Wet van 22 maart 2017, houdende regels inzake het beheer, de informatievoorziening, de controle en de verantwoording van de financiën van het Rijk, inzake het beheer van publieke liquide middelen buiten het Rijk en inzake het toezicht op het beheer van publieke liquide middelen en publieke financiële middelen buiten het Rijk (Comptabiliteitswet 2016)
Een rechtspersoon met een wettelijke taak is gehouden om te schatkistbankieren, met uitzondering van de rechtspersonen met een wettelijke taak, bedoeld in het tweede lid.
Een rechtspersoon met een wettelijke taak is niet gehouden om te schatkistbankieren, indien:
- a. de bij of krachtens de wet geregelde taak overwegend een private taak is;
- b. de bij of krachtens de wet geregelde taak het aantrekken van financiële middelen met als doel het uitzetten daarvan bij derden omvat;
- c. de bij of krachtens de wet geregelde taak in verhouding tot de andere taken die aan de rechtspersoon zijn opgedragen gering is;
- d. de liquide activa of de jaarlijkse ontvangsten van de rechtspersoon onder de door Onze Minister van Financiën te bepalen bedragen blijven; of
- e. de rechtspersoon met een wettelijke taak door Onze Minister van Financiën is uitgezonderd.
Een rechtspersoon met een publieke taak is gehouden om te schatkistbankieren, indien de publieke taak van die rechtspersoon naar het oordeel van Onze Minister van Financiën een risicoarm beheer van de publieke liquide middelen verlangt.
Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op de private, liquide middelen van de rechtspersoon met een wettelijke of publieke taak, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de rechtspersoon worden verantwoord.
Onze Minister van Financiën kan op verzoek van een rechtspersoon, bedoeld in het eerste en derde lid, bepaalde publieke liquide middelen van die rechtspersoon uitzonderen van de verplichting om te schatkistbankieren, indien:
- a. de rechtspersoon de noodzaak van de uitzondering voor de bedrijfsvoering voldoende aannemelijk maakt, en
- b. naar het oordeel van Onze Minister van Financiën geen afbreuk wordt gedaan aan een doelmatig en risicoarm beheer van liquide middelen.
Artikel 5.3. Verplicht schatkistbankieren met voorschotbetalingen van subsidies
Indien een subsidie ten laste van de rijksbegroting door middel van voorschotbetalingen wordt verleend, kan Onze Minister die het aangaat in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bepalen dat de subsidieontvanger, niet zijnde een natuurlijke persoon, met betrekking tot de voorschotbetalingen gehouden is om te schatkistbankieren.
Artikel 5.4. Vrijwillig schatkistbankieren
Een rechtspersoon die publieke liquide middelen beheert en een rechtspersoon met een wettelijke taak, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onderdelen c tot en met e, kan op zijn verzoek schatkistbankieren, indien een risicoarm beheer van die middelen naar het oordeel van Onze Minister van Financiën wenselijk is. De rechtspersoon dient hiervoor een verzoek bij Onze Minister van Financiën in.
Het eerste lid is niet van toepassing op de private, liquide middelen van de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de rechtspersoon worden verantwoord.
§ 3. Lenen en verstrekken van krediet via de schatkist van het Rijk
Artikel 5.5. Lenen en verstrekken van krediet bij verplicht schatkistbankieren
Onverminderd het elders bij of krachtens de wet bepaalde kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.2, eerste en derde lid, een lening of een rekening-courantkrediet ten laste van de begroting van Nationale Schuld verstrekken.
Een lening wordt verstrekt voor het financieren van investeringen in vaste activa, die benodigd zijn voor het uitvoeren van de wettelijke of publieke taak van de rechtspersoon.
Een rekening-courantkrediet wordt verstrekt voor het overbruggen van een tijdelijk liquiditeitstekort van de rechtspersoon.
Indien in enig jaar een rechtspersoon waaraan een lening of een rekening-courant krachtens het eerste lid is verstrekt in gebreke blijft de daaruit voortvloeiende verplichtingen tot het betalen van rente of aflossing na te komen, kan Onze Minister van Financiën het bedrag van die verplichtingen ten laste van de departementale begroting van Onze Minister die het aangaat overboeken naar de begroting van Nationale Schuld.
In afwijking van het vierde lid kan Onze Minister van Financiën het bedrag van de verplichtingen tot het betalen van rente of aflossing naar een andere begroting overboeken, indien Onze Minister die verantwoordelijk is voor het beheer van de andere begroting daarmee instemt.
Artikel 5.6. Lenen en verstrekken van krediet bij vrijwillig schatkistbankieren
Onze Minister van Financiën kan in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 5.4, een lening of een rekening-courantkrediet ten laste van de begroting van Nationale Schuld verstrekken.
Artikel 5.5, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Beheer van liquide middelen
Artikel 5.7. Prudent uitzetten van liquide middelen
Een rechtspersoon met een wettelijke taak als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, aanhef en onder d en e, is gehouden om zijn liquide middelen uit te zetten in de vorm van producten die voldoen aan door Onze Minister van Financiën te stellen eisen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de private, liquide middelen van een rechtspersoon met een wettelijke taak, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de rechtspersoon worden verantwoord.
Dit artikel is niet van toepassing op de rechtspersonen met een wettelijke taak waarvoor door Onze Minister die het aangaat regels over het uitzetten van liquide middelen zijn gesteld.
Artikel 5.8. Oneigenlijk beheer van liquide middelen
Het aantrekken van financiële middelen door de rechtspersonen, bedoeld in de artikelen 5.2, eerste en derde lid, 5.4 en 5.7, met als doel door het uitzetten ervan additionele financiële middelen te verwerven, is verboden.
Het eerste lid is niet van toepassing op de private, liquide middelen van een rechtspersoon, indien die liquide middelen op een adequate wijze separaat in de jaarrekening van de rechtspersoon worden verantwoord.
