← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)

Geldende tekst a fecha 2013-01-01

Gelet op artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet en de artikelen 2.3, tweede lid, 3.1, eerste en tweede lid, 3.3, 3.4, derde en zevende lid, 4.13, 4.18, 6.2, 6.7, eerste lid, 6.11, eerste en derde lid, 6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid, 6.13, tweede lid, 6.15, tweede en derde lid, 6.16, tweede lid, 6.17, 6.19, 6.21, eerste lid, 6.22, derde lid, en 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen

Artikel 2.1

Als categorieën van bedrijven of bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit worden aangewezen de bedrijven en bedrijfsactiviteiten die zijn vermeld in bijlage I bij deze regeling.

Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer

§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

Artikel 3.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 3.2
1.

Het waterkwaliteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze gelegen zijn binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage II bij deze regeling.

2.

Het waterkwantiteitsbeheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage III bij deze regeling.

3.

Het waterstaatkundig beheer van de in artikel 3.1 van het besluit bedoelde oppervlaktewaterlichamen en zijwateren daarvan berust bij het Rijk voor zover deze zijn gelegen binnen de grenzen als aangegeven op de kaart in bijlage IV bij deze regeling.

Artikel 3.3
1.

Als drogere oevergebieden als bedoeld in artikel 3.3, onderdeel b, van het besluit worden aangewezen de gebieden, die als zodanig zijn begrensd op de kaart in bijlage II.

2.

Tot de drogere oevergebieden, bedoeld in het eerste lid, behoren niet:

Artikel 3.4
1.

In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van het oppervlaktewaterlichaam Noordzee aan de zeezijde gevormd door de grenzen van de Nederlandse Exclusieve Economische Zone en de grenzen van de Nederlandse territoriale wateren.

2.

In afwijking van artikel 3.2 wordt de grens van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en de Waddenzee aan de landzijde gevormd door de duinvoet, voor zover zij niet overgaan in andere oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk. Indien geen duinvoet aanwezig is, worden de grenzen van deze oppervlaktewaterlichamen gevormd door de buitenkruinlijn van de primaire waterkering. Het gebied tussen de duinvoet en de grenzen als aangegeven op de kaarten in de bijlagen II, III en IV bij deze regeling is in beheer bij het Rijk.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid worden op en rond de Waddeneilanden de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen Noordzee en Waddenzee gevormd door de op de kaarten in de bijlagen II, III, en IV opgenomen grenzen.

4.

Het beheer van de Noordzee, de Waddenzee, de Eems en de Dollard in de gebieden die zijn aangewezen op de kaarten in de bijlagen II, III en IV van deze regeling, berust bij het Rijk voor zover de Staat der Nederlanden bevoegdheden heeft op grond van het Eems-Dollard Verdrag.

Artikel 3.5
1.

De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee op Terschelling zijn niet in beheer bij het Rijk:

2.

De damwand en aanleginrichtingen van de veerdam op Schiermonnikoog en de terreingedeelten, die bij de veermaatschappij in pacht zijn, met uitzondering van het weglichaam op de veerdam en de verhardingen en taluds daarvan, maken onderdeel uit van het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee en zijn in beheer bij het Rijk.

3.

De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Harlingen zijn niet in beheer bij het Rijk:

4.

De volgende onderdelen van en de inliggende kunstwerken binnen het oppervlaktewaterlichaam Waddenzee te Ameland zijn niet in beheer bij het Rijk:

Artikel 3.6

In afwijking van artikel 3.2, is de begrenzing van het beheergebied van het Rijk voor waterkwaliteitsbeheer, waterkwantiteitsbeheer en waterstaatkundig beheer in het oppervlaktewaterlichaam Grensmaas gelijk aan de landsgrens tussen Nederland en België.

Artikel 3.7

In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, berust het waterkwantiteitsbeheer, voor zover dat in het reglement van het waterschap Blija Buitendijks aan dat waterschap is opgedragen, niet bij het Rijk.

§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

Artikel 3.8
1.

De gegevens, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2014, op 22 juni 2015 en vervolgens elke 6 jaar na die tijdstippen verstrekt.

2.

De resultaten, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel b, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2013 en vervolgens elke 6 jaar verstrekt.

3.

De gegevens, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, onderdeel c, van het besluit, worden uiterlijk op 22 juni 2012 en vervolgens elke 6 jaar verstrekt.

4.

De website, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit, is het KRW-portaal http://krw.ncqi.nl.

5.

Voor de verstrekking van de gegevens en resultaten, bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, van het besluit, wordt gebruik gemaakt van de in bijlage V bij deze regeling opgenomen formulieren.

Hoofdstuk 4. Plannen

Artikel 4.1

Een regionaal waterplan omvat mede een overzicht van de toestandsklasse per stof en kwaliteitselement van elk waterlichaam waarop het plan betrekking heeft, bepaald over de voorgaande planperiode overeenkomstig het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009.

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 5

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.1

In een vergunning krachtens artikel 6.2 van de wet wordt bepaald dat de vergunning geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste tien jaar, indien zij wordt afgegeven voor het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van een of meer stoffen, behorende tot lijst I van bijlage I van richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld in:

Artikel 6.2

Het bevoegd gezag beziet vier jaar nadat een vergunning als bedoeld in artikel 6.1 is verleend, en vervolgens ten minste elke vier jaar, of die vergunning nog toereikend is, gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.3

Het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan, bedoeld in artikel 6.7 van het besluit, geschiedt overeenkomstig de voorschriften van bijlage VI bij deze regeling.

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

Artikel 6.4
1.

Bij een melding van het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, van het besluit, worden de gegevens genoemd in artikel 6.27 verstrekt.

2.

Bij een melding van het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, van het besluit worden de gegevens genoemd in artikel 6.28 verstrekt.

Artikel 6.5
1.

Degene die water infiltreert, meet de kwaliteit van het te infiltreren water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in bijlage VII bij deze regeling opgenomen parameters met de in die bijlage genoemde frequentie.

2.

De analyse van de monsters vindt plaats overeenkomstig bijlage 4 van de Drinkwaterregeling.

§ 4. Het gebruik van rijkswaterstaatswerken

Artikel 6.6

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 6.7

Als gebieden als bedoeld in artikel 6.16, tweede lid, van het besluit, worden aangewezen de gebieden die op de kaarten in bijlage IV bij deze regeling zijn opgenomen.

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.8

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt in ieder geval zodanig uitgevoerd dat:

Artikel 6.9

Het gebruik, bedoeld in art 6.15, eerste lid, van het besluit, wordt wanneer het vaarwegen betreft onverminderd het bepaalde in artikel 6.8, zodanig uitgevoerd dat:

Artikel 6.10

Artikel 6.12, tweede lid, onderdelen a en b, van het besluit is niet van toepassing op kanalen voor wat betreft de bouwwerken en activiteiten bedoeld in:

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

Artikel 6.11
1.

Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

2.

Het bepaalde in het eerste lid, onderdelen d, e en g, is niet van toepassing op kanalen.

Artikel 6.12
1.

Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

2.

Zandverplaatsingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en e, worden binnen één kalenderjaar niet gecombineerd uitgevoerd.

3.

De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, worden uitgevoerd in de zone tussen de duinvoet en de laagwaterlijn.

Artikel 6.13

De rijkswateren, bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel e, van het besluit, zijn de stroomvoerende delen van de wateren, bedoeld in bijlage VIII bij deze regeling.

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

Artikel 6.14
1.

Degene die een werk of een activiteit gaat uitvoeren waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister.

2.

Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

3.

De minister kan degene die een melding doet verzoeken om nadere informatie te verstrekken over de uit te voeren activiteit of het werk, om te kunnen bepalen of maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

Artikel 6.15
1.

Ten aanzien van werken of activiteiten waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, kan de minister met het oog op de bescherming van de belangen die het gestelde in artikel 6.15 van het besluit en de artikelen 6.8 en 6.9 beoogt te waarborgen, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van:

2.

De overeenkomstig het eerste lid te stellen maatwerkvoorschriften leiden er niet toe dat de activiteit of het werk grotendeels of in het geheel geen doorgang kan vinden, tenzij die activiteit naar het oordeel van de beheerder ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het betrokken waterstaatswerk.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het uitvoeren van onderhoud dan wel de aanleg of wijziging of overig gebruik, anders dan in overeenstemming met de functie, van waterstaatswerken voor zover deze activiteiten door of vanwege de beheerder worden verricht.

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.16

Het is verboden om zonder vergunning van de minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet meer dan 5000 m3 water per uur te brengen in, of meer dan 100 m3 water per uur te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, indien:

Artikel 6.17
1.

Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.16, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister indien op de voorgenomen wijze meer dan 5000 m3 water per uur wordt ingebracht of meer dan 100 m3 water per uur wordt onttrokken.

2.

Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:

3.

Ten aanzien van het brengen dan wel onttrekken van water, bedoeld in het eerste lid, kan de minister maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de locatie en de periode, mits deze er niet toe leiden dat het brengen of onttrekken van water geen doorgang kan vinden.

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.18
1.

Een schriftelijke aanvraag voor een watervergunning wordt gedaan door middel van het formulier opgenomen in bijlage IX bij deze regeling.

2.

Een aanvraag voor een watervergunning langs elektronische wijze wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

3.

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het beheer van de gegevens die zijn opgenomen in het deel van de landelijke voorziening dat hem ter beschikking staat. Dit beheer omvat in elk geval de verlening en beperking van toegang tot de gegevens omtrent een aanvraag en de zorg voor de archiefbescheiden.

4.

Ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de landelijke voorziening is het bevoegd gezag verantwoordelijk in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens.

Artikel 6.19

In de aanvraag voor een watervergunning wordt vermeld:

Artikel 6.20
1.

Gegevens en bescheiden die langs elektronische weg bij de aanvraag worden verstrekt, worden aangeleverd in een van de volgende bestandsformaten:

2.

Indien de bestanden langs elektronische weg worden aangeleverd, worden deze uitsluitend als ‘read-only’ (alleen lezen) gekenmerkt.

Artikel 6.21

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.22

Indien de exploitatie van een installatie, van waaruit de lozing waarvoor de vergunning wordt aangevraagd plaatsvindt, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van de exploitatie van een installatie kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan de betreffende lidstaat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel op het tijdstip waarop de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.

Artikel 6.23

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.3 van de wet voor het storten van baggerspecie worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.24

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.5, onderdeel c, van de wet voor het gebruik maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.25

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op werkzaamheden waarbij een waterbodem geheel of gedeeltelijk wordt verwijderd, worden naast de in dat artikel bedoelde gegevens, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.26

Indien een aanvraag als bedoeld in artikel 6.24 betrekking heeft op het gebruik maken van een waterstaatswerk in de Nederlandse exclusieve economische zone, worden de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.27

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, en 6.5, onderdeel b, van de wet voor het onttrekken van grondwater worden onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.28

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 6.4, eerste lid, 6.5, onderdeel b, van de wet voor het infiltreren van water worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.29

Indien een aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het onttrekken van grondwater of het brengen van water in de bodem ten behoeve van een bodemenergiesyteem als bedoeld in artikel 6.4, onderdeel b, van de wet, worden onverminderd het bepaalde in de artikelen 6.27 en 6.28, de volgende gegevens verstrekt:

Artikel 6.30

In de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onderdeel a, van de wet voor het onttrekken van water aan of het brengen van water in een oppervlaktewaterlichaam worden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.19, de volgende gegevens verstrekt:

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 7.2
1.

Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.

2.

De gedurende een etmaal afgevoerde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

waarbij:

Q = het debiet in m3/etmaal;

CZV = het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;

NKj = de som van ammonium-stikstof en organisch gebonden stikstof, bepaald volgens de in artikel 7.16 vermelde analysevoorschriften, in mg/l.

3.

Indien de CZV-waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk

waarbij:

T = het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

T wordt berekend bij:

Artikel 7.3
1.

Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot andere dan zuurstofbindende stoffen wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde gewichtshoeveelheden van de onderstaande groepen van stoffen uitgedrukt in kilogrammen, te delen door:

2.

De gedurende een etmaal afgevoerde gewichtshoeveelheden stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

waarbij:

Q = het debiet in m3/etmaal;

c = de concentratie van respectievelijk de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink, bepaald volgens de in artikel 7.4 van deze regeling vermelde analysevoorschriften in mg/l.

Artikel 7.4

Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse als bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de wet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

waarbij:

n = het berekende aantal meetdagen

tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =

35/e ^0,000175*VeO, met dien verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.

Onder VeG respectievelijk VeZ wordt verstaan de vervuilingswaarde in een jaar van de in de oppervlaktewaterlichamen geloosde stoffen met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink respectievelijk van de stoffen arseen, cadmium en kwik;

N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen wordet geloosd;

σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de afgevoerde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.

Artikel 7.5
1.

De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de wet geschiedt zodanig dat:

2.

De heffingsambtenaar:

3.

De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:

4.

De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

5.

De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.

6.

In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

7.

De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:

Artikel 7.6
1.

De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:

2.

De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.

3.

De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.

Artikel 7.7
1.

Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

Artikel 7.8
1.

Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

2.

Bij toepassing van een meetput geldt dat:

3.

Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

4.

De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.

5.

In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.

6.

Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

Artikel 7.9
1.

De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

2.

Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.

3.

Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:

4.

De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal voor 1 januari 2014 nat gekalibreerd in ingebouwde toestand en daarna ten minste éénmaal per vijf jaar.

5.

Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie in ingebouwde toestand plaats op een door het Nederlands Meetinstituut of een daarmee vergelijkbare instelling gecertificeerde installatie.

6.

Van een debietmeter wordt het meest recente kalibratierapport overgelegd.

Artikel 7.10
1.

De bemonstering vindt plaats met behulp van automatische monstername-apparatuur.

2.

Het bemonsteringsinterval wordt zodanig ingesteld dat een etmaalverzamelmonster wordt verkregen dat bestaat uit ten minste 100 deelmonsters.

3.

Het volume per deelmonster wordt zodanig ingesteld dat de herhaalbaarheid maximaal 5% van het ingestelde volume bedraagt. Bij vacuümmonstername-apparatuur bedraagt het volume per deelmonster minimaal 50 milliliter. Bij ‘in-line’-bemonstering bedraagt het volume per deelmonster minimaal 20 milliliter en wordt een etmaalverzamelmonster verkregen dat bestaat uit ten minste 250 deelmonsters.

4.

Het monsterverzamelvat heeft een zodanige inhoud dat het vat gedurende het etmaal niet overloopt.

5.

Zowel het monsterverzamelvat als andere onderdelen van de monstername-apparatuur die met het afvalwater in aanraking komen, zijn gemaakt van gemakkelijk te reinigen, inert materiaal, dat de uit te voeren analyse niet beïnvloedt. Het monsterverzamelvat kan gemakkelijk uitgenomen worden en is uitgevoerd als emmer of als vat met een wijde hals zodat met een monsterschep gemakkelijk kan worden geroerd en geschept. Tijdens het etmaal is het monsterverzamelvat afgesloten met een goed afsluitende deksel.

Artikel 7.11
1.

Het aanzuigpunt van een open meetsysteem bevindt zich zo dicht mogelijk stroomafwaarts van de obstructie. Op het aanzuigpunt stroomt het afvalwater turbulent.

2.

Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur is de aanzuigleiding zo kort mogelijk en onder afschot gelegd. De aanzuigleiding is beschermd tegen bevriezing en direct zonlicht. In de aanzuigleiding bevinden zich geen knikken of overbodige bochten. Het aanzuigpunt bevindt zich onder het vloeistofoppervlak.

3.

De diameter van alle doorstroomde delen van de monstername-apparatuur van het aanzuigpunt tot het punt waar het monster wordt afgeleverd in het monsterverzamelvat bedraagt minimaal 13 millimeter. Bij gebruik van vacuümmonstername-apparatuur bedraagt de gemiddelde aanzuigsnelheid minimaal 0,3 meter per seconde.

4.

Bij het afvoeren van het deelmonster naar het monsterverzamelvat wordt voorkomen dat het monster wordt belucht.

Artikel 7.12
1.

Bij bemonstering met behulp van ‘in-line’-monstername-apparatuur bevindt het bemonsteringspunt zich niet in een bocht of een vernauwing in de leiding. Indien het te bemonsteren afvalwater wordt afgevoerd met behulp van een pomp dan bevindt het bemonsteringspunt zich aan de perszijde van deze pomp.

2.

Als een gesloten meetsysteem wordt gecombineerd met vacuümmonstername-apparatuur bevindt het aanzuigpunt zich op het punt waar de gesloten leiding uitmondt in een open afvoersysteem of er is vanuit de gesloten leiding een aftakking gemaakt, uitmondend in een doorstroomd buffervat waaruit wordt bemonsterd. De stroomsnelheid van het afvalwater in de aftakking is in dat geval ten minste gelijk aan die in de hoofdleiding.

Artikel 7.13
1.

De deelmonsters in het monsterverzamelvat worden bewaard bij een temperatuur hoger dan 0°C en lager dan of gelijk aan 4°C.

2.

Bemonsteringsbenodigdheden die in aanraking komen met het afvalwater zijn gemaakt van eenvoudig te reinigen inert materiaal dat de later uit te voeren analyses niet beïnvloedt.

3.

De monsters uit het etmaalverzamelmonster zijn binnen een uur na afloop van het etmaal genomen.

4.

De monsters worden met een voldoende grote monsterschep genomen. De gehele inhoud van het monsterverzamelvat wordt elke keer, voordat geschept wordt, zodanig geroerd worden dat al het eventueel bezonken materiaal wordt opgemengd. Daarbij wordt de monsterlepel afwisselend links- en rechtsom geroerd.

5.

De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar moeten om en om gevuld worden.

Artikel 7.14
1.

De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch geconserveerd geschiedt dit binnen 4 uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.

2.

De voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt zodanig uitgevoerd dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt verstoord.

3.

Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering gelden.

Analyse op: Temperatuur (T) in graden celsius van het monster tot het einde van de bewaartermijn Methode van conservering Maximale bewaartermijn
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) < 50 mg/l 0 < T ≤ 4° Koelen 24 uur
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) ≥ 50 mg/l 0 < T ≤ 4° Koelen 24 uur
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) ≥ 50 mg/l
Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) ≥ 50 mg/l T ≤ -18° Invriezen 72 uur
Chemisch zuurstof-verbruik (CZV) 0 < T ≤ 4° Koelen 48 uur
Chemisch zuurstof-verbruik (CZV)
Chemisch zuurstof-verbruik (CZV) 0 < T ≤ 4° Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH < 2 5 dagen
Chemisch zuurstof-verbruik (CZV)
Chemisch zuurstof-verbruik (CZV) T ≤ -18° Invriezen 5 dagen
Kjeldahlstikstof (N-Kj) 0 < T ≤ 4° Koelen 48 uur
Kjeldahlstikstof (N-Kj)
Kjeldahlstikstof (N-Kj) 0 < T ≤ 4° Aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18M) tot pH < 2 5 dagen
Kjeldahlstikstof (N-Kj)
Kjeldahlstikstof (N-Kj) T ≤ -18° Invriezen 5 dagen
Cadmium, arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink 0 < T ≤ 4° Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH < 2 1 maand
Kwik (Hg) 0 < T ≤ 4° Aanzuren met HNO3 (15M) tot pH < 2 en minimaal 0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen 1 maand
Artikel 7.15
1.

