Besluit van 5 juli 2008 houdende regels ter uitvoering van de Algemene douanewet (Algemeen douanebesluit)

Type AMvB
Publication 2025-05-10
State In force
Source BWB
artikelen 35
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de staatssecretaris van Financiën van 8 februari 2008, nr. DV2007/103 M, gedaan mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 1:4, 1:19, 1:25, 1:28, 1:30, 3:1, 4:1, 9:5, 10:10 en 12:1 van de Algemene douanewet;

De Raad van State gehoord 10 april 2008, nr. W06.08.0054/III;

Gezien het nader rapport van de staatssecretaris van Financiën van 2 juli 2008, nr. DV 2008-332U, uitgebracht mede namens Onze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de staatssecretaris van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1

Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1:4, 1:19, 1:23h, 1:25, 1:28, 1:30, 3:1, 3:4, 4:1, 9:5, 10:10 en 12:1 van de Algemene douanewet.

Afdeling 1.1. Internationaal recht

Artikel 1:2

De inspecteur neemt van het op 10 december 1982 te Montego Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) bij de douanecontrole in acht:

Artikel 1:3

Onze minister van Financiën kan aan organisaties de bevoegdheid verlenen, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van soortgelijke organisaties, carnets TIR (TIR-Overeenkomst) af te geven of in dat kader borg te staan. Hij kan daarbij voorwaarden en eisen stellen waaraan deze organisaties moeten voldoen.

Afdeling 1.2. Kosten ambtelijke werkzaamheden

Artikel 1:4

Kosten zijn verschuldigd:

Afdeling 1.2a. Verwerking persoonsgegevens bij het gebruik van camera’s

Artikel 1:5

1.

De ambtenaar, bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, van de Algemene douanewet, vermeldt in een schriftelijk verslag de redenen voor het geven van de toestemming over te gaan tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam.

2.

Na afloop van de lijfsvisitatie waarbij overgegaan is tot gehele ontkleding dan wel onderzoek van het onderlichaam vult degene die de lijfsvisitatie uitvoert, binnen 48 uur het schriftelijke verslag aan met vermelding van de wijze waarop de lijfsvisitatie is verricht en de resultaten van de lijfsvisitatie. Hij doet dit verslag toekomen aan de inspecteur, en in het geval dat een verpleegkundige het onderzoek van het onderlichaam verricht, doet hij een afschrift toekomen aan de arts die daartoe opdracht heeft gegeven.

3.

Op de besloten plaats waar de lijfsvisitatie plaatsvindt waarbij wordt overgegaan tot gehele ontkleding dan wel het onderzoek van het onderlichaam, wordt degene die de lijfsvisitatie uitvoert slechts vergezeld door de ambtenaar, bedoeld in artikel 1:28, zesde lid, van de Algemene douanewet. Hiervan kan worden afgeweken indien deze ambtenaar een redelijk vermoeden heeft dat de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen een gevaar oplevert voor de veiligheid van zichzelf of van anderen.

4.

Apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken, mag op een niet besloten plaats worden gebruikt, mits de beelden op een besloten plaats worden geanalyseerd. De persoon die de beelden analyseert, hoeft niet van hetzelfde geslacht te zijn als dat van de persoon die aan lijfsvisitatie wordt onderworpen.

5.

Bij regeling van Onze minister van Financiën kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de apparatuur waarmee door kleding van personen wordt gekeken en het gebruik daarvan.

Afdeling 1.4. Gebruik geweld en veiligheidsfouillering

Artikel 1:6

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 1:7

1.

Indien een ambtenaar onder leiding van een ter plaatse aanwezige meerdere optreedt, oefent hij geen geweld uit dan na uitdrukkelijke last van deze meerdere. De meerdere geeft daarbij aan welk middel mag worden aangewend.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing in het geval de meerdere, bedoeld in het eerste lid, vooraf anders heeft bepaald.

Artikel 1:8

1.

De ambtenaar wendt bij de uitoefening van zijn dienst uitsluitend het geweldsmiddel aan dat door of vanwege Onze minister wie het aangaat is verstrekt.

