Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 109
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet en de artikelen 2.3, tweede lid, 3.1, eerste en tweede lid, 3.3, 3.4, derde en zevende lid, 4.13, 4.18, 6.2, 6.7, eerste lid, 6.11, eerste en derde lid, 6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid, 6.13, tweede lid, 6.15, tweede en derde lid, 6.16, tweede lid, 6.17, 6.19, 6.21, eerste lid, 6.22, derde lid, en 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

Vervallen

Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen

Artikel 2.1

Vervallen

Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer

§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

Artikel 3.1

Vervallen

Artikel 3.2

Vervallen

Artikel 3.3

Vervallen

Artikel 3.4

Vervallen

Artikel 3.5

Vervallen

Artikel 3.6

Vervallen

Artikel 3.7

Vervallen

§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

Artikel 3.8

Vervallen

Hoofdstuk 4. Plannen

Artikel 4.1

Vervallen

Hoofdstuk 4. Plannen

Hoofdstuk 5

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.1

Vervallen

Artikel 6.2

Vervallen

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.3

Vervallen

§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.4

Vervallen

Artikel 6.5

Vervallen

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

Artikel 6.6

Vervallen

Artikel 6.7

Vervallen

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.8

Vervallen

Artikel 6.9

Vervallen

Artikel 6.10

Vervallen

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.11

Vervallen

Artikel 6.12

Vervallen

Artikel 6.13

Vervallen

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

Artikel 6.14

Vervallen

Artikel 6.15

Vervallen

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.16

Vervallen

Artikel 6.17

Vervallen

§ 4a. Windparken op zee

Artikel 6.18

Vervallen

Artikel 6.19

Vervallen

Artikel 6.20

Vervallen

Artikel 6.21

Vervallen

Artikel 6.22

Vervallen

Artikel 6.23

Vervallen

Artikel 6.24

Vervallen

Artikel 6.25

Vervallen

Artikel 6.26

Vervallen

Artikel 6.27

Vervallen

Artikel 6.28

Vervallen

Artikel 6.29

Vervallen

Artikel 6.30

Vervallen

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld;
  • debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal; momentaan debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende een moment van meting; etmaal: aaneengesloten periode van 24 uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;
  • kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;
  • droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;
  • nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;
  • gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;
  • open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht.
Artikel 7.2
1.

Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.

2.

De gedurende een etmaal geloosde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

(Q × (3 × TOC + 4,57 × (TNb – TON)) [kg/etm]
1000 [kg/etm]

waarbij:

Q: afvalwaterhoeveelheid (m3/d)

TOC: totaal organisch koolstof (mg/l)

TNb: totaal gebonden stikstof (mg/l)

TON: totaal oxideerbare stikstof (mg/l) = (NO2+NO3)

NO2: nitriet stikstof (mg/l)

NO3: nitraat stikstof (mg/l)

3.

Indien het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, voor tenminste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de correctiefactor f:

f = (100 – T)
f = 75

waarbij:

f = correctiefactor

T = het percentage van het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, dat afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

T wordt berekend bij:

  • a. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam of het brengen van zuurstofbindende stoffen met biochemisch zuurstofverbruik van niet meer dan 20 mg/l vanuit een bedrijfsruimte met behulp van de methode van het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen, volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;
  • b. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen in andere dan de onder a bedoelde gevallen met behulp van een andere toereikende bepalingsmethode.
4.

Voor het bepalen van de correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de heffingplichtige een aanvraag ingediend. De aanvraag bevat in ieder geval:

  • a. een omschrijving van de afvalwaterstromen waarvoor de correctie wordt aangevraagd;
  • b. de wijze en frequentie van meten, bemonsteren en analyseren;
  • c. het type, aantal en te volgen methodieken van de uit te voeren toxiciteitstesten en biodegradatieonderzoeken.
5.

De heffingsambtenaar beslist op de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking waaraan voorschriften kunnen worden verbonden. Daarbij kan het in ieder geval gaan om voorschriften over de frequentie van meten, bemonsteren en analyseren.

Artikel 7.3

Vervallen

Artikel 7.4

Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

waarbij:

n = het berekende aantal meetdagen

tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =

35/e ^0,000175*VeO, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.

N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd;

σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de geloosde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.

Artikel 7.5
1.

De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet geschiedt zodanig dat:

  • a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;
  • b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode in oppervlaktewaterlichamen wordt geloosd;
  • c. de in deze regeling opgenomen voorschriften of de door de heffingsambtenaar gestelde voorschriften in acht genomen worden.
2.

De heffingsambtenaar:

  • a. kan, voor zover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat debietmeting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven;
  • b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften kan worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
3.

De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:

  • a. de voorschriften uit deze regeling waarvan wordt afgeweken;
  • b. de voorgeschreven afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;
  • c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.
4.

De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

  • a. de voorschriften van deze regeling waarvan mag worden afgeweken;
  • b. de toegestane afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;
  • c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.
5.

De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.

6.

In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

  • a. de afvalwaterstromen en de stoffen waarop het besluit betrekking heeft;
  • b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;
  • c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;
  • d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan dat besluit van toepassing is.
7.

De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:

  • a. de besluiten, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste lid;
  • b. het besluit, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen indien toepassing van het berekeningsvoorschrift uit artikel 7.4 leidt tot een ander aantal etmalen, bedoeld het zesde lid, onderdeel b, dan in dat besluit is opgenomen.
Artikel 7.6
1.

De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:

  • a. verkeren in een goede staat;
  • b. zijn overeenkomstig de voorschriften van de leverancier geïnstalleerd en onderhouden;
  • c. worden regelmatig schoongemaakt, en
  • d. zijn altijd veilig toegankelijk.
2.

De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.

3.

De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.

Artikel 7.7
1.

Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal geloosde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

Artikel 7.8
1.

Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

2.

Bij toepassing van een meetput geldt dat:

  • a. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, gesommeerd minder bedragen dan 5% van het gemeten debiet;
  • b. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, gesommeerd minder bedragen dan 10% van het gemeten debiet.
3.

Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

4.

De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.

5.

In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.

6.

Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

Artikel 7.9
1.

De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

2.

Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.

3.

Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:

  • a. het controleren van de meetversterker en het registeren en corrigeren van afwijkingen waarbij de meetversterker wordt gecontroleerd op lineariteit, versterkingsfactor en nulpuntsinstelling, en
  • b. het uitbouwen van de flowmeter en het controleren van de binnenkant van de meetbuis op vervuiling waarbij de in de meetbuis aanwezige vervuiling wordt verwijderd.
4.

