Besluit van 16 april 2015 tot uitvoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs)

Type AMvB
Publication 2026-07-01
Laatst bijgewerkt 2026-07-03
State In force
Source BWB
artikelen 53
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2014, nr. 2014-0000153118, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op de artikelen 8:3a, zevende lid, van de Arbeidstijdenwet, 16, vierde en zesde lid, en 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, 14b, vijfde lid, 19, tweede, derde, vierde en vijfde lid en 22, eerste en zevende lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2014, No.WI 2.14.0377/111);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 april 2015; 2015-0000091270, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begrippen

Artikel 1:1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 1a. Bepalingen ten aanzien van arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld

Verstrekken van gegevens door Inspectie SZW

Artikel 2:1. Gegevensverstrekking door de Nederlandse Arbeidsinspectie

1.

Voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet, verstrekt de Nederlandse Arbeidsinspectie aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet, de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Arbeidsomstandighedenwet.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:

3.

De Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt de gegevens, bedoeld in dit artikel, op verzoek van Onze Minister en kan de inlichtingen uit eigen beweging verstrekken.

Verstrekken van gegevens door Inspectie SZW

Artikel 2:2. Gegevensverstrekking door de Belastingdienst

1.

Voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet, verstrekt de Belastingdienst aan Onze Minister op diens verzoek over een rechtspersoon of onderneming gegevens over:

2.

De gegevens over een boete, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, betreffen:

3.

De door de Belastingdienst verstrekte gegevens zijn de gegevens zoals die in onder diens verantwoordelijkheid gevoerde administraties bekend zijn op het moment waarop die gegevens aan Onze Minister worden verstrekt.

§ 1b.1. Toelatingsprocedure

Artikel 2:3. Gegevensverstrekking door de Sociale verzekeringsbank

1.

De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van Onze Minister, bedoeld in paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk 3a van de wet.

2.

Onze Minister levert aan de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen een afschrift van de rechtspersoon of onderneming behorende verklaringen toepasselijke wetgeving als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284) waarvan wordt vermoed dat deze verklaringen onterecht zijn afgegeven, onjuist zijn of zijn vervalst, het referentienummer van de verklaringen en de motivering van het vermoeden.

3.

De Sociale verzekeringsbank verstrekt onverwijld aan de hand van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, het gegeven of de verklaring terecht of onterecht is afgegeven, juist dan wel onjuist is of dat er sprake is van een vervalste verklaring en de motivering van dat gegeven.

Verstrekken van gegevens door de Sociale verzekeringsbank

Artikel 2:4. Gegevensverstrekking door gemeenten

1.

Voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3a van de wet, verstrekt het college van burgemeester en wethouders aan Onze Minister gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Huisvestingswet 2014 of de Wet goed verhuurderschap.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, betreffen:

3.

Het college verstrekt de gegevens en inlichtingen, bedoeld in dit artikel, op verzoek van Onze Minister en kan deze uit eigen beweging verstrekken.

Reikwijdte gegevensverwerking en vernietiging gegevens

Artikel 2:5. Gegevensverstrekking door inspectie-instellingen

In het geval gerede twijfel bestaat over de juistheid van de bevindingen van een rapport als bedoeld in artikel 12r, eerste lid, van de wet verstrekt de inspectie-instelling die het rapport heeft opgesteld op verzoek van Onze Minister onverwijld alle aan die bevindingen ten grondslag liggende gegevens en inlichtingen die zijn verkregen bij de totstandkoming van het rapport.

Hoofdstuk 3. Preventieve stillegging van werk in verband met recidive

Beveiliging tegen verlies of onrechtmatige verwerking

Artikel 3:1

1.

Na een herhaling van een overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.

2.

Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw een ernstige overtreding is geconstateerd, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.

3.

Als ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij ten minste 20 ter beschikking gestelde arbeidskrachten zijn betrokken.

4.

Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Waarborgen gegevensverwerking door certificerende instellingen

Artikel 3:2

Bij ministeriële regeling kan het aantal werknemers, bedoeld in artikel 3:1, derde lid, worden aangepast.

Overtredingen voor preventieve stillegging

Artikel 3:3

Ernstige overtredingen in de zin van artikel 19, derde en vijfde lid, van de wet zijn de overtredingen, genoemd in artikel 3:1, derde lid.

