Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Als artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

4.3.3. Voorschrift

4.4. Geldigheidsduur

Op grond van artikel 5.10, onder c, BTU-BES wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 5.9 BTU-BES, op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Het kind moet wel onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staan. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.

4.4. Geldigheidsduur

4.2. Vereiste bescheiden

4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

De verblijfsvergunning wordt op grond van artikel 5.18, onder a, BTU-BES verleend als de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).

Als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van artikel 5.10, aanhef en onder b, BTU-BES met een persoon die houder is van een verblijfsvergunning, dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven bruto-inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Voor kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd, is er een bijzondere regeling.

De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in de openbare lichamen geboren kind, als:

De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in de openbare lichamen geboren kind, als:

5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

6. Verruimde gezinshereniging

5.4.3. Voorschrift

5.5. Geldigheidsduur

In afwijking van artikel 5.25 BTU-BES kan op grond van artikel 5.26 BTU-BES de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging als minderjarige worden verleend voor de duur van ten hoogste:

6.2. Vereiste bescheiden

De bijzondere vereisten voor toelating zijn als volgt:

De verblijfsvergunning wordt niet verleend als één van de kinderen niet duurzaam beschikt of de kinderen niet duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie hoofdstuk 3, paragraaf 1.9.3.3).

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verruimde gezinshereniging bij (naam gezinslid)’.

6.3.3. Voorschrift

6.4. Geldigheidsduur

Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

7. Artikel 8 EVRM

In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:

6.4. Geldigheidsduur

7.2. Inmenging

Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:

6.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Ook als er geen sprake is van inmenging moet er een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaatsvinden.

7.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam)’.

Het verschil tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen is een juridisch verschil.

2. Adoptiekinderen

2. Adoptiekinderen

2. Adoptiekinderen

3. Buitenlandse pleegkinderen

3.1. Verblijfsvoorwaarden

Wanneer dit niet uit de medische verklaring blijkt, moet het kind (in de openbare lichamen) alsnog een TBC onderzoek ondergaan. Alleen wanneer niet aan dit onderzoek wordt meegewerkt of wanneer het kind weigert mee te werken aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen, wordt de aanvraag met toepassing van artikel WTU-BES afgewezen.

De aanvraag wordt afgewezen als niet door middel van officiële gelegaliseerde/geapostilleerde documenten wordt aangetoond dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger, of (indien zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist.

De ouders moeten ook het wettelijk gezag over de minderjarige (tijdelijk) aan de aspirant pleegouders overdragen. Per land moet onderzocht te worden of dit kan via een notariële verklaring of dat de ouders hiervoor een rechterlijke uitspraak nodig hebben.

De verblijfsvergunning wordt niet verleend als de aspirant-pleegouders niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

3.4. Geldigheidsduur

De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Als de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren.

Hoofdstuk 13. Wedertoelating

Op grond van artikel 5.2 lid 1 onder g, BTU-BES kan aan een oud-Nederlander verblijf verleend worden in het kader van wedertoelating tot de openbare lichamen.

Op grond van artikel 5.2 lid 1 onder g, BTU-BES kan aan een oud-Nederlander verblijf verleend worden in het kader van wedertoelating tot de openbare lichamen.

2. Oud-Nederlanders

2. Oud-Nederlanders

Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:

Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:

2.2. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in de openbare lichamen

Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in de openbare lichamen zijn geboren en getogen, geldt dat zij, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in de openbare lichamen hebben verbleven, geacht worden zodanig sterke banden met de openbare lichamen te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit de openbare lichamen te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in de openbare lichamen.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

3.1. Algemeen

3. Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder d of f, RWN)

3.3. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor onbepaalde tijd

Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging. Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in de openbare lichamen heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.

Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde- of onbepaalde tijd moet de vreemdeling de volgende bescheiden overleggen:

3.4. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

4. Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, RWN)

4.1. Verblijfsvoorwaarden

Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:

Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling remigreert op grond van de remigratiewet naar het land van herkomst. Om in aanmerking te komen voor deze regelgeving moet de vreemdeling afstand doen van de Nederlandse nationaliteit. De vreemdeling moet binnen één jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.

4.2. Vereiste bescheiden

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.

5.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

6. Geldigheidsduur

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

7.2. Intrekking

Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.

