Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 maart 2015, nummer 625779, tot besteding van de gelden uit het Europese Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid (instrument voor financiële steun voor politiële samenwerking, voorkoming en bestrijding van criminaliteit, en crisisbeheersing en instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa) (Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020)
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Artikel Hc3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel Hc2, € 548.174.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Projecten zijn uitsluitend gericht op het gereedmaken van de Pi-NL voor verplichte interoperabiliteit tussen Passagier Informatie Units van EU Lidstaten, Europol en derde landen als onderdeel van richtlijn Richtlijn 2016/681/EU.
Artikel Hc5. Specifieke eisen aan het project
Projecten zijn uitsluitend gericht op het gereedmaken van de Pi-NL voor verplichte interoperabiliteit tussen Passagier Informatie Units van EU Lidstaten, Europol en derde landen als onderdeel van richtlijn Richtlijn 2016/681/EU.
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Projecten zijn uitsluitend gericht op het optimaliseren van de behandeling, begeleiding en afhandeling van het internationale berichtenverkeer van de politie.
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel k: het ontwikkelen van noodzakelijke IT-oplossingen om de informatie uitwisseling met andere EU lidstaten en de interoperabiliteit met IT-systemen en databases ontwikkeld door de EU of andere EU lidstaten te verbeteren.
Artikel Hd1. Subsidieaanvrager
De subsidie wordt aangevraagd door de Politie, als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de Politiewet 2012.
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden uiterlijk 29 december 2017, 17.00 uur door de Minister ontvangen.
Artikel Hc4. Subsidiabele activiteiten
Artikel Hc5. Specifieke eisen aan het project
Artikel Hd5. Specifieke eisen aan het project
Bijlage I. , behorende bij artikel 8, eerste lid
| Algemene criteria (1 tot en met 7, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 7, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 7, maximaal 90 punten) |
|---|---|---|
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 1. Relevantie (maximaal 10 punten) | a. Is duidelijk aangegeven wat de uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt (context van uitdaging/probleem, omvang van uitdaging/probleem in kwalitatieve en/of kwantitatieve termen)? | 3 |
| 1. Relevantie (maximaal 10 punten) | b. Dragen de verwachte resultaten bij aan de oplossing? | 3 |
| 1. Relevantie (maximaal 10 punten) | c. Richt het project zich op 1 of meer dan 1 subsidiabele activiteit(en)? | 4 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectplan op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 3 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 3 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en eventueel tussenproducten? | 3 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | d. Voorziet het projectvoorstel in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing? | 2 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | e. Wordt er adequaat gebruik gemaakt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de doelgroep van het projectvoorstel (wordt de doelgroep zelf bijv. als ervaringsdeskundige bij het project betrokken)? | 3 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | f. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak? | 3 |
| 2. Kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | g. Worden de projectresultaten lokaal, nationaal en in Europees of ander internationaal verband gedeeld met het brede publiek aan de hand van een gedegen communicatie- en publiciteitsstrategie? | 3 |
| 3. Kosteneffectiviteit (maximaal 15 punten) | a. Zijn de begrote kosten duidelijk omschreven en onderbouwd? | 3 |
| 3. Kosteneffectiviteit (maximaal 15 punten) | b. Lijken de begrote kosten noodzakelijk voor het project? | 4 |
| 3. Kosteneffectiviteit (maximaal 15 punten) | c. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 4 |
| 3. Kosteneffectiviteit (maximaal 15 punten) | d. Wat zijn de gemiddelde kosten per deelnemer? Uitgangspunt is dat hoe lager de kosten voor eenzelfde bereik, hoe meer punten een project scoort. De middelen moeten immers zo efficiënt mogelijk worden besteed. Hierbij is uiteraard van belang dat een realistisch voorstel wordt gedaan. | 4 |
| 4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren? (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het project uit te voeren? | 4 |
| 4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren? (maximaal 15 punten) | b. Heeft de aanvragende organisatie voldoende duidelijk aangegeven dat zij in staat is te voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 2 |