§ 5. Nadere regelgeving
Artikel 5.9. Nadere regelgeving
Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen over het bepaalde in de artikelen 5.1 tot en met 5.8.
Hoofdstuk 6. Toezicht op het beheer van publieke financiële middelen buiten het Rijk
§ 1. Toezicht op beheer publieke financiële middelen buiten het Rijk
Artikel 6.1. Toezicht door Onze Ministers
Onverminderd het elders bij wet of EU-verordening bepaalde, houdt Onze Minister die het aangaat, toezicht op:
- a. rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen die direct, indirect of voorwaardelijk:
- 1°. een subsidie, lening, garantie of een bijdrage in natura met kenmerken van een subsidie, lening of garantie ten laste van de rijksbegroting hebben ontvangen;
- 2°. een fiscale tegemoetkoming inzake speur- en ontwikkelingswerk, een energie-investering, een milieu-investering of een investering in huurwoningen hebben ontvangen ten behoeve waarvan door Onze Minister die het aangaat een verklaring is afgegeven of een aanwijzing bij ministeriële regeling heeft plaatsgevonden;
- b. rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen en die direct, indirect of voorwaardelijk een subsidie, lening of garantie ten laste van de EU-begroting hebben ontvangen, voor zover aan de lidstaat van de Europese Unie het toezicht op en de controle van die subsidie, lening of garantie en het beheer daarvan is opgelegd;
- c. rechtspersonen met een wettelijke taak.
Artikel 6.2. Reikwijdte toezicht door Onze Ministers
Het toezicht, bedoeld in artikel 6.1, is gericht op:
- a. de naleving van de voorwaarden die aan het beheer en de verantwoording van de subsidie, lening, garantie, bijdrage in natura of de fiscale tegemoetkoming worden gesteld door de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onder a;
- b. de nakoming van de verplichting die aan de lidstaat van de Europese Unie is opgelegd door de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onder b;
- c. de doelmatige en doeltreffende uitvoering van de wettelijke taak en de naleving van de voorwaarden die bij of krachtens de wet aan het beheer van de publieke financiële middelen worden gesteld door rechtspersonen met een wettelijke taak.
Artikel 6.3. Bevoegdheden toezicht door Onze Ministers
De rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onderdeel a tot en met c, zijn gehouden op verzoek van Onze Minister die het aangaat, de volgende informatie te verstrekken:
- a. de jaarrekeningen, jaarverslagen en de aan de jaarrekeningen en jaarverslagen toegevoegde overige gegevens;
- b. de verantwoordingen, gegevens en documenten die nodig zijn voor de definitieve vaststelling van de subsidie, lening, garantie of bijdrage in natura met kenmerken van een subsidie, lening of garantie;
- c. de verslagen van de onderzoeken van de accountants die de bescheiden, bedoeld onder a en b, hebben gecontroleerd;
- d. nadere informatie die Onze Minister die het aangaat nodig acht.
Indien de informatie, bedoeld in het eerste lid, naar het oordeel van Onze Minister die het aangaat daartoe aanleiding geeft, is Onze Minister bevoegd bij de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onder a tot en met c, nadere inlichtingen in te winnen of overlegging van stukken te vorderen.
Onze Minister die het aangaat kan aan de hand van de administratie een onderzoek instellen bij de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onder a tot en met c.
Onze Minister die het aangaat is bevoegd, voor zover hij dat nodig acht voor het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 6.1, bij alle onderdelen van de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 6.1, onder a tot en met c, alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers op door hem aan te geven wijze te onderzoeken.
Onze Minister die het aangaat is bevoegd inzage te vorderen in de controleprogramma’s en dossiers van de accountant die de bescheiden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, heeft gecontroleerd om te beoordelen of in het kader van het toezicht, bedoeld in artikel 6.1, kan worden gesteund op de controle die deze accountant heeft uitgevoerd. De accountant kan inzage in de controledossiers niet weigeren met een beroep op een bij of krachtens de wet opgelegde verplichting tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens die in de controledossiers zijn opgenomen.
De bevoegdheden, bedoeld in artikel 6.3, vierde lid, worden uitgeoefend onder verantwoordelijkheid van een registeraccountant of een accountant-administratieconsulent ten aanzien van wie in het accountantsregister een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op het accountantsberoep.
Indien Onze Minister die het aangaat gebruik maakt van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en 5:17, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister die het aangaat kan de bevoegdheden, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, uitoefenen zolang als en over de jaren dat het Rijk daarbij belang heeft.
Onverminderd het elders bij of krachtens de wet bepaalde, stelt Onze Minister die het aangaat, in afwijking van het tweede lid, geen onderzoek in ten aanzien van provincies, gemeenten, waterschappen, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen met uitzondering van de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen waaraan vanwege het Rijk wordt deelgenomen, voor zover zij een bijdrage als bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onderdeel a, hebben ontvangen.
Artikel 6.4. Bevoegdheden toezicht door Onze Ministers bij uitbesteding
Indien een administratie of de daarmee samenhangende taken aan een derde worden uitbesteed, dan is Onze Minister die het aangaat bevoegd aan de hand van de administratie bij die derde of degene die de administratie of de taken in opdracht van die derde uitvoert een onderzoek als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, te verrichten.
Artikel 6.5. Aansprakelijkheid accountant
De accountant die op grond van de artikelen 6.3, vijfde lid, inzage in de controledossiers verleent en kopieën hieruit verstrekt, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat de accountant gelet op alle feiten en omstandigheden hiertoe in redelijkheid niet had mogen overgaan.
Artikel 6.6. Regelgeving
Onverminderd het elders bij wet bepaalde, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over:
- a. de informatie die de rechtspersonen met een wettelijke taak in hun begroting en jaarverslag opnemen;
- b. de eisen aan de informatie die in het jaarverslag van de rechtspersonen met een wettelijke taak wordt opgenomen.
