Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 433
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Onze Minister kan daarnaast een aanvraag afwijzen als de aanvraag niet uitgaat van een voorstel als bedoeld in artikel 2.31, derde lid.

Artikel 2.33
1.

Onze Minister trekt een erkenning of een voorlopige erkenning in als een instelling niet meer voldoet aan de artikelen 2.24, 2.24a, 2.25, eerste lid, onderdeel d, of 2.26, eerste lid, onderdelen f en g, dan wel niet voldoet aan artikel 2.25, eerste lid, onderdeel c, of 2.26, eerste lid, onderdeel c.

2.

Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als het Commissariaat aan de instelling binnen een jaar ten minste twee maal een bestuurlijke sanctie als bedoeld in titel 7.2 heeft opgelegd wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

3.

Onze Minister kan een erkenning of voorlopige erkenning daarnaast intrekken als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde lid, is vastgesteld dat de instelling onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b. Artikel 2.31, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin voorziet in het tijdstip met ingang waarvan de erkenning of voorlopige erkenning wordt ingetrokken. Dit tijdstip is niet later dan één jaar na de bekendmaking van het besluit, bedoeld in de eerste volzin.

4.

Onze Minister kan op verzoek van de raad van bestuur een erkenning of voorlopige erkenning intrekken als:

Artikel 2.34
1.

De omroeporganisaties zijn verplicht gedurende de erkenningperiode media-aanbod te verzorgen, waaronder in elk geval radio- en televisieprogramma’s.

2.

Het media-aanbod van een omroeporganisatie weerspiegelt de identiteit en missie van die organisatie zoals die in de statuten zijn omschreven. Een omroeporganisatie rapporteert hierover jaarlijks in haar bestuursverslag.

Afdeling 2.2.3. Nederlandse Programma Stichting

Artikel 2.35
1.

De Stichting NTR heeft tot taak media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst te verzorgen dat voorziet in de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit media-aanbod samen met het media-aanbod van de andere landelijke publieke media-instellingen een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk media-aanbod als bedoeld in het eerste lid in ieder geval door de NTR wordt verzorgd.

3.

De NTR heeft eveneens tot taak het voor de landelijke publieke mediadienst verzorgen van een breed en samenhangend educatief media-aanbod op het gebied van onderwijs, scholing en vorming.

4.

De raad van bestuur kan de NTR belasten met het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in artikel 2.54, tweede lid.

Artikel 2.36
1.

De raad van toezicht van de NTR bestaat uit vijf of zeven leden die op zwaarwegende voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.

2.

De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

3.

Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

4.

De raad van toezicht wordt zodanig samengesteld dat bestuurlijke ervaring en deskundigheid op de terreinen die relevant zijn voor het media-aanbod dat de NTR verzorgt, aanwezig zijn.

5.

Bij een vacature draagt de raad van toezicht zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het eerste lid. In elk geval het opstellen en het openbaar maken van profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel zijn onderdeel van die procedure.

6.

De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.

7.

Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:

Artikel 2.37
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NTR is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht kunnen gezamenlijk worden ontslagen, als bij de tweede evaluatie, bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid, is vastgesteld dat de NTR onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.35. In geval van een ontslag als bedoeld in de eerste volzin benoemt Onze Minister de leden van de nieuwe raad van toezicht.

5.

De leden van de raad van toezicht ontvangen van de NTR een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.38

De statuten van de NTR regelen de instelling van een adviesraad die de algemeen directeur adviseert over het media-aanbod van de NTR.

Artikel 2.39
1.

De NTR verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de NTR.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de NTR voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.40
1.

De NTR stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag vast over het afgelopen kalenderjaar.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de NTR, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkzaamheden in het bijzonder.

3.

De NTR zendt het bestuursverslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.41
1.

Wijzigingen in de statuten van de NTR behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht en de algemeen directeur kunnen niet besluiten tot ontbinding van de NTR.

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Artikel 2.42

Vervallen

Artikel 2.43

Vervallen

Artikel 2.44

Vervallen

Artikel 2.45

Vervallen

Artikel 2.46

Vervallen

Artikel 2.47

Vervallen

Artikel 2.48

Vervallen

Artikel 2.49

Vervallen

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Artikel 2.50

Gedurende de concessieperiode, bedoeld in artikel 2.19, wordt:

Artikel 2.51
1.

Het media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen en de Ster wordt uitsluitend verspreid via een aanbodkanaal als bedoeld in artikel 2.20, tweede lid, onder b en c, waarvoor Onze Minister instemming heeft verleend als bedoeld in artikel 2.21, derde lid.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.21a.

