Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2014, 2014-0000040627, tot de besteding van gelden uit het Europees Sociaal Fonds 2014–2020

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-09-16
State In force
Source BWB
artikelen 26
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3, eerste en vierde lid, artikel 5 en artikel 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • •. Adviseur investeringsprioriteit B: een natuurlijk persoon, niet zijnde een werknemer van de subsidieaanvrager, die in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf als adviseur werkzaam is op het gebied van duurzame inzetbaarheid;
  • •. arbeidsbelemmerde: een persoon die jegens het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aanspraak heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet, en naar het oordeel van dat college of een arts, een lichamelijke, verstandelijke, psychische of psychosociale beperking heeft, dan wel een persoon die tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet behoort;
  • •. brutoloon: bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten. Het brutoloon kan worden verhoogd met de ploegentoeslag of inconveniëntentoeslag indien dit in de CAO is geregeld;
  • •. centrumgemeente: Alkmaar, Almere, Amersfoort, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Breda, Den Bosch, Den Haag, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Goes, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hilversum, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Roermond, Rotterdam, Tiel, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad, Zoetermeer en Zwolle;
  • •. directe loonkosten: loonkosten van personeel, waarbij sprake is van direct aan deelnemers van het project bestede uren, dan wel loonkosten welke direct te relateren zijn aan de uitvoering van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlage 1;
  • •. directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie: loonkosten van personeel welke direct zijn te relateren aan coördinatie en administratie van een project en waarbij het desbetreffende personeelslid voor 50% of meer van diens contractuele werktijd werkzaam is voor een of meer projecten in het kader van bijlage 1, hoofdstukken I, II, en III;
  • •. duurzame inzetbaarheid: het gemotiveerd, gezond en productief houden van werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, binnen of buiten de arbeidsorganisatie betaald werk te verrichten;
  • •. externe kosten: kosten die in rekening gebracht worden door derden voor het uitvoeren van direct aan deelnemers gerelateerde activiteiten, dan wel voor het uitvoeren van subsidiabele activiteiten als bedoeld in bijlage 1;
  • •. externe kosten projectcoördinatie en -administratie: kosten die in rekening gebracht worden door derden en direct te relateren zijn aan het beheer van het project;
  • •. gedetineerde: een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een justitiële inrichting plaatsvindt of ten aanzien van wie een bevel tot verpleging van overheidswege is gegeven als bedoeld in artikel 37b of 38c van het Wetboek van Strafrecht;
  • •. jongere: een persoon jonger dan 28 jaar;
  • •. loonverletkosten: de loonkosten van deelnemers voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de werkgever;
  • •. minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • •. O&O-fonds: een organisatie als bedoeld in artikel 1a;
  • •. Operationeel Programma: het Operationeel Programma ESF 2014–2020;
  • •. plaatsingssubsidie: subsidie, met uitzondering van een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet, verstrekt aan een werkgever, niet zijnde de verstrekker van de subsidie zelf, die met een persoon, als bedoeld in artikel A4, A13 of A21, een arbeidsovereenkomst, een leerwerkovereenkomst of een stageovereenkomst sluit met een duur van ten minste drie maanden. In het geval de subsidie wordt verstrekt in de vorm van een loonkostensubsidie is ten hoogste subsidiabel het daadwerkelijk betaalde brutoloon vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon;
  • •. project: een samenhangend geheel van activiteiten met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in artikel 4;
  • •. projectperiode: periode tussen het tijdstip waarop activiteiten starten en worden beëindigd;
  • •. sociale innovatie: de ontwikkeling en implementatie van nieuwe ideeën voor producten, diensten en processen die een antwoord kunnen vormen op maatschappelijke uitdagingen op het terrein van actieve inclusie;
  • •. subsidieaanvrager: de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;
  • •. subsidieontvanger: de subsidieaanvrager aan wie krachtens deze regeling subsidie is verleend;
  • •. subproject: een op zichzelf staand onderdeel van een project;
  • •. transnationale partnerschapsovereenkomst: overeenkomst tussen partners gevestigd in verschillende lidstaten van de Europese Unie ten aanzien van de uitvoering van gezamenlijke activiteiten in het kader van een project en de financiering daarvan;
  • •. transnationale samenwerking: een samenwerkingsverband waarbij de subsidieontvanger een project uitvoert met een partner uit ten minste één andere lidstaat van de Europese Unie;
  • •. uitvoeringsplan: beleidsplan van de gemeente Amsterdam, Den Haag, Rotterdam of Utrecht op basis van het Operationeel Programma Kansen voor West II (EFRO) en het Operationeel Programma met betrekking tot geïntegreerde territoriale investeringen in het kader van het Europees Sociaal Fonds en het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;
  • Verordening (EU) nr. 1303/2013: Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347);
  • Verordening (EU) nr. 1304/2013: Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Sociaal Fonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1081/2006 van de Raad (PbEU 2013, L 347);
  • •. VNG: Vereniging Nederlandse Gemeenten;
  • •. voortgezet speciaal onderwijs: het onderwijs dat wordt gegeven op een school of instelling waaraan voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra wordt verzorgd;
  • •. werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een aangewezen algemeen erkende centrale of andere representatieve organisatie van ondernemers als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet op de Sociaal-Economische Raad;
  • •. werkloze werkzoekende: persoon zonder werk, of met werk voor minder dan twaalf uur per week, die actief op zoek is naar betaald werk voor twaalf uur of meer per week en die daarvoor direct beschikbaar is;
  • •. werknemersorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die partij is bij een op het moment van de subsidieaanvraag geldende CAO of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende CAO of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling;
  • •. ZW-uitkering: uitkering op grond van de Ziektewet;

Artikel 2. Inleidende bepaling

1.

De minister verstrekt, overeenkomstig deze regeling, subsidie aan de nader krachtens deze regeling aangewezen rechtspersonen die een bijdrage leveren aan de uitvoering van het programma Europees Sociaal Fonds, zoals uitgewerkt in het Operationeel Programma. De minister neemt daarbij de Verordening (EU) nr. 1303/2013 in acht.

2.

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is niet van toepassing op de subsidieverlening krachtens deze regeling.

3.

Indien de Europese Commissie op het tijdstip van subsidieverlening nog niet heeft ingestemd met het Operationeel Programma, wordt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, verleend onder de voorwaarde dat de Europese Commissie instemt met dat Operationeel Programma.

