Tijdelijk Besluit vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers BES

Type Amvb Bes
Publication 2026-05-14
Laatst bijgewerkt 2026-05-19
State In force
Source BWB
artikelen 215
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
4.

De strafoplegging moet schriftelijk geschieden en is met redenen omkleed.

5.

De tot het opleggen van straffen bevoegden geven aan de gestrafte onverwijld kennis van de strafoplegging door toezending van een afschrift van het desbetreffend besluit. Het tweede, derde en vierde lid van artikel 80 zijn van overeenkomstige toepassing.

6.

Indien de strafoplegging plaats vindt door de krachtens het tweede lid van artikel 79 aangewezenen, wordt in het besluit tot strafoplegging tevens medegedeeld, dat binnen veertien dagen na ontvangst daarvan bij het bevoegd gezag schriftelijk beroep van betrokkene onder aanvoering van gronden open staat, tenzij het bevoegd gezag ingevolge het tweede lid van artikel 79 is aangewezen. Het bevoegd gezag is verplicht binnen drie maanden na de dag waarop de ambtenaar in beroep is gekomen, deze een met redenen omklede beslissing toe te zenden.

Artikel 82

1.

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

2.

Indien tot onmiddellijke tenuitvoerlegging van de straf van buitengewone dienst is overgegaan en deze straf na ingesteld beroep niet wordt gehandhaafd, wordt de tijd, gedurende welke buitengewone dienst is verricht, aangemerkt als diensttijd gedurende welke opgedragen werk na de vastgestelde werktijden is verricht en wordt aan de hand van de ter zake geldende voorschriften een beloning voor overwerk toegekend.

Artikel 83

1.

Ter zake van een gedraging als bedoeld in artikel 78 kan slechts één disciplinaire straf worden opgelegd.

2.

De ambtenaar die zich aan meerdere op zich zelf staande gedragingen als bedoeld in artikel 78 schuldig maakt, kan ter zake elk dier gedragingen afzonderlijk en zonder vermindering disciplinair worden gestraft.

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Artikel 84

Onverminderd artikel 78 kan de ambtenaar door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling worden geschorst in zijn ambt:

  • a. wanneer er een strafrechtelijke vervolging ter zake van misdrijf tegen hem wordt ingesteld;
  • b. wanneer hem door het bevoegde gezag het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;
  • c. in andere gevallen, waarin schorsing naar het oordeel van het daartoe bevoegde gezag wordt gevorderd door het belang van de dienst.

Artikel 85

1.

De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, indien hij:

  • a. zich in verzekerde bewaring bevindt;
  • b. in een krankzinnigengesticht wordt verpleegd.
2.

Onverminderd het eerste lid wordt de ambtenaar, die in een krankzinnigengesticht wordt verpleegd, ziekteverlof verleend krachtens de ter zake bestaande regelingen.

Artikel 86

1.

Tijdens de schorsing ingevolge artikel 84, onder a, of ingevolge artikel 85, eerste lid onder a, wordt het inkomen voor één derde gedeelte ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag, plaatsvinden. Het niet ingehouden gedeelte van het inkomen kan aan anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald.

2.

Tijdens de schorsing ingevolge artikel 84, onder b, kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag het inkomen geheel of gedeeltelijk worden ingehouden. Van bedoelde datum van ingang van het ontslag af wordt het inkomen geheel ingehouden. Het niet ingehouden gedeelte van het inkomen kan aan anderen dan aan de ambtenaar worden uitbetaald.

3.

Het ingevolge het eerste lid ingehouden inkomen wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

4.

Het ingevolge het tweede lid ingehouden inkomen wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 87

1.

Ontslag wordt gegeven door het tot het gezag dat bevoegd is tot aanstelling. Het wordt schriftelijk verleend. De ontslagbeschikking vermeldt de dag van ingang van het ontslag dan wel een aanduiding van die dag.

2.

Bij ongevraagd ontslag wordt de ambtenaar, behoudens artikel 89, de reden van het ontslag schriftelijk medegedeeld.

Artikel 88

1.

Aan de ambtenaar wordt op zijn verzoek eervol ontslag verleend.

2.

Tenzij overeenkomstig het verzoek van de ambtenaar zelf of om dringende redenen van openbaar belang, wordt dit ontslag niet verleend met ingang van een dag, vroeger dan één maand of later dan drie maanden na die dag, waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

3.

Is een strafvervolging tegen de ambtenaar aanhangig of wordt overwogen hem in aanmerking te brengen voor een disciplinaire straf, dan kan het nemen van een beslissing op het verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 89

1.

Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die blijkens zijn benoeming voor een bepaalde tijd of voor een proeftijd is benoemd, wordt, tenzij het tegendeel blijkt, geacht eervol ontslag te zijn verleend, zodra die tijd is verstreken.

2.

Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, die voor onbepaalde tijd is benoemd, kan eervol ontslag worden verleend, mits een opzeggingstermijn in acht wordt genomen:

  • a. van drie maanden ingeval de betrokkene bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk ten minste twaalf maanden onafgebroken in dienst was;
  • b. van twee maanden ingeval de betrokkene bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, onafgebroken in dienst was;
  • c. van één maand ingeval de betrokkene bij het begin van de opzeggingstermijn laatstelijk korter dan zes maanden onafgebroken in dienst was.
3.

Over de tijd, welke aan de in het tweede lid bedoelde opzeggingstermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van het inkomen.

4.