8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex artikel 17 RWN

De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek, als bedoeld in artikel 17 RWN, heeft ingediend, als:

8.2. Vereiste bescheiden

8.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.

8.5. Aard van het verblijfsrecht

Als artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.

8.3.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

8.5. Aard van het verblijfsrecht

8.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

8.6.1. Verblijfsvoorwaarden

8.6.2. Vereiste bescheiden

Hoewel het merendeel van de slachtoffers van mensenhandel vrouw is, is in dit hoofdstuk afgezien van het hanteren van de meer gangbare term ‘vrouwenhandel’. Dit om eventuele verwarring te voorkomen, omdat ook mannelijke en minderjarige slachtoffers een beroep kunnen doen op de procedure die in dit hoofdstuk is beschreven.

Voor zowel het opsporings- als het vervolgingsonderzoek is van groot belang dat zowel slachtoffers die aangifte doen of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek, als getuigen die aangifte doen, gedurende langere tijd ter beschikking blijven van het OM om de bewijsvorming te kunnen afronden. Dit rechtvaardigt het verlenen van een tijdelijke verblijfsvergunning.

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.

2. Slachtoffer mensenhandel

Hoofdstuk 14. Mensenhandel

Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in deze paragraaf te ontvallen.

4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 7 WTU-BES, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als:

3.2. Vereiste bescheiden

4. De beslissing

De getuige-aangever van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges voor het indienen van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel.

De vreemdeling kan een aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel indienen bij de IND-unit Caribisch Nederland.

3.2. Vereiste bescheiden

3.2. Vereiste bescheiden

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk 14 van de CTU-BES.

4.1. Beslissing op de aanvraag

4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.

6. Verlenging

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.

Zodra het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND-unit Caribisch Nederland en aan de getuige-aangever.

6.2. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever

6. Verlenging

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

6.2. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever

6.3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

6.4. Leges

6.4. Leges

Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:

Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging van toepassing, met uitzondering van de bepalingen inzake het middelenvereiste.

Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf

De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.

In de regel kan een verblijfsvergunning met als doel voortgezet verblijf pas na vijf jaar rechtmatig verblijf worden aangevraagd. In die vijf voorafgaande jaren moet de vreemdeling verblijf hebben gehad in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming.

De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.

2.1. Verblijfsvoorwaarden

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

2.2. Vereiste bescheiden

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

2.3.1. Beperking

2.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Voorbeeld:

Het gaat hier om vreemdelingen die als echtgenoot, (geregistreerd) partner, meerderjarig kind, als ouder of ander gezinslid in het kader van gezinsvorming of (verruimde) gezinshereniging verblijf in de openbare lichamen hebben gehad.

Het gaat hier om vreemdelingen die als echtgenoot, (geregistreerd) partner, meerderjarig kind, als ouder of ander gezinslid in het kader van gezinsvorming of (verruimde) gezinshereniging verblijf in de openbare lichamen hebben gehad.

De (huwelijks)partner van een vreemdeling die zelf toegelaten is als student komt niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Dit zou immers betekenen dat de afhankelijke vreemdeling sneller in een betere verblijfsrechtelijke positie terecht zou komen dan de verblijfgever.

Moeder van kind heeft minimaal vijf jaar een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst. Vader van het kind heeft minimaal vijf jaar een verblijfsvergunning met als doel ‘gezinsvorming of gezinshereniging’ bij zijn vrouw. Het inmiddels meerderjarige kind heeft als minderjarige minimaal vijf jaar een verblijfsvergunning met als doel ‘gezinsvorming of gezinshereniging’ bij zijn ouders gehad. Dit kind kan – als aan alle voorwaarden zijn voldaan – een verblijfsvergunning met als doel ‘voortgezet verblijf’ verkrijgen, ook al hebben ouders dit sterker verblijfsrecht (nog) niet. In een dergelijk geval heeft het kind een sterker verblijfsrecht dan zijn ouders. Dit is gerechtvaardigd omdat het kind sneller integreert in de samenleving dan de ouders en komt derhalve in aanmerking voor een sterkere verblijfsvergunning dan de ouders.

