Burgerlijk Wetboek BES Boek 1

Type Wet Bes
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 526
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Indien de minderjarige door meer dan een persoon als behorende tot het gezin wordt verzorgd en opgevoed, kan het verzoek slechts door dezen gemeenschappelijk worden gedaan.

3.

Het verzoek kan ook worden gedaan door de voogdijraad.

4.

De rechter willigt het verzoek slechts in, indien hij dit in het belang van de minderjarige acht en hem genoegzaam is gebleken, dat de voogd niet bereid is zich van zijn bediening te doen ontslaan. Alsdan benoemt hij bij voorkeur degene wiens benoeming wordt verzocht tot voogd, mits deze bevoegd is tot uitoefening van de voogdij.

5.

Is het bij het eerste lid bedoelde verzoek gedaan, dan blijft artikel 336a, tweede lid, buiten toepassing, totdat op het verzoek bij gewijsde is beslist.

Artikel 301
1.

De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de rechter in eerste aanleg onverwijld kennis:

  • a. van het overlijden van ieder die minderjarige kinderen achterlaat;
  • b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, waarover de moeder niet van rechtswege het gezag uitoefent.
2.

De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft de voogdijraad onverwijld kennis:

  • a. van het overlijden van ieder, die minderjarige kinderen nalaat, tenzij van rechtswege in het gezag over deze kinderen is voorzien;
  • b. van de aangifte van de geboorte van ieder kind, geboren binnen 306 dagen nadat het huwelijk van zijn moeder door de dood van haar echtgenoot is ontbonden, en van ieder kind, ten aanzien van wie alleen het moederschap vaststaat;
  • c. van iedere latere vermelding houdende een erkenning, die is toegevoegd aan een geboorteakte van een minderjarige;
  • d. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van brieven van vaderschap;
  • e. van iedere door hem toegevoegde latere vermelding van een rechterlijke uitspraak die een minderjarige betreft, houdende een ontkenning van het vaderschap, vernietiging van een erkenning, gegrondverklaring van een betwisting of inroeping van staat of vernietiging van zulk een uitspraak.
3.

Indien het huwelijk van de overledene die minderjarige kinderen nalaat, gerechtelijk was ontbonden, of de overledene van tafel en bed gescheiden was, bericht de ambtenaar van de burgerlijke stand – zo de andere ouder nog leeft – deze omstandigheden tevens aan de voogdijraad; deze zendt alsdan de door hem ontvangen kennisgeving door aan de rechter in eerste aanleg die over het verzoek tot ontbinding van het huwelijk of tot scheiding van tafel en bed heeft beslist.

§ 4. Voogdij van rechtspersonen

Artikel 302
1.

De rechter kan – mits op haar verzoek of na haar bereidverklaring – de voogdij opdragen aan een hier te lande gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, wier statuten of reglementen duurzame verzorging van minderjarigen voorschrijven, en die blijkens schriftelijke door Onze Minister van Justitie aanvaarde verklaring van het bestuur zich onderwerpt aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden.

2.

De rechter die de voogdij aan een rechtspersoon opdraagt, let hierbij op de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van de minderjarige en van het gezin waartoe deze behoort.

3.

Elke voogdij van een rechtspersoon die door fusie ophoudt te bestaan, gaat over op de verkrijgende rechtspersoon, mits deze een rechtspersoon is waaraan de rechter krachtens het eerste lid een voogdij kan opdragen.

4.

Niettemin kan de rechter vervolgens op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, van de voogdijraad, van belanghebbenden of ambtshalve, de voogdij aan een ander opdragen.

Artikel 303
1.

Voor zover de wet niet anders bepaalt, heeft de met voogdij belaste rechtspersoon dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden.

2.

De uitoefening van de voogdij geschiedt door het bestuur. Dit kan een of meer van zijn leden schriftelijk machtigen tot de uitoefening van de voogdij over de minderjarigen die in de machtiging zijn genoemd.

Artikel 304
1.

Met de rechtspersoon zijn de bestuurders hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor iedere schade, die te wijten is aan een niet-behoorlijke uitoefening van de voogdij.

2.

Iedere bestuurder zal zich echter van zijn aansprakelijkheid kunnen bevrijden door te bewijzen, dat hij geen schuld heeft aan de schade.

3.

Indien het bestuur overeenkomstig artikel 303, tweede lid, een of meer van zijn leden in het bijzonder tot de uitoefening van de voogdij gemachtigd heeft, wordt vermoed dat de schade uitsluitend aan de schuld van deze leden te wijten is.

Artikel 305
1.

De rechtspersoon, die hem toevertrouwde minderjarigen uit huis plaatst, houdt de voogdijraad binnen wiens gebied deze minderjarigen verblijven, alsook de voogdijraad binnen wiens gebied zij vóór hun laatste overplaatsing hebben verbleven, schriftelijk op de hoogte van de plaatsen waar zij zich bevinden.

2.

De plaatsen, waar met voogdij belaste rechtspersonen minderjarigen geplaatst hebben, worden door iedere voogdijraad in zijn gebied bezocht, zo vaak hij dit ter beoordeling van de toestand der minderjarigen dienstig acht.

Artikel 306
1.

Zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg mag een rechtspersoon een hem toevertrouwde minderjarige niet in het buitenland plaatsen.

2.

De rechter verleent deze toestemming slechts, indien hij de plaatsing voor de minderjarige wenselijk acht.

§ 4. Voogdij van rechtspersonen

Artikel 322

Iedere voogd kan zich van zijn bediening doen ontslaan, indien:

  • a. hij aantoont dat hij ten gevolge van een sedert de aanvang van zijn bediening opgekomen geestelijk of lichamelijk gebrek niet meer in staat is deze waar te nemen;
  • b. hij de vijfenzestigjarige leeftijd bereikt heeft;
  • c. een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechter in eerste aanleg deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.

§ 6. Onbevoegdheid tot de voogdij

Artikel 324
1.

Wanneer een voogd op een der in artikel 246 genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de rechter in eerste aanleg hem en vervangt hem door een andere voogd.

2.

Hij doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de voogdijraad, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.

Artikel 325

Vervallen

§ 7. Ondertoezichtstelling van onder voogdij staande minderjarigen

Artikel 326
1.

Kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen, kunnen onder toezicht worden gesteld.

2.

Op deze ondertoezichtstelling zijn de artikelen 254 tot en met 263 en 265 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande nochtans dat deze ondertoezichtstelling ook door de voogd kan worden verzocht.

3.

De kosten, bedoeld in artikel 264, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf.Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

4.