Op doorbetaling van het inkomen bestaat niet langer aanspraak indien de ambtenaar:

  • a. gedurende de opzeggingstermijn uit eigen beweging de actieve dienst verlaat;
  • b. gedurende de opzeggingstermijn zonder de vereiste toestemming een andere betrekking aanvaardt.
5.

Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid kan eervol ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd of de proeftijd. In dat geval vindt het tweede, derde en vierde lid overeenkomstige toepassing.

Artikel 90

1.

Aan de ambtenaar wordt door het bevoegde gezag eervol ontslag verleend met ingang van de dag waarop hij op grond van artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES recht heeft op ouderdomspensioen.

2.

Indien de ambtenaar op de dag, bedoeld in het eerste lid, krachtens de ter zake voor hem geldende wettelijke bepalingen in het genot is van dan wel aanspraak heeft op verlof of vakantie, wordt het ontslag aan hem verleend in aansluiting op het einde daarvan, met dien verstande dat het verlof of de vakantie waarop hij nog aanspraak heeft ingaat op de dag, bedoeld in het eerste lid.

3.

De arbeidsovereenkomst met een werknemer van een rechtspersoon die door een openbaar lichaam in het leven geroepen is en in financieel opzicht tot zulk een lichaam in een bijzondere verhouding staat, eindigt uiterlijk met ingang van de dag waarop de betrokkene op grond van artikel 6 van de Wet algemene ouderdomsverzekering BES recht heeft op ouderdomspensioen.

4.

Indien een werknemer als bedoeld in het derde lid krachtens de ter zake voor hem geldende wettelijke of in de arbeidsovereenkomst opgenomen bepalingen in het genot is van dan wel aanspraak heeft op verlof of vakantie, eindigt de arbeidsovereenkomst in aansluiting op het einde daarvan, met dien verstande dat het verlof of de vakantie waarop hij nog aanspraak heeft, ingaat op de in het derde lid bedoelde dag.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op de bedienaren van de godsdienst en de godsdienstleraren.

Artikel 91

1.

Aan de ambtenaar kan eervol ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking, wegens verandering in de inrichting van de dienst of het bedrijf, waar hij werkzaam is, hetzij van twee of meer diensten of bedrijven, of wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.

2.

In de gevallen, dat door het bevoegd gezag wordt overgegaan tot toepassing van het eerste lid, geschiedt het ontslag van de in vaste dienst aangestelde ambtenaar, met uitzondering van het ontslag wegens opheffing van de betrekking, zoveel mogelijk in de volgende rangorde:

  • a. zij die zulks wensen;
  • b. zij die pensioengerechtigd zijn, waarbij degenen die niet reeds gedurende zes maanden of langer kostwinner zijn van een gezin of van de betrekkingen, bedoeld in de tweede volzin van artikel 36, derde lid, vóór degenen die dit wèl zijn, en binnen deze beide groepen ouderen in leeftijd vóór jongeren gaan;
  • c. zij die op de voet van de bepalingen van het West-Indisch Detacheringsbesluit 1930 werden uitgezonden;
  • d. zij die de leeftijd van dertig jaren nog niet hebben overschreden en niet reeds gedurende zes maanden of langer kostwinner zijn van een gezin of van de betrekkingen, bedoeld in de tweede volzin van artikel 36, derde lid, te beginnen met degenen die de minste dienstjaren hebben;
  • e. zij die de minste dienstjaren hebben.

Onder dienstjaren wordt verstaan de tijd in dienst van de staat of de openbare lichamen doorgebracht, ongeacht of gedurende deze tijd een functie in een volledige of in een kortere werktijd is bekleed.

3.

Wanneer het dienstbelang zulks vordert, kan bij verlening van ontslag worden afgeweken van de rangorde, genoemd in het tweede lid, met dien verstande dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt op basis van een door het bevoegd gezag vastgesteld plan, dat aan de betrokken ambtenaren kenbaar wordt gemaakt.

4.

Wanneer krachtens het eerste lid ontslag wordt verleend aan een ambtenaar in tijdelijke dienst, die daaraan geen aanspraak op wachtgeld ontleent, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen als aangegeven in artikel 89, tweede lid. Artikel 89, derde en vierde lid, is alsdan van toepassing. In alle andere gevallen, waarin krachtens het eerste lid ontslag wordt verleend, wordt een opzeggingstermijn van drie maanden in acht genomen.

Artikel 92

1.

Buiten de gevallen, hierboven of bij andere wettelijke regelingen bepaald, kan de ambtenaar slechts worden ontslagen op grond van:

  • a. verlies van een vereiste bij de aanstelling voor de benoembaarheid gesteld, tenzij het vereiste alleen bij de aanvaarding van het ambt geldt;
  • b. staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
  • c. toepassing van lijfsdwang wegens schulden, krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;
  • d. onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;
  • e. blijvende ongeschiktheid voor de vervulling van zijn ambt als gevolg van een ziekte of gebrek;.
  • f. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;
  • h. het willekeurig verbreken van het dienstverband door de ambtenaar.
2.

Behalve in het geval onder d van het eerste lid bedoeld wordt een ontslag op grond van dit artikel steeds eervol verleend. Het kan niet vroeger ingaan dan de dag, volgende op die, waarop de reden voor het ontslag voor het eerst geconstateerd en in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a, e, f en g, tevens door of namens het bevoegde gezag aan de betrokkene is medegedeeld.

3.

Het ontslag op de in onderdeel e van het eerste lid bedoelde grond wordt eerst verleend, nadat ter zake van de ongeschiktheid een geneeskundig onderzoek is ingesteld.