De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen op de in dit hoofdstuk vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd.

2.

De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is aangegeven in tabel B.

3.

De in tabel B vermelde bepalingsgrenzen zijn de concentraties van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond worden.

Parameter/stof Ontsluiting volgens normblad Meting volgens normblad Bepalingsgrens in microgram/l
Chemisch zuurstofverbruik NEN 6633
Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof NEN-ISO 5663 of NEN 6646
Biochemisch zuurstofverbruik NEN-EN 1899-1
Arseen NEN-EN-ISO 11969 NEN-EN-ISO 11969 1,5
Cadmium NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 15,00
Chroom NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 100,00
Koper NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 35,00
Kwik NEN-EN 1483 NEN-EN 1483 0,25
Lood NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 125,00
Nikkel NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 100,00
Zink NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN 6961 NEN 6965 NEN 6965/C1 NEN 6966 NEN 6966/C1 NEN 17294-2 35,00
4.

Indien het chloridegehalte en het metaalgehalte van het afvalwater hoger is dan 10 g/l onderscheidenlijk kleiner is dan 0,1 mg/l, geldt met betrekking tot de stoffen cadmium, koper, lood, nikkel en zink het volgende:

Stof Meting volgens normblad Bepalingsgrens in microgrammen/l
Cadmium NEN 6964 NEN 6964/C1 NEN-EN-ISO 5961 0,30
Chroom NEN 6964 NEN 6964/C1 2,00
Koper NEN 6964 NEN 6964/C1 10,00
Lood NEN 6964 NEN 6964/C1 10,00
Nikkel NEN 6964 NEN 6964/C1 7,00

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 8.1
1.

Van een vergunning als bedoeld in artikel 20 van de Uitvoeringsregeling waterhuishouding die voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.16 en 6.17 onherroepelijk is, worden voor handelingen als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften gesteld krachtens artikel 6.17, derde lid, voor zover die voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften krachtens dat artikel.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een vergunning als bedoeld in dat lid, die overeenkomstig artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet is verleend en onherroepelijk is geworden.

Artikel 8.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 22 december 2009 met uitzondering van artikel 6.18, tweede, derde en vierde lid, dat in werking treedt met ingang van 10 oktober 2011.

Artikel 8.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Waterregeling.

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

Bijlage I. Bedrijven en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2.3 van het besluit (bijlage bij artikel 2.1 van de Waterregeling)

Bijlage II. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwaliteitsbeheer voert, en grenzen van drogere oevergebieden (bijlage bij artikel 3.2, eerste lid, en 3.3 van de Waterregeling)

Ligt ter inzage op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en is gepubliceerd op www.waterwet.nl.

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

Voor de KRW rapportages worden de belastingen op het oppervlaktewater onderverdeeld in vijf categorieën:

De informatie met betrekking tot de puntbronnen en diffuse bronnen is afkomstig van de landelijke emissieregistratie.

Informatie over belastingen in de categorieën onttrekkingen, regulering waterbewegingen en morfologische aanpassingen wordt ingevuld door de waterbeheerders op de website Inventarisatie Druk/belasting Oppervlaktewaterlichamen. De gegevens worden in 2010 geïntegreerd met andere KRW informatie op het KRW Portaal. Na integratie zal de beschikbare informatie op een andere, efficiëntere manier opgeslagen worden. Het hieronder beschreven formaat heeft dus een beperkte geldigheid.

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

Voor elk waterlichaam uit het beheergebied van de waterbeheerder wordt voor alle 54 typen belasting aangegeven of de betreffende belasting aanwezig is en of de aanwezigheid significant is. Aanwezigheid en significantie wordt door middel van een vinkje op de website aangegeven. De beheerder heeft de mogelijkheid per type belasting een nadere toelichting te geven. Per waterlichaam vult de waterbeheerder onderstaande tabel in:

De Kaderrichtlijn Water vereist het vastleggen van doelen voor biologische kwaliteitselementen en enkele algemeen fysisch-chemische parameters per waterlichaam. De betreffende fysisch-chemische parameters vormen geen onderdeel van de chemische toestand, maar zijn ondersteunend voor het bereiken van de goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP). De doelen dienen in principe in 2015 te worden gehaald. In de meeste gevallen wordt echter een beroep gedaan op de formele mogelijkheden die de KRW biedt om de doelen gefaseerd te bereiken waarbij het jaar 2027 als deadline wordt gehanteerd. De ecologische doelen hebben dan betrekking op deze eindsituatie. Om een goed beeld te krijgen van de ecologische toestand aan het einde van de planperiode worden tevens de verwachte waarden van de kwaliteitselementen in 2015 opgegeven. Tot slot wordt tevens per kwaliteitselement opgenomen wat de huidige toestand is. Uitgangspunt van de KRW is dat deze niet mag verslechteren.

Inhoud rapportage

Informatie over de ecologische doelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in een centrale database via de KRW-doelen website (vanaf eind 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

Verplicht en optioneel

Verplicht en optioneel

De databank bevat waarden voor de biologische en algemeen fysisch-chemische parameters voor de huidige toestand en de situatie in 2015. De huidige toestand is in eerste instantie ingevuld als inschatting van de waterbeheerder, maar is sinds juli 2009 vervangen door de gerapporteerde toestand (formaat toestand oppervlaktewaterlichamen). De situatie 2015 wordt door de waterbeheerder ingevuld. Dat geldt eveneens voor de waarden die de grenzen tussen verschillende toestandsklassen (goed, matig, ontoereikend, slecht) markeren. Indien niets wordt ingevuld worden de landelijk vastgestelde waarden volgens de maatlatten van natuurlijke waterlichamen of de defaultwaarden van de maatlatten van sloten en kanalen aangehouden. De databank biedt de mogelijkheid om ook waarden op het niveau van deelmaatlatten toe te kennen. Deze gegevens zijn echter niet verplicht en dienen vooral voor de onderbouwing van oordelen op het niveau van maatlatten.

Voor rapportage van de ecologische doelen worden de volgende maatlatten onderscheiden (afhankelijk van het type waterlichaam kunnen bepaalde kwaliteitselementen of parameters achterwege blijven):

Voor rapportage van de ecologische doelen worden de volgende maatlatten onderscheiden (afhankelijk van het type waterlichaam kunnen bepaalde kwaliteitselementen of parameters achterwege blijven):

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Voor de fysisch-chemische parameters zijn eveneens maatlatten afgeleid. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van een ratio maar worden de scores uitgedrukt in de gebruikelijke eenheden.

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Voor natuurlijke wateren wordt als doelstelling automatisch de Goede Ecologische Toestand (GET) aangehouden volgens de betreffende maatlatten van natuurlijke wateren. Voor de biologische kwaliteitselementen is deze gelijk aan 0,6. Voor sterk veranderde wateren wordt door de waterbeheerder een waarde voor het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) en het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) ingevuld. De waarde betreft een score (streepje) op de maatlat van de natuurlijke wateren. Voor kunstmatige wateren (watertypen M1 tot en met M10) zijn de GEP-waarden voorbedrukt. Deze zijn afkomstig van de default maatlatten voor sloten en kanalen. Indien er afgeweken wordt van de default maatlatten, dan kunnen de waarden gewijzigd worden.

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

Status en type voor ecologische doelen

De status en het typegebruikt voor het vaststellen van de maatlatten en doelen, worden aangeleverd in de tabel OWMDOEL volgens onderstaand formaat:

De status en het typegebruikt voor het vaststellen van de maatlatten en doelen, worden aangeleverd in de tabel OWMDOEL volgens onderstaand formaat:

De klassengrenzen en doelbereik 2015 worden voor de biologische kwaliteitselementen en de fysisch-chemische parameters aangeleverd in de tabel DOELEN volgens onderstaand formaat:

1Voor natuurlijke wateren wordt de GET gegeven, voor kunstmatige en sterk veranderde wateren wordt het MEP en GEP ingevuld.

Alle waarden voor GET, MEP, GEP, Matig, Ontoereikend, Slecht, Huidig en Doel2015 worden aangeleverd als getal in de eenheid van de maatlat. Voor de inschatting van de huidige toestand en het doelbereik 2015 kan bij het ontbreken van numerieke waarden gekozen worden voor één van de volgende letterlijke teksten: ‘goed’, ‘matig’, ‘ontoereikend’, ‘slecht’, ‘voldoet’ of ‘voldoet niet’. De inschatting van de huidige toestand is tot juli 2009 gebruikt, maar is vanaf juli 2009 niet meer relevant. De huidige toestand wordt dan gerapporteerd via het format oppervlaktewaterlichamen oordelen.

Bij de specificatie van één enkel getal als klassengrens wordt deze geïnterpreteerd zoals aangegeven in onderstaande tabel.

Klassengrenzen kunnen gespecificeerd worden met de tekens <=, <, >, of >= gevolgd door een getal.

Een boven- en ondergrens wordt gespecificeerd als twee grenzen, verbonden met een min teken.

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Enkele voorbeelden van klassengrenzen:

Inhoud rapportage

Inhoud rapportage

Voor de KRW rapportages wordt de informatie met betrekking tot grondwaterlichamen en oordelen uitgewisseld in drie tabellen:

Tabel GWB – grondwaterlichamen

Tabel GWB – grondwaterlichamen

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Gwbgident

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gafident

De code van het deelstroomgebied waar het grondwaterlichaam in ligt. Voor mogelijke codes wordt verwezen naar de domeintabel GAF15NL.

De code van het deelstroomgebied waar het grondwaterlichaam in ligt. Voor mogelijke codes wordt verwezen naar de domeintabel GAF15NL.

Gwbident

Voorbeeld: het grondwaterlichaam met GWBIDENT = NLGW0016 (Duin Rijn-West) bestaat uit 7 vlakjes met GWBGIDENT = NLGW001601 t/m NLGW001607. De 7 vlakken representeren 7 afzonderlijke duingebieden.

Gwbnaam

Naam van het grondwaterlichaam

Gwbhoriz

Horizon van het grondwaterlichaam. Bij overlappende grondwaterlichamen wordt GWBHORIZ gebruikt om de verticale positie aan te geven. GWBHORIZ = 1 is het ondiepste, GWBHORIZ=3 is het diepste niveau.

Gwbsubst

Substraat van het grondwaterlichaam. Voor mogelijke keuzes wordt verwezen naar de domeintabel GWSUBST.

Gwboppv

Oppervlakte van het grondwaterlichaam in vierkante meter

Gwbopme

Opmerking over ligging, begrenzing grondwaterlichaam

Tabel GWBKWAL – Oordelen grondwaterkwaliteit

In de tabel GWBKWAL worden de oordelen met betrekking tot de waterkwaliteit van de grondwaterlichamen gegeven. Voor elk grondwaterlichaam worden twee oordelen gegeven: een oordeel voor het diepe grondwater (25 meter) en een oordeel voor het ondiepe grondwater (10 meter). Afwijkende dieptes kunnen in het veld diepte_m opgegeven worden in meters beneden maaiveld.

Tabel GWBKWAN – Oordelen kwantiteit grondwaterlichamen

Tabel GWBKWAN – Oordelen kwantiteit grondwaterlichamen

In de tabel GWBKWAN wordt per grondwaterlichaam één regel met oordelen opgenomen. Behalve het totaal oordeel wordt tevens een oordeel gegeven over de invloed op terrestrische ecosystemen, de relatie met het oppervlaktewater en een oordeel met betrekking tot het evenwicht onttrekking/aanvulling.

Het grondwater monitoringprogramma bevat locaties voor het monitoring van de kwantiteit en locaties voor het monitoren van de kwaliteit, de chemie. Binnen het onderdeel kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen Toestand en Trend monitoring en Operationele monitoring.

Het grondwater monitoringprogramma bevat locaties voor het monitoring van de kwantiteit en locaties voor het monitoren van de kwaliteit, de chemie. Binnen het onderdeel kwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen Toestand en Trend monitoring en Operationele monitoring.

Naast een samenvatting van het monitoringprogramma moet informatie per grondwatermonitoringlocatie aangeleverd worden door de provincies volgens onderstaand format.

Tabellen

Tabellen

Tabellen

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

Mlcident

Een grondwatermonitoringlocatie is dus eigenlijk een 3D locatie. Op één x,y coordinaat kunnen dus meerdere locaties voorkomen als er meerdere filters opgevoerd worden voor de KRW.

Mlcnaam

Dit is de naam van de monitoringlocatie. De naam is vrij te kiezen en dient als herkenning voor de waterbeheerder.

Gwbident

De code van het grondwaterlichaam waar de monitoringlocatie in ligt. Voor de lijst met coderingen wordt verwezen naar de tabel met grondwaterlichamen (GWB)

X en Y

De coördinaten van de monitoringlocatie in het stelsel van Rijksdriehoekmeting. Als meerdere monitoringlocaties gedefinieerd worden met dezelfde coördinatenparen (meerdere filters in één winning) dient voor elke locatie een nieuwe, unieke code gegeven te worden.

Filter

Nummer van het filter. Dit veld is niet verplicht. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Mlcsoort

Het veld MLCSOORT geeft het soort meetlocatie: Toestand en Trend, Operationeel of beide. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCSOORT in de bijlagen.

Mlctype

Het type locatie wordt bij MLCTYPE ingevuld. Hier wordt aangegeven of het een locatie in het Kwaliteits- of het Kwantiteitsmeetnet betreft. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCTYPE in de bijlagen.

Construction

De naam CONSTRUCTION verwijst naar het EU rapportageformaat waarin aangegeven wordt of de locatie een ‘well’ (put) of een ‘spring’ (bron) betreft. In dit veld wordt de DINO codering gebruikt voor het locatietype. Voor mogelijke coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDINO.

Top_depth

Bovenkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Bottom_depth

Onderkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Diepte

De diepte van de locatie in cm onder maaiveld.

Owner

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

Mlcopme

In dit veld kunnen opmerkingen geplaatst worden

Gafident

Code van het deelstroomgebied waarin de locatie ligt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

Code van het deelstroomgebied waarin de locatie ligt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

Drinkwater

In de tabel MLCGWB_DOEL wordt per locatie aangegeven welke meetdoelen van toepassing zijn. Voor elk doel wordt een aparte regel in de tabel opgenomen. Voor mogelijke meetdoelen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDOEL.

Toelichting

In de tabel MLCGWB_PAR wordt aangegeven welke parameters en/of kwaliteitselementen per locatie gerapporteerd worden. Tevens wordt per kwaliteitselement/parameter aangegeven hoe vaak de monitoring plaatsvindt en voor welk meetnet, Toestand en Trend of Operationeel, de parameter gemeten wordt.

Mlcident

Unieke code van de monitoringlocatie. Elke monitoringlocatie in de tabel MLCGWB dient ook voor te komen in de tabel MLCGWB_PAR. Dat wil zeggen dat voor elke locatie tenminste één parameter/kwaliteitselement gerapporteerd wordt.

Domgwcod

Code van de te rapporteren parameter of kwaliteitselement. Voor elke parameter of kwaliteitselement wordt één regel opgenomen. Voor mogelijke codes van parameters of kwaliteitselementen wordt verwezen naar de domeintabellen op www.idsw.nl. Voor het grondwatermonitoringprogramma kan de specifieke codering ‘STANDAARD’ gebruikt worden. Voor een locatie in het kwantiteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Kwantiteit’) betekent dit dat de stijghoogte gemeten wordt, voor een locatie in het kwaliteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Chemie’) betekent ‘STANDAARD’ dat de volgende parameters gerapporteerd worden:

Monfreq

De monitoringsfrequentie in het aantal metingen in één jaar. MONFREQ=12 betekent dat er 12 maal in één jaar gemeten wordt. en MONCYCLUS=6 betekent dat één maal per 6 jaar gerapporteerd wordt.

Moncyclus

Monitoringcyclus in jaren. Dus om de hoeveel jaar vindt de monitoring plaats (bijvoorbeeld: één keer per 6 jaar, MONCYCLUS = 6 invullen; elk jaar MONCYCLUS = 1 )

Mlcsoort

Mlcsoort

Soort meetnet waar deze parameter in opgenomen wordt. Er kan gekozen worden uit TT (Toestand en Trens) of OM (Operationeel), maar niet beide. Voor een parameter in een TT meetnet geldt standaard MONCYCLUS=6 en voor het OM meetnet MONCYCLUS=1.

Inhoud Rapportage

Voor het realiseren van de KRW-doelen die zijn opgesteld voor grond- en oppervlaktewaterlichamen worden maatregelen uitgevoerd. De maatregelen met bijbehorende kenmerken zoals omvang, initiatiefnemerkosten, kosten en uitvoeringsperiode zijn opgenomen in een landelijke database. De maatregelen die worden opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) en waarvan de uitvoering uiterlijk 2015 is voorzien zijn resultaatsverplicht.

Voor het realiseren van de KRW-doelen die zijn opgesteld voor grond- en oppervlaktewaterlichamen worden maatregelen uitgevoerd. De maatregelen met bijbehorende kenmerken zoals omvang, initiatiefnemerkosten, kosten en uitvoeringsperiode zijn opgenomen in een landelijke database. De maatregelen die worden opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) en waarvan de uitvoering uiterlijk 2015 is voorzien zijn resultaatsverplicht.

Verplicht en optioneel

Tabellen

De maatregelen die moeten worden opgenomen in het SGBP moeten altijd worden gekoppeld aan waterlichamen. In enkele gevallen kan daarvoor gebruik worden gemaakt van een één op meer koppeling (koppeling aan cluster waterlichamen of hele beheergebied). In het eerste geval moeten de betreffende waterlichaamcodes wel onder ‘Locatie’ worden vermeld.

Maatregelen tabel

Maatregelen tabel

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

1. Gafident

Code van het deelstroomgebied waar de maatregel genomen wordt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

2. Wbhcode

Code van de verantwoordelijke waterbeheerder. Voor de codes wordt verwezen naar het veld WBHCODE in de domeintabel met waterbeheerders (WBH).

