Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 13 december 2011, nr. Z/F-3096189, houdende bepalingen omtrent de in de Zorgverzekeringswet bedoelde vereveningsbijdrage voor het jaar 2012 (Regeling risicoverevening 2012)

Type Ministeriële regeling
Publication 2014-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 33
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 32, vierde lid, en 38, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet en de artikelen 1, onderdelen i, j, k, y, z en bb, derde lid, 3.2, eerste en tweede lid, 3.4, derde lid, 3.5, derde lid, 3.6, tweede lid, 3.7, derde lid, 3.8, derde lid, 3.8a, 3.10, tweede lid, 3.11, vijfde en zesde lid, 3.13, 3.14, 3.15, eerste en tweede lid, 3.16, eerste en tweede lid, 3.17, eerste en tweede lid, 3.19, tweede lid, en 3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen

Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 3. De regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar

Hoofdstuk 5. De betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het College zorgverzekeringen

Hoofdstuk 2. Regels ten behoeve van de toekenning van de vereveningsbijdrage (ex ante) aan een zorgverzekeraar

Artikel 24

Wijzigt de Regeling zorgverzekering.

Artikel 25

Wijzigt de Regeling zorgverzekering.

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Bijlage 1. behorende bij artikelen 5 en 10, eerste lid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 2. behorende bij artikel 5 en, wat betreft tabel 2.1, bij artikel 10, tweede lid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 3. behorende bij artikel 10, tweede lid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 4. behorende bij artikelen 8, tweede lid, en 21, tweede lid

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1

1.

Deze regeling verstaat onder:

  • a. dbc-zorgproduct: een declarabele prestatie die is afgeleid uit subtrajecten en zorgactiviteiten via door de zorgautoriteit vastgestelde beslisbomen;
  • b. dbc-zorgproduct in het vrije segment: een dbc-zorgproduct waarvan de prijs tot stand komt in vrije onderhandeling;
  • c. dbc-zorgproduct in het gereguleerde segment: een dbc-zorgproduct waarvan de maximumprijs wordt bepaald door de zorgautoriteit;
  • d. overig zorgproduct: een declarabele prestatie binnen de medisch-specialistische zorg, niet zijnde een dbc-zorgproduct;
  • e. expertproduct: een dbc-zorgproduct dat minder dan zes keer voorkomt in het dbc informatie systeem (DIS);
  • f. add-on: een door de zorgautoriteit te omschrijven overig zorgproduct op het terrein van de intensive care, de dure geneesmiddelen of de weesgeneesmiddelen, bestaande uit zorgactiviteiten behorende bij een dbc-zorgproduct;
  • g. hemostatica: een overig zorgproduct dat betrekking heeft op de verstrekking van stollingsmiddelen in het kader van een behandelplan voor hemofilie en aanverwante hemostaseziekten;
  • h. eerstelijnsdiagnostiek: een overig zorgproduct dat betrekking heeft op diagnostiek door een ziekenhuis of huisartsenlaboratorium op verzoek van de eerste lijn;
  • i. landelijke vaste kosten factor: een factor waarmee het Zorginstituut op basis van historische kosten ziekenhuisverpleging per zorgverzekeraar de ex ante deelbedragen berekent voor de vaste kosten ziekenhuisverpleging in 2012.
2.

Het bedrag, bedoeld in artikel 1, onderdeel x, van het Besluit zorgverzekering, is € 550, en het bedrag, bedoeld in artikel 1, onderdeel y, van het Besluit zorgverzekering is € 2 750.

Artikel 2

1.

Het macro-prestatiebedrag voor het jaar 2012 bedraagt € 35 634,0 miljoen.

2.

Het macro-prestatiebedrag is opgebouwd uit de volgende macro-deelbedragen:

  • a. het macro-deelbedrag kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment ad € 13 346,4 miljoen;
  • b. het macro-deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp ad € 3 062,1 miljoen;
  • c. het macro-deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging ad € 2 464,9 miljoen;
  • d. het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg ad € 3861,8 miljoen;
  • e. het macro-deelbedrag kosten van overige prestaties ad € 12 898,8 miljoen.
3.

Het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, wordt gesplitst in:

  • a. het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar ad € 642,9 miljoen;
  • b. het macro-deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder ad € 3 218,9 miljoen.

Artikel 3

1.

De opbrengst van de nominale rekenpremie wordt voor het jaar 2012 geraamd op € 13 975,5 miljoen.

2.

De opbrengst van het verplicht eigen risico wordt voor het jaar 2012 geraamd op € 1 968,7 miljoen.

Artikel 4

De beschikbare middelen voor het verstrekken van de bijdragen aan zorgverzekeraars, bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet, omvatten voor het jaar 2012, naast de middelen, bedoeld in § 1.5 van hoofdstuk 3 van het Besluit zorgverzekering, een bedrag van € 19 689,9 miljoen.

Artikel 5

1.

De gewichten en de klassen, bedoeld in de artikelen 3.4, 3.5, 3.7 en 3.8 van het Besluit zorgverzekering, zijn vermeld in de bijlagen 1 en 2.

2.