Voorbeeld 1:

Voorbeeld 2:

Een man en vrouw hebben al gedurende acht jaar een relatie. De man heeft gedurende de afgelopen vijf jaar verblijf bij haar gehad. De man en vrouw hebben nog steeds een relatie en blijven bij elkaar wonen. Toch wil de man een verblijfsvergunning aanvragen in het kader van voortgezet verblijf. Wanneer aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, krijgt de man de gevraagde verblijfsvergunning. Dat hij nog steeds een relatie met zijn vriendin heeft is geen reden de man te verplichten de afhankelijke verblijfsvergunning – afhankelijk van de relatie met zijn vriendin – te houden.

3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

3.3.3. Voorschrift

3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner

4.4. Geldigheidsduur

4.2. Vereiste bescheiden

4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

Bij een minderjarige is in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.

Artikel 5.24 BTU-BES regelt de mogelijkheid dat ook wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor verblijf als genoemd in artikel 5.22 en 5.23 BTU-BES die hierboven in paragraaf 2 en 3 zijn beschreven, toch voortgezet verblijf verleend kan worden vanwege bijzondere omstandigheden.

Hoewel het zowel om groepen als om individuele gevallen kan gaan moet vooral gedacht worden aan:

Bij een minderjarige is in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.

De IND unit Caribisch Nederland kan aan een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan een verblijfsvergunning verlenen op grond van artikel 5.24 BTU-BES.

De vreemdeling die onder één van de hierboven genoemde twee categorieën valt, is de eerst aangewezene om dit aan te tonen middels het overleggen van een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak.

De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verlenen als:

1. Inleiding

5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5.3.1. Beperking

5.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Ten aanzien van getuige-aangevers geldt evenals ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel dat onder de veroordeling ook de veroordeling wordt verstaan op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven, mits mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.

5.4. Geldigheidsduur

5.2. Vereiste bescheiden

5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending

1. Inleiding

De verzoeken om bescherming worden vertrouwelijk behandeld. De Wbp-Bes is van toepassing. Er wordt tijdens de procedure géén contact gelegd met de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling om zijn identiteit en/of de verklaringen te toetsen. Wanneer er na de beslissing op de aanvraag contact wordt opgenomen met de autoriteiten van het land van herkomst, wordt niet bekend gemaakt dat de vreemdeling een verzoek om bescherming heeft ingediend op de openbare lichamen.

Aanvragen om bescherming worden individueel beoordeeld.

Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.

Of een vreemdeling als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de vreemdeling vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of hij persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken en daardoor gevaar loopt.

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging

Als de vervolging plaatsvindt door partijen of organisaties die niet het gehele grondgebied beheersen, komt de vreemdeling niet voor bescherming in aanmerking als is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.

2.2. Vervolgingsgronden

Voorzover van toepassing kan bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling verdragsvluchteling is gebruik worden gemaakt van de in het Nederlandse landgebonden beleid van de Vreemdelingenwet aangewezen risicogroepen. Wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij tot een aangewezen risicogroep behoort en problemen heeft, kan snel worden geconcludeerd dat deze problemen ook voldoende zwaarwegend zijn om vluchtelingschap aan te nemen. Indien een vreemdeling bijvoorbeeld aannemelijk maakt dat hij journalist was in een land van herkomst en in het betrokken landgebonden beleid journalisten als risicogroep zijn aangewezen omdat het centrale gezag censuur toepast, valt de toets al snel in het voordeel van de vreemdeling uit en kan hij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning.

2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

Vervolging om reden van godsdienst doet zich op verschillende manieren voor, zoals:

2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep

Voorbeelden van een uiting van een politieke overtuiging kunnen zijn een pamflet of een journalistiek stuk of een lidmaatschap van een verboden partij. Het bestaan ervan op zich is nog niet voldoende om al een situatie aan te nemen van vervolging. Bij vervolging wordt gedoeld op een situatie waarin de autoriteiten op de hoogte zijn van genoemde situaties en in deze omstandigheden de schrijver van het stuk of het lid van een verboden partij of de bezitter van een pamflet onderwerpt aan gevangenis- of lijfstraffen vanwege het enkele feit dat zij lid zijn van de verboden partij.

2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep

2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie

Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.

Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. Het individualiseringsvereiste is het uitgangspunt. Strafvervolging van een voorschrift dat specifiek voor vrouwen geldt, levert vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag op, als aannemelijk is dat:

Het gaat hier dus om dat deel van de (tenuitvoerlegging van de) bestraffing, waarin tot uiting komt dat de beschermingszoeker (ook) wordt gestraft om redenen die verband houden met de vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.

waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd.

