Besluit van 23 december 2010 tot vaststelling van een inkomensbesluit voor de volksverzekeringen en de sociale voorzieningen (Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 37
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 sepember 2010, nr. IVV/I/2010/18284;

Gelet op de artikelen 10, tweede lid, en 20 van de Algemene nabestaandenwet, 12a van de Algemene Ouderdomswet, 8, derde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 8, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 47, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 10, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 2:6 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 52, vijfde lid, 60, vijfde lid, en 61, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 8, tweede lid, van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie en 45a, vijfde lid, van de Ziektewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 27 oktober 2010, nr. W12.10.0475/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 december 2010, nr. IVV/FB/2010/21595;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Hoofdstuk 2. Volksverzekeringen en sociale voorzieningen

Hoofdstuk 2. Volksverzekeringen en sociale voorzieningen

Hoofdstuk 4. Bepaling van het inkomen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 5:1. Overgangsrecht

1.

Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de artikelen 52, vierde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet wordt onder verlof als bedoeld in artikel 3:3, derde lid, tevens verstaan verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg, en wordt in afwijking van artikel 3:2, eerste lid, onderdeel a, niet onder inkomen verstaan een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, indien dit verlof is aangevangen voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79).

2.

Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 35aa, eerste lid, onderdeel b, van de Werkloosheidswet, geldt dat indien voor de uitkeringsgerechtigde naast een uitkering op grond van de Werkloosheidswet:

  • b. het recht, bedoeld onder a, is ontstaan voor de inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79);

voor de duur van dat recht, bedoeld in onderdeel a, artikel 3:3, vierde lid, niet van toepassing is en wordt tevens onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die uitkering.

3.

Voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, geldt dat indien voor de uitkeringsgerechtigde naast een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen:

  • b. het recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en het recht, bedoeld onder a, zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79);

voor de duur van het recht, bedoeld in onderdeel a, artikel 3:3, vijfde lid, niet van toepassing is en tevens onder inkomen wordt verstaan het inkomen, bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin recht bestond op die uitkering.

4.

In geval van een uitkeringsgerechtigde waarvan het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en het ontvangen van ziekengeld op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet zijn ontstaan voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79) is, voor de duur van dat recht op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet, artikel 3:4, tweede lid, onderdelen a en d, niet van toepassing.

5.

Ingeval van een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en recht heeft op een uitkering op grond van een vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet, Ziektewet, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering op de dag voor inwerkingtreding van het besluit van 22 februari 2012 tot wijziging van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen in verband met toepassing op de Toeslagenwet, Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten en werknemersverzekeringen (Stb. 79) is artikel 3:6, onderdeel b, onder 3, voor zover het de uitkering op grond van een vrijwillige verzekering betreft, niet van toepassing gedurende de duur van die uitkering doch ten hoogste gedurende twee jaar.

Artikel 5:2. Intrekking besluiten en overgangsrecht

Vervallen

Artikel 5:3. Inkomensbesluit IOAW

Vervallen

Artikel 5:4. Grondslag besluit

Dit besluit berust mede op de artikelen 6, tweede lid, van de Toeslagenwet, 10, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 1b, tiende lid, en 47, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 1a:4, vierde lid, 2:6 en 3:2a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 21, zesde lid, 52, vierde lid, 60, vijfde lid, en 61, achtste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en 31, derde lid, van de Ziektewet.

Artikel 5:5. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 met uitzondering van artikel 5:5, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terug werkt tot en met 9 juni 2010.

Artikel 5:6. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten.

Artikel 5:7. Intrekking besluiten en overgangsrecht

1.

De volgende besluiten worden ingetrokken:

2.

Ingeval ter zake van het belastbare loon artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt toegepast wordt voor toepassing van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel b, onder 3°, onder eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964 verstaan eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van die wet, zoals dat artikel luidde op 31 december 2010.

3.

Het tweede lid vervalt met ingang van de dag waarop artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964 vervalt.

Artikel 5:8. Inkomensbesluit IOAW

In afwijking van artikel 5:7 blijft artikel 9b van het Inkomensbesluit IOAW van toepassing in wettelijke procedures en rechtsgedingen inzake besluiten die op grond van artikel 9b van het Inkomensbesluit IOAW zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie.

Artikel 5:9. Wijzigingen in verband met artikel 12 van de Algemene Ouderdomswet

Wijzigt dit besluit.

Artikel 5:10. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 met uitzondering van artikel 5:5, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst en terug werkt tot en met 9 juni 2010.

Artikel 5:11. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1:1. Begripsbepalingen

1.