Artikel 2.52

Bij de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen kan de raad van bestuur voorstellen voor programma’s toetsen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147, en neemt zij artikel 2.88 in acht.

Artikel 2.53
1.

De raad van bestuur verzorgt de plaatsing van het media-aanbod van de landelijke publieke media-instellingen en de Ster op de aanbodkanalen.

2.

De raad van bestuur kan de plaatsing op de aanbodkanalen herzien:

Artikel 2.54
1.

De raad van bestuur zorgt er in het kader van de coördinatie voor dat het media-aanbod op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst past binnen de kaders van artikel 2.1, het concessiebeleidsplan en de profielen van de aanbodkanalen en voldoet aan de artikelen 2.115, 2.116 en 2.119 tot en met 2.123, alsmede dat de landelijke publieke media-instellingen beschikken over ruimte op de aanbodkanalen die nodig is om media-aanbod dat is vervaardigd met de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder a tot en met d, te kunnen plaatsen.

2.

De raad van bestuur kan het initiatief nemen tot het verzorgen van media-aanbod door een landelijke publieke media-instelling op basis van een voorstel dat niet afkomstig is van de NPO of een landelijke publieke media-instelling.

3.

Bij het verzorgen van media-aanbod als bedoeld in het tweede lid neemt de landelijke publieke media-instelling de afspraken in acht die de raad van bestuur over het media-aanbod heeft gemaakt met de partij van wie het voorstel afkomstig is.

Artikel 2.55
1.

De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de landelijke publieke media-instellingen afspraken tot stand komen over de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod, de publieksbetrokkenheid en het publieksbereik op de aanbodkanalen en over de wederzijdse inspanningen daarvoor.

2.

De instellingen:

3.

Het tweede lid is ook van toepassing op het media-aanbod dat omroepverenigingen die vertegenwoordigd zijn in een samenwerkingsomroep in eerdere erkenningperiodes hebben verzorgd.

Artikel 2.56
1.

Voor de coördinatie en ordening op en tussen de aanbodkanalen van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst wordt de raad van bestuur bijgestaan door een redactie, die als volgt is samengesteld:

2.

Het lidmaatschap van een redactie is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van de NPO, een landelijke publieke media-instelling of een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.

Artikel 2.57

Een regeling voor de coördinatie en ordening van het media-aanbod als bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, regelt in elk geval:

Artikel 2.58
1.

De NPO stuurt jaarlijks vóór 1 juni aan het Commissariaat en Onze Minister een verslag over het afgelopen kalenderjaar met daarin in elk geval:

2.

Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid, onderdeel f.

Artikel 2.59
1.

De landelijke publieke media-instellingen en de Ster verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de NPO, de raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht en de raad van bestuur redelijkerwijs nodig is. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

2.

De raad van bestuur en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de NPO kunnen inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de landelijke publieke media-instellingen, de Ster en de omroepverenigingen die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd zijn.

Artikel 2.60
1.

Onverminderd artikel 2.88, eerste lid, zijn de regelingen, bedoeld in artikel 2.10, tweede lid, onderdeel c, en de overige besluiten die de raad van bestuur of de door hem gemandateerden nemen in de uitoefening van hun taken, bindend voor de landelijke publieke media-instellingen en de Ster, voor zover die regelingen en besluiten hen aangaan.

2.

De raad van bestuur ziet er op toe dat de regelingen en besluiten worden nageleefd.

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Aanwijzing

Artikel 2.61
1.

Voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf.

2.

Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking instellingen die:

3.

Aanwijzing geschiedt nadat provinciale staten hebben dan wel de gemeenteraad heeft geadviseerd over de vraag of de instelling aan de eisen, bedoeld in het tweede lid, voldoet.

Artikel 2.62
1.

Er kan per provincie één regionale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen in de provincie Zuid-Holland twee regionale publieke media-instellingen worden aangewezen.

Artikel 2.63
1.

Als meer dan één lokale instelling in een gemeente aan de eisen, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, voldoet, bevordert het college van burgemeester en wethouders voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is het samengaan van die instellingen.

2.

Er kan per gemeente slechts één lokale publieke media-instelling worden aangewezen, waarbij het Commissariaat acht slaat op alle factoren die voor het functioneren van de instelling van belang kunnen zijn.

Artikel 2.64
1.