4.

In geval van het niet vervullen van de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, kan de minister de subsidieverlening aanpassen aan het gewijzigde Operationeel Programma, dat de instemming van de Europese Commissie heeft verkregen.

5.

De bepalingen in de bijlagen gelden in aanvulling op hetgeen in het algemeen deel van de regeling is vastgelegd. Voor zover de bepalingen uit de bijlagen in tegenspraak zijn met bepalingen uit het algemeen deel van de regeling, prevaleren de bepalingen in de bijlagen boven de bepalingen in het algemeen deel in de regeling.

Artikel 3. Aanwijzing autoriteiten

1.

Als managementautoriteit als bedoeld in artikel 123, eerste lid van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt aangewezen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2.

Als certificeringsautoriteit als bedoeld in artikel 123, tweede lid van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt aangewezen de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering, onderdeel Uitvoering Van Beleid, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

3.

Als auditautoriteit als bedoeld in artikel 123, vierde lid van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt aangewezen de Auditdienst Rijk van het Ministerie van Financiën.

Artikel 4. Aard van de projecten

1.

De minister verleent met inachtneming van deze regeling en onder het voorbehoud, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 1303/2013 subsidie ten behoeve van projecten op het gebied van:

  • a. bevordering van sociale inclusie en bestrijding van armoede en discriminatie, nader uitgewerkt in de hoofdstukken I tot en met III in het kader van investeringsprioriteit A in bijlage 1, behorende bij deze regeling;
  • b. bevordering van sociale innovatie en transnationale samenwerking, nader uitgewerkt in hoofdstuk IV in het kader van investeringsprioriteit A in bijlage 1, behorende bij deze regeling;
  • c. bevordering van duurzame en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit, nader uitgewerkt in de hoofdstukken V en Va in het kader van investeringsprioriteit B in bijlage 1, behorende bij deze regeling;
  • d. bevordering van duurzame en kwalitatief hoogstaande werkgelegenheid en ondersteuning van arbeidsmobiliteit, nader uitgewerkt in hoofdstuk VI in het kader van investeringsprioriteit C in bijlage 1, behorende bij deze regeling;
  • e. bevordering van het crisisherstel in de context van de COVID-19-pandemie en ter voorbereiding van een groen, digitaal en veerkrachtig herstel van de economie, nader uitgewerkt in bijlage 1a in het kader van investeringsprioriteit D, behorende bij deze regeling.
2.

De hoofdstukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c en d, en bijlage 1a, bevatten nadere regels in het verlengde van en met inachtneming van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en Verordening (EU) nr. 1304/2013.

Artikel 5. Aanvraagtijdvakken en subsidieplafond

De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken, gelegen in de jaren 2014 tot en met 2023. De minister maakt de aanvraagtijdvakken vooraf bekend in de Nederlandse Staatscourant, waarbij tevens het maximaal beschikbare bedrag per investeringsprioriteit per aanvraagtijdvak wordt vastgesteld.

Artikel 6. Subsidieaanvrager

1.

De subsidie met betrekking tot een project als bedoeld in deze regeling wordt aangevraagd door de als zodanig geregistreerde subsidieaanvrager, die per investeringsprioriteit is aangewezen in bijlage 1 of bijlage 1a bij deze regeling.

2.

De registratie als subsidieaanvrager, als bedoeld in het eerste lid, vindt plaats onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

Artikel 7. De subsidieaanvraag

1.

De subsidieaanvraag heeft steeds betrekking op één project bestaande uit één of meerdere subprojecten.

2.

De subsidieaanvraag bevat in ieder geval een projectbeschrijving met bijbehorende begroting en financieringsplan en wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier en een door hem erkende elektronische handtekening.

3.

De projectbeschrijving bevat in ieder geval:

  • a. een beschrijving van de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten,
  • b. een beschrijving van de doelstelling, resultaten en producten die de subsidieaanvrager met de activiteiten nastreeft,
  • c. een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten zullen worden uitgevoerd, verantwoord en geadministreerd,
  • d. de duur van de projectperiode,
  • e. een beschrijving van de benodigde en beschikbare operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
4.

De begroting geeft inzicht in de kosten en opbrengsten van het project en is voorzien van een toelichting per post.

5.

Op de aanvraag wordt uiterlijk achttien weken na afloop van het aanvraagtijdvak beschikt. Bij afwezigheid van een einddatum in een aanvraagtijdvak wordt achttien weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

6.

Een aanvraag is volledig wanneer het elektronische formulier en de bijbehorende bijlagen volledig en juist zijn ingevuld en zijn ontvangen door de minister, zodat op basis van de verstrekte informatie de aanvraag kan worden beoordeeld.

7.

Desgevraagd verstrekt de subsidieaanvrager een nadere toelichting op de projectbeschrijving en de begroting.

8.

De minister maakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl een alternatieve wijze voor de registratie, het indienen van de aanvraag en de elektronische handtekening bekend, indien dit vanwege een calamiteit niet mogelijk is op de wijze bedoeld in artikel 6, tweede lid, en het tweede lid.

Artikel 8. Rangschikking

1.

In geval het totaalbedrag van de aangevraagde subsidies met betrekking tot enige investeringsprioriteit het voor die investeringsprioriteit vastgestelde subsidieplafond te boven gaat, worden de subsidieaanvragen met betrekking tot die investeringsprioriteit door de minister afgehandeld in volgorde van het tijdstip van ontvangst.

2.

Als tijdstip van ontvangst als bedoeld in het eerste lid geldt het tijdstip waarop de volledige aanvraag is ontvangen.

3.

Indien bij overschrijding van het toepasselijke subsidieplafond blijkt dat het tijdstip van ontvangst van de aanvragen op de desbetreffende dag niet is vast te stellen, zal van de op die dag ontvangen aanvragen, de volgorde van ontvangst door middel van loting worden vastgesteld.

Artikel 9. Subsidieverlening

1.

De minister verleent de subsidie aan de subsidieaanvrager.

2.

De minister verleent de subsidie voor het verrichten van het project, zoals vastgelegd in de bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving.

3.

De beschikking vermeldt de periode, de totale subsidiabele kosten alsmede het maximumbedrag van de subsidie. Bij de bepaling van het maximumbedrag van de subsidie wordt uitgegaan van het totaal van de in artikel 12 genoemde kosten van het project, zoals door de subsidieaanvrager geraamd in zijn subsidieaanvraag, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald.

