Dienstplichtwet BES

Type Wet Bes
Publication 2011-10-09
State In force
Source BWB
artikelen 157
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. ten gevolge van dat ongeval geneeskundige verstrekkingen zijn of zullen worden verleend op grond van deze wet.
Artikel 105

De dienstplichtige in werkelijke dienst die – anders dan als gevolg van verhindering wegens ziekte – niet in staat is zich te begeven naar de plaats, waar de dienst zijn aanwezigheid vereist, is verplicht daarvan onverwijld kennis te geven aan zijn commandant of andere functionaris onder wie hij is gesteld of bij wie hij zich zou moeten melden.

Artikel 106
1.

Het is de dienstplichtige verboden ter zake van aangelegenheden, de dienst betreffende, anders dan met goedvinding van Onze Minister, vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen.

2.

Het aannemen van steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden.

Artikel 107

Het is de dienstplichtige in werkelijke dienst verboden bij een eenheid of onderdeel van de krijgsmacht handel te drijven, tenzij hem van dat verbod ontheffing is verleend door Onze Minister of door daartoe door deze aangewezen functionarissen.

Hoofdstuk 13. Georganiseerd overleg

Artikel 108
1.

Er is een commissie voor georganiseerd overleg voor bij deze titel te regelen aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van dienstplichtigen.

2.

De commissie behandelt de in het eerste lid bedoelde aangelegenheden, in bespreking met de door Onze Minister daartoe aangewezen vertegenwoordigers, alvorens tot vaststelling dan wel wijziging van de desbetreffende regeling wordt besloten.

Artikel 109
1.

De commissie bestaat uit door rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen van militairen aangewezen leden en plaatsvervangende leden die gelet op hun ledental en de samenstelling daarvan representatief zijn voor de officieren, de onderofficieren en/of de manschappen.

2.

In overleg met bedoelde verenigingen van militairen en met inachtneming van haar ledental wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald hoeveel leden en plaatsvervangende leden worden aangewezen.

3.

De ingevolge het vorige artikel in de commissie te voeren besprekingen staan onder leiding van een bij besluit van Onze Minister aangewezen voorzitter of, bij ontstentenis van deze, van een plaatsvervangend voorzitter. De besprekingen worden bijgewoond door of namens de Regionaal Bevelhebber;* de voorzitter en de Regionaal Bevelhebber, of diens vertegenwoordiger, hebben in de commissie een adviserende stem.

4.

De commissie wordt bijgestaan door een secretaris en, zo nodig, door een of meer adjunct-secretarissen, bij besluit van Onze Minister op aanbeveling van de commissie aangewezen. Zij kunnen niet tevens leden noch adviserende leden van de commissie zijn.

5.

Bij de behandeling van bepaalde aangelegenheden kunnen op uitnodiging of met toestemming van de voorzitter ook anderen aan de bespreking deelnemen.

Artikel 110
1.

De verenigingen van militairen welke van de bevoegdheid tot aanwijzing hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister mededeling van de door haar aangewezen leden/plaatsvervangende leden.

2.

De verenigingen van militairen geven bij de aanvang van ieder kalenderjaar Onze Minister kennis van het aantal harer leden, behorende tot de dienstplichtigen in de zin van deze titel.

Artikel 111
1.

De commissie behandelt haar aangelegenheden onmiddellijk nadat deze – voldoende tijdig – haar zijn toegezonden. Onze Minister wijst voor de behandeling van elke aangelegenheid de ambtenaren aan, die Onze Minister hierbij zullen vertegenwoordigen en brengt dit ter kennis van de voorzitter, die in overleg met deze ambtenaren de vergadering van de commissie belegt.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 108, tweede lid, kan op verzoek van de in dat artikel bedoelde vertegenwoordigers de commissie in voorlopige besprekingen met hen treden of aan hen inlichtingen verschaffen.

Artikel 112

De commissie is gerechtigd Onze Minister voorstellen te doen van onderwerpen van bespreking in de zin van dit hoofdstuk, welke voorstellen op de voet van het bepaalde in artikel 108 aan de commissie kunnen worden voorgelegd.