2.

Het aanwenden van een geweldsmiddel is uitsluitend toegestaan aan een ambtenaar die in het gebruik van dat geweldsmiddel is geoefend en is uitgerust met een geweldsmiddel in het kader van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar.

Artikel 1:9

Het aanwenden van een geweldsmiddel door de ambtenaar is slechts geoorloofd om een persoon aan de kleding te onderzoeken ten aanzien van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een wapen bij zich heeft. Het onderzoek aan de kleding moet noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bedoelde persoon gebruik gaat maken van het wapen.

Artikel 1:10

De ambtenaar mag in verband met zijn eigen veiligheid of die van anderen slechts een geweldsmiddel ter hand nemen indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat waarin hij bevoegd is het geweldsmiddel aan te wenden. Zodra blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordoet, wordt het geweldsmiddel terstond opgeborgen.

Artikel 1:11

1.

De ambtenaar waarschuwt onmiddellijk voordat hij gericht een geweldsmiddel zal gebruiken, met luide stem of op andere niet mis te verstane wijze dat het desbetreffende geweldsmiddel gebruikt zal worden indien niet onverwijld het gegeven bevel wordt opgevolgd.

2.

De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, die in het geval van een vuurwapen zonodig vervangen kan worden door een waarschuwingsschot, blijft slechts achterwege, wanneer de omstandigheden de waarschuwing niet toelaten.

3.

Een waarschuwingsschot wordt op zodanige wijze gegeven dat gevaar voor personen of zaken zoveel mogelijk wordt vermeden.

Artikel 1:12

1.

Pepperspray wordt tegen een persoon per geval ten hoogste twee maal voor de duur van niet langer dan ongeveer een seconde gebruikt en op een afstand van ten minste een meter.

2.

Pepperspray wordt niet gebruikt tegen:

Artikel 1:13

1.

De ambtenaar die geweld heeft aangewend, meldt dit aanwenden van het geweld, de redenen die daartoe hebben geleid en de daaruit voortvloeiende gevolgen onverwijld aan de hulpofficier van justitie die krachtens aanwijzing is belast met de registratie van aangewend geweld.

2.

De melding, bedoeld in het eerste lid, geschiedt binnen 48 uur in de vorm van een schriftelijk rapport indien:

3.

Het rapport, bedoeld in het tweede lid, wordt ter kennis gebracht van de officier van justitie van het arrondissement waarbinnen het geweld dan wel in voorkomend geval het geweldsmiddel is aangewend.

4.

Indien het aanwenden van geweld dan wel een geweldsmiddel op uitdrukkelijke last van een meerdere heeft plaatsgevonden, wordt het rapport, bedoeld in tweede lid, door die meerdere opgemaakt.

5.

De hulpofficier van justitie licht de ambtenaar zo spoedig mogelijk in over de afhandeling van het rapport, bedoeld in het tweede lid. Desgevraagd worden aan bedoelde ambtenaar tussentijds inlichtingen verstrekt.

Artikel 1:14

1.

Het onderzoek, bedoeld in artikel 1:30, derde lid, van de Algemene douanewet, geschiedt door het aan de oppervlakte aftasten van de kleding.

2.

De ambtenaar die een onderzoek als bedoeld in artikel 1:30, derde lid, van de Algemene douanewet, heeft uitgevoerd, meldt dit schriftelijk binnen 48 uur aan zijn meerdere, onder vermelding van de redenen die tot dat onderzoek hebben geleid en de uit het onderzoek voortvloeiende gevolgen en resultaten.

Hoofdstuk 2. Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen

Artikel 2:1

1.

Bij regeling van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kunnen ter uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen non-tarifaire handelspolitieke maatregelen worden gesteld inzake goederen met betrekking tot:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op producten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

3.

Het eerste lid geldt niet voor Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (PbEG 2000, L 159).

Artikel 2:2

1.

Bij regeling van Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kunnen regels worden gesteld met betrekking tot van in het internationale verkeer te bezigen verklaringen inzake de oorsprong van goederen.