§ 2. Toezicht op schatkistbankieren
Artikel 6.7. Toezicht door Onze Ministers op schatkistbankieren
Onze Minister die het aangaat is belast met het toezicht op:
- a. het schatkistbankieren door de rechtspersonen die krachtens artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, zijn aangewezen;
- b. het uitzetten van de liquide middelen door de rechtspersonen die krachtens artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, zijn aangewezen;
- c. het in artikel 5.8 bepaalde.
Een rechtspersoon die krachtens artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, is aangewezen verstrekt op verzoek van Onze Minister die het aangaat de informatie die hij voor zijn toezicht, bedoeld in het eerste lid, nodig acht.
De rechtspersonen die krachtens artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, zijn aangewezen, verrichten op verzoek van Onze Minister die het aangaat een onderzoek naar de naleving van de verplichtingen, bedoeld de artikelen 5.2 tot en met 5.4 en 5.7 en 5.8. Het onderzoek wordt verricht door de accountant die belast is met de controle van de jaarrekening van die rechtspersoon. De rechtspersonen sturen het verslag van het onderzoek naar Onze Minister die het aangaat.
Onze Minister die het aangaat kan een rechtspersoon die krachtens artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, is aangewezen en die zich niet houdt aan het bij of krachtens de artikelen 5.1, tot en met 5.4 en 5.7 en 5.8 bepaalde, de aanwijzing geven hieraan alsnog te voldoen.
Artikel 6.8. Nadere regelgeving
Onze Minister van Financiën kan nadere regels stellen over het toezicht, bedoeld in artikel 6.7.
§ 3. Verklaring over EU-uitgaven
Artikel 6.9. Verklaring over EU-uitgaven
Onze Minister van Financiën kan in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaan jaarlijks ten behoeve van de Europese Commissie een verklaring opstellen over de besteding van de Europese middelen in gedeeld beheer door de lidstaat Nederland.
Onze Minister van Financiën zendt de verklaring naar de Europese Commissie.
Onze Minister van Financiën zendt de verklaring voor onderzoek naar de Algemene Rekenkamer.
Onze Minister van Financiën zendt de verklaring na het onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Hoofdstuk 7. Algemene Rekenkamer
§ 1. Samenstelling en organisatie
Artikel 7.1. Samenstelling
De Algemene Rekenkamer bestaat uit drie leden in gewone dienst die tezamen het college van de Algemene Rekenkamer vormen, alsmede uit ten hoogste drie leden in buitengewone dienst.
De president wordt uit de leden in gewone dienst bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties benoemd.
De Algemene Rekenkamer stelt Ons en de Tweede Kamer der Staten-Generaal zo spoedig mogelijk in kennis van een vacature onder de leden.
Het college van de Algemene Rekenkamer stelt een aanbevelingslijst op met ten minste vier kandidaten en zendt deze zo spoedig mogelijk na de kennisgeving van de vacature, bedoeld in het derde lid, naar de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Tweede Kamer der Staten-Generaal zal bij haar voordracht op de aanbevelingslijst zodanig acht slaan als haar dienstig voorkomt.
Artikel 7.2. Leden in buitengewone dienst
De leden in buitengewone dienst kunnen door de president worden opgeroepen om deel te nemen aan bepaalde werkzaamheden en hebben met betrekking tot die werkzaamheden dezelfde bevoegdheden als de leden in gewone dienst. De leden in buitengewone dienst maken dan tevens deel uit van het college van de Algemene Rekenkamer.
Een lid in buitengewone dienst vervangt een lid in gewone dienst gedurende diens voorziene afwezigheid of ontstentenis.
Artikel 7.3. De secretaris
De Algemene Rekenkamer heeft een secretaris.
Op voordracht van de Algemene Rekenkamer wordt bij koninklijk besluit besloten tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de secretaris. Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit op voordracht van de Algemene Rekenkamer besloten, tenzij de Algemene Rekenkamer de arbeidsovereenkomst opzegt op grond van artikel 677 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 7.4. Benoemingsvereisten
Om tot lid van de Algemene Rekenkamer te kunnen worden benoemd, moet men Nederlander zijn.
De leden en de secretaris vervullen geen andere openbare betrekkingen waaraan een vaste beloning of toelage is verbonden, noch zijn zij lid van een publiekrechtelijk college waarvoor de keuze geschiedt bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen. Hiervan kan bij koninklijk besluit, de Algemene Rekenkamer gehoord, ontheffing worden verleend, tenzij de onverenigbaarheid ook uit een ander wettelijk voorschrift voortvloeit.
Onverminderd het tweede lid, vervullen de leden en de secretaris geen betrekkingen die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun ambt of handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
De betrekkingen die de leden en de secretaris buiten hun ambt vervullen, worden jaarlijks door de president openbaar gemaakt.
Artikel 7.5. Ontslag en schorsing
Een lid wordt ontslag verleend op eigen verzoek en bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar. Het ontslag gaat in op de eerste dag van de volgende maand.
De Hoge Raad der Nederlanden kan de leden ontslaan of schorsen. Hoofdstuk 6A van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de artikelen 46b, 46c, onder b en c, 46ca, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, 46d, 46i, eerste lid, onder c, 46k en 46q, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
- a. de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de president van de Algemene Rekenkamer;
- b. in artikel 46e voor «de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de president van de Algemene Rekenkamer»;
- c. de president van de Algemene Rekenkamer als functionele autoriteit wordt aangemerkt;
- d. voor «Onze Minister» wordt gelezen «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties»;
- e. de voordracht, bedoeld in de artikelen 46i, vierde lid, en 46l, tweede lid, wordt gedaan door de Algemene Rekenkamer;
- f. in artikel 46p, vijfde lid, in plaats van «het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad» wordt gelezen «de Algemene Rekenkamer».
