Besluit toelating en uitzetting BES
De beschikking ten aanzien van een zich buiten de openbare lichamen bevindende vreemdeling, waarbij de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt ingewilligd, wordt bekendgemaakt na zijn aankomst in de openbare lichamen. Het eerste en tweede lid zijn van toepassing.
De beschikking, die niet of niet mede strekt tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt bekend gemaakt door toezending naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.
Hoofdstuk 6. Grensbewaking, toezicht en uitvoering
Afdeling 1. Grensbewaking
§ 1. Voorzieningen in het belang van de grensbewaking
Artikel 6.1
Grensbewaking als bedoeld in artikel 22a van de Wet wordt uitgeoefend met het oog op het de openbare lichamen in- en uitreizen van personen.
Onder uitreizen wordt begrepen het zich aan boord begeven of bevinden van een schip of luchtvaartuig, dat voor de uitreis uit de openbare lichamen bestemd is.
Artikel 6.2
In het belang van de grensbewaking worden de volgende grensdoorlaatposten ingesteld:
- a. in het openbaar lichaam Bonaire: de rede van Kralendijk, Blauwe Pan en Brazil, alsmede de Flamingo luchthaven;
- b. in het openbaar lichaam Sint Eustatius: de Oranjebaai en de luchthaven van Sint Eustatius, en
- c. in het openbaar lichaam Saba: de Fortbaai en de luchthaven van Saba.
De grensdoorlaatposten worden bediend door de ambtenaren, bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Wet.
Bij ministeriële regeling worden de tijden vastgesteld gedurende welke de grensdoorlaatposten zijn opengesteld.
§ 2. Algemene verplichtingen in het kader van de grensbewaking
Artikel 6.3
De vreemdeling die de openbare lichamen inreist, is verplicht desgevorderd aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking:
- a. het in zijn bezit zijnde document voor grensoverschrijding, de benodigde machtiging tot voorlopig verblijf dan wel het benodigde reisvisum of doorreisvisum te tonen en te overhandigen;
- b. inlichtingen te verstrekken over het doel en de duur van zijn voorgenomen verblijf in de openbare lichamen;
- c. aan te tonen over welke middelen hij met het oog op de toegang tot de openbare lichamen beschikt of kan beschikken.
Het eerste lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die de openbare lichamen uitreist.
Artikel 6.4
Een ieder die zich op of nabij een plaats bevindt waar een grensdoorlaatpost is gevestigd, houdt zich aan de aldaar door de ambtenaren, belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van hun taak gegeven aanwijzingen.
Artikel 6.5
De Nederlander die de openbare lichamen in- of uitreist, toont en overhandigt, desgevorderd, aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, het in zijn bezit zijnde reis- of identiteitspapier of maakt zo nodig op andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk.
§ 3. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst over zee
Artikel 6.6
De gezagvoerder van een schip verleent, desgevorderd, de medewerking aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, welke nodig is om deze ambtenaar in staat te stellen de door hem uit te oefenen grenscontrole uit te voeren. Deze medewerking bestaat uit:
- a. het op een daartoe gegeven teken zodanig vaart verminderen en het zodanig op of bijdraaien van zijn schip, dat een dienstvaartuig behoorlijk langszij kan komen;
- b. het toelaten van ambtenaren, belast met de grensbewaking, aan boord van zijn schip;
- c. het op vordering van een ambtenaar, belast met de grensbewaking, tot stilstand brengen of aanleggen van zijn schip.
Artikel 6.7
De gezagvoerders van andere schepen dan zeeschepen geven eigener beweging aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, kennis van de aanwezigheid in hun vaartuig van vreemdelingen ten aanzien van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat zij niet voldoen aan de bij of krachtens de Wet vastgestelde verplichtingen waaraan personen bij grensoverschrijding zijn onderworpen.
Artikel 6.8
De te verstrekken bemanningslijst en passagierslijst, worden bij het binnenvaren van de openbare lichamen onmiddellijk verstrekt aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Bij ministeriële regeling kunnen modellen worden vastgesteld van de bemanningslijst en passagierslijst.
Wijzigingen met betrekking tot de samenstelling van de bemanning of de passagiers worden eveneens doorgegeven aan de ambtenaar belast met de grensbewaking.
Indien de grensbewaking plaatsvindt aan boord van het schip, worden de in het eerste lid bedoelde lijsten onmiddellijk afgegeven aan de ambtenaar die de grensbewaking uitoefent.
Van de aanwezigheid van verstekelingen wordt steeds onmiddellijk opgave gedaan.
