Wet primair onderwijs BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 306
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 105, eerste lid onderdeel a, verstrekt het openbaar lichaam jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een bedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 105, eerste lid onderdeel b, en derde lid onder a.

§ 2. Materiële instandhouding

Artikel 107. Eilandelijk beleid als openbaar lichaam zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
1.

Indien in een openbaar lichaam uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan het openbaar lichaam openbare scholen in stand houdt of houden of openbare scholen ontbreken en het openbaar lichaam uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, stelt de eilandsraad bij eilandsverordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 109 tot en met 113 niet van toepassing.

2.

De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van scholen naar dezelfde maatstaf.

3.

De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school kunnen worden aangevraagd en de aanvraagprocedure.

4.

De eilandsraad kan besluiten dat het bestuurscollege de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kan aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen een week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de eilandsraad en besluit de eilandsraad over de bekrachtiging ervan. Indien de eilandsraad niet binnen 12 weken heeft besloten, wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de eilandsraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is besloten of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.

5.

Artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES is van overeenkomstige toepassing op de regeling, bedoeld in het eerste lid, een wijziging daarvan, of de aanvulling, bedoeld in het vierde lid, die door de eilandsraad is bekrachtigd.

6.

Het bestuurscollege maakt jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van voorzieningen die zijn toegekend op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 108. Eilandelijk beleid als openbaar lichaam zelf openbare scholen in stand houdt
1.

Indien een openbaar lichaam zelf een of meer openbare scholen in stand houdt en hij uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden bekostigd, kan de eilandsraad daarvoor bij eilandsverordening een regeling vaststellen.

Artikel 109. Overschrijdingsbedrag
1.

Indien een openbaar lichaam voor een of meer door hem in stand gehouden scholen meer uitgaven doet dan door het Rijk worden bekostigd, wordt met inachtneming van deze paragraaf aan het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen om de vijf jaar een overschrijdingsbedrag verstrekt.

2.

Indien een openbaar lichaam vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in het eerste lid, geen school in stand houdt, wordt, in afwijking van die volzin, het overschrijdingsbedrag toegekend uiterlijk 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat tijdstip waarop het openbaar lichaam niet langer een school in stand houdt.

3.

Het bestuurscollege kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school besluiten dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die het openbaar lichaam doet voor een door hem in stand gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in de artikelen 110 en 111.

§ 3. Personeel

Artikel 110. Voorschot overschrijding
1.

Het bestuurscollege stelt jaarlijks vast in welke mate het voor de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen meer dan wel minder uitgaven zal doen dan door het Rijk worden bekostigd. Deze vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 109, eerste lid.

2.

Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden gedaan dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het bestuurscollege in dat begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen een voorschot op het te verwachten overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 109, eerste lid.

3.

Indien uit het besluit van het bestuurscollege, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de hiervoor bedoelde meeruitgaven in de resterende jaren van het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van het voorschot.

4.

Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 111, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen is vastgesteld bij het besluit van het bestuurscollege, bedoeld in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan dan door het Rijk worden bekostigd, verleent het bestuurscollege alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.

5.

Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 111. Vaststelling overschrijdingsbedrag
1.

Indien een openbaar lichaam een of meer scholen in stand houdt, stelt het bestuurscollege jaarlijks voorlopig vast:

  • a. het totaal van de bedragen, bedoeld in artikel 115, derde lid, die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven;
  • b. het totaal van de ontvangsten, bedoeld in de artikelen 99, 100, 103 en 104, in het voorafgaande kalenderjaar;
  • c. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld voor de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.
2.

Indien het openbaar lichaam een deel van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

3.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor:

  • b. de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening.
4.

Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onderdeel a, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van bedragen die door derden zijn betaald en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 108, eerste lid, een aanvraag bij het openbaar lichaam kon indienen en wel gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan.

5.

