Rijkswet van 23 december 2015, houdende regeling voor Nederland en Sint Maarten tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf-en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Sint Maarten)
De bevoegde autoriteiten van de landen kunnen ter zake van overeenstemming in het kader van een onderling overleg op basis van een van de voorgaande leden, tevens overeenkomen dat het land waar deze overeenstemming leidt tot additionele belastingheffing, met betrekking tot de deze additionele belastingheffing geen belastingverhogingen, administratieve boetes, rente en kosten zal opleggen, indien het andere land, waar ingevolge deze overeenstemming sprake is van een overeenkomstige vermindering van belasting, afziet van de betaling van rente verschuldigd met betrekking tot een dergelijke vermindering van belasting.
Indien overeenstemming is bereikt voor gevallen waarin:
- a. als gevolg van de toepassing van artikel 3, tweede lid, met betrekking tot de uitleg van een niet omschreven uitdrukking; dan wel
- b. als gevolg van kwalificatieverschillen, bijvoorbeeld van een inkomensbestanddeel of van een persoon;
een situatie van dubbele belasting of dubbele vrijstelling zou optreden, zal deze oplossing, na bekendmaking daarvan door beide bevoegde autoriteiten, voor de toepassing van deze rijkswet ook in andere, soortgelijke gevallen, bindend zijn.
Artikel 25. Uitwisseling van informatie
De bevoegde autoriteiten van de landen wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van deze rijkswet of voor de toepassing of de handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van een land, een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met deze rijkswet. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.
Alle uit hoofde van het eerste lid door een van de landen ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheimgehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van dat land is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten, daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties, die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruik maken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande de voorafgaande bepalingen mag de informatie voor andere doeleinden worden gebruikt, indien zij ingevolge het recht van beide landen voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van het land dat haar heeft verstrekt met dit gebruik instemt.
De landen kunnen aan een arbitragecommissie, ingesteld volgens de bepalingen van artikel 24, vijfde lid, de informatie verstekken die nodig is om de arbitrageprocedure uit te voeren. De leden van de arbitragecommissie zijn met betrekking tot de aldus verstrekte informatie onderworpen aan de beperkingen van openbaarmaking als omschreven in het tweede lid.
In geen geval worden de bepalingen van de voorgaande leden zo uitgelegd dat zij een van de landen de verplichting opleggen:
- a. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of bestuurlijke praktijk van dat of van het andere land;
- b. informatie te verstrekken die niet verkrijgbaar is volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in het bestuur van dat of van het andere land;
- c. informatie te verstrekken die een handelsgeheim, zakelijk geheim, industrieel, commercieel of beroepsgeheim of een handelsproces zou onthullen, dan wel informatie waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde (ordre public).
Indien informatie wordt verzocht door een land in overeenstemming met dit artikel, wendt het andere land zijn bevoegdheden inzake het verzamelen van informatie aan om de verzochte informatie te verkrijgen, ongeacht het feit dat het andere land ten behoeve van zijn eigen belastingheffing niet over dergelijke informatie behoeft te beschikken. Op de in de vorige zin vervatte verplichting zijn de beperkingen van het vierde lid van toepassing, maar deze beperkingen mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een land toegestaan is uitsluitend op grond van het feit dat het geen nationaal belang heeft bij dergelijke informatie te weigeren informatie te verstrekken.
De bepalingen van het vierde lid mogen in geen geval zodanig worden uitgelegd dat het een land toegestaan is het verschaffen van informatie te weigeren uitsluitend op grond van het feit dat de informatie berust bij een bank, een andere financiële instelling, een gevolmachtigde, of een persoon die bij wijze van vertegenwoordiging of als vertrouwenspersoon optreedt, dan wel omdat deze betrekking heeft op eigendomsbelangen in een persoon.
De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en op de premies geheven volgens het sociale zekerheidsstelsel van een land.
Artikel 26. Bijstand bij invordering
De landen verlenen elkaar bijstand bij de invordering van belastingvorderingen. Deze bijstand wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2. De bevoegde autoriteiten van de landen kunnen in onderling overleg de wijze van toepassing van dit artikel regelen.
Onder de uitdrukking «belastingvordering», zoals gebezigd in dit artikel, wordt verstaan een bedrag verschuldigd in verband met belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van een land, of een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, voor zover die belastingheffing niet in strijd is met deze rijkswet of met een ander instrument waarbij de landen partij zijn, alsmede rente, administratieve boetes en de kosten van invordering of van conservatoire maatregelen die verband houden met dat bedrag.