4.

Onverminderd artikel 4:37 Algemene wet bestuursrecht kunnen aan de beschikking tot verlening van subsidie verplichtingen worden verbonden.

5.

In de beschikking kunnen voorwaarden worden opgenomen waaronder de subsidie wordt verleend.

Artikel 10. Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister geheel of gedeeltelijk afgewezen, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;
  • b. de kosten van het project niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten;
  • c. onvoldoende zekerheid bestaat over de financiering van de totale noodzakelijkerwijs ten behoeve van de voorbereiding en de uitvoering van het project te maken kosten;
  • d. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de subsidieaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen;
  • e. onaannemelijk is dat de subsidieaanvrager de subsidiabele activiteiten in voldoende mate in kwalitatieve of kwantitatieve zin kan beïnvloeden of realiseren;
  • f. onaannemelijk is dat met de door de subsidieaanvrager toegepaste werkwijze de met de subsidie beoogde doelstelling wordt bereikt;
  • g. onaannemelijk is dat de voorgenomen subsidiabele activiteiten en subsidiabele kosten eenvoudig te verantwoorden en te controleren zijn;
  • h. de kosten reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;
  • i. dezelfde subsidiabele kosten reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt;
  • j. onaannemelijk is dat subsidieaanvrager beschikt over operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;
  • k. anderszins niet aannemelijk is op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen.

Artikel 11. Hoogte van de subsidie

1.

De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in investeringsprioriteit A, B en C bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

2.

De subsidie ten behoeve van projecten als bedoeld in investeringsprioriteit D in bijlage 1A bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

3.

Indien de subsidieaanvrager bij zijn subsidieaanvraag een schriftelijke toezegging heeft gedaan dan wel uit de einddeclaratie blijkt dat hij in afwijking van de maximumpercentages, genoemd in het eerste of tweede lid, een hoger percentage van de subsidiabele kosten voor eigen rekening neemt, dan wel uit een andere financieringsbron bekostigt, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd met dit meerdere.

Artikel 12. Subsidiabele kosten

1.

Ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten van het project, vermeld in bijlage 1 of bijlage 1a, komen voor subsidiëring de volgende kostensoorten in aanmerking:

  • a. externe kosten;
  • b. directe loonkosten voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% van het brutoloon en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband;
  • c. plaatsingssubsidies.
2.

Ten behoeve van het beheer van het project komen voor subsidiëring uitsluitend de volgende kostensoorten in aanmerking:

  • a. externe kosten voor projectcoördinatie en -administratie;
  • b. directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie voor zover deze berekend zijn op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend tarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32% en waarbij het aantal werkbare uren per jaar is gesteld op 1.720 bij een voltijds dienstverband.
3.

De directe loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, worden verhoogd met een opslag van 40% ter dekking van de overige subsidiabele kosten van het subproject.

4.

Indien een medewerker op basis van een percentage van zijn arbeidstijd wordt ingezet voor uitsluitend projectactiviteiten, wordt ten hoogste 83% van dat percentage opgenomen in de financiële administratie.

5.

Per subproject kan maximaal één kostensoort als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b en c worden verantwoord.

6.

Per project kan maximaal één kostensoort als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a en b worden verantwoord.

7.

De in het tweede lid genoemde externe kosten van projectcoördinatie en -administratie of de directe loonkosten van projectcoördinatie en -administratie inclusief de in het derde lid genoemde opslag hierop, bedragen maximaal 10% van het totaal van de subsidiabele kosten, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, inclusief de in het derde lid genoemde opslag, en onderdeel c.

8.

In afwijking van het eerste en tweede lid zijn kosten gemaakt door verbonden organisaties slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

9.

Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het achtste lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

  • a. waarop de subsidieontvanger, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;
  • b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieontvanger, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of
  • c. die, tezamen met de subsidieontvanger, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.
10.

Overheersende invloed als bedoeld in het negende lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

  • a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;
  • b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of
  • c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.
11.

De kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn daadwerkelijk gemaakt en betaald, waarbij de kosten ten laste van het project zijn gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering of het beheer van het project zijn toe te rekenen.

12.

Onverminderd de subsidievormen, genoemd in het eerste lid, komen de volgende kostensoorten tevens voor subsidiëring in aanmerking:

  • a. standaardschalen van eenheidskosten;
  • b. lump sums;
  • c. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.
13.

De minister stelt ambtshalve vast welke subsidievorm, bedoeld in het eerste of twaalfde lid, wordt toegepast, alsmede in hoeverre een eventuele combinatie van deze subsidievormen mogelijk is.

Artikel 13. Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

  • a. onredelijk of niet noodzakelijk gemaakte kosten voor uitvoering van het project of een onderdeel daarvan;
  • b. kosten van het project die qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties of hetgeen gebruikelijk is;
  • d. loonverletkosten;
  • e. kosten gemaakt buiten de projectperiode, die benoemd is in de beschikking tot verlening, met uitzondering van kosten voor de directe loonkosten projectcoördinatie en -administratie en de externe kosten projectcoördinatie en -administratie ten behoeve van het opstellen van de einddeclaratie tot aan het moment van indienen van het verzoek tot vaststelling.
  • f. kosten die reeds uit anderen hoofde worden gefinancierd ten laste van Europese subsidieprogramma’s;
  • g. dezelfde kosten die reeds uit hoofde van nationale subsidieprogramma’s worden gefinancierd zodanig dat de totale financiering van de subsidiabele kosten meer dan 100% bedraagt.

Artikel 14. Bevoorschotting

De minister kan uitsluitend na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie een voorschot verlenen tot maximaal de op de datum van ontvangst van dit verzoek bekende, verschuldigde subsidie.

Artikel 15. Administratievoorschriften

1.

De subsidieontvanger houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het project en de in verband daarmee gemaakte kosten en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder voor zover van toepassing een deelnemersadministratie, en een financiële administratie waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken.

2.

De volledige administratie is per project voor controle beschikbaar op één voor de subsidieontvanger vrij toegankelijke locatie.

3.

De projectadministratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

4.

De financiële administratie geeft inzicht in de subsidiabele kosten, de gerealiseerde opbrengsten en de wijze waarop deze kosten en opbrengsten aan het project worden toegerekend.

5.

