Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, van 21 juni 2016, nr. 772234, houdende regels dan wel nadere regels over de functies en de daarbij behorende taken, competenties, competentieniveaus, alsmede het geneeskundig onderzoek, de dienstkleding en de gelijkstelling van diploma’s voor het personeel van het brandweerkorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Regeling personeel brandweer BES)
Gelet op de artikelen 2, 6, eerste lid, 8 en 13 van het Besluit brandweer BES;
Besluit:
Artikel 1. Functies, taken, competenties en competentieniveau
Met betrekking tot de functies genoemd in bijlage 1 bij het Besluit brandweer BES, voor zover daarbij de aanduiding ‘CN’ is vermeld, zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage I.
Met betrekking tot de functies genoemd in bijlage 1 bij het Besluit brandweer BES, voor zover daarbij alleen de aanduiding ‘EN’ is vermeld, zijn de taken die behoren tot deze functies, de competenties die vereist zijn om deze taken te vervullen en het daarvoor vereiste competentieniveau opgenomen in de bijlage A, behorende bij artikel 1, eerste lid, van de Regeling personeel Veiligheidsregio’s.
Artikel 2. Geneeskundig onderzoek
Voor het geneeskundig onderzoek bij aanstelling of bevordering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit brandweer BES, gelden de regels die zijn vastgelegd in de bij deze regeling behorende bijlage II.
Bij het periodiek geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 5, van het Besluit brandweer BES, gelden de regels die zijn vastgelegd in de bij deze regeling behorende bijlage III.
Het periodiek geneeskundig onderzoek, bedoeld in het tweede lid, geschiedt voor de ambtenaar met een leeftijd van:
- a. jonger dan veertig jaar een keer in de vier jaar;
- b. veertig jaar en ouder tot vijftig jaar een keer per twee jaar;
- c. vijftig jaar en ouder een keer per jaar.
De overgang tussen de leeftijdscategorieën, bedoeld in het derde lid, onderdelen b en c, gaat in met ingang van het kalenderjaar waarin de betreffende aanvangsleeftijd wordt bereikt.
Als de algemeen commandant daar aanleiding toe ziet, kan in afwijking van de frequentie, bedoeld in het derde lid, een tussentijds geneeskundig onderzoek plaatsvinden.
Artikel 3. Dienstkleding
De algemeen commandant bepaalt aan wie de dienstkleding wordt verstrekt en wie wanneer welk tenue draagt.
Ten einde de eenheid van tenue te bewaren, stelt de algemeen commandant een draag-voorschrift op. Bij dit draagvoorschrift wordt enkel gebruik gemaakt van de dienstkledingstukken, artikelen, uitmonstering en rangonderscheidingstekens die zijn vastgelegd in de bij deze regeling behorende bijlage IV, dan wel aanvullend door de beheerder van het brandweerkorps zijn aangewezen.
De opsomming van de bij het brandweerkorps te gebruiken rangonderscheidingstekens is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage V. Andere rangonderscheidingstekens of functietekens worden niet gebruikt.
Een aspirant verkrijgt geen rang totdat het bij de betreffende functie behorende diploma is behaald en hij in de functie is aangesteld. Tot dan wordt dienstkleding met het epaulet met daarop het brandweerlogo gedragen.
Met het toezicht op de naleving van het draagvoorschrift zijn alle leidinggevenden binnen het brandweerkorps belast.
De algemeen commandant is verantwoordelijk voor het organiseren van de verstrekking, het beheer, het onderhoud, de registratie en de afvoer van de dienstkleding.
Het is niet toegestaan de dienstkleding te dragen anders dan in werktijd of tijdens woon-werkverkeer.
Het brandweerkorps verstrekt de dienstkleding in bruikleen. De dienstkleding blijft eigendom van de Staat. Beschadigingen die moedwillig of door onzorgvuldigheid zijn ontstaan, zijn voor rekening van de medewerker aan wie de dienstkleding is verstrekt. De medewerker is verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op de nette en schone staat van de dienstkleding en levert deze bij het uit dienst treden in.
Artikel 4. Overgangsbepalingen
De medewerker die, op het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, bij het brandweerkorps voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba in een functie is aangesteld waarop volgens deze regeling beroepskwalificaties van toepassing zijn, ontvangt op basis van gelijkstelling of erkenning van eerder verworven competenties het diploma voor het functieniveau waarvan hij aantoonbaar de kennis, ervaring en competenties bezit.
De vaststelling van de aantoonbare kennis, ervaring en competenties geschiedt door de korpsbeheerder brandweer, aan de hand van een onder zijn verantwoordelijkheid éénmalig opgestelde, limitatieve opsomming waarin per medewerker de functie, de relevante werkervaring, diploma’s, certificaten en andere kwalificatiestukken staan vermeld. Op basis van deze opsomming stelt het Instituut Fysieke Veiligheid de medewerker in het bezit van het betreffende diploma of de betreffende diploma’s.
Ingeval het functieniveau waarop de medewerker is aangesteld hoger is dan aan kennis, ervaring en competenties aantoonbaar kunnen worden gemaakt, krijgt de medewerker vijf jaar de gelegenheid om de voor het functieniveau benodigde diploma’s te verwerven. De periode van vijf jaar gaat in met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze regeling.
De medewerker die op grond van de voorgaande leden recht heeft op een diploma op basis van gelijkstelling dan wel erkenning van eerder verworven competenties, ontvangt het betreffende diploma uiterlijk zes maanden na de datum van in werking treden van deze regeling van het Instituut Fysieke Veiligheid.
Artikel 5. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.
Artikel 6. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling personeel brandweer BES.
Bijlage I. behorend bij artikel 1, eerste lid, Regeling personeel brandweer BES
1.1. Functie Bevelvoerder, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES
Deel A
1.1.1. Algemene informatie
Functienaam: Bevelvoerder
Beschrijving van de functie:
De Bevelvoerder heeft de leiding over de bemensing van een tankautospuit en de bemensing van bijzondere voertuigen. Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele leiding en uitvoeringscoördinatie van mensen en middelen vanaf het moment van uitruk tot en met het moment van terugkeer op de kazerne. In geval van opschaling heeft hij de leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst. Als deze aanwezig is, handelt hij onder verantwoordelijkheid van deze functionaris.
De Bevelvoerder:
1.1.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen.
Aanstelling in de functie van Bevelvoerder kan geschieden wanneer de opleiding tot Bevelvoerder Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.1.2.1. Kerntaken en taakgebieden
Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de voorbereiding op de verkenning en inzet.
Verzamelt en analyseert gegevens met betrekking tot het incident en stelt op basis daarvan een (voorlopig) plan en vervolgens een verkenningsplan op. Informeert de ploegen, maakt een taakverdeling en bepaalt de persoonlijke bescherming.
Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.
Coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren) en zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.
Taakgebieden:
brandbestrijding;
technische hulpverlening;
ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen;
met specifieke aandacht voor:
1.1.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken.
In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Deel C
1.1.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
De Bevelvoerder voert met de overige leden van de bemanning taken uit binnen de context van alle taakgebieden.
De Bevelvoerder maakt gebruik van alle mensen en middelen die hem ter beschikking staan.
Werkzaamheden:
Brandbestrijding:
Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.
Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.
Analyseert deze gegevens.
Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.
Formuleert een voorlopig plan en een plan +.
Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.
Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen en maakt een juiste taakverdeling.
Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.
Technische hulpverlening:
Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.
Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.
Analyseert deze gegevens.
Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.
Formuleert een voorlopig plan en een plan.
Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.
Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen en maakt een juiste taakverdeling.
Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.
Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:
Interpreteert meteo gegevens.
Rijdt bovenwinds aan indien de situatie dit vereist (initieert dit ook voor andere diensten) en geeft dit door aan de alarmcentrale.
Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.
Raadpleegt de beschikbare naslagwerken en vooraf beschreven scenario’s en handelingstaken.
Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.
Analyseert deze gegevens en vertaalt deze naar de omstandigheden.
Formuleert een voorlopig plan en een plan +.
Formuleert op basis van het voorlopig plan een verkenningsplan.
Zorgt voor de informatieoverdracht aan de ploegen.
Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.
Werkzaamheden
Brandbestrijding:
Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.
Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.
Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).
Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.
Stelt prioriteiten.
Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.
Ziet toe op een juiste voertuigopstelling ingeval van een vliegtuigincident.
Verkent een vliegtuigincident op de volgende punten: stadium van brand, uitbreidingskansen, mogelijkheden de brand onder controle te krijgen, mogelijkheden een overleefbare situatie te creëren en eventuele slachtoffers te redden.
Interpreteert de aard en het gevolg van eventueel aanwezige gevaarlijke stoffen.
Geeft een situatierapport (sitrap).
Technische hulpverlening:
Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.
Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.
Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).
Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.
Laat verkennen op stabilisatiemogelijkheden.
Stelt prioriteiten.
Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.
Geeft een situatierapport (sitrap).
Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:
Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
Raadpleegt (indien beschikbaar) een procesdeskundige indien de situatie daarom vraagt.
Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.
Stelt zijn voorlopig plan (al dan niet) bij.
Laat verkennen op stabilisatiemogelijkheden.
Raadpleegt de (Vak)Officier van Dienst.
Interpreteert de aard en het gevolg van eventueel aanwezige gevaarlijke stoffen.
Verdeelt het incident in logische vakken (qua taken maar ook geografisch).
Stelt indien van toepassing zijn plan+ in werking.
Stelt prioriteiten.
Geeft een situatierapport (sitrap).
Werkzaamheden
Brandbestrijding:
Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.
Zet in op de 1e prioriteit.
Voert het commando over de eigen eenheid.
Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.
Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken om een overleefbare situatie bij een vliegtuigincident te creëren en te borgen.
Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst van de (Vak)Officier van Dienst.
Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.
Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.
Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.
Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.
Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.
Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale.
Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.
Technische hulpverlening:
Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.
Zet in op de 1e prioriteit.
Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangs- wegen en/of openingen (indien noodzakelijk).
Voert het commando over de eigen eenheid.
Bepaalt samen met de geneeskundige hulpverlening de volgorde van bevrijding. Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.
Bepaalt samen met de geneeskundige hulpverlening de volgorde van bevrijding.
Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.
Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst (Vak)Officier van Dienst.
Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.
Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.
Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.
Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.
Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale. Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.
Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen:
Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de (Vak)Officier van Dienst.
Voert het commando over de eigen eenheid.
Stelt, indien nodig, zijn plan + in werking.
Zet in op de 1e prioriteit. Initieert, indien de situatie daarom vraagt, het motorkapoverleg.
Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst (Vak)Officier van Dienst.
Verzorgt tot de aankomst van de (Vak)Officier van Dienst het motorkapoverleg.
Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.
Geeft de (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.
Ontvangt leiding van de (Vak)Officier van Dienst.
Vervult zijn rol als Bevelvoerder zoals genoemd in de vastgestelde OGS-procedure en indien nodig andere rollen in deze procedure.
Start een registratie op als onderdeel van de OGS-procedure.
Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale. Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.
Werkzaamheden
Alle taakgebieden:
Coördineert de personele nazorg.
Coördineert de materiële nazorg (inzetgereed maken).
Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).
Verwerkt de registratie van inzet en ontsmetting in het Personeel Dossier.
Evalueert het proces.
Evalueert het functioneren (intern en extern).
Keuzes en dilemma’s:
Moet inschatten waar het incident voor de brandweer ophoudt.
Moet een vertaalslag maken naar de onderdelen van de veiligheidsketen.
Moet omgaan met de regelgeving van de arbeidsveiligheid.
Moet beslissingen nemen op basis van onvolledige informatie, tegenstrijdige belangen, in een dynamische omgeving.
Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.
Moet analyseren in een dynamische omgeving.
Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Bevelvoerder innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.
Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.
Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn manschappen in relatie tot de bij het incident betrokkenen.
Moet een afweging kunnen maken tussen veilig optreden en belangen van slachtoffers, overige hulpverleners en derden.
Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel / economisch belang).
Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.
Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.
Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing bij de manschappen.
Wijkt, indien nodig, af van de standaardprocedure (situationeel handelen).
Moet snel kunnen schakelen tussen scenario’s.
Moet rekening houden met tegengestelde belangen.
Maakt een afweging of de procedure wordt gehandhaafd of dat het incident ‘creatief’ wordt opgelost.
Beoordelingscriteria:
Communicatie:
Kan opdrachten van de (Vak)Officier van Dienst interpreteren en relevante informatie helder aan de (Vak)Officier van Dienst mededelen/terugkoppelen.
Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.
Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.
Gevaar-/risicoherkenning:
Is in staat om de situatie zowel tactisch als technisch te analyseren.
Stelt de juiste prioriteiten.
Is in staat samen met het medisch personeel de medische triage en de technische redtijd op elkaar af te stemmen.
Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:
Persoonlijke bescherming(smiddelen):
Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.
Materialen:
Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.
Veiligheid
Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.
Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmte stuwing bij hemzelf en bij zijn manschappen en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.
Samenwerking met andere hulpverleners:
Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners/ betrokkenen.
Professionele beroepshouding:
Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.
Creativiteit:
Is creatief en oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden en kan beslissen onder tijdsdruk.
Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.
Milieu:
Past de juiste schade beperkende maatregelen toe.
Heeft aandacht voor milieu en omgeving.
1.1.3.2. Prestatie-indicatoren
De Bevelvoerder beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.1.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een MBO/SBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nader te bepalen.
Instroomeisen:
Onderwijsdeelnemers aan de leergang Bevelvoerder Caribisch Nederland moeten aantoonbaar voldoen aan het MBO-/SBO- werk- en denkniveau en in het bezit zijn van het diploma Manschap A Caribisch Nederland.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Bevelvoerder Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.2. Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.2.1. Algemene informatie
Functienaam: Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding.
Beschrijving van de functie:
De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding heeft de leiding over de bemanning van een of meer crash- tenders. Hij heeft taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden met betrekking tot de operationele leiding en uitvoeringscoördinatie van mensen en middelen vanaf het moment van uitruk tot en met het moment van terugkeer op de kazerne. Hij heeft de leiding over de (blus)eenheden tot de aankomst van de On Scene Commander en/of de (Vak)Officier van Dienst. Als deze aanwezig is, handelt hij onder verantwoordelijkheid van deze functionaris.
De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding:
1.2.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding kan geschieden wanneer de opleiding tot Bevelvoerder Caribisch Nederland is afgerond met een diploma en de te relateren specialisatie vliegtuigbrandbestrijding met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.2.2.1. Kerntaken en taakgebieden
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.
Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.
Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.
De kerntaken worden uitgevoerd binnen het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.
1.2.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Deel C
1.2.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding voert met de overige leden van de bemanning taken uit binnen de context van het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding. De Bevelvoerder vliegtuigbrand-bestrijding maakt gebruik van alle mensen en middelen die hem ter beschikking staan.