Het Zorginstituut verdeelt het macro-deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging, over zorgverzekeraars aan de hand van de gemiddelde vaste kosten per verzekerde per zorgverzekeraar in het jaar 2010, de landelijke vaste kostenfactor 2012 en de geraamde aantallen verzekerden voor het vereveningsjaar 2012.

Artikel 6

1.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, en bijlage 1, tabel 1.2, wordt een verzekerde die in het buitenland woont ingedeeld in de FKG-klasse ‘Geen FKG’, waarbij voor hem het gewicht van die klasse door het CVZ wordt vastgesteld op een percentage van het gewicht van de FKG-klasse ‘Geen FKG’ zoals dat op grond van bijlage 1 tabel 1.2 voor in Nederland wonende verzekerden geldt.

2.

In afwijking van artikel 5, eerste lid, en bijlage 1, tabel 1.3, wordt een verzekerde die in het buitenland woont ingedeeld in de DKG-klasse ‘0’, waarbij voor hem het gewicht van die klasse door het CVZ wordt vastgesteld op een percentage van het gewicht van de DKG-klasse ‘0’ zoals dat op grond van bijlage 1 tabel 1.3 voor in Nederland wonende verzekerden geldt.

Artikel 7

1.

De nominale rekenpremie per jaar bedraagt € 1 050 per zorgverzekering waarvoor premie moet worden betaald.

2.

Het Zorginstituut raamt de opbrengst van de nominale rekenpremie per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald te vermenigvuldigen met de nominale rekenpremie.

3.

Het Zorginstituut berekent het aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald door het aantal zorgverzekeringen van verzekerden van achttien jaar en ouder bij een zorgverzekeraar, te verminderen met het aantal zorgverzekeringen van verzekerden als bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 8

1.

Het Zorginstituut raamt de opbrengst van het verplicht eigen risico per zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, door het geraamde aantal verzekerden van achttien jaar en ouder te verminderen met het geraamde aantal verzekerden, bedoeld in artikel 24 van de Zorgverzekeringswet, en het resultaat te vermenigvuldigen met de geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico per verzekerde.

2.

Het Zorginstituut gaat voor de bepaling van de geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, voor verzekerden van achttien jaar of ouder die voldoen aan het criterium ‘Geen FKG’ uit van verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, aard van het inkomen, en regio en de in bijlage 4 genoemde gewichten. Hierbij wordt de in de bijlage 4 aangegeven klassenindeling van de criteria aangehouden.

3.

De geraamde opbrengst per verzekerde, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor verzekerden van achttien jaar of ouder die niet voldoen aan het criterium ‘Geen FKG’, € 220 per verzekerde.

Hoofdstuk 3. De regels ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage (ex post) aan een zorgverzekeraar

Artikel 9

1.

Een verzekerde die slechts gedurende een deel van het vereveningsjaar bij een zorgverzekeraar verzekerd was, telt voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage voor die zorgverzekeraar mee in een mate die bepaald wordt door het aantal dagen dat hij in dat jaar bij die zorgverzekeraar verzekerd was te delen door het aantal dagen in dat jaar.

2.

Indien een verzekerde gedurende een aantal dagen van het vereveningsjaar bij meer dan één zorgverzekeraar verzekerd was, telt hij voor het vaststellen van de vereveningsbijdrage over die periode mee in een mate die bepaald wordt door het getal 1 te delen door het aantal zorgverzekeraars waarbij hij in die periode verzekerd was.

Artikel 10

1.

Voor de in artikel 3.11, vijfde lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde herberekening van de gewichten ten behoeve van de in artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde berekening van de deelbedragen ‘kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment’, ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’ en ‘kosten van overige prestaties’, gaat het Zorginstituut uit van de verhouding tussen de gewichten, opgenomen in bijlage 1.

2.

Voor de in artikel 3.11, vijfde lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde herberekening van de gewichten ten behoeve van de in artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde berekening van het deelbedrag ‘kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’, gaat het Zorginstituut voor zover het gaat om de herberekening van de kosten van verzekerden van jonger dan achttien jaar uit van de verhouding tussen de gewichten in bijlage 2, tabel 2.1, en voor zover het gaat om de herberekening van de kosten van verzekerden van achttien jaar en ouder uit van de verhouding tussen de gewichten, opgenomen in bijlage 3.

Artikel 11

1.

Nadat het Zorginstituut de gerealiseerde kosten op de in de artikelen 12 tot en met 15, 17, eerste lid, 18, eerste lid, en 19 beschreven wijze heeft toebedeeld aan de clusters ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en specialistische hulp’, ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ en ‘overige prestaties’, herberekent het instituut de voor deze clusters relevante gewichten.

2.

Het Zorginstituut gaat bij de herberekening, bedoeld in het eerste lid, uit van de gerealiseerde kosten voor elk van de in het eerste lid genoemde clusters van prestaties, van gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder criterium en van de verhouding tussen de gewichten in de in artikel 10 genoemde bijlagen.

3.

