Verordening van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van 9 januari 2018, nr. ANVS-2018/137, houdende nadere regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (ANVS-verordening basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)
Bij gebruik van (röntgen)toestellen wordt een bundel van fotonen (primaire bundel) geproduceerd. Indien de openingshoek waarbinnen de fotonen van de primaire bundel vrijkomen klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel, in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:
In het centrum van een primaire stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, dat wil zeggen indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.
3.3. Externe blootstellingdosis
3.3.1. Algemeen
In een verstrooide stralingsbundel is de kwadratenwet alleen van toepassing indien de invallende bundel divergerend is en indien het dosistempo berekend wordt voor afstanden groter dan 1 meter achter het door de invallende bundel getroffen voorwerp.
Indien sprake is van kortere afstanden of van dosisbepaling in een andere richtingen dan achter het voorwerp, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Voor de berekening van de effectieve dosis ten gevolge van externe straling Eext (de externe blootstellingdosis) wordt bij deze rekenregels in eerste benadering gebruik gemaakt van het omgevingsdosisequivalent H*(10) [μSv/h].
Voor de berekening van de effectieve dosis ten gevolge van externe straling Eext (de externe blootstellingdosis) wordt bij deze rekenregels in eerste benadering gebruik gemaakt van het omgevingsdosisequivalent H*(10) [μSv/h].
3.3.2. Berekening omgevingsdosisequivalenttempo
In onderdeel 3.3.3 wordt H* (10) aan de terreingrens berekend, uitgaande van het omgevingsdosisequivalenttempo
op een punt (dosispunt) gelegen op r meter afstand van de bron. Hiervoor zijn vaak fabrieksgegevens of metingen beschikbaar. Indien deze niet voorhanden zijn, kan
worden berekend volgens de methodiek aangegeven in onderdeel 3.3.2.
Het omgevingsdosisequivalenttempo
Het omgevingsdosisequivalenttempo
3.3.3. Berekening van het maximale omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens (H*max)
Het omgevingsdosisequivalenttempo
rond toestellen wordt bepaald aan de hand van fabrieksgegevens, of aan de hand van metingen.
Bij toestellen wordt in het algemeen de primaire bundel geproduceerd door beschieting van een trefplaat. Voor de bepaling van de afstand r [m] tussen stralingsbron en dosispunt dient dan, als conservatieve benadering, te worden aangenomen dat de stralingsbron zich bevindt op de plaats van de trefplaat.
Zoals in onderdeel 3.3.1 reeds is aangegeven, wordt bij de berekening van de externe blootstellingsdosis uitgegaan van het omgevingsdosisequivalent hetgeen in beginsel een overschatting geeft. In de volgende paragrafen wordt de (geringe) overschatting verwaarloosd en wordt het omgevingsdosisequivalent H*(10) berekend.
Zoals in onderdeel 3.3.1 reeds is aangegeven, wordt bij de berekening van de externe blootstellingsdosis uitgegaan van het omgevingsdosisequivalent hetgeen in beginsel een overschatting geeft. In de volgende paragrafen wordt de (geringe) overschatting verwaarloosd en wordt het omgevingsdosisequivalent H*(10) berekend.
De waarde van het jaarlijkse omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens gesommeerd over alle betrokken nucliden (of stralingssoorten in het geval van toestellen) wordt H*max genoemd.
Indien de gemeten, berekende of door de fabriek opgegeven waarde van het omgevingsdosisequivalenttempo op een dosispunt op afstand r [m] van een stralingsbron gelijk is aan
en aan de terreingrens de kwadratenwet van toepassing is, dan kan H*max worden berekend volgens onderstaande formule:
3.3.4. Afgeleid toetsingsniveau voor externe straling (H*SN)
Indien de stralingsbron op verschillende plaatsen binnen de locatie wordt gebruikt, dan wordt de waarde van H*max berekend op basis van die plaatsen die, in vergelijking met de andere, het hoogste omgevingsdosisequivalenttempo aan de terreingrens geeft, uitgaande van het aantal gebruiksuren op die plaatsen.
Indien meer dan één stralingsbron binnen een locatie aanwezig is, wordt voor het te beschouwen punt aan de terreingrens het omgevingsdosisequivalent voor iedere bron afzonderlijk berekend en vervolgens wordt de totale H*maxverkregen door de bijdragen te sommeren.