4.

Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in het derde lid, geschiedt door een of meer door het bevoegd gezag aan te wijzen geneeskundigen.

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Artikel 93

Dit besluit berust op de artikelen 13, 15, 15a, 17, 42, 43, 46, 47, 54, 55, 81, 82, 87, 99, 100 en 120a van de Ambtenarenwet BES.

Artikel 94

Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.

Artikel 72a

De ambtenaar kan, met inachtneming van artikel 72b, in het belang van de dienst worden verplicht om scholing te volgen, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Bij het opleggen van de verplichting tot het volgen van scholing worden studiefaciliteiten toegekend.

Artikel 72b

1.

Aan de ambtenaar kan niet zonder zijn instemming een studieopdracht in het Europese deel van Nederland of in het buitenland worden gegeven, indien die studie de duur van zes maanden overschrijdt.

2.

De ambtenaar met een deelbetrekking is niet verplicht een studieopdracht in het Europese deel van Nederland of in het buitenland te aanvaarden. Indien hij met de verlening van een dergelijke studieopdracht heeft ingestemd, wordt hij voor de duur van die studie in volledige betrekking aangesteld.

Artikel 72c

De in artikel 72a bedoelde studiefaciliteiten zijn:

  • a. een volledige vergoeding van de met de studie gemoeide scholingskosten, waaronder examengelden en de kosten voor boeken alsmede noodzakelijke reis- en verblijfkosten;
  • b. verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding en voor de tijd die gemoeid is met het afleggen van examens, alsmede voor de dag die direct voorafgaat aan een examen.

Artikel 72d

1.

De ambtenaar die op zijn verzoek een studie volgt die naar het oordeel van het bevoegd gezag bijdraagt aan de functievervulling of de volgende loopbaanstap heeft recht op verlof met behoud van bezoldiging voor de tijd die is gemoeid met het volgen van lessen en stages die een onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de opleiding tot een maximum van een dag per week en voor de tijd die gemoeid is met het afleggen van examens, alsmede voor de dag die direct voorafgaat aan een examen.

2.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, de studie met goed gevolg heeft afgerond, heeft hij recht op een vergoeding van 35% van de met de studie gemoeide scholingskosten, waaronder examengelden en de kosten voor boeken alsmede noodzakelijke reis- en verblijfkosten.

3.

In afwijking van het tweede lid bedraagt de vergoeding 75% indien de studie naar het oordeel van het bevoegde gezag in belangrijke mate bijdraagt aan de functievervulling dan wel volgende loopbaanstap.

Artikel 72e

De ambtenaar, bedoeld in artikel 72a, is verplicht tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de aan hem toegekende vergoeding van de scholingskosten:

  • a. bij onvoldoende resultaat in de scholing en bij voortijdig afbreken van de scholing, voor zover dit aan eigen schuld of toedoen van de ambtenaar is te wijten;
  • b. bij ontslag tijdens het volgen van de scholing, tenzij hij binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst in Caribisch Nederland, als het een ambtenaar in dienst van de staat betreft, of binnen de dienst van het openbaar lichaam, als het een ambtenaar in dienst van een openbaar lichaam betreft, of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op wachtgeld, een uitkering op grond van de Cessantiawet BES, een uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.

Artikel 72f

1.

De ambtenaar is, met inachtneming van het tweede, onderscheidenlijk het derde lid, verplicht de aan hem toegekende vergoeding terug te betalen bij ontslag binnen een termijn van anderhalf jaar indien hij 35% vergoeding heeft ontvangen of drie jaar indien hij 75% vergoeding heeft ontvangen na het met voldoende resultaat afronden van de scholing, tenzij hij binnen een maand na zijn ontslag elders in dienst treedt binnen de rijksdienst in Caribisch Nederland, als het een ambtenaar in dienst van de staat betreft, of binnen de dienst van het openbaar lichaam, als het een ambtenaar in dienst van een openbaar lichaam betreft, of aansluitend aan zijn ontslag recht heeft op wachtgeld, een uitkering op grond van de Cessantiawet BES, een uitkering op grond van arbeidsongeschiktheid of ouderdomspensioen.

2.

Indien aan betrokkene 35% vergoeding is toegekend, bedraagt de terugbetalingsplicht ten hoogste 1/18 deel van de ontvangen vergoeding voor elke maand dat zijn ontslag eerder is ingegaan dan 18 maanden na het afronden van de opleiding.

3.

Indien aan betrokkene 75% vergoeding is toegekend, bedraagt de terugbetalingsplicht ten hoogste 1/36 deel van de ontvangen vergoeding voor elke maand dat zijn ontslag eerder is ingegaan dan 36 maanden na het afronden van de opleiding.

Artikel 72g

Op vergoedingen als bedoeld in artikel 72d, tweede en derde lid, kunnen voorschotten worden betaald.

Artikel 72h

Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van deze paragraaf nadere regels worden gesteld.

§ 10. Beloningen en andere bijzondere eenmalige toelagen

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

§ 3. Bezoldiging in militaire dienst

Artikel 36a

1.

De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8,33 procent van de door hem genoten bezoldiging vermeerderd met de toelagen, die tot het ambtelijk inkomen worden gerekend voor de berekening van het pensioengevend inkomen.

2.

De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar in de maand mei uitbetaald over een periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.

3.