De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal voor 1 januari 2014 nat gekalibreerd in ingebouwde toestand en daarna ten minste éénmaal per vijf jaar.

5.

Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie in ingebouwde toestand plaats op een door het Nederlands Meetinstituut of een daarmee vergelijkbare instelling gecertificeerde installatie.

6.

Van een debietmeter wordt het meest recente kalibratierapport overgelegd.

Artikel 7.10
1.

De bemonstering vindt plaats met behulp van automatische monstername-apparatuur.

2.

Het bemonsteringsinterval wordt zodanig ingesteld dat een etmaalverzamelmonster wordt verkregen dat bestaat uit ten minste 100 deelmonsters.

3.

Het volume per deelmonster wordt zodanig ingesteld dat de herhaalbaarheid maximaal 5% van het ingestelde volume bedraagt. Bij vacuümmonstername-apparatuur bedraagt het volume per deelmonster minimaal 50 milliliter. Bij ‘in-line’-bemonstering bedraagt het volume per deelmonster minimaal 20 milliliter en wordt een etmaalverzamelmonster verkregen dat bestaat uit ten minste 250 deelmonsters.

4.

Het monsterverzamelvat heeft een zodanige inhoud dat het vat gedurende het etmaal niet overloopt.

5.

Zowel het monsterverzamelvat als andere onderdelen van de monstername-apparatuur die met het afvalwater in aanraking komen, zijn gemaakt van gemakkelijk te reinigen, inert materiaal, dat de uit te voeren analyse niet beïnvloedt. Het monsterverzamelvat kan gemakkelijk uitgenomen worden en is uitgevoerd als emmer of als vat met een wijde hals zodat met een monsterschep gemakkelijk kan worden geroerd en geschept. Tijdens het etmaal is het monsterverzamelvat afgesloten met een goed afsluitende deksel.

Artikel 7.11
1.

Het aanzuigpunt van een open meetsysteem bevindt zich zo dicht mogelijk stroomafwaarts van de obstructie. Op het aanzuigpunt stroomt het afvalwater turbulent.

2.

Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur is de aanzuigleiding zo kort mogelijk en onder afschot gelegd. De aanzuigleiding is beschermd tegen bevriezing en direct zonlicht. In de aanzuigleiding bevinden zich geen knikken of overbodige bochten. Het aanzuigpunt bevindt zich onder het vloeistofoppervlak.

3.

De diameter van alle doorstroomde delen van de monstername-apparatuur van het aanzuigpunt tot het punt waar het monster wordt afgeleverd in het monsterverzamelvat bedraagt minimaal 13 millimeter. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur bedraagt de gemiddelde aanzuigsnelheid minimaal 0,3 meter per seconde.

4.

Bij het afvoeren van het deelmonster naar het monsterverzamelvat wordt voorkomen dat het monster wordt belucht.

Artikel 7.12
1.

Bij bemonstering met behulp van ‘in-line’-monstername-apparatuur bevindt het bemonsteringspunt zich niet in een bocht of een vernauwing in de leiding. Indien het te bemonsteren afvalwater wordt geloosd met behulp van een pomp dan bevindt het bemonsteringspunt zich aan de perszijde van deze pomp.

2.

Als een gesloten meetsysteem wordt gecombineerd met vacuümmonstername-apparatuur bevindt het aanzuigpunt zich op het punt waar de gesloten leiding uitmondt in een open afvoersysteem of er is vanuit de gesloten leiding een aftakking gemaakt, uitmondend in een doorstroomd buffervat waaruit wordt bemonsterd. De stroomsnelheid van het afvalwater in de aftakking is in dat geval ten minste gelijk aan die in de hoofdleiding.

Artikel 7.13
1.

De deelmonsters in het monsterverzamelvat worden bewaard bij een temperatuur hoger dan 0°C en lager dan of gelijk aan 4°C.

2.

Bemonsteringsbenodigdheden die in aanraking komen met het afvalwater zijn gemaakt van eenvoudig te reinigen inert materiaal dat de later uit te voeren analyses niet beïnvloedt.

3.

De monsters uit het etmaalverzamelmonster zijn binnen een uur na afloop van het etmaal genomen.

4.

De monsters worden met een voldoende grote monsterschep genomen. De gehele inhoud van het monsterverzamelvat wordt elke keer, voordat geschept wordt, zodanig geroerd dat al het eventueel bezonken materiaal wordt opgemengd. Daarbij wordt de monsterlepel afwisselend links- en rechtsom geroerd.

5.

De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar moeten om en om gevuld worden.

Artikel 7.14
1.

De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd geschiedt dit binnen 12 uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

2.

De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt zodanig uitgevoerd dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord.

3.

Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

Voor analyse op onderstaande parameter/stof Omgevingstemperatuur Omgevingstemperatuur Methode conservering Maximale bewaartijd
tijdens transport tot einde bewaartermijn
totaal organisch koolstof (TOC) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Koelen en aanzuren tot pH < 2 8 dagen
totaal organisch koolstof (TOC) tussen 2 en 8 °C < – 18 °C Invriezen binnen 12 uur 1 maand
totaal gebonden stikstof (TNb) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Koelen en aanzuren tot pH < 2 8 dagen
totaal gebonden stikstof (TNb) tussen 2 en 8 °C < – 18 °C Invriezen binnen 12 uur 1 maand
som nitriet- en nitraatstikstof (TON) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Filtreren 4 dagen
som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Koelen en aanzuren met H2S04 tot pH < 2 8 dagen
som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) tussen 2 en 8 °C < – 18 °C Invriezen binnen 12 uur 1 maand
chemisch zuurstofverbruik (CZV) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH < 2 6 maanden
chemisch zuurstofverbruik (CZV) tussen 2 en 8 °C < – 18 °C Invriezen binnen 12 uur 6 maanden
biochemisch zuurstofverbruik (BZV) tussen 2 en 8 °C tussen 1 en 5 °C Koelen onder uitsluiting van licht. 1 dag
biochemisch zuurstofverbruik (BZV) tussen 2 en 8 °C < – 18 °C Invriezen binnen 12 uur 1 maand (indien BZV ≤ 50 mg/l) 6 maanden (indien BZV > 50 mg/l)
Artikel 7.15
1.

De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in dit hoofdstuk vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

2.