3.3.4. Afgeleid toetsingsniveau voor externe straling (H*SN)
Voor externe straling wordt uitgegaan van een toetsingsniveau dat overeenkomt met een jaarlijkse omgevingsdosisequivalent binnenshuis gelijk aan het SN (10 µSv). Om rekening te houden met de afscherming bij verblijf binnenshuis, wordt bij directe straling vanuit een (punt)bron, een verzwakking van het omgevingsdosisequivalent buitenshuis met een factor 4 (zie onderdeel 6.5.2) aangenomen.
Voor externe straling wordt uitgegaan van een toetsingsniveau dat overeenkomt met een jaarlijkse omgevingsdosisequivalent binnenshuis gelijk aan het SN (10 µSv). Om rekening te houden met de afscherming bij verblijf binnenshuis, wordt bij directe straling vanuit een (punt)bron, een verzwakking van het omgevingsdosisequivalent buitenshuis met een factor 4 (zie onderdeel 6.5.2) aangenomen.
Het toetsingsniveau voor externe straling buitenshuis is gelijk aan:
De berekende waarde voor Hmax dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau HSN.
4. Stroomschema open bronnen
4.1. Algemeen
wordt de externe straling uit de locatie geacht een externe blootstellingdosis kleiner dan het SN te veroorzaken.
Indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Elke radioactieve stof wordt beschouwd als open bronindien onder normale gebruiksomstandigheden het vrijkomen van radioactiviteit niet kan worden uitgesloten. Daarom moet hierbij rekening worden gehouden met de mogelijkheid van blootstelling van omwonenden als gevolg van in de lucht of in het water verspreide radionucliden. Daarnaast kan er sprake zijn van externe straling zoals het geval is bij toestellen en ingekapselde bronnen.
Elke radioactieve stof wordt beschouwd als open bronindien onder normale gebruiksomstandigheden het vrijkomen van radioactiviteit niet kan worden uitgesloten. Daarom moet hierbij rekening worden gehouden met de mogelijkheid van blootstelling van omwonenden als gevolg van in de lucht of in het water verspreide radionucliden. Daarnaast kan er sprake zijn van externe straling zoals het geval is bij toestellen en ingekapselde bronnen.
4.2. Externe straling
Voorbeeld van toepassingen van open bronnen is het gebruik van radioactief materiaal in radionuclidenlaboratoria, nucleaire geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek.
In figuur 4.1 is het stroomschema gegeven voor de berekening volgens de rekenregels van de dosis voor de drie soorten emissies te weten:
4.2. Externe straling
Bij de berekening volgens de rekenregels van het maximale (theoretisch mogelijke) omgevingsdosisequivalent (H*max) wordt er van uit gegaan dat de open bronnen te beschouwen zijn als puntbronnen, waarvoor de kwadratenwet kan worden toegepast.
4.3. Lozing in lucht
De berekening geschiedt op analoge wijze als voor toestellen en ingekapselde bronnen. Voor de wijze waarop deze berekeningen worden uitgevoerd, wordt verwezen naar hoofdstuk 3.
4.3. Lozing in lucht
Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in lucht worden de volgende stappen doorlopen:
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh [Bq]) is de activiteit die bij inhalatie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor ieder radionuclide i kan het Reinh,i worden berekend volgens:
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh [Bq]) is de activiteit die bij inhalatie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor ieder radionuclide i kan het Reinh,i worden berekend volgens:
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit dat in één jaar wordt gebruikt, de soort handeling(en) en de mogelijkheid tot verspreiding, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AL,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in de lucht kan worden geloosd. Bij de berekening van AL,i wordt gesommeerd over de verschillende handelingen met het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRL,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit dat in één jaar wordt gebruikt, de soort handeling(en) en de mogelijkheid tot verspreiding, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AL,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in de lucht kan worden geloosd. Bij de berekening van AL,i wordt gesommeerd over de verschillende handelingen met het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRL,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
4.3.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Lmax)
De kans dat en de mate waarin een radionuclide zich in lucht verspreidt, bijvoorbeeld in de zuurkast of laboratoriumruimte en vervolgens naar buiten komt, is afhankelijk van de eigenschappen van de stof of verbinding en van de handelingen die ermee worden verricht. De waarden voor de verspreidingsparameter p zijn afgeleid van deze verspreidingskans. In tabel 4.1 zijn de waarden gegeven die in formule 4.2 gebruikt dienen te worden voor een aantal vaak voorkomende handelingen. Indien de handelingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd aanmerkelijk daarvan afwijken, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in tabel 4.1 vermelde waarden.
