Wet van 9 juli 2014, houdende regels inzake de gemeentelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en opvang (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015)

Type Wet
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-08-04
State In force
Source BWB
artikelen 212
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

In afwijking van artikel 5.3.3, eerste lid, kunnen zonder toestemming van de betrokkene ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid, opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, kinderbescherming of jeugdreclassering aan een ander desgevraagd inlichtingen over de betrokkene of inzage in het dossier worden verstrekt indien:

  • a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad, of
  • b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden verlangd en de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen.
2.

Verstrekking overeenkomstig het eerste lid is slechts mogelijk indien:

  • a. het onderzoek een algemeen belang dient,
  • b. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en
  • c. voor zover de betrokkene tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt.
3.

Bij een verstrekking overeenkomstig het eerste lid wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier.

§ 2. Verstrekking van persoonsgegevens

Artikel 5.4.1

1.

Het college stemt de wijze waarop het de taken op grond van deze wet uitvoert af met zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, met het oog op de wettelijke taken van die laatsten.

2.

Het college en zorgverzekeraars maken afspraken over beleid ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning, publieke gezondheid, zorg, jeugdzorg, welzijn en preventie, teneinde te komen tot een integrale dienstverlening aan cliënten en verzekerden.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze van totstandkoming van de afspraken, bedoeld in het tweede lid.

4.

Het college en aanbieders verstrekken aan zorgverzekeraars als bedoeld in de Zorgverzekeringswet uit eigen beweging en desgevraagd kosteloos de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de afspraken, bedoeld in het eerste lid.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat overleg omtrent afspraken, bedoeld in het tweede lid, ook plaatsvindt met andere organisaties en instanties dan genoemd in het eerste lid, en kan worden bepaald dat het vierde lid ook van toepassing is ten aanzien van die organisaties en instanties.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de in het vierde lid bedoelde gegevens en standaardisering van de wijze waarop de gegevens worden verstrekt.

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Artikel 6.1

1.

Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

2.

De aan de toezichthoudende ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, hebben mede betrekking op dossiers.

3.

Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet inroepen tegenover de toezichthoudende ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar, onverminderd artikel 5.2.4.

Artikel 6.2

1.

De ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd dienen de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in artikel 6.1, desgevraagd van advies inzake het houden van toezicht en inzake de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

2.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren rapporteren jaarlijks aan Onze Minister omtrent de uitvoering van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet door de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in artikel 6.1, en de effecten daarvan op het niveau van de maatschappelijke ondersteuning.

Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten

Artikel 7.1

Wijzigt de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen.

Artikel 7.2

Op procedures inzake de naleving van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen, aangevangen voor inwerkingtreding van artikel 7.1, blijft die wet van toepassing.

Artikel 7.3

Wijzigt de Wet klachtrecht cliënten zorgsector.

Artikel 7.4

1.

Op klachten, voor inwerkingtreding van artikel 7.3 ingediend bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 2 van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector, blijft die wet van toepassing.

2.

De artikelen 3 tot en met 3b van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector blijven van toepassing op gedragingen van een zorgaanbieder die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding van artikel 7.3.

Artikel 7.5

Wijzigt de Kwaliteitswet zorginstellingen.

Artikel 7.6

De artikelen 8 tot en met 10 van de Kwaliteitswet zorginstellingen blijven van toepassing op gedragingen van een zorgaanbieder die hebben plaatsgevonden voor inwerkingtreding van artikel 7.5.

Artikel 7.7

Wijzigt de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

Artikel 7.8

Wijzigt de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

Artikel 7.9

Wijzigt de Penitentiaire beginselenwet.

Artikel 7.10

Wijzigt de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Artikel 7.11

Wijzigt de Leerplichtwet 1969.

Artikel 7.12

Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 7.13

Wijzigt de Wet op de expertisecentra.

Artikel 7.14

Wijzigt de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

Artikel 7.15

Wijzigt de Wet op het primair onderwijs.

Artikel 7.16

Wijzigt de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 7.17

Wijzigt de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Artikel 7.18

Wijzigt de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

Artikel 7.19

Wijzigt de Jeugdwet.