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • aangiftetijdvak: het tijdvak van vier weken dan wel een maand waarop de aangifte op basis waarvan de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen betrekking heeft;
  • arbeidsvoorwaardenbedrag: het aan de werknemer toegekende en in geld uitgedrukte toekomstige loonbestanddeel, niet zijnde een afzonderlijke opbouw van vakantiebijslag, dat in is opgebouwd ingevolge afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover dit toekomstige loonbestanddeel kan leiden tot loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
  • college: college van burgemeester en wethouders;
  • stamrecht: recht op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon;
  • uitkeringsgerechtigde: de persoon die recht heeft op een uitkering, toeslag of inkomensvoorziening op grond van een wet als bedoeld in de artikelen 2:1 en 3:1;
  • verlof: een tussen werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1, 3:2, 4:2aen 6:3 van de Wet arbeid en zorg;
2.

In geval van toepassing van dit besluit voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in artikel 12 van de Algemene Ouderdomswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Toeslagenwet en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt onder uitkeringsgerechtigde mede verstaan de echtgenoot van de uitkeringsgerechtigde, bedoeld in het eerste lid.

3.

In geval van toepassing van dit besluit voor het bepalen van het inkomen, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, en 11 van de Algemene Ouderdomswet, wordt, in afwijking van het eerste lid, onder uitkeringsgerechtigde verstaan de echtgenoot van de pensioengerechtigde.

4.

Indien een uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, onderdeel d, van de Ziektewet wordt die uitkering steeds aangemerkt als een reguliere WW-uitkering.

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 2:1. Toepassing hoofdstuk 2

Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Ouderdomswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Artikel 2:2. Inkomen uit arbeid

1.

Onder inkomen uit arbeid wordt verstaan:

  • 1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten;
  • 2°. vervallen;
2.

Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld.

3.

Indien geen recht op loondoorbetaling bestaat door toepassing van artikel 629, derde of negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 76b, eerste tot en met het derde lid, van de Ziektewet, dan wel de betaling daarvan geheel of gedeeltelijk is opgeschort door toepassing van artikel 629, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt voor de toepassing van dit artikel het loon of de bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel recht op doorbetaling en ware deze niet geheel of gedeeltelijk opgeschort.

Artikel 2:3. Uitbreiding inkomen uit arbeid in bepaalde situaties van werkloosheid en verlof

1.

Gedurende de periode dat de uitkeringsgerechtigde:

  • d. met verlof is,

wordt als inkomen uit arbeid beschouwd het inkomen dat werd genoten in het aangiftetijdvak voor het aangiftetijdvak waarin:

  • 1°. het recht ontstond op een uitkering als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.
  • 2°. het verlof aanving.
2.

Niet als inkomen uit arbeid wordt beschouwd het loon dat door de uitkeringsgerechtigde wordt genoten indien hij tegelijkertijd uit hoofde van dezelfde arbeidsrelatie inkomen als bedoeld in het eerste lid geniet.

Artikel 2:4. Overig inkomen

1.

Onder overig inkomen wordt verstaan:

  • m. een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag;
  • o. een uitkering, toeslag of een beurs die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering, toeslag of beurs als bedoeld in de onderdelen a tot en met n;
  • p. een uitkering als bedoeld in onderdeel o, waarop recht bestaat, maar die niet wordt uitbetaald, omdat onder de toepasselijke wetgeving gebruik is gemaakt van het daarin voorziene recht af te zien van het recht op die uitkering of de uitbetaling daarvan; en
  • q. loon dat uit een vroegere dienstbetrekking wordt genoten.
2.

In afwijking van het eerste lid wordt niet als overig inkomen beschouwd:

  • b. een eenmalige uitkering die na beëindiging van de dienstbetrekking aan een werknemer in verband met die beëindiging wordt betaald;
  • c. periodieke uitkeringen uit hoofde van een stamrecht, dat is verkregen uit een eenmalige uitkering welke na beëindiging van de dienstbetrekking aan de werknemer in verband met die beëindiging is toegekend, mits de werknemer aantoont dat de eenmalige uitkering door de werkgever betaalbaar is gesteld om naar eigen inzicht van de werknemer te besteden;
3.

Indien een uitkering, toeslag of beurs als bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd in verband met enig handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel de uitkering, toeslag of beurs in aanmerking genomen als ware deze niet geheel of gedeeltelijk geweigerd.

4.

In afwijking van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel a, wordt onder overig inkomen mede verstaan een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg, indien het recht op die uitkering is ontstaan omdat recht op een uitkering als bedoeld in het eerste lid bestond.

5.

