Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 23 juni 2017, nr. 1214771 tot intrekking van toezichtkaders onder vaststelling van beleidsregels houdende Onderzoekskaders 2017
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goede toegankelijkheid van de voor- en vroegscholen (praktisch, financieel en geografisch) voor alle potentiële doelgroepkinderen. Daartoe moeten zij ook inzicht hebben in het non-bereik: waar ‘zitten’ de doelgroepkinderen die niet naar een voorschool gaan en waardoor komt het dat zij niet naar een voorschool gaan?
Toelichting wettelijke eisen
Gemeenten zijn op basis van artikel 167, lid 1a onder 2 van de WPO verantwoordelijk voor het voeren van overleg en het zorg dragen voor het maken van afspraken over de wijze waarop doelgroepkinderen worden toegeleid naar voorschoolse en vroegschoolse educatie. Dat doen zij met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie.
2.4 Interne kwaliteitszorg voor- en vroegscholen
Basiskwaliteit
Een soepele doorgaande lijn van voor- naar vroegschool is belangrijk voor succesvolle vve.
Gemeenten dienen minimaal afspraken te hebben gemaakt met houders van kinderopvang en met schoolbesturen over de overdracht van kindgegevens van voor- naar vroegschool, waarbij gegevens over de ontwikkeling van het kind een onderdeel zijn van deze gegevens.
Eigen aspecten van kwaliteit
Daarnaast is het wenselijk dat er een warme overdracht voor zorgkinderen plaatsvindt voor de continuïteit van de zorg. Een warme overdracht houdt in dat er een (telefonisch of mondeling) gesprek is over de bijzonderheden in de ontwikkeling van een kind op de vier ontwikkelingsgebieden. Ook kan een gemeente nadere afspraken maken met de verschillende partners over bijvoorbeeld het gebruik van eenzelfde vve-programma en observatiesysteem.
Gemeenten kunnen de doorgaande lijn nog verder versterken door afspraken te maken over:
Toelichting wettelijke eisen
Gemeenten zijn op basis van artikel 167, lid 1a onder 3 van de WPO verantwoordelijk voor het voeren van overleg en het zorg dragen voor het maken van afspraken over de organisatie van een doorlopende leerlijn van voorschoolse naar vroegschoolse educatie. Dat doen zij met het oog op een zo groot mogelijke deelname van het aantal kinderen aan voorschoolse educatie.
3.1 De gemeente heeft geregeld dat de GGD de basiskwaliteit van de voorscholen beoordeelt.
Basiskwaliteit
De gemeente maakt met schoolbesturen afspraken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Welke resultaten moeten worden behaald, kan per gemeente verschillen. Belangrijk is wel dat de resultaten meetbaar zijn en daadwerkelijk worden gemeten. Dit betekent dat scholen/schoolbesturen concrete gegevens moeten aanleveren (bijvoorbeeld gegevens uit het observatiesysteem of Cito-toetsgegevens) zodat de gemeente (en de inspectie) kan (kunnen) nagaan in hoeverre de gewenste resultaten worden bereikt.
Eigen aspecten van kwaliteit
De kwaliteit van de vroegschoolse educatie is erbij gebaat dat de resultaatafspraken voldoende ambitieus zijn. Dat wil zeggen dat ze erop gericht zijn achterstanden bij kinderen in te lopen, zodat ze zonder of hooguit met een beperkte achterstand aan groep 3 kunnen beginnen. Ook kunnen resultaten worden bepaald voor de voorschoolse educatie. De gemeente heeft dan met de voorschoolse instellingen afgesproken wat de resultaten moeten zijn aan het einde van de voorschoolse periode.
Toelichting wettelijke eisen
Volgens artikel 167, lid 1b van de WPO moet de gemeente met de schoolbesturen afspraken maken over wat de resultaten van vroegschoolse educatie moeten zijn. De gemeente heeft, net als bij de andere afspraken uit artikel 167 van de WPO, doorzettingsmacht. Dat wil zeggen dat, als schoolbesturen hier niet meewerken aan het maken van resultaatafspraken, de gemeente dan eenzijdig resultaten kan vaststellen.
3.2 Er is een gemeentelijk vve-subsidiekader
Eigen aspecten van kwaliteit
De gemeenten zijn regievoerder voor vve in hun gemeente. Dit betekent allereerst het formuleren van helder vve-beleid vanuit de gemeente met duidelijke ambities en concrete doelen. Daarnaast vraagt het om voldoende sturing en coördinatie vanuit de gemeente om vve tot stand te brengen en te borgen in de gemeente. Dit kan tot uiting komen door een actieve rol van de verantwoordelijk wethouder en beleidsverantwoordelijken, die vve expliciet op de Lokaal Educatieve Agenda (LEA) zetten. Hierdoor wordt vve een gezamenlijk gedragen beleid, waar schoolbesturen, instellingen voor kinderopvang, Centra voor Jeugd en Gezin, het consultatiebureau en anderen bij betrokken zijn.
Daarnaast gaat het hier ook om de coördinatie van de uitvoering. Sommige gemeenten stellen specifiek een (interne of externe) vve-coördinator aan, die zorg draagt voor de uitrol van vve, de scholing, de doorgaande lijn, de evaluatie enzovoorts.
De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op twee manieren plaats:
We geven bij de oab-gemeenten geen eindoordeel, maar geven wel een oordeel op de verschillende standaarden.
Eigen aspecten van kwaliteit
Gemeenten dienen ervoor te zorgen dat voorscholen gebruikmaken van een integraal programma dat voldoet aan artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dat betekent dat het gaat om een programma waarmee de ontwikkeling van peuters op de vier ontwikkelingsgebieden (taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotioneel) wordt gestimuleerd. De gemeente kan dit in de subsidievoorwaarden vastleggen of hierover afzonderlijke afspraken maken met de instellingen en deze vastleggen.
Sommige gemeenten maken afspraken over het werken met een integraal vve-programma dat door Sardes of het Nederlands Jeugdinstituut is beoordeeld. Deze programma’s voldoen over het algemeen aan artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Zie hiervoor www.nji.nl.
Gemeenten kunnen ook de algemene afspraak maken dat er moet worden gewerkt met een programma dat voldoet aan artikel 5. Als voorscholen niet werken met een integraal vve-programma, moeten ze wel kunnen aantonen dat het aanbod voldoet aan de eisen uit artikel 5 van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Dit kan betekenen dat verschillende programma’s worden ingezet voor de afzonderlijke ontwikkelingsgebieden, of dat wordt gewerkt met thema’s die door de locaties zelf volgens beredeneerde leerlijnen en met tussendoelen worden aangeboden.
Gemeenten dienen bovendien afspraken te maken over het gebruik van een observatiesysteem in de voorscholen voor het volgen van de brede ontwikkeling van peuters. Sommige gemeenten maken afspraken met zowel de voor- als de vroegscholen over het gebruik van hetzelfde integrale vve-programma en observatiesysteem om de doorgaande lijn te bevorderen. Gemeenten kunnen naast het werken met een integraal vve-programma ook afspraken maken over het gebruik van aanvullende vve-programma’s of versterkende (taal)programma’s op basis van een analyse van de peuterpopulatie.
Eigen aspecten van kwaliteit
Eigen aspecten van kwaliteit
Het is van belang dat een gemeente actieve participatie van ouders van doelgroeppeuters inzet als instrument om achterstanden van peuters te voorkomen of te verminderen. Hiervoor is het belangrijk dat de gemeente concreet beleid ontwikkelt waarin is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft op het gebied van ouderparticipatie, op welke wijze de gemeente deze doelen wil verwezenlijken (inclusief financiering/subsidiëring), welke instellingen hierbij betrokken zijn en welke concrete resultaten de gemeente verwacht te behalen, om na te gaan of de doelen behaald zijn.
Voor het inzetten van effectief beleid is het wenselijk dat de gemeente een heldere analyse heeft van de ouderpopulatie die zij wil bereiken met haar beleid. Het gaat hier expliciet om gemeentelijk beleid. Ouderactiviteiten die door een gemeente worden geïnitieerd, kunnen onderdeel uitmaken van het beleid en op die manier de doelen van dat beleid realiseren.
OP3. Pedagogisch-educatief handelen
Eigen aspecten van kwaliteit
Gemeenten zijn, in het kader van integraal jeugdbeleid, verantwoordelijk voor een sluitend netwerk van zorgverleners, zodat kinderen op effectieve en efficiënte wijze de zorg en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Veel gemeenten stellen hiervoor netwerken, platforms, zorgadviesteams (ZAT’s) en dergelijke in, vaak onder aanvoering van het Centrum voor Jeugd en Gezin. Voor vve is het van belang dat de gemeente een dergelijke zorgstructuur ook in het leven heeft geroepen voor peuters, zodat voorscholen en ouders van peuters hier gebruik van kunnen maken als dit nodig is.
Bij een dergelijke externe zorgstructuur is het belangrijk dat duidelijk is wie waar verantwoordelijk voor is en dat de regiefunctie ergens belegd is (bijvoorbeeld een casemanager). Dit om te voorkomen dat een kind of een gezin door meerdere instellingen wordt geholpen zonder dat de instellingen dit van elkaar weten. Ook is het van belang dat er heldere procedures zijn vastgelegd voor het aanmelden van een zorgkind, dat de zorg tijdig geleverd kan worden (geen wachtlijsten) en dat er vanuit de zorginstelling een terugkoppeling is naar de voorschool, zodat deze met haar activiteiten kan aansluiten bij de zorg die extern wordt geboden.
Peuters die dat nodig hebben ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.
Eigen aspecten van kwaliteit
Effecten van vve zijn mede afhankelijk van de kwaliteit van de vve die wordt geleverd door de voorscholen. Het gaat dan om de pedagogische en educatieve vaardigheden van de pedagogisch medewerkers, de wijze waarop het vve-programma wordt gebruikt, de zorg en begeleiding die aan peuters wordt geboden, de inrichting van de ruimtes, enzovoorts.