De eventuele aanwezigheid van een filter in het lozingskanaal, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter voor het beschouwde radionuclide, dienen in formule 4.2 de in tabel 4.2 vermelde waarden te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van het filter kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het filter niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief filter (s = 0).
4.3.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Lmax)
De verhouding tussen AL,i en Reinh,i geeft, voor iedere radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijke) aantal radiotoxiciteitsequivalenten van dat nuclide dat in een jaar in lucht wordt geloosd.
De verhouding tussen AL,i en Reinh,i geeft, voor iedere radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijke) aantal radiotoxiciteitsequivalenten van dat nuclide dat in een jaar in lucht wordt geloosd.
4.3.4. Afgeleid toetsingsniveau voor lozingen in lucht (LSN)
De geloosde hoeveelheid radioactiviteit zal zich in de lucht verspreiden en dus in (sterk) verminderde concentratie de terreingrens bereiken. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een tenminste miljoenvoudige verdunning, afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens.
De geloosde hoeveelheid radioactiviteit zal zich in de lucht verspreiden en dus in (sterk) verminderde concentratie de terreingrens bereiken. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een tenminste miljoenvoudige verdunning, afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens.
Het afgeleide toetsingsniveau (LSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in aantal Reinh, die een inhalatiedosis aan de terreingrens ter grootte van het SN (1 µSv) veroorzaakt. In tabel 4.4 worden, voor verschillende afstanden van het lozingspunt tot de terreingrens, de afgeleide toetsingsniveaus gegeven.
De met behulp van formule 4.3 verkregen waarde voor Lmax dient te worden getoetst aan de afgeleide toetsingniveaus LSN.
4.4. Lozing in water
Er zijn twee situaties mogelijk. De eerste is die waarbij er sprake is van één (effectief) lozingspunt. De tweede situatie is die waarbij er sprake is van een aantal lozingspunten die op verschillende afstanden van het te beschouwen punt van de terreingrens zijn gelegen.
4.4. Lozing in water
Alleen waarden van Lmax groter dan 0,1 (dwz een tiende van het kleinste toetsingsniveau), behoeven bij deze sommatie te worden betrokken. Indien wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt de totale lozing uit de locatie geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken. Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt voor de lozing in lucht verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
4.4. Lozing in water
Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in water worden de volgende stappen doorlopen:
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing [Bq]) is de hoeveelheid activiteit die bij ingestie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor iedere radionuclide i kan Reing worden berekend volgens:
Eén radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing [Bq]) is de hoeveelheid activiteit die bij ingestie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft, als gedefinieerd in onderdeel E van bijlage 2 van het besluit. Voor iedere radionuclide i kan Reing worden berekend volgens:
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit die in één jaar wordt gebruikt, de wijze van verwerking en de mogelijkheid tot lozing in water, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AW,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in water kan worden geloosd. Bij de berekening van AW,iwordt gesommeerd over de verschillende handelingen van het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRW,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit die in één jaar wordt gebruikt, de wijze van verwerking en de mogelijkheid tot lozing in water, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AW,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in water kan worden geloosd. Bij de berekening van AW,iwordt gesommeerd over de verschillende handelingen van het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRW,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.
De volgende formule is van toepassing:
De parameterwaarden voor Z, V en W zijn afhankelijk van de chemische of metabole eigenschappen van de betrokken stoffen en van de handeling waarvoor deze worden gebruikt.
Voor de bepaling van de waarden kunnen hetzij resultaten uit (eerder uitgevoerd) onderzoek worden gebruikt, hetzij metingen worden verricht. Bij gebrek aan gegevens of indien de correctiefactor niet van toepassing is, dient te worden uitgegaan van een waarde van 1.
Bij het toedienen van radiopharmaca aan patiënten vervalt een (groot) deel van de activiteit in het lichaam, maar ook zullen radionucliden na kortere of langere tijd via excreta worden uitgescheiden en geloosd op het riool. Om rekening te houden met de effectieve uitscheiding wordt een radiopharmacon- en toepassingafhankelijk correctiefactor Z (tabel 4.5) gehanteerd die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit nog tijdens het verblijf binnen de locatie(meestal het ziekenhuis) wordt uitgescheiden en geloosd op het riool.
In tabel 4.5 zijn de waarden gegeven die in formule 4.7 gebruikt dienen te worden voor de verschillende soorten van uitscheidingsgedrag van de radiopharmaca.