Indien een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet geheel of gedeeltelijk is geëindigd omdat de uitkeringsgerechtigde minder beschikbaar is voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren wordt die uitkering in aanmerking genomen alsof die eindiging niet heeft plaatsgevonden.

Artikel 2:5. Vakantiebijslag

1.

In afwijking van de artikelen 2:2, 2:3 en 2:4 wordt vakantiebijslag, vakantiebon of een aanspraak die naar aard en strekking daarmee overeenkomt niet als inkomen uit arbeid of als overig inkomen beschouwd.

2.

Indien over het inkomen uit arbeid of overig inkomen geen aanspraak op vakantiebijslag bestaat, wordt van dit inkomen slechts in aanmerking genomen:

100 x B / (100 + A)

waarbij:

A staat voor het percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; en

B staat voor het inkomen.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing indien de vakantiebijslag wordt betaald als onderdeel van het periodieke loon of als onderdeel van een arbeidsvoorwaardenbedrag.

Paragraaf 2. Uitzonderingen

Artikel 2:6. Uitzonderingen voor de Algemene nabestaandenwet

1.

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene nabestaandenwet geldt dat:

  • a. in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, j tot en met l en o, een uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, j tot en met l, en een uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, j tot en met l, niet wordt aangemerkt als inkomen;
  • 1°. een uitkering op grond van een particuliere verzekering wegens derving van inkomen, die ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde in het kader van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten en het loon, bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel q, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid; en
  • 2°. een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel m, en een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel m, wordt aangemerkt als inkomen uit arbeid, met dien verstande dat een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen niet wordt aangemerkt als inkomen; en
2.

Een op grond van de wetgeving van:

  • a. een andere mogendheid;
  • b. Nederland ten behoeve van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • c. Aruba, Curaçao of Sint Maarten; of
  • d. een volkenrechtelijke organisatie,

toegekende uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een gehele of een deel van een uitkering als bedoeld in de artikelen 14 of 26 van de Algemene nabestaandenwet anders dan op grond van de vrijwillige verzekering, wordt op de uitkering, bedoeld in de artikelen 14 respectievelijk 26 van de Algemene nabestaandenwet in mindering gebracht.

3.

Artikel 2:4, eerste lid, onderdeel P, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.

Artikel 2:7. Uitzonderingen voor de Algemene Ouderdomswet

1.

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet geldt dat:

  • a. in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, k, l en o, een uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, k en l, en een uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering of toeslag als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h, k en l, niet aangemerkt wordt als inkomen;
  • b. indien de pensioengerechtigde en zijn echtgenoot samenwerken in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep en de echtgenoot dan wel de pensioengerechtigde geen vergoeding ontvangt ter zake van de in de onderneming verrichte arbeid, ter vaststelling van het deel van de met inachtneming van het bepaalde in artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, berekende winst, dat de echtgenoot toekomt, de winst wordt vermenigvuldigd met de factor X/(X+Y), waarbij: X staat voor het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de echtgenoot, en Y staat voor het loon van de werknemer die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als de pensioengerechtigde; en
2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en artikel 1.1, tweede lid, wordt voor het bepalen van het gezamenlijke inkomen, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet een uitkering van een pensioengerechtigde die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel K, aangemerkt als overig inkomen.

3.

Voor de echtgenoot van de pensioengerechtigde waarop artikel 64a van de Algemene Ouderomdswet van toepassing is, wordt het inkomen dat is vastgesteld op grond van de artikelen 10 en 11 van de Algemene Ouderdomswet, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving, eveneens aangemerkt als het inkomen van die echtgenoot in het kader van artikel 12 van de Algemene Ouderdomswet.

Artikel 2:8. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

1.

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers geldt dat in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen l en o, niet als overig inkomen wordt aangemerkt:

  • a. een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel l, en een uitkering die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, onderdeel l;
  • b. een eenmalige premie die door burgemeester en wethouders kan worden toegekend in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 3.398,00 per kalenderjaar; en
2.

De bedragen, genoemd in het eerste lid, onderdelen b en c, worden gewijzigd indien de ontwikkeling van de in artikel 31, tweede lid, onderdelen j en k, van de Participatiewet, genoemde bedragen daartoe aanleiding geeft. De gewijzigde bedragen en de dag waarop deze wijziging ingaat, worden door of namens Onze Minister medegedeeld in de Staatscourant.

3.

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers is artikel 2:5 niet van toepassing.