Van vve-instellingen wordt verwacht dat ze deze kwaliteit regelmatig evalueren, verbeteren en borgen. Gemeenten kunnen met vve-instellingen afspraken maken over de wijze waarop ze dit doen en hoe ze zich over deze kwaliteit verantwoorden aan de gemeente. Sommige gemeenten geven bijvoorbeeld in hun subsidievoorwaarden aan dat de vve-instellingen een jaarverslag leveren, waarin ze zich verantwoorden over de geleverde kwaliteit. Sommige gemeenten geven zelfs aan dat de voor- en vroegscholen ook op inhoudelijke aspecten, zoals leidstervaardigheden, aan bepaalde normen moeten voldoen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Eigen aspecten van kwaliteit
De gemeente kan het eigen vve-beleid, de afspraken, de uitvoering en de resultaten regelmatig (jaarlijks) evalueren. Deze jaarlijkse evaluatie kan worden vastgelegd en kan leiden tot conclusies voor verbeteringen of aanpassingen van het beleid.
Bijlage 5. Waarderingskader voorschoolse educatie
Eigen aspecten van kwaliteit
KWALITEITSZORG EN AMBITIE (KA)
Basiskwaliteit
Deze standaard heeft betrekking op het voldoen aan de basiskwaliteit volgens de Wet op de kinderopvang (artikel 1.50 en 2.6) en de basiskwaliteit voorschoolse educatie (artikel 1.50b en 2.8 Wkkp en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.)
De GGD toetst zowel de algemene basiskwaliteit (zoals veiligheid en gezondheid) als de basiskwaliteit van de voorschoolse educatie: hoeveel tijd per week, groepsgrootte en dubbele bezetting, opleidings- en scholingseisen van de vve-beroepskrachten, en gebruik voorschools educatie-programma. Sinds 2013 moet de GGD jaarlijks van elke voorschool (psz/kdv) de basiskwaliteit en de kwaliteit voorschoolse educatie (het 1e domein) toetsen. Dit legt de GGD jaarlijks vast in een rapport.
Sinds 2008 voert de Inspectie van het Onderwijs het interbestuurlijk toezicht uit op de kwaliteit van de kinderopvang. Doel daarvan is om de prestaties van het eerstelijnstoezicht door gemeenten verder te bevorderen en daarmee de kwaliteit in de kinderopvang op hoog niveau te brengen en/of te houden.
Toelichting wettelijke eisen
Het toezicht voor deze standaard is gebaseerd op artikel 1.63 en artikel 2.21 van de Wet kinderopvang. Daarin zijn de taken van de toezichthouder vastgelegd.
De voorschool heeft een heldere structuur, kent een professionele kwaliteitscultuur en functioneert transparant en integer.
Eigen aspecten van kwaliteit
Gemeenten maken over het algemeen gebruik van een subsidiekader of beschikking om te garanderen dat de verstrekte subsidies op de juiste wijze worden gebruikt. In het kader van vve is het bijvoorbeeld van belang dat de voorscholen voldoen aan de basisvoorwaarden zoals aangegeven in het Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie. Deze basisvoorwaarden worden ook jaarlijks door de GGD getoetst. In een subsidiebeschikking kan een gemeente er daarom voor kiezen om aan te geven dat de voorscholen aan deze voorwaarden moeten voldoen en dat de GGD dit zal toetsen. Daarnaast gebruiken gemeenten een subsidiekader voor aanvullende voorwaarden, zoals ouderbetrokkenheid, doorgaande lijn of warme overdracht. Hiermee kan de gemeente sturen op het vergroten van de kwaliteit van vve. Door deze subsidievoorwaarden op te nemen in het subsidiekader heeft de gemeente greep op de besteding van de subsidiegelden.
Normering
De standaarden 1.1 t/m 1.5 en 3.1 bij vve op gemeentelijk niveau hebben een wettelijke basis. Een oordeel op deze standaarden kan tot een Onvoldoende leiden. Ook kan sprake zijn van de waardering Goed. Deze waarderingen van de standaarden op gemeentelijk niveau zijn dezelfde als die in het po-kader.
De waardering van de eigen aspecten van kwaliteit vindt op twee manieren plaats:
Als de gemeente op deze standaarden geen eigen ambities en doelen stelt/realiseert dan leidt dat niet tot een oordeel Onvoldoende, maar geven we dit aan als ‘kan beter’. Als de gemeente de eigen aspecten van kwaliteit op overtuigende wijze laat zien (zowel in ambitie als realisatie) dan verbinden we daaraan de waardering Goed.
Geen eindoordeel
We geven bij de oab-gemeenten geen eindoordeel, maar geven wel een oordeel op de verschillende standaarden.
ONDERWIJSPROCES (OP)
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor de voorschoolse educatie opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.1.
Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en samenleving.
OP1. Aanbod
Het aanbod bereidt de peuters voor op de basisschool.
Eigen aspecten van kwaliteit
OP2. Zicht op ontwikkeling
De voorschool volgt de ontwikkeling van haar peuters zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.
Eigen aspecten van kwaliteit
OP3. Pedagogisch-educatief handelen
Het pedagogisch-educatief handelen van de pedagogisch medewerkers stelt peuters in staat tot spelend leren en ontwikkelen.
Eigen aspecten van kwaliteit
OP4. (Extra) ondersteuning
Peuters die dat nodig hebben ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.
Eigen aspecten van kwaliteit
OP6. Samenwerking
De voorschool werkt samen met relevante partners.
Eigen aspecten van kwaliteit
Basiskwaliteit
OR1. Ontwikkelingsresultaten
Bijlage 6. Waarderingskader Onderwijs in CARIBISCH NEDERLAND
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
KA1. Kwaliteitszorg
De voorschool heeft vanuit haar maatschappelijke opdracht doelen geformuleerd. Zij evalueert regelmatig en systematisch de realisatie van de doelen en verbetert op basis daarvan de voorschoolse educatie.
Eigen aspecten van kwaliteit
Houder:
Voorschool:
KA2. Kwaliteitscultuur
De voorschool heeft een heldere structuur, kent een professionele kwaliteitscultuur en functioneert transparant en integer.
Eigen aspecten van kwaliteit
KA3. Verantwoording en dialoog
De voorschool legt intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over ambities, doelen en resultaten en voert daarover actief een dialoog.
Eigen aspecten van kwaliteit
Richtlijn voor waardering
De standaarden bij voorschoolse educatie kennen geen wettelijke basis en een waardering op deze standaarden kan dan ook niet tot een Onvoldoende leiden. Als de aangetroffen praktijk niet of nauwelijks overeenkomt met de uitwerking, dan geven we de waardering Kan beter.
Geen eindoordeel
Aangezien het waarderingskader alleen gaat over het educatieve deel van de locatie, en niet over de gehele locatie, geven we bij de voorscholen geen eindoordeel.
OP4. (Extra) ondersteuning
In deze bijlage zijn het waarderingskader en de normering voor het onderwijs in Caribisch Nederland opgenomen. De toelichting op de aanpassing van het waarderingskader en/of de normering is te vinden in paragraaf 11.5.
Basiskwaliteit
OP1. Aanbod
Het aanbod bereidt de leerlingen voor op vervolgonderwijs en samenleving.
Basiskwaliteit
De school biedt een breed en op de kerndoelen gebaseerd aanbod dat aansluit bij het (beoogde) niveau van alle leerlingen.
Het onderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving. Daarom is het onderwijs gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en op kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdgenoten. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Het aanbod sluit aan op het niveau van de leerlingen bij binnenkomst van de school, wordt afgestemd op de onderwijsbehoeften die kenmerkend zijn voor de leerlingenpopulatie en bereidt hen voor op het aanbod bij de start van het vervolgonderwijs. Daartussenin verdelen de leraren de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen.
De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De school formuleert de doelen van het onderwijs in het schoolplan (artikel 15, tweede lid, WPO BES).
De wet geeft aan dat de inhouden van het onderwijs zich richten op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, en op het verwerven van noodzakelijke kennis van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden (artikel 10, tweede en derde lid, artikel 11, eerste en tweede lid, en 12, eerste en tweede lid, WPO BES). De vakgebieden en inhouden zijn vastgelegd in kerndoelen (art 11, vijfde lid, en 12, vijfde lid, WPO BES), en omvatten ook de brede ontwikkeling en inhoud die in relatie staan tot het opgroeien in een pluriforme samenleving, het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, en het kennis hebben van en kennismaken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (artikel 10, derde lid, WPO BES).
De inhouden van het onderwijsaanbod dienen te zijn afgestemd op verschillende leerbehoeften van leerlingen en worden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdeeld (artikel 10, eerste lid, WPO BES). Dat houdt ook in dat het onderwijs dusdanig wordt ingericht dat er structureel en herkenbaar aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden op alle gebieden, waaronder rekenen en taalachterstanden (artikel 10, achtste lid, WPO BES). De school bereidt de leerlingen voor op de start van het vervolgonderwijs (artikel 2 WPO BES). Uit de eis van een ononderbroken voortgang in de ontwikkeling van leerlingen volgt dat de school de inhouden dient aan te bieden in een logische fasering/opbouw, opklimmend in niveaus op een wijze die past bij de leeftijd.
Het schoolplan dient de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud te bevatten (artikel 15, tweede lid, WPO BES). Daaronder vallen de doelen van het onderwijs en de opbouw van het aanbod.
OP2. Zicht op ontwikkeling
De school volgt de ontwikkeling van haar leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.
Basiskwaliteit
De school verzamelt vanaf binnenkomst met behulp van een leerling- en onderwijsvolgsysteem systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. Leraren vergelijken deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze vergelijking maakt het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.
Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, analyseert de school waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Vervolgens bepaalt zij wat er moet gebeuren om eventuele achterstanden bij leerlingen te verhelpen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet vraagt dat de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden worden gevolgd door middel van een leerlingvolgsysteem (artikel 10, eerste en vierde lid, WPO BES). Dit waarborgt dat de school daadwerkelijk de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen voor ogen kan hebben in het onderwijs en ook dat het onderwijs aansluit bij de verschillende leerbehoeften van leerlingen, bijvoorbeeld als uit de vorderingen blijkt dat de ontwikkeling stagneert. Bij deze laatste groep leerlingen zoekt de school naar mogelijke verklaringen voor de stagnatie, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast (artikel 10, eerste, vierde lid en achtste lid, WPO BES).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.
Basiskwaliteit
De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. De leraren zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les.
De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zo dat de leerling het zich eigen kan maken. De leraren stemmen de instructies en spelbegeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De school heeft haar beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan geformuleerd (artikel 15, tweede en derde lid, WPO BES). Dit beleid is zichtbaar in het dagelijks handelen van de leraren.
De wet geeft aan dat leerlingen het aanbod zo aangeboden moeten krijgen dat dit is afgestemd op hun ontwikkelproces (artikel 10, eerste lid, WPO BES). Voor deze ‘ononderbroken ontwikkeling’ is het nodig dat het onderwijs aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de leerling. Daaruit vloeit voort dat voor een ononderbroken ontwikkeling de volgende voorwaarden gelden:
Ook moet de les, indien nodig, mogelijkheden bevatten om de afstemming van de leerstof op de leerlingen daadwerkelijk mogelijk te maken. Dit is voorwaardelijk voor betrokkenheid van leerlingen bij de les, zodat zij daadwerkelijk in staat worden gesteld tot het doorlopen van een ononderbroken ontwikkelproces. Eveneens moet het niveau van de lessen passen bij het beoogde eindniveau van de groep en de school (artikel 2 WPO BES).
OP4. (Extra) ondersteuning
Leerlingen die dat nodig hebben, ontvangen extra aanbod, ondersteuning en begeleiding.
Basiskwaliteit
Voor leerlingen die structureel een onderwijsaanbod krijgen op een ander niveau dan de leeftijdsgroep, biedt de school een passend onderwijsaanbod, ondersteuning en/of begeleiding, gebaseerd op de mogelijkheden van de desbetreffende leerling. Het aanbod, de ondersteuning en/of de begeleiding zijn gericht op een ononderbroken ontwikkeling van de leerling. De school evalueert periodiek of het aanbod het gewenste effect heeft en stelt de interventies zo nodig bij.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet vraagt dat voor leerlingen die om wat voor reden dan ook niet het beoogde eindniveau behalen door specifieke belemmerende factoren, de school het onderwijs aan de leerling daarop afstemt, de uitkomsten daarvan periodiek evalueert en bij afwijking het onderwijs bijstelt (artikel 8, vijfde lid, WPO BES, voor zover het gaat om leerlingen zonder extra ondersteuning, en [artikel 45 WPO BES] voor leerlingen met ondersteuning).
Voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte geldt de wettelijke verplichting om deze begeleiding in een ontwikkelperspectief vast te leggen (artikel 45 WPO BES).
OP6. Samenwerking
De school werkt samen met relevante partners om het onderwijs voor haar leerlingen vorm te geven.
Basiskwaliteit
De school werkt samen met het Expertisecentrum Onderwijszorg (eoz) om te zorgen dat voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte een ononderbroken ontwikkelingslijn wordt gerealiseerd. De school rapporteert regelmatig aan de ouders over de vorderingen van de leerlingen.
Aan het einde van de schoolperiode en bij tussentijds vertrek van leerlingen informeert de school de ouders en de vervolgschool over de ontwikkeling van de leerlingen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Voor leerlingen met extra ondersteuning werkt de school samen met het Expertisecentrum Onderwijszorg (artikel 28, vierde lid, WPO BES) en partners in de zorg (artikel 26 WPO BES). De school informeert de ouders regelmatig over de vorderingen van de leerlingen (artikel 14 WPO BES).
Voor kinderen in achterstandssituaties maakt de school afspraken met voorschoolse voorzieningen over de informatieoverdracht om een doorgaande leerlijn te garanderen, en over te bereiken resultaten. In het belang van de doorgaande ontwikkeling verplicht de wet de school informatie te verstrekken bij vertrek van de leerling naar een andere school of vervolgonderwijs (artikel 48 WPO BES). Dit staat ook in relatie met de wettelijke eis om het onderwijs af te stemmen op de ontwikkeling van leerlingen (artikel 10, eerste lid, WPO BES).
Geen wettelijke eisen.
SK1. Veiligheid
Schoolleiding en leraren dragen zorg voor een veilige omgeving voor leerlingen.
Basiskwaliteit
De school zorgt voor de sociale, fysieke en psychische veiligheid van de leerlingen in en om de school gedurende de schooldag. Dit blijkt onder andere uit de beleving van de veiligheid en het welbevinden van leerlingen. De school monitort dit ten minste jaarlijks.
De school heeft een veiligheidsbeleid beschreven in het schoolplan, gericht op het voorkomen, afhandelen, registreren en evalueren van incidenten. Als de uitkomsten van de monitoring daartoe aanleiding geven, verbetert de school haar veiligheid. De school heeft een functionaris die aanspreekpunt is als het gaat om pesten. Schoolleiding en leraren voorkomen pesten, agressie en geweld in elke vorm en treden zo nodig snel en adequaat op. De uitingen van leerlingen en personeel zijn in lijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet bepaalt dat de school ten minste een veiligheidsbeleid (sociale, psychische en fysieke veiligheid) heeft beschreven en voert dat bestaat uit een samenhangende set van maatregelen gericht op preventie en op het afhandelen van incidenten (artikel 6a WPO BES).
In de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging over sociale veiligheid op school, waarbij artikel 6a aan de WPO BES is toegevoegd, wordt onder ‘sociale veiligheid’ minimaal verstaan: ‘Een school is veilig als de psychische, sociale en fysieke veiligheid van leerlingen niet door handelingen van andere mensen wordt aangetast.’ Daarvoor is nodig dat leraren een veilige ruimte scheppen waarin duidelijke afspraken gelden en het mogelijk is om sociaal gedrag aan te leren (artikel 6a WPO BES en artikel 10, tweede lid, WPO BES).
De wet geeft aan dat de school de veiligheid van leerlingen jaarlijks monitort met een gestandaardiseerd instrument dat een representatief en actueel beeld geeft (artikel 6a, eerste lid, onder b, WPO BES). Een school kan pas goed beleid ten aanzien van sociale veiligheid (artikel 6a WPO BES) voeren als zij inzicht heeft in de feitelijke en ervaren veiligheid en het welbevinden van de leerlingen.
Voor ouders en leerlingen is het van belang dat ze een laagdrempelig aanspreekpunt hebben binnen de school als er sprake is van een situatie waarin gepest wordt. Daarom schrijft artikel 6a, eerste lid, onderdeel c, van de WPO BES voor dat iedere school de navolgende taken op school belegt bij een persoon:
Het onderwijs op de school moet mede gericht zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie (artikel 6a WPO BES). Daarom dienen de uitingen van leraren in lijn te zijn met de democratische rechtsstaat, en dient te worden ingegrepen als de uitingen van leerlingen daarmee in strijd zijn.
SK2. Pedagogisch klimaat
De school heeft een ondersteunend pedagogisch klimaat.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Eigen aspecten van kwaliteit
OR1. Resultaten
De school behaalt met haar leerlingen leerresultaten die ten minste in overeenstemming zijn met de gestelde norm.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
OR2. Sociale en maatschappelijke competenties
De leerlingen behalen sociale en maatschappelijke competenties op het niveau dat ten minste in overeenstemming is met de gestelde doelen.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
OR3. Vervolgsucces
De bestemming van de leerlingen na het verlaten van de school is bekend en voldoet ten minste aan de verwachtingen van de school.
Basiskwaliteit
Geen wettelijke eisen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze?
Te denken valt aan
Is er aanvullend beleid op de continuïteit van het bestuur/de scholen en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
KA1. Kwaliteitszorg
Het bestuur en de school hebben een stelsel van kwaliteitszorg ingericht en verbeteren op basis daarvan het onderwijs.
Basiskwaliteit
Het bestuur zorgt voor een stelsel van kwaliteitszorg op de scholen. Dit stelsel staat uitgewerkt in het schoolplan/de schoolplannen van de scholen. Vanuit dit stelsel bewaakt en bevordert het bestuur de kwaliteit van het onderwijsleerproces en de leerresultaten.
Het bestuur en de scholen hebben zicht op de kwaliteit van het onderwijs. Er zijn toetsbare doelen geformuleerd en er wordt regelmatig geëvalueerd of deze doelen worden gehaald. De oorzaken van eventueel tekortschietende onderwijskwaliteit zijn geanalyseerd en waar nodig worden verbeteringen doelgericht doorgevoerd. De verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuur en scholen maakt een functionerend stelsel van kwaliteitszorg mogelijk.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de wijze waarop de kwaliteit wordt bewaakt en bevorderd en (hoe) wordt dit gerealiseerd?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Het schoolplan en de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs staan centraal om het verbeteren van en het verantwoorden over de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen. Het bevoegd gezag dient zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs op een school. Onder ‘zorg dragen voor’ wordt in elk geval verstaan: het naleven van de wettelijke bepalingen en het uitvoeren van het stelsel van kwaliteitszorg (artikel 13 WPO BES).
