Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Type Beleidsregel
Publication 2026-05-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-05
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Ingeval een informant of een burger stelselmatig informatie inwint dan moet dit zijn gebaseerd op art. 126v Sv. Een overeenkomst tot stelselmatige informatie-inwinning door een burger kan zowel worden gesloten met een door de CIE gerunde informant als met een ‘normale’ burger; dit moet dan zijn gebaseerd op art. 126v Sv. In het eerste geval zal de informant worden gerund door de CIE en zal zijn identiteit worden afgeschermd omdat deze geheim moet blijven in verband met de veiligheid van de informant. In het tweede geval zal de burger worden begeleid door het tactisch onderzoeksteam, al dan niet in samenwerking met de unit WOD, en zal de burger rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de rechter aanleiding ziet om hem ter terechtzitting als getuige te willen horen.

Een overeenkomst tot stelselmatige informatie-inwinning mag enkel worden gesloten met een burger die zelf geen verdachte is in een zaak waarover hij informatie verstrekt. De 126v-burger kan dus geen hand- en spandiensten verlenen aan de verdachte(n) of aan de criminele groepering die bijdragen aan de realisering van de door deze beoogde strafbare feiten. In dat geval staat eventueel de weg van burgerpseudo-koop of burgerpseudodienstverlening open. Gaat het echter om hand- en spandiensten die niet direct bijdragen tot de realisering van het strafbare feit dan kunnen deze met toestemming van de officier van justitie worden toegestaan. Men kan hierbij denken aan hand- en spandiensten – dienend om de ‘cover’ van de informant te vestigen of te versterken – in de trant van het regelen van de huur of de koop van een auto zonder dat op voorhand een directe relatie bestaat tussen deze transactie en een (beoogd) strafbaar feit. Deze hand- en spandiensten, die moeten worden omschreven in de overeenkomst met de 126v-burger en die kunnen worden beschouwd als rechtmatig optreden ten behoeve van de opsporing, leveren geen strafbaar feit op. De hierbedoelde handelingen kunnen hem dan ook niet worden aangerekend. (Vgl. Kamerstukken II 1999/2000, 26 269, nr. 18 alsmede paragraaf 3.3 van de Instructie voor de CIE-officier van justitie).

2.8. (Burger)pseudokoop en -dienstverlening

In het algemeen zal de bevoegdheid tot (burger)pseudokoop en -dienstverlening worden toegepast ter verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en/of het afleveren van verboden voorwerpen. Deze bevoegdheid kan ook worden toegepast met het oog op het in stand houden van de cover van de burger (de zogenaamde vertrouwensaankoop). Daarnaast kan er ook sprake zijn van een zogenaamde vooraankoop. Van dit laatste is sprake in het geval goederen worden afgenomen met de bedoeling om vast te stellen of de goederen een ongeoorloofd karakter hebben, dan wel om vast te stellen dat er een strafbaar feit is gepleegd met deze goederen. Tot slot bestaat ook de mogelijkheid dat de burger een ‘monster’ koopt van een af te nemen partij goederen teneinde de kwaliteit te kunnen testen (de zogenaamde monsteraankoop).

Met het ‘afnemen van goederen’, zoals opgenomen in de wettekst van de artikelen (artt. 126i/126q en 126ij/126z Sv), wordt niet alleen bedoeld het kopen van goederen, maar iedere vorm van een door de pseudo-koper gerealiseerde feitelijke overdracht van goederen. Uit de wetsgeschiedenis is niet gebleken dat bepaalde soorten goederen niet voor een pseudo-koop in aanmerking komen. Toch kan de afname van bepaalde goederen, zoals menselijke organen, worden aangemerkt als politiek gevoelig of ethisch onaanvaardbaar. Of de officier van justitie kan toestaan dat zulke goederen worden afgenomen, is mede afhankelijk van de proportionaliteit ten opzichte van het opsporingsbelang.

De bevoegdheid om gegevens (die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk, door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk) af te nemen, geeft de mogelijkheid om via het internet gegevens (zoals foto’s of videobeelden) van een verdachte af te nemen (door de tussenkomst van een burger).

Onder (burger)pseudo-koop moet ook de situatie worden verstaan waarin de opsporingsambtenaar cq. burger voorwendt goederen te willen afnemen en tot afspraken komt met de verdachte strekkende tot aankoop en aflevering van goederen, met de bedoeling in te grijpen op het moment dat de verdachte tot aflevering overgaat.

Een opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een bevel politiële pseudo-koop of -dienstverlening mag er op vertrouwen dat hij niet vervolgd zal worden voor strafbare feiten die hij in het kader van de uitvoering van het bevel heeft begaan. De opsporingsambtenaar handelt namelijk in opdracht van de officier van justitie. De opsporingsambtenaar die op een correcte wijze uitvoering geeft aan een bevel pseudo-koop of -dienstverlening kan daarom een beroep doen op de strafuitsluitingsgrond van art. 43 Sr. Een opsporingsambtenaar kan bij de uitvoering van een bevel echter in een situatie belanden waarin hij onverwachts betrokken raakt bij strafbare feiten waar het bevel niet in voorziet. Aangezien het plegen van deze strafbare feiten achteraf niet door een bevel kan worden gedekt, zal gekeken moeten worden of het bevel mondeling kan worden gewijzigd. Indien dit niet mogelijk is, zal de officier van justitie achteraf moeten beoordelen of de politiële pseudo-koper of dienstverlener heeft gehandeld binnen de kaders van het bevel. Oordeelt de officier van justitie achteraf dat het verrichten van de strafbare handelingen aanvaardbaar of onontkoombaar was in het licht van de uit te voeren pseudo-activiteit, dan kan hij besluiten niet tot vervolging over te gaan. Het voorgaande geldt ook voor de burger die uitvoering geeft aan een schriftelijke overeenkomst burgerpseudo-koop en -dienst-verlening.

Burgerpseudokoop en -dienstverlening (artt. 126ij/126z Sv) is slechts toegestaan indien een bevel politiële pseudokoop en -dienstverlening (artt. 126i en 126q Sv) in redelijkheid niet kan worden gegeven (subsidiariteiteis). De officier van justitie kan tot het oordeel komen dat een bevel politiële pseudokoop of -dienstverlening in redelijkheid niet kan worden gegeven in het geval de in te zetten pseudokoper of -dienstverlener een zeer specifieke deskundigheid of positie nodig heeft om geloofwaardig te kunnen opereren in het criminele milieu, terwijl de politie niet beschikt over een opsporingsambtenaar met een dergelijke deskundigheid of positie.

Van burgerpseudokoop of -dienstverlening kan uitsluitend sprake zijn in het geval de koop of de dienstverlening door een burger heeft plaatsgevonden op initiatief en onder regie van politie en justitie. Indien de burger zelf het initiatief heeft genomen om van/aan een verdachte een goed te kopen of dienst te verlenen en dit niet onder regie van politie en justitie heeft plaatsgevonden, dan heeft dit handelen niet plaatsgehad onder gezag van politie en justitie. De burger is dan ook zelf verantwoordelijk voor eventuele strafbare feiten die dergelijk handelen heeft opgeleverd. In beginsel kan de op deze wijze verkregen informatie wel worden gebruikt in een strafzaak. Als uitgangspunt geldt hierbij dat politie en justitie geen sturende betrokkenheid bij deze handelingen heeft gehad.

