Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2011–2012
- a. het bevoegd gezag heeft het personeelslid dat hij niet intern heeft kunnen herplaatsen, onverwijld aangemeld bij het matchpunt (als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Convenant), met vermelding van de datum waarop de aanmelding bij het matchpunt heeft plaatsgevonden en
- b. het bevoegd gezag heeft het matchpunt, ten aanzien van personeelsleden die zichzelf bij het matchpunt hebben aangemeld, in de gelegenheid gesteld om de in artikel 4, tweede lid, van het Convenant genoemde toetsing uit te voeren.
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie). Er is geen eenduidig antwoord te geven op de vraag wanneer er sprake is van ‘onverwijld aanmelden bij het matchpunt’. In elk geval is aan dat vereiste niet voldaan indien de periode tussen het moment van aanmelden en de datum van ontslag korter is dan de voor betrokkene geldende opzegtermijn. Het matchpunt toetst op grond van artikel 4, tweede lid, van het Convenant of de ontslagdreiging daadwerkelijk het gevolg van de bezuiniging is en of de werknemer feitelijk werkt als ambulant begeleider in het V(SO) dan wel in een functie in het speciaal basisonderwijs. Werkgelegenheidsbeleid Werkgevers die werkgelegenheidsbeleid hanteren kunnen indien gewenst uitsluitend personeel met een tijdelijk dienstverband op dit artikel melden.
- v. Ontslag wegens bezuiniging op ambulante begeleiding en de leerlinggebonden financiering
Artikel 10
Vervallen
Toelichting op artikel 10
Er zijn geen toelichtingen.
Artikel 11. : Schoonmaakpersoneel/personeel Centrale Dienst
11.1. Ontslaggrond
Ontslag van schoonmaakpersoneel, anders dan op grond van artikel 9, kan grond zijn voor toewijzing van een vergoedingsverzoek. Ontslag van schoonmaakpersoneel doet zich voor indien blijkt dat de materiële instandhouding op het niveau van het bevoegd gezag over twee opeenvolgende jaren, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, vermindert of is verminderd met een omvang die tenminste gelijk is aan de nettoloonkosten op jaarbasis van het ontslagen personeelslid.
Het bevoegd gezag overlegt een afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of wanneer het besluit nog niet is opgemaakt of de reden voor het ontslag niet genoemd wordt, een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 11, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
Beëindigingovereenkomst
In plaats van bovengenoemd afschrift van het ontslagbesluit waarin de reden voor het ontslag genoemd is, of een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor het ontslag, zoals genoemd in artikel 11 aan betrokkene is kenbaar gemaakt, kan het bevoegd gezag ook een afschrift van een beëindigingovereenkomst overleggen waaruit tenminste blijkt dat:
-
- het dienstverband met wederzijds goedvinden is beëindigd,
-
- het bevoegd gezag heeft voorgesteld het dienstverband te beëindigen, en
-
- de reden daarvoor is gelegen in de in dit artikel genoemde ontslaggrond.
Bij de beëindiging van een tijdelijk dienstverband verstrekt het bevoegd gezag, wanneer er geen ontslagbesluit wordt opgemaakt, een afschrift van de akte van benoeming en een afschrift van het document waaruit blijkt dat de daadwerkelijke reden voor de beëindiging, zoals genoemd in artikel 11, aan betrokkene is kenbaar gemaakt.
11.2. Toetsingsmoment
Omdat de materiële instandhouding op basis van kalenderjaar wordt toegekend, wordt de vergoeding per 31 december vergeleken met de vergoeding per 1 januari opvolgend.
11.3. Ontslagmoment
Het ontslag van schoonmaakpersoneel wordt vaak met ingang van een volgend schooljaar geëffectueerd. Er bestaan derhalve drie mogelijkheden:
- I. het ontslag wordt geëffectueerd per 1 augustus volgend op de daling;
- II. het ontslag wordt geëffectueerd per 1 augustus voorafgaand aan een verwachte daling, of
- III. het ontslag wordt geëffectueerd per 1 januari, op het moment van de daling van de vergoeding.
11.4.1. Ontslag per 1 augustus volgend op de daling
Indien het ontslag geëffectueerd wordt per 1 augustus 2011 volgend op de daling wordt de materiële instandhouding over de jaren 2010 en 2011 vergeleken. Toewijzing van het vergoedingsverzoek doet zich voor indien de daling in de vergoeding per 1 januari 2011 ten opzichte van de vergoeding per 1 januari 2010, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag.
11.4.2. Ontslag per 1 augustus voorafgaand aan een verwachte daling
Indien het ontslag geëffectueerd wordt per 1 augustus 2011 voorafgaand aan een verwachte daling wordt de materiële instandhouding over de jaren 2011 en 2012 vergeleken. Toewijzing van het vergoedingsverzoek doet zich voor indien de daling in de vergoeding per 1 januari 2012 ten opzichte van de vergoeding per 1 januari 2011 inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag.