Artikel 7.20

Wijzigt de Wijzigingswet Zorgverzekeringswet en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (bijdragen bij inkomstenderving ten gevolge van verlenen medisch noodzakelijke zorg aan bepaalde groepen vreemdelingen, en verzekering bepaalde groepen minderjarige vreemdelingen).

Artikel 7.21

Wijzigt de Wet forensische zorg (Kst. 32 398).

Artikel 7.22

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 7.23

Wijzigt de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 7.24

Wijzigt de Gemeentewet.

Artikel 7.25

Wijzigt de Werkloosheidswet.

Artikel 7.26

Wijzigt de Wet basisregistratie personen.

Artikel 7.27

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 7.28

Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg.

Artikel 7.29

Wijzigt de Participatiewet.

Artikel 7.30

Wijzigt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Artikel 7.31

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 7.33

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 6.

Artikel 7.34

Wijzigt de Wet kwaliteit, klachten en geschillen.

Artikel 7.35

Wijzigt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Kst. 32 399.

Artikel 7.36

Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 7.37

Wijzigt de Zorgverzekeringswet.

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Artikel 8.1

1.

De aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten omvatten met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, niet:

2.

Onverminderd het eerste lid besluit het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten zo spoedig mogelijk op aanvragen met betrekking tot zorg als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e, die zijn ingediend voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip.

Artikel 8.2

Met betrekking tot een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten aan wie een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en e, verstrekken het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in artikel 40 van die wet, zo spoedig mogelijk aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, gegevens omtrent de inhoud van:

  • a. het indicatiebesluit, met inbegrip van het daarin opgenomen burgerservicenummer, waarin ten aanzien van betrokkene is vastgesteld dat deze is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 8.1;
  • b. de grondslag waarop het indicatiebesluit berust;

Artikel 8.3

1.

Indien voor een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d en e, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

2.

Indien de uit een indicatiebesluit als bedoeld in het eerste lid voortvloeiende aanspraak op zorg op de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, nog niet tot gelding is gebracht, kan betrokkene de aanspraak in afwijking van het eerste lid slechts tot gelding brengen nadat hij het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze ter zake kenbaar te maken.

3.

Indien aan een verzekerde als bedoeld in het eerste lid tot de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 44, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, een persoonsgebonden budget werd verstrekt, heeft belanghebbende met ingang van die dag jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, recht op een persoonsgebonden budget overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens genoemd artikelonderdeel, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

4.

Indien ten aanzien van een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten door of namens de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in artikel 40 van die wet, een besluit is genomen als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan dat besluit waren verbonden, gedurende de looptijd van dat besluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

5.

Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, treedt het college in de plaats van de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in artikel 40 van die wet.

6.

Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid, is betrokkene een bijdrage in de kosten van de zorg aan het college verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot deze bijdrage, waaronder in ieder geval regels overeenkomstig de regels die zijn gesteld over de bijdrage, bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 1, van deze wet ten aanzien van de hoogte en invordering van die bijdrage. Artikel 2.3.8 is van overeenkomstige toepassing.

7.

Indien een in het buitenland wonende persoon op het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet op grond van artikel 3.1.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een vergoeding dan wel op grond van artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een uitkering ter zake van de kosten van zorg als bedoeld in artikel 8.1, behoudt die persoon jegens het Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58 van de Zorgverzekeringswet die aanspraak gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot de eerste dag van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

8.

Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een persoon die in het buitenland woont of verblijft en die in geval van behoefte aan zorg hetzij krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, hetzij met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel met toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid aanspraak heeft op zorg als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d of e, of vergoeding van de kosten daarvan, met dien verstande dat:

  • a. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste, derde en vierde lid in plaats van «verzekerde» telkens wordt gelezen: persoon;
  • b. voor de overeenkomstige toepassing van het eerste tot en met vierde lid in plaats van «het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland; en
  • c. voor de overeenkomstige toepassing van het vijfde en zesde lid in plaats van «het college» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland.
9.

