Opiumwet 1960 BES

Type Wet Bes
Publication 2025-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 29
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Artikel 1

1.

Deze wet verstaat onder:

2.

Onder het invoeren van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt mede verstaan: het invoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling van wie het ook zij, met betrekking tot de hier te lande aanwezige, niet in het vrije verkeer gebrachte middelen zelf of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.

3.

Onder het uitvoeren van middelen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, wordt mede verstaan: het uitvoeren van de voorwerpen of goederen, waarin de middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer aangeven en het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar- of voertuig aanwezig hebben van de zich hier te lande in het vrije verkeer bevindende middelen zelve, of van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.

Artikel 2

De verbouw van planten van de soort Papaver somniferum L. en van een der soorten van het geslacht Erythroxylon is verboden.

Artikel 2a

De verbouw van planten van het geslacht Cannabis is verboden.

Artikel 3

1.

Het is verboden:

2.

Onze Minister kan bereidingen aanwijzen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, waarop het eerste lid geheel of ten dele niet van toepassing is.

3.

Bereiding van preparaten, rechtstreeks van ruw opium of medicinaal opium en meer dan 20% morfine bevattende, wordt aangemerkt als vervaardiging van morfine.

4.

Onder omzetten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel D, wordt alleen het omzetten langs scheikundige weg verstaan. Daaronder wordt niet het omzetten verstaan van alkaloïden in hun zouten.

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde middelen regels worden gesteld om de naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag en van het bij of krachtens deze wet gestelde te verzekeren en misbruik te voorkomen.

Artikel 3a

1.

Het is verboden extract en tinctuur van hennep:

2.

Artikel 3, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

1.

Het is verboden:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin het eerste lid, onderdeel B, niet geldt.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde middelen regels worden gesteld om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag en van het bij of krachtens deze wet te verzekeren en misbruik te voorkomen.

Artikel 5

1.

Het voorschrijven op recept van enig middel als bedoeld in de artikelen 3 en 3a mag slechts geschieden, wanneer dit recept voldoet aan nader door Onze Minister te geven voorschriften.

2.

Het bestellen van enig middel als bedoeld in de artikelen 3 en 3a door houders van een verlof als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en door apothekers, geneeskundigen tot het afleveren van geneesmiddelen bevoegd en dierenartsen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, mag slechts geschieden met inachtneming van nader door Onze Minister te geven voorschriften.

3.

Het is verboden een vals of vervalst recept aan te bieden ter verkrijging van enig middel als bedoeld in artikel 3.

Artikel 6

1.

Artikel 3, eerste lid, onderdeel A, en artikel 4, eerste lid, onderdeel A, zijn niet van toepassing in geval de in-, uit- of doorvoer, al dan niet gepaard gaande met opslag in entrepots of andere douanebergplaatsen, geschiedt met verlof van Onze Minister en met inachtneming van de door of vanwege Onze Minister te geven voorschriften. Deze voorschriften kunnen verschillen voor de onderscheiden middelen, in die artikelen bedoeld. De in-, uit- en doorvoer van bereid opium en van bereidingen van bereid opium mag slechts plaatshebben voor wetenschappelijke of politionele doeleinden.

2.

Voor een verlof kan een vergoeding worden geheven overeenkomstig een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tarief.

Artikel 7

Voor een verlof kan een jaarlijkse vergoeding worden geheven overeenkomstig een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld tarief.

2.

Behoudens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften is het verbod tot het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken of vervoeren van de in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen a, c, d, e en f, en 3a, eerste lid bedoelde middelen en tot het bezitten en aanwezig hebben van die middelen en van de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde middelen niet van toepassing:

3.

De volgende verboden zijn niet van toepassing op hen die aantonen dat zij deze middelen in de bevonden hoeveelheid nodig hebben voor de uitoefening van de geneeskunde, tandheelkunde of diergeneeskunde of voor eigen geneeskundig gebruik of volgens wettelijk voorschrift in voorraad moeten hebben en langs wettige weg verkregen hebben:

4.