| 4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren? (maximaal 15 punten) | c. Is aannemelijk op grond van diens eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de subsidieaanvrager de activiteiten goed zal uitvoeren en aan de aan subsidieverlening verbonden verplichtingen zal voldoen? | 4 |
| 4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren? (maximaal 15 punten) | d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels? | 2 |
| 4. Is de aanvragende organisatie in staat het projectvoorstel uit te voeren? (maximaal 15 punten) | e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein migratie en/of integratie? | 3 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | a. Is duidelijk aangegeven op welke wijze en door wie de uitvoering van het projectvoorstel wordt gemonitord? | 5 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | b. Is er in het projectvoorstel duidelijk aangegeven welke criteria worden gebruikt om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen? | 5 |
| 6. Structurele inbedding (maximaal 10 punten) | a. Is duidelijk aangegeven op welke wijze positieve resultaten duurzaam worden verankerd na afloop van de subsidieperiode? | 5 |
| 6. Structurele inbedding (maximaal 10 punten) | b. Is beargumenteerd in welke mate er kans is op een structurele inbedding na afloop van de projectperiode? Belangrijke indicatoren zijn daarbij de wijze waarop de aanvrager de structurele inbedding financieel en organisatorisch wil vormgeven en de beschikbaarheid van monitordata na afloop van het project. | 5 |
| 7. Mogelijkheden van verspreiding (maximaal 10 punten) | a. Kan de aanpak van het project bij succes op grotere schaal worden toegepast en is dat duidelijk beschreven? | 4 |
| 7. Mogelijkheden van verspreiding (maximaal 10 punten) | b. Is er sprake van actieve kennisdeling gedurende de looptijd (bijv. door aansluiting op bestaande netwerken)? | 2 |
| 7. Mogelijkheden van verspreiding (maximaal 10 punten) | c. Wordt er in het projectvoorstel overtuigend beargumenteerd dat met de aanpak structuurverandering en/of blijvende samenwerking wordt beoogd? | 4 |
| Specifieke criteria (8 of 9 of 10, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (8 of 9 of 10, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (8 of 9 of 10, maximaal 10 punten) |
| --- | --- | --- |
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 8. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 6 |
| 8. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 2 |
| 8. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 2 |
| 9. Integratie (maximaal 10 punten) | a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep, bedoeld in artikel B4 geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd? | 5 |
| 9. Integratie (maximaal 10 punten) | b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd? | 5 |
| 10. Terugkeer Maximtaal 10 punten) | a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld in de bijlage die hoort bij het subsidiebesluit Migratie en Ontwikkeling. Dit subsidiekader is te vinden op de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (http://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/projectsubsidies/Vrijwillige_Terugkeer). | 5 |
| 10. Terugkeer Maximtaal 10 punten) | b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur. | 5 |
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Artikel Hd3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel Hd2, € 500.000.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Projecten zijn uitsluitend gericht op het optimaliseren van de behandeling, begeleiding en afhandeling van het internationale berichtenverkeer van de politie.
Artikel Hd5. Specifieke eisen aan het project
Projecten zijn uitsluitend gericht op het optimaliseren van de behandeling, begeleiding en afhandeling van het internationale berichtenverkeer van de politie.
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel l. Inreis- en uitreissysteem (EES).
Artikel He1. Subsidieaanvrager
De subsidie wordt aangevraagd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In afwijking van artikel 11, eerste lid, bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Bijlage E. behorende bij artikel 4, onderdeel e
Artikel E1. Subsidieaanvrager
Bijlage F. behorende bij artikel 4, onderdeel f
Specifieke bepalingen met betrekking tot aanvragen in het kader van actie F, als bedoeld in artikel 4, onderdeel f: verbeteren van slachtofferzorg.
Artikel F1. Subsidieaanvrager
Artikel F6. Verantwoording
Na verlening van de subsidie wordt het verleende subsidiebedrag in de begroting van de politie opgenomen en worden de uitgaven verantwoord in de jaarrekening.