De deelnemersadministratie bevat het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project, geeft inzicht in de subsidiabiliteit van de individuele deelnemer zelf en de verrichte activiteiten en behaalde resultaten per individuele deelnemer.

6.

Subsidieontvanger verstrekt desgevraagd aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties inzage in of informatie uit de administratie. Tevens verstrekt hij de voornoemde instanties desgevraagd informatie over de projecten die voor monitoring en evaluatiedoeleinden gebruikt kunnen worden.

Artikel 16. Beschikbaarheid van bescheiden

1.

Onverminderd de voorschriften voor staatssteun bewaart de subsidieontvanger alle administratieve bescheiden die betrekking hebben op het gesubsidieerde project tot tenminste 31 december 2027 dan wel tot een nader door de minister aan de subsidieontvanger schriftelijk bekend te maken termijn. Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn, bedoeld in dit lid, in de Staatscourant bekend.

2.

Van alle administratieve bescheiden wordt het origineel bewaard. Hiervan kan worden afgeweken, indien het origineel conform de procedure in bijlage 2 behorende bij deze regeling, wordt overgezet en bewaard op een andere gegevensdrager. Het overbrengen op een andere gegevensdrager geschiedt met juiste en volledige weergave van de gegevens en deze is de volledige bewaartermijn beschikbaar en kan binnen een redelijke tijd leesbaar worden gemaakt.

3.

De administratie is zodanig ingericht en wordt zodanig gevoerd en bewaard, dat controle daarvan binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de subsidieontvanger de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

4.

De computersystemen die gebruikt worden voor documenten waarvan uitsluitend een elektronische versie bestaat, voldoen aan aanvaarde beveiligingsstandaarden die waarborgen dat de bewaarde documenten aan de nationale wettelijke eisen voldoen en dat er voor controledoeleinden op kan worden vertrouwd.

5.

Alle administratieve bescheiden zijn beschikbaar voor de subsidieontvanger. De subsidieontvanger is en blijft verantwoordelijk voor een correcte opslag van alle administratieve bescheiden, ook als hij een derde met de opslag belast.

Artikel 17. Rapportageverplichtingen

1.

De subsidieontvanger verstrekt, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening, uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar aan de Minister het burgerservicenummer van de deelnemers aan zijn project.

2.

Indien er omstandigheden optreden, die de voortgang, inhoud of de administratieve organisatie van het project substantieel wijzigen of die anderszins belangrijke gevolgen kunnen hebben voor het recht op subsidie, doet de subsidieontvanger hiervan onverwijld mededeling aan de minister.

3.

De subsidieontvanger verleent aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, indien het gesubsidieerde project niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijke uitvoerder van het project deze medewerking verleent.

4.

De subsidieontvanger meldt, wanneer binnen drie jaar na afloop van het project sprake is van faillissement of overgang van eigendom van een door het project gefinancierde onderneming, dit aan de minister.

Artikel 18. Einddeclaratie en subsidievaststelling

1.

De subsidieontvanger dient binnen dertien weken na beëindiging van het project een verzoek tot vaststelling van de subsidie in bij de minister. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd. De subsidieontvanger verstrekt bij de einddeclaratie het burgerservicenummer van de deelnemers aan het project.

2.

Het verzoek tot vaststelling wordt ingediend onder gebruikmaking van een daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier, voorzien van de vereiste bijlagen en een door hem erkende elektronische handtekening.

3.

De minister betaalt binnen negentig dagen nadat het verzoek tot vaststelling van de subsidie is ontvangen, de op dat moment bekende verschuldigde subsidie.

4.

De betaling van het bedrag, genoemd in het derde lid, kan worden opgeschort indien:

  • a. de minister een verzoek tot aanvulling van ontbrekende gegevens heeft gedaan;
  • b. een onregelmatigheid in het verzoek tot vaststelling van de subsidie is geconstateerd;
  • c. de door de Europese Commissie tussentijds uitgekeerde bedragen niet toereikend zijn.
5.

De minister beslist binnen 24 maanden na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 19. Publiciteit

1.

De subsidieontvanger informeert de door hem ingeschakelde uitvoerder en de deelnemers aan projecten dat zij deelnemen aan een door het Europees Sociaal Fonds gesubsidieerd project.

2.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat, op relevante op het project en de uitvoering daarvan betrekking hebbende documenten, duidelijk kenbaar wordt gemaakt dat voor het project steun is verleend vanuit het Europees Sociaal Fonds.

3.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat een embleem van de Europese Unie, alsmede de vermelding van “Europese Unie”, aanwezig is op alle vormen van voorlichting- en communicatie-uitingen met betrekking tot het project, en dat dit embleem voldoet aan de instructies die zijn omschreven in bijlage XII van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

4.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat op alle vormen van voorlichting- en communicatie-uitingen de term Europees Sociaal Fonds aanwezig is, indien de vormen van voorlichting- en communicatie-uitingen daarvoor ruimte bieden.

5.

De subsidieontvanger licht, conform bijlage XII van Verordening (EU) nr. 1303/2013, tijdens de uitvoering van het project het publiek voor op zijn website, indien aanwezig, over de uit het Europees Sociaal Fonds ontvangen steun en door middel van ten minste één affiche met informatie over het project op een voor het publiek goed zichtbare plek.

6.

De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de bij het project betrokken partijen voldoen aan het eerste tot en met het vijfde lid.

7.

De projectresultaten worden om niet beschikbaar gesteld aan de minister of door hem aangewezen derden, en de subsidieontvanger verleent medewerking aan door de minister georganiseerde publicitaire en voorlichtingsactiviteiten gericht op de media, potentiële deelnemers van projecten en het grote publiek.

Artikel 20. Openbaar maken subsidiedossier

Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieontvanger er mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar kan worden gemaakt.

Artikel 21. Intrekking en terugvordering

1.

Onverminderd het bepaalde in afdeling 4.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht kan een beschikking tot subsidieverlening door de minister geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, en kunnen op basis daarvan uitbetaalde bedragen worden teruggevorderd:

  • a. indien het project wordt uitgevoerd in afwijking van de projectbeschrijving, voor zover de subsidieverlening daarop was gebaseerd;
  • b. indien de doelstellingen van het project niet of slechts ten dele worden gerealiseerd;
  • c. indien de subsidieontvanger niet of niet meer beschikt over de benodigde operationele en financiële capaciteit voor de uitvoering van de voorgenomen activiteiten;
  • d. op een daartoe strekkend verzoek van de subsidieontvanger;
  • e. indien anderszins in strijd wordt gehandeld met de Verordening (EU) nr. 1303/2013.
2.

Gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking tot subsidieverlening op grond van het eerste lid, onderdeel a, vindt niet plaats, indien de afwijking van het bij de subsidieaanvraag gevoegde projectbeschrijving vooraf aan de minister is voorgelegd en de minister daarmee schriftelijk heeft ingestemd. Voor zover de minister niet met afwijking heeft ingestemd, verricht de subsidieontvanger die activiteiten voor eigen rekening en risico.

3.

De minister kan het terug te vorderen bedrag verrekenen met een aan dezelfde subsidieontvanger in het kader van de Subsidieregeling ESF 2007-2013 (herzien) en deze regeling verleende en nog te betalen subsidie.

Artikel 22. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ESF 2014–2020.

Artikel 23. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Bijlage 1. Specifieke bepalingen voor subsidie aanvragen per investeringsprioriteit

Investeringsprioriteit A. : Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid

Investeringsprioriteit A. : Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid

Investeringsprioriteit A. : Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid

Investeringsprioriteit A. : Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid

Vervallen.

Hoofdstuk I. Centrumgemeenten

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente als bedoeld in artikel 1.

Artikel A1a. Subsidieaanvrager

Artikel A2. Aanvraagtijdvak

Artikel A2. Aanvraagtijdvak

Artikel A3. Subsidieplafond

Artikel A4. Doel en doelgroepen

Artikel A4. Doel en doelgroepen

In aanvulling op artikel 14 verleent de minister, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A8 eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.

Artikel A6. Specifieke eisen

Artikel A7. Subsidiabele activiteiten

Artikel A8. Voortgangsrapportage en tussentijdse declaratie

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 2 februari 2015, 09.00 uur, tot en met 27 februari 2015, 17.00 uur.

Artikel A10. Maximum subsidie per subsidieaanvrager

In afwijking van de artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een persoon die behoort tot de doelgroep, genoemd in artikel A4, eerste lid, onderdeel f, in plaats van een burgerservicenummer een onderwijsnummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Les- en cursusgeldwet, indien deze persoon niet beschikt over een burgerservicenummer.

Hoofdstuk II. UWV

Hoofdstuk II. UWV

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het UWV.

Artikel A11. Aanvraagtijdvak

Artikel A11. Aanvraagtijdvak

Artikel A12. Subsidieplafond

Artikel A12. Subsidieplafond

Vervallen.

Artikel A14

Artikel A15. Specifieke eisen

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2014, 09.00 uur, tot en met 31 oktober 2014, 17.00 uur.

Artikel A16. Subsidiabele activiteiten

In afwijking van artikel 17, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier en een door hem erkende elektronische handtekening, uiterlijk 31 december van elk kalenderjaar aan de Minister het burgerservicenummer van de deelnemers waarvan het individuele traject is beëindigd.

A17a. Uitzonderingen op algemeen deel

A17b. Bevoorschotting

In afwijking van artikel 14, kan de minister besluiten tot het verstrekken van een voorschot tot maximaal de op basis van de tussentijdse declaratie verschuldigde subsidie.

Artikel A18

Artikel A18

Vervallen.

Hoofdstuk III. De Minister van Justitie en Veiligheid

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de Minister van Justitie en Veiligheid.

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de Minister van Justitie en Veiligheid.

Bijlage 2. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

Artikel A21. Doel en doelgroep

Vervallen.

Vervallen.

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A26, € 5.300.000,–.

Artikel A24a. Tussentijdse declaratie

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Bijlage 3. Subsidieplafonds centrumgemeenten

Centrumgemeente Arbeidsmarktregio Subsidieplafond 2014–2016
Groningen Groningen € 7.335.000
Leeuwarden Friesland € 4.982.500
Alkmaar Noord-Holland Noord € 2.281.000
Emmen Drenthe € 2.063.000
Zwolle IJsselvechtstreek € 2.031.500
Almere Flevoland € 2.906.500
Zaanstad Zaanstreek/Waterland € 1.448.000
Haarlem Zuid-Kennemerland € 1.880.500
Enschede Twente € 4.309.500
Amsterdam Groot Amsterdam € 13.666.000
Apeldoorn Stedendriehoek en Noordwest Veluwe € 2.746.500
Hilversum Gooi- en Vechtstreek € 969.000
Leiden Holland Rijnland € 1.696.500
Utrecht Midden-Utrecht € 3.601.000
Amersfoort Amersfoort € 1.176.500
Ede Food Valley € 1.105.000
Doetinchem Achterhoek € 1.007.000
Zoetermeer Zuid-Holland Centraal € 1.713.500
Gouda Midden-Holland € 792.000
Den Haag Haaglanden € 8.956.000
Arnhem Midden-Gelderland € 3.081.500
Rotterdam Rijnmond € 17.226.000
Tiel Rivierenland € 716.500
Gorinchem Gorinchem € 406.500
Nijmegen Rijk van Nijmegen € 2.569.500
Dordrecht Drechtsteden € 1.821.000
Den Bosch Noordoost-Brabant € 2.077.500
Breda West-Brabant € 3.007.000
Goes Zeeland € 1.871.000
Tilburg Midden-Brabant € 2.570.000
Venlo Noord-Limburg € 1.293.000
Helmond Helmond-De Peel € 1.262.000
Eindhoven Zuidoost-Brabant € 2.534.500
Roermond Midden-Limburg € 1.160.000
Heerlen Zuid-Limburg € 5.737.000
Totaal € 113.999.500

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel A18a. Subsidieaanvrager

Artikel A19. Aanvraagtijdvakken

Artikel B1. Subsidieaanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een arbeidsorganisatie.

Artikel B2. Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

  • a. het aanvraagtijdvak van 25 juni 2018, 09.00 uur, tot en met 29 juni 2018, 17.00 uur;
  • b. het aanvraagtijdvak van 12 november 2018, 09.00 uur, tot en met 16 november 2018, 17.00 uur;
  • c. het aanvraagtijdvak van 8 april 2019, 09.00 uur, tot en met 12 april 2019, 17.00 uur.

Artikel B3. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

  • a. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel a, € 15.000.000;
  • b. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel b, € 15.000.000;
  • c. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel c, € 15.000.000.