Onverminderd de gronden voor ontslag, bedoeld in het tweede lid, is een grond voor ontslag dat het lid in strijd met artikel 7.4, derde lid, handelt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot wachtgeld en voorzieningen in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Artikel 7.6. Aanvaarding van het ambt
De president, de overige leden in gewone dienst, de leden in buitengewone dienst en de secretaris leggen, alvorens hun ambt te aanvaarden, in Onze handen de volgende eed (verklaring en belofte) af:
- «Ik zweer (verklaar) dat ik, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, aan iemand iets heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik om iets in dit ambt te doen of te laten, van niemand enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen, middellijk of onmiddellijk. Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, dat ik de Grondwet steeds zal helpen onderhouden en mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)».
Daartoe door Ons gemachtigd kan ook de president in een vergadering van het college van de Algemene Rekenkamer deze eed of de verklaring en belofte afnemen van de overige leden in gewone dienst, de leden in buitengewone dienst en de secretaris.
Artikel 7.7. Reglement van orde
De Algemene Rekenkamer stelt voor haar werkzaamheden een reglement van orde vast. Het reglement wordt in de Staatscourant geplaatst.
Artikel 7.8. Taken en bevoegdheden van de president
De president houdt toezicht op de werkzaamheden van de Algemene Rekenkamer en op de juiste toepassing van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.
De president brengt alle stukken die aan de Algemene Rekenkamer of aan hem in zijn hoedanigheid worden toegezonden ter behandeling in de vergadering van het college van de Algemene Rekenkamer met uitzondering van de stukken die in het reglement van orde zijn uitgezonderd.
De taken en bevoegdheden van de president worden bij diens afwezigheid of ontstentenis waargenomen door het aanwezige lid in gewone dienst dat naar rang van benoeming het oudst is.
Artikel 7.9. Besluitvorming
Het college van de Algemene Rekenkamer besluit bij meerderheid van stemmen.
Indien de stemmen staken, beslist de stem van de president.
Het college van de Algemene Rekenkamer neemt geen besluiten, indien niet ten minste de meerderheid van het aantal leden van het college van de Algemene Rekenkamer in de vergadering aanwezig is.
Artikel 7.10. Verschoningsplicht
De leden en de secretaris mogen niet aanwezig zijn bij de beraadslagingen en het nemen van beslissingen over enige zaak, die hen, hun echtgenoten, hun geregistreerde partners, degenen met wie zij duurzaam samenleven of hun naastbestaanden tot in de derde graad van bloedverwantschap of aanverwantschap betreffen.
De leden en de secretaris nemen niet deel aan het onderzoek van en de beslissing over rekeningen en verantwoordingen die door hen worden afgelegd.
Artikel 7.11. Ambtenaren van de Algemene Rekenkamer
Het college van de Algemene Rekenkamer kan het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomsten met de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer opdragen aan de secretaris.
Ten aanzien van de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer gelden de voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Op verzoek van de Algemene Rekenkamer kunnen in de collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in het tweede lid, andere arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer worden opgenomen.
Van de ambtenaren van de Algemene Rekenkamer wordt door de president hetzij de eed, hetzij de verklaring en belofte afgenomen.
§ 2. Het verantwoordings- en doelmatigheidsonderzoek
Artikel 7.12. Verantwoordingsonderzoek
De Algemene Rekenkamer onderzoekt met betrekking tot het Rijk jaarlijks:
- a. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
- b. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;
- c. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt met betrekking tot het Rijk:
- a. het begrotingsbeheer, het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;
- b. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën.
Artikel 7.13. Reikwijdte van het verantwoordingsonderzoek
Het onderzoek, bedoeld in artikel 7.12, eerste lid, is erop gericht na te gaan of voldaan is aan de normen, bedoeld in de artikelen 3.8 tot en met 3.10.
Het onderzoek, bedoeld in artikel 7.12, tweede lid, is erop gericht na te gaan of voldaan is aan de normen, bedoeld in de artikelen 3.2 tot en met 3.5.
Artikel 7.14. Rapporteren over het verantwoordingsonderzoek
De Algemene Rekenkamer legt haar bevindingen en conclusies met betrekking tot de onderzoeken, bedoeld in artikel 7.12, eerste en tweede lid, jaarlijks vast in rapporten.
De Algemene Rekenkamer stelt een verklaring van goedkeuring op bij de in het Financieel jaarverslag van het Rijk opgenomen rijksrekening en de rijkssaldibalans, bedoeld in artikel 2.35, tweede en vierde lid.
De verklaring van goedkeuring wordt zo nodig gegeven onder voorbehoud van de vaststelling van de slotverschillen, bedoeld in artikel 2.36, en in voorkomende gevallen een indemniteitswet als bedoeld in artikel 7.22, derde lid.
Voordat de Algemene Rekenkamer een rapport, bedoeld in het eerste lid, vaststelt, stelt zij Onze Minister die het aangaat in de gelegenheid binnen een redelijke termijn te reageren op haar bevindingen en voorlopige conclusies.
Van gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn, maakt de Algemene Rekenkamer geen melding in een rapport als bedoeld in het eerste lid. Mededelingen die zodanige gegevens of bevindingen bevatten, kan zij vertrouwelijk ter kennisneming aan de Staten-Generaal verstrekken.
Artikel 7.15. Aanbieden rapport verantwoordingsonderzoek
De Algemene Rekenkamer biedt de rapporten en de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, eerste en tweede lid, uiterlijk op 1 juni van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan de Staten-Generaal en Ons aan.
Indien de Algemene Rekenkamer het onderzoek, bedoeld in artikel 7.12, eerste en tweede lid, op 1 juni van het jaar volgend op het begrotingsjaar nog niet heeft afgesloten, biedt zij op die datum een voorlopig rapport over de stand van het betrokken onderzoek. In dat geval zendt de Algemene Rekenkamer het definitieve rapport en de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, eerste en tweede lid, zo spoedig mogelijk na.
Artikel 7.16. Doelmatigheidsonderzoek
De Algemene Rekenkamer onderzoekt de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het gevoerde beleid van het Rijk.