4.4.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Wmax)
Bij het toedienen aan proefdieren worden de uitwerpselen deels opvangen (vast afval) en niet op het riool geloosd; deels zullen de uitwerpselen worden weggespoeld. Hiervoor geldt een correctiefactor W (tabel 4.7) die in formule 4.7 gebruikt dient te worden en die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit op het riool van de locatie wordt geloosd.
De eventuele aanwezigheid van een waterzuiveringsfilter in het lozingskanaal of van een (verval)tank waarin de geloosde radionucliden enige tijd verblijven alvorens zij op het riool geloosd worden, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter- of tanksysteem voor het beschouwde radionuclide, dienen de in tabel 4.8 vermelde waarden in formule 4.7 te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van de filter- of tanksysteem kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het systeem niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief systeem (s=0).
4.4.3. Berekening van de maximale jaarlijkse emissie vanuit een locatie (Wmax)
De verhouding tussen AW, i en Reing, i geeft, voor ieder radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijk) aantal radiotoxiciteitsequivalenten dat in een jaar in water wordt geloosd.
De verhouding tussen AW, i en Reing, i geeft, voor ieder radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijk) aantal radiotoxiciteitsequivalenten dat in een jaar in water wordt geloosd.
De maximale (theoretisch mogelijk) emissie in water vanuit een locatie (Wmax), uitgedrukt in aantal radiotoxiciteitsequivalenten wordt verkregen na sommatie over alle radionucliden volgens:
De op het riool geloosde radioactiviteit zal niet direct de bevolking bereiken, maar pas na (langdurig) verblijf en verspreiding in het milieu. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een verdunning met tenminste een factor 108.
4.4.5. Toetsing Wmax aan WSN
Het afgeleide toetsingsniveau (WSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in Reing, die, volgens deze benadering, een ingestiedosis ter grootte van het SN (1 µSv) veroorzaakt.
Aangezien de ingestiedosis die het gevolg is van een lozing in water homogeen verdeeld wordt verondersteld over een groot gebied, is WSN niet afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens (dit in tegenstelling met hetgeen van toepassing is voor lozingen in lucht en LSN).
De waarde van het afgeleide toetsingsniveau voor lozingen in water (WSN), uitgedrukt in Reing, is gelijk aan:
De met behulp van formule 4.8 verkregen waarde voor Wmax dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau WSN.
De met behulp van formule 4.8 verkregen waarde voor Wmax dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau WSN.
4.5. Methode voor de bepaling van doses ten gevolge van handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal
Indien:
wordt de lozing geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken.
Indien dat niet het geval is, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
Bij de bepaling van de dosis ten gevolge van ingestie, inhalatie of externe straling worden in principe alle aanwezige radionucliden (en hun dosiscoëfficiënten) meegenomen. Echter, deze bepaling kan ook met behulp van zogenoemde key- of triggerradionucliden uitgevoerd worden. Voor leden van de bevolking kunnen de doses in eerste instantie conservatief doch realistisch worden geschat.
Deel II. Nadere Analyse
5. Stroomschema en werkwijze voor Nadere Analyse
Deel II. Nadere Analyse
In de gevallen waarin de uitkomsten van de schattingen van de effectieve doses hoger zijn dan 1 μSv en 10 μSv in een kalenderjaar voor ingestie- of inhalatiedosis respectievelijk externe stralingsdosis, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.
De uitvoering van deze nadere analyse vindt plaats zoals weergegeven in het stroomschema in figuur 5.1.
Zoals al in onderdeel 1.2 is aangegeven, dient in die gevallen waarin de rekenregels uit Deel I niet toereikend zijn, een ‘Nadere Analyse’ (volgens onderdelen 5 tot en met 7 van deze bijlage) te worden uitgevoerd. Dat is het geval indien:
Zoals al in onderdeel 1.2 is aangegeven, dient in die gevallen waarin de rekenregels uit Deel I niet toereikend zijn, een ‘Nadere Analyse’ (volgens onderdelen 5 tot en met 7 van deze bijlage) te worden uitgevoerd. Dat is het geval indien:
5.2. Overzicht van de Werkwijze
5.2.1. Te beschouwen emissiesoorten en vaststelling emissieomvang
In het algemeen zal bij de uitvoering meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij de toepassing van de rekenregels uit Deel I. De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02]en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02]dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.