Voor de toepassing van het derde lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

§ 8. Ontzetting van voogdij

Artikel 327
1.

Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van die minderjarigen noodzakelijk oordeelt, kan hij een voogd ten aanzien van een of meer tot een zelfde voogdij behorende minderjarigen ontzetten op grond van:

  • a. slecht levensgedrag;
  • b. misbruik van zijn bevoegdheid, verwaarlozing van zijn verplichtingen, of de omstandigheid dat hij niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn voogdij;
  • c. de omstandigheid, dat hij op een der beide voorgaande gronden van een andere voogdij – of op overeenkomstige gronden van het ouderlijk gezag – is ontzet;
  • d. de omstandigheid dat hij in staat van faillissement verkeert;
  • e. de omstandigheid dat hij in persoon, of dat zijn vader, moeder, echtgenoot of kind met de minderjarige een proces voert, waarbij diens staat of een aanmerkelijk gedeelte van diens vermogen betrokken is;
  • f. onherroepelijke veroordeling:
  • 1°. wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;
  • 3°. tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer;
  • g. het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd of belemmering van een krachtens de artikelen 262 en 263 bevolen opneming;
  • h. het bestaan van gegronde vrees voor verwaarlozing van de belangen van een onder zijn gezag staande minderjarige, doordat hij de minderjarige terugeist of terugneemt van anderen, die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen;
2.

Onder misdrijf wordt in het eerste lid begrepen medeplichtigheid aan en poging tot misdrijf.

Artikel 328

Ontzetting van een met voogdij belaste rechtspersoon kan slechts op de in artikel 327, eerste lid, onderdelen b tot en met e, genoemde gronden geschieden.

Zijn ontzetting kan echter bovendien plaats hebben, indien hij nalaat de voogdijraad overeenkomstig artikel 305 op de hoogte te houden van de plaatsen waar de hem toevertrouwde minderjarigen zich bevinden, dan wel indien hij het door de voogdijraad uit te oefenen toezicht belemmert of verhindert.

Artikel 329
1.

Ontzetting van de voogdij kan slechts worden uitgesproken op verzoek van een der bloed- of aanverwanten van de minderjarige tot en met de vierde graad, de voogdijraad, of op vordering van het Openbaar Ministerie.

2.

In het geval, bedoeld in artikel 327, eerste lid, onderdeel h, kan de ontzetting bovendien verzocht worden door hem die de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich heeft genomen.

3.

In het geval, bedoeld in artikel 367, kan de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreken, ook al had de voogdijraad deze niet verzocht.

Artikel 331
1.

Indien de rechter in eerste aanleg dit in het belang van de kinderen noodzakelijk acht, kan hij een voogd wiens ontzetting verzocht of gevorderd is, hangende haar onderzoek geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van zijn voogdij over een of meer der minderjarigen schorsen.

2.

Bij schorsing van de voogd vertrouwt de rechter de minderjarigen voorlopig toe aan de voogdijraad, waarbij hij deze laatste ten aanzien van persoon en vermogen der minderjarigen zodanige bevoegdheden verleent als hij geschikt zal achten.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde beschikkingen blijven van kracht totdat de uitspraak omtrent de ontzetting in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter in eerste aanleg kan zodanige beschikking evenwel met ingang van een vroeger tijdstip herroepen.

Artikel 332

Op grond van feiten die tot ontzetting van de voogdij kunnen leiden, kan de officier van justitie, indien hij dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk acht, hen aan het gezag van de voogd onttrekken en voorlopig aan de voogdijraad toevertrouwen. Artikel 272, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 333
1.

De kosten die de voogdijraad ten behoeve van de hem toevertrouwde minderjarige maakt, komen ten laste van de ouders, of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn – van de minderjarige zelf. Voor zover ook deze laatste onvermogend is, blijven zij ten laste van de Staat met inachtneming van de regels dienaangaande bij algemene maatregel van bestuur te stellen. Op de kosten die ten laste van de ouders komen, is artikel 402a van overeenkomstige toepassing.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt een stiefouder die krachtens titel 17 verplicht is tot het verstrekken van levensonderhoud, met een ouder gelijkgesteld.

Artikel 334
1.

Indien de rechter in eerste aanleg de ontzetting uitspreekt, voorziet hij tevens in het gezag.

2.

Ieder die tot uitoefening van het gezag bevoegd is, kan tijdens het onderzoek schriftelijk aan de rechter verzoeken daarmede te worden belast.

Artikel 335

Hij die van de voogdij over een bepaalde minderjarige is ontzet, kan niet wederom tot voogd over die minderjarige worden benoemd.

§ 9. Het toezicht van de voogd over de persoon van de minderjarige

Artikel 336

De voogd draagt zorg dat de minderjarige overeenkomstig diens vermogen wordt verzorgd en opgevoed.

Artikel 336a
1.

Indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, kan de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.

2.

Voor zover de volgens het eerste lid vereiste toestemmingen niet worden verkregen, kunnen zij op verzoek van de voogd door die van de rechter in eerste aanleg worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd, indien de rechter dit in het belang van de minderjarige acht.

3.

In geval van afwijzing van het verzoek is de beschikking van kracht gedurende een door de rechter in eerste aanleg te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan. Is echter voor het einde van deze termijn een verzoek of vordering tot ondertoezichtstelling van het kind, tot ontzetting van de voogd, dan wel een verzoek als bedoeld in artikel 299a, aanhangig gemaakt, dan blijft de beschikking gelden totdat op het verzoek of de vordering bij gewijsde is beslist.

§ 10. Het bewind van de voogd

Artikel 337
1.

De voogd vertegenwoordigt de minderjarige in burgerlijke handelingen.

2.

De voogd moet het bewind over het vermogen van de minderjarige als een goed voogd voeren. Bij slecht bewind is hij voor de daardoor veroorzaakte schade aansprakelijk.

3.

Indien goederen die de minderjarige geschonken of vermaakt zijn, onder bewind zijn gesteld, is de voogd bevoegd van de bewindvoerder rekening en verantwoording te vorderen. Vervalt dit bewind, dan komen de goederen onder het bewind van de voogd.

Artikel 338
1.

De voogd zorgt dat het vermogen van de minderjarige, zoals dit bij het begin van zijn voogdij is samengesteld, zo spoedig mogelijk wordt geïnventariseerd.

2.

Binnen acht weken na het begin van zijn voogdij doet de voogd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de minderjarige schriftelijk opgave van de bij dat begin aanwezige gerede gelden, effecten aan toonder en spaarbankboekjes.

3.