Artikel B4. Doel

    1. Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel de bevordering van duurzame inzetbaarheid van werkenden door:
  • a. het verkrijgen van advies met een implementatieplan; of
  • b. het verkrijgen van begeleiding bij de implementatie van een advies, waaronder het in dialoog met de werkenden aanpassen van de organisatie van het werk.
    1. Een project als bedoeld in het eerste lid is gericht op:
  • a. het bevorderen van gezond en veilig werken, waaronder een gezondere leefstijl, het terugdringen van werkstress en ongewenst gedrag in de werksfeer;
  • b. het bevorderen van een leercultuur voor werkenden, waaronder het erkennen van niet-bedrijfsspecifieke kennis en vaardigheden;
  • c. het stimuleren van interne mobiliteit van werkenden, het anticiperen op individuele ambities en ontwikkelmogelijkheden en het begeleiden van werknemers naar ondernemerschap; of
  • d. het bevorderen van een flexibele werkcultuur, waaronder het invoeren van flexibel arbeidstijdenmanagement.

Artikel B5. De aanvraag

Per aanvrager wordt slechts één subsidieaanvraag in behandeling genomen.

Artikel B6. Specifieke eisen

Een project komt slechts voor subsidie in aanmerking indien:

  • a. Het project past binnen het in artikel B4 omschreven doel, een toelichting bevat op de relevantie voor de aanvrager en een advies met implementatieplan oplevert of een verslag van de implementatie van een advies gericht op een van de thema’s of activiteiten uit artikel B4;
  • b. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie tevens wordt aangetoond dat de aanvrager op het moment dat de projectactiviteiten werden uitgevoerd tenminste twee werknemers in dienst had;
  • c. De subsidiabele kosten worden gemaakt in een door de minister aangewezen periode. Deze periode start de dag na dagtekening van het besluit tot verlening van de subsidie en eindigt ten hoogste twaalf maanden daarna;
  • d. De aanvraag wordt voorzien van een projectbeschrijving, die bestaat uit een probleemanalyse, de concretisering van activiteiten die worden opgevoerd, het beoogde resultaat en de wijze waarop medewerkers worden betrokken bij het project;
  • e. De werkenden actief worden geïnformeerd over en betrokken bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project, en de wijze waarop dit is gebeurd wordt weergegeven in het advies met implementatieplan dan wel in het verslag van de begeleiding bij de implementatie van een advies;
  • f. Per adviseur investeringsprioriteit B twee referenties worden ingediend, afkomstig van twee verschillende opdrachtgevers. Deze hebben betrekking op de relevante kennis en ervaring van de beoogde adviseur investeringsprioriteit B op het terrein van duurzame inzetbaarheid. Ter vervanging van bovengenoemde twee referenties per adviseur investeringsprioriteit B, kan er ook één referentie van een O&O-fonds worden ingediend. Geen referentie hoeft te worden ingediend wanneer wordt aangetoond dat de beoogde adviseur investeringsprioriteit B in dienst is bij een O&O-fonds, dan wel een deskundige is als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit of als bedrijfsarts is ingeschreven in een erkend specialistenregister als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg;
  • g. voor het project ten minste € 12.000,– aan subsidiabele kosten zijn begroot.

Artikel B7. Weigering van de subsidie

Er wordt geen subsidie verleend aan subsidieaanvragers aan wie:

    1. op grond van een subsidieaanvraag ontvangen in een van de aanvraagtijdvakken, bedoeld in artikel B2, reeds subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk is verleend;
    1. op grond van enige andere subsidieregeling voor het project of vergelijkbare doeleinden subsidie is verstrekt.

Artikel B8. Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 12 komen slechts voor subsidie in aanmerking de kosten van de door de adviseur investeringsprioriteit B werkelijk gerealiseerde uren voor ten minste een van onderstaande activiteiten, aantoonbaar gericht op een of meer thema’s of activiteiten uit artikel B4:

  • a. het opstellen van een advies met implementatieplan;
  • b. het begeleiden bij het implementeren van een advies.

Artikel B9. Hoogte subsidie

1.

Wanneer de aanvraag aan de eisen van dit hoofdstuk voldoet, verleent de minister een subsidie van maximaal € 12.500. Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van de ingehuurde adviseur investeringsprioriteit B bepaald op maximaal € 100,– exclusief btw.

2.

Voor aan de subsidieaanvrager in rekening gebrachte btw wordt geen subsidie verleend, ook niet wanneer de aanvrager niet btw-plichtig is.

Artikel B10. Einddeclaratie en subsidievaststelling

1.

In afwijking van artikel 18, eerste lid, dient de subsidieontvanger binnen zes weken na beëindiging van het project, een verzoek tot vaststelling in bij de minister.

2.

Het maximale subsidiepercentage bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt vastgesteld op 0% indien bij het indienen, dan wel na het controleren van de einddeclaratie respectievelijk na overig onderzoek door daartoe bevoegde instanties, blijkt dat minder dan € 12.000,– aan subsidiabele kosten is gerealiseerd.

3.

Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie wordt opgenomen:

  • a. een vermelding van het aantal actief betrokken werknemers en zelfstandigen zonder personeel;
  • b. het door de adviseur investeringsprioriteit B opgestelde advies met implementatieplan of een verslag van de begeleiding van de implementatie van een advies;
  • c. de bijlage met berekening van de subsidiabele kosten, de factuur of facturen van de adviseur investeringsprioriteit B met urenspecificatie op dagniveau en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.
4.

In het advies of het verslag, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt vermeld:

  • a. het projectnummer, de naam van het bedrijf en het bedrijfslogo;
  • b. de naam van de adviseur investeringsprioriteit B;
  • c. de aanleiding voor de subsidieaanvraag;
  • d. op welk thema of activiteit het project gericht is geweest;
  • e. welke activiteiten in het kader van het project zijn uitgevoerd en voor welke doelgroep;
  • f. op welke wijze de activiteiten hebben plaatsgevonden voor welke doelgroep en welke instrumenten zijn ingezet;
  • g. de inhoudelijke opbrengsten en conclusies van het project en in hoeverre de beoogde doelstellingen zijn bereikt op het gebied van duurzame inzetbaarheid van de betrokken werkenden;
  • h. op welke wijze werkenden geïnformeerd en betrokken zijn geweest bij de planvorming, implementatie en evaluatie van het project;
  • i. op welke wijze de organisatie het advies ter bevordering van de duurzame inzetbaarheid van werkenden kan implementeren, dan wel vorm is gegeven aan de begeleiding bij de implementatie, en een toelichting op de relevantie voor de aanvrager;
  • j. met welke partijen binnen of buiten de organisatie is samengewerkt.
5.