De wet vraagt dat de school door haar stelsel van kwaliteitszorg zorg draagt voor de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen en de afstemming van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van leerlingen (artikel 15, vierde lid en artikel 13 WPO BES). Ook moet de school vaststellen waar maatregelen ter verbetering nodig zijn. De uitwerking van deze deugdelijkheidseisen dient het bevoegd gezag te beschrijven in het schoolplan. Het functioneren van de kwaliteitscyclus staat centraal. Met de wettelijke opdracht wordt bedoeld: de wettelijke voorschriften inzake de inhoud, de uitgangspunten en de doelstellingen van het onderwijs. Dit betreft het onderwijsaanbod, het onderwijsleerproces en de wijze van toetsen. De eisen veronderstellen dat de zorg voor kwaliteit cyclisch, systematisch en planmatig is en ook gericht is op het vasthouden van gerealiseerde kwaliteit.
Uit de deugdelijkheidseisen vloeit voort dat het bevoegd gezag/de school de zorg voor kwaliteit vormgeeft op een wijze waarvan mag worden aangenomen dat deze daadwerkelijk leidt tot zicht op de eigen kwaliteit en op relevante verbetermaatregelen.
KA2. Kwaliteitscultuur
Het bestuur en zijn scholen kennen een professionele kwaliteitscultuur en functioneren transparant en integer.
Basiskwaliteit
De handelwijze van het bestuur leidt tot een integere en transparante organisatiecultuur. Iedere betrokkene werkt vanuit zijn eigen rol aan de verbetering van de onderwijskwaliteit.
Het bestuur zorgt voor bekwaam en bevoegd personeel op alle scholen en maakt het mogelijk dat het personeel zijn bekwaamheid onderhoudt. De schoolleiding en het team werken gezamenlijk aan een voortdurende verbetering van hun professionaliteit. Leraren houden daarbij rekening met de gestelde bekwaamheidseisen en beroepsprofielen en behaalde resultaten bij leerlingen. Zij krijgen daartoe voldoende gelegenheid. De wijze waarop ze dit doen, staat helder beschreven in het schoolplan.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de professionalisering en de kwaliteitscultuur en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Het vaststellen van een managementstatuut waaruit de verantwoordelijkheidsverdeling in de aansturing van de school blijkt, is verplicht volgens artikel 33 WPO BES.
Het zodanig inrichten van het onderwijs dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen, het afstemmen van het onderwijs op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen (artikel 10, eerste lid, WPO BES), en het uitvoeren van de verbetermaatregelen op basis van het kwaliteitszorgsysteem (artikel 13 en 15, vierde lid, WPO BES), kunnen alleen worden gerealiseerd door personeel dat professioneel is en blijft. In het schoolplan moet een beschrijving van het personeelsbeleid worden opgenomen. In dat kader is ook het bijhouden van de bekwaamheidsdossiers (artikel 36 WPO BES) van belang.
KA3. Verantwoording en dialoog
Het bestuur en de school leggen intern en extern toegankelijk en betrouwbaar verantwoording af over doelen en resultaten en voeren daarover actief een dialoog.
Basiskwaliteit
Het bestuur en de scholen hebben tegenspraak georganiseerd. Dit gebeurt in ieder geval door de MR te betrekken bij beleids- en besluitvorming.
Het bestuur en de scholen brengen minimaal jaarlijks verslag uit over hun doelen en de resultaten die zij behalen. Zij doen dit op toegankelijke wijze. Het bestuur verantwoordt zich aan de intern toezichthouder. Het bestuur en de scholen verantwoorden zich aan de overheid en belanghebbenden.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid over de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet gaat ervan uit dat het bestuur verantwoording aflegt in het jaarverslag (onder meer ten behoeve van het interne toezicht) (artikel 131 WPO BES). De wet gaat er ook van uit dat de school in de schoolgids duidelijk aangeeft wat de doelen van het onderwijs zijn en welke resultaten met het onderwijsleerproces worden bereikt (artikel 16 WPO BES). In de schoolgids dienen ook de gedane bevindingen te worden opgenomen ten aanzien van het stelsel van kwaliteitszorg, evenals de maatregelen die naar aanleiding daarvan zijn getroffen (artikel 16, eerste lid, onder l, WPO BES).
De Wet op het onderwijstoezicht (WOT, 2002) vormt de grondslag voor het toezicht. Krachtens deze wet is het toezicht op het onderwijs opgedragen aan de inspectie en heeft de inspectie de taak de kwaliteit van het onderwijs te beoordelen en te bevorderen, daaronder begrepen de kwaliteit van het onderwijspersoneel, aan instellingen als bedoeld in de volgende onderwijswetten:
FB1. Continuïteit30In het kader van de evaluatie van de deugdelijkheidseisen in het funderend onderwijs heeft de inspectie geconstateerd dat het aspect van financiële continuïteit beter geborgd zou moeten worden in sectorale wetgeving voor het funderend onderwijs. Het wetsvoorstel Actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Kamerstukken I 2019-20, 35 102, nr. A) bevat een aanpassing op dit gebied en zal leiden tot een uitbreiding of aanpassing van de onder de basiskwaliteit opgenomen elementen en ook handhaving op dit punt is dan mogelijk. Tot (in ieder geval) 1 augustus 2021 richt de inspectie zich nog op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment onder de basiskwaliteit opgenomen elementen.
Het bestuur is financieel gezond en kan op korte en langere termijn voldoen aan zijn financiële verplichtingen.
Basiskwaliteit
Voor continuïteit is het van belang dat het bestuur inzicht heeft in de financiële uitgangspositie en de ontwikkelingen in de komende drie jaar, en daar beleid op uitzet. In de continuïteitsparagraaf van het jaarverslag geeft het bestuur inzicht in deze ontwikkelingen en de daaraan verbonden financiële gevolgen. Het bestuur bespreekt het voorgaande regelmatig en met medezeggenschap, treft zo nodig corrigerende maatregelen en verantwoordt zich over het geheel in de jaarverslaggeving.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de continuïteit van het bestuur/de scholen en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De verplichting voor het bevoegd gezag om een continuïteitsparagraaf aan het jaarverslag toe te voegen vloeit voort uit artikel 4, achtste lid, van de RJO BES. De MR kan op grond van artikel 19 WPO BES zelf het initiatief nemen om met het bestuur in gesprek te gaan over ontwikkelingen die de continuïteit van de school/instelling raken.
FB2. Doelmatigheid31De Bekostigingsbesluiten WPO, WEC en WVO bevatten bepalingen die het mogelijk maken de bekostiging lager vast te stellen als is vastgesteld dat sprake is van ondoelmatige aanwending van de bekostiging. Op 23 november 2016 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3112) dat geen bekostigingssanctie kon worden opgelegd, omdat geen wettelijke basis bestond voor het toepassen van een correctie op de bekostiging wegens ondoelmatige besteding. Om alsnog te voorzien in deze wettelijke basis, worden de bepalingen die zien op doelmatigheid in de Bekostigingsbesluiten naar wetsniveau getild en opgenomen in de sectorwetten van het funderend onderwijs. Dit wordt geregeld in het wetsvoorstel Actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Kamerstukken I 2019-20, 35102, nr. A). Tot die tijd richt de inspectie zich op haar stimulerende taak op dit gebied en zal alleen een Onvoldoende worden gegeven als een bestuur niet voldoet aan de op dit moment onder de basiskwaliteit opgenomen elementen.
II. Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs
Basiskwaliteit
De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging is onderwerp van gesprek met de intern toezichthouder. Hierover vindt verantwoording in het jaarverslag plaats.
Eigen aspecten van kwaliteit
Is er aanvullend beleid op de doelmatigheid van het bestuur/de scholen en (hoe) wordt dit beleid gerealiseerd?
Te denken valt aan
1. Inleiding
De doelmatige besteding van de onderwijsbekostiging door het bestuur is onderwerp van het toezicht van de intern toezichthouder (artikel 25, eerste lid, onder c, WPO BES). Over deze taak verantwoordt de intern toezichthouder zich in het jaarverslag (artikel 25, eerste lid, onder e, WPO BES).
FB3. Rechtmatigheid
Het bestuur verwerft en besteedt de onderwijsbekostiging conform wet- en regelgeving.
2.1. Uitgangspunten van het toezicht en rol van de toezichthouder
Het bestuur beschikt over de vereiste deskundigheid en handelt integer en transparant. Het legt verantwoording af over de verwerving en besteding, hetgeen vooral wordt beoordeeld door een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES, die wordt aangesteld door de Raad van Toezicht. Indien de onderwijsinstelling geen Raad van Toezicht heeft, stelt het bestuur de deskundige aan. Deze deskundige opereert volgens beroepsmaatstaven minimaal vergelijkbaar met de beroepsmaatstaven van de NBA en speciaal volgens het Onderwijsaccountantsprotocol BES dat door de inspectie is opgesteld.
Toelichting wettelijke eisen
In de sectorwet zijn diverse bepalingen opgenomen waaraan het bestuur zich moet houden bij de verwerving en besteding van de bekostiging. Ingevolge artikel 13 WPO BES zorgt het bestuur voor een goed bestuurde school. Dat impliceert dat het bestuur deskundig moet zijn.
1.1.1. Deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit
De jaarverslaggeving dient transparant te zijn (moet een waarheidsgetrouw beeld geven). Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3, onder a, van de Regeling Jaarverslaggeving Onderwijs (RJO) en de Richtlijn Jaarverslag Onderwijs alsmede het Onderwijsaccountantsprotocol BES32https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-op-financieel-beheer/informatie-onderwijsaccountantsprotocol-ocw-ez-en-bes bevatten voorts tal van nadere regels ten aanzien van een transparante verantwoording respectievelijk de controle daarop door de accountant. Een controleverklaring is verplicht op grond van artikel 2 RJO BES in verbinding met artikel 131, vierde lid, WPO BES.