Binnen acht maanden na het begin van zijn voogdij levert de voogd een ter bevestiging van haar deugdelijkheid door hem ondertekende boedelbeschrijving in ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de minderjarige.

4.

In de boedelbeschrijving is begrepen een opgave van de wijzigingen in de samenstelling van het vermogen tot het ogenblik dat zij wordt opgemaakt.

Artikel 339
1.

Wanneer de goederen van de minderjarigen een waarde van USD 14000,– niet te boven gaan, kan de voogd een door hem ondertekende, volgens een door de Minister van Justitie vastgesteld model opgemaakte, verklaring daaromtrent in plaats van de boedelbeschrijving inleveren. De voogd van twee of meer kinderen van dezelfde ouders kan met een zodanige verklaring slechts volstaan, wanneer bovendien de goederen der minderjarigen tezamen een waarde van USD 28000,– niet te boven gaan.

2.

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bepalen dat alsnog een beschrijving van het vermogen van de minderjarige, zoals dit op de datum van zijn beschikking is samengesteld, met overeenkomstige toepassing van artikel 338 moet worden opgemaakt en ingeleverd.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de bedragen, genoemd in het eerste lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 340
1.

De rechter in eerste aanleg kan bij gebleken noodzakelijkheid een langere termijn voor de inlevering van een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339, stellen.

2.

Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen boedelbeschrijving, noch een verklaring als bedoeld in artikel 339 is ingeleverd, doet de rechter binnen tien dagen na het einde van die termijn de voogd ten verhore oproepen.

Artikel 341
1.

In de boedelbeschrijving of in de verklaring, bedoeld in artikel 339, moet de voogd opgeven wat hij van de minderjarige heeft te vorderen. Bij gebreke hiervan zal hij zijn vorderingsrecht niet voor diens meerderjarigheid kunnen uitoefenen.

2.

Zolang de voogd zijn vorderingsrecht niet kan uitoefenen, draagt de hoofdsom van zijn vordering geen rente.

Artikel 342
1.

De artikelen 338 tot en met 341 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer de minderjarige gedurende de voogdij door schenking, erfopvolging of making vermogen krijgt.

2.

De ontvanger, bedoeld in artikel 1.3, onderdeel k, van de Belastingwet BES aan wie ambtshalve bekend is dat de minderjarige vermogen heeft verkregen, is verplicht de rechter in eerste aanleg van diens woonplaats hiervan te verwittigen.

Artikel 343

De voogd kan, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor de door zijn slecht bewind veroorzaakte schade, voor de minderjarige alle handelingen verrichten die hij in diens belang noodzakelijk, nuttig of wenselijk acht, behoudens het bepaalde bij de volgende artikelen.

Artikel 344
1.

Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, geeft de voogd de effecten aan toonder van de minderjarige in bewaring bij de Nederlandsche Bank N.V. of een ingevolge de Wet financiële markten BES in het register financiële markten ingeschreven kredietinstelling.

2.

De rechter kan aanwijzingen geven omtrent de wijze waarop spaarbankboekjes en gelden van de minderjarige moeten worden bewaard. De rechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen als hier bedoeld geven. Overigens is de rechter, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, bevoegd.

3.

Voor effecten aan toonder, spaarbankboekjes en gelden, die de minderjarige tezamen met een of meer andere personen toekomen, geldt het eerste en tweede lid, wanneer de voogd die onder zijn berusting heeft. De rechter in eerste aanleg onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand komt, kan ter gelegenheid daarvan aanwijzingen geven. Overigens is de rechter in eerste aanleg, aangewezen in artikel 429c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES, bevoegd.

Artikel 345
1.

De voogd behoeft machtiging van de rechter in eerste aanleg om de navolgende handelingen voor rekening van de minderjarige te verrichten:

  • a. aangaan van overeenkomsten strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige, tenzij de handeling geld betreft, als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd, of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
  • b. giften doen, andere dan gebruikelijke, niet bovenmatige;
  • c. een making of gift, waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
  • d. geld lenen of de minderjarige als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
  • e. overeenkomen dat een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten.
2.

De rechter in eerste aanleg kan bepalen dat de voogd zijn machtiging behoeft voor het innen van vorderingen van de minderjarige, het disponeren over saldi bij giro- of kredietinstellingen daaronder begrepen.

3.

Voor het aangaan van een overeenkomst tot beëindiging van een geschil waarbij de minderjarige is betrokken, behoeft de voogd geen machtiging in het geval van artikel 20 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES of indien het voorwerp van de onzekerheid of het geschil een waarde van USD 840,– niet te boven gaat, noch indien de overeenkomst als een beheersdaad is te beschouwen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag, genoemd in het derde lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 346
1.

De voogd kan geen goederen van de minderjarige kopen of huren zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt.

2.

In geval van openbare verkoop of verhuur moet de goedkeuring binnen een maand daarna zijn aangevraagd.

Artikel 347
1.

Een in strijd met artikel 345 of 346 verrichte rechtshandeling ten name van de minderjarige is vernietigbaar; op de vernietigingsgrond kan slechts een beroep worden gedaan van de zijde van de minderjarige.

2.

Het eerste lid geldt niet voor een rechtshandeling anders dan om niet, indien de wederpartij te goeder trouw was en voor een rechtshandeling die de minderjarige geen nadeel heeft berokkend.

Artikel 348
1.

De voogd kan, zonder dat de rechter in eerste aanleg de te sluiten overeenkomst goedkeurt, geen inschuld ten laste van de minderjarige, noch enig beperkt recht op diens goederen van een derde verkrijgen.

2.

Ontbreekt deze goedkeuring, dan is de overeenkomst nietig.

Artikel 349
1.

Een voogd die zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg voor de minderjarige als eiser in rechte optreedt of tegen een uitspraak beroep instelt, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2.

De voogd mag niet zonder machtiging van de rechter in een tegen de minderjarige ingestelde eis of in een gedane uitspraak berusten.

3.

Hij kan, alvorens voor de minderjarige in rechte verweer te voeren of tegen een bij verstek gedane uitspraak verzet te doen, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechter.

Artikel 350
1.

De voogd draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de minderjarige.

2.

Hij behoeft voor elke belegging van gelden van de minderjarige machtiging van de rechter in eerste aanleg. Nochtans mag hij, voor zover de rechter niet anders bepaalt, zonder diens machtiging gelden ten name van de minderjarige beleggen bij een ingevolge de Wet financiële markten BES in het register financiële markten ingeschreven kredietinstelling op rekeningen, bestemd voor de belegging van gelden van minderjarigen, met het beding dat de gelden alleen worden terugbetaald met machtiging van de rechter.