De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is aangegeven in tabel B.

3.

De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond worden.

Parameter/stof Ontsluiting volgens normblad Meting volgens normblad Aantoonbaarheidsgrens1 en 2
totaal organisch koolstof (TOC) NEN-EN-ISO 20236:2024 en 1 mg/l
totaal gebonden stikstof (TNb) NEN-EN-ISO 20236:2024 en 1 mg/l
som nitriet- en nitraatstikstof (TON) NEN-EN-ISO 13395:1997 nl; of NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en
som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) NEN 6645:2005 nl3 NEN-EN-ISO 15923-1:2024 en 0,5 mg/l
som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) NEN 6645:2005 nl3 NEN 6646+C1:2015 nl 0,5 mg/l
som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) NEN 6645:2005 nl3 NEN-EN-ISO 11732:2005 en 0,5 mg/l
chemisch zuurstofverbruik (CZV) NEN 6633:2006 nl of NEN-ISO 15705:2003 en4 5 mg/l5
biochemisch zuurstofverbruik (BZV) NEN-EN-ISO 5815-1:2019 en Volgens norm; 1 mg/l

1De aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen zijn gebaseerd op een afvalwatermonster met een soortelijke geleiding tot 1.500 μS/cm en bij onopgeloste stoffen tot een gehalte van 100 mg/l. Bij afvalwatermonsters met een matrix die groter is dan genoemde waarden voor elektrisch geleidingsvermogen en onopgeloste stoffen kan een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.

2Indien een concentratie gerapporteerd wordt als zijnde kleiner dan de aantoonbaarheidsgrens, wordt voor de aanslag van de verontreinigingsheffing een concentratie van de helft van de aantoonbaarheidsgrens aangehouden.

3Voor het bepalen van de som totaal gebonden stikstof verminderd met nitriet- en nitraatstikstof (TNb-TON) mag de analyse alleen volgens normblad NEN 6645:2005 nl plaatsvinden als TNb groter is dan 10mb N/L en voor meer dan 30% bestaat uit TON.

4De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705:2003 en is toepasbaar voor onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en chlorideconcentratie die lager zijn dan 1.000 mg/l. De heffingsambtenaar kan de methode niet toepasbaar verklaren als naar zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

5De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705:2003 en heeft een aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15 mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000 mg/l.

4.

De in dit artikel genoemde internationale normbladen worden bekendgemaakt door terinzagelegging bij het Nederlands Normalisatie Instituut te Delft en bij Rijkswaterstaat te Rotterdam. De nationale normbladen zijn kosteloos in te zien op de website van het Nederlands Normalisatie Instituut.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1

Vervallen

Artikel 8.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 22 december 2009 met uitzondering van artikel 6.18, tweede, derde en vierde lid, dat in werking treedt met ingang van 10 oktober 2011.

Artikel 8.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Waterregeling.

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

    1. Zuivelindustrie
    1. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit
    1. Bereiding en botteling van frisdranken
    1. Verwerking van aardappelen
    1. Vleesindustrie
    1. Brouwerijen
    1. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken
    1. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten
    1. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen
    1. Mouterijen
    1. Visverwerkingsindustrie

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

    1. Zuivelindustrie
    1. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit
    1. Bereiding en botteling van frisdranken
    1. Verwerking van aardappelen
    1. Vleesindustrie
    1. Brouwerijen
    1. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken
    1. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten
    1. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen
    1. Mouterijen
    1. Visverwerkingsindustrie

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

    1. Zuivelindustrie
    1. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit
    1. Bereiding en botteling van frisdranken
    1. Verwerking van aardappelen
    1. Vleesindustrie
    1. Brouwerijen
    1. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken
    1. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten
    1. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen
    1. Mouterijen
    1. Visverwerkingsindustrie

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

    1. Zuivelindustrie
    1. Vervaardiging van producten op basis van groenten en fruit
    1. Bereiding en botteling van frisdranken
    1. Verwerking van aardappelen
    1. Vleesindustrie
    1. Brouwerijen
    1. Bereiding van alcohol en alcoholhoudende dranken
    1. Vervaardiging van diervoeder uit plantaardige producten
    1. Vervaardiging van gelatine en lijm op basis van huiden en beenderen
    1. Mouterijen
    1. Visverwerkingsindustrie

Bijlage II. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwaliteitsbeheer voert, en grenzen van drogere oevergebieden (bijlage bij artikel 3.2, eerste lid, en 3.3 van de Waterregeling)

Ligt ter inzage op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en is gepubliceerd op www.waterwet.nl.

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

De informatie met betrekking tot de puntbronnen en diffuse bronnen is afkomstig van de landelijke emissieregistratie.

Informatie over belastingen in de categorieën onttrekkingen, regulering waterbewegingen en morfologische aanpassingen wordt ingevuld door de waterbeheerders op de website Inventarisatie Druk/belasting Oppervlaktewaterlichamen. De gegevens worden in 2010 geïntegreerd met andere KRW informatie op het KRW Portaal. Na integratie zal de beschikbare informatie op een andere, efficiëntere manier opgeslagen worden. Het hieronder beschreven formaat heeft dus een beperkte geldigheid.

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Inhoud rapportage

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

De informatie met betrekking tot de puntbronnen en diffuse bronnen is afkomstig van de landelijke emissieregistratie.

Inhoud rapportage

Er worden 54 typen belasting onderscheiden, onderverdeeld in 3 hoofdgroepen:

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

De Kaderrichtlijn Water vereist het vastleggen van doelen voor biologische kwaliteitselementen en enkele algemeen fysisch-chemische parameters per waterlichaam. De betreffende fysisch-chemische parameters vormen geen onderdeel van de chemische toestand, maar zijn ondersteunend voor het bereiken van de goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP). De doelen dienen in principe in 2015 te worden gehaald. In de meeste gevallen wordt echter een beroep gedaan op de formele mogelijkheden die de KRW biedt om de doelen gefaseerd te bereiken waarbij het jaar 2027 als deadline wordt gehanteerd. De ecologische doelen hebben dan betrekking op deze eindsituatie. Om een goed beeld te krijgen van de ecologische toestand aan het einde van de planperiode worden tevens de verwachte waarden van de kwaliteitselementen in 2015 opgegeven. Tot slot wordt tevens per kwaliteitselement opgenomen wat de huidige toestand is. Uitgangspunt van de KRW is dat deze niet mag verslechteren.