Werkzaamheden:
Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident luistert de melding uit (persons on board (POB’s), brand, fuel state, lading zoals gevaarlijke stoffen en bewapening, etc.).
Vormt zich onder tijdsdruk een correct beeld van de situatie.
Vraagt toestemming voor gebruik banenstelsel.
Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van de ploegleden.
Analyseert deze gegevens.
Interpreteert meteo gegevens.
Laat de crashkaart van het betreffende vliegtuig raadplegen.
Stelt prioriteiten en maakt een afweging tussen het verwachte resultaat en het daarvoor te nemen risico.
Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming.
Werkzaamheden:
Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
Toetst de actuele en verwachte risico’s aan de eerdere inschatting.
Ziet toe op een juiste voertuigopstelling.
Verkent een vliegtuigincident op de volgende punten: stadium van brand, uitbreidingskansen, mogelijkheden de brand onder controle te krijgen, mogelijkheden een overleefbare situatie te creëren en eventuele slachtoffers te redden.
Raadpleegt de On Scene Commander.
Neemt besluiten en stelt daarbij vast of de inzet veilig voor alle betrokkenen wordt uitgevoerd en geeft indien daar aanleiding voor is aanwijzingen.
Geeft een situatierapport (sitrap) aan de On Scene Commander en/of de (Vak)Officier van Dienst. Coördineert alle operaties van de hulpverleningseenheden op plaats incident in de rol van On Scene Commander.
Coördineert het communicatieverkeer op de plaats incident.
Maakt gebruik van communicatiemiddelen in de rol van On Scene Commander.
Is operationeel eindverantwoordelijk tot de (eventuele) komst van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst.
Voert het commando over de eigen eenheid.
Observeert en analyseert plaats incident en de inzet.
Zet in op de 1e prioriteit.
Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken om een overleefbare situatie bij een vliegtuigincident te creëren en te borgen.
Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangs- wegen en/of openingen (indien noodzakelijk).
Stelt vast of locatie verzamelplaatsen en/of gewondennesten in eerste instantie correct gekozen zijn.
Is het aanspreekpunt voor de diverse disciplines tot aankomst van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst.
Geeft de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst bij zijn aankomst een situatierapport.
Is verantwoordelijk voor de veiligheid van eigen personeel, overige hulpverleners, slachtoffers en derden.
Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij in de rol van On Scene Commander.
Coördineert het communicatieverkeer in de rol van On Scene Commander.
Doet verslag (Sitrap) van de situatie aan de Luchthavenautoriteit en in het bijzonder aan het beleidsteam in de rol van On Scene Commander.
Coördineert de inzet van overige hulpverleningsdiensten en instanties in de rol van On Scene Commander.
Managet een doelmatige inzet van de overige hulpverlenings- diensten in de rol van On Scene Commander.
Anticipeert op nieuwe ontwikkelingen en eventueel aansluitend te nemen maatregelen in de rol van On Scene Commander.
Coördineert de personele nazorg.
Coördineert de materiële nazorg (inzet gereed maken). Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).
Verwerkt de registratie van inzet en ontsmetting in het Personeel Dossier.
Evalueert het proces.
Evalueert het functioneren (intern en extern).
Keuzes en dilemma’s:
Moet beslissingen nemen op basis van onvolledige informatie, tegenstrijdige belangen, in een dynamische omgeving.
Moet werken onder een grote tijdsdruk. De factoren tijd en tempo vereisen een groot omschakelingsvermogen, met name bij een niet verwacht vliegtuigongeval. In korte tijd moet hij de totale inzet coördineren.
Is zich bewust dat het moeilijk is om op afstand en op basis van beperkte informatie het incident veilig en adequaat te managen.
Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.
Moet analyseren in een dynamische omgeving.
Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.
Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.
Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn manschappen in relatie tot de bij het incident betrokkenen.
Moet een afweging kunnen maken tussen veilig optreden en belangen van slachtoffers, overige hulpverleners en derden.
Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel/economisch belang).
Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.
Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.
Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing bij de manschappen.
Wijkt, indien nodig, af van de standaardprocedure (situationeel handelen).
Moet snel kunnen schakelen tussen scenario’s.
Maakt een afweging of de procedure wordt gehandhaafd of dat het incident ‘creatief’ wordt opgelost.
Moet in de rol van On Scene Commander de communicatie met meerdere partijen coördineren.
Moet in de rol van On Scene Commander in staat zijn in korte tijd het incident te managen.
Moet in de rol van On Scene Commander tevens in een kort tijdsbestek de coördinatie van de inzet en het communicatieverkeer beheersen.
Moet in de rol van On Scene Commander inschatten waar het incident voor de brandweer ophoudt.
Communicatie:
Kan opdrachten van de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst interpreteren en relevante informatie helder aan de On Scene Commander en/of (Vak)Officier van Dienst mededelen/terugkoppelen.
Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.
Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.
Gevaar-/risicoherkenning:
Is in staat om de situatie zowel tactisch als technisch te analyseren. Stelt de juiste prioriteiten. Is in staat samen met het medisch personeel de medische triage en de technische redtijd op elkaar af te stemmen.
Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:
Vormt zich onder reële tijdsdruk een juist beeld van het incident, schat de gevaren correct in en coördineert alle operaties op plaats incident.
Persoonlijke bescherming(smiddelen):
Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.
Materialen:
Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.
Veiligheid:
Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.
Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij zijn manschappen en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.
Samenwerking met andere hulpverleners:
Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners en/of betrokkenen.
Professionele beroepshouding:
Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.
Creativiteit:
Is creatief en oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden en kan beslissen onder tijdsdruk.
Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.
Milieu:
Past de juiste schade beperkende maatregelen toe. Heeft aandacht voor milieu en omgeving.
1.2.3.2. Prestatie-indicatoren
De Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.2.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een SBO/MBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nader te bepalen.
Instroomeisen:
Het diploma Manschap Vliegtuigbrandbestrijding.
Diploma /certificeerbare eenheden:
Het diploma Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.3. Functie Chauffeur/Voertuigbediener, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.3.1. Algemene informatie
Functienaam: Chauffeur/Voertuigbediener
Beschrijving van de functie:
De Chauffeur/Voertuigbediener zorgt ervoor dat het brandweervoertuig op de plaats van een incident aankomt. Hij bestuurt het brandweervoertuig op een verantwoorde wijze en maakt gebruik van de ‘Optische en geluidssignalen brandweer’ na toestemming van een leidinggevende.
De Chauffeur/Voertuigbediener:
1.3.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Chauffeur/Voertuigbediener kan geschieden wanneer de opleiding tot Chauffeur /Voertuigbediener Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.3.2.1. Kerntaken
De Chauffeur/Voertuigbediener rijdt, na controle van het voertuig, veilig, effectief en efficiënt naar het incident. Hij plaatst het voertuig daar op de aangegeven opstelplaats en creëert een veilige situatie rondom het voertuig.
De Chauffeur/Voertuigbediener maakt het voertuig inzet gereed en houdt het operationeel.
Na afloop van de inzet neemt hij met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet en na een traumatische ervaring aan een nazorggesprek.
1.3.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentie- matrix hebben.
Deel C
1.3.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
Werkzaamheden algemeen:
Controleert indien mogelijk het voertuig bij aanvang van de dienst op compleetheid en schades.
Rijdt op veilige, effectieve en efficiënte wijze naar de plaats van bestemming.