De volgende verboden zijn niet van toepassing op hen die aantonen dat zij deze middelen vervoeren in opdracht van een daartoe bevoegde:

Artikel 8

1.

Onze Minister kan het verlof, bedoeld in artikel 7, eerste lid, slechts verlenen:

2.

Onze Minister stelt bij het verlof de voorwaarden die hij nodig acht om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag en van deze wet te verzekeren en misbruik te voorkomen.

3.

Een verlof is steeds herroepbaar.

4.

De herroeping geschiedt bij een beschikking van Onze Minister, die de gronden vermeldt waarop zij berust. Daarbij kan een termijn worden gesteld waarin de handelaar of de fabrikant zich van zijn vóór de herroeping op wettige wijze verkregen voorraad zal kunnen ontdoen met inachtneming van de voorwaarden, door Onze Minister te stellen.

Artikel 9

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast:

Artikel 9a

1.

De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd alle plaatsen met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, waar, naar zij redelijkerwijs kunnen vermoeden, in verband met de uitoefening van een bedrijf, middelen of bereidingen als bedoeld in de artikelen 3, 3a en 4 aanwezig zijn, te betreden, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is. Zij zijn bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hen zijn aangewezen, voor zover dit voor het doel van het betreden redelijkerwijs nodig is. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich die desnoods met behulp van de sterke arm.

2.

De in artikel 9, onderdelen a en b, bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen waar, naar zij redelijkerwijze kunnen vermoeden, middelen of bereidingen als bedoeld in de artikelen 3, 3a en 4 aanwezig zijn en kunnen op die plaatsen ter inbeslagneming huiszoeking doen. Is de plaats een woning, tevens een woning of alleen door een woning toegankelijk, dan treden zij deze zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner niet binnen dan op algemene of bijzondere schriftelijke last van de officier van justitie of op een bijzondere schriftelijke last van een hulpofficier van justitie. Van het binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen twee maal vierentwintig uur aan degene wiens woning is binnengetreden in afschrift wordt toegezonden.

Artikel 9b

1.

De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd ladingen waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat middelen of bereidingen als bedoeld in de artikelen 3, 3a en 4 daarvan deel uitmaken, aan onderzoekingen te onderwerpen en van zaken monsters te nemen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is. Daartoe kunnen zij vorderen dat de verpakking van goederen wordt geopend en dat ook overigens de medewerking wordt verleend die voor die onderzoekingen is vereist.

2.

Indien het onderzoek of de monsterneming niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de zaken voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.

Artikel 9c

1.

De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd van houders van een verlof als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, en van de personen, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, alle inlichtingen te verlangen die redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig zijn.

2.

Zij zijn bevoegd van de in het eerste lid bedoelde houders en personen inzage te verlangen van boeken en andere zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak met betrekking tot deze wet nodig is.

3.

Zij zijn bevoegd van de boeken en andere zakelijke gegevens en bescheiden kopieën te maken. Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, zijn zij bevoegd de boeken en andere zakelijke gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs.

4.

De personen van wie inlichtingen of inzage van boeken en andere zakelijke gegevens en bescheiden worden verlangd, zijn verplicht die onverwijld te verstrekken.

5.

Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen van het verschaffen van inlichtingen, doch uitsluitend voor zover het betreft hetgeen hun in hun hoedanigheid is toevertrouwd. Zij kunnen voorts het verlenen van medewerking weigeren, voor zover hun plicht tot geheimhouding zich daartoe uitstrekt.

Artikel 10

1.

De in artikel 9 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een persoon, verdacht van overtreding van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze aan lichaam en kleding te onderzoeken.

2.

Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.

Artikel 10a

1.

De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd te vorderen dat de verpakking van goederen, met inbegrip van reisbagage, wordt geopend, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B of D, 3a, eerste lid, onderdelen A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2.