De gerealiseerde aantallen verzekerden per klasse van ieder criterium worden voor de hiernavolgende criteria aan de hand van realisatiecijfers over volgende jaren berekend:

  • a. leeftijd en geslacht: 2012;
  • b. FKG’s: 2011;
  • c. FKG’s psychische aandoeningen: 2011;
  • d. DKG’s: 2011;
  • e. aard van het inkomen: 2012;
  • f. SES: 2012;
  • g. éénpersoonsadres: 2012;
  • h. regio: 2012;
  • i. GGZ-regio: 2012;
  • j. kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel: 2011;
  • k. kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel: 2011;
  • l. meerjarige hoge kosten: 2009, 2010 en 2011
  • m. leeftijd onder achttien jaar: 2012
4.

In afwijking van het tweede en derde lid herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen MHK’ van het criterium meerjarig hoge kosten dusdanig, dat het voor dit criterium gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, macro per saldo nul bedraagt.

5.

In afwijking van het tweede en derde lid herberekent het Zorginstituut het gewicht van de klasse ‘Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel’ van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de lage drempel en het gewicht van de klasse ‘Geen kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel’ van het criterium kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg boven de hoge drempel dusdanig, dat per criterium het gesommeerde resultaat van de vermenigvuldiging van de gewichten met het gerealiseerde aantal verzekerden, macro per saldo nul bedraagt.

Artikel 12

1.

Het Zorginstituut merkt kosten, bedoeld in artikel 3.13 van het Besluit zorgverzekering, voor prestaties van grensoverschrijdende zorg die zodanig zijn gespecificeerd, dat:

  • a. uit de specificatie blijkt dat zij ofwel gelden als kosten van geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b –, ofwel als kosten van verblijf als bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit zorgverzekering – met uitzondering van de kosten, bedoeld in subonderdeel b – voor 70 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, voor 15 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’ en voor 15 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’;
  • b. uit de specificatie blijkt dat zij gelden als kosten van geneeskundige zorg die gericht is op herstel van een psychische aandoening en, voor zover die zorg daarmee gepaard gaat, kosten van verblijf, aan als kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar of kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder;
  • c. uit de specificatie niet blijkt dat zij gelden als kosten als bedoeld onder a of b, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.
2.

Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties van grensoverschrijdende zorg die gemaakt zijn met toepassing van internationale regelingen inzake sociale zekerheid, voor 35 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’, voor 10 procent aan als kosten van het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder, en voor 35 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.

Artikel 13

1.

Met uitzondering van betalingen uit hoofde van een verplicht of vrijwillig eigen risico, rekent het Zorginstituut zorgkosten die voor rekening komen van de verzekerden niet toe aan een cluster van prestaties.

2.

Het Zorginstituut rekent renteheffingskosten niet toe aan een cluster van prestaties.

Artikel 14

Het Zorginstituut merkt de kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’.

Artikel 15

1.

Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, inclusief long/astma-klinieken en epilepsiecentra, maar uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

2.

Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch specialistische zorg, uitgezonderd de long/astma-klinieken en de epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

3.

Het Zorginstituut merkt de kosten- en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten, uitgezonderd de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra en de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

4.

Het Zorginstituut merkt kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

5.

Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

6.

Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra, voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’.

7.

Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als kosten van het cluster ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’:

  • a. de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
  • b. de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
  • c. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.

Artikel 16

1.

Het Zorginstituut baseert de herberekening per zorgverzekeraar vaste kosten van ziekenhuisverpleging op de vaste kosten in het jaar 2011.

2.

Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc-zorgproducten in het gereguleerde segment van alle instellingen voor medisch-specialistische zorg, inclusief long/astma-klinieken en epilepsiecentra, en uitgezonderd de kosten van expertproducten, voor 25 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

3.

Het Zorginstituut merkt de kostencomponent en de honorariumcomponent van de kosten van expertproducten in het vrije en gereguleerde segment voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

4.

Het Zorginstituut merkt de kosten van add-ons voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

5.

Het Zorginstituut merkt de kosten hemostatica voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

6.

Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van prestaties, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, voor een door hem per instelling voor medisch specialistisch zorg vast te stellen percentage aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

7.

Het percentage per instelling, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 15, vijfde lid.

8.

Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit vastgestelde bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra voor 25 procent als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

9.

Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, waarvoor een percentage van 40 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 25 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’:

  • a. de kostencomponent en honorariumcomponent van de kosten van overige zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten, uitgezonderd de kosten van add-ons, hemostatica en eerstelijnsdiagnostiek van die instellingen;
  • b. de honorariumcomponent van de kosten van dbc-zorgproducten van long/astma-klinieken en epilepsiecentra;
  • c. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc-zorgproducten.
10.

Het Zorginstituut merkt de kosten van de overgangsregeling van het functioneel leeftijdsontslag van werknemers in de publieke ambulancezorg voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

11.

Het Zorginstituut merkt de kosten voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘vaste kosten van ziekenhuisverpleging’.

12.

Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging, vastgesteld ingevolge het tweede tot en met negende lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging na toepassing van het eerste lid, anderzijds.

Artikel 17

1.

Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar’.

2.

Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de gerealiseerde kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar enerzijds, en het herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, van het Besluit zorgverzekering, anderzijds.