Beoordeelt de opstelplaats voor het voertuig, indien van toepassing in overleg met de leidinggevende.
Plaatst het voertuig op de aangegeven opstelplaats, indien van toepassing in overleg met de leidinggevende.
Creëert een veilige situatie rondom het voertuig, indien van toepassing samen met de leidinggevende
Als pompbediener:
Bedient het voertuig / de apparatuur:
Geeft materiaal en middelen uit en neemt deze in.
Anticipeert op de benodigde materialen en middelen.
Waarschuwt de leidinggevende tijdig bij problemen in de bluswatervoorziening.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Als bediener van redvoertuigen:
Maakt het voertuig inzetgereed.
Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.
Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende. Verhelpt eenvoudige storingen.
Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Als bediener van een hulpverleningsvoertuig:
Maakt het voertuig inzetgereed.
Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.
Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.
Verhelpt eenvoudige storingen.
Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Als bediener van een HAB:
Maakt het materiaal inzetgereed. Bedient het materiaal op een veilige en verantwoorde wijze.
Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.
Verhelpt eenvoudige storingen.
Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Als bediener van een verbindingscommandowagen:
Maakt het voertuig inzet gereed.
Verhelpt eenvoudige storingen.
Heeft overleg met andere hulpverleners over de inzet van het voertuig.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Als bediener van een Crashtender:
Maakt het voertuig inzet gereed.
Bedient het voertuig op een veilige en verantwoorde wijze.
Overlegt over de inzetmogelijkheden met de leidinggevende.
Verhelpt eenvoudige storingen.
Heeft oog voor de omgeving van het voertuig/incident.
Uitruk/Verkenning:
Moet rekening houden met en kunnen anticiperen op het verkeersgedrag (o.a. agressie) van andere weggebruikers.
Moet oog hebben voor zijn eigen veiligheid en die van andere weggebruikers.
Moet onder extreme omstandigheden het voertuig onder controle houden.
Moet tijdens het rijden rekening houden met de (on)mogelijk- heden van het voertuig.
Moet rekening houden met de veiligheid van de opstelplaats in (on)gunstige omstandigheden.
Moet een goede inschatting maken van een locatie in ongunstige omstandigheden waaronder terreinomstandigheden.
Moet een keuze voor de werkplek maken aan de hand van de (on)mogelijkheden van het voertuig.
Als Pompbediener:
Kan een ongestoorde waterlevering laten plaats vinden.
Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel houden.
Kan kleine storingen oplossen.
Als bediener redvoertuig:
Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel te houden.
Kan kleine storingen oplossen.
Kiest de juiste opstelplaats in relatie tot het incident.
Weegt het risico ten opzichte van het verwachte resultaat af.
Als bediener hulpverleningsvoertuig:
Kan het voertuig en de bepakking onder alle omstandigheden operationeel houden.
Kan kleine storingen oplossen.
Moet de juiste opstelplaats in relatie tot het incident bepalen.
Als bediener van een HAB:
Moet beschikbare ruimte inschatten gekoppeld aan de aard van de container en het gebruik daarvan.
Als bediener van de verbindingscommandowagen
Moet de juiste opstelplaats in relatie tot het incident kiezen.
Bepaalt de juiste opstelplaats in overleg met de overige partners.
Als bediener van een Crashtender:
Kan een ongestoorde waterlevering laten plaats vinden.
Kan het voertuig onder alle omstandigheden operationeel houden. Kan kleine storingen oplossen.
Weegt het risico ten opzichte van het verwachte resultaat af.
Omgaan met traumatische omstandigheden
Alle taakgebieden:
Is zich onder alle omstandigheden bewust van de effecten die zijn handelen met zich mee brengen
Uitruk/Verkenning:
Heeft kennis van en beheerst het toegewezen materiaal/materieel.
Heeft kennis van het verzorgingsgebied.
Heeft kennis van de verkeersregelgeving.
Kan incidentmanagement toepassen.
Kan aan de hand van hulpmiddelen snel zijn route bepalen.
Is op de hoogte van zijn bevoegdheden bij het rijden.
Heeft een goede voertuigbeheersing.
Kan een inschatting maken van de veiligheid van de opstelplaats.
Kan anticiperen op onverwachte (verkeer)situaties.
Kan de keuze van zijn opstelplaats motiveren
Inzet:
Als pompbediener:
Heeft oog voor de continue waterlevering op basis van de beschikbare (soorten) bluswatervoorzieningen.
Signaleert tijdig storingen aan de apparatuur en kan (kleine) storingen verhelpen.
Bedient op de juiste wijze de diverse typen afsluiters.
Interpreteert de meters en afsluiters en speelt in op veranderingen.
Is zich onder alle omstandigheden bewust van de effecten die zijn handelen met zich mee brengen.
Als bediener redvoertuig:
Weet op een veilige, verantwoorde en kundige wijze af te stempelen.
Moet het voertuig van alle bedienplaatsen kunnen bedienen.
Is in staat de noodbediening te hanteren.
Moet de korfuitrustingen kunnen bedienen.
Moet valbescherming kunnen hanteren.
Interpreteert meetinstrumenten en speelt in op veranderingen.
Kent de inzet(on)mogelijkheden van het voertuig.
Als bediener hulpverleningsvoertuig:
Heeft kennis van het gebruik van de bepakking van het voertuig.
Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: lier, lichtmast, aggregaat en kraan).
Is op de hoogte van de inhoud en de mogelijkheden van het voertuig.
Als bediener van een HAB:
Heeft kennis van de inhoud en het gebruik van de inventaris uit de haakarmbak.
Kan de in- en aangebouwde gereedschappen bedienen (bijvoorbeeld: kraan, lier).
Kan de specifieke korpsgerichte haakarmbak(ken) bedienen.
Als bediener van de verbindingscommandowagen:
Kan de randapparatuur van het voertuig aansluiten. Kan het voertuig operationeel maken
Als bediener van de Crashtender:
Kan het voertuig operationeel maken.
Heeft oog voor de continue waterlevering.
Bedient op de juiste wijze de voorzieningen van het voertuig.
Nazorg:
Heeft kennis van het toegewezen materiaal/materieel.
Kent de geldende procedure na schade of tekortkomingen en kan deze toepassen.
Neemt constructief deel aan een groepsproces in een nazorgfase (evaluatie- en/of zorggesprek).
1.3.3.2. Prestatie-indicatoren
De Chauffeur/Voertuigbediener beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.3.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nog nader te bepalen
Instroomeisen:
Om in te kunnen stromen in de opleiding Chauffeur/Voertuig- bediener Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken en heeft het diploma Manschap A in verband met zijn repressieve taken.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Chauffeur/Voertuigbediener Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.4. Functie Controleur brandpreventie, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.4.1. Algemene informatie
Functienaam: Controleur brandpreventie
Beschrijving van de functie:
De Controleur brandpreventie voert werkzaamheden uit op het gebied van brandpreventie. Hij maakt deel uit van het cluster preventie en werkt onder supervisie van de Specialist brandpreventie en/of de Medewerker brandpreventie.
1.4.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Controleur brandpreventie kan geschieden wanneer de opleiding tot Controleur brandpreventie Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.4.2.1. Kerntaken en taakgebieden
De Controleur brandpreventie controleert het brandveilig gebruik aan de hand van de geldende gebruiksvoorwaarden en handelt klachten af.
De Controleur brandpreventie rapporteert na locatiebezoek aan de leidinggevende en de gebruiker. Hij rapporteert klachten aan de leidinggevende.