Bijlage G. behorend bij artikel 4, onderdeel g
Artikel G1. Subsidieaanvrager
Artikel G6. Hoogte van de subsidie
Bijlage H. behorende bij artikel 4, onderdeel h
Artikel H7. Aanvullende eisen aanvraag
Bijlage Ha. behorende bij artikel 4, onderdeel i
Artikel Ha6. Hoogte van de subsidie
Bijlage Hb. behorende bij artikel 4, onderdeel j
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Artikel Hb2. Aanvraagtijdvak
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage Hc. behorende bij artikel 4, onderdeel k
Artikel Hc2. Aanvraagtijdvak
Artikel Hc6. Hoogte van de subsidie
Bijlage Hd. behorende bij artikel 4, onderdeel k
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Artikel Hd2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden uiterlijk 29 december 2017, 17.00 uur door de Minister ontvangen.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Artikel Hd4. Subsidiabele activiteiten
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Artikel Hd6. Hoogte van de subsidie
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel Hd5. Specifieke eisen aan het project
Bijlage I. behorend bij artikel 8, eerste lid
| Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) |
|---|---|---|
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | a. In welke mate draagt het project bij aan de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen A tot en met C van deze subsidieregeling? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | b. Blijkt uit het projectvoorstel wat de concrete uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | c. Dragen de verwachte projectresultaten bij aan de oplossing? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | d. Zijn de geplande activiteiten direct noodzakelijk voor het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap 6 ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF. | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing? | 4 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | e. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak? | 1 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project? | 7 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 8 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | c. Is aannemelijk op basis van eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang, integratie of terugkeer? | 3 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures om de te behalen streefwaarden en/of andere resultaten te meten en vast te leggen? | 5 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlagen ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ en ‘Beschrijving projectplanning, activiteiten en begroting’ die onderdeel zijn van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen? | 5 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten, zowel nationaal als Europees/internationaal, gedurende de looptijd? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | c. Blijkt uit subsidie aanvraag uit de beschrijving onder stap 2 ‘doelgroepen’ dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt? | 1 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanpak van het project bij succes op grotere schaal kan worden toegepast? | 3 |
| Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) |
| --- | --- | --- |
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 6 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 2 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 2 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep duurzaam geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd? Is er sprake van een (te verwachten) effect ook na afronding van het project? | 3 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd? | 4 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | c. Ziet het projectvoorstel op meerdere activiteiten waarbij sprake is van een samenhang en een onderling versterkend effect? (Idealiter staat een activiteit niet op zichzelf, maar wordt deze gecombineerd met andere beleidsprioriteiten voor een versterkend effect.) | 3 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Subsidies/belangrijke-documenten) | 5 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur. | 5 |
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Artikel He2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17.00 uur.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel He2 € 6.412.600,00.
Artikel He4. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen in aanmerking investeringen en activiteiten ter dekking van de kosten bedoeld in artikel 64, lid 2, van Verordening (EU) 2017/2226 alsook de kosten in verband met de instelling en werking van de nationale uniforme interface, als bedoeld in artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2226 (EES Verordening).
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel m. Specifieke Maatregel Frontex uitrusting die ter beschikking wordt gesteld aan het Europese Grens en Kustwacht Agentschap (EGKWA).
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage Hc. behorende bij artikel 4, onderdeel k
Artikel Hc6. Hoogte van de subsidie
Bijlage Hd. behorende bij artikel 4, onderdeel k
Artikel Hd6. Hoogte van de subsidie
Bijlage He. behorende bij artikel 4, onderdeel L
Artikel He3. Subsidieplafond
Artikel He5. Specifieke eisen aan het project
Artikel He6. Hoogte van de subsidie
Bijlage Hf. behorende bij artikel 4, onderdeel M
Artikel Hf1. Subsidieaanvrager
De subsidie wordt aangevraagd door de Koninklijke Marechaussee (Defensie).
Artikel Hf2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2019, 17.00 uur.
Artikel Hf3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel Hf2 € 2.025.000,00.
Artikel Hf4. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen in aanmerking investeringen en activiteiten in verband met de aanschaf van een CABIN RHIB (vaartuig) inclusief uitrusting en toebehoren.