Normering
De inspectie oordeelt in Caribisch Nederland op dezelfde wijze over de standaarden als in Europees Nederland, met uitzondering van de standaarden voor onderwijsresultaten. Voor onderwijsresultaten zijn voor Caribisch Nederland geen normen vastgesteld. Daarnaast geeft de inspectie een eindoordeel op schoolniveau. Het eindoordeel Zeer zwak en ook de waardering Goed kan in Caribisch Nederland nog niet worden gegeven. Het eindoordeel Voldoende of Onvoldoende kan wel worden gegeven.
2.2. Hoofdlijnen van het toezicht
Het onderzoekskader is langs de volgende inhoudelijke lijnen opgesteld.
Geldig per 1 augustus 2020
1.3. Werking en Evaluatie
Onze stimulerende rol is ook merkbaar in de stijl van onze gesprekken met scholen en besturen. We geven ruimte aan besturen en scholen om hun visie en ambities en de wijze waarop zij deze op eigen wijze vertalen in hun onderwijspraktijk, te presenteren. We voeren de dialoog aan de hand van de eigen aspecten van kwaliteit; in het waarderingskader geven we daarbij mogelijke onderwerpen aan. Na afronding van het onderzoek organiseren we zogenoemde feedbackgesprekken. Daarmee krijgen scholen en besturen aan de hand van eigen casuïstiek meer inzicht in onze oordeelsvorming en dit biedt hen concrete aanknopingspunten voor verbeteracties.
Het Onderzoekskader 2017 van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: onderzoekskader) beschrijft hoe het toezicht op het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) is ingericht. Het onderzoekskader omvat het waarderingskader en de werkwijze. De inleiding beschrijft allereerst het wettelijk kader dat de grondslag vormt van het toezicht, en vervolgens de reikwijdte en werking van het onderzoekskader.
We sluiten de inleiding af met een leeswijzer.
De meest recente versie van dit onderzoekskader is vastgesteld op 22 juni 2020 en treedt op 1 augustus 2020 in werking. Een overzicht van de wijzigingen ten opzichte van de versie van 1 augustus 2019 vindt u op www.onderwijsinspectie.nl. Dit onderzoekskader is gepubliceerd op de website van de Inspectie van het Onderwijs en op www.wetten.nl onder ‘ministeriële regelingen’.
In de eerste plaats hanteren we naast het oordeel ‘voldoende’ ook de waardering ‘goed’. Bij de waardering ‘goed’ worden naast de deugdelijkheidseisen ook eigen aspecten van kwaliteit betrokken. Een gebrekkige realisatie van eigen kwaliteitsdoelen leidt daarentegen niet tot een oordeel ‘onvoldoende’, maar tot de waardering ‘kan beter’. We houden de school/het bestuur een spiegel voor en laten zien in welke mate zij hun eigen doelen realiseren. Dit stimuleert scholen om verbeteringen op eigen wijze en binnen eigen kaders doelgericht vorm te geven.
1.4. Opbouw en leeswijzer
De inspectie houdt toezicht op scholen en instellingen (bekostigd en niet-bekostigd) die onderwijs verzorgen als bedoeld in bovengenoemde onderwijswetten. Dit betreft scholen en onderwijsinstellingen voor: slechthorende kinderen; kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden; visueel gehandicapte kinderen; lichamelijk gehandicapte kinderen; langdurig zieke kinderen (anders dan met een lichamelijke handicap); zeer moeilijk lerende kinderen; zeer moeilijk opvoedbare kinderen; meervoudig gehandicapte kinderen.
2.2.4. Aansluiten bij verantwoordelijkheid bestuur
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de continuïteit van het onderwijs. Elk bestuur heeft zijn eigen proces om de onderwijskwaliteit te waarborgen en te ontwikkelen; dat specifieke eigen proces is voor ons uitgangspunt in het toezicht.
Per 1 juli 2017 is de Wet op het onderwijstoezicht (WOT) gewijzigd. Met de wetswijziging maakt de inspectie in haar toezicht onderscheid tussen bij wet geregelde deugdelijkheidseisen en eigen aspecten van kwaliteit van bestuur en scholen. Deugdelijkheidseisen zijn objectiveerbare, zo veel mogelijk op het niveau van de wet geregelde algemene kwaliteitsnormen, die zodanig helder zijn dat de vrijheid van richting en inrichting gewaarborgd blijven. Deugdelijkheidseisen hebben betrekking op de onderwijskwaliteit en het financieel beheer. We vatten dit samen met het begrip ‘basiskwaliteit’.
Een school die niet voldoet aan de deugdelijkheidseisen biedt onderwijs van onvoldoende kwaliteit. Onvoldoende onderwijskwaliteit en/of onvoldoende financieel beheer kan leiden tot sanctionering en in laatste instantie tot ingrijpen door de Minister. Vanuit de waarborgfunctie van het toezicht ziet de inspectie erop toe dat de deugdelijkheidseisen zoals deze in de sectorwetten zijn vastgelegd, worden nageleefd.
Eigen aspecten van kwaliteit hebben betrekking op de ambities en doelen die een bestuur/school zichzelf stelt en die verder reiken dan basiskwaliteit. Vanuit de stimuleringsfunctie onderzoekt de inspectie hoe deze elementen bijdragen aan (de continue en duurzame verbetering van) de onderwijskwaliteit. De inspectie voert het gesprek hierover met scholen en besturen en in rapporten maakt de inspectie helder onderscheid tussen oordelen die voortvloeien uit de deugdelijkheidseisen, en bevindingen die gaan over eigen aspecten van kwaliteit.
1.3. Object van toezicht en object van onderzoek
In het (voortgezet) speciaal onderwijs vormen de school en het bestuur het object van toezicht. Interventies met een juridisch karakter hebben in voorkomende gevallen betrekking op deze niveaus. Het object van onderzoek is datgene wat de inspectie onderzoekt om tot haar oordeel of waardering over de school of de besturing te komen.
Parallel aan de jaarlijkse prestatieanalyse voeren we eens in de vier jaar een onderzoek uit naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer door het bestuur. We kijken in de eerste plaats of het bestuur de onderwijskwaliteit goed in beeld heeft, daarbij zo nodig verbeteringen doorvoert en of de financiën op orde zijn. We voeren een zogenoemd verificatieonderzoek uit als onderdeel van het vierjaarlijks onderzoek. We doen dit bij een selectie van scholen en op deze manier geeft het onderzoek ons inzicht in de kwaliteit van het onderwijs bij de onderzochte scholen en het financieel beheer bij de betreffende besturen. We voeren ook onderzoek uit bij enkele risicoscholen en goede scholen; dit laatste kan op eigen verzoek van het bestuur (zie par. 5.2.4).
2.2. Hoofdlijnen van het toezicht
De inspectie heeft conform het voorschrift in de WOT met alle betrokkenen overleg gevoerd over het onderzoekskader. Bij de uitwerking van de deugdelijkheidseisen in het waarderingskader is de inspectie uitgegaan van een redelijke uitleg van de wet. Over deze uitleg is overeenstemming met het onderwijsveld bereikt.
3. Het waarderingskader
In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. Na een samenvatting van de wettelijke taken van het voortgezet onderwijs (par. 3.1) beschrijven we de opbouw van het kader in paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3 is vervolgens het volledige waarderingskader voor de sector vo opgenomen. In de laatste paragraaf (3.4) gaan we in op de overige wettelijke vereisten.
Het onderzoekskader omvat de werkwijze en het waarderingskader. De hoofdlijnen van de werkwijze, met name de uitgangspunten, staan beschreven in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 omvat het waarderingskader. De normering en oordeelsvorming zijn opgenomen in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5, 6 en 7 geven een beschrijving van de werkwijze bij het toezicht op besturen en hun scholen. Hoofdstuk 8 beschrijft hoe de vierjaarlijkse onderzoeken hun neerslag krijgen in de rapporten en hoe de inspectie daarover communiceert. Hoofdstuk 9 beschrijft het vervolgtoezicht en de interventies en sancties in het kader van herstel en verbetering. In hoofdstuk 10 lichten we toe hoe we onze stelselonderzoeken inrichten. Tot slot beschrijven we in hoofdstuk 11 het toezicht op de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor leerlingen: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze drie gebieden geven gezamenlijk de kern van het onderwijs weer zoals de leerling dat ontvangt. De gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer zijn voorwaardelijk voor (het voortbestaan van) de kwaliteit. We definiëren onderwijskwaliteit dan ook als het geheel van de prestaties van de school op deze gebieden.
2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit
Daar ligt in de komende jaren de uitdaging voor alle onderwijssectoren. Het vraagt van besturen dat zij werken aan een kwaliteitscultuur waarbij het voor alle partijen vanzelfsprekend is om continu verbetering na te streven, ook als de kwaliteit op orde is.
We sluiten met ons toezicht hierop aan door enerzijds te (helpen) bewaken dat de basiskwaliteit en het financieel beheer op orde zijn en blijven, en anderzijds door besturen te stimuleren om het verbeterpotentieel dat wij bij scholen aantreffen ten volle te benutten in het streven naar goede onderwijskwaliteit. We vatten deze beide rollen samen in de waarborgfunctie en stimuleringsfunctie van het toezicht.
In dit hoofdstuk beschrijven we de hoofdlijnen van het toezicht: wat willen we met het toezicht bereiken en vanuit welke uitgangspunten opereren we.
Het waarderingskader vo telt per gebied een aantal standaarden, in totaal negentien. Bij elke standaard is in het rode vlak aangegeven wat we verstaan onder de basiskwaliteit (wat móeten het bestuur en de school) en benoemen we vervolgens in het groene vlak een aantal onderwerpen die betrekking kunnen hebben op de eigen ambities en doelen van de school (wat wíllen het bestuur en de school).