De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat. De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

3.

Indien geen medewerking wordt verleend, kunnen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personen, op kosten en risico van de houder van de goederen, in het nodige voorzien.

Artikel 10b

1.

De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd vervoermiddelen te onderzoeken, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B of D, 3a, eerste lid, onderdelen A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2.

De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend ten aanzien van bepaalde vervoermiddelen, indien daartoe jegens deze aanleiding bestaat. De officier van justitie kan bij schriftelijke bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover elk vervoermiddel kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

3.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren kunnen van de bestuurders van voertuigen en van de schippers van vaartuigen daartoe vorderen dat deze de vervoermiddelen tot stilstand brengen, deze vervoermiddelen naar een door hen aangewezen plaats overbrengen en overeenkomstig hun aanwijzingen terzake medewerking verlenen.

Artikel 10c

1.

De in artikel 9, onderdeel a, bedoelde ambtenaren zijn bevoegd van personen die zich op de openbare weg of op enige voor het publiek toegankelijke plaats bevinden, te vorderen dat deze hun medewerking verlenen aan een onderzoek aan de kleding, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit, waarbij gehandeld is in strijd met het in de artikelen 3, eerste lid, onderdelen A, B, of D, 3a, eerste lid, onderdelen, A, B of D, of 4, eerste lid, onderdeel A, gestelde verbod, of op grond van aanwijzingen dat een dergelijk strafbaar feit zal worden gepleegd.

2.

De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend tegen bepaalde personen, indien daartoe jegens hen aanleiding bestaat. De officier van justitie kan bij schriftelijk bevel gelasten dat deze bevoegdheid tegenover een ieder kan worden uitgeoefend. Het bevel is met redenen omkleed.

Artikel 11

1.

Degene die handelt in strijd met artikel 2, 3, eerste lid, of 5, voor zover het betreft de in artikel 3, eerste lid, genoemde middelen, dan wel met een krachtens artikel 3, vijfde lid, gestelde regel wordt gestraft:

2.

Degene die handelt in strijd met artikel 2a, 3a, eerste lid, 4, eerste lid, of 5, voor zover het betreft de in artikel 3a, eerste lid, genoemde middelen, dan wel met een krachtens artikel 3a, tweede lid, of 4, derde lid, gestelde regel, dan wel met een voorwaarde of voorschrift gesteld krachtens artikel 6, 7 of 8, wordt gestraft:

3.

Degene die handelt in strijd met artikel 9c, vierde lid, of niet voldoet aan een vordering als bedoeld in artikel 10b, derde lid, of artikel 10c, eerste lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de derde categorie, dan wel met beide straffen.

4.

De gebruiker, huurder of eigenaar van een voertuig, vaartuig of luchtvaartuig, gebouw, erf of besloten terrein, waar een of meer van de in de artikelen 3, 3a en 4, eerste lid, bedoelde middelen aanwezig worden bevonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de derde categorie, dan wel met beide straffen, indien niet blijkt dat die aanwezigheid aldaar geoorloofd is. Degene is niet strafbaar, indien blijkt dat diegene alle nodige maatregelen heeft genomen om de ongeoorloofde aanwezigheid van de middelen te voorkomen.

5.

Al hetgeen, naar redelijkerwijze vermoed kan worden, gediend heeft of bestemd geweest is tot het plegen van een overtreding van deze wet, alsmede al hetgeen voorwerp van het begane strafbare feit heeft uitgemaakt, kan verbeurd worden verklaard, voor zover het zesde lid niet van toepassing was.

6.

Alle, onverschillig waar, ongeoorloofd aanwezig bevonden middelen als bedoeld in de artikelen 3, 3a en 4, eerste lid, vervallen met de voorwerpen die tot hun verpakking of berging gediend hebben, van rechtswege in eigendom aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, tenzij de eigenaar van de goederen binnen de tijd van drie maanden na de aanhaling bewijst dat deze ten onrechte is geschied of dat hij de goederen heeft, of dat deze aan hem ontvreemd zijn en hij deze op geoorloofde wijze aanwezig heeft gehad, in welke gevallen hem de aangehaalde middelen met de voorwerpen die tot hun verpakking of berging hebben gediend, voor zover deze voorwerpen hem in eigendom toebehoorden, worden teruggegeven.