Hoofdstuk 3a. Openbaarmaking inspectiegegevens

Aanpassing aantal werknemers

Artikel 4:1

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.

Ernstige overtredingen

Artikel 4:2

Wijzigt het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Hoofdstuk 3a. Openbaarmaking inspectiegegevens

Intrekking Besluit

Artikel 5:1. Overgangsrecht aanvragen tot ontheffing

Indien een rechtspersoon of onderneming de aanvraag tot verlening van een ontheffing binnen zes kalendermaanden na de inwerkingtreding van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten heeft ingediend en hierbij niet de beoordelingsverklaring, bedoeld in artikel 1b:2, vierde lid, onderdeel d, kan verstrekken, verstrekt de rechtspersoon of onderneming in afwijking van dat artikel de beoordelingsverklaring uiterlijk vier maanden na de indiening van de aanvraag.

Arbeidstijdenbesluit

Artikel 5:2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.

Arbeidstijdenbesluit

Artikel 5:3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 3a:1. Plaats en duur openbaarmaking

1.

De gegevens, bedoeld in artikel 15b van de wet, worden door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren geplaatst op een website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, van de wet.

2.

De gegevens, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, van de wet, blijven uiterlijk drie jaar na de datum van bekendmaking van het besluit, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, dan wel na verzending van een brief met de mededeling dat er geen overtreding is geconstateerd, beschikbaar op de website.

Artikel 3a:2. Inhoud openbare inspectiegegevens

1.

De gegevens, bedoeld in artikel 15b van de wet, betreffen:

2.

Indien na afronding van een onderzoek geen overtreding is geconstateerd die leidt tot de besluiten, genoemd in artikel 3a:3, wordt bij de gegevens, genoemd in het eerste lid, de opmerking geplaatst dat geen overtreding is geconstateerd.

Artikel 3a:3. Openbare gegevens omtrent opgelegde boetes en stilleggingen

1.

In aanvulling op artikel 3a:2, eerste lid, worden indien een onderzoek door de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, wordt gevolgd door een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18 van de wet of door een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de wet, de volgende gegevens met betrekking tot dat besluit openbaar gemaakt:

2.

Indien het besluit geheel of gedeeltelijk bestaat uit een besluit tot bevel tot staken van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de wet, bevat de openbaarmaking tevens de periode waarin de werkzaamheden zijn gestaakt.

Artikel 3a:4. Termijn waarbinnen openbaarmaking geschiedt

1.

De openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 3a:2 en 3a:3, geschiedt niet eerder dan tien werkdagen, doch uiterlijk dertig werkdagen na de datum waarop het besluit tot openbaarmaking van deze gegevens aan belanghebbende bekend is gemaakt.

2.

Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 15b, zevende lid, van de wet, wordt de termijn van dertig werkdagen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig opgeschort.

Artikel 3a:5. Reactie van belanghebbende

1.

Op verzoek van de belanghebbende kan een schriftelijke reactie over de openbaarmaking van de gegevens, bedoeld in de artikelen 3a:2 en 3a:3, van ten hoogste 2.000 leestekens worden gegeven, die zal worden gevoegd bij de openbaar te maken gegevens op de website met informatie van de toezichthouder of de door Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2.

Onderdelen van de schriftelijke reactie die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden dan wel strafbare of aanstootgevende uitlatingen bevatten, worden niet op de website gepubliceerd.

Artikel 3a:6. Rectificatie

Indien in verband met een beslissing op bezwaar, beroep of hoger beroep wordt vastgesteld dat de gegevens, die op grond van artikel 15b van de wet, en de artikelen 3a:1 en 3a:2 openbaar zijn gemaakt, niet meer juist of volledig zijn, worden deze gegevens aangepast, binnen tien werkdagen na ontvangst van de desbetreffende beslissing door Onze Minister.

Hoofdstuk 4. Wijzigingen in andere besluiten

Hoofdstuk 4. Wijzigingen in andere besluiten

Arbeidstijdenbesluit

Arbeidsomstandighedenbesluit

§ 2.4. Gegevensverstrekking aan andere instanties

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2:2a

1.