Artikel Hf5. Specifieke eisen aan het project
Artikel Hf6. Hoogte van de subsidie
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 90% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Bijlage Hg. behorende bij artikel 4, onderdeel n
Bijlage Hh. behorende bij artikel 4, onderdeel n
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken
In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de AMIF- en ISF-administratie.
Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de AMIF- en ISF-administratie.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de AMIF/ISF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 16 van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, in het kader van de inzet van additionele AMIF-middelen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel a: het behoud en verbeteren van de kwaliteit van het opvang- en asielstelsel.
Artikel Hg2. Aanvraagtijdvak
Artikel Hg4. Doel en doelgroepen
Artikel Hg5. Subsidiabele activiteiten
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Artikel Hg6. Specifieke eisen aan het project
Bijlage Hh. behorende bij artikel 4, onderdeel n
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, in het kader van de inzet van additionele AMIF-middelen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel c: de bevordering van terugkeer van vreemdelingen die geen recht op verblijf in Nederland hebben dan wel van vreemdelingen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun verzoek tot verblijf, dan wel van vreemdelingen met een tijdelijk verblijfsrecht.
Artikel Hh1. Subsidieaanvrager
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Artikel Hh2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17.00 uur.
Artikel Hh3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel Hh2 € 11.500.000, waarbij de volgende onderverdeling geldt voor activiteiten die zien op:
Artikel Hh4. Doel en doelgroepen
Bij projecten gericht op de activiteiten, bedoeld in artikel Hh5, eerste lid, onderdelen a en b, dient de doelgroep primair te bestaan uit:
Artikel Hh5. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen uitsluitend de volgende activiteiten in aanmerking:
Artikel Hh6. Specifieke eisen aan het project
Bijlage Hi. behorende bij artikel 4, onderdeel o
Specifieke bepalingen voor subsidieaanvragen, met betrekking tot artikel 4, onderdeel o:de inzet van additionele AMIF-middelen gericht op Legale migratie
Artikel Hi1. Subsidieaanvrager
De subsidie wordt aangevraagd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Artikel Hi2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17.00 uur.
Artikel Hi3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak genoemd in artikel Hi2 € 1.200.000.
Artikel Hi4. Doel en doelgroepen
Voor projecten gericht op de activiteiten, bedoeld in artikel Hi5, eerste lid, onder a en b, dient de doelgroep primair te bestaan uit:
Artikel Hi5. Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen uitsluitend de activiteiten gericht op Legale migratie, het project Brexit, in aanmerking.
Artikel Hi6. Specifieke eisen aan het project
Bijlage Hj. behorende bij artikel 4, onderdeel p
Bijlage Hk. behorende bij artikel 4, onderdeel q
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken
In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.
Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.
Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de AMIF- en ISF-administratie.
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de AMIF/ISF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 16 van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel q Schengen Informatiesysteem.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage Hi. behorende bij artikel 4, onderdeel o
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage I. behorend bij artikel 8, eerste lid
| Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) |
|---|---|---|
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | a. In welke mate draagt het project bij aan de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen A tot en met C van deze subsidieregeling? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | b. Blijkt uit het projectvoorstel wat de concrete uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | c. Dragen de verwachte projectresultaten bij aan de oplossing? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | d. Zijn de geplande activiteiten direct noodzakelijk voor het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap 6 ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF. | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing? | 4 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | e. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak? | 1 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project? | 7 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 8 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | c. Is aannemelijk op basis van eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang, integratie of terugkeer? | 3 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures om de te behalen streefwaarden en/of andere resultaten te meten en vast te leggen? | 5 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlagen ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ en ‘Beschrijving projectplanning, activiteiten en begroting’ die onderdeel zijn van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen? | 5 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten, zowel nationaal als Europees/internationaal, gedurende de looptijd? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | c. Blijkt uit subsidie aanvraag uit de beschrijving onder stap 2 ‘doelgroepen’ dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt? | 1 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanpak van het project bij succes op grotere schaal kan worden toegepast? | 3 |
| Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) |
| --- | --- | --- |
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 6 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 2 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 2 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep duurzaam geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd? Is er sprake van een (te verwachten) effect ook na afronding van het project? | 3 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd? | 4 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | c. Ziet het projectvoorstel op meerdere activiteiten waarbij sprake is van een samenhang en een onderling versterkend effect? (Idealiter staat een activiteit niet op zichzelf, maar wordt deze gecombineerd met andere beleidsprioriteiten voor een versterkend effect.) | 3 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Subsidies/belangrijke-documenten) | 5 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur. | 5 |
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken
In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.
Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Specifieke bepalingen met betrekking tot de actie, genoemd in artikel 4, onderdeel p, Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie.
Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken
Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.
Artikel Hj5. Specifieke eisen aan het project
Artikel Hj6. Hoogte van de subsidie
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Bijlage Hk. behorende bij artikel 4, onderdeel q
Artikel Hk1. Subsidieaanvrager
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Artikel Hk2. Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van deze bijlage worden door de minister ontvangen tot en met 31 december 2020, 17.00 uur.
Artikel Hk3. Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel Hk2, € 1.227.000,00.
Artikel Hk4. Subsidiabele activiteiten
Projecten zijn uitsluitend gericht op de snelle en doeltreffende opwaardering van de betrokken nationale systemen, overeenkomstig de vereisten van verordening (EU) 2018/1861 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem.
Artikel Hk5. Specifieke eisen aan het project
Artikel Hk6. Hoogte van de subsidie
In afwijking van artikel 11 bedraagt de subsidie maximaal 100% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.
Bijlage I. behorend bij artikel 8, eerste lid
| Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) |
|---|---|---|
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | a. In welke mate draagt het project bij aan de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen A tot en met C van deze subsidieregeling? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | b. Blijkt uit het projectvoorstel wat de concrete uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | c. Dragen de verwachte projectresultaten bij aan de oplossing? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | d. Zijn de geplande activiteiten direct noodzakelijk voor het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap 6 ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF. | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing? | 4 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | e. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak? | 1 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project? | 7 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 8 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | c. Is aannemelijk op basis van eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang, integratie of terugkeer? | 3 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures om de te behalen streefwaarden en/of andere resultaten te meten en vast te leggen? | 5 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlagen ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ en ‘Beschrijving projectplanning, activiteiten en begroting’ die onderdeel zijn van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen? | 5 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten, zowel nationaal als Europees/internationaal, gedurende de looptijd? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | c. Blijkt uit subsidie aanvraag uit de beschrijving onder stap 2 ‘doelgroepen’ dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt? | 1 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanpak van het project bij succes op grotere schaal kan worden toegepast? | 3 |
| Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) |
| --- | --- | --- |
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 6 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 2 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 2 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep duurzaam geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd? Is er sprake van een (te verwachten) effect ook na afronding van het project? | 3 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd? | 4 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | c. Ziet het projectvoorstel op meerdere activiteiten waarbij sprake is van een samenhang en een onderling versterkend effect? (Idealiter staat een activiteit niet op zichzelf, maar wordt deze gecombineerd met andere beleidsprioriteiten voor een versterkend effect.) | 3 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Subsidies/belangrijke-documenten) | 5 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur. | 5 |
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
Procedure betreffende gebruik geconverteerde documenten of gegevensdragers en digitale bewijsstukken
In het kader van de verantwoording op de einddeclaratie onderbouwt de subsidieontvanger de kosten met originele bewijsstukken. Artikel 31 van de Horizontale verordening maakt het mogelijk kopieën of volledig digitale documenten te accepteren als bewijsstuk. Hiertoe moet door de lidstaat een procedure voor de vaststelling van de authenticiteit worden opgesteld. In deze bijlage worden de door Nederland vastgestelde procedures weergegeven.
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Hieronder staan de procedures om deze stukken te kunnen gebruiken als geaccepteerde bewijsstukken in het kader van de AMIF- en ISF-administratie.
Procedure voor het gebruik van de documenten, genoemd in de onderdelen a, b en c.
De hierboven genoemde bewijsstukken a, b en c zijn geconverteerde documenten of gegevensdragers. Bij conversie van het origineel naar het geconverteerde document of gegevensdrager wordt aan de hieronder vermelde voorwaarden voldaan:
Het in samenhang bezien van de verschillende bewijsstukken strekt er mede toe de authenticiteit van het geconverteerde document of de gegevensdrager te waarborgen en dat hierop voor controledoeleinden kan worden vertrouwd.