De Kaderrichtlijn Water vereist het vastleggen van doelen voor biologische kwaliteitselementen en enkele algemeen fysisch-chemische parameters per waterlichaam. De betreffende fysisch-chemische parameters vormen geen onderdeel van de chemische toestand, maar zijn ondersteunend voor het bereiken van de goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP). De doelen dienen in principe in 2015 te worden gehaald. In de meeste gevallen wordt echter een beroep gedaan op de formele mogelijkheden die de KRW biedt om de doelen gefaseerd te bereiken waarbij het jaar 2027 als deadline wordt gehanteerd. De ecologische doelen hebben dan betrekking op deze eindsituatie. Om een goed beeld te krijgen van de ecologische toestand aan het einde van de planperiode worden tevens de verwachte waarden van de kwaliteitselementen in 2015 opgegeven. Tot slot wordt tevens per kwaliteitselement opgenomen wat de huidige toestand is. Uitgangspunt van de KRW is dat deze niet mag verslechteren.

Informatie over de ecologische doelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in een centrale database via de KRW-doelen website (vanaf eind 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

Verplicht en optioneel

De databank bevat waarden voor de biologische en algemeen fysisch-chemische parameters voor de huidige toestand en de situatie in 2015. De huidige toestand is in eerste instantie ingevuld als inschatting van de waterbeheerder, maar is sinds juli 2009 vervangen door de gerapporteerde toestand (formaat toestand oppervlaktewaterlichamen). De situatie 2015 wordt door de waterbeheerder ingevuld. Dat geldt eveneens voor de waarden die de grenzen tussen verschillende toestandsklassen (goed, matig, ontoereikend, slecht) markeren. Indien niets wordt ingevuld worden de landelijk vastgestelde waarden volgens de maatlatten van natuurlijke waterlichamen of de defaultwaarden van de maatlatten van sloten en kanalen aangehouden. De databank biedt de mogelijkheid om ook waarden op het niveau van deelmaatlatten toe te kennen. Deze gegevens zijn echter niet verplicht en dienen vooral voor de onderbouwing van oordelen op het niveau van maatlatten.

Achtergrond

Maatlatten

Voor rapportage van de ecologische doelen worden de volgende maatlatten onderscheiden (afhankelijk van het type waterlichaam kunnen bepaalde kwaliteitselementen of parameters achterwege blijven):

De basis voor beoordeling van biologische kwaliteitselementen is de zogenaamde ecologische kwaliteitsratio (EKR). De EKR is de waargenomen biologische waarde gedeeld door de referentie biologische waarde. De verkregen ratio moet in principe tussen 0 en 1 liggen, waarbij een waarde in de buurt van 1 de zeer goede toestand weerspiegelt. De ratio wordt in vijf klassen ingedeeld, overeenkomend met de normatieve beschrijving van figuur 1. Voor de sterk veranderde en kunstmatige wateren wordt de doelstelling gevormd door het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). De beoordeling op een vergelijkbare manier uitgevoerd waarbij het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) afgeleid wordt van de referentie conditie.

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Voor natuurlijke wateren wordt als doelstelling automatisch de Goede Ecologische Toestand (GET) aangehouden volgens de betreffende maatlatten van natuurlijke wateren. Voor de biologische kwaliteitselementen is deze gelijk aan 0,6. Voor sterk veranderde wateren wordt door de waterbeheerder een waarde voor het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) en het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) ingevuld. De waarde betreft een score (streepje) op de maatlat van de natuurlijke wateren. Voor kunstmatige wateren (watertypen M1 tot en met M10) zijn de GEP-waarden voorbedrukt. Deze zijn afkomstig van de default maatlatten voor sloten en kanalen. Indien er afgeweken wordt van de default maatlatten, dan kunnen de waarden gewijzigd worden.

Voor natuurlijke wateren wordt als doelstelling automatisch de Goede Ecologische Toestand (GET) aangehouden volgens de betreffende maatlatten van natuurlijke wateren. Voor de biologische kwaliteitselementen is deze gelijk aan 0,6. Voor sterk veranderde wateren wordt door de waterbeheerder een waarde voor het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) en het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) ingevuld. De waarde betreft een score (streepje) op de maatlat van de natuurlijke wateren. Voor kunstmatige wateren (watertypen M1 tot en met M10) zijn de GEP-waarden voorbedrukt. Deze zijn afkomstig van de default maatlatten voor sloten en kanalen. Indien er afgeweken wordt van de default maatlatten, dan kunnen de waarden gewijzigd worden.

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

De status en het typegebruikt voor het vaststellen van de maatlatten en doelen, worden aangeleverd in de tabel OWMDOEL volgens onderstaand formaat:

De klassengrenzen en doelbereik 2015 worden voor de biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische parameters aangeleverd in de tabel DOELEN volgens onderstaand formaat:

De klassengrenzen en doelbereik 2015 worden voor de biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische parameters aangeleverd in de tabel DOELEN volgens onderstaand formaat:

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Bij de specificatie van één enkel getal als klassengrens wordt deze geïnterpreteerd zoals aangegeven in onderstaande tabel.

Inhoud rapportage

Inhoud rapportage

Er kunnen maximaal twee sets grenzen per klassengrens opgegeven worden. De sets dienen van elkaar gescheiden te zijn door een/teken.

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Voor de KRW rapportages wordt de informatie met betrekking tot grondwaterlichamen en oordelen uitgewisseld in drie tabellen:

Tabellen

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Tabel GWB – grondwaterlichamen

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gwbgident

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gafident

De code van het deelstroomgebied waar het grondwaterlichaam in ligt. Voor mogelijke codes wordt verwezen naar de domeintabel GAF15NL.

Gwbident

Identificatie van het grondwaterlichaam. De eerste 4 letters zijn altijd NLGW. Een grondwaterlichaam kan uit meerdere vlakken bestaan. In dat geval hebben alle vlakken dezelfde GWBIDENT maar de GWBGIDENT kan verschillen.

Gwbnaam

Naam van het grondwaterlichaam

Gwbhoriz

Horizon van het grondwaterlichaam. Bij overlappende grondwaterlichamen wordt GWBHORIZ gebruikt om de verticale positie aan te geven. GWBHORIZ = 1 is het ondiepste, GWBHORIZ=3 is het diepste niveau.

Gwbsubst

Substraat van het grondwaterlichaam. Voor mogelijke keuzes wordt verwezen naar de domeintabel GWSUBST.