Ten behoeve van de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 14b, derde lid, van de wet, levert de verwerker aan de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten minste eenmaal per jaar de door de certificerende instellingen aan de verwerker verstrekte naam- en vestigingsgegevens en het KvK-vestigingsnummer, bedoeld in artikel 2:1, vijfde lid, van de gecertificeerde ondernemingen of rechtspersonen en een afschrift van de bij deze ondernemingen of rechtspersonen behorende verklaringen toepasselijke wetgeving als bedoeld in artikel 14b, derde lid, van de wet, waarvan wordt vermoed dat deze verklaringen onterecht dan wel onjuist zijn afgegeven of dat er sprake is van een vervalste verklaring, inclusief per afschrift een referentienummer en de motivering van het vermoeden.

2.

Aan de hand van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gaat de Sociale verzekeringsbank na of is gebleken dat ten behoeve van een bij deze gecertificeerde onderneming of rechtspersoon werkzame persoon een terechte, onterechte, juiste dan wel onjuiste verklaring toepasselijke wetgeving is afgegeven of dat er sprake is van een vervalste verklaring.

3.

De Sociale verzekeringsbank verstrekt ten minste eenmaal per jaar, aan de hand van de door de verwerker verstrekte gegevens, bedoeld in het eerste lid, door tussenkomst van de verwerker aan de certificerende instelling, de volgende gegevens:

4.

De Sociale verzekeringsbank verstrekt slechts gegevens omtrent verklaringen toepasselijke wetgeving die niet eerder dan twee jaar voorafgaand aan de datum waarop de Sociale verzekeringsbank de gegevens, bedoeld in het eerste lid, van de verwerker heeft ontvangen, zijn afgegeven.

5.

De gegevens betreffende een onderneming of rechtspersoon die door de certificerende instelling via de verwerker aan de Sociale verzekeringsbank worden verstrekt, worden door de Sociale verzekeringsbank vernietigd maximaal een half jaar nadat van de bij deze onderneming of rechtspersoon behorende verklaringen is gebleken dat de verklaringen terecht, onterecht, juist dan wel onjuist zijn afgegeven of dat er sprake is van een vervalste verklaring en deze gegevens zijn verstrekt aan de certificerende instelling.

§ 1b.2. Voorwaarden en verplichtingen

Hoofdstuk 3. Preventieve stillegging van werk in verband met recidive

§ 1b.4. Openbaar register

Hoofdstuk 3a. Openbaarmaking inspectiegegevens

Hoofdstuk 4. Wijzigingen in andere besluiten

§ 2.2. Gegevensverstrekking ten behoeve van het toezicht op de naleving

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Inwerkingtreding

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1a:2. Afwijken van het payrollregime voor mensen met een arbeidsbeperking

Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden afgeweken van artikel 8a van de wet ten aanzien van de arbeidskracht die:

Hoofdstuk 2. Gegevensuitwisseling

Waarborgen gegevensverwerking door certificerende instellingen

Hoofdstuk 3. Preventieve stillegging van werk in verband met recidive

Ernstige overtredingen

Hoofdstuk 2. Gegevensuitwisseling

Hoofdstuk 4. Wijzigingen in andere besluiten

§ 2.3. Gegevensverstrekking ten behoeve van samenwerkingsverbanden

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Citeertitel

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1a:1. Adequate pensioenregeling voor arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld

1.

In aanvulling op artikel 8a, vijfde lid, van de wet is er eveneens sprake van een adequate pensioenregeling als bedoeld in artikel 8a, vierde lid, van de wet, indien voor de arbeidskracht die in het kader van payrolling ter beschikking is gesteld een basispensioenregeling geldt:

2.

Voor het vaststellen van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde pensioengrondslag wordt uitgegaan van het maximale pensioengevend loon, binnen de begrenzingen van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van het loon uit vroegere dienstbetrekking als bedoeld in die wet, en, indien van toepassing, het loon, bedoeld in het vijfde lid, verminderd met 100/75 maal het bedrag dat op grond van artikel 18a, zevende lid, onderdelen a, eerste zin, b en c, van de Wet op de loonbelasting 1964 in aanmerking moet worden genomen.

3.

Bij de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met specifieke bepalingen over demotie, ziekte en arbeidsongeschiktheid.

4.

Het percentage, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de gemiddelde werkgeverspremie die wordt afgedragen voor Nederlandse basispensioenregelingen.

5.