De vergoedingen en uitkeringen, bedoeld in het zevende en achtste lid, komen ten laste van het Fonds langdurige zorg, bedoeld in artikel 89 van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel 8.4

1.

Indien voor een verzekerde in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, heeft belanghebbende met ingang van de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, jegens het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, de rechten en verplichtingen met betrekking tot het tot gelding brengen van de aanspraak op zorg die aan het indicatiebesluit waren verbonden, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip dat niet eerder is gelegen dan de eerste dag van het zesde kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

Artikel 8.5

De Wet marktordening gezondheidszorg is niet van toepassing op handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor zover uitgevoerd, al dan niet onder eigen verantwoordelijkheid, door personen, ingeschreven in een register als bedoeld in artikel 3 van die wet of door personen als bedoeld in artikel 34 van die wet, die deel uitmaken van zorg die:

  • b. door derden wordt geleverd aan een belanghebbende, aan wie op grond van artikel 8.3, derde lid, een persoongebonden budget wordt verstrekt.

Artikel 8.6

1.

Nadat het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in artikel 40 van die wet, de in artikel 8.2 genoemde gegevens hebben verstrekt aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, voert het college, met overeenkomstige toepassing van artikel 2.3.2, tweede tot en met achtste lid, zonder melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, het in dat artikel bedoelde onderzoek uit op een zodanig tijdstip dat betrokkene tijdig voor het tijdstip waarop hij niet langer op grond van artikel 8.3, eerste of derde lid, of artikel 8.4, eerste lid, aanspraak zal hebben op de in die gegevens omschreven zorg onderscheidenlijk de in die gegevens omschreven subsidie, een aanvraag kan doen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5. eerste lid.

2.

Nadat de zorgverzekeraar, bedoeld in artikel 1, onderscheidenlijk de rechtspersoon, bedoeld in artikel 40 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de in artikel 8.2, tweede lid, bedoelde gegevens heeft verstrekt aan het college van de gemeente waarvan betrokkene ingezetene is, voert het college, met overeenkomstige toepassing van artikel 2.3.2, tweede tot en met achtste lid, zonder melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, het in dat artikel bedoelde onderzoek uit op een zodanig tijdstip dat betrokkene tijdig voor het tijdstip waarop hij niet langer op grond van artikel 8.3, vierde lid, aanspraak zal hebben op de in die gegevens omschreven zorg, een aanvraag kan doen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5. eerste lid.

Artikel 8.7

1.

De gemeenteraad stelt het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2, en de verordening, bedoeld in de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6en 2.6.6, vast voor 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

2.

Het college treft de algemene voorzieningen als bedoeld in de artikelen 2.2.3 tot en met 2.2.4 voor 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden.

3.

Het college draagt er zorg voor dat onderzoeken als bedoeld in artikel 2.3.2 kunnen worden uitgevoerd met ingang van 1 november van het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden en dat op aanvragen voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget die worden gedaan voor de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, tijdig een besluit wordt genomen.

4.

Het college publiceert voor het eerst voor 1 juli van het tweede kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, de uitkomsten van het in artikel 2.5.1, eerste lid, bedoelde onderzoek en verstrekt gelijktijdig de in artikel 2.5.1, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen instelling.

5.

Het college wijst voor de eerste dag van het kalenderjaar na dat waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 8.8

1.

In afwijking van artikel 3.5, eerste lid, is de aanbieder voor beroepskrachten als in dat lid bedoeld die op het tijdstip van inwerkingtreden van dat lid voor hem werkzaam zijn en ten aanzien van wie een verklaring omtrent het gedrag is vereist, uiterlijk binnen een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen termijn na dat tijdstip in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die niet eerder dan drie maanden voor het verstrijken van de vastgestelde termijn is afgegeven. De termijn kan voor verschillende groepen beroepskrachten verschillend worden vastgesteld.

2.

Artikel 3.5, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een aanbieder als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.9

1.

