Regeling van de Minister van Economische Zaken van 7 december 2012, nr. WJZ/12346914, houdende regels met betrekking tot dierlijke producten (Regeling dierlijke producten)
| Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 |
|---|---|---|
| Diersoorten | Onderscheiden categorieën binnen de diersoorten | Omvang mestproductie per dier van de onderscheiden diercategorieën per jaar, uitgedrukt in kilogrammen stikstof |
| Rundvee | Fok- en gebruiksvee | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een stal, niet zijnde een grupstal of potstal met vaste mest | 96,1 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een grupstal met vaste mest | 90,6 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een potstal met vaste mest | 86,4 | |
| Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 32,3 | |
| Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder | 66 | |
| Stieren voor de fokkerij jonger dan 1 jaar | 26,7 | |
| Stieren voor de fokkerij van 1 jaar en ouder | 51 | |
| Roodvleesproductie | ||
| Weide- en zoogkoeien | 66,2 | |
| Vleesstierkalf tot een leeftijd van ca. 3 maanden | 6,6 | |
| Vleesstieren van ca. 3 maanden tot ca. 16 maanden oud | 27,2 | |
| Vleesstieren tot een leeftijd van ca. 16 maanden die op één bedrijf worden afgemest | 23,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën en jonger is dan 1 jaar | 26,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën van 1 jaar en ouder | 65,4 | |
| Varkens | Fokkerij/vermeerdering | |
| Fokzeugen waarvan de biggen ca. 6 weken na hun geboorte aan een ander bedrijf worden geleverd en fokzeugen die nog geen biggen hebben | 12 | |
| Fokzeugen waarvan de biggen worden gehouden tot ze een gewicht van ca. 25 kg hebben en fokzeugen waarvan de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden | 15,3 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden afgeleverd op ca. 7 maanden | 5,9 | |
| Opfokzeugen van ca. 7 maanden tot de eerste dekking | 9,1 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg tot de eerste dekking en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden aangehouden tot de eerste dekking | 6,1 | |
| Opfokberen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokberen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn | 5,5 | |
| Dekberen van ca. 7 maanden en ouder en beren afkomstig van het eigen bedrijf van 7 maanden oud | 11,7 | |
| Gespeende biggen, aangeleverd op een leeftijd van ca. 6 weken, totdat ze een gewicht hebben van ca. 25 kg en gespeende biggen, aangeleverd op ca. 6 weken, die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij totdat ze een gewicht hebben van 25 kg | 2 | |
| Mesterij | ||
| Slachtzeugen | 12,8 | |
| Varkens die worden gemest van ca. 25 kg tot ca. 110 kg en biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf 25 kg | 6,1 | |
| Kippen | Legrassen | |
| Opfokhennen en -hanen jonger dan ca. 18 weken die worden afgeleverd op ca. 18 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden gehouden tot 18 weken | 0,159 | |
| Hennen en hanen van legrassen van ca. 18 weken en ouder die zijn aangeleverd op ca. 18 weken en van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen van 18 weken en ouder | 0,371 | |
| Vleesrassen | ||
| Opfokhennen en -hanen van vleesrassen, jonger dan ca. 19 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden aangehouden tot 19 weken oud | 0,11 | |
| (Groot)ouderdieren van vleesrassen van ca. 19 weken en ouder en van het eigen bedrijf afkomstige (ouder)dieren van 19 weken en ouder | 0,411 | |
| Vleeskuikens | 0,332 | |
| Kalkoenen | Voor broedeieren | |
| Hennen en hanen tot een leeftijd van ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf | 0,29 | |
| Hennen en hanen van ca. 6 tot ca. 30 weken oud, gehouden op een opfokbedrijf | 1,165 | |
| Hennen en hanen van ca. 30 weken en ouder | 1,513 | |
| Vleeskalkoenen | ||
| Vleeskalkoenen, vanaf het opzetten bij aanvang van de mestperiode tot de aflevering voor de slacht | 0,884 | |
| Schapen | Fokschapen en lammeren tot ca. 25 kg | 10,3 |
| Overige schapen | 9,3 | |
| Geiten | Melkgeiten en lammeren tot ca. 10 kg | 5,8 |
| Overige geiten | 3,1 | |
| Eenden | Ouderdieren van vleeseenden | 0,5 |
| Vleeseenden | 0,39 | |
| Konijnen | Vrouwelijke konijnen die ten minste eenmaal zijn gedekt en niet-gespeende jongen | 1,24 |
| Fokrammen, bestemd voor het fokken van vleeskonijnen | 0,75 | |
| Opfokkonijnen vanaf ca. 80 dagen oud tot de eerste dekking | 1,01 | |
| Vleeskonijnen vanaf het spenen tot ca. 80 dagen oud en opfokkonijnen tot 80 dagen oud | 0,4 | |
| Parelhoenders | Vleesparelhoenders | 0,437 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 4.2a. Overgangsrecht kwaliteitsaanduidingen
De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bij het Hoofdproductschap Akkerbouw aanhangige aanvragen en verzoeken, bedoeld in artikel 17, eerste lid, worden met ingang van 1 januari 2014 overeenkomstig deze regeling behandeld door de daartoe bevoegde autoriteit met inachtneming van de termijn die op dat tijdstip is verstreken sinds het tijdstip van indiening van de aanvraag of het verzoek.
als bedoeld in artikel 2.17 van de Regeling dierlijke producten
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- –. dekberen: jonge, nog niet dekrijpe beren en zoekberen;
- –. fokschapen: ooien die ten minste eenmaal hebben gelammerd;
- –. fokzeugen: varkens die ten minste eenmaal gedekt of geïnsemineerd zijn, waaronder guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen en zeugen waarvan de biggen gespeend zijn;
- –. hennen en hanen van legrassen: hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;
- –. melk- en kalfkoeien: koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden, waaronder koeien die droog gezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
- –. melkgeiten: geiten die ten minste eenmaal hebben gelammerd;
- –. opfokberen: jonge, nog niet dekrijpe beren die worden aangehouden voor de fokkerij;
- –. opfokhennen en -hanen van legrassen: opfokhennen en -hanen voor de vervanging van hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;
- –. opfokhennen en -hanen van vleesrassen: opfokhennen en - hanen ter vervanging van (groot)ouderdieren van vleesrassen;
- –. opfokkonijnen: jonge, nog niet dekrijpe konijnen die worden aangehouden voor de fokkerij;
- –. opfokzeugen: jonge zeugen die nooit gedekt of geïnsemineerd zijn die worden gehouden voor de fokkerij;
- –. slachtzeugen: zeugen die niet meer gebruikt worden voor de fokkerij, maar worden afgemest;
- –. stieren voor de fokkerij: stieren bestemd voor het fokken van melk- of vleesvee;
- –. voedsters: vrouwelijke konijnen die die ten minste eenmaal zijn gedekt;
- –. vleeskuikens: kuikens die voor de slacht worden afgeleverd;
- –. vrouwelijk jongvee: alle vrouwelijke dieren die nog nooit gekalfd hebben en die worden aangehouden voor de vervanging van de eigen veestapel of de veestapel van derden, waaronder drachtige dieren die niet eerder hebben gekalfd;
- –. weide- en zoogkoeien: koeien die niet meer worden gemolken, maar worden vetgeweid.
| Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 |
|---|---|---|
| Diersoorten | Onderscheiden categorieën binnen de diersoorten | Omvang mestproductie per dier van de onderscheiden diercategorieën per jaar, uitgedrukt in kilogrammen stikstof |
| Rundvee | Fok- en gebruiksvee | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een stal, niet zijnde een grupstal of potstal met vaste mest | 96,1 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een grupstal met vaste mest | 90,6 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een potstal met vaste mest | 86,4 | |
| Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 32,3 | |
| Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder | 66 | |
| Stieren voor de fokkerij jonger dan 1 jaar | 26,7 | |
| Stieren voor de fokkerij van 1 jaar en ouder | 51 | |
| Roodvleesproductie | ||
| Weide- en zoogkoeien | 66,2 | |
| Vleesstierkalf tot een leeftijd van ca. 3 maanden | 6,6 | |
| Vleesstieren van ca. 3 maanden tot ca. 16 maanden oud | 27,2 | |
| Vleesstieren tot een leeftijd van ca. 16 maanden die op één bedrijf worden afgemest | 23,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën en jonger is dan 1 jaar | 26,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën van 1 jaar en ouder | 65,4 | |
| Varkens | Fokkerij/vermeerdering | |
| Fokzeugen waarvan de biggen ca. 6 weken na hun geboorte aan een ander bedrijf worden geleverd en fokzeugen die nog geen biggen hebben | 12 | |
| Fokzeugen waarvan de biggen worden gehouden tot ze een gewicht van ca. 25 kg hebben en fokzeugen waarvan de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden | 15,3 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden afgeleverd op ca. 7 maanden | 5,9 | |
| Opfokzeugen van ca. 7 maanden tot de eerste dekking | 9,1 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg tot de eerste dekking en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden aangehouden tot de eerste dekking | 6,1 | |
| Opfokberen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokberen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn | 5,5 | |
| Dekberen van ca. 7 maanden en ouder en beren afkomstig van het eigen bedrijf van 7 maanden oud | 11,7 | |
| Gespeende biggen, aangeleverd op een leeftijd van ca. 6 weken, totdat ze een gewicht hebben van ca. 25 kg en gespeende biggen, aangeleverd op ca. 6 weken, die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij totdat ze een gewicht hebben van 25 kg | 2 | |
| Mesterij | ||
| Slachtzeugen | 12,8 | |
| Varkens die worden gemest van ca. 25 kg tot ca. 110 kg en biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf 25 kg | 6,1 | |
| Kippen | Legrassen | |
| Opfokhennen en -hanen jonger dan ca. 18 weken die worden afgeleverd op ca. 18 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden gehouden tot 18 weken | 0,159 | |
| Hennen en hanen van legrassen van ca. 18 weken en ouder die zijn aangeleverd op ca. 18 weken en van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen van 18 weken en ouder | 0,371 | |
| Vleesrassen | ||
| Opfokhennen en -hanen van vleesrassen, jonger dan ca. 19 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden aangehouden tot 19 weken oud | 0,11 | |
| (Groot)ouderdieren van vleesrassen van ca. 19 weken en ouder en van het eigen bedrijf afkomstige (ouder)dieren van 19 weken en ouder | 0,411 | |
| Vleeskuikens | 0,332 | |
| Kalkoenen | Voor broedeieren | |
| Hennen en hanen tot een leeftijd van ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf | 0,29 | |
| Hennen en hanen van ca. 6 tot ca. 30 weken oud, gehouden op een opfokbedrijf | 1,165 | |
| Hennen en hanen van ca. 30 weken en ouder | 1,513 | |
| Vleeskalkoenen | ||
| Vleeskalkoenen, vanaf het opzetten bij aanvang van de mestperiode tot de aflevering voor de slacht | 0,884 | |
| Schapen | Fokschapen en lammeren tot ca. 25 kg | 10,3 |
| Overige schapen | 9,3 | |
| Geiten | Melkgeiten en lammeren tot ca. 10 kg | 5,8 |
| Overige geiten | 3,1 | |
| Eenden | Ouderdieren van vleeseenden | 0,5 |
| Vleeseenden | 0,39 | |
| Konijnen | Vrouwelijke konijnen die ten minste eenmaal zijn gedekt en niet-gespeende jongen | 1,24 |
| Fokrammen, bestemd voor het fokken van vleeskonijnen | 0,75 | |
| Opfokkonijnen vanaf ca. 80 dagen oud tot de eerste dekking | 1,01 | |
| Vleeskonijnen vanaf het spenen tot ca. 80 dagen oud en opfokkonijnen tot 80 dagen oud | 0,4 | |
| Parelhoenders | Vleesparelhoenders | 0,437 |
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2.25a. Gegevens broederijen
Een broederij registreert het aantal ingelegde broedeieren, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening (EG) nr. 617/2008, binnen vijf werkdagen na afloop van de betreffende kalendermaand:
- a. via een elektronisch portaal dat op grond van artikel 1.4, derde lid, van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren door de minister is aangewezen als elektronisch portaal voor de registratie van die gegevens, of
- b. bij de minister, voor zover voor de registratie van die gegevens geen aanwijzing als bedoeld in onderdeel a heeft plaatsgevonden.
Een broederij als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 617/2008 meldt jaarlijks voor 1 oktober de capaciteit, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, en de benutting daarvan, voor legpluimvee, vleeskuikens of gemengde productievormen overeenkomstig het eerste lid, onderdelen a en b.
Het tweede lid is niet van toepassing, indien de gegevens, bedoeld in dat lid, ten opzichte van de vorige melding niet zijn gewijzigd.
§ 2.5. Zuigelingenvoeding bestemd voor derde landen
§ 2.6. Nationale kwaliteitsvoorschriften voor kaas
§ 2.7. Nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen
Artikel 2.31. Vermeldingen van houderijsystemen
Onverminderd verordening (EG) nr. 543/2008 worden ter aanduiding van het houderijsysteem bij de etikettering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel j, van Verordening (EU) nr. 1169/2011 van geslachte kippen de vermeldingen:
- a. ‘Scharrel ... binnengehouden’;
- b. ‘Scharrel ... met uitloop’;
- c. ‘Boerenscharrel .... met uitloop’ of ‘Hoeve ... met uitloop’, of
- d. ‘Boerenscharrel .... met vrije uitloop’ of ‘Hoeve ... met vrije uitloop’,
en de overeenkomstige aanduidingen in de andere talen van de Gemeenschap, uitsluitend gebruikt voor zover aan de in deze paragraaf gestelde voorschriften is voldaan.
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing ten aanzien van in Nederland gehouden en geslachte kippen bij de etikettering waarvan de in het eerste lid, genoemde aanduidingen worden gebezigd.
Artikel 2.32. Stallen
De kippen worden gehouden in stallen:
- a. waarin op het grondoppervlak dat de kippen ter beschikking staat ten hoogste twaalf dieren per vierkante meter worden gehouden, met dien verstande dat gedurende de eerste drie levensweken van de kippen ten hoogste vijftien dieren per vierkante meter grondoppervlak worden gehouden;
- b. waarin het voor de kippen beschikbare grondoppervlak geheel is bedekt met losse blanke houtsnippers, houtkrullen, los stro, los gehakseld stro of ander strooiselmateriaal;
- c. waarin de voor de kippen bestemde ruimte zodanig is ingericht dat bij een buitensterkte van 1.200 lux minimaal 10 lux aan daglicht beschikbaar is, de totale hoeveelheid licht gemeten op ooghoogte van de dierenoverdag te allen tijde minimaal twintig lux is op ten minste tachtig procent van het oppervlak, een intermitterend verlichtingsschema met perioden korter dan acht uur niet wordt toegepast, geen kunstlicht wordt toegepast gedurende een aaneengesloten periode van acht uur vallende in de avond en in de nacht en het kunstlicht niet afkomstig is van laag frequente TL-verlichting.