De Controleur brandpreventie geeft situatie specifieke voorlichting voor verschillende doelgroepen over gebruiksvoorwaarden met betrekking tot de brandveiligheid.
1.4.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de controleur brandpreventie vastgesteld
Deel C
1.4.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
Werkzaamheden:
Controleert het brandveilig gebruik op basis van instructies van bouwwerken, inrichtingen en evenementen.
Handelt meldingen en vragen op het gebied van brandveilig gebruik af.
Voert zo nodig her controles uit.
Keuzes en dilemma’s:
Moet inschatten wat hij zelf nog kan beoordelen en waar hij een ander moet raadplegen.
Kan buiten de gegeven kaders inschatten of er een gevaar en of risico aanwezig is.
Moet zich er van bewust zijn dat zijn kenniscapaciteit beperkt is tot brandveilig gebruik en dat hij niet volledig op de hoogte is van ontwikkelingen op het gebied van brandpreventie, terwijl men vertrouwt op zijn (brede) expertise tijdens de controle.
Moet zich bewust zijn van de impact van zijn controle voor de gebruiker. Uitvoering van maatregelen in het kader van de brandveiligheid kunnen voor de gebruiker geen prioriteit hebben.
Handelt in de geest van de eed/integriteitverklaring in geval van omkoping, intimidatie, agressie of bekendheid met de persoon/de situatie (belangenverstrengeling).
Moet de juiste toon aanslaan ten opzichte van gesprekspartner(s).
Moet een afweging kunnen maken tussen zich kwetsbaar opstellen en eerlijk zijn of verbloemen niet alles te weten (bijvoorbeeld: durft hij een vraag te stellen met het risico dat anderen zijn expertise of de expertise van zijn organisatie in twijfel trekken.
Moet om kunnen gaan met kritiek op het gelopen traject, terwijl hij daar zelf niet direct bij betrokken is geweest.
Moet in samenspraak met zijn leidinggevende een afweging maken tussen geplande controles en controles op afroep.
Beoordelingscriteria:
Heeft kennis van de geldende regelgeving.
Voert de controles uit volgens de van toepassing zijnde procedure.
Is in staat om zijn werkzaamheden efficiënt te plannen, effectief uit te voeren en tijdig capaciteitsproblemen te signaleren.
Gaat respectvol om met gebruikers van het te controleren object. Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.
Werkzaamheden:
Maakt rapportages naar aanleiding van controles.
Maakt rapportages als reactie op meldingen en vragen.
Keuze en dilemma:
De juiste (schriftelijke) toon aanslaan.
Beoordelingscriteria:
Is in staat om tijdig een helder, compleet en inhoudelijk goed controlerapport op te stellen.
Kan ordelijk, verzorgd en systematisch werken.
Is in staat om efficiënt te plannen en effectief uit te voeren.
Is communicatief vaardig, zowel mondeling als schriftelijk.
Werkzaamheden:
Geeft voorlichting en advies aan verschillende doelgroepen op het gebied van brandveiligheid
Keuzes en dilemma’s:
Het kunnen bepalen van de grens tussen voorlichting en advisering.
Durft de geest van de regelgeving toe te lichten.
Moet de grens kennen van wat behoort tot zijn bevoegdheden en de bevoegdheden van de Medewerker of Specialist brandpreventie.
De juiste toon aanslaan ten opzichte van gesprekspartner(s).
Beoordelingscriteria:
Is in staat om een korte mondelinge presentatie te verzorgen.
Is in staat om doel- en doelgroepgerichte informatie te geven.
Is communicatief vaardig.
1.4.3.2. Prestatie-indicatoren
De Controleur brandpreventie beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.4.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nader te bepalen.
Instroomeisen:
Om in te kunnen stromen in de opleiding Controleur brandpreventie Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Controleur brandpreventie Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
Gezien de aard van deze functie wordt verwezen naar reguliere mogelijkheden voor blijvende vakbekwaamheid.
1.5. Functie Instructeur A, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.5.1. Algemene informatie
Functienaam: Instructeur A
Beschrijving van de functie:
1.5.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen (OEBO). Aanstelling in de functie van Instructeur A kan geschieden wanneer de opleiding tot Instructeur A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.5.2.1. Kerntaken en taakgebieden
De instructeur A verzorgt afgebakende theorie- en praktijkonderdelen van leergangen, conform lesplan, in afstemming met de afdeling opleiden en oefenen.
De instructeur A levert een bijdrage aan de begeleiding van deelnemers gericht op het leerproces.
De instructeur A werkt samen met andere didactisch betrokkenen en communiceert en rapporteert aan de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.
1.5.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de Instructeur A vastgesteld.
Deel C
1.5.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
Werkzaamheden:
Verzorgen van afgebakende theorie- en praktijkonderdelen van leergangen, conform lesplan, in afstemming met de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.
Instrueren van nieuwe procedures of middelen, waar hij specialist in is.
Verzorgen van afgebakende onderdelen van oefeningen.
Op peil houden van didactische en vakinhoudelijke kennis door bijscholing en intervisie.
Reflecteren op eigen functioneren.
Zorg dragen voor fysiek veilige leeromgeving.
Keuzes en dilemma’s:
Omgaan met (onverwachte) niveauverschillen tussen deelnemers.
Omgaan met weerstand.
Voldoende leereffect realiseren binnen de kaders van persoonlijke veiligheid.
Continu spanningsveld: inspelen op actuele of onverwachte situaties versus realisatie lesprogramma/oefenprogramma.
Omgaan met grenzen aan eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
Beoordelingscriteria:
Beschikt over actuele en relevante didactische en vakinhoudelijke kennis en past deze op de juiste wijze toe.
Is bekend met verschillende leerstijlen en houdt hier in zijn lessen rekening mee.
Communiceert helder in relatie tot de doelgroep.
Toont aan vakinhoudelijk en didactisch bij te blijven, hij kent hiervoor de wegen en manieren.
Verricht zijn werkzaamheden binnen de kaders van het geldende veiligheidsprotocol.
Evalueert zichzelf en vormt met behulp van de opgedane ervaringen nieuwe denkbeelden en/of stelt deze bij.
Is bekend met de leven lang leren cyclus.
Is bekend met de relatie tussen het door hem te verzorgen programmaonderdeel en het totaal (leergang, oefenprogramma).
Werkzaamheden:
Communiceren met deelnemers.
Zorgen voor een goed leer-, en werkklimaat.
Bijdragen aan begeleiding van deelnemers op deelvaardigheden.
Bijdragen aan begeleiding van deelnemers gericht op het leerproces van de deelnemer in afstemming met de Instructeur B en/of de Specialist opleiden en oefenen en/of de Medewerker opleiden en oefenen.
Keuzes en dilemma’s:
Omgaan met:
Schakelen tussen:
Beoordelingscriteria:
Realiseert een veilig leer- en werkklimaat.
Motiveert zijn deelnemers door enthousiasme voor zijn vak te tonen en voor de vorderingen die deelnemers maken.
Is feedbackvaardig.
Herkent risicozoekende houding, leer- en motivatie- problemen en rapporteert hierover aan de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.
Past kennis over groepsdynamische processen toe in de omgang met deelnemers.
Werkzaamheden:
Samenwerken met andere didactisch betrokkenen communiceren en rapporteren aan de afdeling opleiden en oefenen, van het brandweerkorps, conform geldende regels en procedures.