Indien er twijfel bestaat of de in een bepaald onderzoek voorgenomen of aangevangen politiële – of burgerpseudo-koop of -dienstverlening in de richting van politiële- of burgerinfiltratie gaat, moet voor wat betreft het toetsingstraject worden gekozen voor het infiltratieregime. Dit heeft met name als consequentie dat in de goedkeuringsprocedure, via de CTC, het College moet worden betrokken.

De officier van justitie zal, in overleg met het rechercheteam, moeten beoordelen of de unit WOD wordt belast met de uitvoering van een bevel politiële pseudo-koop en -dienstverlening. De inzet van de unit WOD zal in ieder geval geboden zijn wanneer het er naar uitziet dat de pseudo-koop of -dienstverlening na verloop van tijd zal overgaan in een infiltratie-actie (zie de Regeling infiltratieteams, Stcrt. 2000, nr. 7).

De opsporingsambtenaar die is belast met de uitvoering van een bevel politiële pseudo-koop en -dienstverlening zal de door hem uitgevoerde opsporingsactiviteiten en de door hem geconstateerde bevindingen moeten vastleggen in een verslag of journaal. Dit is een intern werkdocument van de politie dat niet bij de processtukken hoeft te worden gevoegd. De opsporingsambtenaar zal daarnaast een proces-verbaal moeten opmaken waarin de voor de zaak relevante gegevens (zowel in ontlastende als belastende zin) staan gerelateerd. Dit proces-verbaal moet wel bij de processtukken worden gevoegd.

Omdat de inzet van een burgerpseudokoper of -dienstverlener risico’s met zich mee kan brengen in verband met de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing zal bijzondere aandacht besteed moeten worden aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burger zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opsporingsambtenaar. In beginsel zal de begeleiding van de burger moeten geschieden door een opgeleide functionaris van de unit WOD. De officier van justitie kan anders beslissen.

De opsporingsambtenaar die is belast met de begeleiding van de burger die bijstand verleent aan de opsporing zal in een journaal gedetailleerd verslag moeten doen van de contacten die hij heeft gehad met de burger en de door de burger gedane waarnemingen. Een journaal is een intern werkdocument van de politie dat niet bij de processtukken hoeft te worden gevoegd. De opsporingsambtenaar zal daarnaast een proces-verbaal moeten opmaken waarin de voor de zaak relevante gegevens (zowel in ontlastende als belastende zin) staan gerelateerd. Dit proces-verbaal moet wel bij de processtukken worden gevoegd.

‘Pseudo-verkoop’ is niet in de wet geregeld. De wetgever heeft bij het tot stand komen van de Wet BOB niet de bedoeling gehad om het opsporingsonderzoek systematisch te beschrijven, maar om bevoegdheden te creëren ten behoeve van de strafrechtelijke afdoening van delicten. Bevoegdheden die ingrijpen op de vrijheid of op andere grondrechten van burgers behoeven een specifieke regeling. De regeling behoeft niet uitputtend te zijn, hetgeen blijkt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1996–97, 25 403, p. 9).Uit diezelfde Memorie (p. 34) blijkt ook dat de wettekst geen bevoegdheid omvat tot pseudo-verkoop, omdat daarbij veelal niet of slechts moeizaam zal kunnen worden aangetoond dat is voldaan aan het Tallon-criterium (instigatieverbod). Deze redenering doet vooral opgeld wanneer er sprake zou zijn van de verkoop aan de verdachte van goederen of voorwerpen waarvan het voorhanden hebben of het verhandelen bij wet verboden is (hierna voor het gemak te noemen: illegale goederen). Pseudoverkoop van dergelijke illegale goederen is niet toegestaan. Het kan echter voorkomen dat de verkoper van op zichzelf legale goederen, gelet op de aard van de bestelling of de persoon van de koper, vermoedt dat de koper, na levering, de goederen illegaal zal verwerken of daaraan anderszins een illegale bestemming zal geven. De samenwerking tussen het openbaar ministerie en een dergelijke verkoper is toegestaan, mits die samenwerking wordt geformaliseerd volgens de eisen van art. 126ij Sv respectievelijk art. 126z Sv (burgerpseudodienstverlening). Weliswaar worden hier strikt genomen geen diensten verleend (zie art. 126ij onder c Sv) maar goederen verkocht, doch naar aard en strekking is de burgerpseudoverkoop een figuur die met burgerpseudodienstverlening de grootste verwantschap vertoont. Om die reden wordt voor deze gevallen een burgerpseudodienstverleningsovereenkomst zoals bedoeld in de artt. 126ij en 126z Sv voorgeschreven.

2.9. Politiële- en burgerinfiltratie

De bevoegdheid tot politiële- of burgerinfiltratie mag niet worden toegepast met het uitsluitende doel om de informatiepositie in een bepaald onderzoek te kunnen verbeteren. De inzet van deze bevoegdheid moet een strafvorderlijk doel dienen.

Burgerinfiltratie (artt. 126w/126x Sv) is slechts toegestaan indien een bevel tot politiële infiltratie (artt. 126h/126p Sv) in redelijkheid niet kan worden gegeven (subsidiariteiteis). De officier van justitie kan tot het oordeel komen dat een bevel politiële infiltratie in redelijkheid niet kan worden gegeven in het geval de infiltrant een zeer specifieke deskundigheid of positie nodig heeft om geloofwaardig te kunnen opereren in het criminele milieu, terwijl de politie niet beschikt over een opsporingsambtenaar met een dergelijke deskundigheid of positie.

Voor infiltratie (artt. 126h en 126w Sv) is vereist dat medewerking wordt verleend aan een groep van personen, waarbinnen zeer ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd. Er worden geen specifieke eisen gesteld aan de groep, dit kan ook een netwerk zijn of een legale organisatie waarbinnen een groep van personen zeer ernstige misdrijven beramen of plegen. Als het gaat om infiltratie in het kader van een onderzoek naar het beramen of plegen van zeer ernstige misdrijven in georganiseerd verband (artt. 126p en 126x Sv) dan geldt aanvullend het vereiste van een redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband zeer ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd. Hiermee wordt gedoeld op een verband waarin op stelselmatige wijze dergelijke misdrijven worden beraamd of gepleegd. Er worden geen specifieke eisen gesteld aan de duurzaamheid of structuur van het verband. Bij het onderzoek naar het beramen of plegen van zeer ernstige misdrijven in georganiseerd verband (Titel V) wordt namelijk niet de opheldering van een concreet misdrijf beoogd maar het in kaart brengen van het georganiseerde verband dat die misdrijven beraamt of pleegt. Het gaat om een vermoeden van ‘betrokkenheid bij’.

Het deelnemen of medewerking verlenen aan een criminele groep kan van binnenuit de organisatie of van buitenaf plaatsvinden. In dit laatste geval kan worden gedacht aan dekmantelbedrijven (store-fronts) die door of vanwege de politie worden opgezet met de bedoeling om bepaalde faciliteiten aan te bieden aan de criminele groep, zoals transportmiddelen of geldwisselmogelijkheden.