Artikel 7.17. Aanbieden rapport doelmatigheidsonderzoek
De Algemene Rekenkamer stelt de Staten-Generaal en Ons in kennis van het rapport dat zij naar aanleiding van een onderzoek, bedoeld in artikel 7.16, vaststelt.
De Algemene Rekenkamer stelt in voorkomende gevallen tevens de instelling, bedoeld in artikel 7.34, achtste lid, in kennis van het rapport, bedoeld in het eerste lid.
Voordat de Algemene Rekenkamer een rapport als bedoeld in het eerste lid, vaststelt, stelt zij Onze Minister die het aangaat in de gelegenheid binnen een redelijke termijn te reageren op haar bevindingen en voorlopige conclusies.
Van gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn, maakt de Algemene Rekenkamer geen melding in een rapport als bedoeld in het eerste lid. Mededelingen die zodanige gegevens of bevindingen bevatten, kan zij vertrouwelijk ter kennisneming aan de Staten-Generaal verstrekken.
Artikel 7.18. Bevoegdheden verantwoordings- en doelmatigheidsonderzoek
De Algemene Rekenkamer is bevoegd, voor zover zij dat nodig acht voor het uitvoeren van haar taken, bij alle onderdelen van het Rijk alle goederen, administraties, documenten en andere informatiedragers op door haar aan te geven wijze te onderzoeken.
De Algemene Rekenkamer is bevoegd voor het uitvoeren van haar taken inzage te vorderen in de controleprogramma’s en dossiers van de accountant die in opdracht van een van Onze Ministers of een college met een controle of review is belast. De Algemene Rekenkamer is bevoegd kopieën te maken van de stukken uit de controledossiers. De accountant kan inzage in de controledossiers niet weigeren met een beroep op een bij of krachtens de wet opgelegde verplichting tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens die in de controledossiers zijn opgenomen. Artikel 6.5 is van overeenkomstige toepassing.
Bij het uitvoeren van haar taken kan de Algemene Rekenkamer gebruik maken van de resultaten van door anderen verrichte controles, onverminderd haar bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek.
De Algemene Rekenkamer kan de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel, uitoefenen zolang als en over de jaren dat het Rijk daarbij belang heeft.
Onze Ministers en de colleges zijn gehouden desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die de Algemene Rekenkamer voor het uitvoeren van haar taken nodig acht.
De accountant die in opdracht van een van Onze Ministers of een college met een controle is belast, verstrekt desgevraagd aan de Algemene Rekenkamer de controleprogramma’s en dossiers met betrekking tot zijn controles.
Artikel 7.19. Bevoegdheden verantwoordings- en doelmatigheidsonderzoek bij uitbesteding
Indien een administratie of de daarmee samenhangende taken aan een derde worden uitbesteed, dan is de Algemene Rekenkamer bevoegd aan de hand van de administratie bij die derde of degene die de administratie of de taken in opdracht van die derde uitvoert een onderzoek als bedoeld in de artikelen 7.12 en 7.16, te verrichten.
Artikel 7.20. Bevoegdheden verantwoordings- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot geheime uitgaven en ontvangsten
Het college van de Algemene Rekenkamer verricht het onderzoek naar geheime uitgaven en ontvangsten.
Bij het onderzoek kan het college zich laten ondersteunen door zijn medewerkers.
Artikel 7.21. Bezwaarprocedure algemeen
De Algemene Rekenkamer kan op grond van haar onderzoek, bedoeld in artikel 7.12, bezwaar maken tegen het financieel beheer, de materiële bedrijfsvoering of de verantwoording daarover.
De Algemene Rekenkamer deelt het bezwaar aan Onze Minister die het aangaat mede.
Binnen een maand na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het tweede lid, stelt Onze Minister die het aangaat de Algemene Rekenkamer in kennis van de maatregelen die tot opheffing van haar bezwaar kunnen leiden.
Na afloop van deze termijn neemt de Algemene Rekenkamer haar eindbeslissing, waarvan zij mededeling doet aan Onze Minister die het aangaat.
Artikel 7.22. Bezwaarprocedure bij handhaving van het bezwaar
De Algemene Rekenkamer kan haar bezwaar, bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, handhaven.
Indien de Algemene Rekenkamer haar bezwaar handhaaft, doet zij hiervan mededeling aan Onze Minister die het aangaat en Onze Minister van Financiën.
Indien het bezwaar betrekking heeft op de rechtmatigheid, dan wordt binnen twee maanden na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een voorstel tot vaststelling van een indemniteitswet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.
Indien na afloop van die termijn niet van de indiening van een dergelijk voorstel is gebleken, doet de Algemene Rekenkamer daarvan mededeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Algemene Rekenkamer maakt van haar bezwaar indien dit anders luidt dan het bezwaar, bedoeld in het derde lid, melding in het betrokken rapport, bedoeld in artikel 7.14.
De Algemene Rekenkamer kan daarover tevens een aantekening plaatsen in haar rapport bij het Financieel jaarverslag van het Rijk.
§ 3. Overige taken en bevoegdheden
Artikel 7.23. Onderzoek op verzoek
De Algemene Rekenkamer kan op verzoek van elk van de Kamers der Staten-Generaal of ieder van Onze Ministers een onderzoek instellen.
Artikel 7.24. Onderzoek naar publieke middelen buiten het Rijk
Onverminderd het elders bij wet bepaalde, kan de Algemene Rekenkamer een onderzoek verrichten ten aanzien van:
- a. rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen die direct, indirect of voorwaardelijk:
- 1°. een subsidie, lening, garantie of een bijdrage in natura met kenmerken van een subsidie, lening of garantie ten laste van de rijksbegroting hebben ontvangen;
- 2°. een fiscale tegemoetkoming inzake speur- en ontwikkelingswerk, een energie-investering, een milieu-investering of een investering in huurwoningen hebben ontvangen ten behoeve waarvan door Onze Minister die het aangaat een verklaring is afgegeven of een aanwijzing bij ministeriële regeling heeft plaatsgevonden;
- b. rechtspersonen met een wettelijke taak;
- c. rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen die goederen of diensten leveren die betrekking hebben op de uitvoering van een publieke taak waarvan de betaling ten laste van de rijksbegroting komt en waarbij de Staat zich het recht heeft voorbehouden bij de betreffende rechtspersoon, commanditaire vennootschap, vennootschap onder firma of natuurlijke persoon controles uit te voeren ten aanzien van de geleverde goederen of diensten;
- d. openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan vanwege het Rijk wordt deelgenomen;
- e. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de Staat 5% of meer van het geplaatste aandelenkapitaal houdt;
- f. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de Staat samen met een of meer gemeenten, een of meer provincies, een of meer waterschappen of een of meer gemeenten, een of meer provincies en een of meer waterschappen tezamen meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt.