3. Matident

Unieke code van de maatregel. Het verdient aanbeveling de maatregel te coderen zoals gebruikelijk is voor oppervlaktewaterlichamen: De eerste vier karakters zijn gereserveerd voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). De overige karakters zijn vrij te kiezen.

4. Matnaam

Naam van de maatregel zoals die door de waterbeheerder is opgegeven

5. Matcode

Maatregel codering volgens SGBP. Hierbij wordt verwezen naar het veld CODE in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD).

6. Mateenh

Eenheid van de maatregel. Welke eenheden toegestaan zijn is afhankelijk van maatregelcodering (MATCODE). Hierbij wordt verwezen naar het veld Eenheid in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD). Dit is alleen van belang voor maatregelen die worden opgenomen in het SGBP

7. Matomv

Omvang van de betreffende maatregel. Deze waarde moet altijd groter zijn dan nul

8. Toelichting

Uitgebreidere beschrijving van de maatregel

9. LocatieType

Het type locatie waar de maatregel van toepassing is. Voor een overzicht van mogelijke locaties wordt verwezen naar de domeintabel Locaties. Maatregelen die worden opgenomen in het SGBP moeten altijd aan één of meerdere waterlichamen worden gekoppeld

10. Locatie

De locatie waar de maatregel van toepassing is. De beschikbare keuzes zijn afhankelijk van het locatietype. Als het locatietype ‘oppervlaktewaterlichaam’ gekozen is dan verwijst de locatie naar de code van het oppervlaktewaterlichaam (het veld OWMIDENT uit de tabel met waterlichamen). Voor een overzicht van mogelijke combinaties van locatie en locatietype wordt verwezen naar de bijlagen.

11. Uitvoerder of initiatiefnemer)

De partij die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een maatregel. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Uitvoerders.

12. Tijdvak

Periode waarin de betreffende maatregel wordt uitgevoerd. Voor maatregelen die in het SGBP worden opgenomen moet worden gekozen uit de voorgedefinieerde tijdvakken. De optie ‘onbekend’ mag dan niet worden gebruikt. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Tijdvakken

13. Status

Status waarin de maatregel verkeerd in de huidige situatie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen: uitgevoerd (bestaat reeds), in uitvoering (wordt momenteel gerealiseerd), begroot (opgenomen in vastgestelde uitvoeringsplannen), gepland (is opgenomen in plannen maar nog niet begroot), concept (is meegenomen in voorlopige uitwerkingen), nieuw (niet eerder benoemd, volgt uit gebiedsproces) en onbekend. Voor een compleet overzicht van mogelijke statussen wordt verwezen naar de domeintabel Status.

14. Document

Naam van de planvorm waarin de maatregel wordt vastgelegd. Voorbeelden zijn: WBP, BHP, BPRW, grondwaterplan, raadsbesluit.

15. Rapporteren

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel in het SGBP moet worden opgenomen. In principe worden alle voorgenomen maatregelen die bijdragen aan KRW-doelen aangevinkt.

16. InvestKosten

Investeringskosten van de maatregel inclusief BTW en exclusief grondverwerving.

17. ExploitKosten

Kosten voor beheer en onderhoud (inclusief BTW), berekend als extra kosten ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan bij een verminderde inspanning dus ook negatief zijn.

18. GrondAantal

Aantal hectaren dat moet worden verworven voor het realiseren van de maatregel

19. GrondKosten

Kosten voor grondverwerving (inclusief BTW) die samenhangen met de uitvoering van KRW-maatregel

20. Wb21

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel ook een bijdrage levert aan het behalen van WB21-doelen

21, 23 en 25. Kostendrager

Naam van de partij die (een deel van) de kosten van de maatregel voor zijn rekening neemt

22, 24 en 26. Kostenpercent

Aandeel van de totale kosten dat door de betreffende kostendrager wordt betaald

27. Thema

Naam van het water- of beleidsthema waaraan de maatregel een bijdrage levert. Mogelijke waterthema’s zijn opgenomen in de domeintabel Thema.

Domeintabellen

Domeintabellen

De volgende domeintabellen zijn van toepassing:

De term milieudoelstellingen zoals deze wordt gehanteerd in de KRW-gebiedsprocessen en het SGBP heeft betrekking op de motivering van de statustoekenning van waterlichamen, de hoogte van ecologische en fysisch-chemische doelen en de reden waarom de doelen eventueel niet gehaald worden in 2015 (= fasering). De KRW vraagt een uitgebreide motivering van deze onderdelen wanneer wordt afgeweken van de standaardsituatie waarbij voor alle kwaliteitselementen van een waterlichaam de Goede Ecologische Toestand (GET) wordt bereikt in 2015.

De term milieudoelstellingen zoals deze wordt gehanteerd in de KRW-gebiedsprocessen en het SGBP heeft betrekking op de motivering van de statustoekenning van waterlichamen, de hoogte van ecologische en fysisch-chemische doelen en de reden waarom de doelen eventueel niet gehaald worden in 2015 (= fasering). De KRW vraagt een uitgebreide motivering van deze onderdelen wanneer wordt afgeweken van de standaardsituatie waarbij voor alle kwaliteitselementen van een waterlichaam de Goede Ecologische Toestand (GET) wordt bereikt in 2015.

1. Waterlichaam

De gegevens met betrekking tot de milieudoelstellingen worden in vier groepen onderverdeeld

1. Waterlichaam

Dit onderdeel bevat algemene informatie over het waterlichaam die via verschillende andere bronnen wordt toegekend.

a. Gegevens van het waterlichaam

De informatie over de waterlichaamcode, de naam van het waterlichaam, het watertype en de status komt uit de waterlichamen gegevens aangeleverd via het KRW-portaal volgens het format oppervlaktewaterlichamen. De informatie met betrekking tot het watertype wat gebruikt is om de maatlatten vast te stellen, is extra opgenomen in het format milieudoelstellingen en wordt overgenomen uit de aangeleverde informatie uit de KRWdoelen website (vanaf dec 2009 geintegreerd in het KRW-portaal).

2. Motivering Status

Aan waterlichamen waar het bereiken van een Goede Ecologische Toestand (GET) voor één of meerdere kwaliteitselementen niet mogelijk is, kan een sterk veranderde of kunstmatige status worden toegekend. Dit dient dan wel goed te worden gemotiveerd. Bij kunstmatige waterlichamen wordt standaard uitgegaan van de motivering dat het waterlichaam gegraven is. Een verbijzondering is dat het waterlichaam voor de ontwatering van hoogveen of laagveen is gegraven. Indien dit van toepassing is, wordt dat ingevuld. In het geval er een andere reden is om het waterlichaam als kunstmatig aan te merken, dan wordt dit in de balk Facultatieve toelichting opgenomen. Bij sterk veranderde waterlichamen is een uitgebreidere motivering vereist:

a. Facultatieve toelichting en verplichte literatuurverwijzing motivering

In dit veld wordt verwezen naar standaardredeneringen omtrent (hydromorfologische) ingrepen voor het bereiken van de goede ecologische toestand die niet worden uitgevoerd in verband met significante negatieve effecten op functies of het milieu in brede zin. Daarbij wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b). Wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardredeneringen, wordt aangegeven in welke documenten en op welke plaats deze zijn vastgelegd. Tevens kan, ter onderbouwing, een korte beschrijving van de statustoekenning worden gegeven.

In dit veld wordt verwezen naar standaardredeneringen omtrent (hydromorfologische) ingrepen voor het bereiken van de goede ecologische toestand die niet worden uitgevoerd in verband met significante negatieve effecten op functies of het milieu in brede zin. Daarbij wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b). Wanneer gebruik wordt gemaakt van standaardredeneringen, wordt aangegeven in welke documenten en op welke plaats deze zijn vastgelegd. Tevens kan, ter onderbouwing, een korte beschrijving van de statustoekenning worden gegeven.

b. Significante negatieve effecten

Bij ingrepen (maatregelen) die niet in het keuzemenu voorkomen, wordt hier de keuze ‘Anders’ geselecteerd en wordt in de facultatieve toelichting een beschrijving (inclusief gebruiksfunctie/milieuaspect en werkingsmechanisme) opgenomen van de betreffende ingreep. Voor de standaardcombinaties van onomkeerbare ingrepen en gebruiksfunctie/milieukwaliteit zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

c. Bereiken nuttige doel met andere middelen beschouwt

Bij dit onderdeel wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de bij onderdeel b. genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b: ‘kan het nuttige doel dat met de veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen’). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een keuzemenu (zie bijlage 2). Dit onderdeel is verder gemotiveerd per standaardcombinatie van ingreep en gebruiksfunctie/milieukwaliteit (zie bijlage 3).

Bij dit onderdeel wordt aangegeven waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de bij onderdeel b. genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn beoogd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b: ‘kan het nuttige doel dat met de veranderde aard van het waterlichaam gediend wordt, worden bereikt met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen’). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een keuzemenu (zie bijlage 2). Dit onderdeel is verder gemotiveerd per standaardcombinatie van ingreep en gebruiksfunctie/milieukwaliteit (zie bijlage 3).

d. Eerder aangeleverde informatie

Aan de statusafleiding gaat nog een stap vooraf, namelijk het benoemen van de hydromorfologische ingrepen die in het verleden hebben plaatsgevonden en nu de huidige situatie bepalen. Deze zijn puur informatief en staan formeel in de artikel 5 rapportage. Optioneel worden deze ingrepen hier eveneens opgenomen.

3. Motivering afwijking/hoogte GEP

De KRW stelt dat de doelstelling GEP een kleine afwijking mag hebben van het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP). In Nederland zijn voor zowel de biologische als de algemeen fysisch-chemische kwaliteitselementen per (natuurlijk) watertype waarden voor een Goede Ecologische Toestand (GET) afgeleid. Deze zijn uitgebreid beschreven in ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Van der Molen & Pot (redactie), 2007). Voor sloten en kanalen (kunstmatige wateren) zijn voor deze kwaliteitselementen defaultwaarden afgeleid en beschreven in ‘Omschrijving MEP en conceptmaatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Evers et al., 2007).

a. Afleiding MEP naar GEP

Bij dit onderdeel zijn de getalswaarden voor de kwaliteitselementen weergegeven; dit zijn de gegevens die via de website KRWdoelen.nl zijn ingevoerd. In dit geval worden alleen de kwaliteitselementen met een getalswaarde die afwijkt van de betreffende Goede Ecologische Toestand (GET) of de landelijke defaultwaarde weergegeven. Per kwaliteitselement wordt vermeld op welke wijze het GEP is afgeleid van het MEP. Bovendien wordt een verwijzing opgenomen naar achtergronddocumenten waarin de onderbouwing van de hoogte van het GEP is beschreven.

b. Eerder aangeleverde informatie

Informatie over de hoogte van het GEP die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

4. Fasering

Er bestaan verschillende redenen waarom de goede toestand voor een bepaald kwaliteitselement niet in de eerste planperiode kan worden bereikt. De fasering wordt hieronder verder uiteengezet.

a. Beperkende kwaliteitselementen

In dit onderdeel worden de geselecteerde kwaliteitselementen vermeld waarvoor in 2015 het GET of GEP niet wordt gehaald. Per kwaliteitselement (maatlat) worden daarnaast de groep waartoe deze behoort (biologie of fysische-chemie), de getalswaarden van GEP en de verwachting voor 2015 weergegeven

b. Maatregelen uit te voeren na 2015

In dit onderdeel worden de maatregelen (met bijbehorende standaardmaatregelcode) vermeld die na 2015 worden uitgevoerd. De gegevens zijn afkomstig uit de website KRWmaatregelen.nl.

c. Motiveringsgrond fasering

Bij dit onderdeel wordt de formele reden (natuurlijke omstandigheden, onevenredig kostbaar of technisch onhaalbaar) genoemd waarom tot fasering is overgegaan (keuzemenu, zie bijlage 2). Deze reden is gekoppeld aan een bepaald mechanisme waardoor het niet haalbaar is om de doelen al is 2015 te halen (keuzemenu, zie bijlage 2). Dit moet worden gezien als een nadere specificatie van de formele motiveringsgronden die de KRW biedt. Tevens bestaat de mogelijkheid om hier een toelichting op de fasering op te nemen. Deze optie is vooral bedoeld om aanvullende werkingsmechanismen, die niet zijn vermeld in het keuzemenu, te beschrijven en/of een nadere toelichting op de fasering te geven. Voor de standaardcombinaties van motiveringsgrond en mechanisme zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

d. Eerder aangeleverde informatie en facultatieve verwijzing

Informatie over de onderbouwing van de fasering die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

Tabellen Milieudoelstellingen

Tabellen Milieudoelstellingen

1Wordt overgenomen uit andere tabellen.

Onderbouwing status van waterlichamen (KRW-art. 4.3a en 4.3b)

Algemene motiveringen bij format milieudoelstellingen

Waterlichamen mogen als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen indien noodzakelijke (hydromorfologische) ingrepen voor het bereiken van de goede ecologische toestand significante negatieve effecten hebben op een aantal met name genoemde functies of het milieu in brede zin (KRW art 4.3a). Voor kunstmatige waterlichamen kan worden volstaan met het vermelden dat zij door de mens zijn aangelegd. Voor sterk veranderde waterlichamen wordt een uitgebreidere motivering gevraagd die hieronder voor verschillende soorten ingrepen is uitgewerkt. Daarbij is telkens aangegeven voor welke functies de negatieve effecten van de ingrepen significant zijn en waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn uitgevoerd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b).

S1:. Verwijderen waterkeringen

Het verwijderen van waterkeringen heeft via het mechanisme veiligheid nagenoeg altijd negatieve consequenties op één of meerdere gebruiksfuncties. Omdat het areaal waar schade optreedt bij het verwijderen van de waterkering over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk.

S2:. Flexibel peilbeheer in boezemwateren

Door het hanteren van een flexibeler peilbeheer in het boezemwater kunnen in (extreem) natte situaties hogere waterstanden optreden waardoor de kans op overstroming en wateroverlast toe neemt. Een gevolg hiervan is een aanzienlijke schade voor zowel de landbouw als het stedelijk gebied. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. De scheepvaart vraagt eveneens om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (i.v.m. minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (i.v.m. voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S3:. Volledig natuurvriendelijke inrichting van wateren met waterhuishoudkundige functie

Het doorstroomprofiel van primaire en secundaire wateren en de vaarstrook van vaarwateren moet vrij blijven van plantengroei omdat anders de waterhuishouding- en/of scheepvaartfunctie wordt belemmerd. Wanneer in natte perioden niet voldoende afvoer kan worden gerealiseerd heeft dit waterstandverhoging en inundatie tot gevolg met negatieve consequenties voor bijvoorbeeld landbouw en stedelijk gebied. Ook voor de scheepvaart heeft een beperking van de bevaarbaarheid van de vaarstroom negatieve gevolgen. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. Ook het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S4:. Beperken van scheepvaart in grote kanalen

De beroepsscheepvaart heeft een belangrijke economische functie in Nederland, niet alleen als sector op zichzelf, maar ook omdat veel bedrijfstakken afhankelijk zijn van aanvoer/afvoer van grondstoffen of producten per schip. Slechts een beperkt aantal wateren is toegerust op deze scheepvaartfunctie. Verminderen van de scheepvaart betekent dat het transport, gezien het economisch belang, op andere manieren plaats zal moeten vinden en dat sprake zal zijn van inkomstenderving voor de sector zelf. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd.

S5:. Peilwijziging kanalen met beroepsvaart

De waterhuishouding in waterlopen met een scheepvaartfunctie vraagt om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (in verband met minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (in verband met voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit alternatief zal veelal wegtransport betreffen, wat (vanwege de hoge CO2 uitstoot) per saldo aanzienlijke negatieve effecten op het milieu heeft. Daarnaast leidt een wijziging van transport over water naar wegtransport tot onaanvaardbare economische gevolgen voor de beroepsscheepvaart en de industrie die door locatiekeuze en voorzieningen als loskades is ingesteld op vervoer over water.

S6:. Verwijderen sluizen

Sluizen zijn in het verleden aangelegd om de waterstand en de stroomsnelheid te reguleren op een zodanige wijze dat de passeerbaar voor schepen gewaarborgd blijft. Het verwijderen van de sluis heeft tot gevolg dat de waterstand stroomopwaarts van het kunstwerk wordt verlaagd en de waterdiepte wordt verkleind. De mogelijkheden voor de scheepvaart worden door deze ingreep beperkt. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd. Door het verwijderen van sluizen kan tevens niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De oppervlaktewater- en grondwaterstand worden in een groot deel van het jaar lager en extreem lage standen houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S7:. Verwijderen stuwen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebied met een agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. Een te laag grondwaterpeil is ongewenst in gebieden met een landbouwfunctie (verminderde opbrengsten). Het peil van het oppervlaktewater is sterk bepalend voor de grondwaterstand. Dit oppervlaktewaterpeil wordt gereguleerd door stuwen. Het verwijderen van deze stuwen heeft daarmee een verstoring van de grondwaterstand tot gevolg. Bovendien kan door het ontbreken van stuwen niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De grondwaterstand wordt in groot deel van het jaar lager en extreem lage grondwaterstanden houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S8:. Dempen watergangen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensieve agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit in dit gebied alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S9:. Hermeandering beken in agrarisch gebied

Het hermeanderen van beken heeft als doel meer variatie te creëren in het stromingspatroon en substraat van beken. Om dit te realiseren en eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te compenseren, moet areaal worden vrijgemaakt ten behoeve van het verleggen van de beek en wellicht voor mogelijke inundaties die zullen plaatsvinden vanwege het gewijzigde profiel. Hierdoor gaat areaal voor de landbouw verloren, dat in het dichtbevolkte Nederland slechts beperkt en tegen relatief hoge kosten beschikbaar is. Bovendien worden inundaties vanwege de water-/slibkwaliteit op veel plaatsen uit milieuoverwegingen ongewenst geacht. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een acceptabele prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S10:. Verhogen drainagebasis in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen of het verhogen van de drainagebasis heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S11:. Beperken piekafvoeren in bovenlopen agrarisch gebied

Het vasthouden van water in de bovenlopen van het watersysteem door middel van stuwen en verondiepen van waterlopen heeft in dit gebied aanzienlijke gevolgen voor de landbouw. Door deze ingrepen wordt optimale waterhuishoudkundige situatie verstoord en treedt opbrengstderving op als gevolg van vernatting. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S12:. Peilwijziging in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het aanpassen van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S13:. Hanteren natuurlijk waterpeil in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Een natuurlijke fluctuatie van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoort en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S14:. Aankoppelen van beektrajecten/aanleg nevengeul in agrarisch gebied

Het aantakken van beektrajecten of de aanleg van nevengeulen in landbouwgebied heeft als gevolg dat areaal dat in gebruik is bij (intensieve) landbouw moet worden vrijgemaakt ten behoeve van beektrajecten/nevengeulen. Hierdoor gaat areaal voor landbouw verloren. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een redelijke prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S15:. Verwijderen stuwen in stedelijk gebied

De waterhuishouding in gebied met een stedelijke functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. Een te laag grondwaterpeil is ongewenst in gebieden met een stedelijke functie (afname stabiliteit funderingen door bijvoorbeeld paalrot, kades). Het peil van het oppervlaktewater is sterk bepalend voor de grondwaterstand. Dit oppervlaktewaterpeil wordt gereguleerd door stuwen. Het verwijderen van deze stuwen heeft daarmee een verstoring van de grondwaterstand tot gevolg. Bovendien kan door het ontbreken van stuwen niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De grondwaterstand wordt in groot deel van het jaar lager en extreem lage grondwaterstanden houden langer aan. Voor het herstel van de schade dienen aanzienlijke kosten te worden gemaakt. Het alternatief van aanpassing van de stedelijke functie kan alleen tegen onevenredig hoge kosten.