Een opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een bevel politiële infiltratie mag er op vertrouwen dat hij niet vervolgd zal worden voor strafbare feiten die hij in het kader van de uitvoering van het bevel heeft begaan. De opsporingsambtenaar handelt namelijk in opdracht van de officier van justitie. De opsporingsambtenaar die op een correcte wijze uitvoering geeft aan een bevel politiële infiltratie kan daarom een beroep doen op de strafuitsluitingsgrond van art. 43 Sr. Een opsporingsambtenaar kan bij de uitvoering van een bevel echter in een situatie belanden waarin hij onverwachts betrokken raakt bij strafbare feiten waar het bevel niet in voorziet. Aangezien het plegen van deze strafbare feiten achteraf niet door een bevel kan worden gedekt, zal gekeken moeten worden of het bevel mondeling kan worden gewijzigd. Indien dit niet mogelijk is, zal de officier van justitie achteraf moeten beoordelen of de politiële infiltrant heeft gehandeld binnen de kaders van het bevel. Oordeelt de officier van justitie achteraf dat het verrichten van de strafbare handelingen aanvaardbaar of onontkoombaar was in het licht van de uit te voeren undercoveractiviteiten, dan kan hij besluiten niet tot vervolging over te gaan. Het voorgaande geldt ook voor de burger die uitvoering geeft aan een schriftelijke overeenkomst burgerinfiltratie.

Van burgerinfiltratie kan uitsluitend sprake zijn in het geval het verlenen van bijstand door een burger heeft plaatsgevonden op initiatief en onder regie van politie en justitie. Indien de burger zelf het initiatief heeft genomen om bepaalde (onrechtmatige) handelingen te verrichten heeft dit handelen niet plaatsgehad onder verantwoordelijkheid van politie en justitie. De burger is dan ook zelf verantwoordelijk voor eventuele strafbare feiten die dergelijk handelen heeft opgeleverd. In beginsel kan de op deze wijze verkregen informatie wel worden gebruikt in een strafzaak. Als uitgangspunt geldt hierbij dat politie en justitie geen sturende betrokkenheid bij deze handelingen hebben gehad.

In de artt. 126w/126x Sv wordt geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten. Echter, gegeven het feit dat aan het werken met criminele burgerinfiltranten reële risico’s zijn verbonden (zoals het gevaar van ongewenste verbindingen tussen de criminele infiltrant en de betrokken criminele groepering, het gevaar voor het weglekken van politie-informatie of het gevaar van verlies van regie en controleerbaarheid) heeft de Tweede Kamer destijds de motie Kalsbeek aanvaard waarin werd bepaald dat er een algemeen verbod gold op het inzetten van criminele burgerinfiltranten (Kamerstukken II 1998/99, 25 403 en 23 251, nr. 33). Later is daarop een uitzondering gemaakt als sprake is van een opsporingsonderzoek naar terroristische misdrijven (Kamerstukken II, 2002/03, 27 834, nr. 28).

Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192)3De motie is aangenomen op 25 maart 2014. is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen, en is het mogelijk geworden om in bepaalde situaties criminele burgerinfiltranten in te zetten bij de aanpak van zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag die inzet plaatsvinden. Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten.4Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195.

Om te beoordelen of een potentiële burgerinfiltrant moet worden aangemerkt als een criminele burgerinfiltrant dient aan een aantal criteria te worden getoetst. Er is in ieder geval sprake van een criminele burgerinfiltrant indien de burger:

Het hebben van een strafblad is op zichzelf dus niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een criminele burgerinfiltrant.

De bevoegdheid tot (burger)infiltratie sluit die van stelselmatige informatie-inwinning in.

De bevoegdheid tot (burger)infiltratie omvat de bevoegdheid van (burger)pseudo-koop- en dienstverlening. Het doen van een pseudo-koop of het verlenen van een pseudo-dienst kan namelijk plaatsvinden als een vorm van deelnemen of medewerking verlenen aan een criminele groepering. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een vertrouwensaankoop. In zo’n geval is dan ook geen apart bevel pseudokoop of -dienstverlening nodig of, in geval van burgerpseudokoop of -dienstverlening, een aparte overeenkomst met de burger. Wel zal in het bevel politiële infiltratie of de overeenkomst burgerinfiltratie, bij de omschrijving van de wijze waarop aan het bevel of de overeenkomst uitvoering wordt gegeven, vermeld moeten worden dat de bevoegdheid tot pseudokoop of -dienstverlening mag worden toegepast. Opmerking hierbij verdient dat voor het verrichten van pseudokopen tijdens een infiltratietraject wel de afzonderlijke toestemming van het College, na advies van de CTC, is vereist.

De officier van justitie kan pas een bevel tot politiële infiltratie afgeven of een overeenkomst met een burger tot het verlenen van bijstand aan de opsporing (burgerinfiltratie) sluiten nadat het voornemen daartoe door de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket via de CTC ter goedkeuring aan het College is voorgelegd en het College met dat voornemen heeft ingestemd.

Op grond van art. 131 Wet RO jo. art. 11 van het Reglement van Orde College van procureurs-generaal (Stcrt. 1999, 106) stelt het College de minister van Veiligheid en Justitie op de hoogte van het voornemen om een burgerinfiltrant in te zetten. Ingevolge de motie-Recourt is toestemming van de minister van Veiligheid en Justitie vereist voor de inzet van een criminele burgerinfiltrant.

Indien door het College een termijn is gesteld bij de verleende toestemming tot inzet van politiële- of burgerinfiltratie zal de zaak, voor de afloop van deze termijn, opnieuw ter toetsing voorgelegd moeten worden aan de CTC. De CTC zal hierop haar advies voorleggen aan het College.

In het bevel politiële infiltratie moeten onder meer de feiten en omstandigheden worden vermeld waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126i/126q lid 1 Sv. Daarnaast zal in het bevel ook de wijze, daaronder begrepen eventueel strafbaar gesteld handelen, moeten worden vermeld waarop aan het bevel uitvoering zal worden gegeven. Omdat deze vereisten reeds in het aanvraagproces-verbaal van een opsporingsambtenaar zijn beschreven, kan in het bevel worden volstaan met een verwijzing naar dit proces-verbaal.

Het schriftelijke document als bedoeld in de artt. 126w/126x lid 4 Sv zal bij de processtukken gevoegd moeten worden. In beginsel geldt dit niet ten aanzien van de schriftelijke overeenkomst die met de burger is gesloten omdat in deze overeenkomst gegevens kunnen zijn opgenomen die de identiteit van de burger kunnen verhullen. Deze gegevens moeten (voor de zekerheid) worden afgeschermd door bijvoorbeeld in de schriftelijke overeenkomst de burger aan te duiden onder een codenummer.

Gezien de bijzondere kennis en vaardigheden die zijn vereist voor een goede uitvoering van een bevel politiële infiltratie kunnen slechts daartoe opgeleide opsporingsambtenaren van politie (art. 141, onderdeel b Sv) die lid zijn van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid worden belast met zo’n bevel.

Indien binnen de politie bijzondere kennis of deskundigheid niet beschikbaar is die nodig is voor de uitvoering van een bevel politiële infiltratie kunnen (behalve de opsporingsambtenaren van politie) ook opsporingsambtenaren van de KMar of van een bijzondere opsporingsdienst (art. 141, onderdeel c of art. 142 Sv), die geen lid zijn van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid, met de uitvoering van zo’n bevel worden belast. Deze opsporingsambtenaren zullen echter wel moeten voldoen aan de opleidingseisen die gelden voor opsporingsambtenaren die lid zijn van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid (Zie hieromtrent het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 549).