Een instelling die de publieke mediaopdracht wil uitvoeren voor meer dan één provincie of gemeente, wordt alleen dan voor dat gebied aangewezen, als provinciale staten of de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten het in artikel 2.61, derde lid bedoelde advies gezamenlijk hebben uitgebracht.

2.

Het Commissariaat stelt provinciale staten en de gemeenteraden van de desbetreffende provincies of gemeenten in kennis van een aanvraag van een instelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.65
1.

Een aanwijzing als regionale publieke media-instelling geschiedt op aanvraag, geldt voor de duur van vijf jaar, die begint met ingang van de concessie, bedoeld in artikel 2.60k, dan wel met ingang van het zesde jaar van die concessie, en daarna van rechtswege vervalt.

2.

Een aanwijzing als lokale publieke media-instelling geschiedt op aanvraag, geldt voor vijf jaar en vervalt daarna van rechtswege.

3.

Zonodig wijst het Commissariaat de dagen waarop en de uren waarin programma-aanbod van regionale en lokale mediadiensten wordt uitgezonden op de voor de regionale dan wel lokale publieke mediadiensten beschikbare ruimte op een omroepzender.

Artikel 2.66
1.

Provinciale staten brengen dan wel de gemeenteraad brengt tijdens de aanwijzingsperiode ten minste eenmaal aan het Commissariaat advies uit over de vraag of een aangewezen regionale of lokale publieke media-instelling naar hun of zijn mening nog voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

2.

Als tijdens de aanwijzingsperiode bij het Commissariaat ernstige twijfel bestaat of de regionale of lokale publieke media-instelling nog aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid, voldoet, kan hij een tussentijds advies vragen.

Artikel 2.67
1.

Het Commissariaat trekt een aanwijzing in, als de desbetreffende regionale of lokale publieke media-instelling niet meer voldoet aan de eisen van artikel 2.61, tweede lid.

2.

Het Commissariaat trekt de aanwijzing van een regionale of lokale publieke media-instelling die niet meer voldoet aan artikel 2.61, tweede lid, onderdelen b of c, pas in nadat de desbetreffende media-instelling gedurende vier maanden, gerekend van de dag waarop het desbetreffende feit is geconstateerd, in de gelegenheid is gesteld opnieuw aan dit vereiste te voldoen en zij daarin niet is geslaagd.

Artikel 2.68
1.

Een aanwijzing kan door het Commissariaat worden ingetrokken als:

2.

Het Commissariaat beslist pas over intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel a, nadat hij gedeputeerde staten respectievelijk het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende provincie of gemeente in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door het Commissariaat te stellen redelijke termijn hun zienswijze te geven.

3.

Het uitblijven van een zienswijze binnen de gestelde termijn staat aan het nemen van een beslissing door het Commissariaat niet in de weg.

Artikel 2.69

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Artikel 2.70

Het programma-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal:

Artikel 2.71
1.

Een lokale publieke media-instelling kan met de regionale publieke media-instelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst sluiten.

2.

De overeenkomst wordt overgelegd aan het Commissariaat.

3.

Bij een samenwerkingsovereenkomst voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel 2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst:

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Artikel 2.72
1.

Het media-aanbod van de regionale publieke media-instellingen wordt uitsluitend verspreid via:

2.

Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing op media-aanbod als bedoeld in artikel 2.60m1.

Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep

Artikel 2.73
1.

De raad van bestuur kan media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat daarvoor door die media-instelling met voldoende gebruiksrechten beschikbaar is gesteld plaatsen op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst.

2.

Op het eerste lid zijn de artikelen 2.52, 2.53, 2.54, eerste lid, 2.57, 2.58, 2.59, eerste lid, en 2.60 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

3.

Op media-aanbod van een regionale publieke media-instelling dat is geplaatst op een aanbodkanaal van de landelijke publieke mediadienst zijn de regels over reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.74
1.

Het aanbodkanaal, bedoeld in artikel 2.50, aanhef en onder b, is mede bestemd voor de catch-up van de programma’s op de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst.

2.

Een regionale publieke media-instelling kan voor plaatsing op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar stellen een programma als bedoeld in het eerste lid:

3.

In afwijking van artikel 2.73, eerste lid, plaatst de raad van bestuur een programma dat tijdig beschikbaar is gesteld met toepassing van het tweede lid op het aanbodkanaal, bedoeld in het eerste lid.

4.