De minister kan de subsidieontvanger in het kader van de vaststelling van de subsidie verplichten de contactgegevens te verstrekken van twee werknemers die actief betrokken zijn bij het project en bereid zijn informatie te verstrekken aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties voor controle en evaluatiedoeleinden.

6.

In afwijking van artikel 18, eerste lid, is er geen sprake van deelnemers aan het project als bedoeld in Bijlage I van Verordening 1304/2013.

7.

De minister beslist, in afwijking van artikel 18, vijfde lid, binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling.

Artikel B11. Uitzonderingen op algemeen deel

De artikelen 7, eerste lid, en 17, eerste lid, zijn niet van toepassing op subsidieaanvragen in het kader van dit hoofdstuk.

Artikel A25. Subsidieaanvrager

Artikel A26. Aanvraagtijdvak

Bijlage 2. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 juni 2015, 9.00 uur, tot en met 31 december 2019, 17.00 uur.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A26, € 7.000.000.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A26, € 7.000.000.

Artikel A28. Aard van de projecten

1.

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van sociale innovatie of het bevorderen van transnationale samenwerking op het terrein van actieve inclusie.

2.

Een project als bedoeld in het eerste lid komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien het project is gericht op:

1.

In afwijking van artikel 7, vijfde lid, wordt op de aanvraag uiterlijk achttien weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

1.

In afwijking van artikel 7, vijfde lid, wordt op de aanvraag uiterlijk achttien weken na ontvangst van de volledige aanvraag beschikt.

Artikel A30. Specifieke eisen

3.

De subsidie bedraagt per project ten minste € 60.000,– en ten hoogste € 190.000,–.

1.

Overeenkomstig de doelstellingen, bedoeld in artikel A28, eerste lid, zijn subsidiabel de activiteiten ter ontwikkeling, opzet, uitvoering of verspreiding van de volgende producten:

Bijlage 3. Subsidieplafonds centrumgemeenten

Centrumgemeente Arbeidsmarktregio Subsidieplafond 2014–2016
Groningen Groningen € 7.335.000
Leeuwarden Friesland € 4.982.500
Alkmaar Noord-Holland Noord € 2.281.000
Emmen Drenthe € 2.063.000
Zwolle IJsselvechtstreek € 2.031.500
Almere Flevoland € 2.906.500
Zaanstad Zaanstreek/Waterland € 1.448.000
Haarlem Zuid-Kennemerland € 1.880.500
Enschede Twente € 4.309.500
Amsterdam Groot Amsterdam € 13.666.000
Apeldoorn Stedendriehoek en Noordwest Veluwe € 2.746.500
Hilversum Gooi- en Vechtstreek € 969.000
Leiden Holland Rijnland € 1.696.500
Utrecht Midden-Utrecht € 3.601.000
Amersfoort Amersfoort € 1.176.500
Ede Food Valley € 1.105.000
Doetinchem Achterhoek € 1.007.000
Zoetermeer Zuid-Holland Centraal € 1.713.500
Gouda Midden-Holland € 792.000
Den Haag Haaglanden € 8.956.000
Arnhem Midden-Gelderland € 3.081.500
Rotterdam Rijnmond € 17.226.000
Tiel Rivierenland € 716.500
Gorinchem Gorinchem € 406.500
Nijmegen Rijk van Nijmegen € 2.569.500
Dordrecht Drechtsteden € 1.821.000
Den Bosch Noordoost-Brabant € 2.077.500
Breda West-Brabant € 3.007.000
Goes Zeeland € 1.871.000
Tilburg Midden-Brabant € 2.570.000
Venlo Noord-Limburg € 1.293.000
Helmond Helmond-De Peel € 1.262.000
Eindhoven Zuidoost-Brabant € 2.534.500
Roermond Midden-Limburg € 1.160.000
Heerlen Zuid-Limburg € 5.737.000
Totaal € 113.999.500

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Vervallen.

Artikel A1

Vervallen.

Hoofdstuk I. Centrumgemeenten

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door het college van burgemeester en wethouders van een centrumgemeente als bedoeld in artikel 1.

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

Artikel A5. De aanvraag

In afwijking van artikel 14, eerste lid, verstrekt de minister, indien de subsidieontvanger dit in zijn subsidieaanvraag heeft aangegeven, na ontvangst en beoordeling van de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel A8, eerste lid, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, mits uit de beoordeling van de voortgangsrapportage blijkt dat de gerapporteerde kosten zijn gespecificeerd en financieel en inhoudelijk voldoende zijn onderbouwd.

Artikel A9. Bevoorschotting

Artikel A10aa. Onderwijsnummer

In afwijking van de artikelen 17, eerste lid, en 18, eerste lid, verstrekt de subsidieontvanger voor een persoon die behoort tot de doelgroep, genoemd in artikel A4, eerste lid, onderdeel f, in plaats van een burgerservicenummer een onderwijsnummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Les- en cursusgeldwet, indien deze persoon niet beschikt over een burgerservicenummer.

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 5 december 2016, 09.00 uur, tot en met 27 januari 2017, 17.00 uur.

Artikel A15. Specifieke eisen

Vervallen.

Hoofdstuk III. De Minister van Justitie en Veiligheid

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de Minister van Justitie en Veiligheid.

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

Artikel A20. Subsidieplafond

Artikel A20. Subsidieplafond

Artikel A22

Artikel A23. Specifieke eisen

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 1 juni 2015, 9.00 uur, tot en met 31 december 2019, 17.00 uur.

Artikel A27. Subsidieplafond

1.

Een project in het kader van dit hoofdstuk heeft tot doel het bevorderen van sociale innovatie of het bevorderen van transnationale samenwerking op het terrein van actieve inclusie.

Artikel A29. De subsidieaanvraag

Artikel A31. Subsidiabele activiteiten

1.

Overeenkomstig de doelstellingen, bedoeld in artikel A28, eerste lid, zijn subsidiabel de activiteiten ter ontwikkeling, opzet, uitvoering of verspreiding van de volgende producten:

2.