In de Regeling infiltratieteams (Stcrt. 2000, nr. 7) zijn regels opgenomen ten aanzien van de organisatie, selectie en opleiding van politiële infiltranten alsmede betreffende de begeleiding, rapportage en verantwoording van infiltratieacties.

Bij de inzet van een burgerinfiltrant dient in verband met de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing steeds bijzondere aandacht te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burgerinfiltrant zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.

De resultaten die worden verkregen door de inzet van de bevoegdheid tot (burger)infiltratie kunnen als bewijs in de strafzaak worden ingebracht. Dit heeft tot gevolg dat deze resultaten integraal ter terechtzitting verantwoord moeten kunnen worden. Dit kan als consequentie hebben dat de (burger)infiltrant als getuige moet worden gehoord. Om verschillende redenen kan het echter gewenst zijn om de identiteit van de opsporingsambtenaar of de burger af te schermen. In de eerste plaats kan het openbaar maken van de identiteit van de opsporingsambtenaar een ernstige belemmering voor hem opleveren om in de toekomst uitvoering te kunnen geven aan zijn functie. Daarnaast kan ook de veiligheid van de opsporingsambtenaar of de burger in dit geval in het geding komen. De wens om informatie af te schermen geldt ook ten aanzien van de in het kader van de infiltratie gebruikte opsporingstechnieken -en tactieken. Openbaarmaking hiervan zou namelijk tot gevolg kunnen hebben dat hier in de toekomst geen gebruik meer van kan worden gemaakt dan wel dat de waarde van het middel afneemt.

De identiteit van een opsporingsambtenaar die uitvoering heeft gegeven aan een bevel infiltratie kan in de eerste plaats worden afgeschermd door de opsporingsambtenaar een proces-verbaal onder nummer op te laten maken. Indien de betreffende opsporingsambtenaar echter wordt opgeroepen om te getuigen over de uitvoering van het bevel dan zijn er verschillende andere mogelijkheden om de identiteit van de opsporingsambtenaar af te schermen. In de eerste plaats kan de chef van de opsporingsambtenaar, die op de hoogte is van diens identiteit, getuigen over de bevindingen die zijn gedaan door de betreffende opsporingsambtenaar. Indien hier niet mee kan worden volstaan, kan de opsporingsambtenaar op de voet van de artt. 190 lid 2 of 290 lid 1 Sv als beperkt anonieme getuige worden gehoord. Daarnaast kan op grond van de artt. 187b en 187d Sv bepaalde informatie (die betrekking kan hebben op gebruikte opsporingstechnieken- en tactieken, maar ook op de identiteit van de opsporingsambtenaar) worden afgeschermd. Tot slot zou in uitzonderingsgevallen een beroep gedaan kunnen worden op de bedreigde getuigenregeling (artt. 226a–226f Sv). De voorgaande mogelijkheden tot afscherming zijn van overeenkomstige toepassing in het geval de identiteit van de burgerinfiltrant dient te worden afgeschermd.

2.10. Vorderen van gegevens

Indien in het belang van het opsporingsonderzoek vastgelegde gegevens moeten worden verkregen die aanwezig zijn bij een derde, dan geldt als uitgangspunt dat de wettelijke regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens wordt toegepast (artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv). De wettelijke regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens kent namelijk waarborgen met het oog op de bescherming van de gegevens van de persoon of de personen op wie de gegevens betrekking hebben en ziet toe op behartiging van de belangen van anderen, zoals die van derden.

Kortom de hoofdregel luidt dat opgeslagen/vastgelegde gegevens moeten worden gevorderd. Uitzonderingen hierop zijn:

Uiteraard kan een bedrijf/instelling buiten de regeling van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens om, vrijwillig uit eigen beweging gegevens verstrekken die niet onder de bescherming van de Wet bescherming persoonsgegevens vallen.

Op grond van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens (artt. 126nc/126uc-126nh/126uh Sv) kunnen in beginsel bij derden gegevens worden opgevraagd over elke persoon van wie de gegevens van belang kunnen zijn voor het onderzoek, zoals een slachtoffer of een bekende van de verdachte. Het beginsel van proportionaliteit brengt met zich mee dat de eventuele beperking van de persoonlijke levenssfeer van de perso(o)n(en) over wie gegevens worden gevorderd in verhouding moet staan tot het belang van het opsporingsonderzoek. In het geval gegevens worden opgevraagd over niet-verdachte personen zal het beginsel van proportionaliteit hogere eisen stellen aan de motivering ten aanzien van het toepassen van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens dan in het geval er gegevens worden gevorderd over een verdachte.

Onder het begrip gegevens wordt iedere weergave van feiten, begrippen of instructies verstaan, die geschikt is voor overdracht of verwerking door personen of systemen. Gegevens moeten zijn weergegeven, opgeslagen of vastgelegd op een permanente of semi-permanente gegevensdrager (bijvoorbeeld op schrift, microfiche, tape, diskette, cd-rom of werkgeheugen).

De gegevens die worden gevorderd van een derde dienen in beginsel binnen het bereik te liggen van de normale activiteiten van deze derde en mogen geen onevenredige inspanning van de derde vergen. De bevoegdheden tot het vorderen van gegevens geven geen bevoegdheid om een derde te bevelen om gegevens te analyseren, vergelijken of combineren teneinde nieuwe gegevens te verkrijgen. De derde tot wie de vordering tot het verstrekken van gegevens is gericht, is verplicht zijn medewerking te verlenen. Indien de derde weigert te voldoen aan een vordering, dan kan dit een overtreding van art. 184 Sr opleveren.

Een vordering verstrekking van gegevens mag niet ongericht jegens derden worden toegepast. Een vordering verstrekking van identificerende gegevens (artt. 126nc/126uc Sv) kan slechts worden gericht aan een derde indien er aanwijzingen zijn dat deze derde gegevens kan hebben over een persoon die van belang kunnen zijn voor het opsporingsonderzoek. Een vordering verstrekking van andere dan identificerende gegevens (artt. 126nd/126ud en 126ne/126ue Sv) kan slechts worden gericht aan een derde indien op basis van feiten of omstandigheden redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze derde de beschikking heeft of krijgt over de te vorderen gegevens.

In art. 126nc/126uc Sv wordt onder een derde verstaan degene die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt. Hiermee wordt een persoon, instantie of bedrijf bedoeld die vanwege een bepaalde functie of beroepsuitoefening gegevens verwerkt.

Op grond van de bevoegdheid tot het vorderen van identificerende gegevens (artt. 126nc/126uc Sv) kunnen slechts identificerende gegevens worden gevorderd over een bepaalde persoon. De identificerende gegevens van een groep personen kunnen worden verkregen op grond van de bevoegdheid tot het vorderen van andere dan identificerende gegevens (artt. 126nd/126ud en 126ne/126ue Sv).