S16:. Hermeandering beken in stedelijk gebied

Het hermeanderen van beken heeft als doel: meer variatie creëren in het stromingspatroon en substraat van beken. De ingreep gaat gepaard met een aanzienlijk ruimtebeslag. In bebouwd gebied is het veelal niet mogelijk dit areaal aan de stedelijke omgeving te onttrekken. Het areaal is doorgaans al in gebruik voor functies als wonen en werken. Door het ruimtebeslag van de hermeandering gaat areaal verloren voor functies met een hoge gebruikswaarde (met name wonen). Daarnaast heeft het beeksysteem in het stedelijk gebied een cultuurhistorische waarde die bij hermeandering verloren kan gaan. Tot slot zullen diverse soorten infrastructuur, zoals wegen, kabels, leidingen en riolering niet meer functioneren zonder vergaande compenserende ingrepen. Aanpassen van de gebruiksfunctie is alleen mogelijk tegen zeer hoge kosten.

S17:. Verhogen drainagebasis in stedelijk gebied

Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast kan ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Juist om dit soort problemen te voorkomen is in het verleden regelmatig drainage aangelegd om de grondwaterstand verder te kunnen reguleren. Het verhogen of verwijderen hiervan leidt in vrijwel alle gevallen tot de eerder genoemde ongewenste verschijnselen. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van gebruiksfunctie in dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S18:. Peilwijziging waterlopen in stedelijk gebied

Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast zal ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Een te laag grondwaterpeil is eveneens ongewenst in het stedelijk gebied in verband met de afname van stabiliteit van funderingen (door bijvoorbeeld paalrot) en kades. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie: Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van de gebruiksfunctie alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S19:. Hanteren natuurlijk waterpeil in stedelijk gebied

De waterhuishouding in het stedelijk gebied is gebaad bij een gereguleerd grondwaterpeil. Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een tijdelijk hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast zal ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Een te laag grondwaterpeil is eveneens ongewenst in het stedelijk gebied in verband met de afname van stabiliteit van funderingen (door bijvoorbeeld paalrot) en kades. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie: Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van de gebruiksfunctie in dit in dit gebied alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S20:. Aanpassen kades stedelijk gebied

Het aanpassen van kades in stedelijk gebied gaat meestal gepaard met verandering van het ruimtebeslag in bebouwd gebied. Het is hier veelal niet mogelijk om dit areaal aan de stedelijke omgeving te onttrekken omdat het doorgaans al in gebruik is voor hoogwaardige functies als wonen en werken die daardoor deels verloren zullen gaan. De kades hebben daarnaast een functie voor de scheepvaart die daarvan gebruikt maakt voor het aan- en afmeren, laden en lossen. Diverse soorten infrastructuur, zoals wegen, kabels en leidingen staan in directe verbinding met de kades en kunnen, zonder vergaande compenserende ingrepen, niet meer functioneren als de kades worden vervangen door natuurvriendelijke oevers. Daarnaast vertegenwoordigen de kades in stedelijk gebied vaak een cultuurhistorische waarde die bij aanpassing verloren kan gaan. Deze waarde is doorgaans niet te compenseren door andere maatregelen. Verplaatsen van de gebruiksfuncties is alleen mogelijk tegen zeer hoge kosten.

S21:. Natuurlijke inrichting van cultuurhistorisch erfgoed

Verschillende waterlopen zijn in het verleden gegraven of aangepast ten behoeve van een specifieke functie, bijvoorbeeld het vervoer van turf. Inmiddels is deze oorspronkelijke functie niet meer in gebruik, maar vormen de waterlopen zelf onderdeel van het cultuurhistorisch erfgoed. Het volledig natuurlijk inrichten (waaronder overal natuurvriendelijke oevers, verwijderen van stuwen en sluizen e.d.) gaat ten koste van het oorspronkelijke karakter van de waterloop waardoor de cultuurhistorische waarde verloren gaat. Deze waarde is doorgaans niet te compenseren door andere maatregelen. Dit is voor deze wateren een reden om af te zien van een volledig op natuur gerichte inrichting.

Fasering (KRW-art. 4.4)

Er bestaan verschillende redenen waarom de goede toestand voor een bepaald kwaliteitselement niet in de eerste planperiode kan worden bereikt. Deze zijn hieronder verder toegelicht.

F1:. Natuurlijke omstandigheden – nalevering, historische belasting

De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wordt negatief beïnvloed doordat nutriënten via het grondwater uitspoelen. De hoge concentraties in het grondwater zijn onder andere het gevolg van overmatige belasting met meststoffen in het verleden. Aanscherpingen van het mestbeleid en een zorgvuldigere bemesting in de praktijk heeft tot gevolg dat de bron voor beïnvloeding van het grondwater afneemt, maar de doorwerking van grond- naar oppervlaktewater is een traag proces. Om deze reden zal in 2015 nog niet het volledige effect van deze maatregelen merkbaar zijn.

F2:. Natuurlijke omstandigheden – trage effecten van maatregelen

Een aanzienlijk deel van de inrichtingsmaatregelen wordt al in de eerste planperiode uitgevoerd. Uit onderzoek is gebleken dat het in veel gevallen een aantal jaar kan duren voordat het ecosysteem zich volledig heeft aangepast aan een nieuwe situatie, bijvoorbeeld omdat het tijd kost voor bepaalde soorten om nieuw habitat te koloniseren. Om deze redenen zijn de effecten van maatregelen in de eerste planperiode pas in de tweede planperiode volledig van kracht en worden in deze planperiode geen aanvullende maatregelen getroffen.

F3:. Technisch onhaalbaar – grondverwerving

Vanwege het maatschappelijke draagvlak, vindt grondverwerving vrijwel altijd plaats op vrijwillige basis. Uitvoering ná 2015 is dan in veel gevallen voordeliger, omdat hiermee het opdrijven van grondprijzen kan worden tegengegaan. Bovendien is het niet aannemelijk dat alle benodigde gronden voor herinrichting tijdig verworven zijn (= ruim voor 2012), want er is vervolgens ook nog tijd nodig voor realisatie van maatregelen. Kansen om grond te verwerven zijn vaak gebonden aan bepaalde gebeurtenissen (ruilverkaveling, bedrijfsovernames), die zich lang niet op alle locaties binnen de komende periode zullen voordoen. Dergelijke grootschalige gebiedsprocessen kennen mede als gevolg van juridische procedures een doorlooptijd die de planperiode overschrijdt. Dit heeft als consequentie dat fasering nodig is.

F4:. Technisch onhaalbaar – maatschappelijk draagvlak

De uitvoering van maatregelen die een aanzienlijke impact hebben op de omgeving dient goed voorbereid te worden. Dit betekent dat verschillende direct betrokken partijen goed moeten worden voorgelicht over de wijze van uitvoering en de consequenties daarvan. Een dergelijke maatschappelijke betrokkenheid is vooral van belang om de uitvoering op een dusdanige wijze vorm te geven dat deze op zoveel mogelijk draagvlak kan rekenen. Een gedegen voorbereiding van een complex project kost vele jaren waardoor de maatregelen niet in de lopende planperiode kunnen worden uitgevoerd.

F5:. Technisch onhaalbaar – synergie met andere beleidsvoornemens

De uitvoering van maatregelen voor het bereiken van KRW-doelen staat meestal niet op zichzelf, ook andere (water)opgaven dienen te worden gerealiseerd. Het is hierbij van belang dat voor de uitvoering gezocht wordt naar synergie zodat niet meerdere malen na elkaar dezelfde procedures hoeven te worden doorlopen, graafwerkzaamheden worden uitgevoerd e.d. Andere (water)opgaven kennen niet altijd dezelfde programmering als de gewenste uitvoering voor de KRW. Om te voorkomen dat onevenredig hoge kosten in deze planperiode moeten worden gemaakt., wordt ervoor gekozen om de KRW-maatregelen in samenhang met andere maatregelen uit te voeren Het gevolg hiervan is dat de gecombineerde maatregelen pas in de volgende planperiode kunnen worden afgerond.

F6:. Technisch onhaalbaar – uitvoeringscapaciteit

Inrichtingsmaatregelen vormen een groot deel van het maatregelpakket. Zowel overheden als uitvoerende organisaties (aannemers) voeren momenteel al maatregelen uit. Het totale voorgestelde pakket aan KRW-maatregelen vraagt een forse versnelling van uitvoering als het hele pakket voor 2015 wordt gerealiseerd. Voorbereiding en uitvoering vragen specifieke kennis en capaciteiten, die in beperkte mate aanwezig is. Uitvoering van alle benodigde inrichtingsmaatregelen in de eerste planperiode van het SGBP is dan ook niet mogelijk. Om deze reden wordt gefaseerd.

F7:. Onevenredig kostbaar – afschrijvingstermijnen

Huidige functies zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de huidige inrichting. Als deze inrichting wordt veranderd, heeft dit consequenties voor deze functies. Een efficiënte inzet van beschikbare middelen rechtvaardigt een spreiding van de maatregelen over de periode na 2015. De afgelopen jaren hebben al investeringen plaatsgevonden die in 2015 nog niet zijn afgeschreven. Bij een gespreide uitvoering van maatregelen kan aangesloten worden bij gebruikelijke onderhoudscycli van de waterbeheerders. Bovendien kan op dergelijke wijze ‘werk met werk’ worden gemaakt door werkzaamheden met elkaar te combineren. Zo kan het geheel aan maatregelen worden uitgevoerd, zonder dat onevenredig hoge kosten in deze planperiode moeten worden gemaakt.

F8:. Onevenredig kostbaar – te hoge lasten

F8:. Onevenredig kostbaar – te hoge lasten

Uitvoering van alle maatregelen voor het bereiken van de goede toestand/potentieel binnen de eerste planperiode stuit op te grote financiële beperkingen. Om de lastenstijging binnen een maatschappelijk acceptabele bandbreedte te houden, wordt gekozen voor een gefaseerde uitvoering van het maatregelenpakket in de periode na 2015. In afwachting van de ontwikkeling van mogelijke kosteneffectievere maatregelen in de toekomst en het vaststellen van aanvullende maatregelen op nationaal en internationaal niveau wordt aanspraak gemaakt op de mogelijkheid tot fasering en wordt nu nog niet overgegaan tot doelverlaging. Dit wordt bij het volgende provinciale waterplan/omgevingsplan (en SGBP) opnieuw bezien.

Voor de KRW rapportages voor oppervlaktewaterlichamen en deelstroomgebieden is ervoor gekozen, v.w.b. de opslag van de gegevens, om het water op te delen in:

Voor de KRW rapportages voor oppervlaktewaterlichamen en deelstroomgebieden is ervoor gekozen, v.w.b. de opslag van de gegevens, om het water op te delen in:

Aanwijzingen voor opbouw geografische gegevens

Aanwijzingen voor opbouw geografische gegevens

Aanwijzingen voor opbouw geografische gegevens

1 Verplicht/Optioneel/Conditioneel

1 Verplicht/Optioneel/Conditioneel

1 Verplicht/Optioneel/Conditioneel

2Voor de codering kunnen 24 characters worden gebruikt, waarbij echter de eerste vier gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). Voor de overige posities kunnen binnen een stroomgebieddistrict of deelstroomgebied nog nadere afspraken worden gemaakt, indien gewenst.

Oppervlaktewaterdelen (OWA)

4De GEBIDEN velden verwijzen naar de GAFIDENT, de code voor de stroomgebieden of rapportage eenheden, uit de GAF tabel. Ze zijn daarmee een foreign-key naar de betreffende tabel en dienen ervoor om aan te kunnen geven in welk stroomgebied een waterlichaam ligt. In GAFIDENT1 moet aangegeven worden in welk van de 8 (deel)stroomgebieddistricten het waterlichaam ligt: Maas (MS), Schelde (SC), Rijn-Noord (RNNO), Rijn-West (RNWE), Rijn-Midden (RNMI), Rijn-Oost (RNOO), Eems-Dollard (EMED) of Nedereems (EMNE). De andere GEBIDEN velden kunnen gebruikt worden voor kleinere deelgebieden (bv. RWSR gebieden) al naar gelang in een deelgebied noodzakelijk is.

4De GEBIDEN velden verwijzen naar de GAFIDENT, de code voor de stroomgebieden of rapportage eenheden, uit de GAF tabel. Ze zijn daarmee een foreign-key naar de betreffende tabel en dienen ervoor om aan te kunnen geven in welk stroomgebied een waterlichaam ligt. In GAFIDENT1 moet aangegeven worden in welk van de 8 (deel)stroomgebieddistricten het waterlichaam ligt: Maas (MS), Schelde (SC), Rijn-Noord (RNNO), Rijn-West (RNWE), Rijn-Midden (RNMI), Rijn-Oost (RNOO), Eems-Dollard (EMED) of Nedereems (EMNE). De andere GEBIDEN velden kunnen gebruikt worden voor kleinere deelgebieden (bv. RWSR gebieden) al naar gelang in een deelgebied noodzakelijk is.

1Verplicht/Optioneel/Conditioneel.

2Voor de codering kunnen 24 characters worden gebruikt, waarbij echter de eerste vier gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). Voor de overige posities kunnen binnen een stroomgebieddistrict of deelstroomgebied nog nadere afspraken worden gemaakt, indien gewenst.

Geometrie oppervlaktewaterdelen (OWAG)

4De stroomgebiedgrootte van het waterdeel (grootte van het gebied dat afwatert op een waterdeel bovenstrooms gebied) van een water is een wezenlijk kenmerk van een waterdeel. De grootte kan als klasse worden aangegeven met onderstaande waarden. Grootte indeling:

Geometrie oppervlaktewaterdelen (OWAG)

1Verplicht/Optioneel/Conditioneel.

1Verplicht/Optioneel/Conditioneel.

In de naamgeving van de tabel wordt aangegeven over welk soort gebieden (bv. Rwsr gebieden, rapportage eenheden) het bestand gaat.

De GAF tabel heeft tot doel alle diverse niveaus van stroomgebieden te kunnen beschrijven. Voor één stroomgebieddistrict kunnen verschillende GAF tabellen gebruikt worden.

1Verplicht/Optioneel/Conditioneel

2De GAFIDENT moet een unieke code zijn. Om uniciteit zeker(der) te stellen is het wenselijk dat ook de code van het (deel)stroomgebieddistrict wordt opgenomen. Voor de Maas zouden dan alle coderingen beginnen met MS en voor Rijn-West met RNWE. Dit is niet strikt noodzakelijk, maar als dit wordt toegepast hoeft niet buiten het eigen (deel)stroomgebieddistrict te worden afgestemd voor wat betreft de codering.

Formulier VIII:. Rapportage format monitoringprogramma’s voor oppervlaktewater

Formulier VIII:. Rapportage format monitoringprogramma’s voor oppervlaktewater

4In het veld GAFSOORT wordt het soort gebied aangegeven. In bijbehorende domeintabel (zie www.idsw.nl) wordt aangegeven welke soorten kunnen worden onderscheiden. Dit betreft soorten als ‘stroomgebieddistrict’ , ‘rwsr gebied’, ‘afwateringsgebied’.

De rapportage over het monitoringsprogramma voor zowel Toestand -en Trend monitoring als operationele monitoring bestaat uit twee delen:

Inhoud Rapportage

Per monitoringsprogramma wordt deze delen gerapporteerd. Per stroomgebieddistrict komt er uiteindelijk één rapportage voor het Toestand en Trend monitoringprogramma en één voor het operationele monitoringprogramma. Hieronder wordt dit meer in detail uitgewerkt.

Per monitoringsprogramma wordt deze delen gerapporteerd. Per stroomgebieddistrict komt er uiteindelijk één rapportage voor het Toestand en Trend monitoringprogramma en één voor het operationele monitoringprogramma. Hieronder wordt dit meer in detail uitgewerkt.

In de samenvatting van een monitoring programma wordt de volgende informatie opgenomen:

1Als voor bepaalde parameters (stoffen, hydromorfologische variabelen) of groepen van parameters een andere frequentie gehanteerd wordt dan kunnen deze parameters apart worden aangegeven.

Beschrijving per monitoringlocatie

Bovenstaande informatie moet, indien afwijkend, per oppervlaktewater categorie (rivier, meer, overgangswater, kustwater) worden opgenomen.

Bovenstaande informatie moet, indien afwijkend, per oppervlaktewater categorie (rivier, meer, overgangswater, kustwater) worden opgenomen.

De monitoringlocatie is ‘een aanduiding van de plaats waar de meting verricht is’. Deze locatie is niet noodzakelijkerwijs gelijk aan een meetpunt (een fysiek punt waar een meting of monstername plaatsvindt). Bijvoorbeeld voor vissen betreft een locatie veelal een gebied. In andere gevallen kan een meetlocatie meerdere meetpunten omvatten. De bedoeling is dat in alle gevallen een punt (X,Y coördinaat) wordt aangegeven om de locatie aan te duiden.

Tabellen

De volgende informatie wordt per monitoringlocatie opgenomen:

De volgende informatie wordt per monitoringlocatie opgenomen:

Om de gegevens effectief uit te wisselen is een éénduidige manier van uitwisselen noodzakelijk. Voor de gegevens per monitoringlocatie wordt hieronder de voorgeschreven structuur voor uitwisseling beschreven. Deze structuur is omgezet in een xml schema. Dit schema wordt voor de uitwisseling gebruikt.