7.

De verbeurdverklaarde of aan de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba vervallen middelen worden, met inachtneming van de door Onze Minister gegeven voorschriften, slechts verkocht, afgeleverd of verstrekt aan personen die deze in bezit of aanwezig mogen hebben. Zo nodig worden zij op last van Onze Minister onbruikbaar gemaakt of vernietigd.

Artikel 11a

Degene die om een feit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D, 3a, eerste lid, onderdeel A of B, voor zover opzettelijk gepleegd, of artikel 4, eerste lid, onderdeel A, voor zover opzettelijk gepleegd, voor te bereiden of te bevorderen:

Artikel 11b

1.

Degene die opzettelijk enig voorwerp dat is verkregen door een in deze wet strafbaar gesteld misdrijf, koopt, huurt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, vervoert, bewaart of verbergt, wordt gestraft:

2.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan degene die opzettelijk uit de opbrengst van enig voorwerp als bedoeld in het eerste lid, voordeel trekt.

Artikel 11c

1.

Degene die enig voorwerp koopt, huurt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verkoopt, verhuurt, verruilt, in pand geeft, vervoert, bewaart of verbergt, wordt, indien aan zijn schuld te wijten is dat zijn handeling een door een in deze wet strafbaar gesteld misdrijf verkregen voorwerp betreft, gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hetzij met geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

2.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan degene die uit de opbrengst van enig voorwerp voordeel trekt, indien aan zijn schuld te wijten is dat zijn handeling een door een in deze wet strafbaar gesteld misdrijf verkregen voorwerp betreft.

Artikel 11d

Voor de toepassing van de artikelen 11a tot en met 11c worden onder voorwerpen mede verstaan voer- en vaartuigen en stoffen.

Artikel 11e

[vervallen]

Artikel 12

[vervallen]

Artikel 13

[vervallen]

Artikel 14

1.

De bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten worden, voor zover zij bestaan in overtredingen van de artikelen 2, 2a, 3, eerste lid, 3a, eerste lid, 4, eerste lid, en 5 of van de regels gesteld krachtens artikel 3, vijfde lid, 3a, tweede lid, of 4, derde lid, of in het niet voldoen aan de voorwaarden of voorschriften bij een verlof als bedoeld in de artikelen 6, 7 en 8 of bij de herroeping van een zodanig verlof gesteld, beschouwd als misdrijven en anders als overtredingen. De in de artikelen 11a tot en met 11c strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven, die in artikel 11, derde lid, als overtredingen.

2.

Op feiten die vallen onder een strafbepaling van deze wet, zijn de strafbepalingen niet van toepassing die voorkomen in wetten die gaan over de invoerrechten en accijnzen.

3.

Het Wetboek van Strafrecht BES is toepasselijk op ieder die zich buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba schuldig maakt aan:

4.

Het Wetboek van Strafrecht BES is toepasselijk op een van de in de artikelen 11, eerste en tweede lid, en 11a tot en met 11c strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.

Artikel 15

Deze wet wordt aangehaald als: Opiumwet 1960 BES.

Artikel 14a

1.

De gezaghebber is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een voorwerp mede verstaan een stof.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de woning, het lokaal of het daarbij behorende erf gebruikt wordt ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, geneeskunst, tandheelkunst of diergeneeskunde door onderscheidenlijk een apotheker, arts, tandarts of dierenarts.

5.

De in het vierde lid, onderdelen d en e, genoemde bedragen kunnen bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid worden gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft.

6.

De gezaghebber kan de geldschuld die voortvloeit uit het besluit, bedoeld in het eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)