Gwboppv

Oppervlakte van het grondwaterlichaam in vierkante meter

Gwbopme

Gwbopme

Opmerking over ligging, begrenzing grondwaterlichaam

In de tabel GWBKWAL worden de oordelen met betrekking tot de waterkwaliteit van de grondwaterlichamen gegeven. Voor elk grondwaterlichaam worden twee oordelen gegeven: een oordeel voor het diepe grondwater (25 meter) en een oordeel voor het ondiepe grondwater (10 meter). Afwijkende dieptes kunnen in het veld diepte_m opgegeven worden in meters beneden maaiveld.

In de tabel GWBKWAL worden de oordelen met betrekking tot de waterkwaliteit van de grondwaterlichamen gegeven. Voor elk grondwaterlichaam worden twee oordelen gegeven: een oordeel voor het diepe grondwater (25 meter) en een oordeel voor het ondiepe grondwater (10 meter). Afwijkende dieptes kunnen in het veld diepte_m opgegeven worden in meters beneden maaiveld.

In de tabel GWBKWAN wordt per grondwaterlichaam één regel met oordelen opgenomen. Behalve het totaal oordeel wordt tevens een oordeel gegeven over de invloed op terrestrische ecosystemen, de relatie met het oppervlaktewater en een oordeel met betrekking tot het evenwicht onttrekking/aanvulling.

Formulier IV:. Rapportage format monitorinsprogramma grondwater

Formulier IV:. Rapportage format monitorinsprogramma grondwater

Inhoud Rapportage

Het grondwater monitoringprogramma bevat locaties voor het monitoring van de kwantiteit en locaties voor het monitoren van de kwaliteit, de chemie. Binnen het onderdeel kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen Toestand en Trend monitoring en Operationele monitoring.

Naast een samenvatting van het monitoringprogramma moet informatie per grondwatermonitoringlocatie aangeleverd worden door de provincies volgens onderstaand format.

Tabellen

Tabel 1 en 2 worden gebruikt voor de kaarten en teksten van het SGBP en de elektronische rapportage naar de EU. Tabel 3 wordt alleen gebruikt voor de elektronische rapportage.

Tabellen

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

Mlcident

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

Mlcnaam

Dit is de naam van de monitoringlocatie. De naam is vrij te kiezen en dient als herkenning voor de waterbeheerder.

Gwbident

De code van het grondwaterlichaam waar de monitoringlocatie in ligt. Voor de lijst met coderingen wordt verwezen naar de tabel met grondwaterlichamen (GWB)

X en Y

De coördinaten van de monitoringlocatie in het stelsel van Rijksdriehoekmeting. Als meerdere monitoringlocaties gedefinieerd worden met dezelfde coördinatenparen (meerdere filters in één winning) dient voor elke locatie een nieuwe, unieke code gegeven te worden.

Filter

Nummer van het filter. Dit veld is niet verplicht. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Mlcsoort

Het veld MLCSOORT geeft het soort meetlocatie: Toestand en Trend, Operationeel of beide. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCSOORT in de bijlagen.

Mlctype

Het type locatie wordt bij MLCTYPE ingevuld. Hier wordt aangegeven of het een locatie in het Kwaliteits- of het Kwantiteitsmeetnet betreft. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCTYPE in de bijlagen.

Construction

De naam CONSTRUCTION verwijst naar het EU rapportageformaat waarin aangegeven wordt of de locatie een ‘well’ (put) of een ‘spring’ (bron) betreft. In dit veld wordt de DINO codering gebruikt voor het locatietype. Voor mogelijke coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDINO.

Top_depth

Bovenkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Bottom_depth

Onderkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Diepte

De diepte van de locatie in cm onder maaiveld.

Owner

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

Mlcopme

In dit veld kunnen opmerkingen geplaatst worden

Gafident

Code van het deelstroomgebied waarin de locatie ligt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

Drinkwater

Hier aangeven of de locatie een winning is en het water gebruikt wordt voor menselijke consumptie

Toelichting

In de tabel MLCGWB_PAR wordt aangegeven welke parameters en/of kwaliteitselementen per locatie gerapporteerd worden. Tevens wordt per kwaliteitselement/parameter aangegeven hoe vaak de monitoring plaatsvindt en voor welk meetnet, Toestand en Trend of Operationeel, de parameter gemeten wordt.

Mlcident

Unieke code van de monitoringlocatie. Elke monitoringlocatie in de tabel MLCGWB dient ook voor te komen in de tabel MLCGWB_PAR. Dat wil zeggen dat voor elke locatie tenminste één parameter/kwaliteitselement gerapporteerd wordt.

Domgwcod

Code van de te rapporteren parameter of kwaliteitselement. Voor elke parameter of kwaliteitselement wordt één regel opgenomen. Voor mogelijke codes van parameters of kwaliteitselementen wordt verwezen naar de domeintabellen op www.idsw.nl. Voor het grondwatermonitoringprogramma kan de specifieke codering ‘STANDAARD’ gebruikt worden. Voor een locatie in het kwantiteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Kwantiteit’) betekent dit dat de stijghoogte gemeten wordt, voor een locatie in het kwaliteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Chemie’) betekent ‘STANDAARD’ dat de volgende parameters gerapporteerd worden:

Monfreq

Monfreq

De monitoringsfrequentie in het aantal metingen in één jaar. MONFREQ=12 betekent dat er 12 maal in één jaar gemeten wordt. en MONCYCLUS=6 betekent dat één maal per 6 jaar gerapporteerd wordt.

Moncyclus

Monitoringcyclus in jaren. Dus om de hoeveel jaar vindt de monitoring plaats (bijvoorbeeld: één keer per 6 jaar, MONCYCLUS = 6 invullen; elk jaar MONCYCLUS = 1 )

Soort meetnet waar deze parameter in opgenomen wordt. Er kan gekozen worden uit TT (Toestand en Trens) of OM (Operationeel), maar niet beide. Voor een parameter in een TT meetnet geldt standaard MONCYCLUS=6 en voor het OM meetnet MONCYCLUS=1.

Formulier V:. Rapportage format maatregelen

Formulier V:. Rapportage format maatregelen

Voor het realiseren van de KRW-doelen die zijn opgesteld voor grond- en oppervlaktewaterlichamen worden maatregelen uitgevoerd. De maatregelen met bijbehorende kenmerken zoals omvang, initiatiefnemerkosten, kosten en uitvoeringsperiode zijn opgenomen in een landelijke database. De maatregelen die worden opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) en waarvan de uitvoering uiterlijk 2015 is voorzien zijn resultaatsverplicht.

