Wet ziekteverzekering BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 51
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Inleidende bepalingen

Artikel 1

1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen, die op grond van het eerste lid niet de hoedanigheid van werknemer hebben, als werknemer worden aangemerkt en kunnen hiervoor nadere regels worden gesteld.

Artikel 1a

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een uitbreiding dan wel een beperking worden gegeven ten aanzien van degene die als werknemer wordt beschouwd:

Artikel 1b

Vervallen

Artikel 1c

Vervallen

Vaststelling van het loon per dag

Artikel 2

1.

Indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit huisvesting, verstrekkingen in natura, onderricht of geldelijke uitkeringen waarvan de grootte niet bij voorbaat vaststaat zoals provisie, commissie, tantième, fooien of vergoedingen voor aangenomen werk, bepalen werkgever en werknemer ter vaststelling van het loon per dag de gemiddelde waarde in het economisch verkeer daarvan met overeenkomstige toepassing van artikel 6C van de Wet loonbelasting BES.

2.

Indien sprake is van een uurloon en het aantal werkuren per week niet bij voorbaat vaststaat wordt het loon per dag vastgesteld aan de hand van het gemiddelde aantal werkuren per week in de periode van dertien weken voorafgaand aan de eerste dag waarop de werknemer ziek is geworden of, indien de dienstbetrekking voorafgaand aan de eerste dag van ziekte minder dan dertien weken heeft geduurd, het gemiddelde aantal werkuren per week in die periode.

Uitkeringen

Artikel 3

1.

De werknemer heeft op grond van deze wet tegenover Onze Minister recht op een uitkering:

2.

Met ziekte wordt gelijkgesteld lichamelijk letsel als gevolg van een ongeval, tenzij de werknemer op grond daarvan recht heeft op ongevallengeld op grond van de Wet ongevallenverzekering BES.

Geneeskundige behandeling en verpleging

Artikel 4. Uitkering in verband met zwangerschap en bevalling voor zelfstandigen

1.

De zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde die gedurende het kalenderjaar voorafgaand aan de zwangerschap belasting- of aangifteplichtig was voor de opbrengstbelasting, de vastgoedbelasting, de loonbelasting, de inkomstenbelasting of algemene bestedingsbelasting in het kader van de uitoefening van haar beroep of bedrijf en een belastbare som uit inkomsten uit de onderneming heeft van ten minste de belastingvrije som, genoemd in artikel 24 van de Wet inkomstenbelasting BES heeft recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling gedurende ten minste zestien weken.

2.

Het recht op uitkering in verband met zwangerschap vangt aan zes weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling, of tien weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, zoals aangegeven in een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige, tot en met de dag van de bevalling. Indien de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde dat wenst vangt het recht op uitkering in verband met zwangerschap aan op een later tijdstip, doch uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling of uiterlijk acht weken voor die dag indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft.

3.

Het recht op uitkering in verband met bevalling vangt aan op de dag na de bevalling en bedraagt tien aaneengesloten weken, vermeerderd met het aantal dagen dat de uitkering in verband met zwangerschap tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen of, indien het een zwangerschap van meer dan een kind betreft, minder dan tien weken heeft bedragen.

4.

Als een kind van een ouder als bedoeld in het eerste lid tijdens de periode waarop een recht op uitkering in verband met bevalling bestaat vanwege zijn medische toestand in het ziekenhuis is opgenomen, wordt het recht op uitkering in verband met bevalling verlengd met de tijd dat het kind in het ziekenhuis heeft doorgebracht vanaf de achtste dag van opname tot en met de laatste dag waarop het recht op uitkering bestaat tot een maximum van tien weken.

De in de eerste zin bedoelde verlenging is uitsluitend van toepassing voor zover de aldaar bedoelde ziekenhuisopname langer duurt dan het aantal dagen waarmee de uitkering in verband met de bevalling als gevolg van de werkelijke datum van bevalling op grond van het derde lid wordt verlengd. Het ziekenhuis geeft op verzoek van de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde een verklaring af, waarin de gehele duur van de opname van het kind in het ziekenhuis tijdens de uitkeringsperiode staat vermeld.

Uitkeringen in geld

Artikel 5

1.

De werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, heeft recht op een uitkering in geld, ziekengeld genaamd, met ingang van de derde dag na die van de ziekmelding. Niettemin wordt over de dag van de ziekmelding en de twee daarop volgende dagen ziekengeld uitgekeerd, indien naar het oordeel van de behandelende geneeskundige de ziekte opneming in een ziekeninrichting noodzakelijk maakt. Het ziekengeld wordt over de bedoelde drie dagen eveneens uitgekeerd, indien de duur van de ziekte als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak langer dan drie dagen bedraagt, ook wanneer geen opneming in een ziekeninrichting noodzakelijk is geweest. Ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt dit recht bij onafgebroken arbeidsongeschiktheid twee jaar nadien, indien het betreft een arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd, ongeacht het voortduren van de arbeidsovereenkomst. Voor een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd vervalt dit recht na verloop van de periode waarvoor zij is aangegaan maar uiterlijk twee jaren na de dag van de ziektemelding wegens eenzelfde ziekteoorzaak en onafgebroken arbeidsongeschiktheid gedurende deze periode. Indien een overeenkomst voor bepaalde tijd verlengd wordt, is het bepaalde met betrekking tot arbeidsovereenkomsten aangegaan voor onbepaalde tijd van toepassing. In geval van zwangerschap wordt de vrouwelijke arbeider geacht gedurende de duur van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 1614ca van het Burgerlijk Wetboek BES Boek 7a, arbeidsongeschikt te zijn. Voor het bepalen van de onafgebroken arbeidsongeschiktheid gedurende een periode worden tijdvakken van ongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

2.

Het ziekengeld bedraagt per dag 80% van het loon per dag van de werknemer, en 100% van het loon per dag van de werknemer gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in het eerste lid. Voor zover het loon per dag meer heeft bedragen dan een door Onze Minister vastgesteld bedrag blijft het bij de toepassing van de eerste zin buiten aanmerking.

3.

Indien het loon met terugwerkende kracht is verhoogd, wordt ter bepaling van het ziekengeld met deze verhoging rekening gehouden vanaf het tijdstip dat de verhoging van het loon door de werkgever aan de werknemer is uitbetaald.

4.

De werknemer heeft geen recht op ziekengeld:

5.

Wanneer de werknemer tijdens zijn arbeidsongeschiktheid van zijn werkgever loon ontvangt, wordt het ziekengeld per dag verminderd met het bedrag, waarmede het ziekengeld en het loon per dag gezamenlijk het loon per dag, waarnaar het ziekengeld is berekend, overtreft.

6.

Tijdens het dienstverband of de werkzaamheden is de werkgever in geval van arbeidsongeschiktheid van de werknemer verplicht een uitkering gelijk aan het ziekengeld waarop de werknemer over de desbetreffende loontermijn tegenover Onze Minister recht heeft, aan de werknemer uit te betalen op de dag waarop het loon moet worden uitbetaald of zou moeten worden uitbetaald indien de werknemer niet arbeidsongeschikt zou zijn. De werkgever die op grond van deze verplichting de uitkering uitbetaalt, heeft, in plaats van de werknemer, tegenover Onze Minister recht op het desbetreffende ziekengeld en op uitbetaling daarvan door Onze Minister. Indien de werkgever de uitkering niet tijdig uitbetaalt, keert Onze Minister het ziekengeld aan de werknemer uit.

7.

Onze Minister is bevoegd om op grond van verdragen, convenanten en andersoortige overeenkomsten met uitvoerders van instellingen van sociale voorzieningen, het ziekengeld van een werknemer te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de werknemer op het gebied van sociale voorzieningen.

8.

Onze Minister is eveneens bevoegd om het ziekengeld van een werknemer te verminderen ter ontneming van een ten onrechte verkregen voordeel van de werknemer op het gebied van de door Onze Minister uitbetaalde socialeverzekeringsuitkeringen.

9.

De in het zevende en achtste lid bedoelde vermindering kan ineens geschieden indien het ten onrechte genoten voordeel niet groter is dan een derde deel van het door Onze Minister verstrekte ziekengeld. In alle andere gevallen kan de vermindering niet meer bedragen dan een derde deel van het ziekengeld.