In het geval toekomstige gegevens worden gevorderd op grond van de artt. 126ne/126ue Sv, kan de situatie zich voordoen dat de officier van justitie in het belang van het onderzoek aan een derde verzoekt om de dienstverlening met een klant voort te zetten, zodat de derde de gegevens blijft ontvangen en desgevorderd ter beschikking van justitie kan stellen. De vordering toekomstige gegevens is in zo’n geval reeds op schrift gesteld. De officier van justitie behoeft een dergelijk verzoek om de dienstverlening voort te zetten niet, afzonderlijk en expliciet, op schrift te stellen. Mocht het zo zijn dat – achteraf gezien – de voortgezette relatie tot gevolg heeft gehad dat de derde hierdoor mogelijk strafbare feiten heeft gepleegd, dan zal de derde er in zo’n geval op mogen vertrouwen dat er geen sprake van kan zijn dat hij vervolgd wordt in verband met bijvoorbeeld medeplichtigheid aan het plegen van een strafbaar feit. De derde heeft immers voldaan aan een vordering van de officier van justitie. Indien de derde echter vooraf uitdrukkelijk om een schriftelijke vrijwaring verzoekt, dan kan deze door de officier van justitie worden gegeven indien er daadwerkelijk een kans bestaat dat de derde door aan de vordering te voldoen handelingen verricht die als een strafbaar feit zouden kunnen worden aangemerkt.

Indien de officier van justitie in het kader van het vorderen van toekomstige gegevens aan de derde vraagt om actief medewerking te verlenen aan het uitvoeren van bepaalde handelingen die meer omvatten dan het voortzetten van de normale dienstverlening, dan zullen deze handelingen komen te vallen onder het bereik van de bevoegdheden burgerpseudokoop of -dienstverlening, en zal er in zo’n geval een overeenkomst met de derde opgesteld moeten worden.

De bevoegdheid tot het vorderen van de bevriezing van gegevens geeft geen bevoegdheid om van een derde te vorderen om heel in het algemeen gegevens voor een bepaalde termijn vast te leggen. Een vordering kan namelijk slechts in een bepaald geval (indien het onderzoek dit dringend vordert) en ten aanzien van gespecificeerde gegevens worden gedaan.

De vordering verstrekking van gegevens op grond van de artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv is schriftelijk en vermeldt de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de (rechts)persoon over wie de gegevens worden gevorderd, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gegevens die worden gevorderd en de termijn waarbinnen en de wijze waarop de gegevens dienen te worden verstrekt en het wetsartikel op grond waarvan de vordering wordt gedaan.

Een vordering verstrekking van gegevens dient zoveel mogelijk geconcretiseerd te zijn ten aanzien van de persoon met betrekking tot wie gegevens worden opgevraagd, alsook ten aanzien van de te vorderen gegevens. Indien de vordering geen betrekking heeft op een bepaalde persoon, dan zullen de te vorderen gegevens zoveel mogelijk in de vordering moeten worden beperkt in tijd, plaats of groep van personen.

De officier van justitie verstrekt de schriftelijke vordering aan een opsporingsambtenaar die deze vordering doorgeleidt naar de derde van wie de gegevens gevorderd worden. Daarnaast kan de officier van justitie de schriftelijke vordering ook rechtstreeks ter beschikking stellen aan de derde.

De zelfstandige vordering door de opsporingsambtenaar is voorbehouden aan die opsporingsambtenaren die daartoe uitdrukkelijk zijn aangewezen door de korpschef of het hoofd van de bijzondere opsporingsdienst. Hierbij dient in het bijzonder gedacht te worden aan de opsporingsambtenaren die werkzaam zijn bij een (regionale) informatieknooppunt of een vergelijkbare dienst belast met de informatieverwerking.

Van de verstrekking van identificerende gegevens dient een proces-verbaal opgemaakt te worden door de opsporingsambtenaar. De officier van justitie doet van een verstrekking van toekomstige en historische gegevens (artt. 126nd/126ud en 126ne/126ue Sv), gevoelige gegevens (artt. 126nf/126uf Sv) en gegevens van een aanbieder van een communicatiedienst (artt. 126ng/126ug Sv) proces-verbaal opmaken door een opsporingsambtenaar. Indien duidelijk is in welk onderzoek en naar welk strafbaar feit de bevoegdheid is toegepast, kan de verkrijging van gegevens op grond van verschillende individuele vorderingen ook in één proces-verbaal worden verantwoord.

Ondanks dat de Wet bevoegdheden vorderen gegevens (artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv) (Stb. 2005, 390) in de plaats is gekomen van de Wet vorderen gegevens financiële sector (Stb. 2004, 109) blijft hetgeen in de wetsgeschiedenis van de Wet vorderen gegevens financiële sector aan de orde is gekomen geheel van toepassing op de vorderingen die op grond van de artt. 126nc/126uc–126nf/126uf Sv worden gericht aan de financiële dienstverleners. Ten aanzien van de vorderingen die gericht worden aan financiële dienstverleners blijven dan ook de afspraken gelden die mede op basis van de Wet vorderen gegevens financiële sector zijn gemaakt tussen justitie en de financiële dienstverleners omtrent de ingevolge die wet uit te voeren gegevensverstrekkingen en de in verband daarmee te vergoeden kosten.

Financiële dienstverleners zijn aanbieders van een financieel product of financiële dienst zoals gedefinieerd in de Wet op het financieel toezicht (Stb. 2006, 475). Daarmee valt het in deze aanwijzing gehanteerde begrip financiële dienstverlener niet geheel samen met de in deze wet gehanteerde definitie. Onder financiële dienstverleners in de zin van deze aanwijzing zijn onder meer begrepen: kredietinstellingen, effecteninstellingen, beleggingsinstellingen, wisselkantoren, verzekeringsbedrijven (waaronder assurantietussenpersonen) en pensioenbedrijven. Het betreft de instellingen die vallen onder het toezicht dat geregeld is in de financiële toezichtwetten (Wet toezicht kredietwezen 1992, Wet toezicht beleggingsinstellingen, de Wet toezicht effectenverkeer 1995, Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf). Daarnaast betreft het de instellingen die vallen onder de Wet inzake de geldtransactiekantoren, de Pensioen- en Spaarfondsenwet en de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf.

In het geval gegevens worden gevorderd bij financiële dienstverleners zal er, voordat de vordering gegevensverstrekking wordt gedaan, overleg plaats moeten vinden tussen de opsporingsambtenaar en de voor de betrokken financiële dienstverlener opgegeven contactpersoon. In dit overleg zullen afspraken gemaakt moeten worden over de wijze waarop aan de vordering zal worden voldaan en de plaats waar en de termijn waarbinnen de gegevens verstrekt kunnen worden. De betrokken financiële dienstverlener wordt na overleg met de contactpersoon een redelijke termijn gegeven, tenzij het belang van het strafrechtelijk onderzoek eist dat de financiële dienstverlener onverwijld inzage c.q. afgifte (in kopie) van de voorwerpen of gegevens verleent. Indien digitaal te verstrekken, zal de financiële dienstverlener tot wie de vordering is gericht de gevorderde gegevens digitaal aanleveren. Indien de vordering zich uitstrekt tot de originele documenten zal de financiële dienstverlener in de gelegenheid worden gesteld om vooraf van deze documenten kopieën te vervaardigen. De officier van justitie kan bepalen dat, indien het belang van het opsporingsonderzoek zich daartegen verzet, zulks pas zal kunnen geschieden op een zodanig moment dat dit het opsporingsonderzoek niet belemmert.