De producten, bedoeld in het eerste lid, worden door de subsidieontvanger om niet beschikbaar gesteld aan derden.

1.

Ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten van een project in het kader van dit hoofdstuk komen in afwijking van artikel 12, eerste tot en met derde lid, vijfde tot en met zevende lid, en elfde lid, voor subsidiëring uitsluitend redelijke en noodzakelijke kosten in aanmerking.

1.

Ter uitvoering van de subsidiabele activiteiten van een project in het kader van dit hoofdstuk komen in afwijking van artikel 12, eerste tot en met derde lid, vijfde tot en met zevende lid, en elfde lid, voor subsidiëring uitsluitend redelijke en noodzakelijke kosten in aanmerking.

2.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden voor zover het directe loonkosten van medewerkers in dienst van een in Nederland gevestigde organisatie betreft berekend op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32%. Bij het aantal werkbare uren per jaar wordt uitgegaan van 1.720 uren bij een voltijds dienstverband.

3.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, bedragen, voor zover het kosten betreft voor:

Artikel A33. Subsidiabele kosten ten behoeve van het beheer van het project

5.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een bij het project betrokken partij of partijen in Nederland, indien de genoemde kosten betaald door deze partijen ten behoeve van hetzelfde project worden verantwoord.

6.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn door of op verzoek van de subsidieontvanger daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het project gebleven en rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen.

1.

Ten behoeve van het beheer van een project in het kader van dit hoofdstuk komen in afwijking van artikel 12, eerste tot en met derde lid, vijfde tot en met zevende lid, en elfde lid, voor subsidiëring uitsluitend in aanmerking:

Artikel A34. Niet-subsidiabele kosten

2.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden berekend op basis van het aantal werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel berekend uurtarief op basis van het brutoloon, vermeerderd met een opslag van 32%. Bij het aantal werkbare uren per jaar wordt uitgegaan van 1.720 uren bij een voltijds dienstverband.

Artikel A34. Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

Artikel A35. Administratievoorschriften

In afwijking van artikel 15, tweede lid, is de projectadministratie van de subsidieontvanger in het kader van transnationale samenwerking voor controle beschikbaar op één locatie in Nederland.

Artikel A36. Bevoorschotting

In afwijking van artikel 14 verleent de minister, in het kader van dit hoofdstuk, een voorschot tot maximaal 50% van het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen maximum subsidiebedrag, indien:

Artikel A37. Uitzonderingen op algemeen deel

Artikel A37. Uitzonderingen op algemeen deel

Artikel B12. Subsidieaanvrager

Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren

Bijlage 2. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Artikel B12. Subsidieaanvrager

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

Artikel B15. Doel

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

Niet voor subsidiëring komen in aanmerking:

Bijlage 2. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

Bijlage 4. Overzicht vaste bedragen voor verblijfskosten

Europees land Bedrag per overnachting in €
Albanië 233
België 232
Bosnië en Herzegovina 130
Bulgarije 227
Cyprus 238
Denemarken 270
Duitsland 208
Estland 181
Finland 244
Frankrijk 245
Griekenland 222
Hongarije 222
Ierland 254
IJsland 261
Italië 230
Kazachstan 292
Kroatië 180
Letland 211
Litouwen 183
Luxemburg 237
Macedonië 171
Malta 205
Moldavië 173
Monaco 268
Montenegro 143
Nederland 263
Noorwegen 260
Oekraïne 316
Oostenrijk 225
Polen 217
Portugal 204
Roemenië 222
Rusland 364
Servië 158
Slowakije 205
Slovenië 180
Spanje 212
Tsjechië 230
Verenigd Koninkrijk 276
Wit-Rusland 171
Zweden 257
Zwitserland 301

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel A21. Doel en doelgroep

Artikel A23. Specifieke eisen

Artikel A24. Subsidiabele activiteiten

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Hoofdstuk IV. Sociale innovatie en transnationale samenwerking

Artikel A26. Aanvraagtijdvak

Artikel A30. Specifieke eisen

2.

Een subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen, indien op het moment van deze aanvraag aan de subsidieaanvrager reeds voor twee projecten in het kader van dit hoofdstuk subsidie is verleend. Indien met betrekking tot een subsidieverlening als bedoeld in de vorige zin een verzoek tot vaststelling is ingediend, kan een subsidieaanvraag voor een nieuw project in behandeling worden genomen.

Artikel A30. Specifieke eisen

1.

Overeenkomstig de doelstellingen, bedoeld in artikel A28, eerste lid, zijn subsidiabel de activiteiten ter ontwikkeling, opzet, uitvoering of verspreiding van de volgende producten:

Artikel A34. Niet-subsidiabele kosten

4.

Indien de kosten, bedoeld in het derde lid, onderdelen b, c, d of e, zijn gemaakt ten behoeve van een buitenlandse partij of transnationale partij, wordt door middel van een schriftelijke verklaring voorzien van de handtekening van de desbetreffende afgevaardigde van de buitenlandse partij of transnationale partner aangetoond dat de kosten niet elders worden gedeclareerd.

Artikel A33. Subsidiabele kosten ten behoeve van het beheer van het project

1.

Ten behoeve van het beheer van een project in het kader van dit hoofdstuk komen in afwijking van artikel 12, eerste tot en met derde lid, vijfde tot en met zevende lid, en elfde lid, voor subsidiëring uitsluitend in aanmerking:

Artikel A34. Niet-subsidiabele kosten

3.

De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn door of op verzoek van de subsidieontvanger daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het project gebleven en rechtstreeks aan het beheer van het project toe te rekenen. Deze kosten bedragen ten hoogste 20% van de kosten, bedoeld in artikel A32.

Artikel A34. Niet-subsidiabele kosten

Niet voor subsidiering komen in aanmerking:

Artikel A35. Administratievoorschriften

In afwijking van artikel 15, tweede lid, is de projectadministratie van de subsidieontvanger in het kader van transnationale samenwerking voor controle beschikbaar op één locatie in Nederland.

Artikel A36. Bevoorschotting

Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren

Bijlage 2. Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in het aanvraagtijdvak van 19 september 2016, 09.00 uur, tot en met 28 oktober 2016, 17.00 uur.

Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren

De subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door:

Artikel B14. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

Bijlage 3. Subsidieplafonds centrumgemeenten

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)