Inzetten van de ter beschikking staande media, hulpmiddelen en systemen.
Keuzes en dilemma’s:
Omgaan met kritiek.
Improviseren wanneer de werkelijke les- of oefensituatie afwijkt van de verwachting.
Omgaan met bestaand en nieuw beleid.
Beoordelingscriteria:
Hanteert op een consequente manier de procedures en afspraken van de afdeling opleiden en oefenen van het brandweerkorps.
Staat open voor constructieve feedback op eigen functioneren.
Is aantoonbaar proactief.
Communiceert met de Instructeur B en/of de Specialist opleiden en oefenen over de voortgang van de deelnemer.
Beheerst het gebruik van de beschikbare media, hulpmiddelen en systemen.
1.5.3.2. Prestatie-indicatoren
De Instructeur A beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.5.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nader te bepalen.
Instroomeisen:
Om in te kunnen stromen in de opleiding Instructeur A Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Instructeur A Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.6. Functie Manschap A, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES
Deel A
1.6.1. Algemene informatie
Functienaam: Manschap A
Beschrijving van de functie:
De Manschap A1Overal waar in dit document ‘hij’ wordt aangeduid kan ook ‘zij’ worden gelezen.
1.6.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen (OEBO). Aanstelling in de functie van Manschap A kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.6.2.1. Kerntaken en taakgebieden
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.
Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.
Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.
Taakgebieden:
brandbestrijding;
technische hulpverlening,
ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen;
met specifieke aandacht voor:
1.6.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Deel C
1.6.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
De Manschap A voert met de overige leden van de bemanning onder leiding van de Bevelvoerder taken uit binnen de context van alle taakgebieden. De Manschap A maakt gebruik van de uitrusting die hem ter beschikking staat.
Werkzaamheden algemeen:
Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie), maakt deze gebruik gereed. En trekt ze aan en controleert deze.
Handelt volgens vaste procedures.
Herkent gevaarsituaties en is in staat adequaat hiernaar t handelen.
Communiceert zijn bevindingen met de Bevelvoerder en de rest van de ploeg.
Werkzaamheden brandbestrijding:
Verkent uitbreidingskansen.
Verkent de brandhaard en/of de aangetroffen situatie.
Herkent het stadium van de brand.
Technische hulpverlening:
Verkent de situatie.
Verkent op eventuele slachtoffers.
Verkent op bedolven slachtoffers.
Verkent uitbreidingskansen.
Verkent op bijzondere gevaren.
Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:
Past de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen toe.
Kan omgaan met meetapparatuur.
Verzamelt gegevens om gevaarlijke stoffen te identificeren.
Verkent op eventuele slachtoffers.
Verkent op uitbreidingsmogelijkheden.
Verkent op milieueffecten.
Werkzaamheden algemeen:
Redt slachtoffers.
Verricht een grijpredding (zo nodig in chemiepak).
Voert de bevrijding van bedolven slachtoffers uit.
Past levensreddende handelingen toe.
Stelt het slachtoffer(s) veilig en gerust.
Bewaakt de veiligheid van slachtoffers, hulpverleners en omstanders.
Brandbestrijding:
Assisteert de Chauffeur/Pompbediener bij het verzorgen van de waterwinning bij open water/bassin/aanjaagverband, bij brandkranen en bij cisterne/reservoir.
Past een aflegsysteem toe.
Assisteert bij het pendelen ten aanzien van de waterwinning.
Maakt gebruik van hoge/middel/lage druk water, poeder en schuim.
Past verschillende blustechnieken toe.
Past ventilatietechnieken toe.
Maakt gebruik van reeds aanwezige brandblusvoorzieningen.
Technische hulpverlening:
Voert, gelet op de situatie, werkzaamheden uit.
Zorgt dat er veilig gewerkt kan worden.
Maakt het benodigde materiaal voor inzet gereed.
Werkt met persoonlijke beschermingsmiddelen afhankelijk van de situatie.
Zet de incidentlocatie af.
Stelt het object veilig.
Stabiliseert het object/incident.
Zet het hulpverleningsmateriaal in.
Verschaft zich toegang tot een luchtvaartuig via normale toegangswegen en/of openingen (indien noodzakelijk).
Bestrijdt de gevolgen van natuurgeweld.
Werkt op hoogte.
Werkt samen met de overige (hulpverlening)diensten.
Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:
Neemt beperkende maatregelen m.b.t. het gevaar/verspreiding van gevaarlijke stoffen.
Voert een ontsmetting uit.
Assisteert bij het ontsmetten: spoelt chemiepakken af, stopt besmette kleding in container of overmaats vat.
Bouwt en ruimt het (nood)ontsmettingsveld op.
Voert metingen uit.
Voert binnen de mogelijkheden opruim en salvage werkzaamheden uit.
Werkzaamheden algemeen:
Maakt, samen met de chauffeur/pompbediener en/of de technische dienst van het brandweerkorps, het ingezette voertuig inzetgereed.
Vervangt en vult de bepakkingmiddelen aan.
Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.
Neemt, na een traumatische ervaring, met de ploegleden deel aan een nazorggesprek.
Brandbestrijding:
Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega- hulpverleners, het materiaal en de omgeving.
Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.
Technische hulpverlening:
Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie (daarmee rekening houdend met eventuele veiligheidsvoorzieningen in objecten/voertuigen) en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega-hulpverleners, het materiaal en de omgeving.
Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat (bijvoorbeeld op het gebied van milieuschade).
Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.
Maakt een keuze van het gereedschap in relatie tot het verwachte resultaat.
Houdt rekening met de gevolgen van zijn handelen voor bedrijfs- processen.
Ongevalbestrijding gevaarlijke stoffen:
Communiceert de relevante gegevens op basis van de verkenning en uitgevoerde meting met de Bevelvoerder.
Maakt een duidelijke keuze op het gebied van eigen veiligheid in relatie tot de redding van een slachtoffer.
Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat.
Selecteert de toepasselijke persoonlijke beschermingsmiddelen.
Beoordelingscriteria alle taakgebieden:
Communicatie:
Kan opdrachten van de Bevelvoerder interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder/collega’s mededelen/terugkoppelen.
Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.
Gevaar-/risicoherkenning:
Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:
Kan zelfstandig de beslissing nemen om een veilige grijp- redding uit te voeren.
Kan een (nood)ontsmettingveld inrichten en opruimen.
Maakt een inschatting van de grootte van de lekkage.
Persoonlijke bescherming(smiddelen):
Kan alle persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.
Materialen:
Kan de voor zijn taak toepasselijke materialen selecteren en toe- passen en weet wat de gevolgen van de werkzaamheden kunnen zijn.
Veiligheid:
Is in staat zodanig op te treden dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.
Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij diens collega.
Samenwerking met andere hulpverleners:
Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners/ betrokkenen.
Is in staat gegeven opdrachten snel en flexibel uit te voeren.
Is in staat samen te werken met zijn ploegmaat en met de overige bij het incident betrokken hulpverleners en omstanders.
Professionele beroepshouding:
Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegen- slag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.
Creativiteit:
Is oplossing gericht bezig bij onvoorziene omstandigheden.
1.6.3.2. Prestatie-indicatoren
De Manschap A beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.6.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nog nader te bepalen
Instroomeisen:
Om in te kunnen stromen in de opleiding manschap A Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Manschap A Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven:
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.7. Manschap a vliegtuigbrandbestrijding, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.7.1. Algemene informatie
Functienaam: Manschap a vliegtuigbrandbestrijding.
