Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)
Onze Minister kan de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, in de loop van het jaar verhogen naar aanleiding van een bijstelling als bedoeld in artikel 2.148a, tweede lid. Daarbij geeft hij toepassing aan de verdeling, bedoeld in artikel 2.150, eerste lid.
Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie
Titel 2.7. Evaluatie
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.2. Programma-aanbod
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing
Paragraaf 3.2.4.3. Films
Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de pers
Titel 8.4. Overige bepalingen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.60m1
Artikel 2.60m, derde lid, is niet van toepassing, als bij wijze van experiment van beperkte omvang of duur media-aanbod via andere aanbodkanalen dan die, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, wordt aangeboden. Een experiment dient om te onderzoeken of deze aanbodkanalen een bijdrage kunnen leveren aan de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer sprake is van beperkte omvang of duur en kunnen nadere regels worden gesteld over het uitvoeren van experimenten.
Titel 2.4. Wereldomroep
Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten
Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Afdeling 2.5.2. Reclame en telewinkelen
Artikel 2.99a
De organen van de Ster zijn een raad van toezicht en een bestuur.
Artikel 2.99b
De raad van toezicht van de Ster bestaat uit vijf leden die op voordracht van de raad van toezicht door Onze Minister worden benoemd en die door Onze Minister kunnen worden geschorst en ontslagen.
De raad van toezicht wijst uit zijn midden de voorzitter aan.
Benoeming geschiedt voor een periode van vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk, voor een aansluitende periode.
Artikel 2.99c
Bij een vacature draagt de raad van toezicht van de Ster zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in artikel 2.99b, eerste lid.
De raad van toezicht stelt profielschetsen op voor de vacature en voor de raad als geheel.
De NPO en, voor zover de Ster media-aanbod voor de regionale respectievelijk lokale publieke mediadiensten verzorgt, de RPO en het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, aanhef en onder l, worden in de gelegenheid gesteld om binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven op de profielschetsen.
De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.
De raad van toezicht maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.
Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in die de raad van toezicht adviseert.
De voordracht van de raad van toezicht aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.
Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:
- a. deze wet;
- b. eisen van zorgvuldigheid;
- c. andere zwaarwegende belangen; of
- d. een redelijke verwachting dat de voorgedragen kandidaat geschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van lid van de raad van toezicht en de raad van toezicht bij benoeming overeenkomstig de voordracht naar behoren zal zijn samengesteld.
Artikel 2.99d
Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de Ster is onverenigbaar met:
- a. de functie van lid van het bestuur van de Ster;
- b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, de RPO, het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, aanhef en onder l, of een publieke media-instelling;
- c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
- d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
- e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf direct vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister;
- f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn; en
- g. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is.
Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:
- a. ongeschiktheid;
- b. disfunctioneren; en
- c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.
Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.
De leden van de raad van toezicht ontvangen van de Ster een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
Artikel 2.99e
De raad van toezicht van de Ster houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de Ster en op de algemene gang van zaken binnen de Ster en staat het bestuur met advies terzijde.
Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemene belang van de Ster en naar haar taak als onderdeel van het publieke mediabestel.
Artikel 2.101a
Het bestuur van de Ster bestuurt de Ster.
Het bestuur is belast met de dagelijks leiding en het financiële beheer van de Ster.
Het bestuur is verder belast met datgene wat niet uitdrukkelijk tot de taken van de raad van toezicht van de Ster behoort.
Artikel 2.102a
Als de Ster naar de mening van Onze Minister haar taken ernstig verwaarloost, kan Onze Minister na overleg met de Ster de noodzakelijke voorzieningen treffen.
Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.
Artikel 2.104a
De raad van bestuur bevordert dat tussen de NPO en de Ster afspraken tot stand komen over het beleid inzake de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen op de aanbodkanalen van de landelijke publieke mediadienst en de wederzijdse inspanningen daarvoor.
Afdeling 2.5.3. Sponsoring
Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties
Paragraaf 2.5.5.3. Begroting en jaarrekening
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Paragraaf 2.6.2.1. Begroting
Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten
Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten
Artikel 2.169c
Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het budget vast voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de RPO.
Onze Minister kan aan een besluit tot het vast stellen van het budget schriftelijke voorwaarden verbinden.
Het budget, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de RPO.
Onze Minister stelt het budget vast op tachtig procent van het budget van het voorgaande jaar als de RPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.
Het budget, bedoeld in het eerste lid, besteedt het bestuur van de RPO aan de daar genoemde doelen.