Bij het vaststellen van de bedragen bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen voorzieningen die volgens de desbetreffende rijksbekostiging een afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten hoogste 20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgaven op grond van rente op basis van een fictieve lening met een looptijd van ten hoogste 20 jaar en een lineaire aflossing.

6.

Indien het openbaar lichaam een deel van de bekostiging voor uitgaven overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de bekostiging aan het openbaar lichaam wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

7.

Om de vijf jaar stelt het bestuurscollege voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met zesde lid is aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt het bestuurscollege tevens het bedrag van de overschrijding. Indien een openbaar lichaam vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand houdt, stelt het bestuurscollege in afwijking van die volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het aan dat tijdstip voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals in het eerste tot en met zesde lid is aangegeven.

8.

Na sluiting van de rekening van het openbaar lichaam stelt het bestuurscollege de in het eerste en zevende lid bedoelde bedragen, zo nodig gewijzigd, vast. In het geval, bedoeld in het zevende lid, tweede volzin, drukt het bestuurscollege vervolgens het bedrag van de overschrijding uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d. Het percentage wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt.

§ 4. Eilandelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen

§ 5. Overschrijdingsregeling

§ 6. Bestedingsmogelijkheden

Artikel 119. Bekendmaking over beëindiging bekostiging school en opheffing school
1.

Indien naar het oordeel van Onze Minister de bekostiging van een bijzondere school dient te worden beëindigd of een openbare school dient te worden opgeheven, maakt Onze Minister dit voor 1 januari voorafgaand aan de datum van beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk opheffing van de school bekend aan het bevoegd gezag.

2.

Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 116, derde lid, deelt het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor de opheffing schriftelijk mede aan Onze Minister. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke gegevens bij deze mededeling worden overgelegd.

3.

Voor zover Onze Minister niet reeds heeft bekendgemaakt dat hij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, buiten behandeling laat wegens het niet verstrekken van de voorgeschreven gegevens, maakt hij voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat:

  • a. naar zijn oordeel geen sprake is van een uitzonderingssituatie, bedoeld in het tweede lid, en dat met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de openbare school dient te worden opgeheven, of
  • b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de openbare school in stand dient te worden gehouden.
4.

Indien Onze Minister niet voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een bekendmaking als bedoeld in het derde lid heeft gedaan, dient met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de openbare school met ingang van laatstgenoemde datum in stand te worden gehouden.

§ 7. Betaling van de bekostiging

Artikel 120. Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken
1.

Indien de bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de school beslist, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan het openbaar lichaam op wiens grondgebied het gebouw en terrein zijn gelegen, overgedragen.

2.

Artikel 94, eerste tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en het besluit ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.

Artikel 121. Terugstorting
1.

Indien de bekostiging van de laatste bijzondere school van een bevoegd gezag wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de laatste school beslist, dan wel de laatste openbare school wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag de niet bestede bekostigingsbedragen terug in de desbetreffende overheidskas.

2.

Het exploitatietekort blijft in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van het bevoegd gezag.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop het exploitatieoverschot, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend.

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 146. Toepasselijkheid Wet administratieve rechtspraak BES

Een beslissing als bedoeld in de artikelen 41, derde lid, en 44, eerste lid, van een bevoegd gezag van een openbare school geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 3 van de Wet administratieve rechtspraak BES.

Artikel 147. Bevoegde leraren
1.

In afwijking van artikel 3, eerste lid, en artikel 34, vijfde lid, mag basisonderwijs in de groepen één tot en met vier tevens gegeven worden door degenen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, bevoegd waren tot het geven van basisonderwijs in de eerste cyclus en dit onderwijs gaven op een van de scholen in de openbare lichamen.

2.

In afwijking van artikel 3, eerste lid, en artikel 34, vijfde lid, mag basisonderwijs tevens gegeven worden door degenen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, bevoegd waren tot het geven van basisonderwijs in de tweede cyclus en dit onderwijs gaven op een van de scholen in de openbare lichamen.