Artikel 113

Behoudens het bepaalde in artikel 111, tweede lid vergadert de commissie op plaats, dag en uur, door de voorzitter te bepalen.

Artikel 114
1.

In overleg met de in artikel 109, tweede lid of derde lid, bedoelde autoriteiten kan de commissie een reglement van orde vaststellen.

2.

De voorzitter doet de secretaris een advies opstellen, bevattende de gevoelens der meerderheid van het in de vergaderingen verhandelde, welk advies met de stukken wordt teruggezonden.

3.

Zij die gevoelens hebben uitgebracht, afwijkende van die der meerderheid, en zich hebben voorbehouden afzonderlijke adviezen over te leggen om te worden gevoegd bij het advies der commissie, zijn verplicht die adviezen ondertekend, zo tijdig aan de secretaris van de commissie ter hand te stellen, dat de inzending van het advies van de commissie daardoor generlei vertraging ondergaat.

4.

Indien de stemmen over een voorstel staken, wordt hetgeen voor en tegen het voorstel is aangevoerd ter kennis van Onze Minister gebracht.

5.

Indien een meer of meer leden zulks verlangen, wordt in een advies melding gemaakt van de uitgebrachte stemmen met opgave van aantallen leden die de verenigingen van militairen blijkens de in artikel 110, tweede lid, bedoelde kennisgeving onder de dienstplichtigen, waarvoor de commissie is ingesteld, hebben.

6.

De adviezen worden zoveel mogelijk uitgebracht binnen de tijd in het verzoek om advies bepaald.

7.

Indien wordt afgeweken van het advies der commissie, worden de redenen van deze afwijking door Onze Minister ter kennis van de commissie gebracht.

Artikel 115

De voorzitter doet de secretaris bovendien een verslag opmaken, behelzende ene beknopte samenvatting van het in de vergadering verhandelde. Met wederzijds goedvinden kunnen deze verslagen telkens worden openbaar gemaakt.

Hoofdstuk 14. Beroep en beklag

§ 1. Beroep

Artikel 116
1.

De dienstplichtige die rechtstreeks in zijn belang is getroffen door een beslissing gegeven krachtens deze titel of krachtens enig voorschrift, berustend op deze titel, kan zijn bezwaren tegen die beslissing, voor zover zij niet zijn gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift, onder vermelding van de gronden waarop zijn bezwaren berusten, schriftelijk ter kennis brengen van:

  • a. Onze Minister van Defensie, indien zijn bezwaren betrekking hebben op een over hem opgemaakte beoordeling;
  • b. de Regionaal Bevelhebber, indien zijn bezwaren betrekking hebben op een ten aanzien van hem genomen beslissing door een militaire autoriteit;
  • c. Onze Minister van Defensie, indien zijn bezwaren betrekking hebben op een ten aanzien van hem genomen beslissing door een niet-militaire autoriteit.
2.

Tegen een door Onze Minister van Defensie genomen beslissing op een bezwaarschrift als bedoeld in het vorige lid, onder a, kan beroep worden ingesteld bij het Gerecht in Ambtenarenzaken volgens de voor dit beroep geldende regels.

3.

Het bezwaarschrift, gericht aan de autoriteiten bedoeld in het eerste lid, onder b of c, moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de beslissing waartegen de bezwaren zijn gericht, is genomen. Is het bezwaarschrift ingediend na die termijn, dan wordt het geacht tijdig te zijn ingediend, indien de belanghebbende aantoont dat het is ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop hij redelijkerwijs kennis heeft kunnen dragen van de beslissing waartegen de bezwaren zijn gericht.

4.

De autoriteit, bedoeld in het eerste lid, onder b of c neemt zo spoedig mogelijk de beslissing waartegen het bezwaarschrift zich richt in het heroverweging en zendt per aangetekende brief een afschrift van zijn beslissing aan de belanghebbende die het bezwaarschrift heeft ingediend. Daarbij vermeldt hij dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht in Ambtenarenzaken, alsmede binnen welke termijn dat beroep moet worden ingesteld.