1. Basistabel met locaties

1. Basistabel met locaties

De naam van de tabellen geeft aan welk gebied de monitoring betreft. Daartoe is altijd de [gebiedcode] in de tabelnaam opgenomen. Voor gebiedcode wordt één van de waarden ingevuld uit de betreffende domeintabel van IDsW. Een tabel met de meetlocaties van het waterschap Brabantse Delta (code 25) heet dan bijvoorbeeld: MLC_25.

2. Tabel met parameter per locatie en meetfrequentie

In deze tabel worden de parameters gegeven die per locatie worden bemeten, inclusief de meetfrequentie. Hier kunnen ook stofgroepen worden weergegeven (bijvoorbeeld: ‘prioritaire stoffen met EU norm’ of ‘Rijnrelevante stoffen’), echter alleen als inderdaad alle parameters uit de stofgroep hier bemeten worden met de weergegeven frequentie en cyclus. Anders toch per parameter opgeven wat bemeten wordt.

2. Tabel met redenen (belastingen) waarom meetlocatie ingericht is per kwaliteitselement (alleen voor operationele monitoring)

In deze tabel kan ook per stofgroep (of groep kwaliteitselementen) worden aangegeven waarom er gemeten wordt, indien de reden voor alle bemeten parameters uit de stofgroep geldig is. Indien niet alle parameters uit de stofgroep bemeten worden op de locatie, mag toch de stofgroep code gebruikt worden. Uit de tabel MLC_PAR wordt wel duidelijk welke parameters exact bemeten worden.

3. Tabel met waterlichamen waarvoor meetlocatie representatief is per kwaliteitselement

3. Tabel met waterlichamen waarvoor meetlocatie representatief is per kwaliteitselement

In deze tabel kan ook per stofgroep of groepering van kwaliteitselementen worden aangegeven hoe de representativiteit is. Indien niet alle parameters uit de stofgroep bemeten worden op de locatie, mag toch de stofgroep code gebruikt worden.

Parameters/kwaliteitselementen

Op een locatie kunnen diverse parameters gemeten worden. In de tabel MLC_PAR en MLC_OWM wordt aangegeven welke parameters gemeten worden en voor welke waterlichamen die representatief zijn. In die tabellen moeten altijd de individuele parameters ingevuld worden. Werken met stofgroepen mag niet meer. De actuele lijst met domeinwaarden voor de parameters en kwaliteitselementen is te uitgebreid om hier op te nemen. De lijst is beschikbaar op www.idsw.nl

Nieuwe domeintabellen

Nieuwe domeintabellen

Ten behoeve van de uitwisselingsformats voor de monitoring locaties zijn enkele nieuwe domeintabellen opgesteld. Deze zijn hieronder beschreven. Voor het domein ‘waterbeheerder’ en ‘gebied’ zijn al bestaande lijsten. Deze zijn te raadplegen op www.idsw.nl

Voor de KRW rapportages worden de oordelen over de toestand van de oppervlaktewaterlichamen aangeleverd in een vastgesteld formaat, conform het door IDsW gepubliceerde xml-schema.

Inhoud rapportage

De oordelen kunnen bepaald worden met behulp van het toetsinstrumentarium de Aquokit. De Aquokit bestaat uit de chemische toetsmodule iBever, de ecologische toetsmodule QBWAT en de KRW-Integratiemodule. Het toetsinstrumentarium maakt gebruik van de op het KRW-portaal beschikbare configuratie van het monitoringnetwerk, de maatlatten en doelen en door de waterbeheerder aangeleverde toetsresultaten. De KRW-Integratiemodule produceert oordelen per waterlichaam voor het gewenste monitoringnetwerk en periode in het vereiste xml-formaat.

De oordelen kunnen bepaald worden met behulp van het toetsinstrumentarium de Aquokit. De Aquokit bestaat uit de chemische toetsmodule iBever, de ecologische toetsmodule QBWAT en de KRW-Integratiemodule. Het toetsinstrumentarium maakt gebruik van de op het KRW-portaal beschikbare configuratie van het monitoringnetwerk, de maatlatten en doelen en door de waterbeheerder aangeleverde toetsresultaten. De KRW-Integratiemodule produceert oordelen per waterlichaam voor het gewenste monitoringnetwerk en periode in het vereiste xml-formaat.

Het xml bestand bevat oordelen per waterlichaam, kwaliteitselement of parameter en type monitoringnetwerk. Elk oordeel is als volgt opgebouwd:

1De domeintabellen zijn te vinden op http://www.idsw.nl/Aquo/schemas/

Identificatie

Bij het uploaden van de gegevens naar het KRW-Portaal wordt het eerder genoemde xml formaat gebruikt. Bij het downloaden worden de gegevens als dBase tabel teruggeleverd. De kolomnamen in de dBase tabellen verschillen enigszins van de namen van de xml elementen. Inhoudelijke verschillen beperken zich tot de identificatie en waterlichaamcodering.

Bij het uploaden van de gegevens naar het KRW-Portaal wordt het eerder genoemde xml formaat gebruikt. Bij het downloaden worden de gegevens als dBase tabel teruggeleverd. De kolomnamen in de dBase tabellen verschillen enigszins van de namen van de xml elementen. Inhoudelijke verschillen beperken zich tot de identificatie en waterlichaamcodering.

Identificatie (unieke code) van het oordeel. De identificatie is als volgt opgebouwd:

WaterbeheerGebied

NL.umam.33.1234. De identificatie wordt niet gebruikt in de dBase tabellen.

WaterbeheerGebied

Dit veld refereert naar het waterlichaam waar het oordeel op van toepassing is. De referentie is als volgt geformatteerd: de letterlijke tekst ‘NL.umam.’ gevolgd door de code van de betreffende waterbeheerder, gevolgd door een punt en tenslotte gevolgd door de waterlichaamcode uit de tabel OWM (veld OWMIDENT). Voorbeeld voor het waterlichaam IJssel: ‘NL.umam.93.NL93_IJSSEL’. In de dBase tabellen wordt alleen de waterlichaamcode getoond (veld OWMIDENT)

rapportageJaar

Jaar van de rapportage

kwaliteitsElementOfParameter

De code van het betreffende kwaliteitselement of parameter. Voor geldige waarden wordt verwezen naar de door IDsW gepubliceerde domeintabellen.

grootheid

Als het oordeel een chemische stof betreft dient hier de grootheid van de parameter opgegeven te worden. Dit is niet nodig voor biologische kwaliteitselementen. Voor toegestane grootheiden wordt verwezen naar de IDsW domeintabellen.

waardeBewerkingsMethode

De methode die gebruikt is voor de bewerking van de gegevens. Mogelijke methodes zijn bijvoorbeeld: MAX (maximum waarde), JGM (jaargemiddelde), P90 (90-percentiel). Dit veld is niet verplicht. Voor een complete lijst met toegestane waardebewerkingsmethodes wordt verwezen naar de domeintabel.

De methode die gebruikt is voor de bewerking van de gegevens. Mogelijke methodes zijn bijvoorbeeld: MAX (maximum waarde), JGM (jaargemiddelde), P90 (90-percentiel). Dit veld is niet verplicht. Voor een complete lijst met toegestane waardebewerkingsmethodes wordt verwezen naar de domeintabel.

waardeBepalingsMethode

Voorbeeld: als gebruikt gemaakt is van de standaard trits iBever, QBWat en de KRW Integratiemodule voor het operationele monitoringnetwerk heeft de waardeBepalingsMethode het volgende formaat: ‘other:iWSR;KRW;OM’.

gegevensBeginTijd en gegevensEindTijd

Bepaalt de periode waar binnen meetgegevens gebruikt zijn om tot een oordeel te komen. De begintijd en eindtijd worden als datum opgegeven in het formaat jjjj-mm-dd.

numeriekeWaarde

Is de feitelijke toetswaarde als getal en is een resultaat van selectie, berekeningen, aggregatie en integratie. Deze waarde is langs de norm of maatlat gehouden om het oordeel te bepalen.

toestand

De uiteindelijke toestand of oordeel. Voor chemische stoffen wordt het oordeel gegeven als ‘Voldoet’ of ‘Voldoet niet’, Voor de biologische kwaliteitselementen en fysisch-chemische parameters wordt de toestand gegeven als ‘Slecht’, ‘Ontoereikend’, ‘Matig’, ‘Goed’ of ‘Zeer goed’.

Bijlage VI. Voorschriften voor het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan (bijlage bij artikel 6.3 van de Waterregeling)

Opmerking

Voorschrift 1. Wijze van bemonsteren en analyseren

Bijlage VI. Voorschriften voor het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan (bijlage bij artikel 6.3 van de Waterregeling)

Bijlage VII. Parameters en frequentie van bemonstering en analyse van te infiltreren water (bijlage bij artikel 6.5 van de Waterregeling)

Parameter Afkorting Frequentie
bacteriën van de coligroep 4 wekelijks
kleur 4 wekelijks
zwevende stof SS 4 wekelijks
geleidingsvermogen voor elektriciteit 4 wekelijks
temperatuur T 4 wekelijks
zuurgraad pH 4 wekelijks
opgelost zuurstof O2 4 wekelijks
totaal organisch koolstof TOC 4 wekelijks
bicarbonaat HCO3 4 wekelijks
nitriet NO2 4 wekelijks
nitraat NO3 4 wekelijks
ammonium NH4 4 wekelijks
totaal fosfaat Totaal P 4 wekelijks
fluoride F 3 maandelijks
chloride Cl 4 wekelijks
sulfaat SO4 3 maandelijks
natrium Na 3 maandelijks
ijzer Fe 3 maandelijks
mangaan Mn 3 maandelijks
chroom Cr 3 maandelijks
lood Pb 3 maandelijks
koper Cu 3 maandelijks
zink Zn 3 maandelijks
cadmium Ca 3 maandelijks
arseen As 3 maandelijks
cyanide CN 3 maandelijks
minerale olie 4 wekelijks
adsorbeerbaar organisch halogeen AOX 4 wekelijks
vluchtig organisch gebonden chloor VOC 4 wekelijks
vluchtige aromaten 4 wekelijks
polycyclische aromaten PAK 3 maandelijks
fenolen 3 maandelijks

Bijlage VII. Parameters en frequentie van bemonstering en analyse van te infiltreren water (bijlage bij artikel 6.5 van de Waterregeling)

Parameter Afkorting Frequentie
bacteriën van de coligroep 4 wekelijks
kleur 4 wekelijks
zwevende stof SS 4 wekelijks
geleidingsvermogen voor elektriciteit 4 wekelijks
temperatuur T 4 wekelijks
zuurgraad pH 4 wekelijks
opgelost zuurstof O2 4 wekelijks
totaal organisch koolstof TOC 4 wekelijks
bicarbonaat HCO3 4 wekelijks
nitriet NO2 4 wekelijks
nitraat NO3 4 wekelijks
ammonium NH4 4 wekelijks
totaal fosfaat Totaal P 4 wekelijks
fluoride F 3 maandelijks
chloride Cl 4 wekelijks
sulfaat SO4 3 maandelijks
natrium Na 3 maandelijks
ijzer Fe 3 maandelijks
mangaan Mn 3 maandelijks
chroom Cr 3 maandelijks
lood Pb 3 maandelijks
koper Cu 3 maandelijks
zink Zn 3 maandelijks
cadmium Ca 3 maandelijks
arseen As 3 maandelijks
cyanide CN 3 maandelijks
minerale olie 4 wekelijks
adsorbeerbaar organisch halogeen AOX 4 wekelijks
vluchtig organisch gebonden chloor VOC 4 wekelijks
vluchtige aromaten 4 wekelijks
polycyclische aromaten PAK 3 maandelijks
fenolen 3 maandelijks

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 4.2

Als organisaties en overlegstructuren als bedoeld in de artikelen 4.4, tweede lid, en 4.15, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:

Hoofdstuk 6. Handelingen in watersystemen

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

§ 4. Het gebruik van rijkswaterstaatswerken

§ 4.1. Algemene regels

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

§ 6. Indieningsvereisten voor de watervergunning

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Bijlage III. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterkwantiteitsbeheer voert (bijlage bij artikel 3.2, tweede lid, van de Waterregeling)

Ligt ter inzage op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en is gepubliceerd op www.waterwet.nl.

Formulier I:. Rapportage format belastingen oppervlaktewater

Er worden 54 typen belasting onderscheiden, onderverdeeld in 3 hoofdgroepen:

Formulier II:. Rapportage format ecologische doelen

De Kaderrichtlijn Water vereist het vastleggen van doelen voor biologische kwaliteitselementen en enkele algemeen fysisch-chemische parameters per waterlichaam. De betreffende fysisch-chemische parameters vormen geen onderdeel van de chemische toestand, maar zijn ondersteunend voor het bereiken van de goede ecologische toestand (GET) of het goed ecologisch potentieel (GEP). De doelen dienen in principe in 2015 te worden gehaald. In de meeste gevallen wordt echter een beroep gedaan op de formele mogelijkheden die de KRW biedt om de doelen gefaseerd te bereiken waarbij het jaar 2027 als deadline wordt gehanteerd. De ecologische doelen hebben dan betrekking op deze eindsituatie. Om een goed beeld te krijgen van de ecologische toestand aan het einde van de planperiode worden tevens de verwachte waarden van de kwaliteitselementen in 2015 opgegeven. Tot slot wordt tevens per kwaliteitselement opgenomen wat de huidige toestand is. Uitgangspunt van de KRW is dat deze niet mag verslechteren.

Verplicht en optioneel

Informatie over de ecologische doelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in een centrale database via de KRW-doelen website (vanaf eind 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

Achtergrond

De basis voor beoordeling van biologische kwaliteitselementen is de zogenaamde ecologische kwaliteitsratio (EKR). De EKR is de waargenomen biologische waarde gedeeld door de referentie biologische waarde. De verkregen ratio moet in principe tussen 0 en 1 liggen, waarbij een waarde in de buurt van 1 de zeer goede toestand weerspiegelt. De ratio wordt in vijf klassen ingedeeld, overeenkomend met de normatieve beschrijving van figuur 1. Voor de sterk veranderde en kunstmatige wateren wordt de doelstelling gevormd door het Goed Ecologisch Potentieel (GEP). De beoordeling op een vergelijkbare manier uitgevoerd waarbij het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) afgeleid wordt van de referentie conditie.

Status van waterlichamen en gebruik van maatlatten

Voor de fysisch-chemische parameters zijn eveneens maatlatten afgeleid. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van een ratio maar worden de scores uitgedrukt in de gebruikelijke eenheden.

Tabellen

Status en type van het waterlichaam zijn bekend en worden gerapporteerd volgens het formaat ‘oppervlaktewaterlichamen’ (de velden OWMSTAT en OWMTYPE). Voor het vaststellen van de maatlatten en ecologische doelen kan van deze status of van dit type afgeweken worden. De geselecteerde combinatie van status en type bepaalt de standaardwaarden voor de GET en het GEP en is tevens van belang voor de bepaling van de toestand van een waterlichaam. Voor geldige waarden voor status en type wordt verwezen naar de door IDSW gepubliceerde domeintabellen (http://www.idsw.nl )

Doelen en inschatting doelbereik 2015

Er kunnen maximaal twee sets grenzen per klassengrens opgegeven worden. De sets dienen van elkaar gescheiden te zijn door een/teken.

Formulier III:. Rapportage format grondwaterlichamen

Voor de KRW rapportages wordt de informatie met betrekking tot grondwaterlichamen en oordelen uitgewisseld in drie tabellen:

Tabellen

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Toelichting

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gwbgident

Unieke code van de geometrie. De code begint met ‘NLGW’ om aan te geven dat het een Nederlands grondwaterlichaam betreft. Dit is de primaire sleutel van de vlakken met grondwaterlichamen.

Gafident

Identificatie van het grondwaterlichaam. De eerste 4 letters zijn altijd NLGW. Een grondwaterlichaam kan uit meerdere vlakken bestaan. In dat geval hebben alle vlakken dezelfde GWBIDENT maar de GWBGIDENT kan verschillen.

Gwbnaam

Voorbeeld: het grondwaterlichaam met GWBIDENT = NLGW0016 (Duin Rijn-West) bestaat uit 7 vlakjes met GWBGIDENT = NLGW001601 t/m NLGW001607. De 7 vlakken representeren 7 afzonderlijke duingebieden.

Gwbnaam

Naam van het grondwaterlichaam

Gwbhoriz

Horizon van het grondwaterlichaam. Bij overlappende grondwaterlichamen wordt GWBHORIZ gebruikt om de verticale positie aan te geven. GWBHORIZ = 1 is het ondiepste, GWBHORIZ=3 is het diepste niveau.

Gwbsubst

Substraat van het grondwaterlichaam. Voor mogelijke keuzes wordt verwezen naar de domeintabel GWSUBST.

Gwboppv

Oppervlakte van het grondwaterlichaam in vierkante meter

Gwbopme

Opmerking over ligging, begrenzing grondwaterlichaam

Tabel GWBKWAL – Oordelen grondwaterkwaliteit

In de tabel GWBKWAL worden de oordelen met betrekking tot de waterkwaliteit van de grondwaterlichamen gegeven. Voor elk grondwaterlichaam worden twee oordelen gegeven: een oordeel voor het diepe grondwater (25 meter) en een oordeel voor het ondiepe grondwater (10 meter). Afwijkende dieptes kunnen in het veld diepte_m opgegeven worden in meters beneden maaiveld.

Formulier IV:. Rapportage format monitorinsprogramma grondwater

Het monitoringprogramma grondwater is qua gegevensstructuur afgeleid van het programma voor oppervlaktewater en bevat 3 tabellen:

Toelichting

De identificatie van de locatie moet uniek zijn. Voor de codering kunnen 24 karakters worden gebruikt, waarbij de eerste twee gereserveerd zijn voor een identificatie van Nederland (‘NL’, 2 posities). Voor de overige posities zijn in principe vrij te kiezen. Er worden nu twee sporen gevolgd:

Mlcnaam

Een grondwatermonitoringlocatie is dus eigenlijk een 3D locatie. Op één x,y coordinaat kunnen dus meerdere locaties voorkomen als er meerdere filters opgevoerd worden voor de KRW.

Mlcnaam

Dit is de naam van de monitoringlocatie. De naam is vrij te kiezen en dient als herkenning voor de waterbeheerder.

Gwbident

De code van het grondwaterlichaam waar de monitoringlocatie in ligt. Voor de lijst met coderingen wordt verwezen naar de tabel met grondwaterlichamen (GWB)

X en Y

De coördinaten van de monitoringlocatie in het stelsel van Rijksdriehoekmeting. Als meerdere monitoringlocaties gedefinieerd worden met dezelfde coördinatenparen (meerdere filters in één winning) dient voor elke locatie een nieuwe, unieke code gegeven te worden.