Artikel 6.9
De kennisgeving van afvaart wordt gedaan aan het hoofd van de grensdoorlaatpost waarlangs hij zal vertrekken.
De kennisgeving wordt gedaan:
- a. ten hoogste zes en ten minste drie uur vóór het daadwerkelijke vertrek van het schip;
- b. indien het schip zich korter dan drie uur bevindt op de plaats waar de kennisgeving moet geschieden, op een zodanig tijdstip dat de met de bediening van de grensdoorlaatpost belaste ambtenaar in staat is de door hem uit te oefenen personencontrole uit te voeren.
Artikel 6.10
De artikelen 6.8 en 6.9 gelden niet voor gezagvoerders van zeeschepen die, zonder ligplaats in een haven in te nemen, door de Nederlandse territoriale zee varen.
§ 4. Verplichtingen met het oog op grensbewaking bij binnenkomst door de lucht
Artikel 6.11
De gezagvoerder van een vliegtuig verstrekt in tweevoud aan een ambtenaar, belast met de grensbewaking, de algemene verklaring en de gegevens over de bemanning.
Bij ministeriële regeling wordt het model van de bemannings- en passagierslijst aangewezen.
De gezagvoerder en diens luchtvaartmaatschappij zijn verplicht op diens verzoek aan de ambtenaar belast met de grensbewaking alle inlichtingen te verschaffen betreffende vreemdelingen die door deze luchtvaartmaatschappij zijn vervoerd van, naar en tussen de openbare lichamen.
Artikel 6.12
De vordering aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig, bedoeld in artikel 22e, tweede lid, van de Wet, wordt gedaan door tussenkomst van de luchtverkeersleiding.
Afdeling 2. Toepassing van bevoegdheden van ambtenaren
Artikel 6.13
De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
- a. gegevens over de toegangsweigering;
- b. gegevens over de controle op de zorgplicht van vervoerders;
- c. gegevens over de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen, en
- d. gegevens over de uitzetting van vreemdelingen.
Artikel 6.14
Aan de vreemdeling die met toepassing van artikel 22d, tweede of derde lid, van de Wet is overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor, wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het verhoor te doen bijstaan door een raadsman.
De in het eerste lid bedoelde vreemdeling wordt niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten, dan wordt gevorderd door het doel van de maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
Artikel 6.15
Een beslissing van de Commandant van de Koninklijke marechaussee of de korpschef, genomen krachtens artikel 22d, vierde lid, van de Wet, wordt ten uitvoer gelegd op een politiebureau.
De artikelen 7.3 en 7.5 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.16
Indien de Commandant van de Koninklijke marechaussee of de korpschef zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 22d, vierde lid, van de Wet mandateert doet hij dat aan een ambtenaar, belast met het toezicht op vreemdelingen, die tevens hulpofficier van justitie is.
Artikel 6.17
Als documenten in de zin van artikel 22d, eerste lid, laatste volzin, van de Wet, worden aangewezen:
- a. voor vreemdelingen die van rechtswege zijn toegelaten op grond van artikel 3 van de Wet of bij vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 12a van de Wet: een vanwege de bevoegde autoriteiten verstrekte verklaring of verstrekt document waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld door Onze Minister;
- b. voor andere vreemdelingen: een ingevolge de Wet voor het hebben van toegang tot de openbare lichamen vereist geldig document voor grensoverschrijding dan wel een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum is aangetekend of waarin een aantekening omtrent de verblijfsrechtelijke positie is geplaatst;
- c. voor vreemdelingen, bedoeld onder b, die niet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en die nog in afwachting zijn van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd: een verklaring, afgegeven door de bevoegde autoriteit dat de aanvraag is ingediend en de beslissing daarop in de openbare lichamen mag worden afgewacht.
Geen document, anders dan bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstrekt aan kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar, tenzij zij er naar het oordeel van Onze Minister een redelijk belang bij hebben in het bezit van zulk een document te worden gesteld.
Op het ingevolge het eerste lid, onder a, afgegeven document wordt aangetekend:
- a. onder welke beperkingen en voorschriften de toelating is verleend;
- b. of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of daarvoor ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning is vereist, en
- c. of beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
Aan de Nederlander, op wie de Wet niet van toepassing noch ook van overeenkomstige toepassing is, kan Onze Minister op aanvraag een verklaring afgeven waaruit zulks blijkt en waarvan het model is vastgesteld door Onze Minister.