De methodologie voor de nadere analyse gaat uit van een aantal aannames, bijvoorbeeld omtrent de deeltjesgrootte-verdeling van de geïnhaleerde radionucliden of de transferfactoren (zie daarvoor [DOA02] en [DOB02]). Indien in de beschouwde situatie afwijkende aannames worden gebruikt, dient dit bij de vergunningaanvraag gemotiveerd te worden.
Voor iedere emissiesoort waarvoor de rekenregels uit Deel I niet toepasbaar zijn, dient een ‘Nadere Analyse’ te worden uitgevoerd om de dosis in de omgeving te berekenen.
Voor iedere emissiesoort waarvoor de rekenregels uit Deel I niet toepasbaar zijn, dient een ‘Nadere Analyse’ te worden uitgevoerd om de dosis in de omgeving te berekenen.
Voor iedere emissiesoort waarvoor de rekenregels uit Deel I niet toepasbaar zijn, dient een ‘Nadere Analyse’ te worden uitgevoerd om de dosis in de omgeving te berekenen.
De omvang van iedere emissiesoort (dus de omvang van de lozing of de omgevingsdosisequivalent) waarvoor een nadere analyse wordt uitgevoerd, kan op twee manieren worden bepaald:
of
Indien het aantal radionucliden en hun eventuele dochters zeer groot is, kan de nadere analyse worden beperkt tot een representatieve selectie uit die (dochter)nucliden. De keuze daarvoor dient te zijn onderbouwd (bv. door middel van onderzoek).
Alle relevante stralingssoorten en energieën dienen in de nadere analyse te worden betrokken; in de praktijk zal voor milieuaspecten voornamelijk sprake zijn van gamma- en röntgenstraling.
5.2.2. Verspreiding en besmetting in het milieu
Indien sprake is van een gepulste of anderszins niet-continue emissie (bijvoorbeeld lozingen in water na tijdelijke opslag in tanks ter controle van de geloosde activiteit) moet, indien niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de gevolgen significant zullen afwijken van een continue emissie, van een continue emissie worden uitgegaan12Dit kan van belang zijn bijvoorbeeld voor lozingen in lucht die alleen onder bepaalde weersomstandigheden plaatsvinden, waarvoor de doorgaans gebruikte weerstatistieken (op jaarbasis) niet toepasbaar zijn in de verspreidingsberekening.. Als jaarlijkse emissie wordt de som genomen van alle pulslozingen in een jaar.
Voor de bepaling van de lozingsomvang mag rekening worden gehouden met in gebruik zijnde installaties die gericht zijn op zuivering van emissies, bijvoorbeeld met filtersystemen in een riolering of schoorsteen of met vervaltanks.
Indien een materiaal (bijvoorbeeld zuiveringslib of baggerspecie) ten gevolge van lozingen al dan niet onbedoeld een verhoogde radioactiviteit krijgt, worden de doses die daar het gevolg van zijn, toegerekend aan de lozende bron.
5.2.2. Verspreiding en besmetting in het milieu
Uitgaande van de hiervoor berekende emissies wordt de besmetting van alle relevante milieucompartimenten en van daarin voorkomende voedselproducten (vis, vee, landbouw) bepaald, alsmede de daardoor in het milieu veroorzaakte stralingsniveaus.
Voor de berekeningen ten behoeve van luchtlozingen en waterlozingen wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02]. Hierin wordt de berekening van verspreiding en depositie van radioactieve stoffen in het milieu besproken alsmede de berekening van de doses die het gevolg daarvan zijn.
5.2.3. Belastingpaden
Bij een ‘Nadere Analyse’ van een bepaalde emissiesoort dienen in principe alle mogelijke belastingpaden te worden beschouwd. Echter, afhankelijk van de omstandigheden, zullen sommige belastingpaden een belangrijkere rol spelen dan andere en zal het dus meestal mogelijk zijn een aantal belastingpaden te verwaarlozen.
Bij een ‘Nadere Analyse’ van een bepaalde emissiesoort dienen in principe alle mogelijke belastingpaden te worden beschouwd. Echter, afhankelijk van de omstandigheden, zullen sommige belastingpaden een belangrijkere rol spelen dan andere en zal het dus meestal mogelijk zijn een aantal belastingpaden te verwaarlozen.
5.2.4. Cumulatie in de tijd en te beschouwen tijdshorizon
5.2.4. Cumulatie in de tijd en te beschouwen tijdshorizon
Bij jarenlang lozen zal de besmetting in het milieu, onder andere door verspreiding, afzetting, cumulatie, verval en ingroei van dochternucliden, veranderen in de tijd.