Artikel 148. Onbevoegde leraren

In afwijking van artikel 3, eerste lid, en artikel 34, vijfde lid, mag gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, basisonderwijs tevens gegeven worden door degenen die voor dat tijdstip basisonderwijs gaven op een van de scholen in de openbare lichamen zonder daartoe bevoegd te zijn mits zij binnen zes maanden na dat tijdstip in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan zes maanden.

Artikel 149. Toekomstige leraren
1.

Onverminderd artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, mogen in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 34, vijfde lid, degenen die geen getuigschrift bezitten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, maar wel voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel een opleiding begonnen zijn die leidt tot een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in de eerste cyclus als bedoeld in de Landsverordening funderend onderwijs of de Wet primair onderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden, gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, met dit bewijs van bekwaamheid worden benoemd of tewerkgesteld worden zonder benoeming tot leraar in de groepen één tot en met vier.

2.

Onverminderd artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, mogen in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel b, en artikel 34, vijfde lid, degenen die geen getuigschrift als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, maar wel voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel een opleiding begonnen zijn die leidt tot een bewijs van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in de tweede cyclus als bedoeld in de landsverordening funderend onderwijs gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, met dit bewijs van bekwaamheid worden benoemd tot leraar.

Artikel 150. Bevoegdheid in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening

In afwijking van artikel 3, tweede lid, kunnen degenen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, werkzaam waren op een van de scholen voor basisonderwijs in de openbare lichamen, het onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening in het eerste tot en met achtste schooljaar geven.

Artikel 151. Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden

In afwijking van artikel 4, eerste lid, mogen onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 35, derde lid, ook worden verricht door degene die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, deze onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichtte op een van de scholen in de openbare lichamen en daartoe bevoegd waren.

Artikel 152. Onbevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden

In afwijking van artikel 4, eerste lid, mogen gedurende een periode van vijf jaar na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 35, derde lid, ook worden verricht door degenen die op de dag voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van dit artikel, deze werkzaamheden verrichtten op een van de scholen in de openbare lichamen zonder daartoe bevoegd te zijn.

Hoofdstuk II. Slotbepalingen

Artikel 153. Overgangsrecht openbaar orgaan

Een openbaar orgaan als bedoeld in artikel 35 van de Wet primair onderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden, wordt aangemerkt als een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 53.

Artikel 154. Aanspraak op bekostiging

De aanspraak op bekostiging van een school die direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 72 werd bekostigd op grond van de Wet primair onderwijs BES zoals die wet op 10 oktober 2010 is komen te luiden, berust vanaf de inwerkingtreding van artikel 72 op hoofdstuk I, titel III en op hoofdstuk II.

Artikel 155. Begroting
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de vaststelling door het bevoegd gezag van een begroting en de inrichting daarvan.

2.

Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 156. Aanvraag omzetting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing

Tot de datum van inwerkingtreding van artikel 76, derde lid, is een aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 76, eerste of tweede lid, met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 72, tweede lid. Onze Minister willigt de aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 76, eerste lid, slechts in, ingeval:

  • a. de school bij toepassing van artikel 72, derde lid, door hem in aanmerking zou worden gebracht voor bekostiging,
  • b. indien op de onder a genoemde grond geen bekostiging zou kunnen worden verstrekt en het een omzetting in een openbare school of een uitbreiding met openbaar onderwijs betreft, binnen 10 kilometer van de plaats in het openbaar lichaam waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, of
  • c. de bekostiging van de school, indien daaraan het onderwijs wordt uitgebreid met openbaar onderwijs of met onderwijs van een of meer richtingen, van uitsluitend een of meer op te heffen scholen, met inachtneming van artikel 116, eerste lid, gedurende ten minste 20 achtereenvolgende jaren zou kunnen worden voortgezet.
Artikel 157. Opgave aantal leerlingen
1.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zendt het bevoegd gezag voor 15 oktober volgend op de teldatum 1 oktober aan Onze Minister een opgave van het aantal leerlingen. Indien deze opgave niet voor die datum wordt gedaan, stelt Onze Minister het aantal leerlingen, indien die gegevens voor de voortzetting of beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing of instandhouding van een school noodzakelijk zijn, ambtshalve vast. Een opgave van het aantal leerlingen op of na 15 oktober aan Onze Minister heeft geen invloed op het ambtshalve vastgestelde aantal leerlingen voor zover het betreft het al of niet beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing of instandhouding van een openbare school.