Vaststelling der tegemoetkoming

Artikel 6

1.

Onze Minister stelt op aanvraag, mede aan de hand van de geneeskundige beoordeling, vast of recht op ziekengeld bestaat. De werkgever aan wie op grond van artikel 5, zesde lid, tweede zin, de uitkering wordt verstrekt informeert de werknemer zo spoedig mogelijk over de hiermee gemoeide aanspraak.

2.

Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door Onze Minister beschikbaar gesteld formulier.

3.

Zodra de behandelende geneeskundige vaststelt dat de werknemer:

geeft hij van deze bevindingen en zijn daaruit volgende voorschriften schriftelijk kennis aan Onze Minister.

Artikel 7

De werknemer heeft geen recht op uitkering of verliest dit recht:

Artikel 7a

In de gevallen dat de beëindiging of het verlies van het recht op uitkering als gevolg van de toepassing van de bepalingen van deze wet tot kennelijke hardheid leidt, is Onze Minister bevoegd, hetzij op verzoek, hetzij ambtshalve deze kennelijke hardheid geheel of gedeeltelijk op te heffen.

Vaststelling van de uitkering

Artikel 8

1.

Ter zake van de kosten verbonden aan deze wet is een premie verschuldigd, die gezamenlijk wordt geheven met de zorgverzekeringspremie.

2.

De premie, bedoeld in het eerste lid, wordt geheven met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk IV van de Wet loonbelasting BES, met dien verstande dat in plaats van «inhoudingsplichtige» telkens gelezen wordt «werkgever».

3.

De premie wordt geheven naar een percentage van het loon van de werknemer.

4.

Het premiepercentage, bedoeld in het derde lid, wordt met ingang van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling in overeenstemming met Onze Minister van Financiën voor de periode van één jaar vastgesteld.

5.

Indien het loon met terugwerkende kracht is verhoogd, wordt voor de berekening van de premie met deze verhoging rekening gehouden vanaf het tijdstip dat de verhoging van het loon door de werkgever aan de werknemer is uitbetaald.

6.

De premie is verschuldigd door de werkgever.

7.

De premie wordt door de inspecteur geheven van de werkgever door middel van afdracht op aangifte.

8.

De premie komt ten gunste van het Rijk.

9.

Ten laste van het Rijk komen de door Onze Minister verstrekte uitkeringen, bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, en 5, eerste lid, en alle kosten verbonden aan de uitvoering van deze wet.

Artikel 8a

Voor zover op grond van deze wet niet anders is bepaald en in afwijking van artikel 14c is ten aanzien van de premieheffing en invordering op grond van artikel 8 en de invordering daarvan hoofdstuk VIII van de Belastingwet BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8b

Vervallen

Artikel 8c

Vervallen

Artikel 8d

Vervallen

Artikel 8e

Vervallen

Artikel 8f

Vervallen

Artikel 8g

Vervallen

Artikel 8h

1.

De werkgever, diens vaste vertegenwoordiger, de leider van de vaste inrichting van de werkgever of degene die de leiding heeft van binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verrichte werkzaamheden is desgevraagd gehouden aan Onze Minister of aan de door deze aangewezen personen en deskundigen inzage te verlenen of afschrift te verstrekken van de boeken, bescheiden en geschriften, welke voor de vaststelling van de premie redelijkerwijs van belang zijn.

2.

Degene die inzage van de boeken, bescheiden en geschriften, bedoeld in het eerste lid, is gevraagd, wordt geacht die in zijn bezit te hebben, tenzij het tegendeel aannemelijk is gemaakt.

3.

Bij een weigering om te voldoen aan een verplichting als bedoeld in het eerste lid, kan een werkgever, diens vaste vertegenwoordiger, de leider van de vaste inrichting van de werkgever of degene die de leiding heeft van binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verrichte werkzaamheden, niet met vrucht een beroep doen op de omstandigheid dat hij uit hoofde van zijn stand, zijn beroep of zijn ambt tot geheimhouding verplicht is, zelfs al mocht deze hem bij enig wettelijk voorschrift zijn opgelegd.

