Luchtvaartwet BES

Type Wet Bes
Publication 2022-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 102
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
6.

De plaatsen bedoeld in het vijfde lid, dienen duidelijk gemarkeerd te zijn onder aanduiding van de categorieën personen die toegang hebben.

7.

Een ieder die toegang zoekt tot of zich bevindt op een van de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde delen, gedoogt dat vanwege de exploitant van een luchtvaartterrein onderzoek plaatsvindt aan zijn kleding, van voorwerpen die hij bij zich heeft of van het voertuig dat hij gebruikt.

8.

De exploitant van een luchtvaartterrein draagt er zorg voor, dat personen die niet voldoen aan het derde lid, onder b en c, of het zevende lid, de verdere toegang tot de in het eerste lid bedoelde delen van het luchtvaartterrein wordt ontzegd.

Artikel 22l

1.

De exploitant van een luchtvaartterrein treft de nodige voorzieningen om te voorkomen dat personen of bagage aan boord van een luchtvaartuig gaan zonder dat deze zijn onderworpen aan een controle overeenkomstig paragraaf 5.

2.

De exploitant van een luchtvaartterrein is verplicht te beschikken over:

  • a. voldoende en passende detectieapparatuur voor de uitoefening van de controle door het beveiligingspersoneel overeenkomstig paragraaf 5;
  • b. een ruimte voor vertrekkende passagiers die zodanig is ingericht dat gecontroleerde passagiers en handbagage zijn afgeschermd en een vermenging met niet gecontroleerde personen en voorwerpen niet mogelijk is;
  • c. een ruimte voor onderzoek van bagage en dieren bestemd voor vervoer;
  • d. een afsluitbare en beveiligde ruimte bestemd voor het bewaren van verdachte bagage.
3.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan, in overeenstemming met Onze Minister, nadere regels stellen met betrekking tot de voorzieningen die zijn vereist ter beveiliging van de burgerluchtvaart.

4.

De ingebruikname van detectieapparatuur ten behoeve van de uitvoering van beveiligingsonderzoeken behoeft instemming van Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de procedure tot instemming en intrekking van de instemming.

Artikel 22m

De exploitant van een luchtvaartterrein richt het luchtvaartterrein zodanig in, en treft zodanige voorzieningen dat:

  • a. een plaats beschikbaar is voor het afzonderen van een luchtvaartuig;
  • b. het beveiligingspersoneel snel en op eenvoudige wijze de verschillende delen van het luchtvaartterrein kan bereiken en toezicht kan houden op daar aanwezige personen;
  • c. redelijkerwijze voorkomen wordt dat onbevoegden een geparkeerd luchtvaartuig betreden;
  • d. de verschillende delen van het luchtvaartterrein helder verlicht en afsluitbaar zijn;
  • e. het beveiligingspersoneel op onvoorspelbare en op risico gebaseerde wijze patrouilles uitvoert op het luchtvaartterrein.

Artikel 22n

1.

De exploitant van een luchtvaartterrein is gehouden een programma op te stellen met betrekking tot de beveiliging van het luchtvaartterrein. Het programma, alsmede de wijziging daarvan, behoeft de instemming van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister. Het programma wordt op hun verzoek, onder het stellen van een redelijke termijn, aangepast.

2.

Het programma, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval:

  • a. de plichten, verantwoordelijkheden, maatregelen en procedures die zijn vastgesteld met het oog op de beveiliging van het luchtvaartterrein;
  • c. de maatregelen en procedures in geval van dreiging van onwettige daden van geweld, bomalarm, kaping of gewapende aanvallen op het luchtvaartterrein;
  • d. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen.
3.

De exploitant van een luchtvaartterrein informeert Onze Minister en Onze Minister van Justitie en Veiligheid indien het programma niet kan worden uitgevoerd. Hij verstrekt desgevraagd Onze Ministers informatie over de beveiliging van het luchtvaartterrein.

4.

Indien een onderdeel van het programma niet wordt uitgevoerd, kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid de exploitant van een luchtvaartterrein een aanwijzing geven die ertoe strekt zo veel mogelijk het oorspronkelijk in het programma aangegeven niveau van beveiliging te benaderen.

§ 3. De verplichtingen van een luchtvaartmaatschappij

Artikel 22na

1.

De luchtvaartmaatschappij treft zodanige voorzieningen ten aanzien van een door haar geëxploiteerd luchtvaartuig dat redelijkerwijze wordt voorkomen dat onbevoegden dit luchtvaartuig betreden.

2.

De luchtvaartmaatschappij onderwerpt een door haar geëxploiteerd luchtvaartuig voor vertrek aan een beveiligingsdoorzoeking of beveiligingscontrole van een luchtvaartuig.