Artikel 2.33. Verzorging
Met ingang van de derde levensweek wordt minimaal twee gram graan per kip per dag toegediend door het dagelijks strooien op het voor de kippen beschikbare grondoppervlak.
Met ingang van de tweede levensweek wordt per mestperiode minimaal één stro-, hooi, of luzernebaal verstrekt per duizend kippen, waarbij de balen gelijkmatig over de ruimte worden verdeeld.
Artikel 2.34. Voeder
Vervallen
Artikel 2.35. Uitloop
Bij gebruik van de vermeldingen, genoemd in artikel 2.31, onderdelen b, c en d:
- a. hebben de kippen ten minste van het einde van de ochtendschemering tot het begin van de avondschemering of ten minste tien uur per dag toegang tot een uitloopruimte in de vrije lucht;
- b. hebben de toegangsluiken tot de uitloop een minimale lengte per luik van zestig centimeter en een minimale hoogte van dertig centimeter en zijn zij gelijkelijk verdeeld over de kant van de stal waar zich de uitloop bevindt, en
- c. hebben de kippen toegang tot de uitloop vanaf uiterlijk de 28e levensdag.
Bij gebruik van de vermelding, genoemd in artikel 2.31, onderdeel b, mag de bezettingsdichtheid in de stal worden verhoogd tot dertien kippen per vierkante meter.
Artikel 2.36. Verkoop aan particulieren
Bij verkoop van geslachte kippen aan particulieren:
- a. worden onverpakte geslachte kippen gescheiden aangeboden, en
- b. houdt de verkoper een administratie bij waarin tenminste is opgenomen:
- 1°. het aantal stuks en het nettogewicht van de aangevoerde kippen;
- 2°. het aantal stuks en het nettogewicht van de verkochte geslachte kippen;
- 3°. het aantal delen, het soort delen en het nettogewicht van de verkochte delen van geslachte kippen.
§ 2.8. Boerderijmelk
Artikel 2.37. Registratie
Een ontvanger van boerderijmelk meldt zich ter registratie aan bij Stichting COKZ onder vermelding van naam, adres, vestigingsplaats, contactpersoon, telefoonnummer, e-mailadres en de hoeveelheid op jaarbasis ontvangen boerderijmelk naar soort boerderijmelk in het afgelopen kalenderjaar.
Artikel 2.38. Melkkoeltanks
Een ontvanger van boerderijmelk ontvangt uitsluitend boerderijmelk die is bewaard in een deugdelijke melkkoeltank die is voorzien van een intermitterend roerwerk dat telkens, met een onderbreking van ten hoogste een half uur, de inhoud van de tank tenminste twee minuten roert en waarvan het op adequate wijze functioneren wordt geborgd door middel van een tankwacht voorzien van een visueel waarneembare alarmfunctie.
Artikel 2.39. Monstername
Een ontvanger van boerderijmelk zorgt ervoor dat van elke leverantie boerderijmelk een representatief monster wordt genomen door een ter zake kundig persoon die beschikt over een verklaring van deskundigheid van Stichting COKZ.
Een melkveehouder verleent op verzoek van de ontvanger van boerderijmelk medewerking aan de bemonstering van de boerderijmelk.
Een ontvanger van boerderijmelk neemt ten aanzien van het nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk de volgende bepalingen in acht:
- a. de monsterneming heeft plaats uit de melkkoeltank waarin de boerderijmelk wordt bewaard. Voor het te nemen monstervolume worden de aanwijzingen van het melkcontrolestation opgevolgd;
- b. de monsters zijn duidelijk gekenmerkt;
- c. de naam van de monsternemer, de herkomst van het monster en de datum en het tijdstip van de bemonstering worden ordelijk geregistreerd;
- d. voorafgaand aan de monsterneming verifieert de monsternemer de tankwacht op het adequaat functioneren van het roerwerk; wanneer het roerwerk niet aantoonbaar goed heeft gefunctioneerd, wordt de melk voorafgaand aan de monsterneming twee minuten geroerd;
- e. er worden uitsluitend monsterflessen gebruikt die door het melkcontrolestation ter beschikking worden gesteld;
- f. een monsterfles en de sluiting daarvan, die gebruikt wordt voor de monsterneming uit de melkkoeltank is schoon, droog en inwendig nagenoeg vrij van kweekbare kiemen; na spoelen van de monsterfles met 5 ml gesteriliseerde melk is het kiemgetal van die melk ten hoogste 10 kiemen per ml;
- g. de lege monsterflessen worden na ontvangst door de ontvanger van boerderijmelk ordelijk bewaard in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, koele, droge en schone ruimte;
- h. de monsters boerderijmelk worden nadat ze zijn genomen direct gekoeld en bereiken uiterlijk na één uur een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C;
- i. de monsters worden zo snel mogelijk nadat zij zijn genomen geplaatst in een speciaal daarvoor bestemde, niet voor onbevoegden toegankelijke, schone en gekoelde ruimte;
- j. de monsters boerderijmelk worden bewaard bij een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C totdat de monsters in onderzoek worden genomen.
Artikel 2.40. Hoeveelheidsbepaling
Een ontvanger van boerderijmelk stelt van iedere leverantie van boerderijmelk de hoeveelheid boerderijmelk vast met een vloeistofmeetinstallatie voor melk.
Artikel 2.41. Bepaling vet- en eiwitgehalte
Indien een ontvanger van boerderijmelk een melkveehouder uitbetaalt op basis van het vetgehalte of het eiwitgehalte, wordt dit gehalte per leverantie bepaald.
Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor de bepaling van vetgehalte of eiwitgehalte worden, in afwijking van artikel 2.39, onderdelen h en j, bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 8,0 °C en worden binnen 96 uur na de monsterneming in onderzoek genomen.
De bepaling van het vetgehalte geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 1211:2010 of een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig die referentiemethode.
De bepaling van het eiwitgehalte geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 8968-1:2014 of een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig die referentiemethode.
Per kalendermaand neemt Stichting COKZ ten minste twee series monsters voor de uitvoering van heronderzoek naar het vetgehalte en het eiwitgehalte. Per serie worden zes willekeurig gekozen monsters onderzocht.
Het gemiddelde verschil en de standaardafwijking bedragen per serie als bedoeld in het vijfde lid voor het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde vetgehalte elk ten hoogste 0,04 procentpunt ten opzichte van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek.
Het gemiddelde verschil en de standaardafwijking bedragen per serie als bedoeld in het vijfde lid voor het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde eiwitgehalte elk ten hoogste 0,045 procentpunt ten opzichte van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek.
Het door de ontvanger van boerderijmelk bepaalde vetgehalte of eiwitgehalte verschilt over een periode van een jaar gemiddeld ten hoogste 0,01 procentpunt van de resultaten van door Stichting COKZ uitgevoerd heronderzoek.