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering
Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten
Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Titel 3.3. Toezichtskosten
Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.2. Overheid
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Titel 7.3. Overige taken
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 8.4. Overige bepalingen
Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting
Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Afdeling 9.2.10. Verlenging van de concessie en de erkenningen van de landelijke publieke mediadienst die zijn verleend voor een periode die afloopt op 31 december 2020
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Titel 2.4. Wereldomroep
Artikel 2.72
Vervallen
Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften
Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Paragraaf 2.5.5.1. Taak
Paragraaf 2.5.5.4. Statuten en ontbinding
Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Paragraaf 2.6.2.1. Begroting
Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten
Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering
Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie
Titel 2.7. Evaluatie
Afdeling 3.2.3. Sponsoring
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 6.1.2. Overheid
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Titel 6.3a. Ongewijzigd verspreiden van media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Titel 8.4. Overige bepalingen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.1. Overgangsbepalingen
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting
Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Afdeling 9.2.9. Overgangsrecht RPO
Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Artikel 9.14f
In afwijking van artikel 2.65, eerste lid, blijft een aanwijzing als regionale publieke media-instelling op grond van artikel 2.65, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, die geldt op de dag waarop artikel I, onderdeel Ma, van de Wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep in werking treedt, gelden tot en met 31 december 2025 en vervalt daarna van rechtswege.
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.72
Vervallen
Paragraaf 2.4.2. Organisatie
Artikel 2.73
Vervallen
Artikel 2.74
Vervallen
Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
Afdeling 2.5.3. Sponsoring
Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Paragraaf 2.6.3.2. Vaststelling budgetten
Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen
Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten
Afdeling 3.2.3a. Productplaatsing
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
Titel 8.4. Overige bepalingen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.1. Overgangsbepalingen
Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren
Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst
Artikel 9.14e
In afwijking van artikel 2.95, eerste lid, aanhef en onder a, bedraagt het aandeel reclame- en telewinkelboodschappen per televisieprogrammakanaal van de landelijke publieke mediadienst niet meer dan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage van de totale duur van het programma-aanbod op dat kanaal per jaar, welk percentage niet meer bedraagt dan tien.
De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Dit artikel is van toepassing voor de jaren 2022 tot en met 2025.
Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.17b
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van dit artikel en vervolgens iedere vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten en de uitvoering van de artikelen 6.13 en 6.14 in de praktijk.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3.29e
Een media-instelling die een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt, investeert in Nederlands cultureel audiovisueel product.
De investering bedraagt vijf procent van de relevante omzet per boekjaar.
De relevante omzet per boekjaar bestaat uit alle in Nederland gegenereerde omzet die verband houdt met het aanbieden van de betreffende commerciële mediadienst op aanvraag. Hiertoe wordt gerekend omzet uit:
- a. reclameboodschappen;
- b. abonnementen;
- c. gebruikerstransacties;
- d. sponsoring; en
- e. productplaatsing.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de relevante omzet per boekjaar minder dan € 10 miljoen bedraagt.
Het Commissariaat kan een media-instelling als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van het eerste lid indien toepassing gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn.
Het Commissariaat kan nadere regels stellen over de ontheffing, bedoeld in het vijfde lid, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Artikel 3.29f
Onder Nederlands cultureel audiovisueel product wordt verstaan een Europese productie in de zin van artikel 1, onderdeel n, van de Europese richtlijn, niet zijnde een verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden, die voldoet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden, waarvan ten minste één van de onder a of b genoemde voorwaarden:
- a. het scenario is voor ten minste 75 procent geschreven in de Nederlandse of Friese taal;
- b. de hoofdpersonages drukken zich voor ten minste 75 procent uit in de Nederlandse of Friese taal;
- c. het scenario is gebaseerd op een origineel literair werk in de Nederlandse of Friese taal;
- d. het hoofdthema houdt verband met de Nederlandse cultuur, geschiedenis, maatschappij of politiek.
Artikel 3.29g
De investering, bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid, wordt uitgevoerd voordat twee boekjaren zijn verstreken sinds het einde van het boekjaar waarin de relevante omzet, bedoeld in artikel 3.29e, is gegenereerd.
Indien een media-instelling in één boekjaar meer investeert dan waartoe hij op grond van artikel 3.29e verplicht is, telt het meer geïnvesteerde mee in het daarop volgende boekjaar.
De investering vindt plaats in media-aanbod dat kwalificeert als Nederlands cultureel audiovisueel aanbod en bestaat uit:
- a. een investering in een productie of coproductie;
- b. de verkrijging vooraf van een exploitatielicentie ten aanzien van een nog niet voltooide productie; of
- c. de verkrijging van een exploitatielicentie ten aanzien van een productie die op het moment van de verkrijging niet ouder is dan vier jaar.