Als de conversie op de juiste wijze gebeurt, is het in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording, niet meer noodzakelijk de bewijsstukken op de originele gegevensdrager te bewaren. Het geconverteerde bewijsstuk mag na conversie niet meer gewijzigd kunnen worden.
De subsidieaanvrager verklaart door middel van het aanvraag-, tussendeclaratie- en einddeclaratieformulier dat de geconverteerde documenten of de nieuwe gegevensdragers die onderdeel zijn van de AMIF/ISF-administratie, voldoen aan de vereisten uit artikel 16 van de Subsidieregeling AMIF en ISF 2014–2020 en daarmee aan deze bijlage.
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.
De in deze bijlage omschreven procedures gelden voor alle bewijsstukken die getoond moeten worden in het kader van de AMIF/ISF-verantwoording. Artikel 16 is onverminderd van toepassing.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage I. behorend bij artikel 8, eerste lid
| Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) | Algemene criteria (1 tot en met 6, maximaal 90 punten) |
|---|---|---|
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | a. In welke mate draagt het project bij aan de gekozen subsidiabele activiteit zoals vermeld in de Bijlagen A tot en met C van deze subsidieregeling? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | b. Blijkt uit het projectvoorstel wat de concrete uitdaging/het probleem is waar het projectvoorstel zich op richt? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | c. Dragen de verwachte projectresultaten bij aan de oplossing? | 5 |
| 1. Relevantie (maximaal 20 punten) | d. Zijn de geplande activiteiten direct noodzakelijk voor het behalen van de in het aanvraagformulier onder stap 6 ‘Streefwaarden’ ingevulde beoogde te behalen streefwaarden? Deze streefwaarden zijn rechtstreeks gelinkt aan de beoogde in Nederland te behalen streefwaarden uit het Nationaal Programma AMIF. | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | a. Is het projectvoorstel op alle onderdelen duidelijk en concreet? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | b. Zijn de voorziene activiteiten en de te behalen resultaten kwantificeerbaar en meetbaar? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | c. Is er sprake van een realistische tijdsplanning met duidelijke en concrete mijlpalen en (eventueel) tussenproducten? | 5 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures voor bijsturing en risicobeheersing? | 4 |
| 2. Doeltreffendheid en kwaliteit van het projectvoorstel (maximaal 20 punten) | e. Is er sprake van de ontwikkeling van een nieuwe, creatieve of onconventionele aanpak? | 1 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | a. Lijken de begrote kosten duidelijk omschreven, onderbouwd en noodzakelijk voor het behalen van de doelstellingen en resultaten van het project? | 7 |
| 3. Doelmatigheid (maximaal 15 punten) | b. Lijkt de prijs/prestatieverhouding redelijk? | 8 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | a. Heeft de aanvragende organisatie voldoende capaciteit, ervaring, expertise en financiële armslag om het projectvoorstel met succes uit te voeren? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanvrager kan voldoen aan de vereisten die aan de projectadministratie worden gesteld? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | c. Is aannemelijk op basis van eerdere subsidieverleningen voor vergelijkbare activiteiten dat de aanvrager het projectvoorstel met succes kan uitvoeren en aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen kan voldoen? | 4 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | d. Heeft de aanvragende organisatie ervaring met EU subsidieregels? | 2 |
| 4. Organisatie (maximaal 15 punten) | e. Heeft de aanvragende organisatie kennis van het beleidsterrein asiel en opvang, integratie of terugkeer? | 3 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke procedures om de te behalen streefwaarden en/of andere resultaten te meten en vast te leggen? | 5 |