Artikel 2.42. Aantonen van de aanwezigheid van residuen van antibiotica
Een ontvanger van boerderijmelk onderzoekt iedere leverantie van boerderijmelk op de aanwezigheid van residuen van antibiotica.
Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor onderzoek op residuen van antibiotica worden, in afwijking van artikel 2.39, onderdelen h en j, bewaard bij een temperatuur van ten hoogste 8,0°C en worden binnen 96 uur na de monsterneming in onderzoek genomen. Gedurende een periode van ten hoogste 24 uur kan de temperatuur ten hoogste 20°C bedragen.
Het onderzoek op residuen van antibiotica geschiedt met een screeningsmethode en één of meerdere bevestigingsmethoden ter kwantificering en confirmatie van de identiteit.
De gebruikte screeningsmethode en bevestigingsmethoden worden zodanig gekozen en gevalideerd dat op basis van periodieke risicoanalyse de gebruikte antibiotica afdoende worden gedetecteerd.
De in het vierde lid bedoelde antibiotica worden minimaal op de voor de betreffende stof vastgelegde EU-maximum residulimiet aangetoond.
In geval residuen van antibiotica worden aangetoond wordt ten minste 2 ml van het betreffende monsterrestant tot ten minste drie maanden na de datum van monsterneming bij –20°C of lager bewaard. Dit monsterrestant wordt voorzien van een adequate identificatie.
Artikel 2.43. Bepaling van het kiemgetal
De bepaling van het kiemgetal van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 4833-1:2013.
Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien:
- a. de verkregen resultaten worden omgerekend naar een plaatkiemgetal;
- b. de daartoe benodigde conversievergelijking wordt vastgesteld en onderhouden overeenkomstig NEN-EN-ISO 21187:2005.
Het kiemgetal wordt uitgedrukt in kolonievormende eenheden per ml. Voor kiemgetallen boven 999.000 per ml wordt 999.000 per ml vermeld als uitslag.
Monsters boerderijmelk die bestemd zijn voor de bepaling van het kiemgetal worden binnen 36 uur na de monsterneming in onderzoek genomen.
Artikel 2.44. Bepaling van het celgetal van koemelk
De bepaling van het celgetal van een leverantie koemelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 13366-1:2008.
Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien:
- a. de herhaalbaarheid van de meting bij 400.000 cellen per ml kleiner is dan 40.000 cellen per ml;
- b. de standaardafwijking van de verschillen ten opzichte van resultaten met de referentiemethode bij 400.000 cellen per ml kleiner is dan 40.000 cellen per ml.
Het celgetal wordt uitgedrukt in cellen per ml. Voor celgetallen boven 9.999.000 per ml wordt 9.999.000 per ml vermeld als uitslag.
Artikel 2.45. Bepaling van het celgetal van geitenmelk
De bepaling van het celgetal van een leverantie geitenmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 13366-1:2008.
Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien de herhaalbaarheid van de meting bij 1.000.000 cellen per ml kleiner is dan 80.000 cellen per ml.
Het celgetal wordt uitgedrukt in cellen per ml. Voor celgetallen boven 9.999.000 per ml wordt 9.999.000 per ml vermeld als uitslag.
Artikel 2.46. Bepaling van de verontreinigingsgraad
De bepaling van de verontreinigingsgraad van een leverantie boerderijmelk door een ontvanger van boerderijmelk geschiedt met een methode die berust op het filtreren van ten minste 22 en ten hoogste 28 ml melk met een temperatuur van ten minste 35 °C en ten hoogste 39 °C bij een drukverschil van ten minste 25 kPa en ten hoogste 30 kPa.
De verontreinigingsgraad wordt vastgesteld na droging van het filter, waarbij een gradatiecijfer wordt toegekend op grond van vergelijking met een periodiek door Stichting COKZ verstrekte grensstandaard. Indien de door een monster veroorzaakte verontreinigingsgraad van het filter groter is dan die van de grensstandaard wordt een gradatiecijfer II toegekend. In andere gevallen wordt een gradatiecijfer I toegekend.
Artikel 2.47. Bepaling van het vriespunt
De bepaling van het vriespunt van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig referentiemethode NEN-EN-ISO 5764:2009.
Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien:
- a. de herhaalbaarheid van de meting kleiner is dan 0,004 °C;
- b. de standaardafwijking van de verschillen ten opzichte van de resultaten met de referentiemethode kleiner is dan 0,004 °C.
Het vriespunt wordt uitgedrukt in °C.
Artikel 2.48. Bepaling van de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën
Het onderzoek van een leverantie boerderijmelk op de aanwezigheid van sporen van boterzuurbacteriën door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig een methode die berust op het doseren van 0,1 ml van de te onderzoeken melk in een testbuis met paraffine en het toevoegen van een medium met gesteriliseerde melk, glucose en melkzuur met een pH van ten minste 5,42 en ten hoogste 5,48. Vervolgens wordt nagegaan of na bebroeding gedurende ten minste 92 en ten hoogste 100 uur zonder luchttoetreding gasvorming is opgetreden in de testbuis.
Gasvorming in de testbuis wordt aangeduid met een +, indien geen sprake is van gasvorming wordt dit aangeduid met een –.
Artikel 2.49. Bepaling van de zuurtegraad van het vet
De bepaling van de zuurtegraad van het vet van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt overeenkomstig een referentiemethode die berust op het doseren van ten minste 29 ml en ten hoogste 33 ml van de te onderzoeken melk in een vetafscheidingsbuis en het mengen met een oplossing die natriumpolyfosfaat en een oppervlakteactieve stof bevat. Het mengsel wordt verwarmd in een kokendwaterbad om het vet vrij te maken. Een afgemeten hoeveelheid van het vet wordt opgelost in een organisch oplosmiddel en vervolgens getitreerd.
Een andere gevalideerde methode waarmee geen wezenlijke afwijkingen worden verkregen van de uitslagen overeenkomstig de referentiemethode, genoemd in het eerste lid, kan worden gebruikt indien:
- a. de herhaalbaarheid van de meting bij een zuurtegraad van ten hoogste 1,5 mmol per 100 g vet kleiner is dan 0,15 mmol per 100 g vet;
- b. de beoordeling plaatsvindt op basis van het rekenkundig gemiddelde van ten minste n meetresultaten, waarbij n > (de herhaalbaarheid van de meting/0,07)2.
De zuurtegraad van het vet wordt uitgedrukt in mmol per 100 g vet.
Artikel 2.50. Bepaling van het chloroformgehalte
De bepaling van het chloroformgehalte van een leverantie boerderijmelk door de ontvanger van boerderijmelk geschiedt met een methode die berust op het verwarmen van een hoeveelheid monster in een afgesloten flesje met een septum. Aansluitend wordt een deel van de bovenstaande gasfase in een gaschromatograaf geïnjecteerd. Na scheiding van de gehalogeneerde koolwaterstoffen vindt detectie plaats middels een EC-detector en wordt het chloroformgehalte met behulp van een kalibratiecurve gekwantificeerd. Het gemeten gehalte wordt vervolgens gecombineerd met het overeenkomstig artikel 2.35 vastgestelde vetgehalte van het monster.
Het chloroformgehalte wordt uitgedrukt in milligram chloroform per kilogram vet.
Bij een vetgehalte van 4,5% en een chloroformgehalte van 0,2 mg per kg vet is de herhaalbaarheid van de meting kleiner dan 0,02 mg per kg vet.