Filter

Nummer van het filter. Dit veld is niet verplicht. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Mlcsoort

Het veld MLCSOORT geeft het soort meetlocatie: Toestand en Trend, Operationeel of beide. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCSOORT in de bijlagen.

Mlctype

Het type locatie wordt bij MLCTYPE ingevuld. Hier wordt aangegeven of het een locatie in het Kwaliteits- of het Kwantiteitsmeetnet betreft. Voor toegestane coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCTYPE in de bijlagen.

Construction

De naam CONSTRUCTION verwijst naar het EU rapportageformaat waarin aangegeven wordt of de locatie een ‘well’ (put) of een ‘spring’ (bron) betreft. In dit veld wordt de DINO codering gebruikt voor het locatietype. Voor mogelijke coderingen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDINO.

Top_depth

Bovenkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Bottom_depth

Onderkant van het filter in cm beneden maaiveld. Dit veld of het veld Diepte moet ingevuld worden. Als de implementatie in/naast DINO tot stand gekomen is zal dit veld verdwijnen.

Diepte

De diepte van de locatie in cm onder maaiveld.

Owner

Beheerder van de locatie, in overeenstemming met DINO omschrijving en codering

Mlcopme

In dit veld kunnen opmerkingen geplaatst worden

Gafident

Hier aangeven of de locatie een winning is en het water gebruikt wordt voor menselijke consumptie

Toelichting

In de tabel MLCGWB_DOEL wordt per locatie aangegeven welke meetdoelen van toepassing zijn. Voor elk doel wordt een aparte regel in de tabel opgenomen. Voor mogelijke meetdoelen wordt verwezen naar de domeintabel MLCDOEL.

Toelichting

In de tabel MLCGWB_PAR wordt aangegeven welke parameters en/of kwaliteitselementen per locatie gerapporteerd worden. Tevens wordt per kwaliteitselement/parameter aangegeven hoe vaak de monitoring plaatsvindt en voor welk meetnet, Toestand en Trend of Operationeel, de parameter gemeten wordt.

Mlcident

Unieke code van de monitoringlocatie. Elke monitoringlocatie in de tabel MLCGWB dient ook voor te komen in de tabel MLCGWB_PAR. Dat wil zeggen dat voor elke locatie tenminste één parameter/kwaliteitselement gerapporteerd wordt.

Domgwcod

Code van de te rapporteren parameter of kwaliteitselement. Voor elke parameter of kwaliteitselement wordt één regel opgenomen. Voor mogelijke codes van parameters of kwaliteitselementen wordt verwezen naar de domeintabellen op www.idsw.nl. Voor het grondwatermonitoringprogramma kan de specifieke codering ‘STANDAARD’ gebruikt worden. Voor een locatie in het kwantiteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Kwantiteit’) betekent dit dat de stijghoogte gemeten wordt, voor een locatie in het kwaliteitsmeetnet (MLCTYPE = ‘Chemie’) betekent ‘STANDAARD’ dat de volgende parameters gerapporteerd worden:

Monfreq

De monitoringsfrequentie in het aantal metingen in één jaar. MONFREQ=12 betekent dat er 12 maal in één jaar gemeten wordt. en MONCYCLUS=6 betekent dat één maal per 6 jaar gerapporteerd wordt.

Moncyclus

Monitoringcyclus in jaren. Dus om de hoeveel jaar vindt de monitoring plaats (bijvoorbeeld: één keer per 6 jaar, MONCYCLUS = 6 invullen; elk jaar MONCYCLUS = 1 )

Formulier V:. Rapportage format maatregelen

Voor het realiseren van de KRW-doelen die zijn opgesteld voor grond- en oppervlaktewaterlichamen worden maatregelen uitgevoerd. De maatregelen met bijbehorende kenmerken zoals omvang, initiatiefnemerkosten, kosten en uitvoeringsperiode zijn opgenomen in een landelijke database. De maatregelen die worden opgenomen in het Stroomgebiedbeheerplan (SGBP) en waarvan de uitvoering uiterlijk 2015 is voorzien zijn resultaatsverplicht.

Inhoud Rapportage

Informatie over de maatregelen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in de centrale database via de KRWmaatregelen website (vanaf dec 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal) De website bevat een verplicht en een optioneel deel. Het verplichte deel bevat informatie die benodigd is voor het opstellen van het SGBP en andere landelijke plannen. Het optionele deel is herkenbaar door een grijze arcering en kan worden gebruikt voor het opslaan van aanvullende (niet-verplichte) informatie die van belang kan zijn voor het opstellen van regionale plannen.

Tabellen

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

Toelichting

Code van het deelstroomgebied waar de maatregel genomen wordt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

1. Gafident

Code van het deelstroomgebied waar de maatregel genomen wordt. Hierbij wordt verwezen naar het veld GAFIDENT in de domeintabel met de deelstroomgebieden (GAF15).

2. Wbhcode

Code van de verantwoordelijke waterbeheerder. Voor de codes wordt verwezen naar het veld WBHCODE in de domeintabel met waterbeheerders (WBH).

3. Matident

Unieke code van de maatregel. Het verdient aanbeveling de maatregel te coderen zoals gebruikelijk is voor oppervlaktewaterlichamen: De eerste vier karakters zijn gereserveerd voor een identificatie van Nederland (NL, 2 posities) en de beheerder (2 posities, zie WBHCODE in de domeintabellen). Dit is nodig om ervoor te zorgen dat de code op Europees niveau uniek id (door de toevoeging van de landcode NL) en op nationaal niveau uniek is (door een code voor de waterbeheerder toe te voegen). De overige karakters zijn vrij te kiezen.

4. Matnaam

Naam van de maatregel zoals die door de waterbeheerder is opgegeven

5. Matcode

Maatregel codering volgens SGBP. Hierbij wordt verwezen naar het veld CODE in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD).

6. Mateenh

Eenheid van de maatregel. Welke eenheden toegestaan zijn is afhankelijk van maatregelcodering (MATCODE). Hierbij wordt verwezen naar het veld Eenheid in de domeintabel met standaard maatregelen (MATSTD). Dit is alleen van belang voor maatregelen die worden opgenomen in het SGBP

7. Matomv

Omvang van de betreffende maatregel. Deze waarde moet altijd groter zijn dan nul

8. Toelichting

Uitgebreidere beschrijving van de maatregel

9. LocatieType

Het type locatie waar de maatregel van toepassing is. Voor een overzicht van mogelijke locaties wordt verwezen naar de domeintabel Locaties. Maatregelen die worden opgenomen in het SGBP moeten altijd aan één of meerdere waterlichamen worden gekoppeld

10. Locatie

De locatie waar de maatregel van toepassing is. De beschikbare keuzes zijn afhankelijk van het locatietype. Als het locatietype ‘oppervlaktewaterlichaam’ gekozen is dan verwijst de locatie naar de code van het oppervlaktewaterlichaam (het veld OWMIDENT uit de tabel met waterlichamen). Voor een overzicht van mogelijke combinaties van locatie en locatietype wordt verwezen naar de bijlagen.

11. Uitvoerder of initiatiefnemer)

De partij die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een maatregel. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Uitvoerders.

12. Tijdvak

Periode waarin de betreffende maatregel wordt uitgevoerd. Voor maatregelen die in het SGBP worden opgenomen moet worden gekozen uit de voorgedefinieerde tijdvakken. De optie ‘onbekend’ mag dan niet worden gebruikt. Hierbij wordt verwezen naar de domeintabel Tijdvakken

13. Status

Status waarin de maatregel verkeerd in de huidige situatie, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen: uitgevoerd (bestaat reeds), in uitvoering (wordt momenteel gerealiseerd), begroot (opgenomen in vastgestelde uitvoeringsplannen), gepland (is opgenomen in plannen maar nog niet begroot), concept (is meegenomen in voorlopige uitwerkingen), nieuw (niet eerder benoemd, volgt uit gebiedsproces) en onbekend. Voor een compleet overzicht van mogelijke statussen wordt verwezen naar de domeintabel Status.

14. Document

Naam van de planvorm waarin de maatregel wordt vastgelegd. Voorbeelden zijn: WBP, BHP, BPRW, grondwaterplan, raadsbesluit.

15. Rapporteren

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel in het SGBP moet worden opgenomen. In principe worden alle voorgenomen maatregelen die bijdragen aan KRW-doelen aangevinkt.

16. InvestKosten

Investeringskosten van de maatregel inclusief BTW en exclusief grondverwerving.

17. ExploitKosten

Kosten voor beheer en onderhoud (inclusief BTW), berekend als extra kosten ten opzichte van de huidige situatie. Dit kan bij een verminderde inspanning dus ook negatief zijn.

18. GrondAantal

Aantal hectaren dat moet worden verworven voor het realiseren van de maatregel

19. GrondKosten

Kosten voor grondverwerving (inclusief BTW) die samenhangen met de uitvoering van KRW-maatregel

20. Wb21

Door middel van aanvinken wordt aangegeven of de maatregel ook een bijdrage levert aan het behalen van WB21-doelen

21, 23 en 25. Kostendrager

Naam van de partij die (een deel van) de kosten van de maatregel voor zijn rekening neemt

22, 24 en 26. Kostenpercent

Aandeel van de totale kosten dat door de betreffende kostendrager wordt betaald

27. Thema

Naam van het water- of beleidsthema waaraan de maatregel een bijdrage levert. Mogelijke waterthema’s zijn opgenomen in de domeintabel Thema.

Formulier VI:. Rapportage format milieudoelstellingen

Informatie over de milieudoelstellingen wordt door de waterbeheerders ingevoerd in de centrale database via de KRWmilieudoelstellingen website (vanaf dec 2009 geïntegreerd in het KRW-portaal)

1. Waterlichaam

De gegevens met betrekking tot de milieudoelstellingen worden in vier groepen onderverdeeld

1. Waterlichaam

Dit onderdeel bevat algemene informatie over het waterlichaam die via verschillende andere bronnen wordt toegekend.

a. Gegevens van het waterlichaam

De informatie over de waterlichaamcode, de naam van het waterlichaam, het watertype en de status komt uit de waterlichamen gegevens aangeleverd via het KRW-portaal volgens het format oppervlaktewaterlichamen. De informatie met betrekking tot het watertype wat gebruikt is om de maatlatten vast te stellen, is extra opgenomen in het format milieudoelstellingen en wordt overgenomen uit de aangeleverde informatie uit de KRWdoelen website (vanaf dec 2009 geintegreerd in het KRW-portaal).

2. Motivering Status

Aan waterlichamen waar het bereiken van een Goede Ecologische Toestand (GET) voor één of meerdere kwaliteitselementen niet mogelijk is, kan een sterk veranderde of kunstmatige status worden toegekend. Dit dient dan wel goed te worden gemotiveerd. Bij kunstmatige waterlichamen wordt standaard uitgegaan van de motivering dat het waterlichaam gegraven is. Een verbijzondering is dat het waterlichaam voor de ontwatering van hoogveen of laagveen is gegraven. Indien dit van toepassing is, wordt dat ingevuld. In het geval er een andere reden is om het waterlichaam als kunstmatig aan te merken, dan wordt dit in de balk Facultatieve toelichting opgenomen. Bij sterk veranderde waterlichamen is een uitgebreidere motivering vereist:

a. Facultatieve toelichting en verplichte literatuurverwijzing motivering

Aangegeven wordt welke hydromorfologische ingrepen wel zijn overwogen, maar vanwege significant negatieve effecten op gebruiksfuncties of milieu in brede zin zijn afgevallen (conform KRW artikel 4.3a). Dit onderdeel bestaat uit drie stappen, die gezamenlijk een indruk geven van onomkeerbaar geachte ingre(e)p(en) en de impact daarvan:

c. Bereiken nuttige doel met andere middelen beschouwt

Bij ingrepen (maatregelen) die niet in het keuzemenu voorkomen, wordt hier de keuze ‘Anders’ geselecteerd en wordt in de facultatieve toelichting een beschrijving (inclusief gebruiksfunctie/milieuaspect en werkingsmechanisme) opgenomen van de betreffende ingreep. Voor de standaardcombinaties van onomkeerbare ingrepen en gebruiksfunctie/milieukwaliteit zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

c. Bereiken nuttige doel met andere middelen beschouwt

Informatie over de onderbouwing van de status die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

3. Motivering afwijking/hoogte GEP

Aan de statusafleiding gaat nog een stap vooraf, namelijk het benoemen van de hydromorfologische ingrepen die in het verleden hebben plaatsgevonden en nu de huidige situatie bepalen. Deze zijn puur informatief en staan formeel in de artikel 5 rapportage. Optioneel worden deze ingrepen hier eveneens opgenomen.

3. Motivering afwijking/hoogte GEP

De KRW stelt dat de doelstelling GEP een kleine afwijking mag hebben van het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP). In Nederland zijn voor zowel de biologische als de algemeen fysisch-chemische kwaliteitselementen per (natuurlijk) watertype waarden voor een Goede Ecologische Toestand (GET) afgeleid. Deze zijn uitgebreid beschreven in ‘Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Van der Molen & Pot (redactie), 2007). Voor sloten en kanalen (kunstmatige wateren) zijn voor deze kwaliteitselementen defaultwaarden afgeleid en beschreven in ‘Omschrijving MEP en conceptmaatlatten voor sloten en kanalen voor de Kaderrichtlijn Water’ (Evers et al., 2007).

a. Afleiding MEP naar GEP

Bij dit onderdeel zijn de getalswaarden voor de kwaliteitselementen weergegeven; dit zijn de gegevens die via de website KRWdoelen.nl zijn ingevoerd. In dit geval worden alleen de kwaliteitselementen met een getalswaarde die afwijkt van de betreffende Goede Ecologische Toestand (GET) of de landelijke defaultwaarde weergegeven. Per kwaliteitselement wordt vermeld op welke wijze het GEP is afgeleid van het MEP. Bovendien wordt een verwijzing opgenomen naar achtergronddocumenten waarin de onderbouwing van de hoogte van het GEP is beschreven.

b. Eerder aangeleverde informatie

Informatie over de hoogte van het GEP die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

4. Fasering

Er bestaan verschillende redenen waarom de goede toestand voor een bepaald kwaliteitselement niet in de eerste planperiode kan worden bereikt. De fasering wordt hieronder verder uiteengezet.

a. Beperkende kwaliteitselementen

In dit onderdeel worden de geselecteerde kwaliteitselementen vermeld waarvoor in 2015 het GET of GEP niet wordt gehaald. Per kwaliteitselement (maatlat) worden daarnaast de groep waartoe deze behoort (biologie of fysische-chemie), de getalswaarden van GEP en de verwachting voor 2015 weergegeven

b. Maatregelen uit te voeren na 2015

In dit onderdeel worden de maatregelen (met bijbehorende standaardmaatregelcode) vermeld die na 2015 worden uitgevoerd. De gegevens zijn afkomstig uit de website KRWmaatregelen.nl.

c. Motiveringsgrond fasering

Bij dit onderdeel wordt de formele reden (natuurlijke omstandigheden, onevenredig kostbaar of technisch onhaalbaar) genoemd waarom tot fasering is overgegaan (keuzemenu, zie bijlage 2). Deze reden is gekoppeld aan een bepaald mechanisme waardoor het niet haalbaar is om de doelen al is 2015 te halen (keuzemenu, zie bijlage 2). Dit moet worden gezien als een nadere specificatie van de formele motiveringsgronden die de KRW biedt. Tevens bestaat de mogelijkheid om hier een toelichting op de fasering op te nemen. Deze optie is vooral bedoeld om aanvullende werkingsmechanismen, die niet zijn vermeld in het keuzemenu, te beschrijven en/of een nadere toelichting op de fasering te geven. Voor de standaardcombinaties van motiveringsgrond en mechanisme zijn in bijlage 3 algemene motiveringen opgenomen.

d. Eerder aangeleverde informatie en facultatieve verwijzing

Informatie over de onderbouwing van de fasering die is opgesteld voordat de website KRWmilieudoelstellingen in bedrijf is gekomen, is vastgelegd in het ‘format milieudoelstellingen’ (excel-sheets). Gegevens die daaruit niet konden worden overgezet naar de website zijn opgenomen in dit onderdeel.

Domeintabellen

Onderbouwing status van waterlichamen (KRW-art. 4.3a en 4.3b)

S1:. Verwijderen waterkeringen

Waterlichamen mogen als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen indien noodzakelijke (hydromorfologische) ingrepen voor het bereiken van de goede ecologische toestand significante negatieve effecten hebben op een aantal met name genoemde functies of het milieu in brede zin (KRW art 4.3a). Voor kunstmatige waterlichamen kan worden volstaan met het vermelden dat zij door de mens zijn aangelegd. Voor sterk veranderde waterlichamen wordt een uitgebreidere motivering gevraagd die hieronder voor verschillende soorten ingrepen is uitgewerkt. Daarbij is telkens aangegeven voor welke functies de negatieve effecten van de ingrepen significant zijn en waarom het niet mogelijk is om de functies, waarvoor de genoemde ingrepen in het waterlichaam zijn uitgevoerd, op een andere wijze te bedienen met een aanzienlijk minder schade voor het milieu (KRW art 4.3b).

S1:. Verwijderen waterkeringen

Het verwijderen van waterkeringen heeft via het mechanisme veiligheid nagenoeg altijd negatieve consequenties op één of meerdere gebruiksfuncties. Omdat het areaal waar schade optreedt bij het verwijderen van de waterkering over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk.

S2:. Flexibel peilbeheer in boezemwateren

Door het hanteren van een flexibeler peilbeheer in het boezemwater kunnen in (extreem) natte situaties hogere waterstanden optreden waardoor de kans op overstroming en wateroverlast toe neemt. Een gevolg hiervan is een aanzienlijke schade voor zowel de landbouw als het stedelijk gebied. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. De scheepvaart vraagt eveneens om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (i.v.m. minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (i.v.m. voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S3:. Volledig natuurvriendelijke inrichting van wateren met waterhuishoudkundige functie

Het doorstroomprofiel van primaire en secundaire wateren en de vaarstrook van vaarwateren moet vrij blijven van plantengroei omdat anders de waterhuishouding- en/of scheepvaartfunctie wordt belemmerd. Wanneer in natte perioden niet voldoende afvoer kan worden gerealiseerd heeft dit waterstandverhoging en inundatie tot gevolg met negatieve consequenties voor bijvoorbeeld landbouw en stedelijk gebied. Ook voor de scheepvaart heeft een beperking van de bevaarbaarheid van de vaarstroom negatieve gevolgen. Omdat het areaal waar schade optreedt door wateroverlast over het algemeen vele hectaren bedraagt, is het verplaatsen van hier gelegen gebruiksfuncties alleen tegen onevenredig hoge kosten mogelijk. Ook het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit heeft per saldo veelal negatieve effecten voor het milieu.