5.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dienstplichtige mede begrepen:

  • a. de gewezen dienstplichtige;
  • b. ieder ander die bij of krachtens deze wet wordt aangemerkt als belanghebbende;
  • c. de nagelaten betrekkingen of rechtverkrijgenden van de dienstplichtige, de gewezen dienstplichtige of een persoon als bedoeld onder b.
6.

Beroep kan niet worden ingesteld tegen beslissingen ingevolge de bij of krachtens de Wet militair tuchtrecht (P.B. 1990, no. 64) gegeven regels.

§ 2. Beklag

Artikel 116a

Tegen een besluit als bedoeld in artikel 35, kan door de vrijwillig nadienende dienstplichtige beroep worden ingesteld bij het Gerecht in Ambtenarenzaken. De Regeling ambtenarenrechtspraak 1951 (P.B. 1951, 134) is van toepassing.

Artikel 116b

Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder:

  • a. klager: de dienstplichtige, die zich bezwaard voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht (P.B. 1922, no. 54) ontvangen bevel, dan wel vermeent van een zodanig militaire meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te hebben ondervonden;
  • b. klaagschrift: het door een klager bij de beklagmeerdere ingediend geschrift, houdende een beschrijving van het bevel of de handeling waartegen het beklag is gericht;
  • c. beklagmeerdere: de tot straffen bevoegde militaire meerdere, als bedoeld in artikel 49 van de Wet militair tuchtrecht (P.B. 1990, no. 64), onder wiens rechtstreeks bevel degene, tegen wie het klaagschrift is gericht, is gesteld dan wel een door Onze Minister van Defensie aangewezen functionaris;
Artikel 116c
1.

De dienstplichtige die zich bezwaard voelt over een van een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel, dan wel vermeend van een zodanig militaire meerdere een krenkende of onbillijke behandeling te hebben ondervonden kan zich door middel van een met redenen omkleed klaagschrift beklagen bij de beklagmeerdere.

2.

Het klaagschrift moet langs de hiërarchieke weg worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop het bevel bedoeld in het eerste lid is gegeven dan wel de in het eerste lid bedoelde behandeling heeft plaatsgevonden.

3.

Een na afloop van de in het tweede lid genoemde termijn ingediend klaagschrift wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien de klager aantoont dat hij het klaagschrift heeft ingediend zo spoedig als redelijkerwijs verlangd kon worden.

Artikel 116d
1.

De beklagmeerdere houdt naar aanleiding van het klaagschrift een onderzoek. Het onderzoek is niet openbaar.

2.

De beklagmeerdere kan een rapporteur met het onderzoek naar het klaagschrift belasten. De rapporteur mag op generlei wijze betrokken zijn bij de aangelegenheid die onderwerp is van beklag en moet hoger in rang zijn dan wel – bij gelijkheid in rang – ouder in rang zijn dan de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht.

3.

Tijdens het onderzoek worden de klager, de militaire meerdere tegen wie het beklag is gericht en – voor zover hiervoor termen aanwezig zijn – anderen gehoord.

4.

Indien de beklagmeerdere niet zelf het onderzoek naar het klaagschrift verricht, wordt de klager de gelegenheid geboden bij de beklagmeerdere zijn standpunt mondeling nader toe te lichten.

5.

Indien het horen door de beklagmeerdere dan wel door de rapporteur niet mogelijk is dan wel op ernstige bezwaren stuit, kan de beklagmeerdere de tot straffen bevoegde militaire meerdere van degene die moet worden gehoord, met het horen belasten.

6.

De klager kan zich door een vertrouwensman laten bijstaan. Artikel 59, eerste lid, en artikel 60 van de Wet militair tuchtrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Van het onderzoek wordt een verslag gemaakt.

8.

De klager en zijn vertrouwensman hebben het recht op inzage van alle stukken die op de zaak betrekking hebben.

Artikel 116e
1.

Op het klaagschrift moet binnen een termijn van zes weken na ontvangst schriftelijk worden beslist. Deze beslissing kan voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de klager. De termijn bedraagt twaalf weken indien de klager dan wel de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht dan wel getuigen zich om redenen van dienst buiten Aruba, Curaçao of Sint Maarten of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevinden. De klager en de militaire meerdere tegen wie het klaagschrift is gericht, worden schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing.