Artikel 351
1.

Wanneer het vermogen van de minderjarige of een gedeelte daarvan in een onderneming van handel, landbouw of nijverheid is geplaatst, mag de voogd de zaken voor rekening, hetzij van de minderjarige alleen, hetzij van deze met anderen, niet voortzetten dan met machtiging van de rechter in eerste aanleg.

2.

Zonder machtiging van de rechter mag de voogd een boedel waartoe de minderjarige gerechtigd is, niet onverdeeld laten.

Artikel 352

Ondanks het ontbreken der vereiste machtiging zijn handelingen, door de voogd verricht in strijd met artikel 350 of artikel 351, geldig.

Artikel 353
1.

De voogd kan een de minderjarige opgekomen erfenis niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.

Hij kan niet zonder machtiging van de rechter in eerste aanleg een de minderjarige opgekomen erfenis verwerpen, noch van een deze toekomend aandeel in een ontbonden huwelijksgemeenschap afstand doen.

Artikel 354

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde de voogd ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

Artikel 355
1.

Aan een met het gezag belaste ouder of aan een ouder die alleen het bewind over het vermogen heeft en die aangifte heeft gedaan van zijn voornemen een huwelijk aan te gaan, kan de rechter in eerste aanleg opdragen binnen een bepaalde termijn een beschrijving van het vermogen van de kinderen op te maken en deze beschrijving of een afschrift daarvan ter griffie van het gerecht in te leveren.

2.

De artikelen 339, 340 en 341 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 356
1.

Aanwijzingen en machtigingen, als in deze paragraaf bedoeld, geeft de rechter in eerste aanleg slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden als hij dienstig oordeelt.

2.

Hij kan een gegeven aanwijzing of machtiging te allen tijde intrekken of de daaraan verbonden voorwaarden wijzigen.

Artikel 357

Indien de kosten van een ten behoeve van een minderjarige bevolen maatregel bij rechterlijke beschikking te diens laste zijn gebracht, treedt – in geval dientengevolge het vermogen van de minderjarige moet worden aangesproken – in de plaats van de bij artikel 345 bedoelde machtiging van de rechter in eerste aanleg, diens aanwijzing van de goederen die verkocht of bezwaard zullen worden.

Artikel 358
1.

De voogd mag alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk gerechtvaardigde uitgaven aan de minderjarige in rekening brengen.

2.

Indien de rechter in eerste aanleg een bedrag bepaalt hetwelk jaarlijks mag worden besteed voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige of voor de kosten van het beheer van diens vermogen, behoeft de voogd de besteding van dat bedrag niet gespecificeerd te verantwoorden.

3.

De rechter kan de voogd een beloning ten laste van de minderjarige toekennen, indien hij dit gezien de zwaarte van de last van het bewind redelijk acht. Buiten dit geval mag de voogd voor zichzelf geen loon berekenen, tenzij hem dat is toegekend bij de akte, waarbij hij door een ouder benoemd is.

Artikel 359
1.

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde ambtshalve aan de voogd de verplichting opleggen jaarlijks of eens in de twee of drie jaren ter griffie van het gerecht een rekening in te dienen van zijn bewind over de goederen van de minderjarige.

2.

De datum voor de indiening van de rekening wordt door de rechter bepaald.

Artikel 360
1.

Bij verschil van mening omtrent de rekening kan de rechter in eerste aanleg verbetering daarvan gelasten.

2.

Hij kan een of meer deskundigen benoemen, ten einde de ingediende rekening te onderzoeken.

3.

De rechter kan de kosten van dit onderzoek, indien slecht bewind aan het licht is gekomen, geheel of ten dele ten laste van de voogd brengen.

4.

De voogd ontvangt een afschrift van het door de deskundigen in te dienen schriftelijk bericht.

Artikel 361

De periodiek door de voogd gedane rekening of een eensluidend afschrift daarvan blijft berusten ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.

Artikel 362

De rechter in eerste aanleg kan ambtshalve de schade vaststellen die blijkens de rekening de minderjarige door slecht bewind van de voogd geleden heeft, en deze laatste tot vergoeding daarvan veroordelen.

Artikel 363
1.

De rechter in eerste aanleg kan te allen tijde bevelen dat de voogd voor zijn bewind zekerheid stelt. Hij stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast.

Inpandgeving van effecten aan toonder van de voogd geschiedt door hun inbewaargeving bij de Nederlandsche Bank N.V.

2.

De rechter bepaalt een redelijke termijn binnen welke de voogd hem te zijnen genoegen moet aantonen dat hij de van hem verlangde zekerheid gesteld heeft.

3.

De rechter kan de voogd toestaan een gestelde zekerheid door een andere te vervangen.

Indien het belang van de voogd het vervallen van een gestelde zekerheid volstrekt eist of handhaving daarvan niet nodig is, kan de rechter hem machtigen daarvan namens de minderjarige afstand te doen.

Artikel 364
1.

De door de voogd gestelde zekerheid houdt op, zodra zijn rekening en verantwoording is goedgekeurd, of zodra de rechtsvorderingen die zijn bewind betreffen overeenkomstig artikel 377 verjaard zijn.

2.

Alsdan worden op kosten van de minderjarige hypothecaire inschrijvingen doorgehaald en pandrechten op inschrijvingen in de grootboeken der nationale schuld.

Artikel 365

Indien de voogd in gebreke blijft:

  • a. gehoor te geven aan een oproeping van de rechter in eerste aanleg om voor hem te verschijnen;
  • b. een boedelbeschrijving of een verklaring als bedoeld in artikel 339 in te leveren;
  • c. op de door de rechter bepaalde datum zijn periodieke rekening in te dienen;
  • d. aan de minderjarige toebehorende spaarbankboekjes, gelden, of toondereffecten die hij niet te diens name heeft doen stellen, op de voorgeschreven wijze te bewaren;
  • e. de rechter het bewijs te leveren dat hij een van hem verlangde zekerheid gesteld heeft; of
  • f. de schadevergoeding te betalen waartoe de rechter hem ingevolge artikel 362 veroordeeld heeft, kan de rechter de voogdijraad hiervan in kennis stellen.
Artikel 366

Insgelijks kan de rechter in eerste aanleg de voogdijraad ervan in kennis stellen, dat:

  • a. de voogd in gevallen waarin hij machtiging van de rechter behoeft, zijn bewind eigenmachtig voert;
  • b. de voogd zich in zijn bewind aan ontrouw, plichtsverzuim of misbruik van bevoegdheid blijkt te hebben schuldig gemaakt.
Artikel 367

De voogdijraad die van de rechter in eerste aanleg zodanige mededeling ontvangt, onderwerpt, na onderzoek van de overige gedragingen van de voogd jegens de minderjarige, binnen zes weken na de dagtekening van die mededeling aan het oordeel van de rechter de vraag of ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid, onderdeel b, moet volgen.