Artikel 2:9. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

  • a. in geval van een gewezen zelfstandige die een onderneming heeft uitgeoefend in de vorm van een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap in afwijking van artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, onder belastbare winst uit onderneming wordt verstaan hetgeen ingevolge het bepaalde bij of krachtens Hoofdstuk II van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 onder winst wordt verstaan alsmede de betalingen die aan de echtgenoot worden gedaan ter zake van in de onderneming verrichte arbeid;
  • d. in afwijking van artikel 1:1, derde lid, en behoudens het bepaalde in onderdeel c onder inkomen uit arbeid en overig inkomen niet wordt verstaan het inkomen van de echtgenoot; en

Hoofdstuk 3. Werknemersverzekeringen en Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten

Hoofdstuk 4. Bepaling van het inkomen

Artikel 4:1. Vaststelling inkomen

1.

Het inkomen voor de toepassing van:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt de kalendermaand gesteld op 21,75 dagen. De kalenderweek wordt gesteld op vijf dagen. Het boek- of kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.

3.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt het loon of het inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon of dat inkomen in verband met arbeid opgave heeft gedaan.

4.

Bij de toepassing van het eerste lid worden betalingen van het overig inkomen toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat.

5.

Bij de toepassing van het eerste lid worden het belastbaar loon, het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, de belastbare winst uit onderneming en de uitkering, bedoeld in de artikelen 2:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, en 3:2, eerste lid, onderdelen c, d en e, evenredig toegerekend aan de betreffende kalendermaanden in het boek- of kalenderjaar.

6.

De SVB of het UWV kunnen op basis van een geschat inkomen een gemiddeld inkomen per kalendermaand bepalen, waarna per periode van ten hoogste twaalf maanden een herberekening plaatsvindt en het gemiddeld inkomen per periode kan worden toegerekend aan maanden in die periode.

7.

De SVB of het UWV kan bij de vaststelling van het inkomen het loon dat door de uitkeringsgerechtigde is genoten in een aangiftetijdvak, toerekenen aan de dag waarop dat loon betrekking heeft.

8.

De SVB kan bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in een aangiftetijdvak opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking nemen, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen. Het UWV neemt bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen.

9.

In afwijking van het derde lid, wordt voor de vaststelling van het inkomen voor de Werkloosheidswet het inkomen over een aangiftetijdvak van vier weken geacht te zijn genoten in de kalendermaand waarin het aangiftetijdvak van vier weken eindigt.

10.

In afwijking van het achtste lid neemt het UWV voor de vaststelling van het inkomen voor de Werkloosheidswet het in een aangiftetijdvak betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de in een aangiftetijdvak uitbetaalde componenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking voor zover deze componenten zijn aan te merken als loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, waarbij de opgebouwde bedragen en looncomponenten niet in aanmerking worden genomen.

11.

Indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat bepaalt de SVB of het UWV het inkomen op een andere wijze.

12.

Het UWV kan bij de toepassing van het eerste lid het genoten inkomen in verband met arbeid, bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, toerekenen aan de perioden waarin hierop recht bestaat.

Artikel 4:2. Vaststelling inkomen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen geldt dat:

  • a. Het inkomen uit arbeid of overig inkomen wordt toegerekend aan de perioden waarin hierop recht bestaat en wordt vervolgens herleid tot een bedrag per kalendermaand;
  • c. indien aannemelijk is dat een inkomensbestanddeel geen juiste maatstaf biedt voor de bepaling van het in onderdeel a bedoelde inkomen, dat bestanddeel per maand vastgesteld wordt op 1/3 onderscheidenlijk 1/12 van het bedrag, dat over drie maanden onderscheidenlijk een jaar is verworven;
  • d. indien winst als bedoeld in artikel 2:2, eerste lid, onderdeel d, wordt genoten, het daaruit voortvloeiende inkomensbestanddeel per maand vastgesteld wordt op 1/12 van de winst, genoten over het kalenderjaar of het niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar, voorafgaand aan de maand waarover aanspraak op uitkering wordt gemaakt; en
  • e. indien de toepassing van de onderdelen a tot en met d gelet op het tijdstip van verwerving van een inkomensbestanddeel, tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, het college bepaalt op welke periode dat inkomensbestanddeel geacht moet worden betrekking te hebben en hoe dit geacht moet worden over deze periode te zijn verdeeld.

Artikel 4:3. Omrekening

1.

Indien het bij de toepassing van dit hoofdstuk noodzakelijk is om niet in euro’s uitgedrukt inkomen om te rekenen in euro’s, geschiedt dat met behulp van de door de Europese Centrale Bank geadviseerde wisselkoersen.

2.