3.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan, in overeenstemming met Onze Minister, nadere regels stellen met betrekking tot de voorzieningen die zijn vereist ter beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 22nb

1.

De luchtvaartmaatschappij is gehouden een programma op te stellen met betrekking tot de beveiliging van haar luchtvaartuigen en deze ter inzage voor te leggen aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister.

2.

Het programma van een luchtvaartmaatschappij waarvan de exploitatievergunning in Nederland is afgegeven door Onze Minister, alsmede de wijziging daarvan, behoeft de instemming van Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister. Het programma wordt op hun verzoek, onder het stellen van een redelijke termijn, aangepast.

3.

Het programma van een luchtvaartmaatschappij waarvan de exploitatievergunning niet in Nederland is afgegeven wordt op verzoek van Onze Minister van Justitie en Veiligheid ter instemming voorgelegd aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid in overeenstemming met Onze Minister. Het programma wordt op hun verzoek, onder het stellen van een redelijke termijn, aangepast.

4.

Het programma, bedoeld in het eerste lid, omvat onder meer:

  • a. de plichten, verantwoordelijkheden, maatregelen en procedures die zijn vastgesteld met het oog op de beveiliging van de luchtvaartuigen;
  • c. de maatregelen en procedures in geval van dreiging van onwettige daden van geweld, bomalarm, kaping of gewapende aanvallen op het luchtvaartterrein;
  • d. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen.
5.

De luchtvaartmaatschappij informeert Onze Minister van Justitie en Veiligheid en Onze Minister indien het programma niet kan worden uitgevoerd. Zij verstrekt desgevraagd Onze Ministers informatie over de beveiliging van haar luchtvaartuigen.

6.

Indien een onderdeel van het programma niet wordt uitgevoerd, kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid de luchtvaartmaatschappij een aanwijzing geven die ertoe strekt zo veel mogelijk het oorspronkelijk in het programma aangegeven niveau van beveiliging te benaderen.

§ 4. De verplichtingen van een entiteit

Artikel 22nc

1.

De entiteit treft zodanige voorzieningen ten aanzien van de door haar behandelde goederen dat redelijkerwijze wordt voorkomen dat met deze goederen verboden voorwerpen het luchtvaartterrein of een luchtvaartuig worden binnengebracht.

2.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan, in overeenstemming met Onze Minister, nadere regels stellen met betrekking tot de voorzieningen die zijn vereist ter beveiliging van de burgerluchtvaart.

Artikel 22nd

1.

De entiteit is gehouden een programma op te stellen met betrekking tot de beveiligingsmaatregelen die zij neemt ten aanzien van de beveiliging van de burgerluchtvaart en deze op verzoek voor te leggen aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

2.

Het programma, alsmede de wijziging daarvan, wordt op verzoek van Onze Minister van Justitie en Veiligheid ter instemming voorgelegd. Het programma wordt op zijn verzoek, onder het stellen van een redelijke termijn, aangepast.

3.

Het programma, bedoeld in het eerste lid, omvat onder meer:

  • a. de plichten, verantwoordelijkheden, maatregelen en procedures die zijn vastgesteld met het oog op de beveiliging van de burgerluchtvaart;
  • b. andere bij algemene maatregel van bestuur te bepalen onderwerpen.
4.

De entiteit informeert Onze Minister van Justitie en Veiligheid indien het programma niet kan worden uitgevoerd of daarin wijzigingen worden aangebracht. Zij verstrekt desgevraagd Onze Minister van Justitie en Veiligheid informatie over de door haar genomen beveiligingsmaatregelen.

5.

Indien een onderdeel van het programma niet wordt uitgevoerd, kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid de entiteit een aanwijzing geven die ertoe strekt zo veel mogelijk het oorspronkelijk in het programma aangegeven niveau van beveiliging te benaderen.

§ 5. Controle van personen, bagage en goederen

Artikel 22o

1.

De exploitant van een luchtvaartterrein draagt ervoor zorg dat:

  • a. alle personen die toegang zoeken tot de in artikel 22k, eerste lid onder b en c bedoelde delen door het beveiligingspersoneel worden gecontroleerd op hun identiteit en op de rechtmatigheid van hun aanwezigheid in deze delen;
  • b. alle personen die als passagiers aan boord gaan van een luchtvaartuig, alsmede hun bagage, door het beveiligingspersoneel worden gecontroleerd op de aanwezigheid van verboden voorwerpen;
  • c. alle personen die anders dan als passagier toegang zoeken tot de in artikel 22k eerste lid onder c bedoelde deel, alsmede de goederen die zij bij zich dragen, door het beveiligingspersoneel worden gecontroleerd op de aanwezigheid van verboden voorwerpen;
  • d. alle voertuigen die toegang zoeken tot het in artikel 22k eerste lid onder c bedoelde deel, door het beveiligingspersoneel worden gecontroleerd op de aanwezigheid van verboden voorwerpen.
2.