Artikel 18

1.

Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2012 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.

2.

Het Zorginstituut past als volgt hoge kostencompensatie toe op het herberekende deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder, bedoeld in artikel 3.12, derde lid, van het Besluit zorgverzekering:

  • a. 90 procent van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg, voor zover deze kosten het bedrag van € 10 000 per verzekerde op jaarbasis overschrijden, wordt betrokken bij de herberekening van het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van achttien jaar en ouder;
  • b. vervolgens worden de uitkomsten uit onderdeel a per zorgverzekeraar gesommeerd;
  • c. aan de ingevolge onderdeel b gesommeerde kosten wordt per zorgverzekeraar 40 procent toegevoegd van de kosten van verzekerde prestaties die verzekerden van de zorgverzekeraar buiten Nederland hebben gemaakt en die het Zorginstituut op basis van declaraties op kasbasis naar het werkelijke bedrag in 2012 vergoedt, voor zover zij ingevolge artikel 12, tweede lid, als kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg van verzekerden van achttien jaar en ouder zijn aangemerkt;
  • d. daarna wordt het percentage berekend dat voortvloeit uit de verhouding tussen de som van de uitkomsten van onderdeel c van alle zorgverzekeraars samen en de herberekende deelbedragen kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder van alle zorgverzekeraars samen, en dit percentage wordt toegepast op het corresponderende herberekende deelbedrag van een zorgverzekeraar;
  • e. ten slotte wordt het herberekende deelbedrag per zorgverzekeraar nogmaals herberekend door hierbij het resultaat van onderdeel c op te tellen en vervolgens te verminderen met het resultaat van onderdeel d.

Artikel 19

1.

Het Zorginstituut merkt de kosten van eerstelijnsdiagnostiek voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.

2.

Het Zorginstituut merkt de kosten van prestaties waarop de beleidsregels ‘Innovatie ten behoeve van nieuwe zorgprestaties’ of ‘Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronische aandoeningen’ van de zorgautoriteit van toepassing zijn, voor 100 procent aan als kosten van het cluster ‘overige prestaties’.

Artikel 20

1.

Het bedrag en het percentage bedoeld in artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering zijn: € 22,50 en 90 procent.

2.

Het bedrag en het percentage bedoeld in artikel 3.17 van het Besluit zorgverzekering zijn: € 7,50 en 90 procent.

Artikel 21

1.

De opbrengst van de nominale rekenpremie, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 7, met dien verstande, dat wordt uitgegaan van het gerealiseerde aantal zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald bij de zorgverzekeraar.

2.

De opbrengst van het verplicht eigen risico, bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering, wordt berekend overeenkomstig artikel 8, met dien verstande, dat wordt uitgegaan van de gerealiseerde aantallen in dat artikel bedoelde verzekerden.

Hoofdstuk 4. Aanvullingen op de vereveningsbijdrage aan een zorgverzekeraar

Artikel 22

Het in artikel 3.22, tweede lid, van het Besluit zorgverzekering bedoelde bedrag per verzekerde bedraagt € 50.

Hoofdstuk 5. De betaling van de vereveningsbijdrage aan zorgverzekeraar door het Zorginstituut

Artikel 23

De betaling van de bijdrage geschiedt overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen beleidsregels, waarin ten minste een betaalschema is opgenomen dat rekening houdt met het betaalschema van de zorgverzekeraars.

Hoofdstuk 6. Wijziging van de Regeling zorgverzekering

Hoofdstuk 7. Overige bepalingen

Artikel 26

Wijzigt de Wijzigingsregeling Regeling zorgverzekering (vereveningsbijdrage zorgverzekeraars 2011).

Artikel 27

In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.16 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en de kosten van specialistische hulp ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:

    1. Het Zorginstituut merkt de kosten voor de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten voor 100 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare dbc-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc’s, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het Zorginstituut bepaalt per ziekenhuis het percentage, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, op basis van door de zorgautoriteit te verschaffen gegevens.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van niet-onderhandelbare dbc-tarieven van instellingen dan wel zorgverleners, die niet bedoeld zijn in het tweede of derde lid, voor 75 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc’s, waarvoor een percentage van 60 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 75 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp:
  • a. de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc’s;
  • b. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc’s;
  • c. de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van centra voor klinische genetica, radiotherapie, epilepsie, dialyse en revalidatie.
    1. Het Zorginstituut merkt de honorariumcomponent van de niet-onderhandelbare dbc’s en eventuele overige declaraties van vrijgevestigde specialisten voor 100 procent aan als variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, met uitzondering van de honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten, waarvoor een percentage van 75 wordt aangehouden.
    1. Het Zorginstituut betrekt de renteheffingstarieven niet bij de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 hogekostencompensatie toe op het deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp.
    1. Het Zorginstituut calculeert 30 procent na op het verschil tussen de variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp, vastgesteld ingevolge het eerste tot en met negende lid enerzijds, en het herberekende deelbedrag variabele kosten van ziekenhuis.