Artikel 6.18
De documenten, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, voor zover afgegeven door Onze Minister, worden door Onze Minister vervangen, indien:
- a. de vreemdeling aan wie het document werd afgegeven, overeenkomstig artikel 6.40 aangifte heeft gedaan van vermissing, verlies of het voor identificatie ondeugdelijk worden van dat document, en
- b. Onze Minister heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn om te veronderstellen dat de aangifte naar waarheid is gedaan.
Onverminderd het eerste lid worden de documenten, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, voor zover afgegeven door Onze Minister, telkens vijf jaren na de afgifte ervan vervangen.
Artikel 6.19
De ambtenaren belast met de grensbewaking of de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, nemen op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet het reis- of identiteitspapier van een persoon tijdelijk in bewaring:
- a. voorzover zulks nodig is voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in artikel 6.41, of voor het stellen van een aantekening als bedoeld in artikel 6.20 tot en met artikel 6.31;
- b. indien de persoon ter vaststelling van zijn identiteit is staande gehouden en niet aanstonds blijkt dat het hem is toegestaan in de openbare lichamen te verblijven, terwijl de gelegenheid ontbreekt hem, met toepassing van artikel 22d, tweede of derde lid, van de Wet naar een plaats, bestemd voor verhoor, over te brengen;
- c. gedurende de tijd dat de persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, of
- d. voorzover zulks nodig is met het oog op de uitzetting of de overgave aan de grensautoriteiten als bedoeld in artikel 22f, tweede lid, van de Wet.
In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt het reis- of identiteitspapier aan de persoon teruggegeven, indien hij aan de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee de gegevens heeft verstrekt die deze in het belang van de toepassing van de Wet vraagt, tenzij er uit anderen hoofde gronden aanwezig zijn om het document in bewaring te houden.
Artikel 6.20
Naast het plaatsen van de in artikel 2v van de Wet bedoelde inreis- en uitreisstempels, kunnen ambtenaren belast met de grensbewaking, op grond van artikel 22f, eerste lid, van de Wet, in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling aantekeningen stellen omtrent:
- a. inreis in de openbare lichamen;
- b. het doel en de duur van het voorgenomen verblijf in de openbare lichamen;
- c. de middelen waarover de vreemdeling met het oog op de toegang tot de openbare lichamen beschikt of kan beschikken;
- d. aanmelding bij de korpschef;
- e. de toepassing van artikel 3.6;
- f. het weigeren van toegang tot de openbare lichamen;
- g. vertrek of uitzetting uit de openbare lichamen, of
- h. uitreis uit de openbare lichamen.
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in een reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening, wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
Artikel 6.21
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling die toegang tot de openbare lichamen heeft en die de openbare lichamen langs een doorlaatpost in- of uitreist een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder a en h, waaruit blijkt langs welke doorlaatpost en op welke datum de in- of uitreis heeft plaatsgevonden.
Artikel 6.22
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder d, inhoudende dat de vreemdeling zich binnen drie dagen bij de korpschef, onder vermelding van de plaats, moet melden, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat.
Artikel 6.23
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder f, indien zij vermoeden dat de vreemdeling andermaal zal trachten de openbare lichamen in te reizen zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang, bedoeld in artikel 2r van de Wet.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de toegang is geweigerd, met vermelding van de datum en zo nodig de grond waarop deze weigering berust.
Artikel 6.24
De ambtenaren belast met de grensbewaking, stellen in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening als bedoeld in artikel 6.20, eerste lid, onder g, indien zij vermoeden dat de vreemdeling zal trachten zich andermaal naar de openbare lichamen te begeven zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen. Een zodanige aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door of diens toegang tot een land of staat daardoor wordt bemoeilijkt.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste lid, blijkt het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling, met vermelding van de datum en zo nodig de reden van het vertrek of de uitzetting.
Artikel 6.25
De ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, stellen in het reis- en identiteitspapier van een vreemdeling aantekeningen omtrent:
- a. aanmelding of vervoeging bij de korpschef;
- b. de woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen en vertrek naar het buitenland;
- c. het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het intrekken van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;
- d. het verlenen of het intrekken van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
- e. het opleggen van een individuele verplichting tot periodieke aanmelding overeenkomstig artikel 22h, tweede lid, van de Wet;
- f. het beperken van de vrijheid van beweging overeenkomstig artikel 15 van de Wet;
- g. vertrek of uitzetting uit de openbare lichamen;
- h. ongewenstverklaring, en
- i. de datum en plaats van inreis in de openbare lichamen.