Indien het voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ertoe leidt dat de basispensioenregeling niet blijft binnen de bij of krachtens de hoofdstukken IIB en VIII van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde begrenzingen, kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel c, worden volstaan met de maximale werkgeverspremie die is toegestaan om binnen de voornoemde begrenzingen te blijven voor alle arbeidskrachten waar de pensioenregeling voor geldt.

6.

De beoordeling of aan het eerste lid, onderdeel c, of het vijfde lid, wordt voldaan, wordt vastgesteld bij het sluiten van de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst door degene die de arbeidskracht ter beschikking stelt en de pensioenuitvoerder, en op basis van het eerste tijdvak van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is, met dien verstande dat dit tijdvak niet langer dan een kwartaal mag zijn.

Hoofdstuk 2. Gegevensuitwisseling

Verstrekken van gegevens door Nederlandse Arbeidsinspectie

Verstrekken van gegevens door rijksbelastingdienst

Verstrekken van gegevens door de Sociale verzekeringsbank

Reikwijdte gegevensverwerking en vernietiging gegevens

Hoofdstuk 3. Preventieve stillegging van werk in verband met recidive

Overtredingen voor preventieve stillegging

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Intrekking Besluit

§ 2.5. Bewaartermijnen

Citeertitel

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1:2. Berekening loonkosten

1.

Onder loonkosten, bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de wet, wordt verstaan het loon, dat diegene die de arbeidskracht ter beschikking stelt aan de arbeidskracht betaalt voor de werkzaamheden verricht tijdens de terbeschikkingstelling, verminderd met vakantiebijslag die als loon is uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd arbeidsvoorwaardenbedrag, en vermeerderd met:

2.

Indien collegiale uitleen plaatsvindt door tussenkomst van een bij collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen rechtspersoon of onderneming zonder winstoogmerk, die collegiale uitleen faciliteert, kunnen de loonkosten per arbeidskracht berekend worden op basis van de gemiddelde loonkosten per tijdseenheid voor de functiegroep waartoe die arbeidskracht behoort.

Hoofdstuk 1a. Bepalingen ten aanzien van arbeidskrachten die in het kader van payrolling ter beschikking zijn gesteld

Hoofdstuk 1b. De toelating voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten

Artikel 1b:1. Meldplicht uitlener

De verplichting, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de wet is niet van toepassing op degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt en op wie artikel 8 van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie van toepassing is.

Artikel 1b:2. Ontheffing uitleenverbod

1.

Voor de toepassing van artikel 12e, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder:

2.

Aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 12e, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt voldaan indien in elk aangiftetijdvak binnen de periode van twaalf maanden loon is uitbetaald.

3.

De totale omzet, bedoeld in artikel 12e, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt vastgesteld op basis van:

4.

De volgende gegevens worden bij de aanvraag tot verlening van een ontheffing en vervolgens vanaf het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de ontheffing is aangevraagd jaarlijks voor 1 november aan Onze Minister verstrekt:

5.

De gegevens, bedoeld in het vierde lid, met uitzondering van onderdeel b, hebben betrekking op het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de ontheffing is aangevraagd dan wel voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de jaarlijkse gegevensverstrekking plaatsvindt.

6.

Voor de behandeling van een aanvraag tot ontheffing en het in stand houden van de ontheffing is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.

7.

Het bedrag, genoemd in artikel 12e, eerste lid, onderdeel b, van de wet, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bedoelde indexering vindt voor het eerst plaats op 1 januari 2028.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het tweede tot en met zesde lid. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

Artikel 1b:3. Aanvraag toelating

1.

Bij de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 12i, zesde lid, onderdeel b, van de wet, wordt onderscheid gemaakt naar de grootte van de onderneming of rechtspersoon.

2.

Onze Minister kan de geldigheidsduur van de tijdens die aanvraag geldende toelating of voorlopige toelating ambtshalve verlengen, indien Onze Minister niet in staat is om tijdig een besluit te nemen op een opvolgende aanvraag tot verlening van een toelating door redenen die de aanvrager niet te verwijten zijn.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

Artikel 1b:4. Schorsen van de toelating

Het besluit tot schorsing treedt niet in werking indien de toegelaten uitlener in de periode van uiterlijk vier weken, bedoeld in artikel 12n, eerste lid, van de wet, de overtreding naar het oordeel van Onze Minister heeft hersteld.