Ten minste de helft van het te investeren bedrag wordt aangewend ten behoeve van media-aanbod dat kwalificeert als Nederlands cultureel audiovisueel product en een documentairefilm, documentaireserie, dramaserie of speelfilm is.
Ten minste zestig procent van het te investeren bedrag wordt aangewend ten behoeve van onafhankelijke producties als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid. Artikel 3.22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
De investering is uitgevoerd wanneer een of meer overeenkomsten zijn gesloten ten behoeve van een investering of verkrijging als bedoeld in het derde lid dan wel, voor zover het betreft een investering, bedoeld in het derde lid, onder a, het te investeren bedrag op andere wijze aantoonbaar daarvoor is aangewend.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gevolgen voor het uitvoeren van de investering van de ontbinding of niet nakoming van een overeenkomst als bedoeld in het vijfde lid, dan wel van het niet langer op aantoonbare wijze aanwenden van het te investeren bedrag.
Artikel 3.29h
Een media-instelling als bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid, informeert het Commissariaat jaarlijks vóór 1 juli met betrekking tot het voorgaande boekjaar over het volgende:
- a. de samenstelling en hoogte van de relevante omzet; en
- b. de uitvoering van de investering bedoeld in artikel 3.29e, eerste lid.
Het eerste lid is niet van toepassing op een media-instelling waarvan de totale in Nederland gegenereerde omzet minder dan € 10 miljoen per boekjaar betreft.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanlevering van informatie of stukken bij het Commissariaat ter uitvoering van het eerste lid.
Artikel 3.29i
De artikelen 3.29e, 3.29g en 3.29h zijn eveneens van toepassing op een aanbieder van mediadiensten die krachtens artikel 2 van de Europese richtlijn onder de bevoegdheid van een andere lidstaat valt en een commerciële mediadienst op aanvraag verzorgt die zich geheel of gedeeltelijk richt op publiek in Nederland, behalve wanneer de mediadienst een klein publiek heeft.
Het Commissariaat kan een aanbieder van mediadiensten als bedoeld in het eerste lid ontheffing verlenen van artikel 3.29e, eerste lid, indien toepassing gelet op de aard of het onderwerp van de betreffende mediadienst, of het gebruik van innovatieve formats, praktisch onuitvoerbaar of ongerechtvaardigd zou zijn. Artikel 3.29e, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen indicatoren worden vastgesteld waaruit kan worden opgemaakt dat een mediadienst zich richt op publiek in Nederland.
Titel 3.3. Toezichtskosten
Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 6.1.2. Overheid
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Titel 7.3. Overige taken
Hoofdstuk 8. De journalistiek
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren
Afdeling 9.2.9. Overgangsrecht RPO
Afdeling 9.2.10. Verlenging van de concessie en de erkenningen van de landelijke publieke mediadienst die zijn verleend voor een periode die afloopt op 31 december 2020
Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst
Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling
Titel 9.2a. Overgangsbepalingen en evaluatiebepaling investeringsverplichting commerciële mediadiensten op aanvraag
Artikel 9.14g
De relevante omzet, bedoeld in artikel 3.29e, wordt voor het eerst bepaald over de resterende maanden van het op de datum van inwerkingtreding van dit artikel lopende boekjaar, dan wel over het boekjaar dat aanvangt op de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
Artikel 9.14h
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 3.29e tot en met 3.29i aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van die bepalingen in de praktijk.
Onze Minister doet voorts jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal over de door media-instellingen in het daaraan voorafgaande boekjaar gedane investeringen in Nederlands cultureel audiovisueel product, zijnde een documentairefilm, documentaireserie, dramaserie of speelfilm, en vermeldt daarbij tevens welke investeringen zijn aangewend ten behoeve van onafhankelijke producties als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid.
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.14d1
De concessie van de NPO, de concessieperiode en de eerste van de twee perioden van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, de erkenningen en de voorlopige erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste, respectievelijk tweede lid, en de erkenningperiode die gelden op het moment van inwerkingtreding van dit artikel worden, voor zover van toepassing in afwijking van deze wet, van rechtswege met twee jaar verlengd.
Afdeling 9.2.11. Overgangsrecht maximum percentage reclame- en telewinkelboodschappen in televisieprogramma-aanbod landelijke publieke mediadienst
Afdeling 9.2.12. Overgangsrecht aanwijzing regionale publieke media-instelling
Titel 9.2a. Overgangsbepalingen en evaluatiebepaling investeringsverplichting commerciële mediadiensten op aanvraag
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)