De exploitant van een luchtvaartterrein draagt ervoor zorg dat goederen die bestemd zijn voor verkoop, verspreiding of gebruik in de om beveiligingsredenen beperkt toegankelijke zones door het beveiligingspersoneel worden gecontroleerd op de aanwezigheid van verboden voorwerpen.

3.

Indien bij controle verboden voorwerpen worden aangetroffen of de naleving van het gestelde in dit artikel met betrekking tot de uitvoering van de controle in gevaar komt, doet de exploitant van een luchtvaartterrein daarvan onverwijld mededeling aan de commandant van de Koninklijke marechaussee.

Artikel 22p

1.

De luchtvaartmaatschappij draagt zorg dat geen ruimbagage aan boord is die niet toebehoort aan de aan boord zijnde passagiers. Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan hiervoor vrijstelling verlenen. Daarbij worden voorschriften gegeven als vervangende waarborg met het oog op de beveiliging. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid ontheffing verlenen.

2.

De luchtvaartmaatschappij draagt zorg voor de controle op de aanwezigheid van verboden voorwerpen van alle goederen die aan boord gaan van een luchtvaartuig niet zijnde bagage of vracht.

3.

Het bepaalde in artikel 22o, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22q

1.

De controle, bedoeld in artikel 22o, eerste lid, onder b en c, omvat, voor zover het de controle van personen, handbagage en goederen die personen anders dan passagiers bij zich dragen betreft:

  • a. een onderzoek met behulp van daartoe bestemde detectieapparatuur van passagiers en handbagage of andere technische hulpmiddelen;
  • b. steekproefsgewijs en indien de detectieapparatuur daartoe aanleiding geeft, een onderzoek van personen aan hun kleding en een nader onderzoek van hun handbagage of goederen;
  • c. de stelselmatige uitvoering van het onderzoek aan kleding van passagiers en van handbagage in door Onze Minister van Justitie en Veiligheid bij ministeriële regeling te bepalen gevallen;
  • d. een bevraging van de passagiers met het oog op hun betrouwbaarheid in door Onze Minister van Justitie en Veiligheid bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.
2.

De controle, bedoeld in artikel 22o, eerste lid, onderdeel b, omvat, voor zover het ruimbagage betreft, in ieder geval:

  • a. een onderzoek met behulp van daartoe bestemde detectieapparatuur of andere technische hulpmiddelen;
  • b. een nader onderzoek naar de inhoud van de bagage indien daartoe aanleiding is.
3.

De controle, bedoeld in artikel 22o, tweede lid, onderdeel a, omvat:

  • a. een nader onderzoek van het toegangsbewijs waarover de betrokkene beschikt;
  • b. een nader onderzoek van de identiteit van de betrokkene.
4.

De controle, bedoeld in artikel 22o, tweede lid en artikel 22p, tweede lid, omvat in ieder geval een visuele uitwendige controle van de goederen of hun verpakking.

5.

Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan ten aanzien van bepaalde soorten vluchten of luchtvaartuigen, vrijstelling worden verleend van een controle van passagiers, handbagage of ruimbagage als bedoeld in het eerste en tweede lid, of van de controle bedoeld in artikel 22p, tweede lid, wanneer de dreiging voor deze vluchten of luchtvaartuigen als gevolg van verboden voorwerpen, verwaarloosbaar is. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

6.

Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan om objectieve redenen ten aanzien van bepaalde categorieën personen, bagage, goederen of voertuigen vrijstelling worden verleend van een controle als bedoeld in artikel 22o eerste lid. Daarbij kunnen nadere voorschriften worden gegeven.

7.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan in bijzondere gevallen op de gronden, bedoeld in het vijfde en zesde lid, ontheffing verlenen van de controle.

Artikel 22r

1.

Een lid van het beveiligingspersoneel belast met de controle, dat de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

2.

Een gelijke verplichting bestaat voor degene die anders dan bedoeld in het eerste lid ten behoeve van de beveiliging van de burgerluchtvaart een vertrouwensfunctie als bedoeld in artikel 3 van de Wet veiligheidsonderzoeken vervult.