Artikel 28

In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.17 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de vaste kosten van ziekenhuisverpleging ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:

    1. Het Zorginstituut baseert de herberekening per zorgverzekeraar van het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging op de vaste kosten in het jaar 2009.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de niet-onderhandelbare dbc-tarieven in algemene en academische ziekenhuizen, alsmede van het Oogziekenhuis, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het percentage per ziekenhuis, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, tweede lid.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de kosten van dbc’s, geleverd door instellingen die meedoen aan experimenten in de zin van de Wet marktordening gezondheidszorg, die niet bedoeld zijn in artikel 3.1, voor een door hem per ziekenhuis vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het percentage per instelling, bedoeld in het vierde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, derde lid.
    1. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de opbrengstresultaten in 2010 voor een door hem per instelling voor medisch specialistische zorg vast te stellen percentage aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het percentage per instelling, bedoeld in het zesde lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in artikel 3.16, vierde lid.
    1. Het Zorginstituut merkt de kostencomponent van de niet-onderhandelbare dbc-tarieven van instellingen, dan wel zorgverleners, die niet bedoeld zijn in het tweede, vierde of zesde lid, voor 25 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Met uitzondering van de verpleegkosten bij instellingen die niet worden gefinancierd op basis van dbc’s, waarvoor een percentage van 40 wordt aangehouden, merkt het Zorginstituut de volgende kosten voor 25 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging:
  • a. de kostencomponent en honorariumcomponent van overige trajecten en verrichtingen en van ondersteunende en overige producten van instellingen en zorgverleners die in hoofdzaak worden gefinancierd op basis van dbc’s;
  • b. alle kosten van overige instellingen op het gebied van ziekenhuisverpleging voor zover zij niet worden gefinancierd op basis van dbc’s;
  • c. de kostencomponent van de vaste bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van centra voor klinische genetica, radiotherapie, epilepsie, dialyse en revalidatie.
    1. Het Zorginstituut merkt de kosten voor prestaties waarop de beleidsregel ‘Verpleging in de thuissituatie, noodzakelijk in verband met medisch-specialistische zorg’ van de zorgautoriteit van toepassing is, en de kosten van de overgangsregeling van het functioneel leeftijdsontslag van werknemers in de publieke ambulancezorg voor 100 procent aan als vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het Zorginstituut betrekt de renteheffingstarieven niet bij de vaste kosten van ziekenhuisverpleging.
    1. Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de vaste kosten van ziekenhuisverpleging, vastgesteld ingevolge het tweede tot en met elfde lid enerzijds, en het deelbedrag vaste kosten van ziekenhuisverpleging na toepassing van het eerste lid anderzijds.

Artikel 29

In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.18 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:

    1. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar.
    1. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten die behoren tot het deelbedrag kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
    1. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan 100 minus het percentage, bedoeld in het eerste lid.
    1. Het Zorginstituut calculeert 100 procent na op het verschil tussen de gerealiseerde kosten van geneeskundige gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar en het deelbedrag kosten geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar.
    1. Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.

Artikel 30

In afwijking van hetgeen daarover in artikel 3.19 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, was geregeld, worden de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder ten behoeve van de vaststelling van de vereveningsbijdrage over het jaar 2010 als volgt herberekend:

    1. Het Zorginstituut merkt de door de zorgautoriteit berekende bedragen ter verrekening van de in 2010 gerealiseerde opbrengstresultaten van gebudgetteerde instellingen voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor een door de zorgautoriteit vast te stellen gedeelte aan als kosten voor geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.
    1. Het Zorginstituut past overeenkomstig artikel 3.14 van de Regeling zorgverzekering zoals dat met betrekking tot het jaar 2010 gold, hogekostencompensatie toe op het deelbedrag kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden van achttien jaar en ouder.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 31

Hoofdstuk 3 van de Regeling zorgverzekering, zoals dat na toepassing van artikel 24 juncto 33, vierde lid, zoals dat met betrekking tot het vereveningsjaar 2011 luidde, blijft van toepassing op de vaststelling van de vereveningsbijdragen over 2011.

Artikel 32

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling risicoverevening 2012.

Artikel 33

1.

Deze regeling treedt, met uitzondering van artikel 25, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 30 september 2011.

2.

Artikel 25 treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

3.

Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 1 januari 2012, treedt ook artikel 25 in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst en werkt dat artikel terug tot en met 1 januari 2012.

4.

Artikel 24 werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Bijlage 1. behorende bij artikelen 5 en 10, eerste lid

De bijlage betreft kosten van zorg behorende tot de clusters ‘dbc-zorgproducten in het vrije segment’, ‘variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp’, en ‘overige prestaties’.

De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 5) en vormen de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 10, eerste lid).

Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
Mannen 0 jaar 484,51 2.253,76 879,86
1–4 jaar 429,02 323,15 653,54
5–9 jaar 366,86 247,86 742,58
10–14 jaar 345,60 207,73 682,39
15–17 jaar 403,38 185,37 684,64
18–24 jaar 439,09 154,18 499,58
25–29 jaar 462,79 133,23 515,57
30–34 jaar 475,22 129,40 537,00
35–39 jaar 510,46 143,24 555,46
40–44 jaar 556,29 135,70 575,05
45–49 jaar 636,79 157,70 621,33
50–54 jaar 738,42 178,88 673,63
55–59 jaar 910,77 218,55 762,63
60–64 jaar 1.077,52 233,29 815,73
65–69 jaar 1.387,43 258,13 939,02
70–74 jaar 1.697,28 246,54 1.003,49
75–79 jaar 2.020,88 206,51 1.088,74
80–84 jaar 2.133,44 77,90 1.204,30
85–89 jaar 2.119,51 0,36 1.399,87
90+ jaar 2.095,70 – 18,67 1.746,38
Vrouwen 0 jaar 399,65 1.970,03 771,53
1–4 jaar 370,68 262,10 601,11
5–9 jaar 350,15 178,61 670,96
10–14 jaar 342,81 172,07 687,62
15–17 jaar 422,28 182,55 777,44
18–24 jaar 574,95 148,56 688,22
25–29 jaar 844,27 172,49 964,31
30–34 jaar 898,87 182,81 999,11
35–39 jaar 762,10 163,01 774,66
40–44 jaar 695,52 129,70 667,25
45–49 jaar 784,12 119,40 702,70
50–54 jaar 867,20 122,21 755,92
55–59 jaar 952,43 123,93 813,58
60–64 jaar 1.057,75 116,79 858,01
65–69 jaar 1.243,12 116,59 961,45
70–74 jaar 1.416,60 96,75 1.038,80
75–79 jaar 1.614,79 67,93 1.143,35
80–84 jaar 1.668,87 6,65 1.295,95
85–89 jaar 1.628,18 – 42,88 1.499,92
90+ jaar 1.383,83 – 49,27 1.783,16
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- ---
FKG’s
Geen FKG –59,76 0,80 – 147,69
Glaucoom 118,02 – 43,47 183,32
Schildklieraandoeningen 124,52 –16,85 106,28
Psychose, Alzheimer en verslaving – 405,78 –225,81 1.000,59
Depressie 60,79 –28,33 170,32
Neuropathische pijn 483,64 –117,25 817,01
Hoog cholesterol 88,78 40,30 249,43
Diabetes type IIb 141,46 4,83 425,64
COPD/Zware astma 651,68 –84,59 969,29
Astma 194,17 10,19 513,71
Diabetes type IIa 203,79 35,83 592,49
Epilepsie –52,61 443,19 626,46
Ziekte van Crohn/Colitis Ulcerosa 621,09 –125,49 309,04
Hartaandoeningen 705,39 172,05 345,02
Reuma: TNF-alfa-remmers 0,00 0,00 0,00
Reuma: overige middelen 640,00 17,72 41,64
Parkinson 74,32 –214,21 2.425,17
Diabetes type I 169,24 –135,76 1.342,73
Transplantaties –691,64 32,75 1.090,22
Cystic fibrosis/pancreasenzymen 603,17 –459,75 4.846,78
Aandoeningen van hersenen/ruggenmerg –877,21 –627,84 5.929,31
Kanker 1.948,82 –360,70 4.664,51
Hormoongevoelige tumoren 682,83 –273,69 952,29
HIV/AIDS –622,16 –844,42 8.635,68
Nieraandoeningen 3.572,42 –258,23 3.137,46
Groeihormonen –2.034,44 –1.741,28 14.029,68
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- ---
DKG’s
0 –79,09 –12,45 –22,41
1 792,60 94,95 55,63
2 806,41 392,86 224,33
3 1.142,27 665,40 422,40
4 2.019,75 282,70 690,05
5 3.448,67 231,31 1.050,92
6 2.708,64 439,98 716,05
7 2.831,31 1.777,41 1.312,98
8 3.828,69 348,22 1.363,46
9 3.525,36 1.082,33 2.661,06
10 6.373,81 299,71 2.158,77
11 7.257,08 831,72 3.419,87
12 5.880,56 2.597,55 5.879,23
13 54.954,48 141,03 2.605,21
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- --- ---
0–17 jaar 0,00 0,00 0,00
Arbeidsongeschikten 18–34 jaar 143,72 184,29 346,06
35–44 jaar 201,11 123,29 348,98
45–54 jaar 248,17 63,12 297,54
55–64 jaar 239,74 47,01 199,90
Bijstandsgerechtigden 18–34 jaar 105,76 28,16 49,36
35–44 jaar 125,31 36,78 149,09
45–54 jaar 164,15 15,15 186,68
55–64 jaar 79,47 20,49 110,78
Zelfstandigen 18–34 jaar –46,41 –16,46 –56,11
35–44 jaar –59,84 –19,37 –54,64
45–54 jaar –86,95 –20,25 –73,41
55–64 jaar –96,81 –19,96 –86,72
Referentiegroep 18–34 jaar –6,28 –7,29 –12,67
35–44 jaar –10,77 –6,69 –20,84
45–54 jaar –22,22 –4,64 –29,41
55–64 jaar –42,50 –8,47 –36,96
65+ jaar 0,00 0,00 0,00
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- ---
Regio
1 46,93 8,78 14,91
2 22,71 7,33 8,52
3 21,91 2,91 4,08
4 8,46 8,03 1,55
5 1,32 –1,34 7,65
6 –2,37 –1,83 4,12
7 –9,65 –2,96 –2,85
8 –18,58 –4,11 –6,14
9 –25,44 –8,41 –6,68
10 –45,10 –8,36 –25,00
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- --- ---
SES > 15 bewoners 0–17 jaar 0,21 8,66 12,95
18–64 jaar 3,10 16,64 –67,61
65+ jaar –216,94 –121,21 401,67
SES 1 (laag) 0–17 jaar 0,21 8,66 12,95
18–64 jaar 31,31 –2,31 22,31
65+ jaar 283,58 4,73 118,90
SES 2 (midden) 0–17 jaar 0,77 –7,14 –7,99
18–64 jaar 13,52 –2,55 18,56
65+ jaar –27,78 –3,02 –15,98
SES 3 (hoog) 0–17 jaar –3,24 –12,14 –26,64
18–64 jaar –37,95 4,07 –34,92
65+ jaar –83,52 17,77 –90,35
Kosten van dbc-zorgproducten in het vrije segment Variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp Kosten van overige prestaties
--- --- --- ---
MHK’s
Geen MHK –92,33 –42,69 –138,31
MHK 2 voorafgaande jaren hoge kosten 754,17 316,58 771,11
MHK 3 jaar hoge kosten in top 15 procent 859,21 266,01 1.031,64
MHK 3 jaar hoge kosten in top 10 procent 1.266,60 371,65 1.741,83
MHK 3 jaar hoge kosten in top 7 procent 1.782,40 551,51 2.782,49
MHK 3 jaar hoge kosten in top 4 procent 2.560,45 1.069,55 4.495,80
MHK 3 jaar hoge kosten in top 1,5 procent 2.768,63 5.563,84 9.466,90