In afwijking van het tweede lid kan de vakantie-uitkering op verzoek van de ambtenaar binnen een periode als bedoeld in het tweede lid op twee momenten worden uitbetaald. In dat geval vindt de eerste uitbetaling plaats in de door de ambtenaar verzochte maand, en wel over de maand juni, bedoeld in het tweede lid, en de volgende maanden tot en met de maand van de eerste uitbetaling. De tweede uitbetaling vindt dan plaats in de maand mei, en wel over de resterende maanden.

4.

In afwijking van het tweede of derde lid, wordt bij ontslag van de ambtenaar de vakantie-uitkering onderscheidenlijk het resterende deel van de eindejaarsuitkering uitbetaald in de laatste maand van zijn dienstverband.

5.

Bij overlijden van de ambtenaar vindt betaling van de vakantie-uitkering plaats aan de weduwe of weduwnaar. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden in dit lid verstaan natuurlijke kinderen en kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt in dit lid verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van een kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook kinderen, dan geschiedt de betaling van de vakantie-uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de bezoldiging van de overledene. Laat de overledene ook geen betrekkingen na als bedoeld in de vorige volzin, dan wordt de vakantie-uitkering geheel of ten dele aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, voor zover de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

§ 2. Het verrichten van arbeid

§ 2. Het verrichten van arbeid

§ 3. Nevenarbeid

§ 2a. Arbeid door zwangere en bevallen ambtenaren

§ 5. Verhouding tot derden

§ 5. Verhouding tot derden

§ 8. Schadeplicht en rekenplicht

§ 11. Scholing

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Artikel 25a

1.

Aan de ambtenaar die door het bevoegd gezag de verplichting is opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster beschikbaar te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn, wordt, voor zover hij tijdens de beschikbaarheid geen werkzaamheden heeft verricht, een vergoeding toegekend voor elk uur dat hij volgens het beschikbaarheidschema, bedoeld in artikel 37c, tweede lid, beschikbaar is geweest.

2.

De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt met in achtneming van het derde lid vastgesteld:

  • a. bij ministeriële regeling voor ambtenaren in dienst van de staat, en
  • b. bij eilandbesluit, houdende algemene maatregelen voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam.
3.

Als de bezoldiging wijziging ondergaat, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, op gelijke voet gewijzigd. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

Artikel 25b

1.

Aan de ambtenaar wordt een toelage toegekend, voor zover hij, anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid heeft verricht op:

  • a. maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur of tussen 20 en 24 uur;
  • b. zaterdag of zondag tussen 0 en 24 uur; of
2.

De hoogte van de toelage wordt met in achtneming van het derde lid vastgesteld:

  • a. bij ministeriële regeling voor ambtenaren in dienst van de staat, en
  • b. bij eilandbesluit, houdende algemene maatregelen voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam.
3.

Als de bezoldiging wijziging ondergaat, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat de toelage, bedoeld in het eerste lid, op gelijke voet gewijzigd. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

Artikel 25c

1.

Aan de ambtenaar wiens bezoldiging een blijvende verlaging van ten minste USD 100 per maand ondergaat als gevolg van het beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in de artikelen 23a, 25a en 25b anders dan door ziekte, wordt gedurende drie jaren vanaf de datum waarop die verlaging van zijn bezoldiging intreedt een aflopende toelage toegekend, mits hij die toelage ten minste twee jaren zonder onderbreking heeft genoten.

2.

De berekeningsbasis voor de aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, is het bedrag dat de ambtenaar over de 24 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelagen als bedoeld in de artikelen 23a, 25a en 25b heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk aan die toelagen geniet na de bedoelde verlaging.

3.

De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 75%, het tweede jaar 50% en het derde jaar 25% van de berekeningsbasis.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de verlaging van de bezoldiging het gevolg is van een disciplinaire maatregel als bedoeld in artikel 79 of artikel 102 van het Besluit rechtspositie korps politie BES.

§ 2. Kinder-, standplaats- en kostwinnerstoelage

§ 2. Kinder-, standplaats- en kostwinnerstoelage

§ 4. Uitkering bij overlijden

§ 4. Uitkering bij overlijden

Artikel 37a

1.

Met inachtneming van het bepaalde in of krachtens dit hoofdstuk stelt het bevoegd gezag voor ieder organisatieonderdeel een regeling van de werktijden of een dienstrooster vast.

2.

De arbeidsduur bedraagt bij een volledige betrekking gemiddeld 36 uur per week. De werkweek wordt voor zover uit oogpunt van dienstbelang mogelijk is, vastgesteld op vijf dagen en in de andere gevallen op zes dagen.

3.

Alleen bij onvermijdelijkheid wordt van de ambtenaar die niet ingevolge een dienstrooster is ingeroosterd dienst verwacht op zondag en feestdagen.

4.

Bij de regeling van de werktijden wordt in acht genomen, dat deze in verband met de aard der werkzaamheden niet overmatig zijn en behoorlijk door rusttijd worden onderbroken.

5.

Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van de dienst, kunnen paraatheiduren onderdeel uitmaken van een dienstrooster. Voor de berekening van de arbeidsduur worden paraatheiduren voor 50% meegeteld. De tijdens paraatheiduren gemaakte werkuren worden voor 50% aangemerkt als overwerk.

6.