Artikel 8i

Het is een ieder verboden hetgeen hem, bij de uitvoering van deze wet of in verband daarmee, over inkomen, opbrengst, uitdelingen, medische gegevens en in het algemeen over de zaken of werkzaamheden van een ander, blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Invordering

Artikel 8j

Vervallen

Eigen risico-dragers

Artikel 9

Vervallen

Beroep

Artikel 10

Vervallen

Artikel 10a

[vervallen]

Artikel 10b

[vervallen]

Artikel 10c

[vervallen]

Uitvoering, inlichtingen en toezicht

Artikel 11

1.

De termijnen van het ziekengeld, die niet zijn ingevorderd binnen twee jaar na de eerste dag, waarop zij konden worden ingevorderd, worden niet meer uitbetaald.

2.

Ieder beding, dat de aansprakelijkheid van de werkgever op grond van deze wet uitsluit of vermindert, is nietig.

3.

Het is de werkgever verboden de voor hem uit de bepalingen van deze wet voortvloeiende kosten geheel of gedeeltelijk te verhalen op het loon van de werknemer.

4.

De arbeidsgeschikte zieke werknemer, die ten behoeve van geneeskundig onderzoek of behandeling noodzakelijk het verrichten van zijn arbeid onderbreekt, behoudt gedurende die tijd tegenover zijn werkgever recht op loon.

5.

De verzekerde, die de uitkering in ontvangst neemt, wordt daardoor niet geacht van het recht op het hem eventueel meer toekomende afstand te hebben gedaan.

6.

Indien de werknemer in verband met zijn ziekte, op grond waarvan een uitkering als bedoeld in deze wet is toegekend, tegen de werkgever een rechtsvordering tot schadevergoeding heeft naar burgerlijk recht, wordt die vordering op grond van deze wet niet verloren, doch de rechter houdt bij de vaststelling der schadevergoeding rekening met hetgeen op grond van deze wet aan de werknemer is toegekend.

7.

De persoon, die gehouden is tot vergoeding van schade die door de verzekerde is geleden door ziekte, is voor de uitkering aan de verzekerde op grond van deze wet aansprakelijk jegens degene te wiens laste die uitkering komt.

8.

De uitkering is onvervreemdbaar, niet vatbaar voor verpanding of belening, evenmin voor executoriaal of conservatoir beslag, noch voor faillissementsbeslag, behalve tot verhaal van het verschuldigde wegens levering van levensbehoeften, verstrekt aan degene tegen wie het beslag gedaan wordt en tot verhaal van onderhoud waartoe degene, die de uitkering geniet, op grond van enig wettelijk voorschrift is gehouden.

Uitvoering en toezicht

Artikel 12

1.

Onze Minister is belast met de uitvoering van deze wet, met dien verstande, dat de heffing van de premie geschiedt door de inspecteur en de invordering daarvan door de ontvanger.

2.

Eenieder is verplicht ten behoeve van de uitvoering op verzoek aan Onze Minister inlichtingen te verstrekken, desverlangd schriftelijk. De door Onze Minister verlangde inlichtingen moeten binnen een door Onze Minister te stellen termijn worden verstrekt. De werknemer, alsmede de werkgever is verplicht uit eigen beweging aan Onze Minister inlichtingen te verstrekken waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering. Ook is eenieder verplicht de door Onze Minister gegeven aanwijzingen ten behoeve van de uitvoering van deze wet op te volgen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 12a

1.

Onze Minister kan bij ministeriële regeling functionarissen aanwijzen, die zijn belast met het toezicht op deze wet.

2.

Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19.

3.

Op het binnentreden in woningen of in tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taakuitoefening van de op grond van het eerste lid aangewezen functionarissen.

Artikel 13

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van deze wet.

Artikel 14

Alle op grond van deze wet opgemaakte of overgelegde stukken, verzoekschriften en beschikkingen zijn vrij van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie.

Bekendmaking beschikkingen

Artikel 14a

1.

Op overtreding van artikel 11, derde lid, en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de artikelen 5, zesde lid, eerste zin, 6, eerste lid, tweede zin, 8h, eerste lid, 8i, 12, tweede lid, en krachtens artikel 13 wordt een boete geheven van de tweede categorie.