Elke doorhaling of vervallenverklaring van een in het reis- of identiteitspapier van een vreemdeling gestelde aantekening wordt door de ambtenaar die de doorhaling of vervallenverklaring verricht, gedateerd en van diens paraaf voorzien.
In afwijking van het eerste lid, wordt een aantekening op een aan de vreemdeling te verstrekken afzonderlijk inlegblad gesteld, indien:
- a. het reis- of identiteitspapier van de vreemdeling zich niet voor het stellen van een zodanige aantekening leent;
- b. de vreemdeling houder is van een buitenlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort;
- c. de vreemdeling in de openbare lichamen een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, heeft ingediend en, naar het oordeel van de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee, termen aanwezig zijn de aanvraag af te wijzen;
- d. de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, of
- e. de vreemdeling houder is van een document als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onder a, b, of c, en niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.
Artikel 6.26
De aantekeningen, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder a, hebben betrekking op de aanmelding ingevolge de artikelen 6.43 tot en met 6.47.
Uit de aantekening blijkt de datum van aanmelding.
Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
Indien het betreft een vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip kan de aantekening worden aangevuld met een zinsnede waaruit zulks blijkt en wordt een uiterlijke datum van verblijf opgenomen.
Artikel 6.27
De aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder g, wordt gesteld indien op grond van artikel 5.1 uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. De datum waarop de aanvraag is ontvangen wordt eveneens aangetekend. Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt «vervallen» aangetekend.
Uit de aantekening blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
Artikel 6.28
Uit de aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder b, blijkt op welke datum de vreemdeling is veranderd van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, wordt door de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee gesteld.
Artikel 6.29
Uit de aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder e, blijkt de verplichte periode van aanmelding overeenkomstig artikel 22h, tweede lid, van de Wet alsmede eventuele verdere bijzonderheden.
Nadat de vreemdeling voor de eerste maal heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke aanmelding ingevolge artikel 6.47, kunnen de daarop volgende aanmeldingen worden aangetekend door in het reis- of identiteitspapier de datum van de aanmelding te stellen.
Uit de aantekening, bedoeld in het eerste en tweede lid, blijkt of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen BES een tewerkstellingsvergunning vereist is.
Artikel 6.30
De aantekeningen, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder g, betreffen:
- a. een aantekening waaruit de uiterlijke datum van vertrek blijkt, indien aan de vreemdeling overeenkomstig artikel 16a van de Wet een termijn is gegund waarbinnen hij de openbare lichamen uit eigen beweging dient te verlaten;
- b. een aantekening waaruit blijkt tot welke datum uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft ingevolge artikel 16b, derde lid,van de Wet;
- c. een aantekening waaruit de datum van indienen van een bezwaarschrift blijkt, indien de uitzetting achterwege blijft hangende een beslissing op een door de vreemdeling ingediend bezwaar, eventueel met doorhaling van de aantekening, bedoeld onder a;
- d. een aantekening omtrent uitzetting, indien naar het oordeel van de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee gegronde reden bestaat om te vermoeden dat de vreemdeling zal trachten naar de openbare lichamen terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen.
Bij een aantekening als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt tevens gesteld dat arbeid niet is toegestaan.
De aantekening, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt niet gesteld, indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
Artikel 6.31
De aantekening, bedoeld in artikel 6.25, eerste lid, onder h, wordt geplaatst, indien de korpschef of de Commandant van de Koninklijke marechaussee vermoedt dat de vreemdeling zal trachten naar de openbare lichamen terug te keren zonder te voldoen aan de vereisten voor toegang tot de openbare lichamen. De aantekening wordt niet gesteld indien het vertrek, de uitzetting of de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot een derde land daardoor wordt bemoeilijkt.
Uit de aantekening blijkt de datum waarop de vreemdeling ongewenst is verklaard.
Artikel 6.32
Bij ministeriële regeling kunnen modellen van de aantekeningen, bedoeld in deze afdeling, worden vastgesteld.
Afdeling 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
§ 1. Kennisgeving van verandering van woon- of verblijfplaats en vertrek
Artikel 6.33
De vreemdeling die in de openbare lichamen van rechtswege of bij vergunning is toegelaten of aan wie het is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten, is verplicht om in geval van:
- a. verandering van adres binnen het openbaar lichaam waar de vreemdeling woont of verblijft, hiervan binnen vijf dagen kennis te geven aan de korpschef;
- b. verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef;
- c. verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen, onder opgave van het nieuwe adres, hiervan binnen vijf dagen na aankomst in de nieuwe woon- of verblijfplaats in persoon kennis te geven aan de korpschef;
- d. vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen, zo mogelijk onder opgave van het nieuwe adres, hiervan vóór het vertrek kennis te geven aan de korpschef.