S4:. Beperken van scheepvaart in grote kanalen

De beroepsscheepvaart heeft een belangrijke economische functie in Nederland, niet alleen als sector op zichzelf, maar ook omdat veel bedrijfstakken afhankelijk zijn van aanvoer/afvoer van grondstoffen of producten per schip. Slechts een beperkt aantal wateren is toegerust op deze scheepvaartfunctie. Verminderen van de scheepvaart betekent dat het transport, gezien het economisch belang, op andere manieren plaats zal moeten vinden en dat sprake zal zijn van inkomstenderving voor de sector zelf. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd.

S5:. Peilwijziging kanalen met beroepsvaart

De waterhuishouding in waterlopen met een scheepvaartfunctie vraagt om een sterk gereguleerd peil. Zowel een te laag peil (in verband met minimale diepte voor bevaarbaarheid) als een te hoog peil (in verband met voldoende hoogte voor passeerbaarheid kruisende infrastructuur) leiden ertoe dat de scheepvaart in mogelijkheden wordt beperkt. Het op andere wijze vervoeren van producten is noodzakelijk als de functie scheepvaart niet meer kan worden vervuld. Dit alternatief zal veelal wegtransport betreffen, wat (vanwege de hoge CO2 uitstoot) per saldo aanzienlijke negatieve effecten op het milieu heeft. Daarnaast leidt een wijziging van transport over water naar wegtransport tot onaanvaardbare economische gevolgen voor de beroepsscheepvaart en de industrie die door locatiekeuze en voorzieningen als loskades is ingesteld op vervoer over water.

S6:. Verwijderen sluizen

Sluizen zijn in het verleden aangelegd om de waterstand en de stroomsnelheid te reguleren op een zodanige wijze dat de passeerbaar voor schepen gewaarborgd blijft. Het verwijderen van de sluis heeft tot gevolg dat de waterstand stroomopwaarts van het kunstwerk wordt verlaagd en de waterdiepte wordt verkleind. De mogelijkheden voor de scheepvaart worden door deze ingreep beperkt. De alternatieven (meestal vervoer per weg) hebben in verhouding tot de scheepvaart een negatievere invloed op het milieu en leiden tot meer energieverbruik. Daarom wordt het beperken van scheepvaart vanwege deze effecten als schadelijk voor het milieu beschouwd. Door het verwijderen van sluizen kan tevens niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De oppervlaktewater- en grondwaterstand worden in een groot deel van het jaar lager en extreem lage standen houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S7:. Verwijderen stuwen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebied met een agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. Een te laag grondwaterpeil is ongewenst in gebieden met een landbouwfunctie (verminderde opbrengsten). Het peil van het oppervlaktewater is sterk bepalend voor de grondwaterstand. Dit oppervlaktewaterpeil wordt gereguleerd door stuwen. Het verwijderen van deze stuwen heeft daarmee een verstoring van de grondwaterstand tot gevolg. Bovendien kan door het ontbreken van stuwen niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De grondwaterstand wordt in groot deel van het jaar lager en extreem lage grondwaterstanden houden langer aan. De ontstane opbrengstderving voor de landbouw is niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Het enige alternatief is verplaatsing van functies. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S8:. Dempen watergangen in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensieve agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit in dit gebied alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S9:. Hermeandering beken in agrarisch gebied

Het hermeanderen van beken heeft als doel meer variatie te creëren in het stromingspatroon en substraat van beken. Om dit te realiseren en eventuele negatieve effecten op de waterhuishouding te compenseren, moet areaal worden vrijgemaakt ten behoeve van het verleggen van de beek en wellicht voor mogelijke inundaties die zullen plaatsvinden vanwege het gewijzigde profiel. Hierdoor gaat areaal voor de landbouw verloren, dat in het dichtbevolkte Nederland slechts beperkt en tegen relatief hoge kosten beschikbaar is. Bovendien worden inundaties vanwege de water-/slibkwaliteit op veel plaatsen uit milieuoverwegingen ongewenst geacht. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een acceptabele prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S10:. Verhogen drainagebasis in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het dempen van waterlopen of het verhogen van de drainagebasis heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S11:. Beperken piekafvoeren in bovenlopen agrarisch gebied

Het vasthouden van water in de bovenlopen van het watersysteem door middel van stuwen en verondiepen van waterlopen heeft in dit gebied aanzienlijke gevolgen voor de landbouw. Door deze ingrepen wordt optimale waterhuishoudkundige situatie verstoord en treedt opbrengstderving op als gevolg van vernatting. Bovendien leiden de afgenomen mogelijkheden voor waterafvoer ertoe dat regenwater plaatselijk lang op het land blijft staan. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S12:. Peilwijziging in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Het aanpassen van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoord en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S13:. Hanteren natuurlijk waterpeil in agrarisch gebied

De waterhuishouding in gebieden met een intensief agrarische functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. In gebieden met een landbouwfunctie betreft het bijvoorbeeld de teelt van gewassen die optimaal renderen bij een bepaalde grondwaterstand, maar ook aan de berijdbaarheid van percelen die nodig is voor een goede bedrijfsvoering. Een natuurlijke fluctuatie van het peil heeft tot gevolg dat de optimale waterhuishoudkundige situatie wordt verstoort en opbrengstderving aan de orde is. De ontstane opbrengstderving is meestal niet te mitigeren door bewezen aanpassingen in de goede landbouwpraktijk. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de gebruiksfunctie in dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten

S14:. Aankoppelen van beektrajecten/aanleg nevengeul in agrarisch gebied

Het aantakken van beektrajecten of de aanleg van nevengeulen in landbouwgebied heeft als gevolg dat areaal dat in gebruik is bij (intensieve) landbouw moet worden vrijgemaakt ten behoeve van beektrajecten/nevengeulen. Hierdoor gaat areaal voor landbouw verloren. Aanpassen van de gebruiksfuncties is slechts mogelijk als grondeigenaren tegen een redelijke prijs schadeloos worden gesteld of functieverplaatsing mogelijk is. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor verplaatsing van de landbouwfunctie is dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S15:. Verwijderen stuwen in stedelijk gebied

De waterhuishouding in gebied met een stedelijke functie vraagt om een gereguleerd grondwaterpeil. Een te laag grondwaterpeil is ongewenst in gebieden met een stedelijke functie (afname stabiliteit funderingen door bijvoorbeeld paalrot, kades). Het peil van het oppervlaktewater is sterk bepalend voor de grondwaterstand. Dit oppervlaktewaterpeil wordt gereguleerd door stuwen. Het verwijderen van deze stuwen heeft daarmee een verstoring van de grondwaterstand tot gevolg. Bovendien kan door het ontbreken van stuwen niet meer worden ingespeeld op situaties van langdurige droogte of hoge afvoeren. De grondwaterstand wordt in groot deel van het jaar lager en extreem lage grondwaterstanden houden langer aan. Voor het herstel van de schade dienen aanzienlijke kosten te worden gemaakt. Het alternatief van aanpassing van de stedelijke functie kan alleen tegen onevenredig hoge kosten.

S16:. Hermeandering beken in stedelijk gebied

Het hermeanderen van beken heeft als doel: meer variatie creëren in het stromingspatroon en substraat van beken. De ingreep gaat gepaard met een aanzienlijk ruimtebeslag. In bebouwd gebied is het veelal niet mogelijk dit areaal aan de stedelijke omgeving te onttrekken. Het areaal is doorgaans al in gebruik voor functies als wonen en werken. Door het ruimtebeslag van de hermeandering gaat areaal verloren voor functies met een hoge gebruikswaarde (met name wonen). Daarnaast heeft het beeksysteem in het stedelijk gebied een cultuurhistorische waarde die bij hermeandering verloren kan gaan. Tot slot zullen diverse soorten infrastructuur, zoals wegen, kabels, leidingen en riolering niet meer functioneren zonder vergaande compenserende ingrepen. Aanpassen van de gebruiksfunctie is alleen mogelijk tegen zeer hoge kosten.

S17:. Verhogen drainagebasis in stedelijk gebied

Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast kan ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Juist om dit soort problemen te voorkomen is in het verleden regelmatig drainage aangelegd om de grondwaterstand verder te kunnen reguleren. Het verhogen of verwijderen hiervan leidt in vrijwel alle gevallen tot de eerder genoemde ongewenste verschijnselen. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie. Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van gebruiksfunctie in dit alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S18:. Peilwijziging waterlopen in stedelijk gebied

Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast zal ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Een te laag grondwaterpeil is eveneens ongewenst in het stedelijk gebied in verband met de afname van stabiliteit van funderingen (door bijvoorbeeld paalrot) en kades. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie: Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van de gebruiksfunctie alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S19:. Hanteren natuurlijk waterpeil in stedelijk gebied

De waterhuishouding in het stedelijk gebied is gebaad bij een gereguleerd grondwaterpeil. Oppervlaktewaterpeilen hebben een rechtstreekse invloed op het grondwaterpeil. In lager gelegen gebieden met een stedelijke functie is een tijdelijk hoger grondwaterpeil ongewenst, omdat hierdoor wateroverlast zal ontstaan in bijvoorbeeld kelders en kruipruimten (ongezonde leefomgeving). Een te laag grondwaterpeil is eveneens ongewenst in het stedelijk gebied in verband met de afname van stabiliteit van funderingen (door bijvoorbeeld paalrot) en kades. Verplaatsing van de stedelijke functie (wonen en werken) is doorgaans geen optie: Gezien het beperkt beschikbare areaal voor aanpassing van de gebruiksfunctie in dit in dit gebied alleen mogelijk tegen onevenredig hoge kosten.

S20:. Aanpassen kades stedelijk gebied

Het aanpassen van kades in stedelijk gebied gaat meestal gepaard met verandering van het ruimtebeslag in bebouwd gebied. Het is hier veelal niet mogelijk om dit areaal aan de stedelijke omgeving te onttrekken omdat het doorgaans al in gebruik is voor hoogwaardige functies als wonen en werken die daardoor deels verloren zullen gaan. De kades hebben daarnaast een functie voor de scheepvaart die daarvan gebruikt maakt voor het aan- en afmeren, laden en lossen. Diverse soorten infrastructuur, zoals wegen, kabels en leidingen staan in directe verbinding met de kades en kunnen, zonder vergaande compenserende ingrepen, niet meer functioneren als de kades worden vervangen door natuurvriendelijke oevers. Daarnaast vertegenwoordigen de kades in stedelijk gebied vaak een cultuurhistorische waarde die bij aanpassing verloren kan gaan. Deze waarde is doorgaans niet te compenseren door andere maatregelen. Verplaatsen van de gebruiksfuncties is alleen mogelijk tegen zeer hoge kosten.

S21:. Natuurlijke inrichting van cultuurhistorisch erfgoed

Verschillende waterlopen zijn in het verleden gegraven of aangepast ten behoeve van een specifieke functie, bijvoorbeeld het vervoer van turf. Inmiddels is deze oorspronkelijke functie niet meer in gebruik, maar vormen de waterlopen zelf onderdeel van het cultuurhistorisch erfgoed. Het volledig natuurlijk inrichten (waaronder overal natuurvriendelijke oevers, verwijderen van stuwen en sluizen e.d.) gaat ten koste van het oorspronkelijke karakter van de waterloop waardoor de cultuurhistorische waarde verloren gaat. Deze waarde is doorgaans niet te compenseren door andere maatregelen. Dit is voor deze wateren een reden om af te zien van een volledig op natuur gerichte inrichting.

Fasering (KRW-art. 4.4)

Er bestaan verschillende redenen waarom de goede toestand voor een bepaald kwaliteitselement niet in de eerste planperiode kan worden bereikt. Deze zijn hieronder verder toegelicht.

F1:. Natuurlijke omstandigheden – nalevering, historische belasting

De waterkwaliteit van het oppervlaktewater wordt negatief beïnvloed doordat nutriënten via het grondwater uitspoelen. De hoge concentraties in het grondwater zijn onder andere het gevolg van overmatige belasting met meststoffen in het verleden. Aanscherpingen van het mestbeleid en een zorgvuldigere bemesting in de praktijk heeft tot gevolg dat de bron voor beïnvloeding van het grondwater afneemt, maar de doorwerking van grond- naar oppervlaktewater is een traag proces. Om deze reden zal in 2015 nog niet het volledige effect van deze maatregelen merkbaar zijn.

F2:. Natuurlijke omstandigheden – trage effecten van maatregelen

Een aanzienlijk deel van de inrichtingsmaatregelen wordt al in de eerste planperiode uitgevoerd. Uit onderzoek is gebleken dat het in veel gevallen een aantal jaar kan duren voordat het ecosysteem zich volledig heeft aangepast aan een nieuwe situatie, bijvoorbeeld omdat het tijd kost voor bepaalde soorten om nieuw habitat te koloniseren. Om deze redenen zijn de effecten van maatregelen in de eerste planperiode pas in de tweede planperiode volledig van kracht en worden in deze planperiode geen aanvullende maatregelen getroffen.

F3:. Technisch onhaalbaar – grondverwerving

Vanwege het maatschappelijke draagvlak, vindt grondverwerving vrijwel altijd plaats op vrijwillige basis. Uitvoering ná 2015 is dan in veel gevallen voordeliger, omdat hiermee het opdrijven van grondprijzen kan worden tegengegaan. Bovendien is het niet aannemelijk dat alle benodigde gronden voor herinrichting tijdig verworven zijn (= ruim voor 2012), want er is vervolgens ook nog tijd nodig voor realisatie van maatregelen. Kansen om grond te verwerven zijn vaak gebonden aan bepaalde gebeurtenissen (ruilverkaveling, bedrijfsovernames), die zich lang niet op alle locaties binnen de komende periode zullen voordoen. Dergelijke grootschalige gebiedsprocessen kennen mede als gevolg van juridische procedures een doorlooptijd die de planperiode overschrijdt. Dit heeft als consequentie dat fasering nodig is.

F4:. Technisch onhaalbaar – maatschappelijk draagvlak

De uitvoering van maatregelen die een aanzienlijke impact hebben op de omgeving dient goed voorbereid te worden. Dit betekent dat verschillende direct betrokken partijen goed moeten worden voorgelicht over de wijze van uitvoering en de consequenties daarvan. Een dergelijke maatschappelijke betrokkenheid is vooral van belang om de uitvoering op een dusdanige wijze vorm te geven dat deze op zoveel mogelijk draagvlak kan rekenen. Een gedegen voorbereiding van een complex project kost vele jaren waardoor de maatregelen niet in de lopende planperiode kunnen worden uitgevoerd.

F5:. Technisch onhaalbaar – synergie met andere beleidsvoornemens

De uitvoering van maatregelen voor het bereiken van KRW-doelen staat meestal niet op zichzelf, ook andere (water)opgaven dienen te worden gerealiseerd. Het is hierbij van belang dat voor de uitvoering gezocht wordt naar synergie zodat niet meerdere malen na elkaar dezelfde procedures hoeven te worden doorlopen, graafwerkzaamheden worden uitgevoerd e.d. Andere (water)opgaven kennen niet altijd dezelfde programmering als de gewenste uitvoering voor de KRW. Om te voorkomen dat onevenredig hoge kosten in deze planperiode moeten worden gemaakt., wordt ervoor gekozen om de KRW-maatregelen in samenhang met andere maatregelen uit te voeren Het gevolg hiervan is dat de gecombineerde maatregelen pas in de volgende planperiode kunnen worden afgerond.

F6:. Technisch onhaalbaar – uitvoeringscapaciteit

Inrichtingsmaatregelen vormen een groot deel van het maatregelpakket. Zowel overheden als uitvoerende organisaties (aannemers) voeren momenteel al maatregelen uit. Het totale voorgestelde pakket aan KRW-maatregelen vraagt een forse versnelling van uitvoering als het hele pakket voor 2015 wordt gerealiseerd. Voorbereiding en uitvoering vragen specifieke kennis en capaciteiten, die in beperkte mate aanwezig is. Uitvoering van alle benodigde inrichtingsmaatregelen in de eerste planperiode van het SGBP is dan ook niet mogelijk. Om deze reden wordt gefaseerd.

F7:. Onevenredig kostbaar – afschrijvingstermijnen

Huidige functies zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op de huidige inrichting. Als deze inrichting wordt veranderd, heeft dit consequenties voor deze functies. Een efficiënte inzet van beschikbare middelen rechtvaardigt een spreiding van de maatregelen over de periode na 2015. De afgelopen jaren hebben al investeringen plaatsgevonden die in 2015 nog niet zijn afgeschreven. Bij een gespreide uitvoering van maatregelen kan aangesloten worden bij gebruikelijke onderhoudscycli van de waterbeheerders. Bovendien kan op dergelijke wijze ‘werk met werk’ worden gemaakt door werkzaamheden met elkaar te combineren. Zo kan het geheel aan maatregelen worden uitgevoerd, zonder dat onevenredig hoge kosten in deze planperiode moeten worden gemaakt.

Formulier VII:. Rapportage format oppervlaktewaterlichamen en deelstroomgebieden

In de uitwisselingsformats komt dat er als volgt uit te zien:

Tabellen

3De stroomgebiedgrootte van een waterlichaam (grootte van het gebied dat afwatert op een waterlichaam, bovenstrooms gebied) van een water is een wezenlijk kenmerk van een waterlichaam en waterdeel. De grootte kan als klasse worden aangegeven met onderstaande waarden. Grootte indeling:

Oppervlaktewaterdelen (OWA)

3Het watergebied betreft de algemeen bekende namen van de rivier/meer waar het waterdeel onderdeel van is. Bijvoorbeeld ‘Dommel’, ‘Amsterdam-Rijnkanaal’, ‘Kagerplassen’. Een dergelijke naam is noodzakelijk omdat dit de begrijpelijke toegang tot de gegevens zal vormen. Waterlichamen en waterdelen hebben veelal licht afwijkende namen. Watergebied wordt gedefinieerd als: ‘één of meerdere waterdelen die tezamen een waterloop of gebied vormen die in de volksmond aangeduid worden met één naam.’ Minimaal de naam van het watergebied moet worden gegeven. In de Idsw standaard wordt een aparte entiteit ‘watergebied’ opgenomen. Voor uitwisseling is echter opnemen in deze tabel voldoende.

Geometrie oppervlaktewaterdelen (OWAG)

4De stroomgebiedgrootte van het waterdeel (grootte van het gebied dat afwatert op een waterdeel bovenstrooms gebied) van een water is een wezenlijk kenmerk van een waterdeel. De grootte kan als klasse worden aangegeven met onderstaande waarden. Grootte indeling:

Geometrie oppervlaktewaterdelen (OWAG)

3In GAFLIGIN kan de code van het grotere stroomgebied waarvan het stroomgebied deel uit maakt ingevuld worden.