11.4.3. Ontslag per 1 januari, op het moment van de daling
Indien het ontslag geëffectueerd wordt per 1 januari 2011 het moment van de daling, wordt de materiële instandhouding over de jaren 2011 en 2012 vergeleken. Toewijzing van het vergoedingsverzoek doet zich voor indien de daling in de vergoeding per 1 januari 2012 ten opzichte van de vergoeding per 1 januari 2011, inclusief andere ontslagen en natuurlijk verloop, minimaal gelijk is aan de omvang van het gemelde ontslag.
11.5.1. Natuurlijk verloop en andere ontslagen
Als gevolg van natuurlijk verloop en andere ontslagen komt budget beschikbaar. Bij de toetsing van een onder artikel 11.3 onder I bedoeld ontslag wordt daarom de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode vanaf 1 juli 2010 tot en met de datum van het ontslag betrokken.
11.5.2. Bij de toetsing van een onder artikel 11.3 onder II bedoeld ontslag wordt de verwachte omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode vanaf 1 februari 2011 tot en met 1 januari 2012 betrokken.
11.5.3. Bij de toetsing van een onder artikel 11.3 onder III bedoeld ontslag wordt de verwachte omvang van het natuurlijk verloop en andere ontslagen in een periode vanaf 1 juli 2011 tot en met 1 januari 2012 betrokken. Indien er sprake is van een daling in het budget wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen op deze daling in mindering gebracht. In het geval dat er sprake is van een stijging in het budget wordt de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen bij deze stijging opgeteld.
11.6. Benodigde gegevens
Ter beoordeling van een ontslag als bedoeld in het eerste lid, overlegt het bevoegd gezag afhankelijk van de onder artikel 11.3 genoemde mogelijkheden:
- a. een opgave van de materiële instandhouding over de jaren 2010 en 2011 en een gespecificeerde opgave in netto-loonkosten van de omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode vanaf 1 juli 2010 tot en met de datum van het ontslag; of
- b. een opgave van de materiële instandhouding over de jaren 2011 en 2012 en een gespecificeerde opgave van de verwachte omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode van 1 februari 2011 tot en met 1 januari 2012; of
- c. een opgave van de materiële instandhouding over de jaren 2010 en 2011 en een gespecificeerde opgave van de verwachte omvang van het natuurlijk verloop en de andere ontslagen in een periode van 1 juli 2011 tot en met 1 januari 2012;
- d. bij meerdere ontslagen uit vaste dienst een opgave van de onderlinge volgorde van de ontslagen, of bij meerdere beëindiging van tijdelijke dienstverbanden de door het bevoegd gezag vastgestelde onderlinge ontslagvolgorde.
11.7. Inspanningsverplichting
Bij een ontslag op grond van artikel 11 dient het bevoegd gezag te voldoen aan categorie IV. Hieronder volgen de eisen die het Participatiefonds in het kader van de inspanningsverplichting aan een ontslag op grond van artikel 11, stelt:
Categorie IV-A hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een vast dienstverband)
-
- extern een passende functie zoeken (indien aangesloten, gebruik maken van een mobiliteitscentrum/arbeidspool, zoeken bij een ander bevoegd gezag, of buiten het onderwijs); en
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 tot en met 3 van deze categorie).
Categorie IV-B hulp bij behoud van werk, extern (bij ontslag uit een tijdelijk dienstverband)
-
- (vervallen)
-
- aanbieden van faciliteiten die de positie op de arbeidsmarkt verbeteren; of
-
- aanbieden van outplacement (outplacement vervangt de inspanningen 1 en 2 van deze categorie).
Toelichting op artikel 11
Dit artikel is ook van toepassing op het ontslag van personeel bij een Centrale Dienst.
11.3. Ontslagmoment
Indien het ontslag op een andere datum dan 1 januari of 1 augustus wordt geëffectueerd, geeft het bevoegd gezag aan welke daling aan het ontslag ten grondslag ligt en waarom betrokkene niet langer in dienst gehouden kan worden.
Artikel 12. Vormvoorschriften
12.1. Ter uitwerking van de in dit reglement opgenomen bepalingen omtrent toetsing van het ontslag worden door het bevoegd gezag de volgende formulieren gehanteerd en toelichtingen verstrekt:
De melding van een ontslag genoemd in artikel 7, 7A of 7B bestaat uit:
- a. een ingevuld formulier ‘Opgave medewerker’;
- b. een ingevuld formulier ‘Opgave rijksbekostiging’ of, indien het de melding van het ontslag bij een centrale dienst betreft, een ingevuld formulier ‘Opgave schoonmaakpersoneel/personeel Centrale Dienst’;
- c. per ontslag de gegevens als genoemd in artikel 7.6 sub c en sub d, indien het een uitgesteld ontslag betreft.
De melding van ontslag genoemd in artikel 8 bestaat uit:
- a. een ingevuld formulier ‘Opgave medewerker’;
- b. een ingevuld formulier ‘Opgave kwalitatieve frictie’.
De melding van een ontslag genoemd in artikel 9 bestaat uit:
- a. een ingevuld formulier ‘Opgave medewerker’;
- b. een afschrift van het ontslagbesluit.