Het eigenaarschap van de onderwijskwaliteit ligt bij besturen en hun scholen. Het bestuur is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs. We hanteren daarom een bestuursgerichte aanpak. Vanuit onze waarborgfunctie en stimuleringsfunctie maken we in ons waarderingskader helder onderscheid in basiskwaliteit (wat móeten het bestuur en de school) en de eigen kwaliteitsambities (wat wíllen het bestuur en de school). Voor deze eigen ambities vormt het schoolplan het vertrekpunt. We werken transparant en alle kwaliteitsinformatie is openbaar. Op stelselniveau willen we antwoorden vinden op problemen die zich schooloverstijgend voordoen en we treden daarbij agenderend op. Met dit onderzoekskader willen we bereiken dat scholen steeds meer zichzelf beoordelen of zich door peers laten beoordelen. We willen met het toezicht op deze beweging aansluiten.
2.2.3. Eenduidig toezicht en toezicht op maat
OP1. Aanbod
Het onderzoekskader is langs de volgende inhoudelijke lijnen opgesteld.
2.2.1. Waarborg: basiskwaliteit
De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat leerlingen onderwijs volgen dat van voldoende kwaliteit is. We noemen dit basiskwaliteit. De norm voor basiskwaliteit is dat een bestuur en zijn scholen voldoen aan de deugdelijkheidseisen ten aanzien van de onderwijskwaliteit, de kwaliteitszorg en het financieel beheer zoals wij die in het waarderingskader hebben opgenomen.
Voor de uitvoering van onze waarborgfunctie is het van belang dat we zicht hebben op de financiële continuïteit van besturen en op risico’s bij scholen ten aanzien van de onderwijskwaliteit. We monitoren de prestaties daarom continu en we voeren minimaal jaarlijks per bestuur een prestatieanalyse uit.
Daarnaast voeren we eens in de vier jaar een onderzoek uit bij alle besturen en een deel van hun scholen. Dit vierjaarlijks onderzoek geeft ons antwoord op de vraag of het bestuur voldoende zorgt voor de onderwijskwaliteit en het financieel beheer. Als uit onze analyse en/of onderzoek blijkt dat een school niet voldoet aan de basiskwaliteit, dan zijn onze interventies erop gericht dat het bestuur ervoor zorgdraagt dat de school binnen een aanvaardbare hersteltermijn aan de betreffende deugdelijkheidseisen voldoet. Dit geldt ook voor tekortkomingen die wij op het niveau van het bestuur constateren.
Jaarlijks leggen we in het kader van het stelseltoezicht (hoofdstuk 10) in ons jaarwerkplan vast welke deugdelijkheidseisen we bij een of meer sectoren gaan onderzoeken.
2.2.2. Stimuleren tot beter: eigen aspecten van kwaliteit
We zijn streng waar het moet en stimulerend waar het kan. Bij besturen en scholen die net aan de basiskwaliteit voldoen, houden we de vinger aan de pols. We kijken dan met name of er sprake is van een verbetercultuur, een gezamenlijk streven om de onderwijskwaliteit niet alleen op voldoende niveau te brengen maar ook duurzaam te verbeteren. Als deze verbetercultuur aanwezig is, ontstaat er ruimte om de onderwijskwaliteit als geheel op een hoger plan te brengen. Binnen onze stimulerende rol willen we daar actief aan bijdragen. In onze werkwijze komt dit op verschillende manieren tot uiting.
3.1. Wettelijke taken voortgezet onderwijs
Onze stimulerende rol is ook merkbaar in de stijl van onze gesprekken met scholen en besturen. We geven ruimte aan besturen en scholen om hun visie en ambities en de wijze waarop zij deze op eigen wijze vertalen in hun onderwijspraktijk, te presenteren. We voeren de dialoog aan de hand van de eigen aspecten van kwaliteit; in het waarderingskader geven we daarbij mogelijke onderwerpen aan. Na afronding van het onderzoek organiseren we zogenoemde feedbackgesprekken. Daarmee krijgen scholen en besturen aan de hand van eigen casuïstiek meer inzicht in onze oordeelsvorming en dit biedt aan hen concrete aanknopingspunten voor verbeteracties.
Tot slot komt onze stimuleringsfunctie tot uiting in onze rapporten. Waar niet wordt voldaan aan de deugdelijkheidseisen, vermelden we dit in onze rapporten; dit doen we echter ook als we goede praktijken aantreffen. Op deze manier geven we een evenwichtig beeld van de kwaliteit zoals we die hebben aangetroffen.
De Excellente School
3.2. Opbouw van het waarderingskader
Excellente Scholen verdienen ruimte voor de verwezenlijking van de eigen visie en ambities. Een onafhankelijke jury bepaalt in voorkomende gevallen of een school voor het predicaat Excellente School in aanmerking komt.34Meer informatie over de procedure Exellente Scholen is te vinden op de website van de inspectie.
OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding
Besturen en scholen organiseren hun onderwijs zo dat het optimaal is toegesneden op hun doelgroep en dat een doorgaande ontwikkeling voor leerlingen wordt gewaarborgd. We zien de diversiteit in (experimentele) onderwijs- en organisatievormen toenemen, evenals het aantal gecombineerde besturen. We hanteren daarom voor het primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo), (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) en middelbaar beroepsonderwijs (mbo) een grotendeels gemeenschappelijk waarderingskader, dat bruikbaar is voor de grote diversiteit die we in de praktijk aantreffen. Daarmee realiseren we tevens eenduidig toezicht voor besturen die onderwijs verzorgen op basis van meerdere sectorwetten. We richten onze onderzoeken zo in dat we tot betekenisvolle uitspraken komen. We stemmen onze onderzoeksactiviteiten daarop af.
Het maatwerk dat we nastreven betreft niet alleen de aansluiting op de organisatie van het onderwijs, maar ook op de verantwoording van de onderwijskwaliteit door het bestuur. Het schoolplan vormt daarbij de belangrijkste bron.
De school verzamelt vanaf binnenkomst systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. De school vergelijkt deze informatie met de verwachte ontwikkeling. Deze informatie en vergelijking maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen als individuele leerlingen.
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de continuïteit van het onderwijs. Elk bestuur heeft zijn eigen proces om de onderwijskwaliteit te waarborgen en te ontwikkelen; dat specifieke eigen proces is voor ons uitgangspunt in het toezicht.
3.3. Kwaliteitsgebieden en Standaarden
Het schoolplan geeft een beschrijving van het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het stelsel van kwaliteitszorg. In ons toezicht sluiten we aan bij deze eigen informatie. De inspectie oordeelt of het schoolplan voldoet aan de wettelijke eisen. Daarnaast kan de inspectie haar bevindingen delen met het schoolbestuur over de uitvoering van het schoolplan, met name waar het de eigen opdrachten van de school betreft.
Naarmate besturen en scholen een beter proces van aansturing en borging hanteren, bieden zij meer betrouwbare informatie over de kwaliteit van hun onderwijs. Dat komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede. We geven dan vertrouwen en meer ruimte. Daar waar besturen en het intern toezicht goed functioneren, kan de samenleving er immers op vertrouwen dat de kwaliteit wordt gewaarborgd. In gevallen dat de basiskwaliteit niet op orde is en het bestuur niet bij machte blijkt om hier verandering in te brengen, passen we ons toezicht daarop aan. We vatten dit samen in ‘passend toezicht’: minder toezicht waar het kan, meer waar het moet.
3. Het waarderingskader
In dit hoofdstuk beschrijven we het waarderingskader. Na een samenvatting van de wettelijke taken van het (voortgezet) speciaal onderwijs (paragraaf 3.1) beschrijven we de opbouw van het kader in paragraaf 3.2. In paragraaf 3.3 is vervolgens het volledige waarderingskader voor de sector so opgenomen. In de laatste paragraaf (3.4) gaan we in op de overige wettelijke vereisten.
Verder stelt de wet (artikel 6c, WVO) dat bij de leerlingen bij wie achterstanden zijn geconstateerd, de school zichtbaar en gestructureerd werkt aan de bestrijding van die achterstanden. Dit veronderstelt dat de school weet wie achterstanden heeft en wat de achterstand inhoudt, en dat er aanvullende activiteiten zijn waarmee de achterstanden worden bestreden. De toelichting op artikel 6c van de WVO zegt hier het volgende over: “Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat daarbij op structurele en herkenbare wijze aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal.” Met ‘op structurele wijze’ willen we aangeven dat de aandacht voor het bestrijden van achterstanden nadrukkelijk moet zijn ingebed in het onderwijs. ‘Op herkenbare wijze’ betekent dat die specifieke aandacht ook duidelijk moet blijken in de onderwijspraktijk. Onderwijsachterstanden beperken zich niet tot taalachterstanden. Ook in andere vakken kunnen leerlingen achterstanden hebben of oplopen. Ook daarvoor dient aandacht te zijn.
In de Wet op de expertisecentra (WEC) is in artikel 8 de taak om (voortgezet) speciaal onderwijs te geven aan kinderen die daarvoor in aanmerking komen, opgedragen aan (V)SO-scholen. Het bestuur legt in het schoolplan vast hoe het deze taak vormgeeft (artikel 21 WEC).
Het schoolbestuur moet het aanbod zo vormgeven dat het voldoet aan de kerndoelen en referentieniveaus (artikel 13, 14a, 14c en 14f WEC) en het onderwijs zodanig inrichten dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelproces kunnen doorlopen en het onderwijs op de voortgang in hun ontwikkeling en hun specifieke behoeften wordt afgestemd, door middel van een ontwikkelingsperspectief (artikel 11, eerste lid, en artikel 41a WEC).
Het bestuur moet de voortgang van de ontwikkeling van leerlingen toetsen (artikel 11, zevende en achtste lid, WEC) en zorgdragen voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van de leerlingen (artikel 5a WEC).