De bepalingen van dit artikel zijn slechts van toepassing op een belastingvordering die onderwerp is van een executoriale titel in het verzoekende land mits deze vordering, tenzij anders overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten, niet wordt bestreden. Indien de vordering echter een belastingverplichting betreft van een persoon die geen inwoner van het verzoekende land is, is dit artikel slechts van toepassing indien de vordering niet langer kan worden bestreden, tenzij anders overgekomen tussen de bevoegde autoriteiten. Die belastingvordering wordt door dat andere land ingevorderd in overeenstemming met de bepalingen van zijn wetgeving die van toepassing zijn op de tenuitvoerlegging en invordering van zijn eigen belastingen als ware de belastingvordering een belastingvordering van dat andere land.
Indien een belastingvordering van een van de landen een vordering is ter zake waarvan dat land uit hoofde van zijn wetgeving conservatoire maatregelen kan nemen teneinde de invordering te waarborgen, wordt die belastingvordering op verzoek van de bevoegde autoriteit van dat land aanvaard ten behoeve van het nemen van conservatoire maatregelen door de bevoegde autoriteit van het andere land. Het andere land neemt ter zake van die belastingvordering conservatoire maatregelen in overeenstemming met de bepalingen van zijn wetgeving, als ware de belastingvordering een belastingvordering van dat andere land, ook wanneer de belastingvordering op het tijdstip waarop deze maatregelen worden genomen niet invorderbaar is in het eerstbedoelde land of is verschuldigd door een persoon die gerechtigd is de invordering ervan te beletten.
Niettegenstaande de bepalingen van het derde en vierde lid, zijn op een door een van de landen voor de toepassing van het derde of vierde lid aanvaarde belastingvordering in dat land noch de termijnen van toepassing noch wordt er uit hoofde van de wetgeving van dat land op grond van haar aard als zodanig voorrang aan verleend. Voorts wordt aan een door een van de landen voor de toepassing van het derde of vierde lid aanvaarde belastingvordering in dat land geen voorrang verleend die uit hoofde van de wetgeving van het andere land op die belastingvordering van toepassing is.
Procedures inzake het bestaan, de geldigheid of het bedrag van een belastingvordering van een van de landen worden niet aanhangig gemaakt bij de rechterlijke instanties of bestuursrechtelijke instanties van het andere land.
Indien te eniger tijd nadat uit hoofde van het derde of vierde lid een verzoek is gedaan door een van de landen en voordat het andere land de desbetreffende belastingvordering heeft ingevorderd en overgemaakt aan het eerstbedoelde land, de desbetreffende belastingvordering:
- a. in het geval van een verzoek ingevolge het derde lid, ophoudt een belastingvordering van het eerstbedoelde land te zijn die invorderbaar is uit hoofde van de wetgeving van dat land en die verschuldigd is door een persoon die op dat tijdstip uit hoofde van de wetgeving van dat land de invordering ervan niet kan beletten; of
- b. in het geval van een verzoek uit hoofde van het vierde lid, ophoudt een belastingvordering van het eerstbedoelde land te zijn ter zake waarvan dat land uit hoofde van zijn wetgeving conservatoire maatregelen kan treffen teneinde de invordering ervan te waarborgen;
stelt de bevoegde autoriteit van het eerstbedoelde land de bevoegde autoriteit van het andere land onverwijld daarvan in kennis en, naar keuze van het andere land, wordt het verzoek door het eerstbedoelde land uitgesteld of ingetrokken.
In geen geval worden de bepalingen van dit artikel zo uitgelegd dat zij een land de verplichting opleggen:
- a. bestuurlijke maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of bestuurlijke praktijk van dat land of van het andere land;
- b. maatregelen te nemen die in strijd zouden zijn met de openbare orde (ordre public);
- c. bijstand te verlenen indien het andere land niet alle redelijke invorderings- of conservatoire bevoegdheden heeft aangewend die het uit hoofde van zijn wetgeving of bestuurlijke praktijk ter beschikking staan;
- d. bijstand te verlenen indien de administratieve last voor dat land duidelijk onevenredig is ten opzichte van het door het andere land te behalen voordeel.
De bepalingen van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op terugvorderingen van tegemoetkomingen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en op de premies geheven volgens het socialezekerheidsstelsel van een land.
Artikel 27. Woonplaats Gevolmachtigde Minister
Voor de heffing van belastingen naar het inkomen in de zin van artikel 2, alsmede voor de toepassing van deze rijkswet voor zover deze op die belastingen betrekking heeft, wordt, voor zoveel nodig in afwijking van de overige bepalingen van deze rijkswet omtrent de woonplaats, de Gevolmachtigde Minister van Sint Maarten geacht inwoner te zijn van Sint Maarten.
De Ministers van Financiën van beide landen kunnen gezamenlijk bepalen dat het eerste lid mede wordt toegepast ten aanzien van de plaatsvervangers van de Gevolmachtigde Minister en met hen gelijk te stellen functionarissen.