In afwijking van artikel 2.73, tweede lid, is op het derde lid uitsluitend artikel 2.59, eerste lid, zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.75

Vervallen

Artikel 2.76

Vervallen

Artikel 2.77

Vervallen

Artikel 2.78

Vervallen

Artikel 2.79

Vervallen

Artikel 2.80

Vervallen

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod

Artikel 2.81

Vervallen

Artikel 2.82

Vervallen

Artikel 2.83

Vervallen

Paragraaf 2.4.1. Taken

Artikel 2.84

Vervallen

Artikel 2.85

Vervallen

Artikel 2.86

Vervallen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.87

Vervallen

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid

Artikel 2.88
1.

De publieke media-instellingen bepalen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door hen verzorgde media-aanbod en zijn daar verantwoordelijk voor.

2.

De publieke media-instellingen brengen in overeenstemming met hun werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het media-aanbod een redactiestatuut tot stand.

3.

Het redactiestatuut bevat de journalistieke rechten en plichten van de werknemers, waaronder in elk geval:

4.

De NTR en omroeporganisaties, waaraan omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, de verzorging van hun media-aanbod hebben opgedragen, dragen ervoor zorg dat de verantwoordelijkheid van die omroepverenigingen in de samenwerking is gewaarborgd.

5.

Een publieke media-instelling neemt passende maatregelen om te voorkomen dat het aanbod van haar mediadiensten aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de gronden genoemd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, of uitlokt tot het plegen van een terroristisch misdrijf.

6.

De publieke media-instellingen nemen in hun jaarverslag een reflectie op over de wijze waarop de journalistieke deontologie in acht is genomen en hoe het eigen redactiestatuut is gerespecteerd.

Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.89
1.

Tenzij dit bij of krachtens deze wet is toegestaan, bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen vermijdbare uitingen zijn toegestaan en wanneer uitingen onvermijdbaar zijn.

Artikel 2.90

Behoudens toestemming van het Commissariaat bevat het media-aanbod van de publieke mediadiensten geen oproepen in het kader van ledenwerving, andere verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten als bedoeld in afdeling 2.5.6.

Artikel 2.91
1.

In het media-aanbod van de publieke mediadiensten mogen reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden worden opgenomen.

2.

Reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, in het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst worden uitsluitend verzorgd door de Ster.

3.

De Ster kan op verzoek van regionale en lokale publieke media-instellingen reclame- en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting daarvan, verzorgen die worden opgenomen in het media-aanbod van die instellingen.

Artikel 2.92
1.

De Ster en de regionale en lokale publieke media-instellingen die reclame- of telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zijn aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

2.

Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 2.93

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de financiën die betrekking hebben op de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadiensten.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Artikel 2.94
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen zijn door akoestische of visuele middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.

2.

Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

3.

Het televisieprogramma-aanbod bevat voorts geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:

4.

Het derde lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op radioprogramma-aanbod.

Artikel 2.95
1.

Het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen in het programma-aanbod bedraagt:

2.

Ten hoogste een derde van de tijd die wordt gebruikt voor reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod wordt gebruikt voor omlijsting.

Artikel 2.96
1.

Reclame- en telewinkelboodschappen in het programma-aanbod worden zodanig geplaatst dat zij:

2.

Telewinkelboodschappen in het programma-aanbod duren elk ten hoogste één minuut en een blok als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat voor ten hoogste tweederde van de duur uit telewinkelboodschappen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden over de plaatsing van reclame- en telewinkelboodschappen in en rond programma-aanbod dat in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan twaalf jaar.

4.

Rond televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst dat in het bijzonder is bestemd voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of telewinkelboodschappen geplaatst.

Artikel 2.97
1.

In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als:

2.

In programma’s van kerkelijke of geestelijke aard en in programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.

Artikel 2.98
1.

De artikelen 2.94 tot en met 2.97 zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten. Wat betreft de toepassing van artikel 2.96, eerste lid, onderdeel a, geldt de vorige volzin uitsluitend voor het overige media-aanbod met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud.

2.

In afwijking van het eerste lid bevat het media-aanbod met beeldinhoud, al dan niet mede met geluidsinhoud, van mediadiensten op aanvraag van de landelijke publieke mediadienst geen reclame- of telewinkelboodschappen.

Paragraaf 2.4.2. Organisatie

Artikel 2.99

De Stichting Etherreclame heeft tot taak het verzorgen van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst en, op verzoek, voor de regionale en lokale publieke mediadiensten dat bestaat uit reclame- en telewinkelboodschappen die zijn aangeboden door derden, inclusief omlijsting daarvan.