2.5. Bijzondere situaties

Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. In dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Er moet echter wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.

De betrokkene moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren moeten zich richten tegen het gebruik van geweld over het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoolde persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.

Voor wat betreft de eerste subcategorie geldt als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door:

2.6.2. Artikel 1B

Als aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de vreemdeling geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel moet worden nagegaan of de vreemdeling, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b (ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict) beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.

Ook wanneer een vreemdeling zijn politieke overtuiging pas verkondigt na vertrek uit zijn land van herkomst, kan hij refugié sur place worden. Dit kan het geval zijn als hij aannemelijk maakt dat de overtuiging al bestond in het land van herkomst. In ieder geval is vereist dat:

2.6.5. Artikel 1E

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.6.2. Artikel 1B

2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag

2.6.4. Artikel 1D

2.6.1. Algemeen

2.6.2. Artikel 1B

Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

Bijvoorbeeld is het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op staatloze Palestijnen in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden omdat zij onder het mandaat vallen van de UNRWA. In het geval een Palestijn het mandaatgebied van de UNRWA zelfstandig verlaat, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat voor deze persoon automatisch een verblijfsvergunning voor bescherming moet worden verleend. In gevallen waarin de personen het mandaatgebied hebben verlaten en in een ander land bescherming vragen dient een individuele beoordeling van de aanvraag om bescherming plaats te vinden.

De pre-dominantietest kan achterwege blijven bij misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap. Voorbeelden van zulke internationale instrumenen zijn het Genocide Verdrag, het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 1977 en de resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van respectievelijk 19 oktober 1999 en september 2001 inzake terrorisme.

2.7. Terugzending (refoulement)

Bij de toetsing van de verschillende deelnemingsvormen aan een misdrijf, bijv. het plegen van of iemand aanzetten tot het plegen van een misdrijf of deelnemen aan een criminele organisatie moet aansluiting worden gezocht bij de artikelen 25, en 28 van het Statuut van Rome.

3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling

De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.

3.1. Foltering of onmenselijke behandeling

Op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU, kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

De reikwijdte van artikel 3 EVRM wordt bepaald door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. De jurisprudentie blijft in ontwikkeling.

3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden

Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07

4. De beoordeling van aanvragen om bescherming

Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU, aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.

4. De beoordeling van aanvragen om bescherming

Een aanvraag om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling indien aannemelijk is dat de openbare lichamen niet het eerste land van ontvangst zijn omdat de vreemdeling:

4.2. Toetsingsvolgorde

Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Zie 4.4. voor de situatie waarin een vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Ook bij de toetsing aan artikel 3 EVRM speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol.

Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene bij terugkeer naar zijn land van herkomst een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM staat te wachten, dient vervolgens getoetst te worden of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde. Zo dit niet het geval is kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES. wanneer.

4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid

Ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland kunnen als gezaghebbende bronnen worden aangemerkt.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

5. De procedure van verzoeken om bescherming

5.1. Start van de procedure

Er zijn ernstige redenen om aan te nemen dat:

5.1. Start van de procedure

5.4. Geen aantekeningen in documenten

Een gevaar voor de nationale veiligheid is een weigeringsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er moeten concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst

Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.

In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.

5.5. Aanmelding en meldplicht

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

Aantekeningen kunnen slechts worden gesteld op een afzonderlijk los inlegblad.

5.5. Aanmelding en meldplicht

De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.

De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.

Voordat de vreemdeling op de afgesproken tijd verwacht wordt, bereidt de IND unit Caribisch Nederland het gehoor zorgvuldig voor. Op basis van de schriftelijke motivering van de vreemdeling en aan de hand van de opgegeven nationaliteit en de verdere beschikbare gegevens bepaalt de IND unit Caribisch Nederland welke documentatie hij tijdens het gehoor nodig heeft, zoals een atlas om de woonomgeving en de vluchtroute van de vreemdeling te kunnen verifiëren. De IND unit Caribisch Nederland zet voor zichzelf de informatie van de vreemdeling af tegen de feiten die hij in de landeninformatie heeft gevonden. Op deze wijze kan de IND unit Caribisch Nederland gericht vragen voorbereiden en wellicht aansluitend aan het gehoor een beslissing nemen op de aanvraag.