Indien een vordering verstrekking identificerende gegevens wordt gericht tot een financiële dienstverlener toetst de hulpofficier van justitie of, in geval van bijvoorbeeld een bijzondere opsporingsdienst, de teamleider de voorgenomen vordering op proportionaliteit en subsidiariteit. Hierna wordt de vordering schriftelijk door de hulpofficier van justitie of de teamleider gedaan.

Er is geen sprake van een keuzevrijheid tussen het vorderen van gegevens op grond van de artt. 126nc/126uc–126nh/126uh Sv enerzijds en het in beslag nemen van voorwerpen of het vorderen van de uitlevering ter inbeslagneming van voorwerpen op grond van het Wetboek van Strafvordering of bijzondere wetten, zoals de Wet economische delicten (WED) en de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR), anderzijds. Als uitgangspunt geldt dat, indien met toepassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens kan worden volstaan, geen gebruik mag worden gemaakt van de bevoegdheden tot inbeslagneming en de uitlevering ter inbeslagneming.

De bevoegdheden tot (de uitlevering ter) inbeslagneming kunnen slechts worden toegepast indien een opsporingsambtenaar de beschikking wil krijgen over stoffelijke voorwerpen. Deze bevoegdheden bevatten geen basis om gegevens te vorderen. Een gegeven kan namelijk niet worden beschouwd als een voorwerp.

Het belang van het onderzoek kan echter met zich meebrengen dat over de originele voorwerpen, zoals schriftelijke bescheiden, dient te kunnen worden beschikt omdat deze als overtuigingsstuk dienst zullen doen, zoals in geval van valsheden. Ook kan het voorkomen dat het in het belang van het onderzoek is dat (tijdelijk) de beschikking wordt verkregen over bijvoorbeeld een (partieel) compleet financieel dossier zodat onderzoek kan worden gedaan naar eventuele valsheden. Verder kunnen spoedeisende belangen of risico’s – liggende in de sfeer van collusie – een reden zijn om op zo kort mogelijke termijn direct fysiek over de verlangde voorwerpen te beschikken. In voornoemde gevallen – hetgeen ook in het proces-verbaal ter inbeslagneming of uitlevering ter inbeslagneming dient te worden onderbouwd – is de weg van de zwaardere en/of bijzondere bevoegdheid uiteraard de meest aangewezen.

In het geval van een SFO heeft een opsporingsambtenaar geen vrije keuze om gegevens op te vragen op grond van de artt. 126nc/126uc-126nh/126uh Sv of op grond van art. 126a lid 1 Sv. Aangezien het in het kader van een SFO gaat om het toepassen van een bevoegdheid die speciaal is gegeven met het oog op een bepaald doel zal de opsporingsambtenaar de gegevens in dit geval moeten vorderen op grond van art. 126a Sv. Ten aanzien van gevoelige gegevens geldt echter dat deze gegevens, ook tijdens een SFO, alleen gevorderd kunnen worden op basis van art. 126nf Sv.

Hoofdstuk 3. Bijzondere gevallen

3.1. Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van voortvluchtigen

Op grond van art. 565 lid 2 Sv kunnen de in Titel IVa omschreven bijzondere opsporingsbevoegdheden, met uitzondering van politiële pseudokoop en -dienstverlening (art. 126i Sv), politiële infiltratie (art. 126h Sv) en het stelselmatig inwinnen van informatie door een opsporingsambtenaar (art. 126j Sv), worden toegepast met het oog op de vaststelling van de verblijfplaats van een aan te houden persoon die wordt vervolgd of is veroordeeld tot een vrijheidsstraf dan wel tegen wie een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd.

Indien de in Titel IVa omschreven bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast op grond van art. 565 lid 2 Sv, dan geldt in beginsel hetgeen is vermeld over de betekenis en procedure van deze opsporingsbevoegdheden indien zij zouden worden ingezet in het kader van de opsporing van een strafbaar feit. Voor een uiteenzetting van de voorwaarden die bij toepassing van de opsporingsbevoegdheden in acht genomen moeten worden, wordt dan ook verwezen naar de hiervoor besproken afzonderlijke bijzondere opsporingsbevoegdheden. Hierbij moet opgemerkt worden dat sommige gegevens die opgenomen moeten worden in de bevelen of de vorderingen in geval van de opsporing van een strafbaar feit minder van belang kunnen zijn bij het achterhalen van de verblijfplaats van de aan te houden persoon. Deze gegevens behoeven in dit geval dan ook niet vermeld te worden in de vordering of het bevel.

De regeling van de artt. 126cc en 126dd Sv ter zake van de bewaring en vernietiging van vergaarde gegevens is niet van toepassing in het geval de in Titel IVa omschreven bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast op grond van art. 565 lid 2 Sv. Voor de in dit verband vergaarde gegevens is het regime van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) van toepassing. Deze wet gaat ervan uit dat de verwerkte gegevens worden verwijderd zodra deze niet langer nodig zijn voor het doel van het onderzoek (art. 9, vierde lid, Wpg). Dit doel betreft de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houden persoon. De politiegegevens die niet langer nodig zijn voor het doel van het onderzoek, worden verwijderd of gedurende een periode van maximaal een half jaar verwerkt teneinde te bezien of zij aanleiding geven tot een nieuw onderzoek of een nieuwe verwerking en na verloop van deze termijn verwijderd (art. 9, vierde lid, Wpg). Daarna worden de gegevens nog vijf jaar bewaard, gedurende deze periode kunnen de bewaarde gegevens in bijzondere gevallen opnieuw worden gebruikt (art. 14, derde lid, Wpg). Vereist is een opdracht van de officier van justitie. Dit hernieuwde gebruik kan aan de orde zijn als de aangehouden persoon opnieuw voortvluchtig is of ernstige strafbare feiten pleegt’.

3.2. Inzet bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van terroristische misdrijven

Op 1 februari 2007 is de Wet Verruiming mogelijkheden ter opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Stb. 2006, 731) in werking getreden. Door de invoering van deze wet is in de Titels VB en VC van het Wetboek van Strafvordering een regeling opgenomen voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van ‘aanwijzingen’ van een terroristisch misdrijf (artt. 126zd t/m 126zu Sv). De omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden sluit in inhoudelijk opzicht aan bij de in de titels IVa, V en VA opgenomen bijzondere opsporings-bevoegdheden, met uitzondering van het criterium voor de toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden.

In de artt. 126za en 126zb Sv zijn algemene voorschriften opgenomen die betrekking hebben op de bevelen van de officier van justitie alsmede de machtigingen van de rechter-commissaris in het geval de in de titels VB en VC opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast ter opsporing van terroristische misdrijven. Deze voorschriften zijn inhoudelijk gezien vergelijkbaar met de voorschriften die gelden in verband met de inzet van de in de titels IVa en V opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden. De modelformulieren die worden toegepast in het kader van de opsporing van een strafbaar feit kunnen dan ook worden gebruikt indien de in de titels VB en VC opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast, waarbij een aantal – in de vordering of het bevel van de officier van justitie opgenomen – passages aangepast dienen te worden.

In de Wet Verruiming mogelijkheden ter opsporing en vervolging van terroristische misdrijven is, naast een regeling van bijzondere opsporingsbevoegdheden, ook een regeling opgenomen voor de toepassing van (onderzoeks)bevoegdheden om, in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf, onderzoek te doen aan voorwerpen, vervoermiddelen en/of kleding. Deze regeling is opgenomen in de artt. 126zq/126zr/126zs Sv.