Verplicht en optioneel

Verplicht en optioneel

Informatie over de maatregelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in de centrale database via de KRWmaatregelen website (vanaf dec 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal) De website bevat een verplicht en een optioneel deel. Het verplichte deel bevat informatie die benodigd is voor het opstellen van het SGBP en andere landelijke plannen. Het optionele deel is herkenbaar door een grijze arcering en kan worden gebruikt voor het opslaan van aanvullende (niet-verplichte) informatie die van belang kan zijn voor het opstellen van regionale plannen.

Tabellen

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

Maatregelen tabel

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

Toelichting

Code van het deelstroomgebied waar de maatregel genomen wordt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

2. Wbhcode

Code van de verantwoordelijke waterbeheerder. Voor de codes wordt verwezen naar het veld WBHCODE in de domeintabel met waterbeheerders (WBH).

3. Matident

Unieke code van de maatregel. Het verdient aanbeveling de maatregel te coderen zoals gebruikelijk is voor oppervlaktewaterlichamen: De eerste vier karakters zijn gereserveerd voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). De overige karakters zijn vrij te kiezen.

4. Matnaam

Naam van de maatregel zoals die door de waterbeheerder is opgegeven

5. Matcode

Maatregel codering volgens SGBP. Hierbij wordt verwezen naar het veld CODE in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD).

6. Mateenh

Eenheid van de maatregel. Welke eenheden toegestaan zijn is afhankelijk van maatregelcodering (MATCODE). Hierbij wordt verwezen naar het veld Eenheid in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD). Dit is alleen van belang voor maatregelen die worden opgenomen in het SGBP

7. Matomv

Omvang van de betreffende maatregel. Deze waarde moet altijd groter zijn dan nul

8. Toelichting

Uitgebreidere beschrijving van de maatregel

9. LocatieType

Het type locatie waar de maatregel van toepassing is. Voor een overzicht van mogelijke locaties wordt verwezen naar de domeintabel Locaties. Maatregelen die worden opgenomen in het SGBP moeten altijd aan één of meerdere waterlichamen worden gekoppeld

10. Locatie

De locatie waar de maatregel van toepassing is. De beschikbare keuzes zijn afhankelijk van het locatietype. Als het locatietype ‘oppervlaktewaterlichaam’ gekozen is dan verwijst de locatie naar de code van het oppervlaktewaterlichaam (het veld OWMIDENT uit de tabel met waterlichamen). Voor een overzicht van mogelijke combinaties van locatie en locatietype wordt verwezen naar de bijlagen.

11. Uitvoerder of initiatiefnemer)

De partij die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een maatregel. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Uitvoerders.

12. Tijdvak

Periode waarin de betreffende maatregel wordt uitgevoerd. Voor maatregelen die in het SGBP worden opgenomen moet worden gekozen uit de voorgedefinieerde tijdvakken. De optie ‘onbekend’ mag dan niet worden gebruikt. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Tijdvakken

13. Status

Status waarin de maatregel verkeerd in de huidige situatie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen: uitgevoerd (bestaat reeds), in uitvoering (wordt momenteel gerealiseerd), begroot (opgenomen in vastgestelde uitvoeringsplannen), gepland (is opgenomen in plannen maar nog niet begroot), concept (is meegenomen in voorlopige uitwerkingen), nieuw (niet eerder benoemd, volgt uit gebiedsproces) en onbekend. Voor een compleet overzicht van mogelijke statussen wordt verwezen naar de domeintabel Status.

14. Document

Naam van de planvorm waarin de maatregel wordt vastgelegd. Voorbeelden zijn: WBP, BHP, BPRW, grondwaterplan, raadsbesluit.

15. Rapporteren

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel in het SGBP moet worden opgenomen. In principe worden alle voorgenomen maatregelen die bijdragen aan KRW-doelen aangevinkt.

16. InvestKosten

Investeringskosten van de maatregel inclusief BTW en exclusief grondverwerving.

17. ExploitKosten

Kosten voor beheer en onderhoud (inclusief BTW), berekend als extra kosten ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan bij een verminderde inspanning dus ook negatief zijn.

18. GrondAantal

Aantal hectaren dat moet worden verworven voor het realiseren van de maatregel

19. GrondKosten

Kosten voor grondverwerving (inclusief BTW) die samenhangen met de uitvoering van KRW-maatregel

20. Wb21

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel ook een bijdrage levert aan het behalen van WB21-doelen

21, 23 en 25. Kostendrager

Naam van de partij die (een deel van) de kosten van de maatregel voor zijn rekening neemt

22, 24 en 26. Kostenpercent

22, 24 en 26. Kostenpercent

Aandeel van de totale kosten dat door de betreffende kostendrager wordt betaald

Naam van het water- of beleidsthema waaraan de maatregel een bijdrage levert. Mogelijke waterthema’s zijn opgenomen in de domeintabel Thema.

Naam van het water- of beleidsthema waaraan de maatregel een bijdrage levert. Mogelijke waterthema’s zijn opgenomen in de domeintabel Thema.

Domeintabellen

De volgende domeintabellen zijn van toepassing:

Formulier VI:. Rapportage format milieudoelstellingen

De term milieudoelstellingen zoals deze wordt gehanteerd in de KRW-gebiedsprocessen en het SGBP heeft betrekking op de motivering van de statustoekenning van waterlichamen, de hoogte van ecologische en fysisch-chemische doelen en de reden waarom de doelen eventueel niet gehaald worden in 2015 (= fasering). De KRW vraagt een uitgebreide motivering van deze onderdelen wanneer wordt afgeweken van de standaardsituatie waarbij voor alle kwaliteitselementen van een waterlichaam de Goede Ecologische Toestand (GET) wordt bereikt in 2015.

a. Gegevens van het waterlichaam

Informatie over de milieudoelstellingen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in de centrale database via de KRWmilieudoelstellingen website (vanaf dec 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

1. Waterlichaam

Dit onderdeel bevat algemene informatie over het waterlichaam die via verschillende andere bronnen wordt toegekend.

a. Gegevens van het waterlichaam

De informatie over de waterlichaamcode, de naam van het waterlichaam, het watertype en de status komt uit de waterlichamen gegevens aangeleverd via het KRW-portaal volgens het format oppervlaktewaterlichamen. De informatie met betrekking tot het watertype wat gebruikt is om de maatlatten vast te stellen, is extra opgenomen in het format milieudoelstellingen en wordt overgenomen uit de aangeleverde informatie uit de KRWdoelen website (vanaf dec 2009 geintegreerd in het KRW-portaal).