Artikel 1b:5. Bezwaar

Het bezwaar tegen een besluit van Onze Minister inzake het niet verlenen, schorsen of intrekken van een toelating of voorlopige toelating kan niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het bezwaar is gericht tegen de feitelijke bevindingen uit het rapport naleving normenkader, bedoeld in artikel 12r, eerste lid, van de wet, van de inspectie-instelling en een geschil daarover kan worden voorgelegd aan de inspectie-instelling of de weg daarvoor heeft opengestaan doch de indiener van het bezwaar van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

Artikel 1b:6. Financiële zekerheidsstelling

1.

De aanvrager stelt de financiële zekerheid, bedoeld in artikel 12p, tweede lid, van de wet, in de vorm van een waarborgsom.

2.

De verplichting, bedoeld in artikel 12p, eerste lid, van de wet, komt te vervallen zodra gedurende vier jaar, te rekenen vanaf de datum van bekendmaking van het besluit op de aanvraag tot verlening van een toelating, bedoeld in artikel 12i, eerste lid, van de wet:

3.

Indien de toegelaten uitlener binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, het ter beschikking stellen van arbeidskrachten rechtmatig beëindigt, kan Onze Minister de waarborgsom vanaf 26 weken na die beëindiging op aanvraag restitueren, met dien verstande dat, indien een aanvraag tot het nemen van verhaal op de financiële zekerheid is ontvangen, de termijn, bedoeld in artikel 1b:7, negende lid, is verstreken.

4.

De bedragen, genoemd in artikel 12p, tweede lid, van de wet, worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bedoelde indexering vindt voor het eerst plaats op 1 januari 2028.

5.

Indien de waarborgsom wordt gestort na de datum van indiening van de aanvraag, is het bedrag dat gold op het moment van indiening van toepassing.

Artikel 1b:7. Verhaal op financiële zekerheid

1.

Onze Minister beslist op aanvragen voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid, bedoeld in artikel 12p, eerste lid, van de wet.

2.

Een vordering tot verhaal op de financiële zekerheid is mogelijk door arbeidskrachten, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Belastingdienst voor de financiële verplichtingen van de toegelaten uitlener, bedoeld in artikel 12p, derde lid, onderdelen a, b, onderscheidenlijk c, van de wet.

3.

Een aanvraag voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid kan slechts worden toegewezen indien het te ontvangen bedrag ten minste € 50,– bedraagt en de toegelaten uitlener:

4.

Een vordering, bedoeld in het tweede lid, gaat geheel of ten dele over op Onze Minister, voor zover de vordering geheel of ten dele uit de waarborgsom is betaald.

5.

Onder de financiële verplichtingen, bedoeld in artikel 12p, derde lid, onderdeel a, van de wet, worden verstaan de wettelijke en contractuele verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsverhouding met een arbeidskracht met uitzondering van een billijke vergoeding waar de arbeidskracht op grond van Afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in voorkomende gevallen aanspraak op kan maken.

6.

Een vordering van een arbeidskracht heeft voorrang op vorderingen van de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Belastingdienst. Een vordering van de Nederlandse Arbeidsinspectie heeft voorrang op een vordering van de Belastingdienst.

7.

Indien de vorderingen van arbeidskrachten gezamenlijk meer bedragen dan het bedrag waarvoor de toegelaten uitlener financiële zekerheid heeft gesteld, wordt ten behoeve van het verhaal op de financiële zekerheid de hoogte van elk van die vorderingen gemaximeerd op een zodanig bedrag dat alle arbeidskrachten hetzelfde percentage van hun vordering ontvangen.

8.

In het geval van faillissement van een toegelaten uitlener, is het bepaalde in het zesde en zevende lid van toepassing op aanvragen, als bedoeld in het eerste lid, die uiterlijk 26 weken na het faillissement door Onze Minister zijn ontvangen.

9.

In het geval van beëindiging, anders dan faillissement, is het bepaalde in het zesde en zevende lid van toepassing op aanvragen, als bedoeld in het eerste lid, die uiterlijk 26 weken nadat Onze Minister de eerste aanvraag voor het nemen van verhaal op de financiële zekerheid in behandeling heeft genomen zijn ontvangen.

10.

