging van kleding en elke daarop gerichte handeling.

Omdat ook de bestuurdersaansprakelijkheid van artikel 36 van de wet gericht is op kennelijk onbehoorlijk bestuur, kunnen in bepaalde gevallen beide regelingen van toepassing zijn. In dat geval moet er naar worden gestreefd om slechts één van de regelingen toe te passen.

36.5.4. Termijn melding betalingsonmacht

Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de opdrachtgever in beginsel niet direct aansprakelijk wordt gesteld, maar dat eerst de aannemer aansprakelijk zal worden gesteld die rechtstreeks met de in gebreke gebleven onderaannemer een contract heeft gesloten, en daarna de aannemer die in de keten de minst ver verwijderde schakel vormt.

De opdrachtgever zal pas in laatste instantie worden aangesproken, omdat de opdrachtgeversaansprakelijkheid het karakter van een uiterst middel heeft.

Artikel 35b. Aansprakelijkheid van een koper van een bestaande zaak

In aansluiting op artikel 35b van de wet beschrijft dit artikel het beleid over:

35b.1. Kopersaansprakelijkheid en vrijwaring

De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in artikel 35a van de wet.

Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)