2.

Onze Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kan bij regeling bestuursorganen aanwijzen die met het verstrekken van deze verklaringen zijn belast.

Hoofdstuk 3. Landbouwproducten

Artikel 3:1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en voor de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 3:2

1.

Het is verboden landbouwproducten in te voeren of uit te voeren zonder invoercertificaat onderscheidenlijk uitvoercertificaat, voor zover een EU-verplichting de overlegging van een invoercertificaat of uitvoercertificaat bij de invoer onderscheidenlijk de uitvoer van landbouwproducten vereist.

2.

Onze minister is bevoegd tot verlening van een invoercertificaat en een uitvoercertificaat.

3.

Bij regeling van Onze minister kunnen, voor zover het voor een goede uitvoering van een EU-verplichting nodig is, regels worden gesteld met betrekking tot het afgeven van een invoercertificaat en een uitvoercertificaat.

Artikel 3:3

Onze minister is bevoegd:

Artikel 3:4

Vervallen

Hoofdstuk 4. Administratie

Artikel 4:1

De vergunninghouder aan wie een vergunning is verleend ingevolge de douanewetgeving, die zodanige wijziging wenst aan te brengen in de door hem gevoerde administratie dan wel de administratieve organisatie of de maatregelen van interne beheersing of controle, dat daardoor de wijze waarop de douanecontrole op het gebruik van de vergunning wordt uitgeoefend, wordt beïnvloed, onderwerpt de wijziging vooraf aan de goedkeuring van de inspecteur. De wijziging wordt niet aangebracht dan na de verkregen goedkeuring.

Hoofdstuk 5. Vrije zones en vrije entrepots

Artikel 5:1

Als waardevolle goederen als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene douanewet worden aangemerkt:

Hoofdstuk 6. Bestuurlijke boeten

Artikel 6:1

Vervallen

Artikel 6:2

Indien niet aan de bij artikel 4:1 opgelegde verplichting is voldaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 408.

Artikel 6:3

Overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, vormt een verzuim ter zake waarvan door de inspecteur een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste € 408.

Hoofdstuk 7. Strafrechtelijke bepalingen

Artikel 7:1

Vervallen

Artikel 7:2

Degene die de bij artikel 4:1 opgelegde verplichting schendt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Artikel 7:3

Degene die het verbod, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, overtreedt, maakt zich schuldig aan het plegen van een strafbaar feit.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8:1

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Algemene douanewet in werking treedt.

Artikel 8:2

Dit besluit wordt aangehaald als: Algemeen douanebesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 6:4

De in de artikelen 6:2 en 6:3 genoemde bedragen worden elke vijf jaar, met ingang van 1 januari 2015, overeenkomstig artikel 9:6a van de Algemene douanewet, bij ministeriële regeling gewijzigd.

Hoofdstuk 6. Bestuurlijke boeten

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3:5

Vervallen

Hoofdstuk 4. Administratie

Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen

Hoofdstuk 4. Administratie

Hoofdstuk 7. Strafrechtelijke bepalingen

Hoofdstuk 7. Strafrechtelijke bepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1:4a

De overeenkomst, bedoeld in artikel 1:23a, zesde lid, van de Algemene douanewet, niet zijnde een overeenkomst als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119), regelt in ieder geval:

Artikel 1:4b

De inspecteur legt vast:

Artikel 1:4c

1.

Het cameraplan, bedoeld in artikel 1:23g, vijfde lid, van de Algemene douanewet, geeft inzicht in de camera’s die de inspecteur gebruikt waarbij persoonsgegevens kunnen worden verwerkt en beschrijft:

2.

Het cameraplan ziet op zowel eigen camera’s als die van personen of instellingen die geen inspecteur of ontvanger zijn.

Afdeling 1.3. Lijfsvisitatie

Afdeling 1.4. Gebruik geweld en veiligheidsfouillering

Hoofdstuk 2. Non-tarifaire handelspolitieke maatregelen

Hoofdstuk 3. Landbouwproducten

Hoofdstuk 5. Verboden en beperkingen

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)