Bijlage 2. behorende bij artikel 5 en, wat betreft tabel 2.1, bij artikel 10, tweede lid

De bijlage betreft de kosten van zorg behorende tot de clusters ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden jonger dan achttien jaar en ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.

De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de ex ante berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar en vormen wat betreft tabel 2.1 de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van de kosten van geneeskundige geestelijke gezondheidszorg voor verzekerden jonger dan achttien jaar (art. 10, tweede lid). De gewichten bevatten geen correctie voor hogekostencompensatie.

Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden jonger dan achttien jaar
Leeftijd onder achttien jaar
Wel 185,15
Niet 0,00
--- ---
Mannen 18–24 jaar
25–29 jaar
30–34 jaar
35–39 jaar
40–44 jaar
45–49 jaar
50–54 jaar
55–59 jaar
60–64 jaar
65–69 jaar
70–74 jaar
75–79 jaar
80–84 jaar
85–89 jaar
90+ jaar
Vrouwen 18–24 jaar
25–29 jaar
30–34 jaar
35–39 jaar
40–44 jaar
45–49 jaar
50–54 jaar
55–59 jaar
60–64 jaar
65–69 jaar
70–74 jaar
75–79 jaar
80–84 jaar
85–89 jaar
90+ jaar
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
GGZ-regio
1 78,41
2 11,26
3 –3,32
4 –9,46
5 –4,26
6 –12,10
7 –15,51
8 –15,51
9 –15,51
10 –15,51
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
FKG’s
Geen FKG psychische aandoeningen –31,73
Psychose 3.465,81
Depressie 228,68
Verslaving 2.583,56
Bipolaire stoornis 1.386,78
ADHD 271,45
--- ---
Arbeidsongeschikten 18–34 jaar
35–44 jaar
45–54 jaar
55–64 jaar
Bijstandsgerechtigden 18–34 jaar
35–44 jaar
45–54 jaar
55–64 jaar
Zelfstandigen 18–34 jaar
35–44 jaar
45–54 jaar
55–64 jaar
Referentiegroep 18–34 jaar
35–44 jaar
45–54 jaar
55–64 jaar
65+ jaar
--- ---
SES > 15 bewoners 18–64 jaar
65+ jaar
SES 1 (laag) 18–64 jaar
65+ jaar
SES 2 (midden) 18–64 jaar
65+ jaar
SES 3 (hoog) 18–64 jaar
65+ jaar
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Eenpersoonsadres
Niet –20,96
Wel 107,51
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Kosten geneeskundige GGZ boven lage drempel
Niet –35,95
Wel 776,22
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Kosten geneeskundige GGZ boven hoge drempel
Niet –78,97
Wel 5.523,63

Bijlage 3. behorende bij artikel 10, tweede lid

De bijlage betreft kosten van zorg behorend tot de cluster ‘geneeskundige geestelijke gezondheidszorg’ voor verzekerden van achttien jaar en ouder.

De in deze bijlage genoemde gewichten vormen de basis voor de herberekening van de gewichten ten behoeve van de ex post berekening van het normatieve bedrag ten behoeve van een zorgverzekeraar (art. 10, tweede lid). De gewichten bevatten een correctie voor hogekostencompensatie.

Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
Mannen 18–24 jaar 257,83
25–29 jaar 277,56
30–34 jaar 278,99
35–39 jaar 274,44
40–44 jaar 263,58
45–49 jaar 254,87
50–54 jaar 240,64
55–59 jaar 219,34
60–64 jaar 210,08
65–69 jaar 185,63
70–74 jaar 190,78
75–79 jaar 191,33
80–84 jaar 201,53
85–89 jaar 195,63
90+ jaar 184,33
Vrouwen 18–24 jaar 297,99
25–29 jaar 295,92
30–34 jaar 274,95
35–39 jaar 271,94
40–44 jaar 260,23
45–49 jaar 259,83
50–54 jaar 240,64
55–59 jaar 215,12
60–64 jaar 210,08
65–69 jaar 183,99
70–74 jaar 183,99
75–79 jaar 183,99
80–84 jaar 183,99
85–89 jaar 183,99
90+ jaar 183,99
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
GGZ-regio
1 53,65
2 26,60
3 8,41
4 2,83
5 –4,01
6 –11,21
7 –19,40
8 –19,40
9 –19,40
10 –19,40
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
FKG’s FKG’s
Geen FKG psychische aandoeningen –29,56
Psychose 2.454,78
Depressie 327,36
Verslaving 1.783,63
Bipolaire stoornis 1.083,27
ADHD 340,69
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- --- ---
Arbeidsongeschikten 18–34 jaar 537,97
35–44 jaar 297,59
45–54 jaar 169,10
55–64 jaar 35,42
Bijstandsgerechtigden 18–34 jaar 557,73
35–44 jaar 528,52
45–54 jaar 319,97
55–64 jaar 106,22
Zelfstandigen 18–34 jaar –58,75
35–44 jaar –61,14
45–54 jaar –41,55
55–64 jaar –11,00
Referentiegroep 18–34 jaar –31,43
35–44 jaar –33,26
45–54 jaar –26,40
55–64 jaar –11,00
65+ jaar 0,00
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- --- ---
SES > 15 bewoners 18–64 jaar 643,91
65+ jaar 50,34
SES 1 (laag) 18–64 jaar –0,15
65+ jaar 18,84
SES 2 (midden) 18–64 jaar 7,45
65+ jaar –6,33
SES 3 (hoog) 18–64 jaar –21,42
65+ jaar –6,33
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Eenpersoonsadres Eenpersoonsadres
Niet –18,61
Wel 95,46
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Kosten geneeskundige GGZ boven lage drempel Kosten geneeskundige GGZ boven lage drempel
Niet Zie artikel 11, vierde lid
Wel 1.056,49
Kosten van geneeskundige GGZ voor verzekerden van achttien jaar en ouder
--- ---
Kosten geneeskundige GGZ boven hoge drempel Kosten geneeskundige GGZ boven hoge drempel
Niet Zie artikel 11, vierde lid
Wel 4.277,82

Bijlage 4. behorende bij artikelen 8, tweede lid, en 21, tweede lid

De bijlage betreft het eigen risico.

De in deze bijlage genoemde gewichten zijn bedoeld voor de berekening van de specifiek voor de zorgverzekeraar geraamde opbrengst van het verplicht eigen risico.

Eigen bijdrage ten gevolge van verplicht eigen risico
Mannen 18–24 jaar 89,68
25–29 jaar 86,37
30–34 jaar 89,85
35–39 jaar 94,01
40–44 jaar 98,18
45–49 jaar 105,09
50–54 jaar 114,73
55–59 jaar 128,58
60–64 jaar 138,36
65–69 jaar 153,75
70–74 jaar 167,89
75–79 jaar 178,84
80–84 jaar 184,82
85–89 jaar 186,69
90+ jaar 186,38
Vrouwen 18–24 jaar 135,61
25–29 jaar 139,52
30–34 jaar 146,04
35–39 jaar 136,53
40–44 jaar 131,67
45–49 jaar 135,36
50–54 jaar 142,27
55–59 jaar 147,46
60–64 jaar 152,74
65–69 jaar 163,88
70–74 jaar 174,59
75–79 jaar 182,81
80–84 jaar 186,07
85–89 jaar 185,04
90+ jaar 177,80
Eigen bijdrage ten gevolge van verplicht eigen risico
--- --- ---
Arbeidsongeschikten 18–34 jaar 39,49
35–44 jaar 41,90
45–54 jaar 37,30
55–64 jaar 23,71
Bijstandsgerechtigden 18–34 jaar 28,83
35–44 jaar 34,03
45–54 jaar 28,74
55–64 jaar 9,86
Zelfstandigen 18–34 jaar –4,10
35–44 jaar –6,73
45–54 jaar –8,74
55–64 jaar –8,62
Referentiegroep 18–34 jaar –1,69
35–44 jaar –2,18
45–54 jaar –2,42
55–64 jaar –2,76
65+ jaar 0,00
Eigen bijdrage ten gevolge van verplicht eigen risico
--- ---
Regio
1 6,96
2 4,04
3 3,41
4 1,60
5 0,61
6 –0,19
7 –1,28
8 –3,56
9 –4,81
10 –5,88

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)