Artikel 28. Woonplaatsfictie ter zake van Nederlandse schenk- en erfbelasting
In afwijking in zoverre van artikel 2 van deze rijkswet en artikel 3, eerste lid, van de Successiewet 1956, wordt een Nederlander die in het Europese deel van Nederland heeft gewoond en binnen een periode van ten hoogste vijf jaren nadat hij het Europese deel van Nederland metterwoon heeft verlaten, is overleden of een schenking heeft gedaan, geacht ten tijde van zijn overlijden of van het doen van de schenking in het Europese deel van Nederland te hebben gewoond.
Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
Artikel 29. Overgangsregeling pensioenen, andere soortgelijke beloningen, alsmede lijfrenten
Ten aanzien van een natuurlijke persoon die op het tijdstip van indiening bij koninklijke boodschap van deze rijkswet reeds inwoner was van Sint Maarten vinden de bepalingen van artikel 17 van deze rijkswet geen toepassing op pensioenen en andere soortgelijke beloningen, alsmede lijfrenten, als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, die op dat tijdstip reeds waren ingegaan, maar blijven de bepalingen daarop van toepassing die op dat tijdstip bij of krachtens de Belastingregeling voor het Koninkrijk zijn gesteld.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een natuurlijke persoon die op het tijdstip van indiening van deze rijkswet reeds inwoner was van Nederland.
Artikel 30. Tijdelijke regeling deelnemingsdividenden
Op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam dat inwoner is van Sint Maarten en dat, behoudens ingeval artikel 10, tiende lid, van toepassing is, ter zake van deze dividenden niet in aanmerking komt voor de voordelen van artikel 10, derde lid, al of niet in samenhang met artikel 10, vijfde lid, blijft artikel 11, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, zoals dat luidde op 31 december 2014, van toepassing tot en met 31 december 2019 indien het lichaam dat inwoner is van Sint Maarten de uiteindelijk gerechtigde is tot deze dividenden en voor ten minste 25 percent van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van het lichaam dat de dividenden betaalt, met dien verstande dat in artikel 11, derde lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk, voor «8,3 percent» wordt gelezen «5 percent».
In afwijking van artikel 22 vindt artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, geen toepassing op het door het in het eerste lid bedoelde lichaam dat inwoner is van Sint Maarten gehouden belang in het lichaam dat inwoner is van Nederland. De eerste volzin blijft buiten toepassing indien Nederland op basis van zijn wetgeving of enigerlei internationale regeling niet bevoegd is dividendbelasting te heffen over dividenden die zijn verschuldigd door het lichaam dat inwoner is van Nederland. In dat geval mag de belasting geheven over het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, 5 percent van het brutobedrag van de dividenden niet overschrijden.
Artikel 31. Overgangsregeling ter zake van Nederlandse schenk- en erfbelasting
Ingeval een Nederlander voor het tijdstip van indiening bij koninklijke boodschap van deze rijkswet reeds inwoner was van Sint Maarten en een schenking doet na inwerkingtreding van deze rijkswet, wordt de in artikel 28 bedoelde termijn van vijf jaar teruggebracht tot een periode van een jaar nadat hij het Europese deel van Nederland metterwoon heeft verlaten.
Artikel 3, eerste lid, van de Successiewet 1956 en artikel 28 vinden geen toepassing ter zake van het overlijden van een Nederlander die voor het in het eerste lid bedoelde moment reeds inwoner was van Sint Maarten.
Artikel 32. Overgangsregeling ter zake van aanmerkelijk belang natuurlijke personen
Indien de in artikel 10, veertiende lid, en artikel 13, vijfde lid, bedoelde natuurlijke persoon reeds voor het tijdstip van indiening bij koninklijke boodschap van deze rijkswet inwoner was van het andere land wordt de in die artikelen genoemde termijn van 10 jaar teruggebracht tot vijf jaar.
Indien het eerste lid van toepassing is met betrekking tot artikel 10, veertiende lid, mag de belasting geheven uit hoofde van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang, bedoeld in artikel 7.5 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, 15 percent over dat inkomen niet overschrijden.
Artikel 33. EU-spaarrenterichtlijn
Voor de toepassing van dit artikel en artikel 21, tiende lid:
- a. wordt verstaan onder:
- 1°. Richtlijn 2003/48/EG: Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetalingen (PbEU 2003, L 157);
- 2°. uiteindelijk gerechtigde: een uiteindelijk gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2003/48/EG;
- 3°. uitbetalende instantie: een uitbetalende instantie als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 2003/48/EG;
- 4°. rentebetaling: een rentebetaling als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2003/48/EG, met inachtneming van artikel 15 van Richtlijn 2003/48/EG;
- b. wordt onder termen die niet anderszins in dit artikel zijn omschreven verstaan: de betekenis die in Richtlijn 2003/48/EG daaraan wordt gegeven;
- c. wordt in de bepalingen in Richtlijn 2003/48/EG waarnaar in dit artikel en in artikel 21, tiende lid, wordt verwezen in plaats van «lidstaten» gelezen: Nederland of Sint Maarten, al naargelang de context vereist.