Artikel 2.51. Bewaartemperatuur
Monsters boerderijmelk bestemd voor de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 2.44 tot en met 2.50, worden in afwijking van het bepaalde in artikel 2.39, onderdelen h en j:
- a. bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 8,0 °C en binnen 36 uur na monsterneming in onderzoek genomen of
- b. bewaard bij ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C en binnen 96 uur na monsterneming in onderzoek genomen.
Artikel 2.52. Melkcontrolestation
Een ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 2.41 tot en met 2.50, worden verricht door een melkcontrolestation dat beschikt over een ter zake deskundige leiding en over een voor het te verrichten onderzoek voldoende outillage en dat voor alle in dit kader relevante onderzoekmethoden geaccrediteerd is volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005.
Een melkcontrolestation beschikt over een gedocumenteerd en adequaat functionerend systeem waarmee de kwaliteit van de werkzaamheden wordt geborgd en over een gedetailleerde en actuele beschrijving van de methoden die worden toegepast voor het onderzoek van de samenstelling en kwaliteit van boerderijmelk.
De uitslagen van het onderzoek naar samenstelling en kwaliteit worden door het melkcontrolestation vastgelegd op een toegankelijke en overzichtelijke wijze en gedurende ten minste een jaar bewaard.
Artikel 2.53. Kwaliteitsborging
De ontvanger van boerderijmelk beschikt over een door Stichting COKZ goedgekeurd handboek waarin wordt beschreven op welke wijze het gestelde in de artikelen 2.39 en 2.40 wordt gerealiseerd, beheerst en geborgd.
De ontvanger van boerderijmelk legt het systeem van de uitvoering en beoordeling van de resultaten van de onderzoeken, bedoeld in de artikelen 2.41 tot en met 2.50, vast. Dit systeem wordt aan de betrokken melkveehouders bekendgemaakt.
Artikel 2.54. Administratie
De ontvanger van boerderijmelk beschikt over een administratie waarin per melkveehouder wordt vastgelegd:
- a. de hoeveelheid ontvangen boerderijmelk;
- b. de samenstelling en de kwaliteit van de ontvangen boerderijmelk.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden op overzichtelijke wijze geadministreerd en worden gedurende ten minste één jaar bewaard.
Artikel 2.55. Gebruik van rijdende melkontvangsten
De ontvanger van boerderijmelk die bij de bepaling van de geleverde hoeveelheid boerderijmelk, bedoeld in artikel 2.40, gebruik maakt van een rijdende melkontvangst neemt het bepaalde in de artikelen 2.56 tot en met 2.59 in acht.
De ontvanger van boerderijmelk, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een handboek waarin wordt beschreven op welke wijze het gestelde in de artikelen 2.56 tot en met 2.59 wordt gerealiseerd, beheerst en geborgd.
Artikel 2.56. Eisen aan rijdende melkontvangsten
Rijdende melkontvangsten:
- a. zijn voorzien van een ruimte waarin de monsters diepgekoelde boerderijmelk kunnen worden gekoeld en bewaard op een temperatuur van ten minste 0,0 °C en ten hoogste 4,0 °C en
- b. hebben een ontvangstcapaciteit van ten minste 900 liter.
Essentiële wijzigingen in de vloeistofmeetinstallatie voor melk van een rijdende melkontvangst worden geadministreerd.
Artikel 2.57. Keuring van rijdende melkontvangsten
Een ontvanger van boerderijmelk laat de vloeistofmeetinstallatie voor melk van een rijdende melkontvangst ten minste één keer per jaar keuren door een aangewezen instelling of een erkende keurder.
Indien bij een keuring wordt geconstateerd dat de vloeistofmeetinstallatie voor melk niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens de Metrologiewet, wordt de rijdende melkontvangst binnen acht weken aan een herkeuring onderworpen.
Indien de vloeistofmeetinstallatie voor melk bij herkeuring blijkt te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de Metrologiewet wordt de rijdende melkontvangst binnen een periode van zes maanden opnieuw voor keuring aangeboden. Indien de vloeistofmeetinstallatie voor melk bij de herkeuring niet blijkt te voldoen aan het bepaalde bij of krachtens de Metrologiewet, wordt de rijdende melkontvangst pas weer gebruikt voor het vaststellen van de geleverde hoeveelheid boerderijmelk nadat door een aangewezen instelling of een erkende keurder is vastgesteld dat de vloeistofmeetinstallatie voor melk voldoet aan die eisen. De ontvanger van boerderijmelk meldt de afkeuring bij herkeuring onverwijld aan Stichting COKZ.
De resultaten van het keuren, bedoeld in het eerste lid, en de herkeuring, bedoeld in het tweede en derde lid, en de genomen maatregelen om de rijdende melkontvangst na afkeuring in overeenstemming te brengen met het bepaalde bij of krachtens de Metrologiewet, worden door de ontvanger van boerderijmelk geregistreerd en gedurende een jaar bewaard.
Artikel 2.58. Hoeveelheidsbepaling
De vaststelling en de notering van het volume van elke melkleverantie vinden plaats in liters.
In de data-apparatuur op een rijdende melkontvangst kan het volume van de geleverde boerderijmelk worden omgerekend van liters naar kilogrammen melk, mits op de plaats van inname van de melk het geregistreerde aantal liters en de omrekeningsfactor inzichtelijk zijn.
Indien het volume van de geleverde boerderijmelk wordt omgerekend van liters naar kilogrammen melk geschiedt dit door het aantal liters overeenkomstig een door de ontvanger van boerderijmelk overeenkomstig bijlage 3 vast te stellen omrekeningsfactor om te rekenen in kilogrammen, waarbij hoeveelheden tot een halve kg worden afgerond naar beneden en hoeveelheden van een halve tot één kg worden afgerond naar boven. De omrekeningsfactor wordt éénmaal per kalendermaand bepaald en is van toepassing op de daaropvolgende kalendermaand. De ontvanger van boerderijmelk legt vast op welke wijze de objectieve vaststelling van de omrekeningsfactor wordt geborgd.
De gegevens waaruit de omrekeningsfactor wordt afgeleid, worden gedurende ten minste één jaar op het bedrijf van een ontvanger van boerderijmelk bewaard onder vermelding van de datum van bepaling van de omrekeningsfactor en de gemiddelde temperatuur van de melk bij aankomst op de zuivelfabriek. In geval van een uniforme omrekeningsfactor als bedoeld in bijlage 3, onderdeel B, omvatten deze gegevens de datum, het aantal liters en kilogrammen en de gevonden omrekeningsfactor voor iedere in gebruik zijnde rijdende melkontvangst.
Indien de omrekeningsfactor voor een rijdende melkontvangst kleiner is dan 1,028 of groter is dan 1,035, wordt binnen één week na vaststelling van deze omrekeningsfactor opnieuw de omrekeningsfactor van deze rijdende melkontvangst vastgesteld. Indien de omrekeningsfactor wederom kleiner is dan 1,028 of groter is dan 1,035, wordt de rijdende melkontvangst binnen 10 werkdagen na de tweede weegcontrole voor een keuring bij de erkende keurder aangeboden en wordt hiervan binnen één week na aanbieding melding gemaakt aan Stichting COKZ.