Artikel 2.100
1.

Het bestuur van de Ster bestaat uit ten hoogste drie leden, die door de raad van toezicht van de Ster worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2.

Artikel 2.99d, eerste lid, aanhef en onder b tot en met g, is van overeenkomstige toepassing op het lidmaatschap van het bestuur van de Ster.

3.

Het bestuur is in dienst van de Ster. De raad van toezicht stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast.

Artikel 2.101
1.

Benoeming van de leden van het bestuur van de Ster geschiedt voor een periode van vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

Artikel 2.102
1.

De Ster verstrekt Onze Minister desgevraagd alle inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden van de Ster.

2.

Onze Minister kan inzage verlangen in zakelijke gegevens en bescheiden van de Ster voor zover dat voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 2.103
1.

De Ster stelt jaarlijks vóór 1 juni een bestuursverslag over het afgelopen kalenderjaar vast.

2.

In het bestuursverslag wordt aandacht besteed aan de werkzaamheden van de Ster, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van de werkwijze in het bijzonder.

3.

De Ster zendt het verslag aan Onze Minister en maakt het openbaar.

Artikel 2.104
1.

Wijzigingen in de statuten van de Ster behoeven de instemming van Onze Minister.

2.

De raad van toezicht of het bestuur van de Ster kan niet besluiten tot ontbinding van de Ster.

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Artikel 2.105
1.

De Ster doet jaarlijks vóór 15 september aan Onze Minister opgave van de verwachte inkomsten uit de reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in het lopende en in het volgende kalenderjaar.

2.

De Ster zendt een afschrift van deze opgaven ter kennisneming aan het Commissariaat en de NPO.

3.

De inkomsten die de Ster verwerft uit de verzorging van reclame- en telewinkelboodschappen voor de landelijke publieke mediadienst stelt zij na aftrek van de door Onze Minister goedgekeurde uitgaven ter beschikking van Onze Minister.

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Artikel 2.106
1.

Media-aanbod van de publieke mediadiensten wordt niet gesponsord.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op media-aanbod:

3.

Media-aanbod als bedoeld in het tweede lid wordt niet gesponsord als het:

Artikel 2.107
1.

Bij gesponsord media-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het media-aanbod is gesponsord.

2.

De vermelding geschiedt door neutrale vermelding of vertoning van naam, (beeld)merk of ander onderscheidend teken van de sponsor.

3.

Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde van een reclameblok dat in het programma is opgenomen.

4.

Ten aanzien van de vermelding geldt dat zij:

5.

Het derde en vierde lid zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het overige media-aanbod van de publieke mediadiensten.

Artikel 2.108
1.

In gesponsord media-aanbod mogen producten of diensten van een sponsor worden vermeld of getoond, behalve als deze een bijdrage in geld heeft gegeven en onverminderd artikel 2.88b, derde lid, aanhef en onderdeel b.

2.

Het Commissariaat kan toestemming verlenen voor het vermelden of vertonen van de naam, het (beeld)merk, producten of diensten van sponsors in de titel van gesponsord media-aanbod, mits het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.

3.

Het Commissariaat kan aan het verlenen van toestemming voorschriften verbinden.

Artikel 2.109

Sponsorbijdragen worden rechtstreeks van de sponsors en door middel van een schriftelijke overeenkomst bedongen of aanvaard.

Artikel 2.110

De landelijke publieke media-instellingen sturen een afschrift van een sponsorovereenkomst aan de raad van bestuur:

Artikel 2.111
1.

Als de raad van bestuur binnen twee weken na ontvangst van het afschrift van de sponsorovereenkomst, of in het geval van artikel 2.110, onderdeel b, vóór de beoogde datum van verspreiding, schriftelijk heeft meegedeeld dat de sponsorovereenkomst in strijd is met het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke mediadienst, wordt het media-aanbod waarop de overeenkomst betrekking heeft niet verspreid, tenzij de overeenkomst wordt ontbonden of gewijzigd.

2.

In het geval de raad van bestuur aanvullende informatie verlangt, moet voor de toepassing van het eerste lid de schriftelijke mededeling zijn gegeven binnen twee weken nadat de aanvullende informatie is ontvangen.

Artikel 2.112

De artikelen 2.110 en 2.111 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van een sponsorovereenkomst.

Artikel 2.113

De publieke media-instellingen brengen jaarlijks via de jaarrekening verslag uit over de inkomsten uit sponsorbijdragen, het gesponsorde media-aanbod en de hoedanigheid van de sponsors, gespecificeerd per onderdeel van het media-aanbod.