De Wet maatschappelijke ondersteuning wordt ingetrokken, onverminderd de rechten en verplichtingen die onmiddellijk voor het tijdstip waarop artikel 2.1.1 in werking is getreden, voor betrokkene zijn verbonden aan een met toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning door het college genomen besluit waarbij aanspraak is verstrekt op een individuele voorziening in natura of het ontvangen van een persoonsgebonden budget dan wel een financiële tegemoetkoming.

2.

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, blijft van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

3.

Artikel 25 van de Wet maatschappelijke ondersteuning blijft van toepassing op de roerende zaken, voor de aanschaf waarvan krachtens die wet een financiële tegemoetkoming is verstrekt, die zijn aangeschaft met een persoonsgebonden budget of die krachtens die wet in eigendom of bruikleen zijn verstrekt.

4.

Het college en Onze Minister geven met betrekking tot het kalenderjaar waarin enig artikel van deze wet in werking is getreden, uitvoering aan artikel 9 van de Wet maatschappelijke ondersteuning voor 1 juli van het daaropvolgende kalenderjaar onderscheidenlijk 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar.

5.

De artikelen 11 en 12 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van de vaststelling van het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2, en de verordening, bedoeld in artikel 2.1.3.

Artikel 8.10

Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 8.11

1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

2.

Wijzigt deze wet.

3.

Wijzigt deze wet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8.12

Deze wet wordt aangehaald als: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 8.6a

Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt tot een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip niet voor daar bedoelde cliënten:

  • a. die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;
  • b. die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd;
  • c. die hun recht op zorg tot gelding brengen met een modulair pakket thuis en een maatwerkvoorziening inhoudende het schoonhouden van hun woonruimte hebben aangevraagd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.6.7a

1.

In het belang van de beperking van uitvoeringslasten stelt Onze Minister regels. Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op:

  • a. de financieringswijzen en administratieve processen, behorende bij de bekostiging van aanbieders door colleges;
  • b. de wijze waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders, colleges en CAK plaatsvindt;
  • c. de wijze waarop verantwoording van aanbieders aan colleges plaatsvindt.
2.

De colleges hanteren geen aanvullende of afwijkende eisen aangaande de onderwerpen waarover Onze Minister op grond van het eerste lid, onderdeel a, regels heeft gesteld.

3.

Het Zorginstituut, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, is

belast met het beheer van standaarden die worden gebruikt in het elektronisch gegevensverkeer tussen de personen en instanties, bedoeld in het eerste lid.

4.

Het ontwerp voor een krachtens het eerste lid, onder a, vast te stellen ministeriële regeling die betrekking heeft op de financieringswijzen wordt aan beide kamers der Staten-Generaal voorgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp.

Hoofdstuk 3. Kwaliteit

Hoofdstuk 4. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

§ 1. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling

§ 2. Kwaliteit en rechtspositie

§ 3. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5. Gegevensverwerking

§ 1. Verwerking van persoonsgegevens

§ 2. Verstrekking van persoonsgegevens

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.1.4a

1.

Bij verordening kan worden bepaald dat een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is voor een maatwerkvoorziening, dan wel een persoonsgebonden budget.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij verordening worden bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget verschuldigd is zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verleend.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden omschreven waarin bij verordening de hoogte van de bijdrage wordt vastgesteld of geen bijdrage is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, een krachtens artikel 2.1.4, derde lid, aangewezen voorziening, dan wel een persoonsgebonden budget.

4.

De hoogte van de bijdrage voor één of meerdere maatwerkvoorziening, persoonsgebonden budgetten of krachtens artikel 2.1.4, derde lid, aangewezen voorzieningen, tezamen, met uitzondering van beschermd wonen, de maatwerkvoorziening opvang of andere bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorzieningen, bedraagt € 19,– per 1 januari 2026 € 21,80 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen.

5.

Onverminderd het eerste lid en in afwijking van het vierde lid kan bij verordening de hoogte van de bijdrage, bedoeld in het vierde lid:

  • a. op een lager bedrag worden vastgesteld;
  • b. worden verlaagd tot nihil voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën van cliënten, indien het inkomen over een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven tijdsperiode van de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt en diens echtgenoot tezamen niet meer bedraagt dan een bij verordening vastgesteld bedrag.
6.

De bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel, een woningaanpassing of een bij algemene maatregel van bestuur omschreven maatwerkvoorziening als bedoeld in het vierde lid, gaat de kostprijs daarvan niet te boven. Bij verordening wordt bepaald op welke wijze de kostprijs wordt berekend.

7.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de bijdragen voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget voor beschermd wonen en opvang. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

  • a. de hoogte van de bijdrage;
  • b. de wijze waarop het inkomen en het vermogen bij de vaststelling van de hoogte van de bijdrage worden betrokken.

Artikel 2.1.4b

1.

De bijdragen als bedoeld in artikel 2.1.4, derde en vierde lid, en 2.1.4a, worden, met uitzondering van de krachtens het vierde lid van het laatstgenoemde artikel omschreven maatwerkvoorzieningen, vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt bij verordening bepaald door welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget voor opvang wordt vastgesteld en geïnd. Het college draagt er zorg voor dat aan het CAK mededeling wordt gedaan van de bijdragen die door de bedoelde instantie zijn vastgesteld, voor zover niet betrekking hebbende op personen die de thuissituatie hebben verlaten in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de wijze van innen van de in het eerste lid bedoelde bijdragen. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

  • a. de termijn waarbinnen de verschuldigde bijdrage moet zijn voldaan;
  • b. het opschorten of beëindigen van de invordering bij het voldoen aan de kostprijs of bij het opschorten of beëindigen van gebruik als bedoeld in artikel 2.1.4a, tweede lid;
  • c. de wijze van invordering.
4.

Bij ministeriële regeling kan het bedrag, bedoeld in de artikelen 2.1.4, derde lid, en 2.1.4a, vierde lid, jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.

§ 2. Algemene maatregelen en algemene voorzieningen

§ 3. Maatwerkvoorzieningen

§ 4. Verhaal van kosten

§ 5. Evaluatie van beleid

Artikel 2.5.4

1.

Het CAK verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft om de effecten van artikel 2.1.4 tot en met 2.1.4b in de praktijk te kunnen beoordelen.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

3.

Dit artikel en het derde lid van artikel 5.1.3, onder vernummering van het vierde lid tot het derde lid van dat artikel vervallen en de zinsnede «2.1.4b, 2.1.5 of 2.5.4» in de artikelen 5.2.1, tweede lid, onderdeel b, 5.2.3 en 5.2.4, eerste lid, wordt vervangen door «2.1.4b of 2.1.5» op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In artikel 5.1.3, derde lid (nieuw), vervalt op dat tijdstip eveneens de zinsnede «en derde».

§ 6. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Kwaliteit

Hoofdstuk 3a. Overige voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning

§ 1. Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de centrale overheid

Artikel 3a.1.1

1.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak personen met een auditieve beperking door middel van het bekostigen van tolkvoorzieningen te ondersteunen bij het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, mits deze personen ingezetenen van Nederland zijn of vreemdelingen behorende tot een categorie die daaraan bij algemene maatregel van bestuur is gelijkgesteld.

2.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kent, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, op aanvraag van een persoon als bedoeld in het eerste lid, van een instelling, van een gemeente of ambtshalve een tolkvoorziening toe en bekostigt die voor die personen, gemeenten of instellingen.

3.

Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:

  • a. de omvang en de inhoud van de aanspraak, bedoeld in het tweede lid;
  • b. de voorwaarden waaronder de tolkvoorzieningen worden verleend;
  • c. de kwaliteitseisen van tolken.
4.

Op het bekostigen van de tolkvoorziening is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De artikelen 3:18, 3:33, 3:56, 3:57, 3:58, 3:60, 3:62 en 3:74 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zijn van overeenkomstige toepassing op tolkvoorzieningen.

5.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan de toekenning, bedoeld in het tweede lid weigeren, indien:

  • a. het na een eerdere herziening, intrekking of weigering van een toekenning op grond van het vierde lid, heeft vastgesteld dat:
  • 1°. de persoon, bedoeld in het tweede lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid,
  • 2°. de persoon niet voldoet aan de aan de tolkvoorziening verbonden voorwaarden, of
  • 3°. de persoon de tolkvoorzieningen niet of voor een ander doel gebruikt;
6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de vergoeding van de tolk.