2.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wijst Onze Minister het bevoegd gezag voorafgaand aan de teldatum 1 oktober op de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

Artikel 158. Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip
1.

In afwijking van de artikelen 78 tot en met 84 en met overeenkomstige toepassing van artikel 87 gelden voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit 's Rijks kas bekostigde scholen.

2.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alsmede voor de financiering daarvan.

3.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.

4.

Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.

5.

Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen.

6.

Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.

7.

De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de scholen en in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 159. Continueren oude bepalingen voor zover de nieuwe nog niet in werking treden

Vervallen

Artikel 160. Wijziging overeenkomst inzake ouderbijdrage

Op het tijdstip waarop artikel 16 in werking treedt, vervalt het tweede lid van artikel 44, onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.

Artikel 161. Inwerkingtreding

De artikelen die niet bij Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Stb. 2011, 34) in werking zijn getreden, treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 162. Evaluatie zorgplicht veiligheid op school

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel IV van de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten in verband met het invoeren van de verplichting voor scholen om zorg te dragen voor de veiligheid op school (Stb. 238) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de artikelen 6a en 16, eerste lid, onderdeel m, in de praktijk.

Artikel 163. Evaluatie in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 november 2017 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het pseudonimiseren van het persoonsgebonden nummer van een onderwijsdeelnemer ten behoeve van het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van onderwijsdeelnemers (Stb. 508) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en effecten van artikel 147, achtste tot en met elfde lid, in de praktijk.

Artikel 164. Evaluatie in verband met nieuwe stichtingssystematiek

Onze Minister zendt na vijf, tien en vijftien jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van diverse onderwijswetten door het wijzigen van de systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe openbare en bijzondere scholen zodat er meer ruimte is voor een nieuw onderwijsaanbod (Wet meer ruimte voor nieuwe scholen) (Stb. 2020, 160) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de gewijzigde systematiek van het in aanmerking brengen voor bekostiging van nieuwe scholen in de praktijk. Daarbij wordt in ieder geval gelet op de effecten op de segregatie.

Artikel 165. Aantal leerlingen bij samenvoeging

Vervallen

Artikel 166. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet primair onderwijs BES.

Artikel 167. Opgave aantal leerlingen
1.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zendt het bevoegd gezag voor 15 oktober volgend op de teldatum 1 oktober aan Onze Minister een opgave van het aantal leerlingen. Indien deze opgave niet voor die datum wordt gedaan, stelt Onze Minister het aantal leerlingen, indien die gegevens voor de voortzetting of beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing of instandhouding van een school noodzakelijk zijn, ambtshalve vast. Een opgave van het aantal leerlingen op of na 15 oktober aan Onze Minister heeft geen invloed op het ambtshalve vastgestelde aantal leerlingen voor zover het betreft het al of niet beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing of instandhouding van een openbare school.

2.

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wijst Onze Minister het bevoegd gezag voorafgaand aan de teldatum 1 oktober op de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

Artikel 167a. Voorziening in de huisvesting voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip
1.

In afwijking van de artikelen 78 tot en met 84 en met overeenkomstige toepassing van artikel 87 gelden voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de voorschriften van het tweede tot en met zevende lid voor de voorziening in de huisvesting van uit 's Rijks kas bekostigde scholen.

2.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam zijn voor het jaar 2011 tot en met een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip gezamenlijk verantwoordelijk voor de huisvesting van uit ’s Rijks kas bekostigde scholen alsmede voor de financiering daarvan.