2.

De beslissing is met redenen omkleed en houdt in dat de klager niet ontvankelijk dan wel de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond is.

3.

De beklagmeerdere zendt zijn beslissing vergezeld van het verslag van het onderzoek langs de hiërarchieke weg aan Onze Minister.

Artikel 116f

Beklag is niet mogelijk tegen een op beklag genomen beslissing alsmede niet tegen beslissingen ingevolge de bij of krachtens de Wet militair tuchtrecht gegeven regels.

Hoofdstuk 15. Bijzondere voorzieningen

§ 1. Overbruggingsuitkering na ontslag

Artikel 117

De op het tijdstip van inwerkingtreding van de landsverordening waarbij titel II is ingevoerd, vrijwillig nadienende dienstplichtige, aan wie op dat tijdstip of daarna op grond van artikel 35 ontslag uit de dienst is verleend, heeft met ingang van de dag waarop dit ontslag ingaat recht op een maandelijkse overbruggingsuitkering, bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 68, te regelen.

Artikel 118

De termijn gedurende welke een uitkering op grond van het vorig artikel wordt toegekend bedraagt maximaal 120 maanden.

Artikel 119

Het bedrag van de uitkering is gedurende 12 maanden gelijk aan 90% van de laatstgenoten bezoldiging, gedurende de daaropvolgende 12 maanden gelijk aan 80% van die bezoldiging, gedurende de daaropvolgende 36 maanden gelijk aan 70% en vervolgens gelijk aan 60% van die bezoldiging.

Artikel 120
1.

Met betrekking tot deze uitkering wordt onder laatstgenoten bezoldiging verstaan de bezoldiging waarop recht bestond op de dag voorafgaande aan het ontslag.

2.

Van de datum af, waarop, indien de ontslagen dienstplichtige in dezelfde rang of klasse in dienst was gebleven, de laatstgenoten bezoldiging anders dan ten gevolge van wijziging in de voor bezoldiging geldende diensttijd een ander bedrag zou hebben belopen, treedt dat andere bedrag in de plaats van de laatstgenoten bezoldiging.

Artikel 121

Wanneer de belanghebbende op de dag voorafgaande aan het ontslag in het genot is van een suppletie op zijn bezoldiging wordt voor de toepassing van deze overbruggingsuitkering, de laatstgenoten bezoldiging verhoogd met de suppletie, als bedoeld in artikel 130 met dien verstande dat het bedrag van de uitkering omvat gedurende de eerste 12 maanden 90% van de suppletie, gedurende de daarop volgende 12 maanden 80% van die suppletie en gedurende de daarop volgende 36 maanden 70% van die suppletie.

Artikel 122
1.

De inkomsten die de belanghebbende gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden met de uitkering verrekend over de maand waarop bedoelde inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. Deze verrekening geschiedt aldus dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering, vermeerderd met die inkomsten, het bedrag van de laatstgenoten bezoldiging vermeerderd met eventuele suppletie, overschrijdt.

2.

De belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf terstond mededeling te doen, onder opgave, voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal genieten.

Artikel 123

Indien de belanghebbende tijdens de duur van de uitkering overlijdt eindigt de uitkering met ingang van de dag volgende op die van het overlijden.

Artikel 124
1.

De belanghebbende heeft gedurende de tijd waarover hem een overbruggingsuitkering betaalbaar wordt gesteld, aanspraak op kindertoelage en vakantieuitkering op de voet van de regelingen, welke voor hem zouden gelden indien hij nog in werkelijke dienst zou zijn.

2.

Voor de berekening van de grootte van de kindertoelage en de vakantieuitkering geldt de laatstgenoten bezoldiging als genoemd in artikel 120.

Artikel 125

Vervallen

Artikel 126

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende, aan wie ten tijde van het overlijden een overbruggingsuitkering betaalbaar is gesteld, wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 87, een bedrag uitbetaald gelijk aan bedoelde betaalbaar gestelde uitkering vermeerderd met kindertoelage en vakantieuitkering als bedoeld in artikel 124, over een tijdvak van drie maanden.