Het dienstrooster moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • a. de werktijden zijn in verband met de aard der werkzaamheden niet overmatig en behoudens een onderbreking voor het nuttigen van een maaltijd zoveel mogelijk aaneengesloten;
  • b. per periode van vier weken worden ten minste acht roostervrije dagen aangegeven;
  • c. bij de vaststelling van een roostervrije dag wordt zorg gedragen dat ten minste 18 uren van eenzelfde kalenderdag deel uitmaken van een onafgebroken rusttijd van ten minste 30 uren;
  • d. bij de vaststelling van twee of meer opeenvolgende roostervrije dagen wordt zorg gedragen dat daarop aansluitend ten minste zes uren volgen waarop geen dienst behoeft te worden gedaan;
  • e. opeenvolgende diensten worden behoorlijk door rusttijd onderbroken.
7.

Bij de vaststelling van de dienstroosters zorgt het bevoegd gezag voorts ten aanzien van iedere ambtenaar zoveel mogelijk dat hij:

  • a. op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt;
  • b. op ten minste 22 weekenden per jaar roostervrij, dan wel ten minste 22 periodes van twee aaneengesloten dagen roostervrij is, waarbij de aaneengesloten periode ten minste een zaterdag of een zondag omvat;
  • c. de werkuren op zaterdag en zondag en op een feestdag ten hoogste 12 uur en op de overige dagen ten hoogste 14 uur per etmaal bedragen.
8.

Voor zover de ambtenaar ingevolge het dienstrooster is ingeroosterd op een feestdag geniet hij vrije uren op een ander moment.

9.

Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden op zondag is bepaald, is voor de ambtenaar die tot een geloofsgemeenschap behoort die de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag houdt, van overeenkomstige toepassing op die dag, indien hij daartoe de wens te kennen geeft.

10.

Een ambtenaar kan niet voor meer dan 36 uur worden aangesteld.

Artikel 37b

1.

Een dienstrooster bevat de voor de ambtenaren geldende begin- en eindtijden van de werk- en paraatheiduren.

2.

De ambtenaar dient te allen tijde, door de daartoe bestaande middelen, kennis te kunnen nemen van het voor hem geldende dienstrooster.

3.

Het dienstrooster wordt de ambtenaar uiterlijk twee weken voor aanvang van de periode waarop het betrekking heeft bekend gemaakt.

4.

Het dienstrooster wordt telkenmale vastgesteld voor een periode van minimaal een maand. Het wordt gedurende vijf jaren bewaard.

5.

Wijziging van het dienstrooster kan, behoudens op verzoek van de ambtenaar, slechts geschieden om dringende redenen van dienstbelang en mits het voornemen daartoe uiterlijk ten minste twee maal 24 uur tevoren aan de ambtenaar bekend is gemaakt. Indien een in het dienstrooster opgenomen roostervrije dag wordt verzet, wordt de roostervrije dag zo spoedig mogelijk daarna toegekend, waarbij zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 37c

1.

Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de verplichting worden opgelegd buiten het voor hem vastgestelde dienstrooster of buiten de voor hem geldende regeling van de werktijden op basis van een daartoe opgesteld beschikbaarheidschema beschikbaar te zijn zonder de verplichting op de werkplek aanwezig te zijn om op afroep dienst te gaan verrichten.

2.

Ten aanzien van het beschikbaarheidschema is artikel 37b, met uitzondering van het vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 37d

Nadere regels ter uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk kunnen worden vastgesteld:

  • a. bij ministeriele regeling, voor ambtenaren in dienst van de staat;
  • b. bij eilandbesluit, houdende algemene maatregelen, voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam.

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte

§ 1. Eed of belofte

§ 3. Nevenarbeid

§ 4. Gebruik van overheidsgoederen

§ 9. Schadeloosstellingen

Artikel 71a

1.

De ambtenaar wordt op zijn verzoek bij het bereiken van een diensttijd van 10, 20, 30, 35, 40 of 45 jaar een gratificatie toegekend wegens trouwe dienst. De gratificatie bedraagt 25% van de maandelijkse bezoldiging bij een 10-jarig ambtsjubileum, 50% van de maandelijkse bezoldiging bij een 20-jarig ambtsjubileum, 75% van de maandelijkse bezoldiging bij een 30- of 35-jarig ambtsjubileum en 100% van de maandelijkse bezoldiging bij een 40- of 45-jarig ambtsjubileum.

2.

De ambtenaar aan wie vóór de datum van zijn ambtsjubileum, bedoeld in het eerste lid, ontslag is verleend op grond van artikel 90, 91 of 92, eerste lid, onder e, of op grond van artikel 115 of 118 van het Besluit rechtspositie korps politie BES wordt een diensttijdgratificatie bij wijze van ontslaguitkering toegekend, die een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de gratificatie bij ambtsjubileum als bedoeld in het eerste lid bedraagt, indien hij bij voortzetting van het dienstverband binnen vijf jaren in aanmerking zou komen voor een gratificatie op grond van het eerste lid. De berekeningsgrondslag van de diensttijdgratificatie bij ontslag wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller overeenkomt met het aantal dienstjaren op het moment van ontslag en de noemer met het aantal dienstjaren dat nodig is voor de gratificatie bij ambtsjubileum.

3.

Voor de toepassing van dit artikel geldt als diensttijd:

  • b. de tijd, vóór 10 oktober 2010 doorgebracht als overheidsdienaar in de zin van artikel 1 van de Pensioenlandsverordening overheidsdienaren, zoals die tot die datum luidde, de tijd waarover recht is opgebouwd op basis van de Werkliedenverordening 1944, zoals die tot die datum luidde, alsmede de door de betrokken ambtenaar aangetoonde overige tijd, vóór 10 oktober 2010 doorgebracht als werknemer bij het land Nederlandse Antillen of bij een eilandgebied van de Nederlandse Antillen;
  • c. de door de betrokken ambtenaar aangetoonde tijd, doorgebracht als overheidswerknemer bij de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en
4.