Een gewijzigde rijdende melkontvangst wordt door de ontvanger van boerderijmelk direct aan een weegcontrole onderworpen. Deze weegcontrole wordt uitgevoerd overeenkomstig de in bijlage 3, onderdeel A, beschreven werkwijze. Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.59. Deskundigheid
Degene die door de ontvanger van boerderijmelk wordt belast met het ontvangen en vervoeren van boerderijmelk door middel van een rijdende melkontvangst, is terzake kundig en voert de te verrichten handelingen uit overeenkomstig een door de ontvanger van boerderijmelk opgestelde en door Stichting COKZ goedgekeurde instructie.
§ 1. : Algemeen
§ 2. : Uitvoering EU-regels
§ 3. : Werkgebieden
§ 4. : Honden- en kattenbont
Hoofdstuk 4. : Overige bepalingen
Artikel 4.2b. Overgangsrecht aanduiding bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen
Vrijstellingen en ontheffingen verleend door het Productschap Pluimvee en Eieren die golden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, worden met ingang van de inwerkingtreding van dit artikel geacht te zijn verleend door de minister op grond van artikel 10.1 van de wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden.
Artikel 4.2c. Overgangsrecht boerderijmelk
Besluiten genomen door Stichting COKZ bij of krachtens de Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek, de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk, de Zuivelverordening 2008, Gewichtsbepaling bij gebruik van rijdende melkontvangsten met vloeistofmeetinstallatie of de Zuivelverordening 2011, Nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn genomen op grond van deze regeling, voor zover Stichting COKZ daartoe op grond van deze regeling bevoegd is.
Meldingen, gedaan ter voldoening aan verplichtingen bij of krachtens de in het eerste lid genoemde verordeningen worden geacht te zijn gedaan op grond van deze regeling.
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.17
In deze bijlage wordt verstaan onder:
- –. dekberen: jonge, nog niet dekrijpe beren en zoekberen;
- –. fokschapen: ooien die ten minste eenmaal hebben gelammerd;
- –. fokzeugen: varkens die ten minste eenmaal gedekt of geïnsemineerd zijn, waaronder guste zeugen, gedekte maar nog niet drachtige zeugen, drachtige zeugen, zeugen met biggen en zeugen waarvan de biggen gespeend zijn;
- –. hennen en hanen van legrassen: hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;
- –. melk- en kalfkoeien: koeien die ten minste eenmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie of de fokkerij worden gehouden, waaronder koeien die droog gezet zijn alsmede koeien die worden vetgemest en in de mesttijd worden gemolken;
- –. melkgeiten: geiten die ten minste eenmaal hebben gelammerd;
- –. opfokberen: jonge, nog niet dekrijpe beren die worden aangehouden voor de fokkerij;
- –. opfokhennen en -hanen van legrassen: opfokhennen en -hanen voor de vervanging van hennen en hanen van legrassen, inclusief (groot)ouderdieren;
- –. opfokhennen en -hanen van vleesrassen: opfokhennen en - hanen ter vervanging van (groot)ouderdieren van vleesrassen;
- –. opfokkonijnen: jonge, nog niet dekrijpe konijnen die worden aangehouden voor de fokkerij;
- –. opfokzeugen: jonge zeugen die nooit gedekt of geïnsemineerd zijn die worden gehouden voor de fokkerij;
- –. slachtzeugen: zeugen die niet meer gebruikt worden voor de fokkerij, maar worden afgemest;
- –. stieren voor de fokkerij: stieren bestemd voor het fokken van melk- of vleesvee;
- –. voedsters: vrouwelijke konijnen die die ten minste eenmaal zijn gedekt;
- –. vleeskuikens: kuikens die voor de slacht worden afgeleverd;
- –. vrouwelijk jongvee: alle vrouwelijke dieren die nog nooit gekalfd hebben en die worden aangehouden voor de vervanging van de eigen veestapel of de veestapel van derden, waaronder drachtige dieren die niet eerder hebben gekalfd;
- –. weide- en zoogkoeien: koeien die niet meer worden gemolken, maar worden vetgeweid.
| Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 | Omvang van de mestproductie voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen stikstof per dier per jaar als bedoeld in artikel 2.17 |
|---|---|---|
| Diersoorten | Onderscheiden categorieën binnen de diersoorten | Omvang mestproductie per dier van de onderscheiden diercategorieën per jaar, uitgedrukt in kilogrammen stikstof |
| Rundvee | Fok- en gebruiksvee | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een stal, niet zijnde een grupstal of potstal met vaste mest | 96,1 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een grupstal met vaste mest | 90,6 | |
| Melk- en kalfkoeien gehouden in een potstal met vaste mest | 86,4 | |
| Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar | 32,3 | |
| Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder | 66 | |
| Stieren voor de fokkerij jonger dan 1 jaar | 26,7 | |
| Stieren voor de fokkerij van 1 jaar en ouder | 51 | |
| Roodvleesproductie | ||
| Weide- en zoogkoeien | 66,2 | |
| Vleesstierkalf tot een leeftijd van ca. 3 maanden | 6,6 | |
| Vleesstieren van ca. 3 maanden tot ca. 16 maanden oud | 27,2 | |
| Vleesstieren tot een leeftijd van ca. 16 maanden die op één bedrijf worden afgemest | 23,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën en jonger is dan 1 jaar | 26,4 | |
| Overig vleesvee dat is bestemd voor roodvleesproductie dat niet behoord tot de hierboven genoemde categorieën van 1 jaar en ouder | 65,4 | |
| Varkens | Fokkerij/vermeerdering | |
| Fokzeugen waarvan de biggen ca. 6 weken na hun geboorte aan een ander bedrijf worden geleverd en fokzeugen die nog geen biggen hebben | 12 | |
| Fokzeugen waarvan de biggen worden gehouden tot ze een gewicht van ca. 25 kg hebben en fokzeugen waarvan de biggen op het eigen bedrijf worden gehouden | 15,3 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden afgeleverd op ca. 7 maanden | 5,9 | |
| Opfokzeugen van ca. 7 maanden tot de eerste dekking | 9,1 | |
| Opfokzeugen van ca. 25 kg tot de eerste dekking en opfokzeugen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg die worden aangehouden tot de eerste dekking | 6,1 | |
| Opfokberen van ca. 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn en opfokberen afkomstig van het eigen bedrijf van 25 kg totdat ze ca. 7 maanden oud zijn | 5,5 | |
| Dekberen van ca. 7 maanden en ouder en beren afkomstig van het eigen bedrijf van 7 maanden oud | 11,7 | |
| Gespeende biggen, aangeleverd op een leeftijd van ca. 6 weken, totdat ze een gewicht hebben van ca. 25 kg en gespeende biggen, aangeleverd op ca. 6 weken, die op het eigen bedrijf worden aangehouden voor de mesterij totdat ze een gewicht hebben van 25 kg | 2 | |
| Mesterij | ||
| Slachtzeugen | 12,8 | |
| Varkens die worden gemest van ca. 25 kg tot ca. 110 kg en biggen afkomstig van het eigen, gesloten bedrijf vanaf 25 kg | 6,1 | |
| Kippen | Legrassen | |
| Opfokhennen en -hanen jonger dan ca. 18 weken die worden afgeleverd op ca. 18 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden gehouden tot 18 weken | 0,159 | |
| Hennen en hanen van legrassen van ca. 18 weken en ouder die zijn aangeleverd op ca. 18 weken en van het eigen bedrijf afkomstige hennen en hanen van 18 weken en ouder | 0,371 | |
| Vleesrassen | ||