Formulier VIII:. Rapportage format monitoringprogramma’s voor oppervlaktewater

De rapportage over het monitoringsprogramma voor zowel Toestand -en Trend monitoring als operationele monitoring bestaat uit twee delen:

Samenvatting van het monitoring programma

Per monitoringsprogramma wordt ook de volgende informatie als algemene beschrijving opgenomen (uit: Reporting sheets for Reporting Monitoring Requirements, 31 augustus 2005):

Beschrijving per monitoringlocatie

In het geval van chemische monitoring zal de locatie veelal overeenkomen met een meetpunt. In het geval van (bijvoorbeeld) vissen zal de X,y coördinaat van de locatie een zwaartepunt (binnen het water) van een gebied zijn.

Tabellen

Om de informatie per monitoringlocatie vast te leggen zijn een aantal tabellen nodig:

1. Basistabel met locaties

In deze tabel worden de parameters gegeven die per locatie worden bemeten, inclusief de meetfrequentie. Hier kunnen ook stofgroepen worden weergegeven (bijvoorbeeld: ‘prioritaire stoffen met EU norm’ of ‘Rijnrelevante stoffen’), echter alleen als inderdaad alle parameters uit de stofgroep hier bemeten worden met de weergegeven frequentie en cyclus. Anders toch per parameter opgeven wat bemeten wordt.

2. Tabel met parameter per locatie en meetfrequentie

In deze tabel worden de parameters gegeven die per locatie worden bemeten, inclusief de meetfrequentie. Hier kunnen ook stofgroepen worden weergegeven (bijvoorbeeld: ‘prioritaire stoffen met EU norm’ of ‘Rijnrelevante stoffen’), echter alleen als inderdaad alle parameters uit de stofgroep hier bemeten worden met de weergegeven frequentie en cyclus. Anders toch per parameter opgeven wat bemeten wordt.

2. Tabel met redenen (belastingen) waarom meetlocatie ingericht is per kwaliteitselement (alleen voor operationele monitoring)

In deze tabel kan ook per stofgroep (of groep kwaliteitselementen) worden aangegeven waarom er gemeten wordt, indien de reden voor alle bemeten parameters uit de stofgroep geldig is. Indien niet alle parameters uit de stofgroep bemeten worden op de locatie, mag toch de stofgroep code gebruikt worden. Uit de tabel MLC_PAR wordt wel duidelijk welke parameters exact bemeten worden.

4. Tabel met typen beschermd gebied waar locatie in ligt

Op een locatie kunnen diverse parameters gemeten worden. In de tabel MLC_PAR en MLC_OWM wordt aangegeven welke parameters gemeten worden en voor welke waterlichamen die representatief zijn. In die tabellen moeten altijd de individuele parameters ingevuld worden. Werken met stofgroepen mag niet meer. De actuele lijst met domeinwaarden voor de parameters en kwaliteitselementen is te uitgebreid om hier op te nemen. De lijst is beschikbaar op www.idsw.nl

Parameters/kwaliteitselementen

Op een locatie kunnen diverse parameters gemeten worden. In de tabel MLC_PAR en MLC_OWM wordt aangegeven welke parameters gemeten worden en voor welke waterlichamen die representatief zijn. In die tabellen moeten altijd de individuele parameters ingevuld worden. Werken met stofgroepen mag niet meer. De actuele lijst met domeinwaarden voor de parameters en kwaliteitselementen is te uitgebreid om hier op te nemen. De lijst is beschikbaar op www.idsw.nl

Formulier IX:. Rapportage format oordelen oppervlaktewater

Voor de KRW rapportages worden de oordelen over de toestand van de oppervlaktewaterlichamen aangeleverd in een vastgesteld formaat, conform het door IDsW gepubliceerde xml-schema.

Tabel

2De domeintabel OWM is te vinden op het KRW-Portaal.

Identificatie

de letterlijke tekst ‘NL.umam.’ gevolgd door het nummer van de waterbeheerder gevolgd door een punt, gevolgd door maximaal 25 letters en/of cijfers. Bijvoorbeeld

WaterbeheerGebied

NL.umam.33.1234. De identificatie wordt niet gebruikt in de dBase tabellen.

WaterbeheerGebied

Dit veld refereert naar het waterlichaam waar het oordeel op van toepassing is. De referentie is als volgt geformatteerd: de letterlijke tekst ‘NL.umam.’ gevolgd door de code van de betreffende waterbeheerder, gevolgd door een punt en tenslotte gevolgd door de waterlichaamcode uit de tabel OWM (veld OWMIDENT). Voorbeeld voor het waterlichaam IJssel: ‘NL.umam.93.NL93_IJSSEL’. In de dBase tabellen wordt alleen de waterlichaamcode getoond (veld OWMIDENT)

rapportageJaar

Jaar van de rapportage

kwaliteitsElementOfParameter

De code van het betreffende kwaliteitselement of parameter. Voor geldige waarden wordt verwezen naar de door IDsW gepubliceerde domeintabellen.

grootheid

Als het oordeel een chemische stof betreft dient hier de grootheid van de parameter opgegeven te worden. Dit is niet nodig voor biologische kwaliteitselementen. Voor toegestane grootheiden wordt verwezen naar de IDsW domeintabellen.

waardeBewerkingsMethode

De methode die gebruikt is om de toetswaarde te bepalen. Voor geldige waarden wordt verwezen naar de Aquo domeintabel met methodieken (modellen) voor waardebepaling (waardebepalingsmethode.xsd). De laatste tekens van de waardebepalingsmethode geven aan of het oordeel het Toestand en Trend meetnet betreft (TT), het Operationele Meetnet betreft (OM), of een gecombineerd oordeel is (OM_TT).

gegevensBeginTijd en gegevensEindTijd

Voorbeeld: als gebruikt gemaakt is van de standaard trits iBever, QBWat en de KRW Integratiemodule voor het operationele monitoringnetwerk heeft de waardeBepalingsMethode het volgende formaat: ‘other:iWSR;KRW;OM’.

gegevensBeginTijd en gegevensEindTijd

Bepaalt de periode waar binnen meetgegevens gebruikt zijn om tot een oordeel te komen. De begintijd en eindtijd worden als datum opgegeven in het formaat jjjj-mm-dd.

numeriekeWaarde

Is de feitelijke toetswaarde als getal en is een resultaat van selectie, berekeningen, aggregatie en integratie. Deze waarde is langs de norm of maatlat gehouden om het oordeel te bepalen.

toestand

De uiteindelijke toestand of oordeel. Voor chemische stoffen wordt het oordeel gegeven als ‘Voldoet’ of ‘Voldoet niet’, Voor de biologische kwaliteitselementen en fysisch-chemische parameters wordt de toestand gegeven als ‘Slecht’, ‘Ontoereikend’, ‘Matig’, ‘Goed’ of ‘Zeer goed’.

Bijlage VI. Voorschriften voor het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan (bijlage bij artikel 6.3 van de Waterregeling)

Voorschrift 1. Wijze van bemonsteren en analyseren

Bijlage VII. Parameters en frequentie van bemonstering en analyse van te infiltreren water (bijlage bij artikel 6.5 van de Waterregeling)

Parameter Afkorting Frequentie
bacteriën van de coligroep 4 wekelijks
kleur 4 wekelijks
zwevende stof SS 4 wekelijks
geleidingsvermogen voor elektriciteit 4 wekelijks
temperatuur T 4 wekelijks
zuurgraad pH 4 wekelijks
opgelost zuurstof O2 4 wekelijks
totaal organisch koolstof TOC 4 wekelijks
bicarbonaat HCO3 4 wekelijks
nitriet NO2 4 wekelijks
nitraat NO3 4 wekelijks
ammonium NH4 4 wekelijks
totaal fosfaat Totaal P 4 wekelijks
fluoride F 3 maandelijks
chloride Cl 4 wekelijks
sulfaat SO4 3 maandelijks
natrium Na 3 maandelijks
ijzer Fe 3 maandelijks
mangaan Mn 3 maandelijks
chroom Cr 3 maandelijks
lood Pb 3 maandelijks
koper Cu 3 maandelijks
zink Zn 3 maandelijks
cadmium Ca 3 maandelijks
arseen As 3 maandelijks
cyanide CN 3 maandelijks
minerale olie 4 wekelijks
adsorbeerbaar organisch halogeen AOX 4 wekelijks
vluchtig organisch gebonden chloor VOC 4 wekelijks
vluchtige aromaten 4 wekelijks
polycyclische aromaten PAK 3 maandelijks
fenolen 3 maandelijks

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 6.12a

Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.14, tweede lid, in samenhang met artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn:

activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundig beheer.

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

§ 6. Indieningsvereisten voor de watervergunning

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Bijlage IV. Kaart met grenzen van oppervlaktewaterlichamen en zijwateren waar het Rijk het waterstaatkundig beheer voert (bijlage bij artikel 3.2, derde lid, en artikel 6.7 van de Waterregeling)

Ligt ter inzage op het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en is gepubliceerd op www.waterwet.nl.

Inhoud rapportage

Voor elk waterlichaam uit het beheergebied van de waterbeheerder wordt voor alle 54 typen belasting aangegeven of de betreffende belasting aanwezig is en of de aanwezigheid significant is. Aanwezigheid en significantie wordt door middel van een vinkje op de website aangegeven. De beheerder heeft de mogelijkheid per type belasting een nadere toelichting te geven. Per waterlichaam vult de waterbeheerder onderstaande tabel in:

Inhoud rapportage

De databank bevat waarden voor de biologische en algemeen fysisch-chemische parameters voor de huidige toestand en de situatie in 2015. De huidige toestand is in eerste instantie ingevuld als inschatting van de waterbeheerder, maar is sinds juli 2009 vervangen door de gerapporteerde toestand (formaat toestand oppervlaktewaterlichamen). De situatie 2015 wordt door de waterbeheerder ingevuld. Dat geldt eveneens voor de waarden die de grenzen tussen verschillende toestandsklassen (goed, matig, ontoereikend, slecht) markeren. Indien niets wordt ingevuld worden de landelijk vastgestelde waarden volgens de maatlatten van natuurlijke waterlichamen of de defaultwaarden van de maatlatten van sloten en kanalen aangehouden. De databank biedt de mogelijkheid om ook waarden op het niveau van deelmaatlatten toe te kennen. Deze gegevens zijn echter niet verplicht en dienen vooral voor de onderbouwing van oordelen op het niveau van maatlatten.

Maatlatten

Voor natuurlijke wateren wordt als doelstelling automatisch de Goede Ecologische Toestand (GET) aangehouden volgens de betreffende maatlatten van natuurlijke wateren. Voor de biologische kwaliteitselementen is deze gelijk aan 0,6. Voor sterk veranderde wateren wordt door de waterbeheerder een waarde voor het Maximaal Ecologisch Potentieel (MEP) en het Goed Ecologisch Potentieel (GEP) ingevuld. De waarde betreft een score (streepje) op de maatlat van de natuurlijke wateren. Voor kunstmatige wateren (watertypen M1 tot en met M10) zijn de GEP-waarden voorbedrukt. Deze zijn afkomstig van de default maatlatten voor sloten en kanalen. Indien er afgeweken wordt van de default maatlatten, dan kunnen de waarden gewijzigd worden.

Status en type voor ecologische doelen

Doelen en inschatting doelbereik 2015

Enkele voorbeelden van klassengrenzen:

Voor de KRW rapportages wordt de informatie met betrekking tot grondwaterlichamen en oordelen uitgewisseld in drie tabellen:

De GWB tabel wordt gerepresenteerd als een vlakken in ESRI shapefile formaat, waarbij een grondwaterlichaam uit één of meerdere vlakken bestaat. Aan elk vlak worden de volgende kenmerken gekoppeld:

Gwbident

In de tabel GWBKWAN wordt per grondwaterlichaam één regel met oordelen opgenomen. Behalve het totaal oordeel wordt tevens een oordeel gegeven over de invloed op terrestrische ecosystemen, de relatie met het oppervlaktewater en een oordeel met betrekking tot het evenwicht onttrekking/aanvulling.

Inhoud Rapportage

Tabel 1 en 2 worden gebruikt voor de kaarten en teksten van het SGBP en de elektronische rapportage naar de EU. Tabel 3 wordt alleen gebruikt voor de elektronische rapportage.

Mlcident

Drinkwater

Soort meetnet waar deze parameter in opgenomen wordt. Er kan gekozen worden uit TT (Toestand en Trens) of OM (Operationeel), maar niet beide. Voor een parameter in een TT meetnet geldt standaard MONCYCLUS=6 en voor het OM meetnet MONCYCLUS=1.

Verplicht en optioneel

De maatregelen die moeten worden opgenomen in het SGBP moeten altijd worden gekoppeld aan waterlichamen. In enkele gevallen kan daarvoor gebruik worden gemaakt van een één op meer koppeling (koppeling aan cluster waterlichamen of hele beheergebied). In het eerste geval moeten de betreffende waterlichaamcodes wel onder ‘Locatie’ worden vermeld.

In Tabel 1 wordt de Maatregelen tabel beschreven uit de landelijke database. Deze tabel bevat per regel alle relevante informatie met betrekking tot een KRW-maatregel.

De volgende domeintabellen zijn van toepassing:

Inhoud rapportage

b. Significante negatieve effecten

d. Eerder aangeleverde informatie

1Wordt overgenomen uit andere tabellen.

Algemene motiveringen bij format milieudoelstellingen

Uitvoering van alle maatregelen voor het bereiken van de goede toestand/potentieel binnen de eerste planperiode stuit op te grote financiële beperkingen. Om de lastenstijging binnen een maatschappelijk acceptabele bandbreedte te houden, wordt gekozen voor een gefaseerde uitvoering van het maatregelenpakket in de periode na 2015. In afwachting van de ontwikkeling van mogelijke kosteneffectievere maatregelen in de toekomst en het vaststellen van aanvullende maatregelen op nationaal en internationaal niveau wordt aanspraak gemaakt op de mogelijkheid tot fasering en wordt nu nog niet overgegaan tot doelverlaging. Dit wordt bij het volgende provinciale waterplan/omgevingsplan (en SGBP) opnieuw bezien.

Inhoud Rapportage

In de toekomst wordt het watergebied door IdsW in de Aquo standaard als aparte entiteit opgenomen. Omdat deze entiteit nog niet is gedefinieerd en omdat het slechts om twee velden gaat, is het voor de uitwisselingsformats voldoende om de waterdelen tabel uit te breiden. Het gaat dan om de velden WGBIDENT en WGBNAAM.

Oppervlaktewaterlichamen (OWM)

Oppervlaktewaterdelen (OWA)

Deelstroomgebieden/rapportage eenheden (GAF)

4In het veld GAFSOORT wordt het soort gebied aangegeven. In bijbehorende domeintabel (zie www.idsw.nl) wordt aangegeven welke soorten kunnen worden onderscheiden. Dit betreft soorten als ‘stroomgebieddistrict’ , ‘rwsr gebied’, ‘afwateringsgebied’.

Inhoud Rapportage

Samenvatting van het monitoring programma

Beschrijving per monitoringlocatie

Tabellen

De naam van de tabellen geeft aan welk gebied de monitoring betreft. Daartoe is altijd de [gebiedcode] in de tabelnaam opgenomen. Voor gebiedcode wordt één van de waarden ingevuld uit de betreffende domeintabel van IDsW. Een tabel met de meetlocaties van het waterschap Brabantse Delta (code 25) heet dan bijvoorbeeld: MLC_25.

In deze tabel kan ook per stofgroep of groepering van kwaliteitselementen worden aangegeven hoe de representativiteit is. Indien niet alle parameters uit de stofgroep bemeten worden op de locatie, mag toch de stofgroep code gebruikt worden.

Ten behoeve van de uitwisselingsformats voor de monitoring locaties zijn enkele nieuwe domeintabellen opgesteld. Deze zijn hieronder beschreven. Voor het domein ‘waterbeheerder’ en ‘gebied’ zijn al bestaande lijsten. Deze zijn te raadplegen op www.idsw.nl

Inhoud rapportage

Tabel

Identificatie

waardeBepalingsMethode

Opmerking

Eventuele opmerkingen (niet verplicht)

Bijlage VI. Voorschriften voor het bemonsteren en analyseren van stedelijk afvalwater en het beoordelen van de resultaten daarvan (bijlage bij artikel 6.3 van de Waterregeling)

Voorschrift 2. Beoordeling van de resultaten

Bijlage VIII. Aanwijzing van de stroomvoerende delen van de rijkswateren (bijlage bij artikel 6.13 van de Waterregeling)

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Artikel 6.3a

Artikel 6.10a, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op het onttrekken van grondwater ten behoeve van:

§ 4. Het gebruik van rijkswaterstaatswerken

§ 4.1. Algemene regels

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

§ 4.3. Melden en maatwerkvoorschriften

§ 6. Indieningsvereisten voor de watervergunning

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Bijlage V. Formulieren voor de verstrekking van de gegevens en resultaten, bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit (bijlage bij artikel 3.8 van de Waterregeling)

Inhoud rapportage

Maatlatten

Doelen en inschatting doelbereik 2015

Inhoud Rapportage

Tabel 1 en 2 worden gebruikt voor de kaarten en teksten van het SGBP en de elektronische rapportage naar de EU. Tabel 3 wordt alleen gebruikt voor de elektronische rapportage.

Inhoud rapportage

Inhoud Rapportage

In de toekomst wordt het watergebied door IdsW in de Aquo standaard als aparte entiteit opgenomen. Omdat deze entiteit nog niet is gedefinieerd en omdat het slechts om twee velden gaat, is het voor de uitwisselingsformats voldoende om de waterdelen tabel uit te breiden. Het gaat dan om de velden WGBIDENT en WGBNAAM.

Oppervlaktewaterlichamen (OWM)

Oppervlaktewaterdelen (OWA)

Deelstroomgebieden/rapportage eenheden (GAF)

Samenvatting van het monitoring programma

Beschrijving per monitoringlocatie

Tabellen

Tabel

Identificatie

Eventuele opmerkingen (niet verplicht)

Voorschrift 2. Beoordeling van de resultaten

Bijlage IX. Aanvraagformulier voor de watervergunning (bijlage bij artikel 6.18 van de Waterregeling)

(herziene versie 2.2 (1 oktober 2010))

Ligt ter inzage op het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Hoofddirectie Juridische Zaken en is gepubliceerd op www.waterwet.nl.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen II, III, IV en IX die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.