Als diensttijd in de zin van dit artikel wordt niet aangemerkt diensttijd welke niet in actieve dienst is doorgebracht wegens het bekleden van een politiek ambt. Voorts komt als diensttijd niet in aanmerking tijd welke, zonder dat werkzaamheden zijn verricht, is doorgebracht buiten het genot van inkomsten uit de dienstbetrekking.

5.

Diensttijd, gelijktijdig in meer dan één betrekking doorgebracht, telt voor de vaststelling van de datum van het ambtsjubileum slechts eenmaal mee.

6.

Voor de berekening van de gratificatie wordt onder bezoldiging verstaan: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES of van artikel 1, onder i, van het Besluit rechtspositie korps politie BES, welke voor de ambtenaar geldt op de datum van het ambtsjubileum, vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 36a en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 9a van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES, en de toelagen die tot het ambtelijk inkomen worden gerekend voor de berekening van het pensioengevend inkomen.

§ 9. Schadeloosstellingen

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte en dienstongeval

§ 1. Eed of belofte

§ 1. Eed of belofte

§ 3. Nevenarbeid

§ 5. Verhouding tot derden

§ 5. Verhouding tot derden

§ 7. Ambts- en dienstwoningen

§ 7. Ambts- en dienstwoningen

§ 9. Schadeloosstellingen

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 25aa

1.

Aan de ambtenaar die door het bevoegd gezag de verplichting is opgelegd om bij calamiteiten op afroep werkzaamheden te verrichten die niet vallen onder zijn normale werkzaamheden wordt met inachtneming van het tweede lid een toelage toegekend volgens:

  • a. bij ministeriële regeling vast te stellen regels voor ambtenaren in dienst van de staat, en
  • b. bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam.
2.

Als de bezoldiging wijziging ondergaat, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat de toelage, bedoeld in het eerste lid, op gelijke voet gewijzigd. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

3.

Aan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks in december een extra beloning toegekend van USD 418,56. Als de bezoldiging wijziging ondergaat, wordt met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat deze extra beloning op gelijke voet bij ministeriële regeling gewijzigd, onder nadere vaststelling van het in dit lid genoemde bedrag. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

§ 2. Kinder-, standplaats- en kostwinnerstoelage

§ 3. Bezoldiging in militaire dienst

§ 4. Uitkering bij overlijden

§ 4. Uitkering bij overlijden

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte en dienstongeval

§ 5. Verhouding tot derden

§ 4. Gebruik van overheidsgoederen

§ 8. Schadeplicht en rekenplicht

§ 10. Beloningen en andere bijzondere eenmalige toelagen

§ 10. Beloningen en andere bijzondere eenmalige toelagen

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Artikel 25d

1.

De ambtenaar in dienst van de staat die door het bevoegd gezag is aangewezen om tevens werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener ontvangt een vergoeding indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in voldoende omvang verricht.

2.

Onder bedrijfshulpverlening wordt verstaan:

  • a. het verlenen van eerste hulp bij ongevallen;
  • b. het beperken en het bestrijden van brand en het beperken van de gevolgen van ongevallen;
  • c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het dienstgebouw.
3.

De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per jaar:

  • a. voor de allroundbedrijfshulpverlener: USD 342,97;
  • b. voor de ploegleider bedrijfshulpverlening: USD 687,20;
  • c. voor het hoofd bedrijfshulpverlening: USD 1.030,15.
4.

De aanspraak op de vergoeding wordt berekend naar het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het derde lid, op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van het jaar waarin betrokkene bedrijfshulpverlener was. De vergoeding voor een gedeelte van een jaar wordt berekend naar evenredigheid van het aantal hele maanden dat de aanwijzing tot bedrijfshulpverlener heeft geduurd.

5.

De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, ontvangt vijf jaar na diens aanwijzing als bedrijfshulpverlener en vervolgens elke vijf jaar daarna zolang de aanwijzing duurt, een jubileumtoeslag ten bedrage van:

  • a. USD 565,34 na vijf jaar;
  • b. USD 690,97 na tien jaar;
  • c. USD 822,87 na vijftien jaar en na elke vijf jaar daaropvolgend.
6.

In afwijking van artikel 25 worden de taken in het kader van de bedrijfshulpverlening die in opdracht van het bevoegd gezag als overwerk worden verricht, vergoed voor alle aangewezen ambtenaren en uitsluitend met een bedrag in geld, met dien verstande dat voor elk uur overwerk een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van 125% van de bezoldiging, berekend per uur, behorende bij de maximumbezoldiging van schaal 7 van de bezoldigingsschalen die op grond van artikel 1, onderdeel d, van het Bezoldigingsbesluit 1998 BES zijn vastgesteld.

7.

Als de bezoldiging wijziging ondergaat, worden de bedragen, genoemd in het derde en vijfde lid, met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat bij ministeriële regeling op gelijke voet gewijzigd. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

§ 3. Bezoldiging in militaire dienst

§ 5. Vakantie-uitkering

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

Hoofdstuk VI. Vrijstelling van dienst en aanspraken in geval van ziekte

Hoofdstuk VII. Verschillende verplichtingen en rechten van de ambtenaar

§ 2. Het verrichten van arbeid

§ 3. Nevenarbeid

§ 8. Schadeplicht en rekenplicht

§ 9. Schadeloosstellingen

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Artikel 1a

1.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a. beroepsziekte: een ziekte, die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • b. dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • c. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
2.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt onder echtgenoot of echtgenote mede verstaan de levenspartner met wie de niet gehuwde ambtenaar duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert. Onder weduwe of weduwnaar wordt mede verstaan de achtergebleven levenspartner, bedoeld in de vorige volzin. Slechts één persoon kan als levenspartner worden aangemerkt.