3.

Onze Minister en het bestuurscollege van het openbaar lichaam sluiten ter invulling van de gezamenlijke verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid, namens de Staat der Nederlanden onderscheidenlijk namens het betreffende openbaar lichaam, een of meer convenanten.

4.

Overeenkomstig het convenant of de convenanten, bedoeld in het derde lid, stelt Onze Minister voor elk van de openbare lichamen een plan vast, waarin de voornemens op het terrein van de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, alsmede de financiering daarvan, op hoofdlijnen worden beschreven.

5.

Onze Minister stelt de plannen, bedoeld in het vierde lid, vast in overeenstemming met het bestuurscollege van het openbaar lichaam en na overleg met de betreffende bevoegde gezagsorganen van de scholen.

6.

Onze Minister kan een of meer plannen, bedoeld in het vierde lid, in overeenstemming met het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, wijzigen.

7.

De plannen dan wel een wijziging daarvan, worden aan de betrokken bevoegde gezagsorganen van de scholen en in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 167b. Continueren oude bepalingen voor zover de nieuwe nog niet in werking treden

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip blijven de bepalingen van de Wet primair onderwijs BES zoals die is komen te luiden op 10 oktober 2010, van kracht voor zover de regeling van de daarin opgenomen onderwerpen niet is vervangen door de inwerkingtreding van overeenkomstige onderwerpen in deze wet. De vorige volzin is niet van toepassing op de onderwerpen geregeld in de artikelen 14, 16 en 18 van de Wet primair onderwijs BES zoals die is komen te luiden op 10 oktober 2010.

Artikel 168. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet primair onderwijs BES.

Artikel 52. Karakter openbaar onderwijs
1.

Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse en Caribische samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.

2.

Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.

3.

Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.

Artikel 53. Instandhouding openbare school door een openbare rechtspersoon
1.

Een eilandsraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in het openbaar lichaam in stand te houden, al dan niet tezamen met openbare scholen voor voortgezet onderwijs.

2.

De eilandsraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

3.

De openbare rechtspersoon oefent alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.

4.

De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in een regeling waarin een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd, en waarin voorts wordt geregeld:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de openbare rechtspersoon,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de eilandsraad en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de eilandsraad,
  • e. de wijze waarop de eilandsraad toezicht op het bestuur uitoefent,
  • f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden, en
  • g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt.
5.

De goedkeuring, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van het openbaar lichaam.

6.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de eilandsraad verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

7.

De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de verordening.

8.

Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de eilandsraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

9.

De eilandsraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.

10.

Indien de school een raad van toezicht heeft, is het vierde lid niet van toepassing en voorziet de verordening, bedoeld in het eerste lid, onverminderd artikel 25, in ieder geval in een regeling waarin een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd, en waarin voorts wordt geregeld:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de openbare rechtspersoon,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening, en
  • e. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt. Het vijfde, zesde en achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 54. Instandhouding openbare school door een stichting
1.

Een eilandsraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in het openbaar lichaam in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet tezamen met openbare scholen voor voortgezet onderwijs.

2.

De eilandsraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

3.

Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een openbaar lichaam, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

4.

Onverminderd artikel 22a, eerste lid, is het statutaire doel van de stichting uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 46.

5.

De stichting oefent alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

6.

Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling waarin een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting na goedkeuring door de eilandsraad en de vaststelling van de jaarrekening na instemming van de eilandsraad,
  • e. de wijze waarop de eilandsraad toezicht op het bestuur uitoefent,
  • f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,
  • g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en
  • h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden.
7.

De goedkeuring, bedoeld in het zesde lid, onderdeel d, kan worden onthouden wegens strijd met het recht of met het algemeen belang, waaronder begrepen het financiële belang van het openbaar lichaam.

8.

De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na instemming van de eilandsraad.

9.