| Opfokhennen en -hanen van vleesrassen, jonger dan ca. 19 weken en opfokhennen en -hanen die op het eigen bedrijf worden aangehouden tot 19 weken oud | 0,11 | |
| (Groot)ouderdieren van vleesrassen van ca. 19 weken en ouder en van het eigen bedrijf afkomstige (ouder)dieren van 19 weken en ouder | 0,411 | |
| Vleeskuikens | 0,332 | |
| Kalkoenen | Voor broedeieren | |
| Hennen en hanen tot een leeftijd van ca. 6 weken, gehouden op een quarantainebedrijf | 0,29 | |
| Hennen en hanen van ca. 6 tot ca. 30 weken oud, gehouden op een opfokbedrijf | 1,165 | |
| Hennen en hanen van ca. 30 weken en ouder | 1,513 | |
| Vleeskalkoenen | ||
| Vleeskalkoenen, vanaf het opzetten bij aanvang van de mestperiode tot de aflevering voor de slacht | 0,884 | |
| Schapen | Fokschapen en lammeren tot ca. 25 kg | 10,3 |
| Overige schapen | 9,3 | |
| Geiten | Melkgeiten en lammeren tot ca. 10 kg | 5,8 |
| Overige geiten | 3,1 | |
| Eenden | Ouderdieren van vleeseenden | 0,5 |
| Vleeseenden | 0,39 | |
| Konijnen | Vrouwelijke konijnen die ten minste eenmaal zijn gedekt en niet-gespeende jongen | 1,24 |
| Fokrammen, bestemd voor het fokken van vleeskonijnen | 0,75 | |
| Opfokkonijnen vanaf ca. 80 dagen oud tot de eerste dekking | 1,01 | |
| Vleeskonijnen vanaf het spenen tot ca. 80 dagen oud en opfokkonijnen tot 80 dagen oud | 0,4 | |
| Parelhoenders | Vleesparelhoenders | 0,437 |
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.17
Vervallen
Bijlage 2. behorende bij artikel 2.42, vierde lid, concentraties van bacteriegroeiremmende stoffen
| Stof | Aantoonbare concentraties |
|---|---|
| Beta-lactam antibiotica | |
| benzylpenicilline | 0,003 IE/ml |
| ampicilline | 0,002 µg/ml |
| cloxacilline | 0,02 µg/ml |
| cefalexine | 0,1 µg/ml |
| ceftiofur | 0,05 µg/ml |
| Overige antibiotica | |
| sulfamethazine | 0,2 µg/ml |
| oxytetracycline | 0,2 µg/ml |
| neomycine | 0,5 µg/ml |
| tylosine | 0,05 µg/ml |
A. Gebruik van één rijdende melkontvangst
A. Gebruik van één rijdende melkontvangst
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.19a. Maximumniveau voor fipronil en amitraz in pluimveemest
Het maximumniveau, bedoeld in artikel 8, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 1069/2009, is, per kilogram pluimveemest:
- a. 0,005 milligram fipronil;
- b. 0,010 milligram amitraz.
§ 3. : Werkgebieden
§ 4. : Honden- en kattenbont
Hoofdstuk 3a. Levende producten
Bijlage 3. behorende bij artikel 2.58, derde lid, berekening van de omrekeningsfactor
B. Gebruik van meerdere rijdende melkontvangsten
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 3a.1. Algemeen
Artikel 3a.1. Middel registratie inrichting levende producten
De inkennisstelling van en de verstrekking van de gegevens over een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen, bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdelen a en b, van verordening (EU) nr. 2016/429, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Artikel 3a.2. Aanvullende gegevens registratie inrichting levende producten
In aanvulling op artikel 84, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 verstrekt de exploitant van een inrichting waar sperma van runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen met het oog op de registratie daarvan, de volgende gegevens:
- a. indien beschikbaar, de URL van de website van de inrichting; en
- b. de naam van de dierenarts van het centrum.
Artikel 3a.3. Termijn inkennisstelling wijziging gegevens registratie
Een exploitant van een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen doet de inkennisstelling, bedoeld in artikel 84, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen zeven werkdagen, te rekenen vanaf de dag dat de desbetreffende wijziging of stopzetting heeft plaatsgevonden.
Indien de gegevens, bedoeld in artikel 3A.2, wijzigen, verstrekt de exploitant binnen zeven werkdagen de gewijzigde gegevens.
Artikel 3a.4. Uitzondering registratieplicht bepaalde inrichtingen
(gereserveerd)
Artikel 3a.5. Middel erkenning inrichting levende producten
Een aanvraag tot erkenning van een inrichting als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 of van een broederij van waaruit broedeieren worden verplaatst als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid, geschiedt met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
Artikel 3a.6. Termijn inkennisstelling gegevens erkenning
De termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, verordening (EU) nr. 2020/999, bedraagt ten hoogste 90 dagen voorafgaand aan de dag waarop een exploitant als bedoeld in artikel 94, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429 voornemens is de inrichting voor levende producten te exploiteren.
Een exploitant van een inrichting waar levende producten worden gewonnen, geproduceerd, behandeld of opgeslagen, of van een broederij van waaruit broedeieren worden verplaatst, doet de inkennisstelling, bedoeld in artikel 96, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429, binnen zeven werkdagen nadat een gebeurtenis als bedoeld in dat artikel heeft plaatsgevonden.
Indien de gegevens, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, onder ii, van verordening (EU) nr. 2020/999, of het derde lid, wijzigen, verstrekt de exploitant binnen zeven werkdagen de gewijzigde gegevens.
Artikel 3a.7. Aanvullende gegevens erkenning inrichting levende producten
In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/999 verstrekt de exploitant, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, indien beschikbaar, de URL van de website van de inrichting binnen de termijn, bedoeld in artikel 3A.6, eerste lid.
Artikel 3a.8. Documentatieplicht exploitant inrichting levende producten
Een exploitant als bedoeld in artikel 103, eerste lid, aanhef, van verordening (EU) nr. 2016/429 legt de gegevens, bedoeld in dat artikellid en voor zover van toepassing, artikel 8, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, vast binnen 3 werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden.
De minimumduur, bedoeld in artikel 103, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2016/429, bedraagt drie jaar.
Artikel 3a.9. Uitvoeren tests quarantainevoorziening inrichting levende producten
Het is toegestaan om de tests, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/686, uit te voeren op de in dat lid bedoelde monsters.
§ 3a.2. Handel levende producten binnen Nederland
Artikel 3a.10. Voorschriften inrichting voor Nederlandse markt
De artikelen 4, eerste lid, 8, eerste lid, 10, 15, 19, 24, 26, 28 en 29 van verordening (EU) nr. 2020/686 en artikel 5, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2020/999 zijn van overeenkomstige toepassing op inrichtingen waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen dat is bestemd voor een inrichting in Nederland, met dien verstande dat:
- a. in afwijking van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, onder ii, en 24, eerste lid, onderdeel a, onder ii, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens; en
- b. in afwijking van de artikelen 19, eerste lid, onderdeel a, onder iv, en 24, eerste lid, onderdeel a, onder iv, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van infectieuze anemie bij donorhengsten en paardensperma.