Hoofdstuk II. Aanstelling en bevordering

Hoofdstuk III. Beoordeling en ranglijst

Hoofdstuk IV. Bezoldiging, uitkeringen en toelagen

§ 1. Bezoldiging, persoonlijke toelage en beloning voor overwerk

§ 2. Kinder-, standplaats- en kostwinnerstoelage

§ 4. Uitkering bij overlijden

Artikel 40a

1.

In geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte, wordt aan de desbetreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto bedrag van ten hoogste USD 180.000.

2.

In geval de ambtenaar komt te overlijden ten gevolge van een dienstongeval, wordt aan de weduwe of weduwnaar een netto bedrag uitgekeerd van USD 90.000. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitbetaling met overeenkomstige toepassing van artikel 36a, vierde lid.

3.

Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk VII. Verschillende verplichtingen en rechten van de ambtenaar

§ 1. Eed of belofte

§ 3. Nevenarbeid

§ 10. Beloningen en andere bijzondere eenmalige toelagen

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 3a

Het bevoegd gezag kan functies aanwijzen voor de bekleding waarvan het goed zedelijk gedrag van de ambtenaar elke vijf jaar moet blijken uit een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES. De kosten voor de verklaring komen ten laste van:

  • a. de staat indien de ambtenaar in dienst is van de staat;
  • b. het openbaar lichaam, indien de ambtenaar in dienst is van dat openbaar lichaam.

Hoofdstuk III. Beoordeling en ranglijst

Hoofdstuk IV. Bezoldiging, uitkeringen en toelagen

§ 1. Bezoldiging, persoonlijke toelage en beloning voor overwerk

§ 2. Kinder-, standplaats- en kostwinnerstoelage

§ 3. Bezoldiging in militaire dienst

Hoofdstuk V. Dienst- en werktijden

Hoofdstuk VII. Verschillende verplichtingen en rechten van de ambtenaar

§ 1. Eed of belofte

§ 6. Dienstkleding

§ 11. Scholing

§ 11a. Medezeggenschap

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 72i

In deze paragraaf en de daarop gebaseerde regels wordt verstaan onder:

  • a. organisatie-eenheid: organisatie-eenheid van de Rijksdienst Caribisch Nederland;

Artikel 72j

1.

De ambtenaren in dienst van de Staat hebben in het belang van het goed functioneren van die organisatie-eenheid en met inachtneming van deze paragraaf recht op medezeggenschap met betrekking tot onderwerpen die, met inachtneming van artikel 72m, de uitvoering van de bedrijfsvoering van die organisatie-eenheid betreffen.

2.

Ten behoeve van medezeggenschap als bedoeld in het eerste lid voert Onze Minister open en reëel overleg met de voor dat overleg ingestelde participatieraad of, met inachtneming van de artikelen 72l en 72m, de centrale participatieraad of, voor zover het medewerkers betreft die werkzaam zijn in een organisatie-eenheid van minder dan tien medewerkers, in een personeelsbijeenkomst die halfjaarlijks georganiseerd wordt.

Artikel 72k

1.

Onze Minister stelt voor een organisatie-eenheid van ten minste tien medewerkers een participatieraad in.

2.

Een participatieraad bestaat uit leden die door de in de desbetreffende organisatie-eenheid werkzame medewerkers rechtstreeks uit hun midden zijn gekozen.

3.

Onze Minister kan tevens een centrale participatieraad instellen, waarvoor iedere participatieraad een lid kan afvaardigen.

Artikel 72l

Indien een centrale participatieraad is ingesteld, worden daarin uitsluitend onderwerpen met betrekking tot de uitvoering van de bedrijfsvoering behandeld die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of de meerderheid van de participatieraden.

Artikel 72m

1.

Geen onderwerp van medezeggenschap zijn:

  • a. individuele rechtspositionele aangelegenheden;
  • b. aangelegenheden waarover overleg wordt gevoerd in het overleg, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES, daaronder begrepen een wijziging van de organisatiestructuur, de omvang of inhoud van de taken van de organisatie-eenheid, voor zover daaraan rechtspositionele of personele gevolgen zijn verbonden; en
  • c. de vaststelling van de taken van een organisatie-eenheid of de omvang daarvan, het beleid ten aanzien van die taken en de uitvoering van die taken, alsmede directe maatregelen voor zover die strekken tot het verzekeren van de beschikbaarheid, de inzetbaarheid, oefeningen en het ongestoord functioneren van een organisatie-eenheid.
2.

In het overleg, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit overlegstelsel BES, kan besloten worden dat bespreking van aangelegenheden, bedoeld in het eerste lid, onder b, in afwijking van die bepaling toch plaatsvindt in de betrokken participatieraden of in de centrale participatieraad. Daarbij kan tevens worden besloten dat artikel 72n van overeenkomstige toepassing is. Indien het een voorstel betreft als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, van het Besluit overlegstelsel BES, kan daarbij tevens worden besloten dat een positief advies van de participatieraad gelijk gesteld wordt met overeenstemming met de Sectorale Overlegcommissie BES.

Artikel 72n

1.