Het bestuur brengt jaarlijks aan de eilandsraad verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

10.

De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

11.

Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de eilandsraad de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

12.

De eilandsraad is in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.

13.

Indien de school een raad van toezicht heeft, is het zesde lid niet van toepassing en voorzien de statuten, onverminderd artikel 25, in ieder geval in een regeling waarin een overheersende invloed van de overheid in de raad van toezicht is verzekerd:

  • a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van de raad van toezicht van de stichting,
  • b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat de leden van de raad van toezicht worden benoemd door de eilandsraad en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,
  • c. de termijn waarvoor de leden van de raad van toezicht worden benoemd,
  • d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening,
  • e. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,
  • f. de bevoegdheid de stichting te ontbinden. Het achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55. Bestuursoverdracht openbare scholen
1.

De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.

2.

Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de schriftelijke aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.

4.

Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

Artikel 56. Mogelijkheid godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 10, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, ten minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.

Artikel 57. Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
1.

Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.

2.

Het bevoegd gezag ziet erop toe dat dit onderwijs uitsluitend wordt gegeven door een leraar die blijkens een daartoe strekkende verklaring van de aanwijzende instantie:

  • a. voldoet aan de bekwaamheidseisen die krachtens artikel 35, eerste lid, voor het geven van dat onderwijs zijn vastgesteld, en
  • b. zijn bekwaamheid onderhoudt.
Artikel 58. Disciplinaire maatregel, schorsing en ontslag door Rijksvertegenwoordiger

De Rijksvertegenwoordiger is, in afwijking van artikel 39, bevoegd de disciplinaire straf of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het een directeur, een adjunct-directeur, of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school betreft en deze tevens lid is van de eilandsraad van het openbaar lichaam die de school in stand houdt.

Artikel 59. Horen bij aanstelling personeel, directeuren en adjunct-directeuren
1.

De aanstelling of tewerkstelling zonder aanstelling van de mede-directeur, de adjunct-directeur of leraren geschiedt, de directeur gehoord.

2.

De aanstelling en de overplaatsing van directeuren en adjunct-directeuren geschiedt door het bevoegd gezag, het personeel gehoord.

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Artikel 60. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon

Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

Artikel 61. Bestuursoverdracht
1.

De rechtspersoon die de school in stand houdt, kan de instandhouding van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 60. De overdracht geschiedt bij notariële akte.

2.

Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van benoeming, benoemt met ingang van de datum van overdracht.

4.

Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

5.

Bij een splitsing als bedoeld in artikel 335 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES van een rechtspersoon die een school in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 62. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

Onverminderd de artikelen 11 en 12 kunnen de onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 10, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, ten minste moeten ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leraar.

Artikel 63. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
1.

Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing indien de school uitsluitend is bestemd voor interne leerlingen.

2.

Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.

Artikel 64. Akte van benoeming
1.

Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming.

2.

De akte van benoeming bevat ten minste bepalingen van gelijke inhoud als de bepalingen die zijn vastgesteld in artikel 8 van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES.

Artikel 65. Beslissingen bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
1.

Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 41, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.

2.

Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 44 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling verwijdert, deelt het de beslissing daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Het bevoegd gezag neemt de beslissing, bedoeld in de eerste volzin, zo spoedig mogelijk.

3.

Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Artikel 77. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Artikel 78. Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam
1.

De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling ten behoeve van de scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van het openbaar lichaam. Deze huisvesting is zodanig dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in het openbaar lichaam stelt. De eilandsraad of het bestuurscollege behandelt daarbij de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen en de andere scholen op gelijke voet.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten.

Artikel 79. Voorzieningen in de huisvesting
1.

Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:

  • a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:
  • 1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair,
  • 2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en
  • 3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;
  • b. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.
2.

De kosten van bouwvoorbereiding kunnen tot de kosten van huisvesting worden gerekend.

Artikel 80. Vaststelling door bestuurscollege van bekostigingsplafond voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
1.