Indien de uiteindelijk gerechtigde van rente woonachtig is in Nederland en de uitbetalende instantie in Sint Maarten is gevestigd, heft Sint Maarten gedurende de in artikel 10 van Richtlijn 2003/48/EG bedoelde overgangsperiode bronbelasting tegen een tarief van 35 percent. De uitbetalende instantie houdt de bronbelasting in op een wijze als omschreven in artikel 11, tweede en derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG.
Het opleggen van bronbelasting door Sint Maarten op grond van dit artikel belet Nederland niet de inkomsten te belasten overeenkomstig het nationale recht met inachtneming van de overige bepalingen in deze rijkswet.
Tijdens de in het tweede lid bedoelde overgangsperiode kan Sint Maarten bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt voor een in Nederland gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en heft Sint Maarten de bronbelasting op die rente, tenzij die entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van dat lid.
Sint Maarten behoudt 25 percent van de opbrengsten van de bronheffing, bedoeld in het tweede lid, en draagt 75 percent van de opbrengsten af aan Nederland. Indien Sint Maarten overeenkomstig het vierde lid bronbelasting heft, behoudt Sint Maarten 25 percent van de opbrengsten geheven op rentebetalingen aan in Nederland gevestigde entiteiten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG en draagt Sint Maarten 75 percent af aan Nederland. Die overdrachten vinden plaats uiterlijk in de zes maanden volgende op het eind van het belastingjaar van Sint Maarten. Sint Maarten treft de maatregelen die nodig zijn om het systeem voor de verdeling van de belastingopbrengsten correct te doen functioneren.
Sint Maarten voorziet in één van beide of beide procedures, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2003/48/EG. Op verzoek van de uiteindelijk gerechtigde geeft de bevoegde autoriteit van Nederland een verklaring af in overeenstemming met artikel 13, tweede lid, van Richtlijn 2003/48/EG.
Voor de toepassing van dit artikel bepaalt Sint Maarten de procedures die nodig zijn om de uitbetalende instantie in staat te stellen de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde vast te stellen en draagt zorg voor de toepassing van deze procedures in Sint Maarten. Deze procedures voldoen aan de minimumnormen van artikel 3, tweede en derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG, met dien verstande dat met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, en in het derde lid, onderdeel a, de identiteit en woonplaats van de uiteindelijk gerechtigde worden vastgesteld op grond van de informatie waarover de uitbetalende instantie krachtens de toepassing van de desbetreffende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Sint Maarten beschikt. De bestaande vrijstellingen of ontheffingen die in voorkomend geval op verzoek aan uiteindelijk gerechtigden met woonplaats in Nederland zijn verleend, zijn evenwel niet langer van toepassing en aan die uiteindelijk gerechtigden worden geen verdere vrijstellingen of ontheffingen van dien aard verleend.
Aan het einde van de overgangsperiode, bedoeld in het tweede lid, vindt artikel 10, derde lid, van Richtlijn 2003/48/EG overeenkomstige toepassing.
Artikel 34. Einde overgangsperiode EU-spaarrenterichtlijn
Wijzigt deze wet.
Artikel 35. Buitenwerkingstelling
Bij wet kan een land bepalen dat de bepalingen van deze rijkswet geheel of gedeeltelijk buiten werking treden. De daartoe strekkende wettelijke regeling treedt niet in werking voor de aanvang van het tweede kalenderjaar volgend op het jaar waarin de regeling is afgekondigd.
De in het eerste lid bedoelde wettelijke regeling van een land wordt bekend gemaakt in het andere land door plaatsing van de tekst, voor zover het Nederland betreft, in het Staatsblad en, voor zover het Sint Maarten betreft, in het Afkondigingsblad van Sint Maarten.
Artikel 36. Inwerkingtreding
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wordt geplaatst en de bepalingen ervan vinden toepassing voor belastingjaren en belastingtijdvakken die aanvangen of, in geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin deze rijkswet in werking is getreden.
Behoudens voor zover in deze rijkswet anders is bepaald, vindt de Belastingregeling voor het Koninkrijk tussen Nederland en Sint Maarten geen toepassing meer met ingang van de dag van inwerkingtreding van deze rijkswet, met dien verstande dat de bepalingen ervan van toepassing blijven voor belastingjaren en belastingtijdvakken of betalingen waarop ingevolge het eerste lid de bepalingen van deze rijkswet nog niet van toepassing zijn geworden.
Artikel 37. Citeertitel
Deze rijkswet wordt aangehaald als: Belastingregeling Nederland Sint Maarten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)