Artikel 3a.1.2

Onze Minister draagt er zorg voor dat:

  • a. personen op ieder moment van de dag kosteloos een telefonisch of elektronisch gesprek, dat niet direct tot hen herleidbaar is, kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen, en
  • b. personen die bij een melding aan een Veilig Thuis-organisatie zijn betrokken een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon.

§ 2. Toezicht en handhaving

Artikel 3a.2.1

1.

Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet met betrekking tot de in artikel 3a.1.1 gestelde regels zijn belast de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2.

De aan de met het toezicht belaste ambtenaren toekomende bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5:16 en 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, hebben mede betrekking op dossiers.

3.

Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift tot geheimhouding van het dossier verplicht is, kan de beroepsbeoefenaar deze verplichting, in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet inroepen tegenover de met het toezicht belaste ambtenaren. Op deze ambtenaren rust dezelfde geheimhoudingsplicht als op de betrokken beroepsbeoefenaar.

4.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 3a.2.2

De Raad van bestuur van het UWV is bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom ter handhaving van de voorschriften of verplichtingen gesteld krachtens artikel 3a.1.1, derde en zesde lid.

§ 3. Bekostiging voorzieningen

Artikel 3a.3.1

1.

De kosten die worden gemaakt voor het bekostigen van tolkvoorzieningen, bedoeld in artikel 3a.1.1, eerste lid, komen ten laste van het Rijk.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk 4. Veilig Thuis

§ 1. Taken

§ 1. Taken

Hoofdstuk 5. Gegevensverwerking

§ 1. Verwerking van persoonsgegevens

§ 2. Verstrekking van persoonsgegevens

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3.4a

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • –. incident: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de cliënt;
  • –. contractspartij:
  • a. aanbieder, beroepskracht of bij of voor de aanbieder werkzame rechtspersoon;
  • b. cliënt, vertegenwoordiger van de cliënt of nabestaande van de cliënt.
2.

Elk beding in een door contractspartijen gesloten overeenkomst dat het recht beperkt of ontneemt om informatie over een incident openbaar te maken of aan een derde te verstrekken, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing:

  • a. voor zover het beding is overeengekomen ter uitvoering van een daartoe strekkend wettelijk voorschrift;
  • b. op bedingen die overeengekomen zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.

Hoofdstuk 3a. Overige voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning

§ 1. Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de centrale overheid

§ 2. Toezicht en handhaving

§ 3. Bekostiging voorzieningen

Hoofdstuk 4. Veilig Thuis

§ 1. Taken

§ 2. Kwaliteit en rechtspositie

Artikel 4.2.5a

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • –. incident: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de betrokkene;
  • –. contractspartij:
  • a. Veilig Thuis of een bij of voor Veilig Thuis werkzame natuurlijke persoon of rechtspersoon;
  • b. betrokkene bij een melding van of een adviesaanvraag over huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, vertegenwoordiger van de betrokkene of nabestaande van de betrokkene.
2.

Elk beding in een door contractspartijen gesloten overeenkomst dat het recht beperkt of ontneemt om informatie over een incident openbaar te maken of aan een derde te verstrekken, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing:

  • a. voor zover het beding is overeengekomen ter uitvoering van een daartoe strekkend wettelijk voorschrift;
  • b. op bedingen die overeengekomen zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.

§ 3. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5. Gegevensverwerking

§ 1. Verwerking van persoonsgegevens

§ 2. Verstrekking van persoonsgegevens

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.2.5a

1.

Verstrekking van persoonsgegevens door of aan het college geschiedt, voor zover het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen verstrekkingen betreft, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.

2.

Indien het Inlichtingenbureau op grond van het eerste lid persoonsgegevens verwerkt, is het voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke.

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.1.7

1.