Artikel 369
1.

Indien minderjarigen die onder voogdij van verschillende voogden staan, goederen gemeen hebben, kan de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van een der minderjarigen een van de voogden of een derde aanwijzen om over deze goederen tot de verdeling het bewind te voeren. De aangewezen bewindvoerder stelt de door de rechter van hem verlangde waarborgen.

2.

Komt de in het eerste lid omschreven bevoegdheid aan verschillende rechters toe, dan vervalt deze nadat een van hen daarvan heeft gebruik gemaakt.

3.

Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

Artikel 370
1.

De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de voogd of ambtshalve, het vermogen van de minderjarige of een deel daarvan, met inbegrip van de vruchten, voor de duur van diens minderjarigheid onder bewind stellen, indien hij dit in het belang van de minderjarige nodig oordeelt.

2.

De rechter benoemt de bewindvoerder en bepaalt het aan deze toekomende loon. Hij kan bij de instelling van het bewind bepalen dat de voogd de door de onderbewindstelling veroorzaakte kosten, met inbegrip van het loon, geheel of gedeeltelijk aan de minderjarige moet vergoeden, alsmede dat de voogd, behoudens zijn verhaal op de bewindvoerder, voor diens verrichtingen aansprakelijk is jegens de minderjarige.

3.

Op het bewind zijn de bepalingen omtrent het bewind van een voogd van overeenkomstige toepassing. De bewindvoerder is bij uitsluiting bevoegd tot vernietiging van rechtshandelingen van de minderjarige, strekkend tot beheer of beschikking met betrekking tot de onder bewind staande goederen.

4.

De rechter bepaalt welke uitkeringen de bewindvoerder uit de onder het bewind gestelde goederen en de vruchten daarvan aan de voogd moet doen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of ten behoeve van het beheer van diens niet onder het bewind gestelde goederen. Hij kan deze beschikkingen te allen tijde op verzoek van de voogd of de bewindvoerder of ambtshalve wijzigen.

5.

De bewindvoerder is verplicht aan de rechter te allen tijde alle door deze gewenste inlichtingen te verstrekken.

6.

Hij is voorts verplicht jaarlijks en aan het einde van zijn bewind aan de voogd, de meerderjarig gewordene of de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, ten overstaan van de rechter rekening en verantwoording af te leggen.

7.

Geschillen die bij de rekening en verantwoording rijzen, beslist de rechter.

8.

Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

9.

De rechter kan te allen tijde op verzoek van de bewindvoerder, de voogd of ambtshalve het bewind opheffen of de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 371

De voogd is verplicht ter griffie van het gerecht in eerste aanleg kennis te geven van elke verandering in zijn woonplaats.

Artikel 371a
1.

De griffier van het gerecht dat een voogd benoemt, doet daarvan onverwijld mededeling aan het gerecht in eerste aanleg van de woonplaats van de voogd.

2.

Woont de voogd niet meer binnen het rechtsgebied of is hij opgevolgd door een voogd binnen een ander rechtsgebied, dan zendt de griffier onverwijld de voogdijbescheiden naar de griffier van het gerecht waar de voogd of opvolgende voogd woonplaats heeft, onder opgave van diens adres.

§ 11. De rekening en verantwoording bij het einde van de voogdij

Artikel 372

Na het einde van zijn bewind doet de voogd daarvan onverwijld rekening en verantwoording. De kosten worden door de voogd betaald. Zij komen echter ten laste van de minderjarige, tenzij het bewind wegens ontzetting van de voogd eindigt. Voor zover de kosten niet op de minderjarige kunnen worden verhaald, komen zij ten laste van de ouders, en, zo zij ook op hen niet kunnen worden verhaald, ten laste van de Staat.

Artikel 373

Deze rekening en verantwoording doet de voogd hetzij aan de meerderjarig gewordene, hetzij aan de erfgenamen van de minderjarige, wanneer deze overleden is, hetzij aan zijn opvolger in het bewind.

Artikel 374
1.

Bedoelde rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de voogd wiens bewind eindigt, woonplaats heeft.

2.

Over geschillen die bij de aflegging van de rekening en verantwoording mochten rijzen, beslist de rechter.

3.

Blijft een der partijen in gebreke tot deze aflegging van rekening en verantwoording mede te werken, dan zijn de artikelen 771 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

Artikel 375

Een rechtshandeling die de meerderjarig gewordene betreffende de voogdij of de voogdijrekening richt tot of verricht met de voogd, is vernietigbaar, indien zij geschiedt vóór het afleggen van de rekening en verantwoording; alleen van de zijde van de meerderjarig gewordene kan een beroep op de vernietigingsgrond worden gedaan.

Artikel 376

Wat de minderjarige aan de voogd schuldig blijft, draagt geen rente, zolang hij niet – na het sluiten der rekening – met de voldoening van het verschuldigde in verzuim is.

Artikel 377

Elke rechtsvordering op grond van het gevoerde voogdijbewind – zowel van de zijde van de minderjarige als van die van de voogd – verjaart door verloop van vijf jaren na de dag waarop de voogdij van laatstgenoemde is geëindigd.

Titel 15. Omgang, informatie en raadpleging

Artikel 377a
1.

Het kind en de niet met het gezag belaste ouder hebben recht op omgang met elkaar.

2.

De rechter in eerste aanleg stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

  • a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
  • b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
  • c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
  • d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Artikel 377b
1.

De ouder die alleen met het gezag is belast, is gehouden de andere ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

2.

Indien het belang van het kind zulks vereist, kan de rechter zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft.

3.

Artikel 377e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 377c
1.

Onverminderd artikel 377b wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld, tenzij die derde de informatie niet op gelijke wijze zou verschaffen aan degene die met het gezag over het kind is belast dan wel bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, of het belang van het kind zich tegen het verschaffen van informatie verzet.

2.

Indien de informatie is geweigerd, kan de rechter op verzoek van de in het eerste lid bedoelde ouder bepalen dat de informatie op de door hem aan te geven wijze moet worden verstrekt. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, indien het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.

Artikel 377d
1.

Onverminderd het tweede lid begint de uitoefening van het recht op omgang zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

2.