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

De IND unit Caribisch Nederland gaat na of alle formulieren ondertekend zijn en of het dossier nu compleet is of dat er nog aandachtspunten zijn voor de beslissing op de verblijfsvergunning. Daarbij kan gedacht aan bijvoorbeeld een controle van de verblijfshistorie van betrokkene in de vreemdelingenadministratie of het maken van een aantekening in het dossier van zaken die bij het eerste persoonlijk contact opvallen, zoals bijvoorbeeld een ziek kind.Er dienen ook foto’s van de vreemdeling in het dossier aanwezig te zijn.

5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie

5.9. Mededelingen omtrent wijziging van de situatie

5.10.1. Inwilligende beslissing

Tevens dient de vreemdeling en de hem bijstaande personen of instanties erop gewezen te worden dat het van belang is dat ook zij relevante gegevens aan de IND unit Caribisch Nederland – al dan niet door tussenkomst van de politie – doorgeven.

5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet

De beslissing houdt tevens een uitspraak in over de verwijdering.

Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.

In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.

5.15. Doormigratie

5.11. Kennisgeving van beslissingen en aanzegging van vertrek

Bij de uitreiking dient aan de vreemdeling, in een voor hem kenbare taal, te worden medegedeeld wat de inhoud van de beschikking is. Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen dient aan de vreemdeling te worden meegedeeld dat hij het land binnen vier weken moet verlaten, of korter als op grond van de uitzetting of de openbare orde een kortere vertrektermijn is gegeven. Daarnaast dient aan de vreemdeling te worden verteld dat tegen een afwijzende beslissing inzake een aanvraag om bescherming alleen beroep kan worden ingesteld. De beslissing op het beroepschrift mag de vreemdeling niet in de openbare lichamen afwachten. Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel in de openbare lichamen afwachten.

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag

Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.

Wanneer de vreemdeling tegen de afwijzing van de aanvraag om bescherming beroep bij de rechtbank instelt, dan schorst dit rechtsmiddel de werking van het besluit niet. Uitzettingshandelingen kunnen dus plaatsvinden vanaf het moment van bekendmaking van de eerste afwijzende beslissing.

Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.

7. Herhaalde aanvraag

De vreemdeling is vrijgesteld van het betalen van een waarborgsom en leges.

Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.

Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES, kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:

7. Herhaalde aanvraag

Het huwelijk of partnerschap moet reeds bestaan hebben in het buitenland en er moet sprake zijn geweest van samenwoning in het land van herkomst. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.

9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen

De afgeleide vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming wordt ook voor één jaar verleend.

Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

De aanvraag, het voorlopig oordeel en de datum van de opmaak en uitreiking van de beschikking worden geregistreerd door de IND unit Caribisch Nederland.

8. Verlenging van de verblijfstitel

Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.

2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn

9. Verblijfsbeëindiging

Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.

2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn

In beide situaties dient de betrokkene voorafgaand aan het besluit gehoord te worden door de IND unit Caribisch Nederland.

9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens

Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn

2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst

Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.

2.3. Vertrektermijnen

De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van artikel 16a, eerste lid, WTU-BES. De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.

2.3.3. Verkorten van de vertrektermijn

In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie artikel 16a, derde lid, WTU-BES). Dit geldt voor de vreemdeling:

Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.

2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten

Uitzetting vindt plaats:

3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

3.5. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

5. Vreemdelingen in de strafrechtketen

3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

6. Ongewenstverklaring

De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.

Door de ongewenstverklaring wordt het verblijf in en illegale terugkeer naar de openbare lichamen van de vreemdeling strafbaar. Een vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft, terwijl hij weet of vermoedt dat hij tot ongewenste vreemdeling is verklaard, maakt zich schuldig aan:

6.2. Gronden voor ongewenstverklaring

De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie artikel 16d, eerste lid WTU-BES):

Het betreft hier vreemdelingen die geen toelating van rechtswege of geen verblijfsvergunning hebben. Zij kunnen ongewenst worden verklaard vanwege het vormen van een gevaar voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid. Vreemdelingen kunnen een gevaar voor de nationale veiligheid vormen zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is. Het gevaar voor de nationale veiligheid moet blijken uit concrete aanwijzingen, waarbij kan worden gedacht aan ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.

Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.4.1. Inleiding

Wanneer de beschikking niet in persoon aan de vreemdeling kan worden uitgereikt, wordt:

Wanneer geen gemachtigde bekend is volstaat de mededeling van de beschikking in de Staatscourant.

6.4.2. Aanvraag

Tegen het besluit op bezwaar staat beroep bij de rechtbank open.

6.4.3. Termijnen

Aantekeningen mogen nooit worden geplaatst in een document voor grensoverschrijding of identiteitsbewijs van een vreemdeling die om bescherming vraagt.

De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit artikel 16e WTU-BES.

De ongewenstverklaring wordt alleen op aanvraag van de vreemdeling opgeheven. Dit volgt uit artikel 16e WTU-BES.

6.4.2. Aanvraag

De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.

6.4.3. Termijnen

De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:

6.5.2. Inhoud van het verzoek

Indien naar het oordeel van Onze Minister sprake is van zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen opheffing van de ongewenstverklaring na vijf jaren, wordt in afwijking van de termijn als genoemd onder a, onder 2 de aanvraag ingewilligd nadat de daar bedoelde vreemdeling ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

6.4.4. De inhoud van de aanvraag

6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie artikel 8.6 BTU-BES).

6.5.2. Inhoud van het verzoek

6.5.2. Inhoud van het verzoek

6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing

Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:

Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.

Het vreemdelingentoezicht en het terugkeerbeleid maken deel uit van het door de overheid gevoerde vreemdelingenbeleid. De terugkeer van vreemdelingen is het sluitstuk van het binnenlandse vreemdelingentoezicht. Om deze taken van toezicht en terugkeer te realiseren maakt de overheid gebruik van vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen. Deze maatregelen zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling.

2. Maatregelen

De WTU-BES kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:

2.2. Vrijheidsontnemende maatregelen

Er wordt sterk terughoudend gehandeld bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Voor deze groep wordt extra aandacht besteed aan het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming.

3. Beroep

Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen

2.2.3. Het lichten van vreemdelingen

2. Bezwaar en beroep algemeen

3. Beroep

De IND-unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:

Wanneer de IND-unit Caribisch Nederland van plan is om voorafgaand aan een beroepschrift een bezwaarschrift te behandelen, dan wordt de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in de beschikking opgenomen (zie artikel 56, vierde lid, WarBES).

Tegen de afwijzing van een verzoek verband houdende met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES moet rechtstreeks beroep worden ingesteld.

2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit

Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen. Natuurlijke personen zijn levende personen, rechtspersonen zijn instanties die volgens het Burgerlijk Wetboek BES in bepaalde gevallen als personen mogen handelen, zoals een vennootschap of een pensioenfonds.

Als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, komt dit voor rekening van de vreemdeling, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.

Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan willigt de IND-unit Caribisch Nederland het verzoek om uitstel in.

Als de IND-unit Caribisch Nederland de streeftermijn niet haalt, verlengt de IND-unit Caribisch Nederland deze termijn eenmaal met ten hoogste dertig dagen. De IND-unit Caribisch Nederland zendt hiervan tijdig bericht aan de bezwaarde en eventuele andere partijen.

2.2. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit

Beschikkingen genomen op grond van de WTU-BES hebben onmiddellijke werking. Het instellen van een rechtsmiddel schorst de werking ervan in beginsel niet. In individuele gevallen kan dit anders worden bepaald. In de volgende situaties zal de IND-unit Caribisch Nederland hiertoe in ieder geval niet overgaan), indien:

De vreemdeling kan het Gerecht in Eerste Aanleg verzoeken om de werking van een beschikking waartegen beroep bij het Gerecht in Eerste Aanleg of bezwaar bij de IND-unit Caribisch Nederland is ingediend geheel of gedeeltelijk te schorsen (zie artikel 85, eerste lid, WarBES). Ook kan de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening indienen (zie paragraaf 9.1.3) ter voorkoming van onevenredig nadeel. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de vreemdeling meent dat er redenen zijn om niet uitgezet te worden zolang zijn aanwezigheid nog nodig is voor de behandeling van het bezwaar- of beroepschrift of indien de uitzetting een schending meebrengt van de non-refoulement verplichtingen (zie voor non-refoulement hoofdstuk 16 CTU-BES).