Artikel 7.25. Reikwijdte onderzoek naar publieke middelen buiten het Rijk
Een onderzoek ten aanzien van rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel a tot en met c, is gericht op oordeelsvorming over:
- a. het gevoerde beleid van Onze Minister die het aangaat met betrekking tot de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel a tot en met c;
- b. het toezicht dat Onze Minister die het aangaat op de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel a tot en met c, uitoefent.
Onverminderd het eerste lid is een onderzoek ten aanzien van rechtspersonen met een wettelijke taak als bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel b, mede gericht op oordeelsvorming over:
- a. het beheer van de publieke middelen door de rechtspersonen met een wettelijke taak;
- b. de uitvoering van de wettelijke taak.
Een onderzoek bij De Nederlandsche Bank N.V. heeft geen betrekking op de uitvoering van taken ter uitvoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 7.26. Reikwijdte onderzoek naar openbare lichamen en gemeenschappelijke organen
Een onderzoek ten aanzien van openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel d, is gericht op:
- a. de oordeelsvorming over de vervulling van de deelname vanwege het Rijk met betrekking tot de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel d;
- b. het beleid dat Onze Minister die het aangaat met betrekking tot de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel d, voert.
Artikel 7.27. Reikwijdte onderzoek naar staatsdeelnemingen
Een onderzoek ten aanzien van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdelen e en f, is gericht op:
- a. de oordeelsvorming over de vervulling van het aandeelhouderschap van de Staat met betrekking tot deze naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen;
- b. het beleid dat Onze Minister die het aangaat voert met betrekking tot deze naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen.
Artikel 7.28. Onderzoek naar bijdragen ten laste van de EU-begroting
Onverminderd het elders bij wet of EU-verordening bepaalde, kan de Algemene Rekenkamer, voor zover aan de lidstaat van de Europese Unie de verplichting tot het toezicht op en de controle van een subsidie, lening of garantie en het beheer daarvan is opgelegd, onderzoek verrichten bij rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen die direct, indirect of voorwaardelijk een subsidie, lening of garantie ten laste van de EU-begroting hebben ontvangen.
Artikel 7.29. Reikwijdte onderzoek naar bijdragen ten laste van de EU-begroting
Een onderzoek ten aanzien van rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen, bedoeld in artikel 7.28, is gericht op oordeelsvorming over het toezicht dat door Onze Ministers die het aangaan is gevoerd ter nakoming van de bij of krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de lidstaat opgelegde verplichtingen inzake het financieel beheer van de ontvangen subsidie, lening of garantie, de controle daarvan of het toezicht daarop.
Artikel 7.30. Aanbieden rapport overige onderzoeken
De Algemene Rekenkamer stelt de Staten-Generaal en Ons in kennis van het rapport dat zij naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in de artikelen 7.23, 7.24 en 7.28, vaststelt.
De Algemene Rekenkamer stelt in voorkomende gevallen tevens de instelling, bedoeld in artikel 7.34, achtste lid, in kennis van het rapport, bedoeld in het eerste lid.
Indien de Algemene Rekenkamer een onderzoek heeft ingesteld ten aanzien van een naamloze vennootschap of besloten vennootschap als bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel f, zendt zij tevens een afschrift van het rapport ter kennisneming aan het betreffende gemeentebestuur, provinciebestuur of waterschapsbestuur.
Voordat de Algemene Rekenkamer een rapport, bedoeld in het eerste lid, vaststelt, stelt zij Onze Minister die het aangaat in de gelegenheid binnen een redelijke termijn te reageren op haar bevindingen en voorlopige conclusies.
Van gegevens en bevindingen die naar hun aard vertrouwelijk zijn, maakt de Algemene Rekenkamer geen melding in een rapport als bedoeld in het eerste lid. Mededelingen die zodanige gegevens of bevindingen bevatten, kan zij vertrouwelijk ter kennisneming aan de Staten-Generaal verstrekken.
Artikel 7.31. Onderzoek naar de verklaring over EU-uitgaven
De Algemene Rekenkamer onderzoekt de verklaring, bedoeld in artikel 6.9, inzake de besteding van de Europese middelen in gedeeld beheer door Nederland.
Artikel 7.32. Aanbieden rapport onderzoek naar de verklaring over EU-uitgaven
De Algemene Rekenkamer stelt de Staten-Generaal en Onze Minister van Financiën in kennis van het rapport dat zij naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 7.31, vaststelt.
Artikel 7.30, tweede, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.33. Verslag van werkzaamheden
De Algemene Rekenkamer biedt de Staten-Generaal en Ons jaarlijks uiterlijk op 1 april een verslag aan van haar werkzaamheden in het daaraan voorafgaande jaar.
Artikel 7.34. Bevoegdheden onderzoek naar publieke middelen buiten het Rijk en openbare lichamen en gemeenschappelijke organen
De Algemene Rekenkamer maakt bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7.24, onder a tot en met d, zoveel mogelijk gebruik van door anderen verrichte controles.
De Algemene Rekenkamer kan aan de hand van de bescheiden die aanwezig zijn bij Onze Minister die het aangaat of de instelling, bedoeld in het achtste lid, kennis nemen van de informatie over de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, natuurlijke personen, openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel a tot en met d.