2.

Onder het niet voldoen aan de verplichtingen, genoemd in artikel 12, tweede lid, wordt mede verstaan het verstrekken van onjuiste inlichtingen.

3.

Indien er sprake is van herhaling van eenzelfde overtreding binnen twee jaar wordt het maximum van de boetes, genoemd in het eerste lid, verdubbeld.

4.

De boete wordt geheven door middel van een beschikking van Onze Minister.

Bezwaar en beroep

Artikel 15

1.

Overtreding van artikel 11, derde lid, en het niet of niet tijdig nakomen van een van de verplichtingen gesteld bij de artikelen 5, zesde lid, eerste zin, 6, eerste lid, tweede zin, 8h, eerste lid, 8i, 12, tweede lid, en op grond van artikel 13 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de derde categorie.

2.

Het opzettelijk, mondeling of schriftelijk verstrekken of doen verstrekken van inlichtingen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, die onjuist zijn alsmede het afleggen van een valse verklaring aan Onze Minister, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

3.

Het opzettelijk door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding bewegen van een werknemer om geen gebruik te maken van een hem op grond van deze wet toekomend recht wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie

4.

De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen en de in het tweede en derde lid strafbaar gestelde feiten misdrijven.

Artikel 15a

Een administratieve boete vervalt, indien degene aan wie de administratieve boete is opgelegd, wegens het feit op grond waarvan boete is verschuldigd, onherroepelijk is veroordeeld, is vrijgesproken of is ontslagen van rechtsvervolging.

Artikel 15b

1.

Met de opsporing van bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de door Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister, aangewezen ambtenaren.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de functievervulling van de op grond van het eerste lid aangestelde functionarissen.

Strafbepalingen

Artikel 16

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ziekteverzekering BES.

Vaststelling van de uitkering

Premie

Invordering

Eigen risico-dragers

Eigen risico-dragers

Administratieve sancties

Advisering

Artikel 14b

1.

De bekendmaking van een beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan de rechthebbende.

2.

Indien de bekendmaking van de beschikking niet kan geschieden op de wijze als voorzien in het eerste lid, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.

3.

De beschikking vermeldt de dagtekening van de beslissing, de gronden waarop deze berust, alsmede waar beroep kan worden ingesteld.

Artikel 14c

1.

De belanghebbende kan tegen een beschikking op grond van deze wet beroep instellen bij het Gerecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet administratieve rechtspraak BES.

2.

Bij een beroep tegen een beschikking op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel i, is artikel 23, eerste lid, laatste zin, van de Wet administratieve rechtspraak BES niet van toepassing.

3.

Bij een bestuurlijke heroverweging van een beschikking op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel i, is artikel 24, eerste en tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES van overeenkomstige toepassing.

4.

Met betrekking tot een beschikking op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel i, kan het Gerecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet administratieve rechtspraak BES, indien het bestuursorgaan niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 23 van de Wet administratieve rechtspraak BES, daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.

Artikel 14d

Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing met dien verstande dat in artikel 3:5, eerste lid, in plaats van «besluiten» wordt gelezen «beschikkingen» en in de artikelen 3:6, tweede lid, 3:8 en 3:9 in plaats van «het besluit» wordt gelezen «de beschikking».

Bekendmaking beschikkingen

Artikel 12b

1.

Onverminderd voorschriften als gesteld op grond van artikel 7, eerste lid, onderdelen d of e, kunnen bij ministeriële regeling controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet.

2.

De werknemer, alsmede de werkgever is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

3.

De werknemer, alsmede de werkgever onthoudt zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden.

Uitvoering, inlichtingen en toezicht

Bekendmaking beschikkingen

Bezwaar en beroep

Advisering

Strafbepalingen

Citeertitel

Artikel 4a. Aanvraag van uitkering door zelfstandige

1.

De zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling doet de aanvraag daartoe bij Onze Minister uiterlijk twee weken voor de datum waarop zij het recht op uitkering wil laten ingaan. Bij die aanvraag wordt in ieder geval gemeld:

2.