Wanneer het Gerecht in Eerste Aanleg een verzoek om schorsing toewijst, wordt de werking van de beschikking onmiddellijk gestuit totdat over het beroep uitspraak is gedaan (zie artikel 88 WarBES).

De vreemdeling kan ook een verzoek om schorsing indienen hangende het hoger beroep (zie artikel 94 WarBES).

In het geval de vreemdeling een rechtsmiddel aanwendt maakt de IND-unit Caribisch Nederland een aantekening wat dit voor de opschorting van het aangezegde vertrek van de vreemdeling betekent. De IND-unit Caribisch Nederland stelt of plaatst in het identiteitspapier/document voor grensoverschrijding van een vreemdeling een aantekening waaruit blijkt dat op welke datum bezwaar of beroep en/of een voorlopige voorziening is ingediend. In het geval van een lopende procedure over bescherming maakt de IND-unit Caribisch Nederland de aantekening op een los inlegblad.

Ook tekent de IND-unit Caribisch Nederland aan of de vreemdeling dit rechtsmiddel mag afwachten en of de vreemdeling gedurende deze periode mag werken. Tenslotte geeft de IND-unit Caribisch Nederland aan tot wanneer de aantekening geldig blijft. Indien niet bekend is op welke datum de uitspraak bekend, vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland een datum waarbinnen redelijkerwijs de beslissing of uitspraak te verwachten is.

2.5. Hoger beroep

De IND-unit Caribisch Nederland haalt de genoemde aantekening door als het bezwaarschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien.

Een vreemdeling mag een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting afwachten, tenzij:

2.4. Beroep

De IND-unit Caribisch Nederland is verplicht om bij de beschikking mededeling te doen van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn waarbinnen het beroepschrift moet zijn ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg (artikel 16, lid 4, WarBES). De beroepstermijn bedraagt, in afwijking van de WarBES, vier weken.

2.5. Hoger beroep

Wanneer een vreemdeling beroep indient, moet hij een kopie van het beroepschrift aan de IND-unit Caribisch Nederland verzenden.

Als betrokkene verblijft op Bonaire, dan moet het beroepschrift worden gestuurd naar de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Bonaire.

3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederland, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

6.2. Arbeidsmarktaantekening

6.2. Arbeidsmarktaantekening

De schriftelijke garantverklaring genoemd in paragraaf 3, onder c, sub 1 dient om aan te tonen dat wordt voldaan aan het middelenvereiste.

7. Het verrichten van arbeid

Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor studie mag arbeid van bijkomende aard verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is een TWV vereist. Deze kan voor de duur van maximaal een jaar worden verleend (zie artikel 16, eerste lid, Besluit uitvoering Wav BES).

8. Gezinshereniging

Hoofdstuk 8. Gepensioneerden en renteniers

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

1.9.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

1.11. Vertrektermijn

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

1.12.1. Verlengen van de vergunning

1.12.3. Gronden intrekking

1.12.2. Wijzigen van de vergunning

1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.1. Algemeen

1.12.3.1. Besluit tot intrekking

Strafbare feiten die buiten het Koninkrijk zijn gepleegd of bestraft, worden ook betrokken bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde als het strafbare feiten naar het recht van de openbare lichamen zijn. Dat geldt ook als het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is. Of het feit naar het recht van de openbare lichamen een misdrijf is wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht BES (op dit moment het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen) of de bijzondere strafwetten van de openbare lichamen. De vreemdeling verschaft zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening. Er wordt met het OM contact opgenomen voor de vraag welke straf in de openbare lichamen voor het strafbare feit zou worden gevorderd.

1.12.3.1. Besluit tot intrekking

2. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.1. Algemeen

Artikel 5.46 BTU-BES stelt dat de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet wordt ingetrokken met toepassing van artikel 14 onder b of d WTU-BES. Reden hiervoor is gelegen in de versterking van de rechtspositie van de vreemdeling die in de openbare lichamen verblijft op basis van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

3. Procedurele bepalingen

3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent

3.1.3. Afgifte mvv

3.1.4. Samenloop aanvraagprocedures

3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd

3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag

3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd

3.6. Leges

3.6. Leges

3.7. Behandeling van de aanvraag

3.7.1. Herstel verzuim

3.6. Leges

3.7. Behandeling van de aanvraag

Dat geldt voor:

Na bekendmaking van de inwilligende beschikking door de IND unit Caribisch Nederland aan de vreemdeling, moet aan de vreemdeling een verblijfsdocument worden verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt.