Artikel 22s

De exploitant van een luchtvaartterrein doet:

  • a. personen die weigeren zichzelf of hun bagage of goederen die zij bij zich dragen te onderwerpen aan de controle bedoeld in artikel 22o, eerste lid, verhinderen enig luchtvaartuig te betreden, hen de verdere toegang tot de in artikel 22k, eerste lid, bedoelde delen ontzeggen en hen daaruit zo nodig verwijderen;
  • b. bij de controle van personen aangetroffen verboden voorwerpen, niet dan in overeenstemming met door Onze Minister van Justitie en Veiligheid te stellen regels of te geven aanwijzingen, aan boord van een luchtvaartuig brengen;
  • c. de maatregelen als bedoeld in onderdeel a, treffen jegens degene bij wie of in wiens bagage verboden voorwerpen worden aangetroffen, indien deze niet overeenkomstig de regels of aanwijzingen als bedoeld in onderdeel b, op verzoek van het beveiligingspersoneel zijn afgegeven.

Artikel 22t

De personen die aan boord gaan van een luchtvaartuig, zijn verplicht:

Artikel 22u

De bepalingen in deze paragraaf laten onverlet dat de exploitant van een luchtvaartterrein op verzoek van een luchtvaartmaatschappij of een buitenlandse overheid een verdergaande controle kan uitvoeren, indien dit in de vervoersovereenkomst tussen de passagier en de luchtvaartmaatschappij wordt bepaald.

§ 6. Controle van vracht en post

Artikel 22v

1.

De luchtvaartmaatschappij draagt ervoor zorg dat alle vracht en post die aan boord gaat van een door haar geëxploiteerd luchtvaartuig door haar of door een erkend agent is onderworpen aan een beveiligingsonderzoek, of afkomstig is van een bekende afzender en is beschermd tegen manipulatie door onbevoegden.

2.

Het beveiligingsonderzoek, bedoeld in het eerste lid, omvat in ieder geval:

  • a. een onderzoek met behulp van daartoe bestemde detectieapparatuur of andere technische hulpmiddelen;
  • b. een nader onderzoek naar de inhoud van de vracht of post indien daartoe aanleiding is.
3.

Bij regeling van Onze Minister van Justitie en Veiligheid, kan van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling worden verleend. Daarbij worden voorschriften gegeven als vervangende waarborg met het oog op de beveiliging. In bijzondere gevallen kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid ontheffing verlenen.

4.

Het bepaalde in artikel 22o, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22va

1.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan een entiteit die vracht of post verwerkt erkennen als erkend agent of bekende afzender.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de erkenningsprocedure en de eisen waaraan entiteiten dienen te voldoen alvorens zij erkend kunnen worden als erkend agent of bekende afzender.

Artikel 22vb

1.

Aan de luchtvaartmaatschappij of erkend agent voor vervoer toevertrouwde postzendingen als bedoeld in artikel 1, onder e, van de Wet post BES worden zonder goedvinden van de afzender of van de geadresseerde slechts geopend indien de rechter-commissaris bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba daartoe, op verzoek van de luchtvaartmaatschappij of erkend agent, bevel heeft gegeven.

2.

Het bevel, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts gegeven indien het vermoeden bestaat dat zich in de postzending verboden voorwerpen bevinden.

§ 7. Handhaving

Artikel 22w

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling is belast de commandant van de Koninklijke marechaussee. Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan daartoe aanwijzingen geven.

Artikel 22x

1.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. Afdeling 5.3.1 en 5.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Onze Minister van Justitie en Veiligheid kan van de in het eerste lid genoemde bevoegdheid mandaat verlenen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee.

Artikel 22y

1.

Een klacht tegen beveiligingspersoneel als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, over een gedraging bij de uitvoering van een taak ingevolge deze afdeling, kan worden ingediend bij de commandant van de Koninklijke marechaussee.

2.

De klacht wordt behandeld door Onze Minister van Justitie en Veiligheid. Deze kan hiervoor mandaat verlenen aan de commandant van de Koninklijke marechaussee.

3.

Titel 9.1 en 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Wet Nationale ombudsman zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

Voor de toepassing van de Wet Nationale ombudsman en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een gedraging als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een gedraging van Onze Minister van Justitie en Veiligheid.

5.

Indien de klacht zich tevens richt tegen beveiligingspersoneel als bedoeld in artikel 22b, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex, wordt deze behandeld volgens de procedure die geldt voor dat beveiligingspersoneel.

Hoofdstuk V. Verboden operaties Verboden gebieden

Misleidend kenmerk

Hoofdstuk VI

Afdeling 1. Aanwijzing van luchtvaartterreinen

Afdeling 2. Gebruik van luchtvaartterreinen

Afdeling 3. Verbod van belemmeringen op terreinen rondom luchtvaartterreinen

Hoofdstuk VIII. Bijzondere omstandigheden

Hoofdstuk IX

Afdeling 1. Strafbepalingen

Afdeling 2. Niet-strafrechtelijke maatregelen

Afdeling 3. Toezicht

Hoofdstuk X. Nadere voorschriften en Wijzigingen

Hoofdstuk XI. Overgangs- en Slotbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)