| 5. Monitoring en evaluatie (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlagen ‘Wijze van verantwoorden en administreren’ en ‘Beschrijving projectplanning, activiteiten en begroting’ die onderdeel zijn van de subsidieaanvraag dat het projectvoorstel voorziet in duidelijke criteria om aan te tonen dat er sprake is van succes of falen van de activiteiten die ondernomen worden om het projectdoel te bereiken en de streefwaarden te behalen? | 5 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | a. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er kans is op een structurele inbedding van positieve projectresultaten en/of blijvende samenwerking na afloop van de projectperiode? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | b. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat er sprake zal zijn van actieve kennisdeling en brede deling van de resultaten, zowel nationaal als Europees/internationaal, gedurende de looptijd? | 3 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | c. Blijkt uit subsidie aanvraag uit de beschrijving onder stap 2 ‘doelgroepen’ dat er adequaat gebruik gemaakt wordt van de kennis, capaciteiten en ervaringen van de (deelnemende) onderdanen uit derde landen waarop het doel van het project zich richt? | 1 |
| 6. Duurzaamheid (maximaal 10 punten) | d. Blijkt uit de inhoud van de bijlage ‘Wijze waarop de bekendmaking en verspreiding van de projectresultaten vorm wordt gegeven’ die onderdeel is van de subsidieaanvraag dat de aanpak van het project bij succes op grotere schaal kan worden toegepast? | 3 |
| Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) | Specifieke criteria (7 of 8 of 9, maximaal 10 punten) |
| --- | --- | --- |
| Subcriteria | Bijbehorende vragen | Punten |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | a. In welke mate bestaat de doelgroep van een opvangproject uit kwetsbare groepen (kwetsbare groepen in de opvang zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen, vreemdelingen met medische problematiek, alleenstaande vrouwen en kinderen)? | 6 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | b. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij omwonenden voor asielopvang (communicatie richting omwonenden, betrekken omwonenden bij het project)? | 2 |
| 7. Asiel en opvang (maximaal 10 punten) | c. In welke mate wordt in het project gezorgd voor draagvlak bij de bredere gemeenschap, zoals andere gemeenten, Provincie, Nederlandse bevolking voor asielopvang (bijvoorbeeld in de vorm van brede communicatie)? | 2 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | a. In hoeverre wordt met het projectvoorstel de doelgroep duurzaam geactiveerd, zodat de participatie van onderdanen van een niet-westers derde land in de Nederlandse samenleving wordt bevorderd? Is er sprake van een (te verwachten) effect ook na afronding van het project? | 3 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | b. Is in het projectvoorstel voorzien in samenwerking met relevante partijen? Is duidelijk beargumenteerd welke partijen participeren en waarom? Is er sprake van een voor deze problematiek en context unieke combinatie van samenwerkende partijen? Zijn er getekende samenwerkingsverklaringen overgelegd waarmee het commitment is vastgelegd? | 4 |
| 8. Integratie (maximaal 10 punten) | c. Ziet het projectvoorstel op meerdere activiteiten waarbij sprake is van een samenhang en een onderling versterkend effect? (Idealiter staat een activiteit niet op zichzelf, maar wordt deze gecombineerd met andere beleidsprioriteiten voor een versterkend effect.) | 3 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | a. In welke mate richt het projectvoorstel zich op de prioriteitslanden voor terugkeer? De prioriteitslanden voor terugkeer staan vermeld de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (https://www.dienstterugkeerenvertrek.nl/Subsidies/belangrijke-documenten) | 5 |
| 9. Terugkeer (Maximaal 10 punten) | b. Wat is de hoogte van het beoogde aantal terugkeerders? Een project met een hoger (realistisch) terugkeerresultaat heeft daarbij de voorkeur. | 5 |
Bijlage J. behorende bij artikel 16, tweede lid
De volgende documenten worden als bewijsstukken geaccepteerd:
Procedure voor het bewaren van stukken die uitsluitend in elektronische versie bestaan (onderdeel d)
Indien een subsidieontvanger gebruik maakt van elektronische documenten waarbij uitsluitend een elektronische versie bestaat, worden de geautomatiseerde systemen voorzien van beheers- en beveiligingsmaatregelen die de betrouwbaarheid, authenticiteit en integriteit van de elektronische gegevens gedurende de gehele vereiste bewaartermijn waarborgen. Het is aan de subsidieontvanger om dit aan te tonen. Voor een tweetal veel voorkomende situaties zijn de voorschriften hieronder uitgewerkt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)