In het kader van medezeggenschap wordt de participatieraad of de centrale participatieraad in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over voorgenomen maatregelen met betrekking tot:

  • a. de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan regelgeving inzake de rechtspositie van ambtenaren;
  • b. de wijze waarop het algemeen personeelsbeleid wordt uitgevoerd;
  • c. organisatie- en formatierapporten, voor zover daarin de structuur van de organisatie en de inhoud en omvang van de bij die structuur behorende functies worden beschreven;
  • d. aangelegenheden op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met de arbeid;
  • e. aangelegenheden met betrekking tot huisvesting en werkklimaat, en
  • f. de technische en bedrijfseconomische dienstuitvoering.
2.

Indien de participatieraad of de centrale participatieraad niet binnen een redelijke termijn een advies als bedoeld in het eerste lid uitbrengt, wordt hij geacht in te stemmen met de voorgenomen maatregel.

3.

Een besluit met betrekking tot een voorgenomen maatregel wordt genomen met inachtneming van het advies en afweging van de betrokken belangen.

4.

Tenzij het besluit met betrekking tot een voorgenomen maatregel overeenstemt met het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt de uitvoering ervan opgeschort tot een maand na de dag waarop de participatieraad of de centrale participatieraad van het besluit in kennis is gesteld, dan wel tot de participatieraad te kennen geeft in te stemmen met het besluit.

Artikel 72o

1.

De participatieraad of de centrale participatieraad kan schriftelijk voorstellen doen ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 72n, eerste lid.

2.

Onze Minister beslist over een voorstel als bedoeld in het eerste lid nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gevoerd in een overlegvergadering. Na het overleg deelt Onze Minister zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de participatieraad mee of hij overeenkomstig het voorstel zal beslissen.

Artikel 72p

Onze Minister verstrekt aan de participatieraad of de centrale participatieraad desgevraagd of uit eigen beweging tijdig alle inlichtingen en gegevens, waaronder de achtergronden, motieven en afwegingen van voorgenomen maatregelen als bedoeld in artikel 72n, eerste lid, die de participatieraad of de centrale participatieraad redelijkerwijs nodig heeft voor het vervullen van zijn taak. Over individuele personeelszaken worden geen gegevens verstrekt.

Artikel 72q

Ambtenaren die lid zijn of zijn geweest van een participatieraad of de centrale participatieraad of zich voor het lidmaatschap kandidaat hebben gesteld, worden niet uit hoofde van dat lidmaatschap of die kandidaatstelling ontslagen of benadeeld in hun positie of loopbaanperspectief.

Artikel 72r

Onze Minister stelt, in overeenstemming met de Sectorale Overlegcommissie BES, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit overlegstelsel BES, nadere regels ter uitvoering van deze paragraaf, waaronder in ieder geval regels met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de participatieraden en de centrale participatieraad, de toepassing van de artikelen 72o en 72p, de faciliteiten die aan de leden van de participatieraden en de centrale participatieraad worden verleend en de wijze waarop geschillen met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf en de daarop berustende regels worden beslecht.

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 48a

Hoofdstuk 3a van de Arbeidswet 2000 BES is van overeenkomstige toepassing op zwangere en bevallen ambtenaren.

§ 10. Beloningen en andere bijzondere eenmalige toelagen

§ 11. Scholing

§ 11a. Medezeggenschap

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 23a

1.

De ambtenaar die een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult die onvermijdbare risico’s van structurele aard met zich brengt, ontvangt een toelage voor onvermijdbaar verzwarende werkomstandigheden.

2.

Risico’s als bedoeld in het eerste lid kunnen zijn risico’s van fysieke of psychische aard, risico’s op slachtofferschap of afbreukrisico’s.

3.

Het bevoegd gezag wijst de in het eerste lid bedoelde functies aan. Bij de aanwijzing wordt vermeld of er sprake is van onvermijdbare risico’s of onvermijdbare aanmerkelijke risico’s.

4.

Er is sprake van onvermijdbare aanmerkelijke risico’s als bedoeld in het derde lid, wanneer onvoldoende maatregelen getroffen kunnen worden om het risico te beperken.

5.

De toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor ambtenaren in dienst van de Staat USD 62,83 per maand of, indien er sprake is van aanmerkelijke risico’s, USD 125,63.

6.

De hoogte van de toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt voor ambtenaren in dienst van een openbaar lichaam vastgesteld bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen.

7.

Als de bezoldiging wijziging ondergaat, worden de bedragen, genoemd in het vijfde lid, met ingang van de datum waarop die wijziging ingaat bij ministeriële regeling op gelijke voet gewijzigd. Als de bezoldiging niet met een voor alle ambtenaren gelijk percentage wijzigt, wordt voor de toepassing van dit lid uitgegaan van het percentage waarmee de bezoldiging gemiddeld wijzigt of het percentage dat met toepassing van artikel 2.2 van het Besluit overlegstelsel BES is afgesproken.

8.

Onze Minister kan nadere regels stellen voor de toepassing van dit artikel.

§ 5. Vakantie-uitkering

Hoofdstuk VII. Verschillende verplichtingen en rechten van de ambtenaar

§ 2. Het verrichten van arbeid

§ 11. Scholing

§ 11a. Medezeggenschap

§ 12. Andere verplichtingen en rechten

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 76a

Onze Minister en de Sectorale Overlegcommissie BES, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit overlegstelsel BES, kunnen afspraken maken betreffende de rechten en verplichtingen van de ambtenaar bij een reorganisatie.

Hoofdstuk VIII. Disciplinaire straffen

Hoofdstuk IX. Schorsing en ontslag

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)