Het bedrag, genoemd in het derde lid, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Bedoelde indexering vindt voor het eerst plaats op 1 januari 2028.

Artikel 1b:8. Normenkader

1.

Het normenkader, bedoeld in artikel 12q, eerste lid, van de wet, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

2.

Het normenkader kan naast eisen over de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, bedoeld in artikel 12q, derde lid, van de wet, uitsluitend bestaan uit eisen omtrent:

3.

In het normenkader wordt onderscheid gemaakt naar de ernst van de overtredingen van de eisen, bedoeld in het tweede lid.

§ 1b.3. Inspectie-instellingen

Artikel 1b:9. Aanwijzing van inspectie-instellingen

1.

Als inspectie-instelling kan worden aangewezen de instelling die voldoet aan de volgende voorwaarden:

2.

Voor de behandeling van een aanvraag tot aanwijzing en het in stand houden van de aanwijzing is de aanvrager een vergoeding verschuldigd aan Onze Minister.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

Artikel 1b:10. Weigering, schorsing, wijziging of intrekking van een aanwijzing

1.

De aanvraag tot verlening van een aanwijzing wordt geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens artikel 1b:9, eerste lid.

2.

Een aanwijzing van een inspectie-instelling kan worden geschorst of worden ingetrokken:

Artikel 1b:11. In het register op te nemen gegevens

1.

In het openbaar register, genoemd in artikel 12v, van de wet, neemt Onze Minister de volgende gegevens op:

2.

Het openbaar register heeft de vorm van een elektronische databank.

Artikel 1b:12. Aanpassing, verwijdering en bewaartermijn

1.

De in artikel 1b:11, eerste lid, bedoelde gegevens worden indien noodzakelijk door Onze Minister, ambtshalve dan wel op verzoek van de rechtspersoon of onderneming dan wel inspectie-instelling, aangepast.

2.

Onze Minister verwijdert de in het openbaar register opgenomen gegevens van de rechtspersoon of onderneming definitief, met uitzondering van de in artikel 1b:11, eerste lid, onderdeel f, bedoelde gegevens over de financiële zekerheid:

3.

Onze Minister verwijdert de in het openbaar register opgenomen gegevens van een inspectie-instelling definitief:

4.

Na het verwijderen van de in het openbaar register opgenomen gegevens bewaart Onze Minister de gegevens maximaal vijf jaar.

5.

Een ieder kan zich inschrijven op attenderingen over een in het openbaar register opgenomen rechtspersoon of onderneming dan wel inspectie-instelling.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in dit artikel.

Artikel 1b:13. Elektronisch berichtenverkeer

1.

Het elektronisch berichtenverkeer, bedoeld in artikel 12ua, tweede lid van de wet, vindt plaats via het centraal loket, bedoeld in artikel 5 van de Dienstenwet.

2.

Een rechtspersoon of onderneming maakt voor het verzenden en ontvangen gebruik van een geldige eHerkenning op basis van minimaal betrouwbaarheidsniveau 3 en een Berichtenbox voor bedrijven.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in dit artikel.

§ 2.1. Gegevensverstrekking ten behoeve van de uitvoering van het toelatingsstelsel

Artikel 2:6. Gegevensverstrekking door andere instanties

1.

De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden verstrekt voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van Onze Minister, bedoeld in paragraaf 3 van hoofdstuk 3a van de wet.

2.

Voor zover de gegevens niet in een openbaar register zijn opgenomen, verstrekt een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet aan Onze Minister gegevens over rechtspersonen of ondernemingen van wie het certificaat is geschorst of ingetrokken, waaronder zijn begrepen:

3.

Een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die door de organisaties van werkgevers en werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten verstrekt aan Onze Minister gegevens over rechtspersonen of ondernemingen die in gebreke zijn gesteld inzake het niet naleven van een of meer verplichtingen van een collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het loon van ter beschikking gestelde arbeidskrachten; waaronder zijn begrepen:

4.

De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van Onze Minister verstrekt en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.

Artikel 2:7. Gegevensverstrekking aan de Nederlandse Arbeidsinspectie

1.

Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet worden aan de Nederlandse Arbeidsinspectie de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen, verstrekt door:

2.

De Nederlandse Arbeidsinspectie is bevoegd de gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, verder te verwerken voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Arbeidsomstandighedenwet.

3.