Indien de aanvraag niet tijdig wordt gedaan, wordt de uitkering uitsluitend toegekend voor zover het tijdvak waarin sprake was van recht op uitkering in verband met zwangerschap en bevalling, valt in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ten gunste van de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde afwijken van de eerste zin.

3.

Indien het recht op uitkering wordt verlengd op grond van artikel 4, vierde of vijfde lid, brengt de zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde Onze Minister daarvan op de hoogte, waarbij in het geval, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, zij de verklaring van het ziekenhuis overlegt.

Artikel 4b. Hoogte van de uitkering voor zelfstandige

De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling voor de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, is gelijk aan het op grond van artikel 9 van de Wet minimumlonen BES vastgestelde toepasselijke bedrag.

Artikel 4ba. Tegemoetkoming ontbrekende uitkering zwangerschap en bevalling

1.

Onze Minister kan een financiële tegemoetkoming verstrekken aan een zelfstandige, meewerkende echtgenoot of gelijkgestelde waarvan aannemelijk is dat deze ten tijde van diens bevalling voldeed aan de voorwaarden voor een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling op basis van deze wet en die:

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot:

3.

Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 4c. Uitkering in verband met geboorteverlof

1.

De werknemer die op grond van artikel 1614ce van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek BES recht heeft op geboorteverlof, heeft recht op uitkering in verband met geboorteverlof.

2.

De uitkering in verband met geboorteverlof bedraagt 100 procent van het loon per dag van de werknemer voor de duur van de helft van het aantal uren dat de werknemer per week werkt. Artikel 5, tweede lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

3.

De werknemer die in aanmerking wenst te komen voor toekenning van een uitkering in verband met geboorteverlof dient de aanvraag daartoe in bij Onze Minister uiterlijk drie weken na de datum van de bevalling van zijn echtgenoot.

4.

De aanvraag van de uitkering in verband met geboorteverlof gaat vergezeld van een bewijsstuk waaruit de datum van bevalling van de echtgenoot blijkt.

5.

Artikel 5, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Geneeskundige behandeling en verpleging

Artikel 4

Vervallen

Artikel 6a

1.

De beschikking tot toekenning van de uitkering vermeldt het bedrag dat wordt verstrekt aan de werkgever, bedoeld in artikel 5, zesde lid, tweede zin, en indien de werkgever zijn verplichting, genoemd in artikel 5, zesde lid, eerste zin, niet naleeft, aan de werknemer.

2.

Een beschikking op grond van deze wet wordt gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

3.

Deze redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in het vierde lid is gedaan.

4.

Indien de beschikking niet binnen de termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in kennis gesteld.

Premie

Invordering

Vorderingen en aansprakelijkheid

Artikel 12c

1.

Onze Minister kan de betaling opschorten of schorsen, indien op grond van duidelijke aanwijzingen het oordeel is of het gegronde vermoeden bestaat, dat:

2.

Geen opschorting of schorsing vindt plaats indien het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op een uitkering.

3.

Voordat Onze Minister overgaat tot opschorting of schorsing van de betaling, heeft de werknemer of werkgever de gelegenheid een zienswijze bekend te maken voor zover:

4.

Onze Minister doet schriftelijk mededeling van de opschorting of schorsing.

Artikel 12d

1.

Onze Minister kan een beschikking herzien dan wel intrekken indien:

2.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan Onze Minister geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien.

Artikel 12e

1.

Onze Minister is bevoegd een ten onrechte uitbetaalde uitkering terug te vorderen van diegene aan wie de uitkering is betaald, indien:

2.

In afwijking van artikel 203 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, kan de werkgever het teruggevorderde bedrag niet verhalen op de werknemer, indien de terugvordering in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Administratieve sancties

Bezwaar en beroep

Advisering

Strafbepalingen

Overgangsbepalingen

Artikel 15c

1.

Een herziening of intrekking van een beschikking op grond van artikel 12d, vindt uitsluitend plaats indien de herziening of intrekking ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van artikel VIII, onderdeel Id.

2.

Een terugvordering van een ten onrechte uitbetaalde uitkering op grond van artikel 12e, vindt uitsluitend plaats indien de terugvordering ziet op een periode op of na de dag van inwerkingtreding van artikel VIII, onderdeel Id.

Citeertitel

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)