Een wijziging van een wisselkoers als bedoeld in het eerste lid beïnvloedt het vastgestelde inkomen niet, met dien verstande dat:

  • a. bij wijziging van het inkomen, anders dan ten gevolge van de koersmutaties, een omrekening plaatsvindt; en
  • b. ten minste eens per jaar een omrekening plaatsvindt.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2:10. Uitzonderingen voor de Toeslagenwet

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Toeslagenwet geldt in afwijking van de artikelen 2:2, eerste lid, onderdeel a, en 2:4, eerste lid, onderdelen l en o, dat:

  • a. loondoorbetaling wordt aangemerkt als overig inkomen;

Artikel 2:11. Uitzonderingen voor de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen

Voor het bepalen van inkomen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen geldt in afwijking van artikel 2:4, eerste lid, onderdelen h tot en met l en o, dat niet als overig inkomen wordt aangemerkt:

  • b. een uitkering of toeslag die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering of toeslag als bedoeld in onderdeel a.

Hoofdstuk 3. Werknemersverzekeringen en Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 3:1. Toepassing hoofdstuk 3

Dit hoofdstuk is van toepassing op het bepalen van inkomen als bedoeld in de Werkloosheidswet, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Ziektewet.

Artikel 3:2. Inkomen

1.

Onder inkomen wordt verstaan:

  • 2°. hetgeen wordt genoten uit loondoorbetaling indien het overeengekomen loon niet volledig wordt doorbetaald, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
  • 1°. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet wordt genoten;
2.

Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld.

3.

In afwijking van het eerste lid, wordt niet tot het inkomen gerekend:

inkomen dat is verdiend in uren die reeds via de Werkloosheidswet met de uitkering op grond van die wet zijn verrekend.

4.

Voor zover de uitkeringsgerechtigde op de dag voorafgaand aan:

  • b. de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken, bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Ziektewet, in geval de uitkeringsgerechtigde recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet,

inkomen als bedoeld in het eerste lid, ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op de uitkering op grond van artikel 18 of hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet of artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor die uitkering op grond van de Werkloosheidswet respectievelijk de Ziektewet.

5.

Voor zover de uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, inkomen ontvangt als bedoeld in eerste lid, onderdelen b tot en met d, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit het recht op uitkering is ontstaan, wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen voor de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

6.

Voor zover een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet:

  • b. op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Ziektewet is ontstaan;

wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen.

7.

Voor zover een uitkeringsgerechtigde die recht heeft op een uitkering op grond van artikel 18 of hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet:

  • b. op de dag voorafgaand aan de dag waarop dat recht op een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg is ontstaan inkomen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, ontvangt uit een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit het recht op hiervoor genoemde uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan;

wordt dat inkomen niet in aanmerking genomen.

8.

Indien een uitkeringsgerechtigde inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit dezelfde werkzaamheden als de werkzaamheden waaruit een recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet of Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht op loondoorbetaling bestaat, wordt dat inkomen uitsluitend in aanmerking genomen voor die uitkering of loondoorbetaling.

9.

Indien de uitkeringsgerechtigde:

  • c. inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit werkzaamheden die zijn aangevangen nadat het eerste recht op uitkering of loondoorbetaling is ontstaan, uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan en voordat het tweede recht op uitkering of loondoorbetaling is ontstaan,

wordt dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering of loondoorbetaling waarvan het recht als eerste is ontstaan.

10.

Indien de uitkeringsgerechtigde:

  • c. daarna inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan,

dan wordt dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering of loondoorbetaling waarvan het recht als tweede is ontstaan.

11.

In afwijking van het tiende lid, wordt, indien de uitkeringsgerechtigde:

  • c. daarna inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt uit andere werkzaamheden dan de werkzaamheden waaruit de rechten op uitkering of loondoorbetaling zijn ontstaan,

dat inkomen pro rata in aanmerking genomen voor de twee uitkeringen of rechten op loondoorbetaling.

12.

In afwijking van het achtste en negende lid wordt, indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op twee reguliere WW-uitkeringen en daarnaast inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt, dat inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering waarvan het recht als tweede is ontstaan.

13.

In afwijking van het negende en tiende lid wordt, indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op:

  • a. een reguliere WW-uitkering;
  • c. tevens inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt,

het inkomen in aanmerking genomen voor de reguliere WW-uitkering.

14.

In afwijking van het achtste, negende en tiende lid wordt, indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op:

  • a. een reguliere WW-uitkering;
  • c. tevens inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt,

het inkomen in aanmerking genomen voor de reguliere WW-uitkering.

15.

In afwijking van het negende en tiende lid wordt, indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op:

  • c. tevens inkomen als bedoeld in het eerste lid ontvangt,

het inkomen in aanmerking genomen voor de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

16.

In afwijking van het tiende lid wordt, indien de uitkeringsgerechtigde recht heeft op:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)