Het bestuurscollege stelt jaarlijks, na overleg met de betrokken bevoegde gezagsorganen, ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door het college te bepalen tijdstip een bekostigingsplafond vast voor de bekostiging van de voorzieningen in de huisvesting voor:

  • a. scholen, en
  • b. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs.
2.

Het bekostigingsplafond wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van het openbaar lichaam.

Artikel 81. Indiening aanvraag
1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor 1 september voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft in bij het bestuurscollege.

2.

De eilandsraad stelt bij verordening de vereisten van de aanvraag vast.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen.

Artikel 82. Beschikkingen op aanvragen
1.

Het bestuurscollege beslist voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft op de aanvraag. Het bestuurscollege geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om een onvolledige aanvraag binnen een door het bestuurscollege te stellen termijn aan te vullen.

2.

Het bestuurscollege kan besluiten de aanvraag niet te behandelen,

indien:

  • a. het bevoegd gezag niet heeft voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag, uit de eilandsverordening, bedoeld in artikel 81, tweede lid, of
  • b. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking.
3.

Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 80, niet toereikend is, wordt de volgorde van verlening van bekostiging bepaald op basis van de urgentie van de gevraagde voorziening.

4.

De beschikking van het bestuurscollege kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.

Artikel 83. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
1.

In afwijking van de termijnen genoemd in de artikelen 81 en 82, beslist het bestuurscollege binnen vier weken op een aanvraag voor een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden.

2.

Het bestuurcollege wijst de aanvraag af, indien:

  • a. het besluit over de voorziening kan worden genomen met inachtneming van de termijn, bedoeld in artikel 82, eerste lid, of
Artikel 84. Weigeringsgronden
1.

Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:

  • a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 79,
  • b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd,
  • c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen,
  • d. op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,
  • e. het bekostigingsplafond, bedoeld in artikel 80, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, van dat artikel, of
  • f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.
2.

Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 85. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op bekostiging
1.

Het bestuurscollege beslist met ingang van welk tijdstip de bekostiging van een voorziening daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 86.

2.

De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet binnen een bij de beschikking te bepalen termijn met betrekking tot de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 86. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

Voorzieningen komen voor bekostiging in aanmerking, mits op het op grond van artikel 85, eerste lid, vastgestelde tijdstip,

  • a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en
  • b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van de beschikking tot verlening niet ingrijpend zijn gewijzigd.
Artikel 87. Bouwheerschap
1.

Het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 82 en 83 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door het openbaar lichaam beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

2.

Indien het openbaar lichaam de voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij het bestuurscollege en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

3.

Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geeft het bestuurscollege deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 88. Instemming met eigen bouwplannen voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Indien het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school aanspraak heeft op bekostiging van een voorziening in de huisvesting, behoeven de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen de instemming van het bestuurscollege, tenzij het bevoegd gezag met het bestuurscollege overeenkomt dat het openbaar lichaam deze voorziening tot stand brengt.

Artikel 89. Totstandbrenging voorziening voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school

Het openbaar lichaam brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen het bestuurscollege en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 90. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
1.

Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

2.

Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school anders dan op grond van artikel 55 of artikel 61 van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor bekostiging wordt genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school van zodanige gebouwen en terreinen, is zonder toestemming van het bestuurscollege nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van opstal ten behoeve van een door het openbaar lichaam te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 91. Vorderingsrecht
1.

Het bestuurscollege is bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd te bestemmen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Tevens is het bestuurscollege bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd te bestemmen als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

2.

Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school pleegt het bestuurscollege vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van die school waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 92. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
1.

Voor zover artikel 91 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van het bestuurscollege vereist.

2.

De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:

  • a. indien het bestuurscollege gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 91 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of
  • b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.
3.

Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

4.

Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.

5.

Het zonder toestemming van het bestuurscollege verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is nietig.

Artikel 93. Voorziening niet ten laste van het openbaar lichaam

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)