De in de artt. 126zq/126zr/126zs Sv opgenomen bevoegdheden kunnen slechts worden toegepast bij een (mondeling) bevel daartoe van de officier van justitie. In het bevel zal de officier van justitie aan moeten geven voor welke periode en in welk nader gespecificeerd gebied de bevoegdheden mogen worden uitgeoefend. De door de officier van justitie aangewezen gebieden kunnen worden aangemerkt als tijdelijke risicogebieden, die moeten worden onderscheiden van gebieden die vanwege hun functie een min of meer permanent risico vormen voor terroristische aanslagen (zogenaamde veiligheidsrisicogebieden). Deze veiligheidsrisicogebieden zijn in het Besluit opsporing terroristische misdrijven (Stb. 2007, 730) aangewezen. Binnen een veiligheidsrisicogebied kunnen de onderzoeks-bevoegdheden worden toegepast zonder dat daaraan een bevel van de officier van justitie vooraf is gegaan.

Omdat de toepassing van de artt. 126zq/126zr/126zs Sv in de praktijk kan leiden tot vraagstukken van openbare orde zal de burgemeester onverwijld door de verantwoordelijke hoofdofficier van justitie moeten worden geïnformeerd over de voorgenomen toepassing van deze bevoegdheden. Over de toepassing van de onderzoeksbevoegdheden kunnen nadere afspraken worden gemaakt met het openbaar bestuur, bijvoorbeeld in het kader van een driehoeksoverleg.

In het geval de onderzoeksbevoegdheden worden uitgeoefend binnen een veiligheidsrisicogebied zal de burgemeester in beginsel vooraf in kennis worden gesteld van elk optreden dat consequenties kan hebben voor de handhaving van de openbare orde. Over optreden dat beperkt is gebleven tot enkele personen zal achteraf mededeling kunnen worden gedaan aan de burgemeester. Over de wijze waarop gebruik gemaakt wordt van de onderzoeksbevoegdheden in veiligheidsrisicogebieden worden door het openbaar ministerie afspraken gemaakt met de politie.

In het Besluit opsporing terroristische misdrijven zijn nadere richtsnoeren opgenomen voor opsporingsambtenaren die uitvoering geven aan de artt. 126zq, 126zr en 126zs Sv.

3.3. Verkennend onderzoek

In art. 126gg Sv is het verkennend onderzoek geregeld. In het kader van een verkennend onderzoek worden gegevens (die afkomstig zijn uit politiegegevensbestanden of open bronnen) verzameld, geanalyseerd en veredeld om vast te kunnen stellen of en op welke wijze binnen de in art. 126gg Sv bedoelde verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegd. Het verkennend onderzoek dient ter voorbereiding van de opsporing.

De officier van justitie kan pas een bevel verkennend onderzoek afgeven nadat de hoofdofficier van justitie van het betrokken arrondissementsparket het conceptbevel verkennend onderzoek alsmede het onderliggende proces-verbaal van de politie ter toetsing heeft voorgelegd aan het College dat hiervoor toestemming moet geven.

Het College toetst of:

De hoofdofficier van justitie van het betrokken arrondissementsparket wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit van het College.

Het schriftelijke bevel van de officier van justitie bevat:

In het bevel zal de groep van personen die onderwerp zullen vormen van het verkennend onderzoek zo nauwkeurig mogelijk omschreven moeten worden teneinde de bescherming op de persoonlijke levenssfeer van deze personen zo veel mogelijk te kunnen waarborgen.

Indien het College toestemming heeft verleend voor het instellen van een verkennend onderzoek, dan zal de betrokken hoofdofficier van justitie het College periodiek op de hoogte moeten houden van de voortgang van het verkennend onderzoek.

Indien in het kader van een verkennend onderzoek een concrete verdenking ontstaat ten aanzien van bepaalde tot de ‘verzameling’ behorende personen dan kan er tegen die personen een opsporingsonderzoek worden opgestart, terwijl het verkennend onderzoek naar de verzameling van personen nog doorloopt.

In art. 126gg Sv is geen maximale termijn aangegeven voor de duur van een verkennend onderzoek. Een verkennend onderzoek zal echter gesloten moeten worden indien het doel van het verkennend onderzoek is bereikt.

Indien een verkennend onderzoek wordt beëindigd, dan zullen de resultaten hiervan vastgelegd moeten worden in een eindrapportage. De eindrapportage bevat:

De hoofdofficier van justitie van het betrokken parket zendt een afschrift van de eindrapportage toe aan het College.

Indien in de eindrapportage informatie is opgenomen die aanleiding kan geven tot het instellen van een opsporingsonderzoek, dan zal deze informatie apart in een proces-verbaal neergelegd moeten worden. Dit proces-verbaal kan dan als startproces-verbaal dienen voor het opsporingsonderzoek.

Indien een verkennend onderzoek de voorbereiding van de opsporing van terroristische misdrijven tot doel heeft, beschikt de officier van justitie op basis van de artt. 126hh en 126ii Sv over meer bevoegdheden om gegevens op te vragen en te gebruiken.

Op grond van art. 126hh lid 1 Sv is de officier van justitie bevoegd om, in het belang van het verkennend onderzoek naar terroristische misdrijven, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot een geautomatiseerd gegevensbestand schriftelijk te vorderen dat dit bestand, of delen daarvan, wordt verstrekt teneinde de hierin opgenomen gegevens te doen bewerken. De bewerking kan bestaan uit het onderling vergelijken dan wel het in combinatie met elkaar verwerken van gegevens afkomstig uit het verstrekte bestand, gegevens uit politiegegevensbestanden en gegevens uit andere bestanden. Door het bewerken van gegevens kunnen er nieuwe gegevens worden verkregen.

In lid 2 van art. 126hh Sv is voorts bepaald dat in geval van een bewerking de beperkingen die bij of krachtens de Wpg zijn gesteld ten aanzien van de in die wet benoemde gegevensbestanden buiten toepassing blijven. Aangezien echter in bepaalde politiegegevensbestanden, zoals het gegevensbestand van art. 10 Wpg en de gegevensbestanden van zogenaamde ‘embargo-onderzoeken’ als bedoeld in de Wpg, gegevens met afbreukrisico’s zijn opgenomen, kunnen de gegevens uit deze bestanden slechts geheel of gedeeltelijk ter beschikking worden gesteld.

Op grond van art. 126ii lid 1 Sv kan de officier van justitie van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen om bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens (zoals bedoeld in art. 126nc Sv) van een persoon te verstrekken. In art. 126ii lid 2 Sv is bepaald dat de officier van justitie bevoegd is om in het belang van het verkennend onderzoek gebruikersgegevens (zoals bedoeld in art. 126na Sv) te vorderen van iedere aanbieder van een communicatiedienst.

Hoofdstuk 4. Uitvoering

4.1. Uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten

Hoewel in art. 126ff lid 1 en 4 Sv de verplichting tot inbeslagneming is beperkt tot die situaties waarin sprake is van toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering geldt (gelet op het stelsel van het Wetboek van Strafvordering) de verplichting tot onmiddellijke inbeslagneming, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, ook voor alle andere situaties waarin opsporingsambtenaren de vindplaats weten van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen.