De informatie over de waterlichaamcode, de naam van het waterlichaam, het watertype en de status komt uit de waterlichamen gegevens aangeleverd via het KRW-portaal volgens het format oppervlaktewaterlichamen. De informatie met betrekking tot het watertype wat gebruikt is om de maatlatten vast te stellen, is extra opgenomen in het format milieudoelstellingen en wordt overgenomen uit de aangeleverde informatie uit de KRWdoelen website (vanaf dec 2009 geintegreerd in het KRW-portaal).

2. Motivering Status

Aan waterlichamen waar het bereiken van een Goede Ecologische Toestand (GET) voor één of meerdere kwaliteitselementen niet mogelijk is, kan een sterk veranderde of kunstmatige status worden toegekend. Dit dient dan wel goed te worden gemotiveerd. Bij kunstmatige waterlichamen wordt standaard uitgegaan van de motivering dat het waterlichaam gegraven is. Een verbijzondering is dat het waterlichaam voor de ontwatering van hoogveen of laagveen is gegraven. Indien dit van toepassing is, wordt dat ingevuld. In het geval er een andere reden is om het waterlichaam als kunstmatig aan te merken, dan wordt dit in de balk Facultatieve toelichting opgenomen. Bij sterk veranderde waterlichamen is een uitgebreidere motivering vereist:

a. Facultatieve toelichting en verplichte literatuurverwijzing motivering

In dit veld wordt verwezen naar standaardredeneringen omtrent (hydromorfologische) ingrepen voor het bereiken van de goede ecologische toestand die niet worden uitgevoerd in verband met significante negatieve effecten op functies of het milieu in brede zin. Daarbij wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b). Wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardredeneringen, wordt aangegeven in welke documenten en op welke plaats deze zijn vastgelegd. Tevens kan, ter onderbouwing, een korte beschrijving van de statustoekenning worden gegeven.

Aangegeven wordt welke hydromorfologische ingrepen wel zijn overwogen, maar vanwege significant negatieve effecten op gebruiksfuncties of milieu in brede zin zijn afgevallen (conform KRW artikel 4.3a). Dit onderdeel bestaat uit drie stappen, die gezamenlijk een indruk geven van onomkeerbaar geachte ingre(e)p(en) en de impact daarvan:

c. Bereiken nuttige doel met andere middelen beschouwt

Bij ingrepen (maatregelen) die niet in het keuzemenu voorkomen, wordt hier de keuze ‘Anders’ geselecteerd en wordt in de facultatieve toelichting een beschrijving (inclusief gebruiksfunctie/milieuaspect en werkingsmechanisme) opgenomen van de betreffende ingreep. Voor de standaardcombinaties van onomkeerbare ingrepen en gebruiksfunctie/milieukwaliteit zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

c. Bereiken nuttige doel met andere middelen beschouwt

Bij dit onderdeel wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de bij onderdeel b. genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b: ‘kan het nuttige doel dat met de veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen’). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een keuzemenu (zie bijlage 2). Dit onderdeel is verder gemotiveerd per standaardcombinatie van ingreep en gebruiksfunctie/milieukwaliteit (zie bijlage 3).

d. Eerder aangeleverde informatie

Informatie over de onderbouwing van de status die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

3. Motivering afwijking/hoogte GEP

De KRW stelt dat de doelstelling GEP een kleine afwijking mag hebben van het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP). In Nederland zijn voor zowel de biologische als de algemeen fysisch-chemische kwaliteitselementen per (natuurlijk) watertype waarden voor een Goede Ecologische Toestand (GET) afgeleid. Deze zijn uitgebreid beschreven in ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Van der Molen & Pot (redactie), 2007). Voor sloten en kanalen (kunstmatige wateren) zijn voor deze kwaliteitselementen defaultwaarden afgeleid en beschreven in ‘Omschrijving MEP en conceptmaatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Evers et al., 2007).

a. Afleiding MEP naar GEP

Bij dit onderdeel zijn de getalswaarden voor de kwaliteitselementen weergegeven; dit zijn de gegevens die via de website KRWdoelen.nl zijn ingevoerd. In dit geval worden alleen de kwaliteitselementen met een getalswaarde die afwijkt van de betreffende Goede Ecologische Toestand (GET) of de landelijke defaultwaarde weergegeven. Per kwaliteitselement wordt vermeld op welke wijze het GEP is afgeleid van het MEP. Bovendien wordt een verwijzing opgenomen naar achtergronddocumenten waarin de onderbouwing van de hoogte van het GEP is beschreven.

b. Eerder aangeleverde informatie

Informatie over de hoogte van het GEP die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

4. Fasering

Er bestaan verschillende redenen waarom de goede toestand voor een bepaald kwaliteitselement niet in de eerste planperiode kan worden bereikt. De fasering wordt hieronder verder uiteengezet.

a. Beperkende kwaliteitselementen

In dit onderdeel worden de geselecteerde kwaliteitselementen vermeld waarvoor in 2015 het GET of GEP niet wordt gehaald. Per kwaliteitselement (maatlat) worden daarnaast de groep waartoe deze behoort (biologie of fysische-chemie), de getalswaarden van GEP en de verwachting voor 2015 weergegeven

b. Maatregelen uit te voeren na 2015

In dit onderdeel worden de maatregelen (met bijbehorende standaardmaatregelcode) vermeld die na 2015 worden uitgevoerd. De gegevens zijn afkomstig uit de website KRWmaatregelen.nl.

c. Motiveringsgrond fasering

c. Motiveringsgrond fasering

Bij dit onderdeel wordt de formele reden (natuurlijke omstandigheden, onevenredig kostbaar of technisch onhaalbaar) genoemd waarom tot fasering is overgegaan (keuzemenu, zie bijlage 2). Deze reden is gekoppeld aan een bepaald mechanisme waardoor het niet haalbaar is om de doelen al is 2015 te halen (keuzemenu, zie bijlage 2). Dit moet worden gezien als een nadere specificatie van de formele motiveringsgronden die de KRW biedt. Tevens bestaat de mogelijkheid om hier een toelichting op de fasering op te nemen. Deze optie is vooral bedoeld om aanvullende werkingsmechanismen, die niet zijn vermeld in het keuzemenu, te beschrijven en/of een nadere toelichting op de fasering te geven. Voor de standaardcombinaties van motiveringsgrond en mechanisme zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

Informatie over de onderbouwing van de fasering die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

Tabellen Milieudoelstellingen

1Wordt overgenomen uit andere tabellen.