Artikel 127

De in deze paragraaf bedoelde uitkering wordt gelijkgesteld met wachtgeld in de zin van artikel 4 van de Wachtgeldenregeling overheidsdienaren (P.B.1986,83)

§ 2. Pensioenbepalingen

Artikel 128

Voor de vrijwillig nadienende dienstplichtige, die op de dag voorafgaand aan die waarop de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren in werking treedt ambtenaar in de zin van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938 (P.B. 1976, 45) was, wordt de tijd welke hij vanaf de datum van opkomst in werkelijke dienst voor eerste oefening heeft doorgebracht als diensttijd, bedoeld in artikel 17 van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren, mede in aanmerking genomen.

Artikel 129

[vervallen]

§ 3. Bezoldiging en verdere inkomsten

Artikel 130
1.

Aan de vrijwillig nadienende dienstplichtige, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de landsverordening waarbij titel II is ingevoegd, in werkelijke dienst is, zal gedurende de tijd, dat door hem onafgebroken werkelijke dienst wordt verricht, ingeval en voorzover zijn netto Nederlandse militaire inkomsten op de dag, voorafgaande aan dat tijdstip van inwerkingtreding meer bedragen dan de netto bezoldiging, die hij krachtens de voor hem geldende bezoldigingsregeling geniet, het verschil tussen de eerst- en laatstbedoelde inkomsten worden aangevuld, echter met dien verstande, dat bij de toepassing van dit artikellid de eerstbedoelde inkomsten de algemene salarismaatregelen volgen, die voor het Nederlands rijksoverheidspersoneel worden getroffen.

2.

Bij de bepaling van de in het vorige lid bedoelde suppletie bljven de premie AOV/AWW* en de pensioenbijdrage buiten beschouwing, voorzover deze voor rekening van de belanghebbende komen.

3.

De vrijwillig nadienende dienstplichtige, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de landsverordening waarbij titel II in deze landsverordening is ingevoegd, in werkelijke dienst is, behoudt de aanspraak op de vakantie-uitkering, die voor hem bestond op de dag, voorafgaande aan dat tijdstip van inwerkingtreding, indien en voorzover hij geen vakantie-uitkering uit hoofde van hetgeen is bepaald in artikel 68, tweede lid van titel II van deze landsverordening geniet, doch uiterlijk tot het tijdstip van zijn ontslag als dienstplichtige.

Artikel 131

De dienstplichtige die op het tijdstip van inwerkingtreding van de landsverordening waarbij titel II in deze landsverordening is ingevoegd, in werkelijke dienst is, blijft gedurende de tijd dat hij als zodanig werkelijke dienst verricht, aanspraak houden op de bezoldiging waarop hij aanspraak had op de dag voorafgaande aan dat tijdstip van inwerkingtreding.

Titel III. Straf- en Slotbepalingen

Artikel 132
1.

Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van ten hoogste honderdvijftig gulden wordt gestraft, hij die niet voldoet aan een ingevolge artikel 5, eerste lid, artikel 9, tweede lid, artikel 11, tweede lid en artikel 33 op hem rustende verplichting.

2.

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft hij, die opzettelijk een der in het eerste lid bedoelde feiten pleegt.

Artikel 133
1.

Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

  • a. hij, die ingevolge deze wet voor de werkelijke dienst heeft moeten opkomen en niet verschijnt op de tijd en de plaats, voor zijn verschijning bepaald, tenzij blijkt, dat voor zijn niet verschijning een geldige reden bestond;
2.

Met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste drieduizend gulden wordt gestraft hij, die opzettelijk een der in het eerste lid bedoelde feiten pleegt.

Artikel 134

De feiten bij deze wet strafbaar gesteld, worden als overtreding aangemerkt met uitzondering van die strafbaar gesteld bij de artikelen 132, tweede lid, en 133, tweede lid, die als misdrijven worden aangemerkt.

Artikel 134a

Met de opsporing van de in deze wet strafbare gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de militairen van de Koninklijke marechaussee. Zij hebben toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Artikel 135

Deze wet wordt aangehaald als: Dienstplichtwet BES.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)