3.7.5.1. Algemene regels

3.8. Overgangsrecht

3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming

3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar

3.7.5.2. Weigering verlenging en wijziging beperking

3.8. Overgangsrecht

1.1. Samenhang tussen de WTU-BES en de Wav BES

2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist

2. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV is vereist

Als er geen voor arbeid geldige verblijfsvergunning is aangevraagd, is dat een dwingende grond om een TWV te weigeren op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, Wav BES.

2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning

2.3.2. Procedure gezinsleden bij het loket van IND-BES

2.6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

2.4. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning

2.6.2. Arbeidsmarktaantekening

2.6.3. Voorschrift

Het is van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Is dat niet zo, dan moet tijdig (d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd), contact worden opgenomen met het loket van de IND unit Caribisch Nederland om verlenging van de verblijfsvergunning aan te vragen, als dat mogelijk is.

Op de verblijfsvergunning staat in beginsel de aantekening: ’arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’. (Zie artikel 6.17, derde lid, onder b, BTU-BES).

2.5. Geldigheidsduur: relatie met de TWV

Vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en die hun verlof willen doorbrengen in de openbare lichamen, komen op deze grond niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Deze vreemdelingen mogen zonder verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven voor de duur van maximaal drie maanden (zie artikel 4.3 BTU-BES).

4.3.2. Verblijfsvoorwaarden

4.3.2. Verblijfsvoorwaarden

4.3.3.1. Beperking

4.3.3.1. Beperking

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair bij ...(naam werkgever)’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als praktikant bij... (naam werkgever)’.

4.3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.

4.3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

4.4.1. Inleiding

Vreemdelingen mogen als toerist in de openbare lichamen binnenkomen en er in beginsel maximaal drie maanden verblijven zonder verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd (zie artikel 4.2, eerste lid, BTU-BES). Deze periode van drie maanden is de vrije termijn.

4.3.4. Geldigheidsduur

Deze meldplicht geldt niet als de vreemdeling (zie artikel 6.38, tweede lid, BTU-BES):

4.4.1. Inleiding

4.4.4. Grensarbeiders

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

De vreemdeling moet steeds binnen acht dagen terug reizen naar zijn land van herkomst, omdat zijn vrije termijn maximaal acht dagen is.

4.6. Directeuren-(groot)aandeelhouders

5.1. Inleiding

Werkloosheid is niet van invloed op het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES

6. Strafbepalingen in de WTU-BES

1. Inleiding

Hoofdstuk 5. Arbeid als zelfstandige

Onder ‘zaak’ in de zin van de Wet vestiging bedrijven BES wordt verstaan:

4.1. Beperking

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5. Geldigheidsduur

Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) dat integrerend onderdeel uitmaakt van het verdrag (hierna: het Verdrag), heeft als doel de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika te vergemakkelijken. Het verdrag en Protocol zijn op 5 december 1957 inwerking getreden voor de alle toenmalige landen van het Koninkrijk. Het Verdrag is nog steeds van kracht, en dus ook van toepassing in de openbare lichamen.

Mocht een Amerikaans onderdaan toch aanspraak willen maken op een verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag, dan gelden de voorwaarden zoals omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

De voorwaarden van artikel II, eerste lid, onder a en b, van het Verdrag zijn niet cumulatief, maar alternatief. Dit betekent dat de Amerikaanse onderdaan als regel recht op toegang en verblijf heeft op grond van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in één van die beide artikelonderdelen.

2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag

2. Voorwaarden

3. Arbeid in loondienst

2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van artikel 9 WTU-BES worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES). Dit geldt, zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden van het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag van de gezinsleden.

Uitgangspunten:

De voorwaarden voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs staan in artikel 9, eerste lid, WTU-BES en in dit hoofdstuk.

5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

5. Vereiste bescheiden

5. Vereiste bescheiden

6.1. Beperking

6.1. Beperking

5. Vereiste bescheiden

1. Inleiding

8. Gezinshereniging

2. Vreemdelingen die een beroep doen op de penshonado/rentenierswetgeving

3.2. Verblijfsvoorwaarden

3.2. Verblijfsvoorwaarden

4. Overwinteraars

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)