De in het eerste lid, onder a en c, bedoelde kennisgeving blijft achterwege indien de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van de nieuwe woonplaats.
De vreemdeling die niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten en wie het niet is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd af te wachten, geeft kennis van verandering van woon- of verblijfplaats binnen de openbare lichamen als bedoeld in het eerste lid, onder b, indien Onze Minister dat vordert.
De in het eerste en derde lid omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaar en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
Van vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen wordt geen kennis gegeven door de vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning is toegelaten, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet naar een plaats buiten de openbare lichamen verplaatst.
§ 2. Het verstrekken van gegevens
Artikel 6.34
De vreemdeling verstrekt op vordering van Onze Minister de gegevens, bedoeld in de artikelen 6.35 tot en met 6.40, binnen de in de vordering aangegeven tijd.
Indien daartoe in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat kan de in het voorgaande lid bedoelde vordering inhouden dat de vreemdeling de gegevens in persoon verstrekt.
In het belang van de vreemdelingenregistratie kan een vordering als bedoeld in het eerste lid bij algemene bekendmaking worden gedaan.
Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, dan kan de vordering, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 6.35
De vreemdeling die zich in de openbare lichamen bevindt en niet van rechtswege of bij vergunning is toegelaten en aan wie het niet is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten, doet onmiddellijk van zijn aanwezigheid in persoon mededeling aan de korpschef.
Artikel 6.36
Personen die nachtverblijf verschaffen aan een vreemdeling, van wie zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het deze vreemdeling geen toelating tot verblijf heeft in de openbare lichamen, doen daarvan onmiddellijk mededeling aan de korpschef.
Artikel 6.37
Werkgevers, van wie bij Onze Minister bekend is dat zij een vreemdeling in dienst hebben gehad die geen toelating tot verblijf in de openbare lichamen had of aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten, verstrekken aan Onze Minister, op diens vordering, onmiddellijk de gegevens omtrent de vreemdeling die bij hen tewerkgesteld wordt, in dienst is of in dienst is geweest. Onze Minister kan een termijn stellen waarbinnen de gegevens worden verstrekt.
Artikel 6.38
De vreemdeling die van rechtswege is toegelaten als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die arbeid gaat zoeken of arbeid gaat verrichten, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die:
- a. houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf afgegeven voor een verblijfsdoel waarbij het verrichten van arbeid is toegestaan;
- b. kan aantonen dat hij naar de openbare lichamen is gekomen voor het verrichten van arbeid gedurende ten hoogste drie maanden, te rekenen vanaf het tijdstip van zijn binnenkomst, of
- c. naar de openbare lichamen is gekomen om aan te monsteren of als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de arbeid geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of het verlenen van seksuele diensten aan derden.
Artikel 6.39
De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten en wiens verblijf van rechtswege is vervallen of die niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
Artikel 6.40
De vreemdeling die van rechtswege of bij vergunning verleend is toegelaten als bedoeld in de artikelen 3 of 6 van de Wet en wiens document, waaruit dat blijkt, vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef.
§ 3. Medewerking aan vastleggen van gegevens met het oog op identificatie
Artikel 6.41
De medewerking van de vreemdeling, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onderdeel c, van de Wet, bestaat uit:
- a. het op vordering van een ambtenaar belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto, en
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van de ambtenaar, belast met de grensbewaking of een ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, gegronde reden bestaat.
§ 4. Medisch onderzoek
Artikel 6.42
De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, werkt op grond van artikel 22h, eerste lid, onderdeel d, van de Wet mee aan een onderzoek naar in ieder geval tuberculose.
Het eerste lid geldt niet indien de vreemdeling de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen.
§ 5. Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen
Artikel 6.43
De vreemdeling die toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van langer dan drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
Voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie maanden wordt eerder verblijf in de openbare lichamen binnen een tijdvak van zes maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst, mede in aanmerking genomen.
Indien de vreemdeling jonger is dan twaalf jaar, doet degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft de melding.
Artikel 6.44
De vreemdeling die toelating van rechtswege heeft als bedoeld in artikel 5a van de Wet en die naar de openbare lichamen is gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
Een verplichting tot aanmelding krachtens het voorgaande lid rust ten aanzien van de vreemdeling beneden de leeftijd van twaalf jaar op degene bij wie de vreemdeling woont of verblijft.
Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens verordening van het openbaar lichaam verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.
Artikel 6.45
De vreemdeling die houder is van een visum of een document voor grensoverschrijding waarin door de daartoe bevoegde autoriteit een aantekening is gesteld omtrent aanmelding in de openbare lichamen, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
Artikel 6.46
De vreemdeling die naar de openbare lichamen is gekomen om als zeeman werk te zoeken aan boord van een zeeschip, meldt zich binnen drie dagen na binnenkomst in de openbare lichamen in persoon aan bij de korpschef.
§ 6. Periodieke aanmelding
Artikel 6.47
Tot periodieke aanmelding als bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder f, van de Wet, bij de korpschef, is verplicht de vreemdeling die geen toelating van rechtswege heeft of bij vergunning verleend en in afwachting is van de feitelijke mogelijkheid tot vertrek of uitzetting.
Tot periodieke aanmelding, bedoeld in het eerste lid, kan door Onze Minister worden verplicht de vreemdeling aan wie het slechts is toegestaan de beslissing omtrent een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd in de openbare lichamen af te wachten.
De vreemdeling, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, meldt zich wekelijks, tenzij Onze Minister een andere termijn stelt, dan wel ontheffing verleent.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
§ 7. Documenten
Artikel 6.48
De vreemdeling levert het document, waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning verleend blijkt, in ieder geval in persoon in bij de korpschef:
- a. zodra zijn toelating is vervallen of geëindigd, doch uiterlijk op het moment waarop de vertrektermijn, bedoeld in artikel 16a van de Wet, verstrijkt, en
- b. vóór zijn vertrek naar een plaats buiten de openbare lichamen, indien hij zijn hoofdverblijf buiten de openbare lichamen verplaatst.
De persoon die het Nederlanderschap heeft verkregen levert het document, waaruit de toelating van rechtswege of bij vergunning verleend blijkt, in bij de korpschef.
Hoofdstuk 7. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
§ 1. Vrijheidsbeperkende maatregelen
Artikel 7.1
De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet kan bestaan uit:
- a. een verplichting zich bij verblijf in de openbare lichamen in een bepaald gedeelte van een openbaar lichaam te bevinden, of
- b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van een of meer openbare lichamen te bevinden.
§ 2. Vrijheidsontnemende maatregelen
Artikel 7.2
Voordat de vreemdeling op grond van artikel 15c van de Wet in bewaring wordt gesteld, wordt hij gehoord.
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
- a. de vreemdeling reeds op een andere grond in bewaring gesteld is, of
- b. het voorafgaande gehoor van de vreemdeling niet kan worden afgewacht.
Slechts in het geval bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt de vreemdeling zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring gehoord.
Van het gehoor wordt proces-verbaal opgemaakt.
Aan de vreemdeling wordt tijdig mededeling gedaan van de hem toekomende bevoegdheid zich bij het gehoor te doen bijstaan door zijn raadsman.
Artikel 7.3
De maatregel waarbij de bewaring op grond van artikel 15c van de Wet wordt opgelegd wordt gedagtekend en ondertekend; de maatregel wordt met redenen omkleed. Aan de vreemdeling op wie de maatregel betrekking heeft, wordt onmiddellijk een afschrift daarvan uitgereikt.
Op de voortzetting van de bewaring op een andere grond is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.4
De bewaring op grond van artikel 15c van de Wet wordt ten uitvoer gelegd in een huis van bewaring of een ruimte of plaats als bedoeld in artikel 2o, tweede lid, 15a, eerste lid, of artikel 15b, eerste lid van de Wet. Bij de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt de vreemdeling niet verder beperkt in de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en de veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
De bewaring wordt opgeheven zodra er geen grond meer aanwezig is.
Artikel 7.5
Gedurende de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel ingevolge de artikelen 2o, tweede lid, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, van de Wet, kan de vreemdeling voor korte duur naar elders worden gebracht, wanneer dit redelijkerwijs nodig is voor de toepassing van de Wet.
Van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt op verzoek van de vreemdeling zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan diens naaste verwanten of aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan hij onderdaan is.
In geval de vrijheidsontnemende maatregel een minderjarige betreft wordt daarvan, zo daartoe de gelegenheid bestaat, ambtshalve zo spoedig mogelijk kennis gegeven aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over die minderjarige uitoefenen.
Artikel 7.6
Overeenkomstig door Onze Minister te geven algemene en bijzondere aanwijzingen stelt de korpschef Onze Minister tijdig vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, van de Wet genoemde termijn in kennis van de bewaring.