Op de verstrekking van gegevens door de Belastingdienst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is artikel 2:2, derde lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de Nederlandse Arbeidsinspectie worden verstrekt.

5.

De gegevens en inlichtingen, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van de Arbeidsinspectie verstrekt. Onze Minister en het college van burgemeester en wethouders kunnen de gegevens en inlichtingen uit eigen beweging verstrekken. In afwijking van de eerste zin, verstrekt de Belastingdienst de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 3, uitsluitend uit eigen beweging.

Artikel 2:8. Gegevensverstrekking aan de Belastingdienst

1.

Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op de naleving van de verplichtingen met betrekking tot de voldoening of afdracht van de omzetbelasting, de loonbelasting, de premie voor de volksverzekeringen, de premies voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet, worden ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen de Belastingdienst en een instantie als bedoeld in onderdelen a of b, de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen aan de Belastingdienst verstrekt door:

2.

De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de Belastingdienst worden verstrekt.

3.

De gegevens worden op verzoek van de Belastingdienst verstrekt en de inlichtingen kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.

Artikel 2:9. Gegevensverstrekking aan gemeenten

1.

Voor zover noodzakelijk voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Huisvestingswet 2014 en de Wet goed verhuurderschap worden ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen het college van burgemeester en wethouders en een instantie als bedoeld in onderdelen a of b, de volgende gegevens en inlichtingen over rechtspersonen of ondernemingen aan het college verstrekt door:

2.

De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan het college worden verstrekt.

3.

De gegevens worden op verzoek van het college verstrekt en de inlichtingen kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.

Artikel 2:10. Gegevensverstrekking over huisvesting

1.

Voor zover noodzakelijk voor de verlening van certificaten voor de kwaliteit van huisvesting van arbeidskrachten verleent Onze Minister aan instellingen als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet gegevens en inlichtingen over de door of namens rechtspersonen of ondernemingen aan arbeidskrachten aangeboden huisvesting als bedoeld in artikel 12b van de wet, waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat deze huisvesting niet voldoet aan het door een instelling verstrekte certificaat voor de kwaliteit van huisvesting voor arbeidskrachten.

2.

De gegevens en inlichtingen gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet worden verstrekt.

3.

De gegevens en inlichtingen worden op verzoek van een instelling als bedoeld in artikel 12b, onderdeel b, van de wet verstrekt en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.

Artikel 2:11. Gegevensverstrekking ten behoeve van het toezicht op de naleving van collectieve arbeidsovereenkomsten

1.

De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden door Onze Minister of de Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt aan een rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die door een of meer verenigingen van werkgevers of van werknemers is belast of mede is belast met het toezicht op de naleving van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van een collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van uit collectieve arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het loon van ter beschikking gestelde arbeidskrachten.

2.

Onze Minister verstrekt aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid gegevens over de verlening, weigering, schorsing, intrekking of verlenging van de geldigheidsduur van toelatingen of voorlopige toelatingen, doch slechts voor zover die gegevens betrekking hebben op het niet naleven van de artikelen 8, 8a en 12q, derde lid, onderdeel b, van de wet.

3.

De Nederlandse Arbeidsinspectie verstrekt aan een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens:

4.

De verstrekte gegevens, bedoeld in dit artikel, gaan niet verder terug dan vier jaar voorafgaand aan de datum waarop de gegevens aan de rechtspersoon worden verstrekt.

5.

De gegevens, bedoeld in dit artikel, worden op verzoek van de rechtspersoon versterkt, en kunnen uit eigen beweging worden verstrekt.

Artikel 2:12. Bewaartermijn

Een instantie die ingevolge een artikel in dit hoofdstuk gegevens en inlichtingen ontvangt, bewaart die gegevens en inlichtingen niet langer dan noodzakelijk is voor het doel van het verwerken maar niet langer dan maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst.

Hoofdstuk 3. Preventieve stillegging van werk in verband met recidive

Overtredingen voor preventieve stillegging

Aanpassing aantal werknemers

Ernstige overtredingen

Hoofdstuk 3a. Openbaarmaking inspectiegegevens

Hoofdstuk 4. Wijzigingen in andere besluiten

Arbeidstijdenbesluit

Arbeidsomstandighedenbesluit

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Intrekking Besluit

Inwerkingtreding

Citeertitel

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)