Indien de informatie, aanwezig bij Onze Minister die het aangaat of de instelling, bedoeld in het achtste lid, naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer daartoe aanleiding geeft, is de Algemene Rekenkamer bevoegd bij de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, natuurlijke personen, openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel a tot en met d, nadere inlichtingen in te winnen of overlegging van stukken te vorderen.
De Algemene Rekenkamer kan aan de hand van de administratie een onderzoek instellen bij de rechtspersonen, commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma, natuurlijke personen, openbare lichamen en gemeenschappelijke organen, bedoeld in artikel 7.24, onderdeel a tot en met d. De artikelen 7.18, eerste lid, en 7.19 zijn van overeenkomstige toepassing.
De Algemene Rekenkamer is bevoegd inzage te vorderen in de controleprogramma’s en dossiers van de accountant die de documenten, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel a en b, heeft gecontroleerd. De accountant kan inzage in de controledossiers niet weigeren met een beroep op een bij of krachtens de wet opgelegde verplichting tot geheimhouding van vertrouwelijke gegevens die in de controledossiers zijn opgenomen. Artikel 6.5 is van overeenkomstige toepassing.
Indien de Algemene Rekenkamer gebruik maakt van de bevoegdheden, bedoeld in het derde tot en met het vijfde lid, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15 en 5:17, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
De Algemene Rekenkamer kan haar bevoegdheden, bedoeld in dit artikel, uitoefenen zolang als en over de jaren dat het algemeen belang dit vordert.
Een instelling die bij of krachtens de wet is belast met het houden van toezicht op rechtspersonen met een wettelijke taak licht de Algemene Rekenkamer op door haar aan te geven wijze in over de resultaten van het toezicht. Indien de Algemene Rekenkamer daarom verzoekt, stelt de instelling haar controleprogramma’s ter beschikking.
De Algemene Rekenkamer licht Onze Minister die het aangaat in over het onderzoek dat zij op basis van dit artikel verricht.
Dit artikel is niet van toepassing op provincies, gemeenten, waterschappen, de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, openbare lichamen voor beroep en bedrijf, financiële ondernemingen en elektronischgeldinstellingen, bedoeld in de Wet op het financieel toezicht en de Wet financiële markten BES, en openbare lichamen en gemeenschappelijke organen ingesteld krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen met uitzondering van de openbare lichamen en gemeenschappelijke organen waaraan vanwege het Rijk wordt deelgenomen.
Artikel 7.35. Bevoegdheden onderzoek naar staatsdeelnemingen
Ten aanzien van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, waarvan de Staat ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt, bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel e, is artikel 7.34, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het inwinnen van nadere inlichtingen en het vorderen van stukken door tussenkomst van Onze Minister die het aangaat geschiedt en uitsluitend betrekking heeft op de jaarrekeningen en de daarop betrekking hebbende rapporten van de accountants die de jaarrekeningen hebben gecontroleerd.
Ten aanzien van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de Staat meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houdt en van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarin de eerstgenoemde naamloze en besloten vennootschappen middellijk of onmiddellijk meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houden, is artikel 7.34, eerste tot en met zevende lid en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
Ten aanzien van de naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, bedoeld in artikel 7.24, aanhef en onderdeel f, en de naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarin de eerstbedoelde vennootschappen middellijk of onmiddellijk meer dan 50% van het geplaatste aandelenkapitaal houden, is artikel 7.34, eerste tot en met zevende lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel 7.34, negende lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de Algemene Rekenkamer mede het betreffende gemeentebestuur, provinciebestuur of waterschapsbestuur inlicht.
Artikel 7.36. Bevoegdheden onderzoek naar bijdragen ten laste van de EU-begroting
Ten aanzien van een onderzoek naar bijdragen ten laste van de EU-begroting als bedoeld in artikel 7.28, is artikel 7.34, eerste tot en met negende lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7.37. Samenwerking binnen het Koninkrijk
De Algemene Rekenkamer kan samenwerken met de Algemene Rekenkamers van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de gezamenlijk rekenkamer van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het is niet toegestaan gegevens, bevindingen of conclusies die naar hun aard vertrouwelijk zijn te verstrekken aan de rekenkamers, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 7.38. Internationale werkzaamheden
De Algemene Rekenkamer kan internationale werkzaamheden verrichten die aansluiten bij haar wettelijke taken.
De Algemene Rekenkamer kan ten aanzien van de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, samenwerken met onderzoeksinstituten uit andere landen die vergelijkbaar zijn met de Algemene Rekenkamer.
Artikel 7.37, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de werkzaamheden bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 7.39. Verstrekken van mededelingen
De Algemene Rekenkamer verstrekt aan Onze Minister van Financiën, Onze Minister die het aangaat en de Staten-Generaal de mededelingen die zij in het algemeen belang nodig oordeelt.
§ 4. Overleg
Artikel 7.40. Overleg met de Algemene Rekenkamer
Onze Minister die het aangaat voert overleg met Onze Minister van Financiën en de Algemene Rekenkamer over:
- a. de bij of krachtens de wet te stellen regels die betrekking hebben op de taken of bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer;
- b. een wettelijke regeling als bedoeld in artikel 4.7, derde lid, onder a, voor zover die wettelijke regeling betrekking heeft op het oprichten, mede-oprichten of doen oprichten van privaatrechtelijke rechtspersonen door de Staat.
Onze Minister die het aangaat voert in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën, overleg met de Algemene Rekenkamer over ontwerp EU-regelgeving voor zover die betrekking heeft op de positie, taken of bevoegdheden van nationale rekenkamers.
Onze Minister van Financiën voert overleg met de Algemene Rekenkamer over de bij of krachtens deze wet te stellen regels, met uitzondering van de regels over:
- a. het inrichten van de rijksbegroting, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
- b. het begrotingsproces, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel b;
- c. het begrotingsbeheer, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel d;
- d. de financiële administratie voor zover het de begrotingsadministratie betreft, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, aanhef en onderdeel e.