Beschrijving van de functie:
De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding:
1.7.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Manschap vliegtuigbrandbestrijding kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap A Caribisch Nederland is afgerond met een diploma en de te relateren specialisatie vliegtuigbrandbestrijding met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.7.2.1. Kerntaken en taakgebieden
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de voorbereiding op de verkenning en inzet.
Verzamelt informatie over het incident ten behoeve van de inzet.
Voert werkzaamheden uit met betrekking tot de bestrijding van het incident en het redden van mens en/of dier.
Levert een bijdrage aan een juiste afwerking van het incident en neemt deel aan evaluatie- en nazorggesprekken.
De kerntaken worden uitgevoerd binnen het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding.
1.7.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Deel C
1.7.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding voert met de overige leden van de bemanning onder leiding van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding taken uit binnen de context van het taakgebied vliegtuigbrandbestrijding. De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding maakt gebruik van de uitrusting die hem ter beschikking staat.
Werkzaamheden:
Selecteert de persoonlijke beschermingsmiddelen (afhankelijk van de situatie), maakt deze gebruik gereed, trekt ze aan en controleert deze.
Handelt volgens vaste procedures.
Leest (indien beschikbaar) crashkaarten en kan deze interpreteren.
Herkent gevaarsituaties en is in staat adequaat hiernaar te handelen.
Communiceert zijn bevindingen met de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding en de rest van de ploeg.
Werkzaamheden:
Positioneert het voertuig conform procedure.
Voert, volgens vaste procedures en in opdracht van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding een verkenning uit.
Verkent op eventuele slachtoffers.
Herkent het stadium van de brand.
Verkent de uitbreidingskansen van de brand.
Verkent uitbreidingskansen.
Verkent op bijzondere gevaren.
Past de benodigde persoonlijke beschermingsmiddelen toe.
Werkzaamheden Brandbestrijding buiten:
Bereikt 90% Knock down binnen 1 minuut na aankomst en houdt deze situatie in stand.
Bedient de monitor.
Onderhoudt de schuimdeken.
Verricht een inzet gericht op het creëren van een overleefbare situatie.
Zet een handline in voor blussing en ondersteuning bij evacuatie en/of redding.
Selecteert de juiste blus stof en hanteert deze en checkt regelmatig het verbruik.
Past verschillende blustechnieken toe.
Brandbestrijding binnen:
Ventilatie en blussing:
Bevrijding slachtoffers:
Zorgt dat er veilig gewerkt kan worden:
Zet het hulpverleningsmateriaal in.
Verschaft zich toegang tot het luchtvaartuig anders dan via de ingebouwde toegangswegen (indien noodzakelijk).
Werkzaamheden:
Maakt, samen met de Chauffeur/Voertuigbediener en/of de technische dienst van brandweerkorps, het ingezette voertuig inzet gereed.
Vervangt en vult de bepakkingmiddelen aan.
Neemt met de ploegleden deel aan een evaluatiegesprek over de inzet.
Neemt, na een traumatische ervaring, met de ploegleden deel aan een nazorggesprek.
Keuzes en dilemma’s:
Dient over een groot omschakelingsvermogen te beschikken omdat bij vliegtuigbrandbestrijding wordt gewerkt onder grote tijdsdruk en men binnen enkele minuten inzet gereed moet zijn.
Weegt de veiligheid af ten opzichte van de opdracht van de leidinggevende en maakt zelfstandig een inschatting van de situatie (daarmee rekening houdend met eventuele veiligheidsvoorzieningen van het vliegtuig) en de gevolgen daarvan voor hemzelf, zijn collega- hulpverleners, het materiaal en de omgeving.
Weegt het risico van zijn inzet af ten opzichte van het verwachte resultaat.
Maakt een duidelijke keuze op het gebied van eigen veiligheid in relatie tot de redding van een slachtoffer.
Communiceert de relevante gegevens op basis van de verkenning met de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding.
Kiest de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen.
Maakt een keuze van het gereedschap in relatie tot het verwachte resultaat.
Houdt rekening met de gevolgen van zijn handelen voor bedrijfs- processen van het vliegveld.
Beoordelingscriteria:
Communicatie:
Kan opdrachten van de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder vliegtuigbrandbestrijding/collega’s mededelen/terugkoppelen.
Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.
Gevaar-/risicoherkenning:
Kan de bij het taakgebied behorende toepasselijke gevaren herkennen voor: zichzelf,
collega’s en andere hulpverleners, slachtoffers en omgeving.
Persoonlijke bescherming(smiddelen):
Kan alle persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.
Materialen:
Kan de voor zijn taak toepasselijke materialen selecteren en toepassen
En weet wat de gevolgen van de werkzaamheden kunnen zijn.
Veiligheid:
Is in staat zodanig op te treden dat hij door zijn kennis en manier van handelen vermijdt dat slachtoffers, collega’s, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.
Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij diens collega.
Samenwerking met andere hulpverleners:
Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners en/of betrokkenen.
Is in staat gegeven opdrachten snel en flexibel uit te voeren.
Is in staat samen te werken met zijn ploeg en met de overige bij het incident betrokken hulpverleners en omstanders.
Professionele beroepshouding:
Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.
Creativiteit:
Is oplossingsgericht bezig bij onvoorziene omstandigheden.
1.7.3.2. Prestatie-indicatoren
De Manschap a vliegtuigbrandbestrijding beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren.
Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.7.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast:
Nader te bepalen.
Instroomeisen:
Geen
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Manschap a vliegtuigbrandbestrijding wordt ui- gereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedos sier met voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.8. Functie Manschap B, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.8.1. Algemene informatie
Functienaam: Manschap B
Beschrijving van de functie:
De functie van Manschap B brengt verschillende verantwoordelijkheden met zich mee. De Manschap B geeft onder bevel van een Bevelvoerder leiding aan de bemanning (waar hij deel van uitmaakt) van specifieke voertuigen en de Manschap B treedt bij kleinschalige/niet spoedeisende incidenten zelfstandig op als leidinggevende van specifieke voertuigen.
1.8.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Manschap B kan geschieden wanneer de opleiding tot Manschap B Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.8.2.1. Kerntaken
Geeft leiding aan de uitvoering van de werkzaamheden op het gebied van de uitruk en verkenning
Geeft onder supervisie van de Bevelvoerder leiding aan de uitvoering van werkzaamheden van specifieke voertuigen en geeft zelfstandig leiding aan de uitvoering van werkzaamheden bij kleinschalige/niet spoedeisende incidenten.
Coördineert de personele en materiële nazorg (inclusief de evaluatie van het proces en het functioneren) en zorgt voor de administratieve afhandeling van het incident.
1.8.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe, versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Deel C
1.8.3.1. Uitwerking kerntaken, keuzes en dilemma’s en beoordelingscriteria
Werkzaamheden:
Stuurt onder supervisie van een Bevelvoerder een klein team (waarvan hij zelf deel uitmaakt) aan bij het uitvoeren van specifieke werkzaamheden met een spoedeisend karakter.
Treedt zelfstandig op bij niet spoedeisende incidenten.
Treedt zelfstandig op bij dienstverlening.
Inventariseert gegevens met betrekking tot het incident.
Maakt gebruik van de vakinhoudelijke kennis en ervaring van zijn team.
Analyseert deze gegevens.
Rijdt bovenwinds aan indien de situatie dit vereist (initieert dit ook voor andere diensten) en geeft dit door aan de alarmcentrale.