Het bestuur moet zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs door een kwaliteitszorgsysteem uit te voeren (artikel 19 en 21, vierde lid, WEC) en verantwoording afleggen aan belanghebbenden: ouders, medezeggenschapsorganen, het intern toezicht en de overheid (artikel 22, 28g t/m 28i en 157 WEC en de WMS).
Tot slot moet het bestuur de Rijksbekostiging doelmatig en rechtmatig besteden (artikel 143 WEC en artikel 43 besluit bekostiging WEC). Genoemde wettelijke eisen vormen in het bijzonder de grondslag voor het waarderingskader.
De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zodanig dat de leerling zich het totale leerstofaanbod eigen kan maken.
In het waarderingskader onderscheiden we vijf kwaliteitsgebieden: Onderwijsproces, Schoolklimaat, Onderwijsresultaten, Kwaliteitszorg en ambitie, en Financieel beheer.
Met het waarderingskader krijgen we antwoord op de drie elementaire vragen over de betekenis van het onderwijs voor leerlingen: leren ze genoeg (Onderwijsresultaten), krijgen ze goed les (Onderwijsproces) en zijn ze veilig (Schoolklimaat). De standaarden in deze drie gebieden geven gezamenlijk de kern van het onderwijs weer zoals de leerling dat ontvangt. De gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer zijn voorwaardelijk voor (het voortbestaan van) de kwaliteit. We definiëren onderwijskwaliteit dan ook als het geheel van de prestaties van de school op deze gebieden.
Iedere standaard binnen het kwaliteitsgebied is op basis van de betreffende deugdelijkheidseisen geoperationaliseerd. Bij iedere standaard is tevens ruimte voor een dialoog over de eigen kwaliteitsaspecten die het bestuur en de school tentoonspreiden of ambiëren; we benoemen deze in de vorm van onderwerpen en deze zijn niet uitputtend. We betrekken deze eigen aspecten van kwaliteit bij onze oordeelsvorming voor de waardering Goed (hoofdstuk 4). Daarbij onderzoeken we of het bestuur/de school zijn/haar eigen ambities realiseert en of de school daarmee volgens wetenschappelijke inzichten goed onderwijs realiseert.
Het waarderingskader (voortgezet) speciaal onderwijs kent de volgende opbouw:35De waarderingskaders zijn in alle sectoren zo veel mogelijk gelijk. Voor de kwaliteitsgebieden worden in alle sectoren dezelfde lettercodes gehanteerd. De nummering van de standaarden loopt niet altijd door, omdat de sectoren verschillen in de uitwerking van de kwaliteitsgebieden, en soms ook in het aantal standaarden dat een kwaliteitsgebied omvat.
Toelichting wettelijke eisen
Het waarderingskader (v)so telt per gebied een aantal standaarden, in totaal achttien. Bij elke standaard is in het rode vlak aangegeven wat we verstaan onder basiskwaliteit (wat móeten het bestuur en de school) en benoemen we vervolgens in het groene vlak een aantal onderwerpen die betrekking kunnen hebben op de eigen ambities en doelen van de school (wat wíllen het bestuur en school).
Ter verantwoording van de interpretatie van basiskwaliteit geven we tot slot per standaard een toelichting op de wettelijke eisen die op de standaard van toepassing zijn.
Uit artikel 2, tweede lid van het WVO, vloeit voort dat voor een ononderbroken ontwikkeling de volgende voorwaarden gelden:
De kwaliteit van de school bij het didactisch handelen wordt onder meer bepaald door het didactisch vermogen om aan te sluiten bij leerlingen: leraren moeten zowel bij leerlingen met een achterstand, als leerlingen met behoeften aan extra uitdaging een effectief leerproces tot stand weten te brengen.
OP1. Aanbod
Het aanbod bereidt de leerlingen voor op hun vervolgbestemming en op de samenleving.
Basiskwaliteit
De leraren bieden een breed, eigentijds en op de kerndoelen gebaseerd aanbod. Voor het vso- uitstroomprofiel vervolgonderwijs is het aanbod dekkend voor de examenprogramma’s. Binnen de kaders van de wet maken de leraren keuzes in het aanbod, waardoor zij dit afstemmen op de onderwijsbehoeften die kenmerkend zijn voor de leerlingenpopulatie. Het aanbod bereidt de leerlingen voor op de vervolgbestemming. De school heeft bovendien een aanbod voor taal en rekenen dat is afgestemd op de referentieniveaus en dat past bij het niveau van alle leerlingen. De leraren verbreden of verdiepen het aanbod afhankelijk van de kenmerken van de leerlingenpopulatie. Het aanbod draagt bij aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat.
De leraren verdelen de leerinhouden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen en geven de leerlingen voldoende tijd om zich het aanbod eigen te maken. De school legt de doelen voor het onderwijs en de opbouw van het aanbod vast in het schoolplan.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet geeft aan dat de inhouden van het onderwijs zich richten op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden (artikel 11, derde en vierde lid, WEC). Deze inhouden zijn vastgelegd in kerndoelen en examenprogramma’s (artikel 13, 14a, 14c en 14f WEC), en omvatten naast taal en rekenen ook de brede ontwikkeling en inhouden die in relatie staan tot het opgroeien in een pluriforme samenleving, het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie en het kennis hebben en maken met verschillende achtergronden en culturen van leeftijdsgenoten (artikel 11, vierde lid, WEC). Verder bepaalt de wet dat het onderwijs dusdanig wordt ingericht dat er structureel en herkenbaar aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden en in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal (artikel 11, derde lid, WEC).
De inhoud van het onderwijsaanbod dient te zijn afgestemd op verschillende leerbehoeften van leerlingen en worden evenwichtig en in samenhang over de leerjaren heen verdeeld (artikel 11, eerste lid, WEC). Dat houdt ook in dat het onderwijs dusdanig wordt ingericht dat er structureel en herkenbaar aandacht wordt besteed aan het bestrijden van achterstanden op alle gebieden, waaronder rekenen en in het bijzonder in de beheersing van de Nederlandse taal (artikel 11, derde lid, WEC). Ook wordt aandacht besteed aan voorbereiding op dagbesteding en arbeid (artikel 14c en 14f WEC).
Het schoolplan dient de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor de uitgangspunten, doelstellingen en inhoud te bevatten (artikel 21, tweede lid, onder a, WEC). Daaronder vallen de doelen van het onderwijs en de opbouw van het aanbod.
Uit de eis van een ononderbroken voortgang in ontwikkeling van leerlingen, volgt dat de school de inhoud aanbiedt in een logische fasering/opbouw, opklimmend in niveaus op een wijze die past bij de leeftijd en het niveau.
We weten dat de kwaliteit van het leren toeneemt door methodes en (spel-)materialen die aansluiten bij de actualiteit in de samenleving. Bij dit laatste kan ook worden gedacht aan het incorporeren van inzichten in het aanbod over wat de samenleving in kennis, vaardigheden en houdingen in de nabije toekomst zal vragen.
OP2. Zicht op ontwikkeling en begeleiding
De school volgt en begeleidt de leerlingen zodanig dat zij een ononderbroken ontwikkeling kunnen doorlopen.
Basiskwaliteit
De school verzamelt met behulp van een leerling- en onderwijsvolgsysteem (LOVS) systematisch informatie over de kennis en vaardigheden van haar leerlingen. Voor de kennisgebieden taal en rekenen/wiskunde gebeurt dit met genormeerde toetsen. De school stelt bij de start van het onderwijs op basis van alle gegevens een passend ontwikkelingsperspectief voor elke leerling op dat sturing geeft aan het plannen en volgen van de ontwikkeling van de leerlingen.
Daarnaast verzamelt de school systematisch informatie over de voortgang in de ontwikkeling met behulp van toetsen, observaties, leerlingenwerk, gesprekken en (zelf)rapportages. De leraren gebruiken deze informatie om het onderwijs dagelijks en op langere termijn af te stemmen op het niveau en de ontwikkeling van de kinderen, om hiaten of voorsprongen te signaleren en om te bepalen welke leerlingen extra ondersteuning, begeleiding of externe zorg nodig hebben. Ze gebruiken daarbij een cyclische aanpak van evalueren, analyseren, plannen, uitvoeren en weer evalueren.
Deze signalering en analyses maken het mogelijk om het onderwijs af te stemmen op de onderwijsbehoeften van zowel groepen leerlingen als individuele leerlingen. Wanneer leerlingen niet genoeg lijken te profiteren van het onderwijs, gaat de school na waar de ontwikkeling stagneert en wat mogelijke verklaringen hiervoor zijn. Bovendien gaat zij na wat nodig is om eventuele achterstanden bij leerlingen te verhelpen.
De school gebruikt de informatie over haar leerlingen om het onderwijsaanbod aan te passen aan de specifieke onderwijsbehoeften van zowel groepen leerlingen als individuele leerlingen. De leerling krijgt daarmee de begeleiding die hij/zij nodig heeft om het onderwijsprogramma beter te kunnen doorlopen.
Voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften is er extra ondersteuning in zowel de cognitieve, de motorische als de sociale ontwikkeling. De extra ondersteuning is gericht op het realiseren van het ontwikkelingsperspectief. De school evalueert regelmatig of de extra ondersteuning voor die leerlingen het gewenste effect heeft en stelt zo nodig bij.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet vraagt dat de vorderingen van de leerlingen in kennis en vaardigheden door middel van een leerling- en onderwijsvolgsysteem (LOVS) worden gevolgd, en dat dit bij taal en rekenen/wiskunde gebeurt met genormeerde toetsen (artikel 11, eerste, zevende en achtste lid, WEC). Dit waarborgt dat de school daadwerkelijk de ononderbroken ontwikkeling van leerling voor ogen kan hebben in het onderwijs en ook dat het onderwijs aansluit bij de verschillende leerbehoeften van leerlingen, bijvoorbeeld als uit de vorderingen blijkt dat de ontwikkeling stagneert. Bij de leerlingen zoekt de school naar mogelijke verklaringen voor de stagnatie, zodat het onderwijs daarop kan worden aangepast (artikel 11, eerste lid, WEC). Hiervoor wordt na op overeenstemming gericht overleg met de ouders of, als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, met de leerling, het ontwikkelingsperspectief opgesteld, geëvalueerd en zo nodig aangepast (artikel 41a WEC en onderliggende regelgeving). Over het handelingsdeel van het ontwikkelingsperspectief moet, als het wordt vastgesteld of bijgesteld, overeenstemming worden bereikt met de ouders of, als de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, met de leerling (artikel 41a, tweede en zesde lid, WEC).
