Besluit van 30 augustus 2010, houdende de vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet BES (Besluit Pensioenwet BES)

Type Amvb Bes
Publication 2013-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 66
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2010, nr. AV/PB/2010/13055, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 5a, tiende lid, 5b, tweede lid, 13, derde lid, 13b, tweede lid, 13c, tweede lid, 14, tweede lid, 14a, tweede lid, 16a, zesde lid, 16b, vijfde lid, 16d, eerste lid, 16e, tweede lid, 16f, derde lid, 22a, tweede lid, 24, vierde lid, van de Pensioenwet BES;

De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, nr. W.12.10.0262/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 augustus 2010, nr. AV/PB/2010/16654, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

§ 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid

Bepalingen ter uitvoering van artikel 5a, tiende lid, van de wet

Artikel 2. Toets deskundigheid en betrouwbaarheid

Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een pensioenfonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in artikel 5a van de wet.

Artikel 3. Deskundigheid

1.

Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het pensioenfonds, mede gelet op artikel 5a, tweede lid, van de wet, behoorlijk wordt bestuurd.

2.

Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie.

3.

De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op:

4.

Het pensioenfonds geeft op verzoek van de Bank aan:

Artikel 4. Betrouwbaarheid

1.

De Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5a, vijfde lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toetsing van de betrouwbaarheid en de in aanmerking te nemen antecedenten.

Artikel 5. Bronnen

1.

De Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 4 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

Artikel 6. Strafrechtelijke veroordeling

1.

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, dat bij ministeriële regeling is aangewezen, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

2.

De Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 7, afwijken van het eerste lid.

Artikel 7. Vaststelling betrouwbaarheid

De Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 4, in aanmerking:

§ 3. Beheerste en integere bedrijfsvoering

Bepalingen ter uitvoering van artikel 5b van de wet

Artikel 8. Beheerste bedrijfsvoering

Een pensioenfonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt beleid op ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.

Artikel 9. Integriteitrisico

Een pensioenfonds draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.

Artikel 10. Belangenverstrengeling

1.

Een pensioenfonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het pensioenfonds van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van het pensioenfonds en andere werknemers of andere personen die in opdracht van het pensioenfonds op structurele basis werkzaamheden voor het pensioenfonds verrichten.

2.

Een pensioenfonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het pensioenfonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het pensioenfonds aanwezige informatie of zaken.

3.

De Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de gedragscode, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 11. Soliditeit van het pensioenfonds

Een pensioenfonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s.

Artikel 12. Continuïteitsanalyse

1.

Een pensioenfonds voert ten minste eens in de drie jaar een continuïteitsanalyse uit waarbij met een stochastische benaderingswijze wordt bezien of het pensioenfonds aan haar verplichtingen op de lange termijn kan voldoen. De continuïteitsanalyse biedt tevens inzicht in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening naar verwachting kan worden toegekend.

2.

Indien naar de mening van de Bank sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de huidige of verwachte financiële positie van het pensioenfonds, voert het pensioenfonds tussentijds een extra continuïteitsanalyse uit.

3.

De continuïteitsanalyse omvat 15 prognosejaren, gerekend vanaf de rapportagedatum. Het pensioenfonds heeft voorbij deze tijdhorizon van 15 prognosejaren een kwalitatief beeld van de verwachtingen, risico’s en het beleid.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de continuïteitsanalyse.

§ 4. Parameters

Bepaling ter uitvoering van artikel 5b, 13, 13b, 16a, 16b en 16d van de wet

Artikel 13. Parameters

Vervallen

Artikel 14. Parameters vanaf 2012

1.

Vanaf 1 januari 2012 gaat een fonds voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 5b, 13, 13b, 16a en 16b van de wet uit van:

2.

Een pensioenfonds kan na instemming van de Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds dat noodzakelijk maken.

3.

De rendementscijfers, bedoeld in het eerste lid, betreffen bruto cijfers, voor aftrek van beleggingskosten.

Artikel 15. Overgangsbepaling wijziging parameters en lopende herstelplannen

1.

Bij een herstelplan als bedoeld in artikel 16a en 16b van de wet waarmee De Nederlandsche Bank heeft ingestemd, is het feit dat de uitkomst van berekeningen in het kader van dat herstelplan en het daarin opgenomen beleid wijzigt omdat gebruik wordt gemaakt van na de vaststelling van het herstelplan gewijzigde regels als bedoeld in artikel 16d, eerste lid, van de wet, als zodanig geen aanleiding voor herziening van het herstelplan.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij berekeningen ten aanzien van de consistentie, bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, het feit dat de uitkomst van berekeningen wijzigt als bedoeld in het eerste lid, als zodanig wel aanleiding zijn tot herziening van het in het herstelplan, bedoeld in het eerste lid, opgenomen beleid omtrent voorwaardelijke toeslagverlening, nadat de maximale looptijd die geldt voor het kortetermijnherstelplan is verstreken.