Bij het voeren van een telefonisch of elektronisch gesprek als bedoeld in artikel 3a.1.2., onderdeel a, worden IP-adres en telefoonnummer van deze persoon verwerkt, voor zover deze noodzakelijk zijn om:

  • a. het contact tot stand te brengen tussen de persoon en degene die met deze persoon dit gesprek voert;
  • b. de bereikbaarheid te verbeteren.
2.

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3a.1.2, onderdeel a, kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden verwerkt tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door de persoon met wie het gesprek wordt gevoerd worden meegedeeld.

3.

De organisatie die de taken als bedoeld in artikel 3a.1.2, onderdeel a, uitvoert, is slechts bevoegd informatie uit een elektronisch gesprek, waarin mogelijk persoonsgegevens, waaronder bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijn opgenomen verder te verwerken als daarop pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene Verordening gegevensbescherming is toegepast en vervolgens onafgebroken wordt gecontinueerd en voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken.

4.

Bij het in behandeling nemen van klachten kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van de persoon die een telefonisch of elektronisch gesprek heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3a.1.2, onderdeel a, worden verwerkt.

§ 2. Verstrekking van persoonsgegevens

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 6. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.5.5

1.

Zorgkantoren en zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet langdurige zorg verstrekken desgevraagd kosteloos aan het college de gegevens die nodig zijn om de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, uit te voeren.

2.

Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verstrekken desgevraagd kosteloos aan het college de gegevens die nodig zijn om de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, uit te voeren.

§ 6. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Kwaliteit

Hoofdstuk 3a. Overige voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning

§ 1. Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de centrale overheid

§ 2. Toezicht en handhaving

§ 3. Bekostiging voorzieningen

Hoofdstuk 4. Veilig Thuis

§ 3. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 5. Gegevensverwerking

§ 1. Verwerking van persoonsgegevens

Artikel 5.2.5b

1.

Zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet verstrekken ten aanzien van een persoon die medisch noodzakelijke zorg heeft ontvangen en geen zorgverzekering heeft als bedoeld in de Zorgverzekeringswet desgevraagd de persoonsgegevens, waaronder gegevens over de gezondheid en het burgerservicenummer aan het college die het college nodig heeft om te beoordelen of het bieden van openbare geestelijke gezondheidszorg is aangewezen.

2.

Onder medisch noodzakelijke zorg wordt verstaan zorg of overige diensten als bedoeld in artikel 11 van de Zorgverzekeringswet met uitzondering van bij of krachtens die wet uitgesloten vormen van zorg of diensten, en slechts voor zover de zorgaanbieder verstrekking ervan, gezien de aard van de zorg, medisch noodzakelijk acht.

3.

Onder openbare geestelijke gezondheidszorg wordt verstaan de inzet ten behoeve van kwetsbare personen die niet uit eigen beweging hulp vragen of die hulp mijden terwijl vanwege de aard of complexiteit van hun problemen, maatschappelijke teloorgang of een lage kwaliteit van leven en welzijn dreigt of al aan de orde is, met het oog op het bieden van hulp aan of het laten aanvaarden van hulp door deze personen.

4.

De verstrekking van persoonsgegevens door zorgaanbieders aan het college als bedoeld in het eerste lid kan ook plaatsvinden via een gemeentelijke gezondheidsdienst als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet publieke gezondheid.

5.

Een gemeentelijke gezondheidsdienst en het college zijn bevoegd de verstrekte gegevens, bedoeld in het eerste lid, te verwerken, voor zover deze verwerking noodzakelijk is om te beoordelen of het bieden van openbare geestelijke gezondheidszorg aangewezen is.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking.

7.

De voordracht voor een krachtens het zesde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 3. Rechten van de betrokkene

§ 4. Gegevens ten behoeve van integrale dienstverlening

Artikel 5.4.2

1.

Het college stemt, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de voornemens die voortvloeien uit het onderdeel van het plan, bedoeld in artikel 2.1.2, vierde lid, aanhef en onderdeel h, nodig is, af met andere colleges.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze van de afstemming, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 7. Wijziging andere wetten

Hoofdstuk 8. Invoerings- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)