De uitoefening van het recht op omgang begint, indien tevens een beschikking inzake het gezag is of wordt gegeven, niet eerder dan op het tijdstip waarop voor de andere ouder of voor de voogd het gezag is begonnen.

Artikel 377e

De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Artikel 377f
1.

Onverminderd artikel 377a kan de rechter op verzoek een omgangsregeling vaststellen tussen het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. De rechter kan het verzoek afwijzen, indien het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet of indien het kind dat twaalf jaar of ouder is, bezwaar maakt.

2.

De artikelen 377d en 377e zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 377g

De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 377a, 377b of 377f, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 377e wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Artikel 377h
1.

In geval van gezamenlijke gezagsuitoefening kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft, of inzake het verschaffen van informatie aan dan wel het raadplegen van die ouder als bedoeld in artikel 377b, eerste lid, dan wel inzake het verschaffen van informatie als bedoeld in artikel 377c, eerste en tweede lid.

2.

De artikelen 377e en 377g zijn van overeenkomstige toepassing.

Titel 15a. De centrale autoriteit en burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 377i

In deze Titel wordt verstaan onder

  • a. het Europese verdrag: het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (Trb. 1981, 10);
  • b. het Haagse verdrag: het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139);
  • c. internationale ontvoering van kinderen: de ongeoorloofde overbrenging of het ongeoorloofd niet doen terugkeren van een kind in strijd met een gezagsrecht, als omschreven in artikel 3 in verband met artikel 5 onder a van het Haagse verdrag;
  • d. Gerecht in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 377j

Deze wet regelt de incorporatie van de in artikel 377i vermelde verdragen en is tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Artikel 377k
1.

Deze wet is van toepassing op internationale ontvoering van kinderen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.

2.

Bereikt een kind ten aanzien waarvan een verzoek om teruggeleiding in behandeling is de leeftijd van zestien jaren, dan wordt de behandeling van dat verzoek ambtshalve gestaakt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering van een beslissing op een verzoek.

Afdeling 2. Taak en bevoegdheden van de centrale autoriteit

Artikel 377l
1.

Onze Minister van Justitie wijst bij in de Staatscourant openbaar te maken besluit de onder zijn ministerie ressorterende dienst, diensten of vertegenwoordigers op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan, die aldaar wordt of worden belast met de taak van centrale autoriteit, bedoeld in artikel 2 van het Europese verdrag en in artikel 6 van het Haagse verdrag. Deze autoriteit is als zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken in gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

2.

De aanwijzing van de centrale autoriteit als bedoeld in het eerste lid staat er niet aan in de weg dat een persoon zich rechtstreeks tot de rechter of andere autoriteiten wendt om de erkenning van het wettig gezag over een ontvoerd kind, het herstel van dat gezag en de teruggeleiding van dat kind te bereiken, of de vaststelling of wijziging van een omgangsregeling te verkrijgen.

Artikel 377m
1.

De centrale autoriteit is bevoegd, zo nodig ook zonder uitdrukkelijke volmacht van degene die zich met een verzoek tot haar heeft gewend, namens hem, anders dan in rechte, op te treden.

2.

De centrale autoriteit draagt zelf alle kosten die aan de uitvoering van haar taak zijn verbonden, voor zover deze niet door haar teruggevorderd kunnen worden van de verzoeker of verhaald op de persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is of medeverantwoordelijk is.

Artikel 377n
1.

Indien de centrale autoriteit besluit om een verzoek tot teruggeleiding van een kind niet in behandeling te nemen of de behandeling van een zodanig verzoek te staken, deelt zij zulks terstond aan de verzoeker mee. De verzoeker kan van de centrale autoriteit verlangen, haar beslissing aan hem mee te delen in de vorm van een beschikking met vermelding van de gronden die tot de beslissing hebben geleid. De centrale autoriteit deelt haar beschikking bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee.

2.

De verzoeker kan binnen een maand na de ontvangst van de beschikking daartegen bij het Gerecht in eerste aanleg opkomen, bij een bezwaarschrift dat moet worden ingediend door een advocaat. Het Gerecht hoort de verzoeker en de centrale autoriteit op het bezwaarschrift. Indien het Gerecht het bezwaar gegrond acht, vernietigt zij de beschikking van de centrale autoriteit en geeft zij een met reden omklede beschikking die in haar plaats treedt. Tegen de beschikking van het Gerecht staat geen hogere voorziening open behoudens cassatie in het belang der wet.

Artikel 377o

De centrale autoriteit kan de uitvoering van bepaalde handelingen overeenkomstig door haar te geven aanwijzingen opdragen aan de voogdijraad. De bepalingen van deze Afdeling zijn mede van toepassing ten aanzien van de voogdijraad.

Artikel 377p

De gezaghebber en de ambtenaren van de burgerlijke stand verschaffen de centrale autoriteit kosteloos alle inlichtingen en verstrekken haar kosteloos en vrij van zegel alle afschriften en uittreksels uit hun registers die deze autoriteit van hen vraagt in verband met de uitvoering van haar taak.

Artikel 377q
1.

Indien de centrale autoriteit voor het vinden van de verblijfplaats van een kind in een openbaar lichaam medewerking behoeft van ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan zij zich voor het verkrijgen daarvan wenden tot de officier van justitie.

2.

De officier van justitie behandelt een verzoek om medewerking van de centrale autoriteit met voorrang.

3.

De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak die is aangewezen om zijn medewerking te verlenen aan de opsporing van de verblijfplaats van een kind mag daartoe elke plaats betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

Artikel 377r
1.

De centrale autoriteit stelt de persoon bij wie het ontvoerde kind verblijft bij aangetekende brief in kennis van het verzoek tot teruggeleiding en de gronden waarop het berust. Zij geeft in deze mededeling tevens kennis van de mogelijkheid dat een verzoek tot afgifte van een rechterlijk bevel tot teruggeleiding kan worden ingediend, indien niet binnen een door haar te stellen redelijke termijn vrijwillig aan dat verzoek is voldaan.

2.

De centrale autoriteit kan de in het vorige lid bedoelde mededeling achterwege laten, indien naar haar oordeel in verband met de omstandigheden van het geval de uiterste spoed geboden is of de vrijwillige medewerking van degene bij wie het kind verblijft niet is te verwachten.

Afdeling 3. Rechtspleging in verband met internationale ontvoering van kinderen en het omgangsrecht

Artikel 377s
1.

Het Gerecht in eerste aanleg is, onverminderd de bevoegdheid van de rechter in kort geding, bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens van het betreffende openbare lichaam.

2.