De artikelen 16, 18, 20, 21, 23 en 27 van verordening (EU) nr. 2020/686 zijn van overeenkomstige toepassing op de dierenarts van het centrum waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen dat bestemd is voor een inrichting in Nederland, met dien verstande dat:
- a. in afwijking van de artikelen 16, onderdeel f, onder ii, en 21, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens;
- b. in afwijking van artikel 18, onderdeel c, onder i, van verordening (EU) nr. 2020/686, de aanwezigheid van het abortus blauw-virus bij donorvarkens niet hoeft te worden gemeld;
- c. artikel 21, tweede lid, onderdeel d, van verordening (EU) nr. 2020/686, niet van toepassing is op donorvarkens;
- d. in afwijking van de artikelen 16, onderdeel f, onder iv, en 23, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) nr. 2020/686, er geen onderzoek wordt gedaan naar de aanwezigheid van infectieuze anemie bij donorhengsten en paardensperma; en
- e. voor de toepassing van artikel 23, eerste lid, donorhengsten ieder jaar vóór het begin van het dekseizoen aan de in dat lid gestelde voorschriften voldoen, in plaats van de in dat lid gestelde termijnen vóór de winning.
Artikel 3a.11. Erkend laboratorium
De onderzoeken die op grond van artikel 3A.10 plaatsvinden, worden verricht door een laboratorium dat daarvoor is erkend op grond van artikel 3 van de Regeling erkenning veterinaire laboratoria.
Artikel 3a.12. Vervoer sperma begeleidende documenten
Sperma dat afkomstig is van een inrichting waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen, varkens of paardachtigen wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen en dat wordt verplaatst naar een andere inrichting in Nederland, gaat vergezeld van een geleidebiljet waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
- a. de inrichting van oorsprong en het unieke registratienummer van die inrichting, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429;
- b. de datum van verplaatsing;
- c. het merkteken van het betrokken sperma;
- d. de identificatiecode van de donordieren; en
- e. de naam, het adres en, indien van toepassing, het unieke registratienummer van de inrichting van bestemming, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429.
Artikel 3a.13. Gegevens vervoerder en handelaar sperma
Degene die sperma vervoert of verhandelt dat afkomstig is van een inrichting waar sperma van uit Nederland afkomstige runderen of varkens wordt gewonnen, geproduceerd, verwerkt of opgeslagen en dat wordt verplaatst naar een andere inrichting in Nederland, houdt over dat sperma de volgende gegevens bij, onverwijld nadat zij bekend zijn:
- a. de datum van iedere verplaatsing van sperma;
- b. het merkteken van het betrokken sperma;
- c. het ontvangen of afgeleverde aantal doses sperma;
- d. de naam en het adres van degene die het sperma vervoert of verhandelt; en
- e. het unieke registratienummer van de inrichting van oorsprong en bestemming, bedoeld in artikel 93 van verordening (EU) nr. 2016/429.
De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden ten minste drie jaar bewaard.
Hoofdstuk 3b. Handel met derde landen van dierlijke producten
Artikel 3b.1. Uitvoeren vereiste test zonder erkend laboratorium
Ingeval er op grond van artikel 4.10, tweede lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren, geen laboratorium is erkend voor een onderzoek naar de vereiste diergezondheidsstatus van een naar een derde land uit te voeren dierlijk product, verricht Wageningen Bioveterinary Research dat onderzoek.
Hoofdstuk 3b. Handel met derde landen van dierlijke producten
Bijlage 1. behorende bij artikel 2.17
Vervallen
Bijlage 2. behorende bij artikel 2.42, vierde lid, concentraties van bacteriegroeiremmende stoffen
Vervallen
Bijlage 3. behorende bij artikel 2.58, derde lid, berekening van de omrekeningsfactor
A. Gebruik van één rijdende melkontvangst
B. Gebruik van meerdere rijdende melkontvangsten
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2.9a. Regels gekwalificeerde personen
De in artikel 2.5a, eerste lid, van het besluit bedoelde gegevens worden geregistreerd binnen tien werkdagen na de ontvangst van het bewijs, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.
Een gekwalificeerd persoon als bedoeld in artikel 2.5a, derde lid, onderdeel a, van het besluit verzoekt de minister, binnen een maand nadat deze voor de eerste keer met de werkzaamheden als gekwalificeerd persoon is aangevangen, tot het registreren van de gegevens, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van het besluit. Het verzoek wordt schriftelijk of per e-mail ingediend bij:
De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
Team Voedselveiligheid Vleesketens
Afdeling Toezichtontwikkeling & Innovatie
Postbus 43006
3540 AA Utrecht
email: TIvrijwild@nvwa.nl
Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, gaat zo mogelijk vergezeld van bewijsstukken dat de verzoeker beschikt over de kennis, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.
De in artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit bedoelde gegevens worden binnen tien werkdagen na de ontvangst van het bewijs, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel a, van het besluit gemeld in het register.
Een wijziging in de gegevens, bedoeld in artikel 2.5a, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, onderdeel b, van het besluit, wordt binnen vijf werkdagen gemeld in het register.
De gegevens, bedoeld in artikel 2.5a, eerste tot en met derde lid, van het besluit worden in het register bewaard tot vier jaar nadat de gekwalificeerde persoon deze gegevens in het register heeft geregistreerd, respectievelijk gemeld dan wel tot vier jaar nadat de minister de gegevens op een verzoek als bedoeld in het tweede lid heeft geregistreerd.
De periode, bedoeld in het zesde lid, wordt met vier jaar verlengd, vanaf het moment dat de registratie van de gekwalificeerde persoon op grond van artikel 2.5a, vierde lid, van het besluit is doorgehaald.
§ 2. Kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Biologische productiemethode
§ 2.3. Bescherming van kwaliteitsaanduiding van landbouwproducten en levensmiddelen van dierlijke oorsprong
§ 2.4. Handelsnormen voor dierlijke producten
§ 2.6. Nationale kwaliteitsvoorschriften voor kaas
§ 2.7. Nationale voorschriften over de aanduiding van bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen
§ 2.8. Boerderijmelk
Hoofdstuk 3. : Niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten
§ 1. : Algemeen
§ 2. : Uitvoering EU-regels
Artikel 3.15a. Behandelingen voeder gezelschapsdieren
Met toepassing van artikel 24, derde lid, in samenhang met bijlage XIII, hoofdstuk II, van verordening (EU) nr. 142/2011, is het de producent van voeder voor gezelschapsdieren toegestaan om de dierlijke bijproducten, bedoeld in punt 3, onder v, van voornoemd hoofdstuk II, de in voornoemd onderdeel genoemde behandelingen te laten ondergaan.
§ 3. : Werkgebieden
§ 4. : Honden- en kattenbont
Hoofdstuk 3a. Levende producten
§ 3a.1. Algemeen
§ 3a.2. Handel levende producten binnen Nederland
Hoofdstuk 4. : Overige bepalingen
Artikel 4.2d. Overgangsrecht register van gekwalificeerde personen
In afwijking van artikel 2.9a, eerste en vierde lid, registreert, respectievelijk meldt, een gekwalificeerde persoon de betreffende gegevens binnen zes maanden na inwerkintreding van het Besluit van 18 november 2024, houdende een wijziging van het Besluit dierlijke producten in verband met nadere regelgeving over gekwalificeerde personen (Stb. 2024, 405), indien de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.5a, eerste lid, onderdeel f, of tweede lid, onderdeel a, van het besluit, zijn verkregen voor de inwerkingtreding van het besluit van 18 november 2024.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)