De kwaliteit van de wijze waarop de scholen omgaan met op grond van het onderwijsvolgsysteem verkregen gegevens, bijvoorbeeld door deze te vergelijken met landelijke gemiddeldes van leeftijdsgenoten of door analyses van mogelijke oorzaken van snellere of achterblijvende ontwikkeling, bepaalt mede de kwaliteit van de onderwijskundige aanpassingen voor de afstemming op individuele leerbehoeften van leerlingen.
De leraren gebruiken deze informatie om het onderwijs dagelijks en op langere termijn af te stemmen op het niveau en de ontwikkeling van de kinderen, om hiaten of voorsprongen te signaleren en om te bepalen welke leerlingen extra ondersteuning, begeleiding of externe zorg nodig hebben (artikel 11, lid 1, artikel 14a/c/f, artikel 41a + onderliggende regels, WEC). Alle bij het onderwijs betrokkenen gebruiken daarbij een cyclische aanpak van evalueren, analyseren, plannen, uitvoeren en weer evalueren (artikel 41a, derde t/m zesde lid, WEC).
OP3. Didactisch handelen
Het didactisch handelen van de leraren stelt leerlingen in staat tot leren en ontwikkelen.
Basiskwaliteit
De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. Zij zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les.
De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zodanig dat de leerling het zich eigen kan maken.
De leraren stemmen de instructies, de begeleiding, de opdrachten en de onderwijstijd af op de behoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
De wet geeft aan dat het aanbod zo moet worden aangeboden dat een doorlopend ontwikkelproces, afgestemd op de leerlingen, mogelijk is (artikel 11, eerste lid, WEC). Daartoe stelt de school een ontwikkelingsperspectief vast voor de leerling en evalueert dat jaarlijks (artikel 41a WEC). Dit betekent dat de werkwijze in het didactisch handelen zodanig is dat de leerling tot leren komt. Voorwaarden daarvoor zijn dat er sprake is van een pedagogisch leerklimaat dat leren mogelijk maakt, blijkend uit goede ondersteuning en uitdaging, dat de uitleg duidelijk is en dat de les ordelijk verloopt (taakgericht, gestructureerd).
Ook moet de les indien nodig mogelijkheden bevatten om de afstemming van de leerstof op de leerlingen daadwerkelijk mogelijk te maken. Dit is voorwaardelijk om te spreken van een efficiënte benutting van de onderwijstijd waarin leerlingen betrokken zijn bij de les, zodat zij daadwerkelijk in staat worden gesteld tot het doorlopen van een ononderbroken ontwikkelproces (artikel 11, eerste lid, WEC). Daarnaast moet het niveau van de lessen passen bij het beoogde eindniveau van de groep en de school (artikel 11 derde en zevende lid, WEC).
De school formuleert het beleid over het pedagogisch-didactisch handelen in het schoolplan (artikel 21, tweede en derde lid, WEC).
De kwaliteit van de school bij het didactisch handelen wordt onder meer bepaald door het didactische vermogen om aan te sluiten bij leerlingen: leraren moeten zowel leerlingen met een achterstand als leerlingen met behoeften aan extra uitdaging, tot een effectief leerproces weten te brengen. We weten dat de volgende didactische kenmerken bijdragen aan een effectief leerproces: interactie die aanzet tot reflectie, feedback op proces en resultaat, en stimuleren tot intrinsiek leren.
OP5. Onderwijstijd
De leerlingen krijgen voldoende tijd om zich het leerstofaanbod eigen te maken.
Basiskwaliteit
De school realiseert minimaal de wettelijk verplichte onderwijstijd. Dit betekent dat zij voldoende tijd heeft geprogrammeerd. De school verdeelt de tijd zodanig over de vakken dat leerlingen in staat zijn het onderwijsprogramma tot zich te nemen. De verdeling van de onderwijstijd past bij de uitstroomprofielen van de school. Bovendien weet de leraar de geplande onderwijstijd effectief te benutten door een efficiënte lesuitvoering.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Op grond van artikel 12, eerste lid, WEC moeten de leerlingen in het speciaal onderwijs:
In het voortgezet speciaal onderwijs, uitstroomprofiel arbeidsmarkt of dagbesteding, moeten de leerlingen minimaal 1.000 uur onderwijs per jaar ontvangen (artikel 25, eerste lid, WEC). In het uitstroomprofiel voortgezet onderwijs moeten de leerlingen over de gehele cursusduur de volgende onderwijstijd ontvangen (artikel 14a, tweede lid, WEC, jo. artikel 6g WVO): vwo: 5.700 uur, havo: 4.700 uur, vmbo: 3.700 uur.
Verder moeten de scholen in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs ten minste op 189 dagen onderwijs verzorgen (artikel 14a, tweede lid, WEC, jo. artikel 6g1 WVO).
Van de school mag worden verwacht dat zij zicht heeft op de feitelijke benutting van de onderwijstijd. Binnen de geplande tijd maakt zij keuzes met als doel de onderwijstijd zo effectief mogelijk te benutten zodat alle leerlingen actief, gemotiveerd en betrokken zijn en de voor hen beschikbare tijd effectief besteden (artikel 11, lid 1, WEC).
OP6. Samenwerking
De school werkt samen met partners om het onderwijs voor haar leerlingen vorm te geven.
Basiskwaliteit
De school werkt samen met de andere scholen in het samenwerkingsverband passend onderwijs en andere voorzieningen. De school voert overleg met andere scholen in de gemeente en de gemeente zelf over het bestrijden van onderwijsachterstanden bij leerlingen, het bevorderen van integratie, het voorkomen van segregatie en over inschrijvings- en toelatingsprocedures. De school levert gegevens over voortijdig schoolverlaters aan de gemeente (artikel 118h WEC). Instellingen met een landelijke functie (cluster 1 en 2) dragen naast het verzorgen van onderwijs actief bij aan de begeleiding van leerlingen in het regulier onderwijs door middel van ambulante begeleiding. Aan het einde van de schoolperiode en bij tussentijds vertrek van kinderen informeert de school de ouders en het vervolgonderwijs over de ontwikkeling van de leerlingen.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Voor kinderen in achterstandssituaties en/of met een ondersteuningsbehoefte werkt de school intensief samen met ouders, ketenpartners en met partners in het samenwerkingsverband.
Aan het einde van de schoolperiode en bij tussentijds vertrek van kinderen informeert de school de ouders en het vervolgonderwijs over de ontwikkeling van de leerlingen (artikel 14e, 14h, 20, 41a, en 43 WEC). Een van de taken van instellingen is het ambulant begeleiden van leerlingen van po- en vo-scholen en mbo-instellingen middels de begeleiding door personeel van die instelling (artikel 9, eerste lid, onder b, WEC).
We weten dat samenwerking, informatieuitwisseling met voorgaande en vervolgscholen, ouders en andere ketenpartners tot afstemming leidt op individuele leerbehoeften van leerlingen, en de ononderbroken ontwikkeling van leerlingen ten positieve beïnvloedt.
Dit geldt in hoge mate voor leerlingen met een bijzondere ondersteuningsbehoefte. Dit staat ook in relatie met de wettelijke eis om het onderwijs af te stemmen op de ontwikkeling en leerbehoefte van leerlingen (artikel 11, eerste lid, WEC).
OP7. Praktijkvorming/stage
De voorbereiding, uitvoering en begeleiding van de praktijkvorming zijn doeltreffend.
Basiskwaliteit
De stage draagt bij aan de geplande leeractiviteiten. De school begeleidt de leerling bij de voorbereiding en bij de keuze van een stageplek die past bij de uitstroombestemming van de leerling, en stelt hiervoor de vereiste stageovereenkomst op. De begeleiding en beoordeling verlopen op de afgesproken wijze en de school is op de hoogte van het functioneren van de leerling op de stageplek. De stageplek begeleidt de leerling op de afgesproken wijze. Periodiek vindt overleg plaats tussen organisatie, school en leerling. De school volgt de voortgang van de leerling en stuurt zo nodig bij.
Eigen aspecten van kwaliteit
Welke eigen opdracht heeft de school opgenomen in het schoolplan en (hoe) realiseert de school deze? Te denken valt aan
Toelichting wettelijke eisen
Voor de leerlingen in het uitstroomprofiel arbeid, maakt de stage een wettelijk onderdeel uit van het curriculum. De organisatie begeleidt de leerling op de afgesproken wijze (artikel 17, eerste lid, WEC, artikel 9, Onderwijskundig besluit WEC).
OP8. Toetsing en afsluiting
De toetsing en afsluiting verlopen zorgvuldig.
Basiskwaliteit
De school waarborgt gedurende en aan het einde van de schoolloopbaan de kwaliteit van toetsafname. Tijdens de schoolperiode maken de leerlingen toetsen op basis van het leerlingvolgsysteem, waarmee in elk geval de kennis en vaardigheden op het terrein van de kernvakken binnen het profiel worden gemeten. De leraren nemen de toetsen af conform de voorschriften.
Ouders worden geïnformeerd over de vorderingen van de leerlingen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)