Artikel 16. Overgangsbepaling voor nieuwe herstelplannen

Vervallen

§ 5. Technische voorzieningen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 13 van de wet

Artikel 17. Hoogte technische voorzieningen

1.

Het bestuur van een pensioenfonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.

2.

De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een rekenrente van ten hoogste 4%.

3.

Een pensioenfonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het pensioenfonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen.

Artikel 18. Inzenden berekening technische voorzieningen

1.

Een pensioenfonds dient ieder jaar vóór 1 juli de berekening van de technische voorzieningen per het einde van het voorafgaande jaar in bij de Bank.

2.

Onverminderd het eerste lid, dient een pensioenfonds desgevraagd een berekening van de technische voorzieningen in bij de Bank indien de Bank tekenen ontwaart van een ontwikkeling die het eigen vermogen, de liquiditeit of de bedrijfsvoering van het pensioenfonds in gevaar kunnen brengen.

§ 6. Kostendekkende premie

Bepalingen ter uitvoering van artikel 13b van de wet

Artikel 19. Kostendekkende premie

De benodigde premie in verband met de pensioenverplichtingen wordt berekend overeenkomstig artikel 17, waarbij rekening gehouden wordt met:

§ 7. Eigen vermogen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 13c van de wet

Artikel 20. Samenstelling eigen vermogen

1.

Het eigen vermogen van een pensioenfonds wordt met name gevormd door de volgende vermogensbestanddelen:

2.

Het eigen vermogen van een pensioenfonds wordt verminderd met het bedrag van de eigen aandelen die rechtstreeks door het pensioenfonds worden gehouden en met het bedrag van de immateriële activa.

Artikel 21. Ledenrekeningen

1.

De ledenrekeningen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, worden alleen meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen, wanneer de statuten bepalen dat:

2.

De statutaire bepalingen met betrekking tot de ledenrekeningen worden niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Bank is verkregen.

Artikel 22. Achtergestelde leningen

1.

De achtergestelde leningen, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder d, worden meegeteld tot een maximum van vijftig procent van het vereist eigen vermogen of van het eigen vermogen als dat lager is dan het vereist eigen vermogen, waarbij niet meer dan de helft van dat maximum in de vorm van achtergestelde leningen met vaste looptijd, mits bindende overeenkomsten gelden op grond waarvan, in geval van liquidatie van het pensioenfonds, de achtergestelde leningen achtergesteld worden bij de vorderingen van alle andere crediteuren en pas worden terugbetaald als alle andere schulden zijn voldaan.

2.

De achtergestelde leningen worden meegeteld voor zover bedragen zijn gestort.

3.

Achtergestelde leningen met een vaste looptijd worden meegeteld als de oorspronkelijke looptijd ten minste vijf jaar bedraagt. De hoogte tot welke de achtergestelde lening wordt meegeteld als onderdeel van het eigen vermogen wordt lineair verlaagd gedurende ten minste de vijf jaar die voorafgaan aan de datum van de aflossing.

4.

Achtergestelde leningen zonder een vaste looptijd worden meegeteld als deze worden of zullen worden afgelost met een opzeggingstermijn van ten minste vijf jaar of de Bank aflossing heeft toegestaan. Het verzoek om toestemming voor de aflossing ontvangt de Bank ten minste zes maanden voor de beoogde aflossingsdatum.

5.

De leningsovereenkomst bevat geen bepaling op grond waarvan de achtergestelde lening voor het einde van de looptijd, anders dan bij liquidatie van het pensioenfonds, wordt afgelost.

6.

In afwijking van het vijfde lid kan de Bank toestemming verlenen voor vervroegde terugbetaling van achtergestelde leningen met een vaste looptijd, wanneer het initiatief hiertoe uitgaat van het pensioenfonds en het eigen vermogen niet onder het vereiste niveau daalt.

7.

De leningsovereenkomst wordt niet gewijzigd dan nadat daarvoor toestemming van de Bank is verkregen.

Artikel 23. Vereist eigen vermogen

1.

Voor de berekening van het vereist eigen vermogen hanteert het pensioenfonds een standaardmodel waarin door middel van risicofactoren voor de gehele balans van activa en passiva rekening wordt gehouden met:

2.

In afwijking van het eerste lid kan een pensioenfonds, mits voorafgaande toestemming is verleend door de Bank, voor de berekening van het vereist eigen vermogen:

3.

De Bank kan nadere regels stellen inzake de scenariomethode indien innovatieve beleggingsinstrumenten daartoe aanleiding geven.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld met betrekking tot het standaardmodel en de omvang, de inhoud en de samenhang van de risicofactoren, bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde situatie.

§ 8. Beleggingen en leningen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 14 en 14a van de wet

Artikel 24. Eisen ten aanzien van beleggingen

1.