Artikel 2.114

De artikelen 2.107 tot en met 2.113 zijn van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van media-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.4.5. Media-aanbod

Artikel 2.115
1.

Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.

2.

Het audiovisueel media-aanbod op aanvraag bestaat per aanbodkanaal voor ten minste dertig procent uit Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn.

3.

De Europese producties van een aanbodkanaal als bedoeld in het tweede lid worden door de aanbieder van het aanbodkanaal onder de aandacht van het publiek gebracht.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op een mediadienst op aanvraag van een publieke media-instelling met een lage omzet of een klein publiek.

5.

Het Commissariaat kan aan een publieke media-instelling of aan de NPO ontheffing verlenen van het tweede en het derde lid indien de toepassing van deze leden gelet op de aard of het onderwerp van deze mediadienst op aanvraag praktisch onhaalbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.

Artikel 2.116
1.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoeveel procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, wordt besteed aan Europese producties als bedoeld in artikel 1 van de Europese richtlijn die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie. Het percentage, bedoeld in de vorige volzin, wordt vastgesteld op ten minste tien en ten hoogste vijfentwintig procent.

2.

Op elk van de televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.117

Op elk van de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 2.115 die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke productie.

Artikel 2.118

Vervallen

Artikel 2.119

Ten minste een derde deel van de programma’s, bedoeld in de artikelen 2.116 en 2.117, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 2.120
1.

Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt media-aanbod dat niet geproduceerd is door:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur:

Artikel 2.121
1.

Voor de toepassing van de artikelen 2.116, tweede lid, en 2.117 tot en met 2.120 blijft buiten beschouwing media-aanbod:

2.

Voor de toepassing van artikel 2.116, eerste lid, blijft buiten beschouwing media-aanbod als bedoeld in het eerste lid, onder a, d, e en f.

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Artikel 2.122
1.

Op elk televisieprogrammakanaal van de landelijke en regionale publieke mediadienst bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid blijft buiten beschouwing:

3.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 2.123
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma-aanbod, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het televisieprogramma-aanbod van de landelijke publieke mediadienst bestaat uit producties als bedoeld in artikel 2.122, eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.

2.

Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Artikel 2.124

In het media-aanbod van de publieke mediadiensten worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Artikel 2.125

Vervallen

Artikel 2.126

Vervallen

Paragraaf 2.5.2.3. Stichting Etherreclame

Artikel 2.127

Vervallen

Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening

Artikel 2.128

Vervallen

Artikel 2.129

Vervallen

Artikel 2.130

Vervallen

Paragraaf 2.5.2.4. Inkomsten uit reclame en telewinkelen

Artikel 2.131

Vervallen

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Artikel 2.132
1.

De NPO en de publieke media-instellingen mogen alleen na voorafgaande toestemming van het Commissariaat nevenactiviteiten verrichten.

2.

Nevenactiviteiten zijn activiteiten, directe of indirecte deelnemingen in rechtspersonen daaronder begrepen, die niet rechtstreeks verband houden met of ten dienste staan van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, met uitzondering van verenigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.136.

3.

Toestemming kan alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is.

4.

In afwijking van het eerste lid is geen voorafgaande toestemming van het Commissariaat nodig voor het bij wijze van experiment van beperkte omvang en duur verrichten van nevenactiviteiten die bestaan uit het leveren van goederen of diensten, met inbegrip van rechten en verplichtingen aan:

5.

De NPO en de publieke media-instellingen melden nevenactiviteiten als bedoeld in het vierde lid bij het Commissariaat.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Artikel 2.133

Op overeenkomsten ter zake van nevenactiviteiten die er toe strekken om rechten op en de bekendheid van media-aanbod dat voor de landelijke publieke mediadienst is verzorgd of daaraan verbonden namen en merken buiten de publieke mediadienst te exploiteren, zijn de artikelen 2.110 tot en met 2.112 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 2.111, eerste en tweede lid, twee maanden is.

Artikel 2.134
1.

In het kader van nevenactiviteiten kunnen de NPO en de publieke media-instellingen rechtspersonen of samenwerkingsverbanden oprichten of daarin deelnemen.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verrichten van nevenactiviteiten.

3.

De instellingen die nevenactiviteiten willen verrichten, tonen desgevraagd ten genoegen van het Commissariaat aan dat de nevenactiviteiten voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2.132 en dit artikel.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)