Raadpleegt de beschikbare naslagwerken en vooraf beschreven scenario’s en handelingstaken.
Zorgt voor de informatieoverdracht aan het team en maakt een juiste taakverdeling.
Bepaalt de juiste persoonlijke bescherming. Maakt inschatting van de aard, omvang en dynamiek van het incident.
Ziet toe op een juiste voertuigopstelling met name bij een vliegtuigincident.
Raadpleegt de Bevelvoerder indien de situatie dit vereist.
Stelt prioriteiten.
Geeft een situatierapport (sitrap) indien daarom verzocht wordt
Werkzaamheden:
Geeft leiding aan zijn team.
Ziet toe op gebruik juiste blusmiddelen en -techniek(en) en tactieken.
Controleert het effect van de werkzaamheden, anticipeert op ontwikkelingen en stelt zo nodig de inzet bij.
Geeft de Bevelvoerder op zijn verzoek een situatierapport.
Ontvangt leiding van de Bevelvoerder.
Zorgt voor de berichtgeving met de alarmcentrale.
Is verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn team.
Coördineert de personele nazorg.
Coördineert de materiële nazorg (inzetgereed maken).
Handelt de administratie rondom het incident af (rapportage en registratie).
Evalueert het proces.
Keuzes en dilemma’s:
Moet het beoogde resultaat ten opzichte van de risico’s afwegen.
Moet de grenzen van zijn kennis en kunde kennen en weten wanneer hij een hoger niveau moet inschakelen.
Onderkent de noodzaak tot opschaling.
Moet vertrouwen en zekerheid uitstralen naar de manschappen, terwijl de Manschap B innerlijk onzeker kan zijn over zijn besluiten en aanpak.
Anticipeert mede op het (ongewenst/behulpzaam) gedrag van omstanders.
Anticipeert op persoonlijke betrokkenheid van hemzelf en van zijn team in relatie tot de bij het incident betrokkenen.
Moet een afweging maken van het resultaat ten opzichte van de risico’s (personeel / economisch belang).
Moet inventief kunnen omgaan met de middelen.
Moet omgaan met druk vanuit de omgeving.
Houdt rekening met de psychische gesteldheid en belastbaarheid van het personeel. Hij houdt daarbij met name rekening met het mogelijk voorkomen van warmtestuwing.
Is zich bewust van de grens tussen hulpverlening en dienstverlening.
Beoordelingscriteria
Communicatie:
Kan opdrachten van de Bevelvoerder interpreteren en relevante informatie helder aan de Bevelvoerder mededelen/terugkoppelen.
Kan volgens de voorgeschreven procedure communiceren.
Kan omgaan met de beschikbare informatiedragers.
Gevaar-/risicoherkenning:
Stelt de juiste prioriteiten.
Kan de bij de taakgebieden toepasselijke gevaren herkennen voor:
Persoonlijke bescherming(smiddelen):
Kan de persoonlijke beschermingsmiddelen hanteren die hij voor zijn taak nodig heeft.
Materialen:
Maakt efficiënt gebruik van de tot zijn beschikking staande middelen.
Veiligheid:
Is in staat zodanig in te zetten dat hij door zijn kennis en manier van h handelen vermijdt dat slachtoffers, zijn manschappen, andere hulpverleners en hijzelf in gevaar komen.
Heeft daarbij met name aandacht voor het optreden van warmtestuwing bij hemzelf en bij zijn team en bewaakt de fysieke en mentale inzetbelasting.
Samenwerking met andere hulpverleners:
Begrijpt de rolverdeling en taken van de andere hulpverleners / betrokkenen.
Professionele beroepshouding:
Blijft kalm, objectief en effectief functioneren bij tijdsdruk, tegenslag, teleurstelling of tegenspel en kan omgaan met weerstanden van bijvoorbeeld omstanders.
Creativiteit:
Maakt een juiste taakindeling met het beschikbare personeel.
Milieu:
Past de juiste schade beperkende maatregelen toe.
Heeft aandacht voor milieu en omgeving.
1.8.3.2. Prestatie-indicatoren
De Manschap B beheerst de vereiste competenties zodanig dat hij in staat is om zijn werkzaamheden adequaat uit te voeren. Hij kan omgaan met de keuzes en dilemma’s die hij in zijn werk tegenkomt.
1.8.3.3. Specificaties vakbekwaam worden, vakbekwaam blijven
Niveaubepaling:
Voor de functie is ten minste een VSBO/VMBO werk- en denkniveau vereist.
Studielast: Nader te bepalen
Instroomeisen:
Om in te kunnen stromen in de opleiding tot Manschap B Caribisch Nederland dient men minimaal over een VSBO/VMBO werk- en denkniveau te beschikken, alsmede het diploma Manschap A Caribisch Nederland en inhoudelijke deskundigheid in het vakgebied waarin de Manschap B optreedt.
Diploma/certificeerbare eenheden:
Het diploma Manschap B Caribisch Nederland wordt uitgereikt als de examinering van de eisen uit dit kwalificatiedossier met een voldoende resultaat is afgerond.
Vakbekwaam blijven
De werkgever heeft de mogelijkheid om voor de blijvende vakbekwaamheid gebruik te maken van:
1.9. Functie Medewerker brandpreventie, zoals genoemd in bijlage 1 van het Besluit brandweer BES.
Deel A
1.9.1. Algemene informatie
Functienaam: Medewerker brandpreventie
Beschrijving van de functie:
De Medewerker brandpreventie:
1.9.2. Vakbekwaamheid
De vakbekwaamheid (uitgedrukt in kerntaken en competenties zoals beschreven in deel B) wordt geborgd door middel van opleiden, examineren, bijscholen en oefenen. Aanstelling in de functie van Medewerker brandpreventie kan geschieden wanneer de opleiding tot Medewerker brandpreventie Caribisch Nederland is afgerond met een diploma. De werkgever en de brandweerfunctionaris dienen aan te kunnen tonen dat de vakbekwaamheid is onderhouden.
Deel B
1.8.2.1. Kerntaken en taakgebieden
De Medewerker brandpreventie adviseert aan verschillende doelgroepen bij bouwaanvragen, milieuvergunningen en evenementen.
De Medewerker brandpreventie voert (integrale brandveiligheids-) inspecties uit en rapporteert aan zijn leidinggevende hierover.
De Medewerker brandpreventie onderhoudt contacten met alle partners die van belang zijn voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden.
De Medewerker brandpreventie geeft voorlichting over brandveiligheid en brandpreventie aan diverse doelgroepen, zorgt voor informatieoverdracht aan de repressieve dienst en werkt mee aan voorlichtingscampagnes.
1.8.2.2. Competentiematrix
In de competentiematrix wordt het verband tussen competenties en kerntaken weergegeven. Er zijn drie typen competenties:
Daarnaast zijn voor de repressieve brandweerfuncties drie kerncompetenties vastgesteld die voor iedere brandweerfunctionaris noodzakelijk worden geacht om succesvol te kunnen functioneren:
In de cellen van de matrix wordt voor elke competentie het niveau beschreven dat vereist is bij het uitvoeren van de kerntaken. In het competentiewoordenboek (Nbbe versie januari 2011) wordt beschreven welke betekenis de niveaus uit de competentiematrix hebben.
Er zijn geen vakmatige en kenniscompetenties voor de Medewerker brandpreventie vastgesteld.
Deel C
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)