De waarden worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel zijn gewaarborgd.

2.

Waarden die ter dekking van de technische voorzieningen worden aangehouden, worden belegd op een wijze die strookt met de aard en de duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen.

3.

De waarden worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in niet tot de handel op een gereglementeerde financiële markt toegelaten waarden worden tot een prudent niveau beperkt.

4.

Beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze bijdragen aan een vermindering van het risicoprofiel of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Het pensioenfonds vermijdt een bovenmatig risico met betrekking tot een en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen.

5.

De waarden worden naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatige afhankelijkheid van of vertrouwen in bepaalde waarden, of een bepaalde emittent van waarden of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden.

6.

Onder waardering op marktwaarde als bedoeld in artikel 14 van de wet wordt verstaan: het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen terzake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en onafhankelijk van elkaar zijn.

Artikel 25. Leningen

1.

Leningen als bedoeld in artikel 14a van de wet zijn tijdelijk indien deze worden aangegaan voor een periode van niet langer dan een jaar.

2.

Van een liquiditeitsdoelstelling als bedoeld in artikel 14a van de wet is sprake als het pensioenfonds tijdelijk niet kan voldoen aan zijn verplichtingen of de betreffende lening wordt aangegaan ter verbetering van het risicoprofiel van het pensioenfonds.

§ 9. Herstelplannen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 16a en 16b van de wet

Artikel 26. Langetermijnherstelplan

1.

Het langetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 16a van de wet, bevat in ieder geval een beschrijving van:

en is ten aanzien van de onderdelen b en c gebaseerd op een recente continuïteitsanalyse als bedoeld in artikel 12.

2.

De in het eerste lid, onder c, bedoelde maatregelen mogen er niet toe leiden dat het risico dat niet wordt voldaan aan de in het eerste lid, onder a, genoemde vereisten ten aanzien van het vereist eigen vermogen, doelbewust wordt vergroot ten opzichte van de situatie waarin wel werd voldaan aan de in artikel 13c van de wet opgenomen vereisten.

3.

Een herstelplan vertoont ex ante een gestaag herstel.

Artikel 27. Kortetermijnherstelplan

Het kortetermijnherstelplan, bedoeld in artikel 16b van de wet, bevat in ieder geval:

§ 10. Actuariële en bedrijfstechnische nota

Bepalingen ter uitvoering van artikel 16e van de wet

Artikel 28. Inhoud actuariële en bedrijfstechnische nota

De actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 16e van de wet, bevat in ieder geval een beschrijving van:

Artikel 29. De financiële opzet

1.

De beschrijving van de financiële opzet, bedoeld inartikel 28, onder f, bevat in ieder geval een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten ten aanzien van:

2.

Bij de beschrijving, bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met de overige verplichtingen van het pensioenfonds.

Artikel 30. De financiële sturingsmiddelen

De beschrijving van de financiële sturingsmiddelen, bedoeld in artikel 28, onder g, bevat in ieder geval een beschrijving van de inzetbaarheid van de sturingsmogelijkheden van het pensioenfonds ten aanzien van het premiebeleid, het beleggingsbeleid en het beleid met betrekking tot de aanpassingen van de aanspraken en inzake voorwaardelijke toeslagverlening. Daarbij wordt aangegeven welke effecten met de genoemde sturingsmiddelen worden bereikt.

Artikel 31. Het beleggingsbeleid

De beschrijving van het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 29, onder c, bevat in ieder geval een beschrijving van:

Artikel 32. Afwijking in geval van overdracht of herverzekering van risico’s

Voor zover risico’s zijn overgedragen of herverzekerd kunnen de beschrijvingen, bedoeld in de artikelen 30 en 31, beperkt blijven tot een verwijzing naar hetgeen in de ten behoeve van de overdracht of herverzekering afgesloten overeenkomsten is opgenomen.

Artikel 33. Uitgangspunten oordeelsvorming de Bank

De beschrijvingen die de actuariële en bedrijfstechnische nota bevat op grond van de artikelen 27 tot en met 31 zijn zodanig dat de Bank op basis van die beschrijvingen tot een oordeel kan komen over de wijze waarop voldaan wordt aan de artikelen 5b, 7e, 13 tot en met 14b van de wet.

§ 11. Informatieuitwisseling met de Bank

Bepalingen ter uitvoering van artikel 16f van de wet

Artikel 34. Informatieverstrekking door pensioenfondsen aan de Bank

1.

De door een pensioenfonds op grond van artikel 16f van de wet te verstrekken gegevens hebben uitsluitend betrekking op:

2.

Het pensioenfonds verstrekt in geval van wijzigingen tevens informatie over:

Artikel 35. Staten

1.

De staten, bedoeld in artikel 16f van de wet, omvatten uitsluitend:

2.