Het Gerecht in eerste aanleg is, onverminderd de bevoegdheid van de rechter in kort geding, bevoegd tot de kennisneming van alle zaken met betrekking tot de regeling en uitvoering van het omgangsrecht in internationale gevallen, daaronder begrepen verzoeken als bedoeld in artikel 377v van deze wet.

Artikel 377t

De in artikel 377s bedoelde zaken worden ingeleid met een verzoekschrift.

Artikel 377u
1.

De gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene aan wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens van een openbaar lichaam is slechts mogelijk op grond van een daartoe strekkend bevel van de rechter.

2.

De rechter behandelt het verzoek bij voorrang. Het verzoek wordt met gesloten deuren behandeld. De rechter beslist niet dan na het kind in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, althans na het daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van het kind onmogelijk is of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8 of 9 van het Europese verdrag. Het bepaalde in artikel 802 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is van toepassing.

3.

In de gevallen waarin geen verdrag toepasselijk is kan de rechter het verzoek afwijzen op de gronden vermeld in de artikelen 12, tweede lid, 13 en 20 van het Haagse verdrag.

4.

De rechter kan op verzoek of ambtshalve de voogdijraad belasten met de voorlopige toevertrouwing over het kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in het vijfde lid. De beschikking verliest haar kracht van rechtswege als het verzoek wordt afgewezen. De zesde afdeling van titel veertien van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES inzake voogdij is niet van toepassing op de uitoefening van de voorlopige toevertrouwing als bedoeld in de artikelen 241, 271, 272, 331 en 332 van dit Boek.

5.

Als de rechter het verzoek toewijst, beveelt hij de afgifte van het kind aan degene aan wie het gezag erover toekomt, of, indien zulks niet aanstonds mogelijk is, voorlopig aan de voogdijraad. Hij kan tevens op verzoek of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de centrale autoriteit, of aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten. Indien meer personen bij de ontvoering zijn betrokken, zijn zij hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt.

6.

Artikel 813, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES is van toepassing op de tenuitvoerlegging van een bevel als bedoeld in het vijfde lid.

7.

Hoger beroep van een eindbeslissing moet worden ingesteld binnen twee weken na de dagtekening van die beslissing.

8.

Tegen de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Artikel 377v
1.

Ieder die in een openbaar lichaam het gezag uitoefent over een kind kan de rechter verzoeken, de in het tweede lid bedoelde beslissingen te geven ter zake van het omgangsrecht met betrekking tot dat kind, indien het zich in verband met de uitoefening daarvan naar het buitenland moet begeven. De beslissingen kunnen worden gegeven voor een of meer bepaalde bezoeken of voor bepaalde tijdvakken waarin het omgangsrecht met betrekking tot het kind kan worden uitgeoefend.

2.

De in het eerste lid bedoelde beslissingen zijn:

  • a. vaststelling dat het wettig gezag aan de verzoeker toekomt in gevallen dat zulks niet reeds vaststaat door een rechterlijke beslissing;
  • b. regeling van de plaats en de duur van het verblijf van het kind in het buitenland en, zo nodig, andere omstandigheden met betrekking tot het verblijf, zulks met inachtneming van reeds van kracht zijnde beslissingen inzake het omgangsrecht;
  • c. het richten van een verzoek aan de bevoegde autoriteiten van de staat waar het kind tijdens de uitoefening van het omgangsrecht verblijft toezicht te houden of te doen houden op de juiste naleving van dat recht, in het bijzonder wat de plaats en de duur ervan betreft en voorts, indien nodig, maatregelen te treffen tot teruggeleiding van het kind na ommekomst van de termijn van uitoefening van dat recht.
Artikel 377w

De rechter die moet beslissen met betrekking tot het gezag over een kind ten aanzien waarvan een verzoek tot teruggeleiding is gedaan bij de centrale autoriteit, houdt zijn beslissing aan totdat op dat verzoek onherroepelijk is beslist. Is nog geen verzoek tot teruggeleiding gedaan, dan houdt de rechter zijn beslissing gedurende een redelijke termijn aan, als hij goede gronden heeft om aan te nemen dat het kind internationaal is ontvoerd in de zin van artikel 377i, onderdeel c, van dit Boek en dat een verzoek tot zijn teruggeleiding zal worden ingediend.

Artikel 377x
1.

Ieder die in verband met de toepassing van een verdrag als bedoeld in artikel 377i van dit Boek of in verband met de toepassing van deze regeling in rechte wil optreden en daartoe rechtsbijstand behoeft, kan zo nodig daarop recht doen gelden op de voet van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES.

2.

De in het eerste lid bedoelde personen zijn vrijgesteld van het stellen van zekerheid voor de betaling van kosten, schaden en interessen waarin zij zouden kunnen worden verwezen.

Artikel 377y

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over de uitvoering of toepassing van deze Titel.

Titel 15b. Ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen

Artikel 378
1.

Een meerderjarige kan door de rechter in eerste aanleg onder curatele worden gesteld:

  • a. wegens een geestelijke stoornis, waardoor de gestoorde, al dan niet met tussenpozen, niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen;
  • b. wegens verkwisting;
  • c. wegens gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen, waardoor hij:
  • 1°. zijn belangen niet behoorlijk waarneemt,
  • 2°. in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft, of
  • 3°. de eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt.
2.

Indien te verwachten is dat ten aanzien van een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, van een der in het eerste lid genoemde gronden voor curatele sprake zal zijn, kan de curatele reeds voor de meerderjarigheid worden uitgesproken.

Artikel 379

De curatele kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten alsmede door zijn voogd; zij kan ook worden gevorderd door het Openbaar Ministerie.

Artikel 380
1.

De rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was, kan, desverzocht of ambtshalve, een provisionele bewindvoerder benoemen; de beschikking vermeldt het tijdstip waarop zij in werking treedt.

2.

Hij regelt in deze beschikking de bevoegdheden van de bewindvoerder. Hij kan de bewindvoerder het bewind over bepaalde of alle goederen opdragen. Aan de bewindvoerder kan de rechter ook andere bevoegdheden toekennen, doch niet die welke een curator niet heeft. Voor zover de rechter niet anders bepaalt, kan degene wiens curatele is verzocht, met betrekking tot die goederen niet zonder medewerking van de bewindvoerder daden van beheer en van beschikking verrichten.

3.

In de beschikking kan tevens worden bepaald dat schulden die degene wiens curatele is verzocht, na de bekendmaking van de benoeming maakt, op de onder bewind gestelde goederen gedurende dit bewind en de curatele, indien deze volgt, niet kunnen worden verhaald.

4.