Er is sprake van ‘weten’ in de zin van art. 126ff Sv op het moment dat bij opsporingsambtenaren een voldoende mate van zekerheid bestaat over het verboden karakter van de voorwerpen en de vindplaats hiervan. Het zal in dit geval moeten gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn. Indien er slechts een redelijk vermoeden bestaat omtrent de aard en/of de vindplaats van de voorwerpen dan geldt er dus geen verplichting tot inbeslagneming.

Uitstel van inbeslagneming, feitelijk te beschouwen als gecontroleerde aflevering, mag alleen plaatsvinden indien op een later tijdstip alsnog wordt overgegaan tot inbeslagneming van de voorwerpen. De controle op die voorwerpen zal van dien aard moeten zijn dat politie en justitie alle maatregelen nemen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de beoogde inbeslagneming te kunnen realiseren.

In de toelichting op het amendement waarmee art. 126ff is geïntroduceerd in het Wetboek van Strafvordering, is uitdrukkelijk aangegeven dat het verbod op doorlaten het Nederlandse softdrugsbeleid onverlet laat. Dit beleid is verwoord in de Aanwijzing Opiumwet (2000A019). Naar analogie van de uitgangspunten die in deze aanwijzing zijn opgenomen, kan als richtsnoer gelden dat de verplichting tot inbeslagneming van art. 126ff Sv niet geldt voor die situaties die op grond van de richtlijn worden gedoogd.

Hoewel er in art. 126ff Sv uitsluitend wordt gesproken over voorwerpen, geldt in gevallen waarbij misdrijven worden gepleegd waarbij de menselijke waardigheid direct in het geding is een verbod op het doorlaten van personen in de zin van het laten voortduren van bedoelde misdrijven. Dit verbod is het resultaat van een door de Tweede Kamer aanvaarde motie (Kamerstukken II 1998/99, 25 403, nrs. 30 en 35). In deze motie sprak de Kamer uit dat ‘het doorlaten van personen in de zin van het laten voortduren van bedoelde misdrijven niet aanvaardbaar is, ook niet met het oog op zwaarwegende opsporingsbelangen’.

Voorbeelden van misdrijven waarbij de menselijke waardigheid direct in het geding is, zijn mensensmokkel, mensenhandel en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Er kan sprake zijn van mensonwaardige situaties indien het vervoer van de personen mensonwaardig is (bijvoorbeeld doordat dit vervoer plaatsvindt in containers of laadbakken) dan wel wanneer de gesmokkelde personen in het land van bestemming kennelijk terechtkomen in een situatie waarin zij gedwongen worden in mensonwaardige omstandigheden te verkeren, zoals in geval van gedwongen prostitutie.

De Tweede Kamer is akkoord gegaan met een beperkte uitzonderingsmogelijkheid op het verbod op doorlaten van personen. In geval van mensensmokkel, dat wil zeggen situaties waarin mensen vrijwillig en vaak tegen betaling zich illegaal verblijf verschaffen, is het toegestaan om af te zien van de verplichting tot aanhouding van personen die illegaal in Nederland verblijven en hen die daarbij behulpzaam zijn (Kamerstukken II 1998/99, 25 403, nr. 35). In dat geval moet vooraf wel vaststaan dat:

Voornoemde uitzonderingsmogelijkheid is dus niet van toepassing in geval van mensenhandel. Bij mensenhandel gaat het namelijk om situaties waarin mensen tegen hun wil hun vrijheid is benomen, zoals in geval van gedwongen prostitutie. Bij verdenking van mensenhandel mogen dan ook nimmer mensen worden doorgelaten.

Uitstel van inbeslagneming kan slechts plaatsvinden nadat de officier van justitie hiervoor toestemming heeft gegeven. Deze toestemming is vormvrij en kan dus ook mondeling worden gegeven. De officier van justitie zal zijn beslissing tot uitstel van inbeslagneming en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen moeten doen vastleggen in een proces-verbaal.

Omdat uitstel van inbeslagneming van verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen slechts mag plaatsvinden indien op een later tijdstip alsnog wordt overgegaan tot inbeslagneming zullen alle maatregelen moeten worden genomen die redelijkerwijs mogelijk zijn om de beoogde inbeslagneming uiteindelijk te kunnen realiseren.

Ook in het kader van het verlenen of ontvangen van rechtshulp aan buitenlandse opsporingsautoriteiten kan een uitstel van inbeslagneming/gecontroleerde aflevering plaatsvinden. Indien er sprake is van een inkomend verzoek tot rechtshulp kan de daartoe aangewezen officier van justitie van het Landelijk Parket toestemming geven voor een gecontroleerde aflevering in het buitenland, indien het verzoekende land voldoende garanties geeft voor de controle op en inbeslagneming van de voorwerpen, waarop het rechtshulpverzoek betrekking heeft. Voor de feitelijke uitvoering wordt verwezen naar de Aanwijzing rechtshulpverzoeken voor grensoverschrijdende observatie van 2 augustus 2010 (Stcrt. 2010, nr. 13157).

In geval de inbeslagneming op een later tijdstip onverhoopt niet kan en zal worden gerealiseerd, dan zal de hoofdofficier van justitie daarover ingelicht moeten worden die hierop het College hiervan in kennis stelt. In dit geval zal in een proces-verbaal wel moeten worden vastgelegd waarom de inbeslagneming niet kon worden gerealiseerd.

In geval van hoge uitzondering kan de officier van justitie op grond van de artt. 140a Sv en 131 lid 5 RO slechts overgaan tot een bevel afzien van inbeslagneming nadat het College, na overleg met de Minister van Justitie, een voorafgaande schriftelijke toestemming heeft gegeven.

De officier van justitie kan pas een bevel tot het afzien van inbeslagneming afgeven nadat de volgende procedure is gevolgd:

Indien het wachten op het resultaat van voornoemde procedure er toe zou leiden dat de verboden schadelijke of gevaarlijke voorwerpen niet meer in beslag kunnen worden genomen, dan zal tot inbeslagneming moeten worden overgegaan. De wet staat immers niet toe dat de beslissing tot afzien van inbeslagneming op een lager niveau wordt genomen dan dat van het College (na overleg met de Minister van Justitie). Afzien van inbeslagneming kan nimmer achteraf worden goedgekeurd.

Bij dringende noodzaak kan op grond van de wettekst geen mondelinge toestemming worden gegeven. De te volgen procedure kan echter wel mondeling plaatsvinden.

De officier van justitie zal in het schriftelijke bevel tot afzien van de inbeslagneming een beschrijving moeten geven van het zwaarwegende opsporingsbelang dat van toepassing is, de voorwerpen waar het bevel betrekking op heeft en het tijdstip waarop of de periode gedurende welke de verplichting tot inbeslagneming niet geldt.

4.2. Afscherming

In het strafproces geldt als uitgangspunt dat volledige openheid van zaken wordt gegeven over de wijze waarop de opsporing is verlopen (interne openbaarheid). Dit uitgangspunt geldt onverkort ten aanzien van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden. De verantwoording die hierover wordt afgelegd, zal veelal plaatsvinden door het voegen van processtukken in het strafdossier (zie art. 126aa Sv), maar ook door het horen van opsporingsambtenaren als getuige.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)