Met zijn verklaring bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, bevestigt de actuaris dat hij zich ervan heeft overtuigd dat voldaan is aan de artikelen 13 tot en met 16b van de wet. Hij is bevoegd zijn verklaring nader toe te lichten of op enig punt een voorbehoud te maken.

3.

De staten zijn periodiek voorzien van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een externe deskundige. Ten bewijze dat de staten door hem zijn onderzocht, waarmerkt de externe deskundige de staten.

Artikel 36. Uitwerking informatieverstrekking door pensioenfondsen

De Bank stelt regels met betrekking tot de te verstrekken gegevens, bedoeld in artikel 34. Deze omvatten uitsluitend:

Artikel 37. Verstrekking langs elektronische weg

1.

Het pensioenfonds verstrekt de gegevens, bedoeld in artikel 34, langs elektronische weg aan de Bank.

2.

De externe deskundige zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de gegevens waaromtrent de externe deskundige een verklaring omtrent de getrouwheid als bedoeld in artikel 35, derde lid, heeft afgegeven en ten bewijze waarvan de staten door hem zijn gewaarmerkt.

3.

De actuaris zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de door hem gewaarmerkte actuariële staten, waaronder een actuarieel verslag voorzien van een verklaring van de actuaris als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel h en tweede lid.

4.

Het bestuur van het pensioenfonds zendt een schriftelijke controleverklaring aan de Bank, inhoudende dat de langs elektronische weg verstrekte gegevens gelijk zijn aan de staten, bedoeld in artikel 16f, tweede lid, van de wet.

5.

De Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de schriftelijke controleverklaring, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid.

6.

De Bank kan, in afwijking van het eerste lid, op verzoek besluiten dat de verstrekking niet langs elektronische weg behoeft te geschieden, mits de verstrekking van de gevraagde gegevens wat betreft indeling en inhoud niet afwijkt van hetgeen langs elektronische weg zou worden verstrekt.

§ 12. Boeteregeling

Bepalingen ter uitvoering van artikel 22a van de wet

Artikel 38

1.

Het boetebedrag voor overtreding van een voorschrift op grond van de artikelen 1a, 7e, 16a, eerste tot en met vierde lid, 16b, eerste tot en met derde lid, 16c, 16f, eerste en tweede lid, 21a, eerste lid en 26b, eerste lid, van de wet en op grond van de artikelen 26, 33 en 37 bedraagt 50.000 USD.

2.

Het boetebedrag voor overtreding van een voorschrift op grond van de artikelen 5a, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, 5b, 13b, 13e, 14, eerste lid, 14a, eerste lid, 14b en 16e van de wet en op grond van de artikelen 23, 24 en 25 bedraagt 25.000 USD.

3.

Voor overtreding van artikel 21a, eerste lid, van de wet kan per dag dat men in overtreding is een boete worden opgelegd van USD 1.250 met een maximum van USD 25.000.

4.

Voor overtreding van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zoals van toepassing verklaard in artikel 19a van de wet kan per dag dat men in overtreding is een boete worden opgelegd van USD 1.250 met een maximum van USD 25.000.

Artikel 39. Draagkracht

1.

De Bank houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van de overtreder.

2.

De Bank kan op basis van het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met maximaal 100 procent.

Artikel 40. Schade voor derden bij pensioenuitvoerders

1.

De Bank houdt bij het vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders rekening met schade voor derden.

2.

De Bank kan de op te leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld in de artikelen 38 en 39 verlagen met maximaal 75 procent.

§ 13. Kostenregeling

Bepalingen ter uitvoering van artikel 24, vierde lid, van de wet

Artikel 41. Kosten

Vervallen

Artikel 42. Vaststelling verschuldigd bedrag

Vervallen

Artikel 43. Verschuldigd bedrag bij gedeelte jaar

Vervallen

Artikel 44. Gegevensverstrekking

Vervallen

Artikel 45. Betaling

Vervallen

Artikel 46. Fusie pensioenuitvoerders

Vervallen

§ 14. Uitbesteding

Bepalingen ter uitvoering van artikel 34, tweede lid, van de wet

Artikel 47. Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed

Een uitvoerder besteedt niet uit:

Artikel 48. Overeenkomst tot uitbesteding

1.

Een pensioenfonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast.

2.

In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld:

Artikel 49. Beheersing van de risico’s

1.

Een pensioenfonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het pensioenfonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen.

2.

Een pensioenfonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 5b van de wet.

3.

Een pensioenfonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen.

§ 15. Slotbepalingen

Artikel 50. Inwerkingtreding en werkingsduur

1.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt, met uitzondering van:

die drie jaar na het genoemde tijdstip in werking treden.

2.

De artikelen 13 en 16 vervallen met ingang van 1 januari 2012.

Artikel 51. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Pensioenwet BES.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)