De beschikking kan te allen tijde worden gewijzigd of ingetrokken door de rechter voor wie het verzoek tot ondercuratelestelling aanhangig is of laatstelijk aanhangig was.

5.

De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter in eerste aanleg daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

Artikel 381
1.

De curatele werkt met ingang van de dag waarop zij is uitgesproken.

In het geval, bedoeld in artikel 378, tweede lid, werkt de curatele met ingang van het tijdstip waarop de onder curatele gestelde meerderjarig wordt.

2.

Vanaf deze tijdstippen is de onder curatele gestelde onbekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.

3.

Een onder curatele gestelde is bekwaam rechtshandelingen te verrichten met toestemming van zijn curator, voor zover deze bevoegd is die rechtshandelingen voor de onder curatele gestelde te verrichten. De toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of voor een bepaald doel. De toestemming voor een bepaald doel moet schriftelijk worden verleend.

4.

Met betrekking tot aangelegenheden betreffende verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van een onder curatele gestelde zijn de artikelen 453 en 454 van overeenkomstige toepassing.

5.

Hij is bekwaam over gelden die zijn curator voor levensonderhoud te zijner beschikking heeft gesteld, overeenkomstig deze bestemming te beschikken.

6.

In zaken van curatele is degene wiens curatele het betreft, bekwaam in rechte op te treden en tegen een uitspraak beroep in te stellen.

Artikel 382

Hij die onder curatele staat mag geen familierechtelijke handelingen verrichten zonder toestemming van de rechter in eerste aanleg.

Artikel 383
1.

De rechter benoemt bij het uitspreken van de curatele of, indien hij zich nog niet voldoende voorgelicht acht, zo spoedig mogelijk daarna een curator.

2.

De rechter volgt bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

3.

Tenzij het tweede lid is toegepast, wordt, indien de onder curatele gestelde is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot curator benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot curator benoemd. Huwt de onder curatele gestelde of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de niet onder curatele staande echtgenoot of de andere levensgezel in de plaats van de tegenwoordige curator wordt benoemd.

4.

De taak van de curator vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden. Op die dag eindigt het provisioneel bewind. De provisionele bewindvoerder is verplicht ten overstaan van de rechter in eerste aanleg aan de curator rekening en verantwoording van zijn bemoeienissen af te leggen; wordt hij zelf tot curator benoemd, dan wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd. Indien de curator vóór de meerderjarigheid van de onder curatele gestelde is benoemd, vangt zijn taak aan op het tijdstip waarop de curatele in werking treedt.

5.

Indien het verzoek tot ondercuratelestelling wordt afgewezen, eindigt het bewind van de provisionele bewindvoerder daags na die uitspraak, tenzij de rechter anders bepaalt, en in ieder geval uiterlijk daags nadat de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 384

Indien een beschikking waarbij curatele is uitgesproken, in hoger beroep of cassatie wordt vernietigd en het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog wordt afgewezen, neemt de taak van de curator daags na deze uitspraak een einde.

De inmiddels door de curator of met zijn toestemming verrichte handelingen blijven voor de onder curatele gestelde verbindend.

Artikel 385
1.

Behoudens het in de artikelen 383 en 384 bepaalde vinden de artikelen 250, 280, onderdeel b, 281, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 297 tot en met 299, 322, onderdelen a en c, 324, 336 en 372 tot en met 377 bij curatele overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

  • a. in geval van benoeming van een ouder tot curator een bereidverklaring als bedoeld in artikel 280, onderdeel b, niet is vereist;
  • b. aan de voogdijraad ter zake geen bevoegdheden toekomen;
  • c. de curator te allen tijde wegens gewichtige redenen op eigen verzoek, op verzoek van de onder curatele gestelde, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve door de rechter in eerste aanleg kan worden ontslagen.
2.

Een curator die niet is de echtgenoot of andere levensgezel of bloedverwant in de rechte lijn van de onder curatele gestelde, kan bovendien ontslag verzoeken wanneer hij de curatele ten minste acht jaren heeft uitgeoefend; het ontslag wordt verleend zodra de rechter in eerste aanleg zich in staat acht een geschikte opvolger te benoemen.

Artikel 386
1.

Op het bewind van de curator zijn de omtrent het bewind van de voogd gegeven voorschriften van overeenkomstige toepassing. Tenzij de beloning bij het uitspreken van de curatele anders is geregeld, komt de curator – de ouder-curator daaronder begrepen – als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de rechter in eerste aanleg, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de curator of van de onder curatele gestelde, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven.

2.

De inkomsten van hem die onder curatele is gesteld, moeten in de eerste plaats worden besteed voor een voldoende verzorging van de betrokkene.

3.

Voor de toepassing van de artikelen 365 tot en met 367 treedt de officier van justitie in de plaats van de voogdijraad, en het ontslag, bedoeld in artikel 385, eerste lid, onderdeel c, in de plaats van de ontzetting van de voogd op grond van artikel 327, eerste lid, onderdeel b.

4.

Indien een gehuwde onder curatele wordt gesteld, en tussen de echtgenoten het bestuur over hun goederen en de goederen der gemeenschap anders is verdeeld dan volgens de regels van de wet en van huwelijkse voorwaarden, bepaalt de rechter bij het uitspreken van de curatele of en in hoeverre die verdeling ook voor de curator zal gelden.

Artikel 387
1.

De rechter in eerste aanleg heeft mede het vermogen om de persoon die uit hoofde van gewoonte van drankmisbruik dan wel gewoonte van misbruik van verdovende of stimulerende middelen onder curatele is gesteld, hetzij tegelijk met deze voorziening, hetzij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch, zo nodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, ter verpleging in een inrichting te doen plaatsen, wanneer blijkt dat hij in het openbaar herhaaldelijk aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van anderen in gevaar brengt. Indien er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, en de vertraging tot de afloop van het rechterlijk onderzoek gevaarlijk zou kunnen zijn, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om, hangende dat onderzoek, zodanige voorlopige behoedmiddelen, en desnoods de vastzetting, te bevelen als de omstandigheden vorderen.

2.

De inrichtingen waar de verpleging bedoeld in het eerste lid kan plaats vinden, worden aangewezen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de minister, belast met de zorg voor de volksgezondheid. Een aanwijzing kan te allen tijde worden ingetrokken. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden worden gesteld.

Artikel 388

Het verzoek tot vastzetting kan aan de rechter in eerste aanleg worden gedaan door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator en door het Openbaar Ministerie.

Artikel 389
1.

De curatele eindigt wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat de oorzaken die tot de curatele hebben aanleiding gegeven, niet meer aanwezig zijn.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)