Artikel 7.7
De aanwijzing bedoeld in de artikelen 15a, eerste lid, en 15b, eerste lid, van de Wet wordt zoveel mogelijk gegeven bij de beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a van de Wet is afgewezen. De aanwijzing wordt met redenen omkleed.
Artikel 7.3 is van overeenkomstige toepassing indien de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, gegeven wordt bij afzonderlijke beschikking.
Hoofdstuk 8. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring
Afdeling 1. Uitzetting
Artikel 8.1
Onze Minister is bevoegd om, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot uitzetting als bedoeld in artikel 16b van de Wet, alle daartoe benodigde handelingen te verrichten.
Afdeling 2. Verhaal kosten van uitzetting
Artikel 8.2
Onze Minister is bevoegd de kosten van uitzetting, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet te verhalen op de vreemdeling, de reder of de luchtvaartmaatschappij.
Artikel 8.3
De kosten van uitzetting van een vreemdeling welke ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Wet op een reder of luchtvaartmaatschappij kunnen worden verhaald, zijn verschuldigd aan de openbare overheid te welks laste die kosten zijn gekomen.
De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten in ieder geval de kosten verbonden aan:
- a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten de openbare lichamen;
- b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit de openbare lichamen alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten de openbare lichamen, voorzover deze noodzakelijk is, en
- c. het verblijf van de vreemdeling in de openbare lichamen in de periode nadat de reder of luchtvaartmaatschappij van een ambtenaar belast met de grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten de openbare lichamen.
Artikel 8.4
De noodzakelijke kosten van uitzetting die ten laste komen van de Staat of van andere openbare overheden kunnen door de Staat, of door de andere openbare overheid te welks laste zij zijn gekomen, worden verhaald op de vreemdeling en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.
De in het voorgaande lid bedoelde kosten van uitzetting omvatten de kosten, genoemd in artikel 8.3, tweede lid, onder a en b.
Afdeling 3. Ongewenstverklaring
Artikel 8.5
De aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring, bedoeld in artikel 16e, eerste lid, van de Wet, wordt door Onze Minister in ieder geval ingewilligd, indien de vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van misdrijf is onderworpen en ongewenst verklaard is:
- a. naar aanleiding van geweldsdelicten of opiumdelicten en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen tien achtereenvolgende jaren buiten de openbare lichamen heeft verbleven;
- b. naar aanleiding van andere misdrijven en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen vijf achtereenvolgende jaren buiten de openbare lichamen heeft verbleven, of
- c. op grond van artikel 16d, eerste lid, onder a, van de Wet en sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit de openbare lichamen één jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven.
De in het eerste lid genoemde termijnen vangen opnieuw aan, indien de vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:
- a. een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden, of
- b. zonder voorafgaande tijdelijke opheffing of in strijd met de aan die tijdelijke opheffing verbonden voorwaarden in de openbare lichamen heeft verbleven.
De gegevens, die de vreemdeling ter ondersteuning van zijn aanvraag verstrekt, zijn in ieder geval:
- a. een schriftelijke verklaring van de vreemdeling dat hij sinds zijn vertrek uit de openbare lichamen na de ongewenstverklaring tien, onderscheidenlijk vijf achtereenvolgende jaren of één jaar buiten de openbare lichamen heeft verbleven en dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is;
- b. een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;
- c. een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken, en
- d. een schriftelijke verklaring, afgegeven door de terzake bevoegde autoriteiten van de staat of staten, het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, dat de vreemdeling zich tijdens dat verblijf niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en niet aan strafvervolging onderworpen is.
Artikel 8.6
In zeer uitzonderlijke en dringende gevallen kan Onze Minister de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld omtrent de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen.
Hoofdstuk 9. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Gegevensverstrekkingen
Artikel 9.1
Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt op de wijze als beschreven in dit artikel de gegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling die een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet nodig hebben voor de toekenning van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen.
De basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling worden door Onze Minister onderscheidenlijk de korpschef verstrekt aan de basisadministratie persoonsgegevens waar de betrokken vreemdeling is ingeschreven, met het oog op de verstrekking daarvan ingevolge de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES aan een orgaan als bedoeld in het eerste lid. De basisgegevens zijn de gegevens betreffende de verblijfstitel van de vreemdeling, bedoeld in bijlage I van het Besluit basisadministraties persoonsgegevens BES.
Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet vraagt Onze Minister onmiddellijk nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling, indien bij het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, na raadpleging van de basisgegevens betreffende de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling uit de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling verblijf houdt onduidelijkheid bestaat omtrent de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, omdat:
- a. de vreemdeling niet voorkomt in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam, maar wel beschikt over het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet;
- b. de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam afwijken van de gegevens omtrent het verblijf van die vreemdeling op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet, of
- c. de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam en het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet afwijken van andere bescheiden, waarover het bestuursorgaan beschikt, waardoor gerede twijfel over de juistheid van de gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling is ontstaan.
Onze Minister verstrekt het bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, in de gevallen, bedoeld in het derde lid, desgevraagd onmiddellijk de nadere gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling.
Indien een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, in een individueel geval aanwijzingen heeft dat op korte termijn een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling optreedt of recent een wijziging in de verblijfsrechtelijke positie is opgetreden en het bestuursorgaan heeft met redenen omkleed aannemelijk gemaakt dat vanwege het spoedeisende karakter bij het toekennen van een verstrekking, voorziening, uitkering, ontheffing of vergunning niet gewacht kan worden op de aanpassing van de basisgegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het desbetreffende openbaar lichaam, verstrekt Onze Minister desgevraagd onmiddellijk nadere gegevens over een desbetreffende wijziging in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan.
Artikel 9.2
Een bestuursorgaan of een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet verstrekt Onze Minister of de korpschef desgevraagd de gegevens omtrent de toekenning of de beëindiging van verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen of vergunningen aan een vreemdeling, die nodig zijn voor:
- a. de verlening, de verlenging van de geldigheidsduur van, de wijziging van het verblijfsdoel van of intrekking van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 6 van de Wet; of
- b. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder die verblijfsvergunning is verleend, wordt voldaan.
Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat een beroep op publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid, die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
Indien uit de verblijfsrechtelijke gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam waar de vreemdeling als ingezetene is ingeschreven, dan wel uit een aantekening op het bescheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet blijkt dat het verblijfsrecht is toegekend onder de beperking dat arbeid niet is toegestaan, dan wel arbeid uitsluitend is toegestaan bij een bepaalde werkgever, dan wel arbeid slechts is toegestaan indien de werkgever beschikt over een tewerkstellingsvergunning, verstrekt een bestuursorgaan, niet zijnde een orgaan als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet, belast met de verstrekking van ontheffingen of vergunningen als bedoeld in het eerste lid, uit eigen beweging zo spoedig mogelijk de gegevens, bedoeld in het eerste lid die nodig zijn voor de beoordeling of aan deze beperking wordt voldaan.
Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, bepalen dat de gegevens, bedoeld in dit artikel, periodiek of in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
Het bestuursorgaan verstrekt de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, aan Onze Minister.
Afdeling 2. Afwijking op grond van verdragen
Artikel 9.3
Onze Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen ontlenen aan de volgende verdragen:
- a. het Vluchtelingenverdrag (Trb. 1954, 88);
- b. het Verdrag betreffende de status van staatlozen (Trb. 1955, 42);
- c. het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag (Trb. 1956, 40);
- d. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen (1975) (Trb. 1975, 133);
- e. de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen met bijlage en protocol inzake verkregen rechten (1981) (Trb. 1981, 35).
Hoofdstuk 10. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 10.1
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder e, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba bij vergunning tot tijdelijk verblijf is toegelaten geweest in verband met het verrichten van arbeid in loondienst en voor die arbeid gedurende die periode ononderbroken een tewerkstellingsvergunning is verleend.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de vergunning tot tijdelijk verblijf verband hield met het verrichten van arbeid als zelfstandige en voor die arbeid gedurende die periode ononderbroken een vestigings- en directievergunning is verleend.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
Artikel 10.2
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder e, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit:
- a. vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba toegelaten is geweest in verband met gezinshereniging of gezinsvorming met een aldaar toegelaten persoon, of
- b. toegelaten is geweest als echtgenoot, partner of kind, waaronder begrepen pleegkind of adoptiefkind, van een persoon die was toegelaten tot het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien deze persoon is overleden.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
Artikel 10.3
Gedurende vijf jaren na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, worden verleend aan de vreemdeling, die direct voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gedurende vijf jaren ononderbroken op het eiland Bonaire, Sint Eustatius of Saba bij vergunning verleend toegelaten is geweest.
De vergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling toelating in de openbare lichamen heeft behouden en het hoofdverblijf niet buiten de openbare lichamen heeft gevestigd.
Artikel 10.4
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toelating en uitzetting BES.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)