Onze Minister die het aangaat verbindt een redelijke termijn aan het overleg met de Algemene Rekenkamer, bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Hoofdstuk 8. Comptabele noodwetgeving
Artikel 8.1. Comptabele noodwetgeving
Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, aan Onze Minister van Financiën de bevoegdheid worden verleend om regels te stellen in afwijking van deze wet en de wetten, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid.
Wanneer het besluit, bedoeld in het eerste lid, is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden over het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.
Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar het oordeel van de regering toelaten.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het besluit treedt in werking terstond na de bekendmaking.
Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.
Hoofdstuk 9. Wijziging andere wetten
Artikel 9.1. Wijziging Coördinatiewet uitzonderingstoestanden
Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.
Artikel 9.2. Wijziging Financiële-verhoudingswet
Wijzigt de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 9.3. Wijziging Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Wijzigt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Artikel 9.4. Wijziging Handelsregisterwet 2007
Wijzigt de Handelsregisterwet 2007.
Artikel 9.5. Wijziging Kaderwet adviescolleges
Wijzigt de Kaderwet adviescolleges.
Artikel 9.6. Wijziging Prijzennoodwet
Wijzigt de Prijzennoodwet.
Artikel 9.7. Wijziging Spoorwegwet
Wijzigt de Spoorwegwet.
Artikel 9.8. Wijziging Tijdelijke wet ambulancezorg
Wijzigt de Tijdelijke wet ambulancezorg.
Artikel 9.9. Wijziging Uitvoeringswet EGTS-verordening
Wijzigt de Uitvoeringswet EGTS-verordening.
Artikel 9.10. Wijziging Waterwet
Wijzigt de Waterwet.
Artikel 9.11. Wijziging Woningwet
Wijzigt de Woningwet.
Artikel 9.12. Wijziging Wet BDU verkeer en vervoer
Wijzigt de Wet BDU verkeer en vervoer.
Artikel 9.13. Wijziging Wet dieren
Wijzigt de Wet dieren.
Artikel 9.14. Wijziging Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Wijzigt de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 9.15. Wijziging Wet Fonds economische structuurversterking
Wijzigt de Wet Fonds economische structuurversterking.
Artikel 9.16. Wijziging Wet houdbare overheidsfinanciën
Wijzigt de Wet houdbare overheidsfinanciën.
Artikel 9.17. Wijziging Wet Infrastructuurfonds
Wijzigt de Wet Infrastructuurfonds.
Artikel 9.18. Wijziging Wet langdurige zorg
Wijzigt de Wet langdurige zorg.
Artikel 9.19. Wijziging Wet marktordening gezondheidszorg
Wijzigt de Wet marktordening gezondheidszorg.
Artikel 9.20. Wijziging Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector
Wijzigt de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Artikel 9.21. Wijziging Wet op het financieel toezicht
Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.
Artikel 9.22. Wijziging Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wijzigt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.
Artikel 9.23. Wijziging Wet op de kansspelen
Wijzigt de Wet op de kansspelen.
Artikel 9.24. Wijziging Wet op het LSOP en het politieonderwijs
Wijzigt de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.
Artikel 9.25. Wijziging Wet op de parlementaire enquête 2008
Wijzigt de Wet op de parlementaire enquête 2008.
Artikel 9.26. Wijziging Wet op de rechterlijke organisatie
Wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie.
Artikel 9.27. Wijziging Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
Wijzigt de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen.
Artikel 9.28. Wijziging Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen
Wijzigt de Wet stichting administratiekantoor beheer financiële instellingen.
Artikel 9.29. Wijziging Wet toezicht accountantsorganisaties
Wijzigt de Wet toezicht accountantsorganisaties.
Artikel 9.30. Wijziging Zorgverzekeringswet
Wijzigt de Zorgverzekeringswet.
Hoofdstuk 10. Evaluatie-, overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Evaluatie
Artikel 10.1. Evaluatie
Onze Minister van Financiën zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de effecten van deze wet in de praktijk.
§ 2. Overgangsrecht en samenloop
Artikel 10.2. Overgangsrecht
De bepalingen van de Comptabiliteitswet 2001 en de daarop berustende bepalingen zoals deze golden voor de inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op:
- a. de begrotingen en de suppletoire begrotingen, jaarverslagen en rapporten die met deze begrotingen samenhangen, voor zover de begrotingen voor de inwerkingtreding van deze wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn ingediend;
- b. de besluiten betreffende de aanwijzing als baten-lastenagentschap of verplichtingen-kasagentschap, bedoeld in de artikelen 10 en 11a van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de besluiten voor de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen;
- c. de besluiten betreffende de aanwijzing tot het aanhouden van liquide middelen in de schatkist van het Rijk of het uitzetten van liquide middelen, bedoeld in de artikelen 24, zesde lid, en 45 van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de besluiten voor de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen;
- d. de privaatrechtelijke rechtshandelingen, bedoeld in de artikelen 32, 34 en 34a van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de rechtshandelingen voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verricht;
- e. de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in hoofdstuk VII van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de bevoegdheden voor de inwerkingtreding van deze wet zijn toegepast.
De bepalingen van deze wet zijn niet van toepassing op:
- a. de begrotingen en de suppletoire begrotingen, jaarverslagen en rapporten die met deze begrotingen samenhangen, voor zover de begrotingen voor de inwerkingtreding van deze wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn ingediend;
- b. de privaatrechtelijke rechtshandelingen, bedoeld in de artikelen 32, 34 en 34a van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de rechtshandelingen voor de inwerkingtreding van deze wet zijn verricht;
- c. de bevoegdheden van de Algemene Rekenkamer, bedoeld in hoofdstuk VII van de Comptabiliteitswet 2001, voor zover de bevoegdheden voor de inwerkingtreding van deze wet zijn toegepast.
Artikel 10.3. Grondslag besluiten
Met de inwerkingtreding van deze wet berusten:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)