Domeintabellen

Onderbouwing status van waterlichamen (KRW-art. 4.3a en 4.3b)

Algemene motiveringen bij format milieudoelstellingen

Onderbouwing status van waterlichamen (KRW-art. 4.3a en 4.3b)

S1:. Verwijderen waterkeringen

Het verwijderen van waterkeringen heeft via het mechanisme veiligheid nagenoeg altijd negatieve consequenties op één of meerdere gebruiksfuncties. Omdat het areaal waar schade optreedt bij het verwijderen van de waterkering over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk.

S2:. Flexibel peilbeheer in boezemwateren

Door het hanteren van een flexibeler peilbeheer in het boezemwater kunnen in (extreem) natte situaties hogere waterstanden optreden waardoor de kans op overstroming en wateroverlast toe neemt. Een gevolg hiervan is een aanzienlijke schade voor zowel de landbouw als het stedelijk gebied. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. De scheepvaart vraagt eveneens om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (i.v.m. minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (i.v.m. voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S3:. Volledig natuurvriendelijke inrichting van wateren met waterhuishoudkundige functie

Het doorstroomprofiel van primaire en secundaire wateren en de vaarstrook van vaarwateren moet vrij blijven van plantengroei omdat anders de waterhuishouding- en/of scheepvaartfunctie wordt belemmerd. Wanneer in natte perioden niet voldoende afvoer kan worden gerealiseerd heeft dit waterstandverhoging en inundatie tot gevolg met negatieve consequenties voor bijvoorbeeld landbouw en stedelijk gebied. Ook voor de scheepvaart heeft een beperking van de bevaarbaarheid van de vaarstroom negatieve gevolgen. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. Ook het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S4:. Beperken van scheepvaart in grote kanalen

De beroepsscheepvaart heeft een belangrijke economische functie in Nederland, niet alleen als sector op zichzelf, maar ook omdat veel bedrijfstakken afhankelijk zijn van aanvoer/afvoer van grondstoffen of producten per schip. Slechts een beperkt aantal wateren is toegerust op deze scheepvaartfunctie. Verminderen van de scheepvaart betekent dat het transport, gezien het economisch belang, op andere manieren plaats zal moeten vinden en dat sprake zal zijn van inkomstenderving voor de sector zelf. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd.

S5:. Peilwijziging kanalen met beroepsvaart

De waterhuishouding in waterlopen met een scheepvaartfunctie vraagt om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (in verband met minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (in verband met voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit alternatief zal veelal wegtransport betreffen, wat (vanwege de hoge CO2 uitstoot) per saldo aanzienlijke negatieve effecten op het milieu heeft. Daarnaast leidt een wijziging van transport over water naar wegtransport tot onaanvaardbare economische gevolgen voor de beroepsscheepvaart en de industrie die door locatiekeuze en voorzieningen als loskades is ingesteld op vervoer over water.

S6:. Verwijderen sluizen

Sluizen zijn in het verleden aangelegd om de waterstand en de stroomsnelheid te reguleren op een zodanige wijze dat de passeerbaar voor schepen gewaarborgd blijft. Het verwijderen van de sluis heeft tot gevolg dat de waterstand stroomopwaarts van het kunstwerk wordt verlaagd en de waterdiepte wordt verkleind. De mogelijkheden voor de scheepvaart worden door deze ingreep beperkt. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd. Door het verwijderen van sluizen kan tevens niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De oppervlaktewater- en grondwaterstand worden in een groot deel van het jaar lager en extreem lage standen houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S7:. Verwijderen stuwen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebied met een agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. Een te laag grondwaterpeil is ongewenst in gebieden met een landbouwfunctie (verminderde opbrengsten). Het peil van het oppervlaktewater is sterk bepalend voor de grondwaterstand. Dit oppervlaktewaterpeil wordt gereguleerd door stuwen. Het verwijderen van deze stuwen heeft daarmee een verstoring van de grondwaterstand tot gevolg. Bovendien kan door het ontbreken van stuwen niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De grondwaterstand wordt in groot deel van het jaar lager en extreem lage grondwaterstanden houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S8:. Dempen watergangen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensieve agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit in dit gebied alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S9:. Hermeandering beken in agrarisch gebied

Het hermeanderen van beken heeft als doel meer variatie te creëren in het stromingspatroon en substraat van beken. Om dit te realiseren en eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te compenseren, moet areaal worden vrijgemaakt ten behoeve van het verleggen van de beek en wellicht voor mogelijke inundaties die zullen plaatsvinden vanwege het gewijzigde profiel. Hierdoor gaat areaal voor de landbouw verloren, dat in het dichtbevolkte Nederland slechts beperkt en tegen relatief hoge kosten beschikbaar is. Bovendien worden inundaties vanwege de water-/slibkwaliteit op veel plaatsen uit milieuoverwegingen ongewenst geacht. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een acceptabele prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S10:. Verhogen drainagebasis in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen of het verhogen van de drainagebasis heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S11:. Beperken piekafvoeren in bovenlopen agrarisch gebied

Het vasthouden van water in de bovenlopen van het watersysteem door middel van stuwen en verondiepen van waterlopen heeft in dit gebied aanzienlijke gevolgen voor de landbouw. Door deze ingrepen wordt optimale waterhuishoudkundige situatie verstoord en treedt opbrengstderving op als gevolg van vernatting. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S12:. Peilwijziging in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het aanpassen van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S13:. Hanteren natuurlijk waterpeil in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Een natuurlijke fluctuatie van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoort en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S14:. Aankoppelen van beektrajecten/aanleg nevengeul in agrarisch gebied

Het aantakken van beektrajecten of de aanleg van nevengeulen in landbouwgebied heeft als gevolg dat areaal dat in gebruik is bij (intensieve) landbouw moet worden vrijgemaakt ten behoeve van beektrajecten/nevengeulen. Hierdoor gaat areaal voor landbouw verloren. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een redelijke prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S15:. Verwijderen stuwen in stedelijk gebied

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)