De melding van een ontslag genoemd in artikel 11 bestaat uit:
- a. een ingevuld formulier ‘Opgave medewerker’;
- b. een ingevuld formulier ‘Opgave schoonmaakpersoneel/personeel Centrale Dienst’.
Bij de melding van ontslagen op grond van het genoemde in artikel 7, 7A of 7B, 8, 9 en 11, dienen eveneens de op de betreffende formulieren genoemde bijlagen te zijn gevoegd.
12.2. Afspraken
Indien er afspraken zijn gemaakt tussen het bevoegd gezag en betrokkene over:
- a. ziekteverlof en schorsing;
- b. te verrichten activiteiten in het kader van de inspanningsverplichting;
- c. de informatievoorziening richting het Participatiefonds;
- d. de informatievoorziening richting de sector kanton van de Rechtbank;
- e. de gevolgen van een beslissing van het Participatiefonds in het kader van de instroomtoets, of de gevolgen van een beslissing van UWV in het kader van de uitkeringsaanvraag;
wordt hier tevens opgave van gedaan bij de melding van ontslag op grond van het genoemde in artikel 7, 7A, 7B, 8, 9 en 11.
Uitgangspunt is dat alle informatie die het Participatiefonds in het kader van de instroomtoets van het bevoegd gezag ontvangt, wordt meegewogen in de beoordeling van het vergoedingsverzoek.
Artikel 13
Vervallen
Toelichting op artikel 12–13
Er zijn geen toelichtingen.
Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden
14.1. Indien aan het Participatiefonds na het afgeven van de beschikking blijkt dat de beslissing genomen is op basis van onjuiste informatie, houdt zij zich het recht voor om de beslissing te herzien.
14.2. Het bevoegd gezag doet schriftelijk melding van feiten en omstandigheden welke ten tijde van het nemen van de beslissing niet bekend waren of konden worden geacht en van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.
Toelichting op artikel 14
Er zijn geen toelichtingen.
Artikel 15. Medewerking controle
Het bevoegd gezag is verplicht alle medewerking te verlenen aan een controle door of namens het Participatiefonds welke gericht is op de beoordeling van de rechtmatigheid van een melding. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een administratie welke op een centraal punt is in te zien en geeft hier desgevraagd inzage in voor zover relevant en betrekking hebbend op de melding.
Toelichting op artikel 15
De in artikel 15 bedoelde administratie dient het bevoegd gezag gedurende een periode van vijf jaar te bewaren.
Deel 4. Zelfstandig wachtgeldbeleid
Artikel 16 tot en met 25
Vervallen
Toelichting op artikel 16 tot en met 25
Er zijn geen toelichtingen.
Deel 5. Slotbepalingen
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27. Toelichting en bestuursvoorschriften
27.1. Aan dit reglement is een toelichting toegevoegd die deel uitmaakt van het reglement.
27.2. Het Participatiefonds hanteert bestuursvoorschriften waarin de belangrijkste uitvoeringstechnische verplichtingen voor bevoegde gezagsorganen zijn neergelegd.
Artikel 28. Wijziging of afwijking van het reglement
28.1. Het bestuur van het Participatiefonds is gerechtigd dit reglement op ieder moment aan te passen indien daar aanleiding toe is.
28.2. Om zwaarwegende redenen kan het bestuur van het Participatiefonds afwijken van hetgeen in het reglement gesteld is.
Artikel 29. Onvoorziene omstandigheden
In gevallen waarin het reglement niet voorziet, beslist het bestuur van het Participatiefonds.
Artikel 30. Wijziging voorgaand reglement
Wijzigt het Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2010–2011.
Artikel 31. Citeertitel
Dit reglement kan worden aangehaald als het ‘Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2011–2012’.
Artikel 32. Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 februari 2011 en heeft betrekking op ontslagen die zijn of worden geëffectueerd in de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 juli 2012. Dit reglement is voor onbepaalde tijd van kracht.
Artikel 33. Bekendmaking
Dit reglement wordt bekendgemaakt middels toezending aan de betrokken bevoegde gezagsorganen, vermelding in het publicatieblad Rentree van het Participatiefonds en plaatsing op de internetsite van het Participatiefonds. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Toelichting op artikel 26–33
Er zijn geen toelichtingen.
Adressen
Bestuur en bestuursbureau Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs
Blaak 22, 3011 TA Rotterdam
telefoon 010-217 76 40
fax 010-214 13 58
www.vfpf.nl
secretariaat@vfpf.org
Premies en zelfstandig wachtgeldbeleid
Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Heerlen
Postbus 4839, 6401 JM Heerlen
telefoon 045-579 81 03
fax 045-579 34 82
www.vfpf.nl
helpdesk@vfpf.nl
Instroomtoets
Uitvoeringsorganisatie Participatiefonds, Zoetermeer
Postbus 870, 2700 AW Zoetermeer
telefoon 079-323 24 20
fax 079-323 38 54
www.instroomtoets.nl
Afdeling Casemanagement Re-integratie
Postbus 2460, 3000 CL Rotterdam
telefoon 010-217 76 30
fax 010-271 16 85
www.vfpf.nl
casemanagement@vfpf.org
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)