De besmetting in het milieu dient steeds te worden berekend voor de situatie die na 25 jaar continu lozen wordt bereikt, ook indien er dan nog geen evenwicht is bereikt. Indien van tevoren vaststaat dat een bron een kortere tijd aanwezig is, mag die kortere periode worden gehanteerd.
Uitgaande van de berekende besmetting van milieu en voedselproducten, wordt de effectieve dosis berekend voor de personen uit een aandachtsgroep.
6.1. Algemeen
Uitgaande van de berekende besmetting van milieu en voedselproducten, wordt de effectieve dosis berekend voor de personen uit een aandachtsgroep.
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de berekeningswijze van deze dosis en op een aantal begrippen die daarbij een rol spelen. In onderdeel 6.2 wordt ingegaan op de vraag welke blootstellingswegen bij de berekening in beschouwing genomen dienen te worden; in onderdeel 6.3 wordt de aandachtsgroep gedefinieerd, d.w.z. het gedrag wordt gedefinieerd van de personen voor wie de dosis dient te worden berekend; in onderdeel 6.4 worden de dosismodellen besproken en tenslotte in onderdeel 6.5 wordt aangegeven hoe de multifunctionele individuele dosis (MID) en de actuele individuele dosis (AID) berekend moeten worden.
De te gebruiken parameterwaarden (zoals de dosiscoëfficiënten) worden gegeven in bijlage 9 van deze verordening.
De belangrijkste manieren waarop blootstelling van de mens kan plaatsvinden zijn: via externe blootstelling, inhalatie, submersie en ingestie. Een verdere onderverdeling is mogelijk naar belastingpad zoals hieronder aangegeven.
De belangrijkste manieren waarop blootstelling van de mens kan plaatsvinden zijn: via externe blootstelling, inhalatie, submersie en ingestie. Een verdere onderverdeling is mogelijk naar belastingpad zoals hieronder aangegeven.
Bij het berekenen van de externe blootstellingdosis dient, voor zover relevant, rekening te worden gehouden met de volgende belastingpaden:
Bij het berekenen van de inhalatiedosis die het gevolg is van het inademen van radioactieve stoffen in lucht, dient rekening te worden gehouden met:
6.3. Aandachtsgroep, selectiegroep en representatief persoon
Bij verblijf in besmette lucht dient, voor zover relevant, ook rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van opname van radioactieve stoffen via de huid en door submersie. Submersie is in het bijzonder relevant indien de in lucht aanwezige radionucliden edelgassen zijn.
Bij het berekenen van de ingestiedosis die het gevolg is van de opname in het lichaam van radionucliden via drank en voedsel, dient rekening te worden gehouden met de besmetting van:
Rekening dient te worden gehouden met besmetting van gewassen als gevolg van:
De aandachtsgroepis de (hypothetische) groep waarvoor de dosis voor een bepaalde emissiesoort en belastingpad wordt berekend. Deze groep krijgt aandacht in verband met een mogelijke dosis ten gevolge van blootstelling aan ioniserende straling. Voor deze groep worden aannames gemaakt met betrekking tot gedrag en fysiologische parameters. Het betreft in dit geval gedrag dat, gegeven een bepaalde besmetting in het milieu, tot de blootstelling van de aandachtsgroep leidt. Het begrip gedrag houdt alle levensgewoontes in: wonen, werken, eten, etc. Bij de bepaling van het gedrag worden conservatieve, doch realistische, aannames gedaan en wordt ‘extreem' gedrag of gedrag van een enkeling niet wordt beschouwd. Voor verschillende emissiesoorten en belastingpaden zullen doorgaans verschillende aandachtsgroepen worden beschouwd.
De aandachtsgroepis de (hypothetische) groep waarvoor de dosis voor een bepaalde emissiesoort en belastingpad wordt berekend. Deze groep krijgt aandacht in verband met een mogelijke dosis ten gevolge van blootstelling aan ioniserende straling. Voor deze groep worden aannames gemaakt met betrekking tot gedrag en fysiologische parameters. Het betreft in dit geval gedrag dat, gegeven een bepaalde besmetting in het milieu, tot de blootstelling van de aandachtsgroep leidt. Het begrip gedrag houdt alle levensgewoontes in: wonen, werken, eten, etc. Bij de bepaling van het gedrag worden conservatieve, doch realistische, aannames gedaan en wordt ‘extreem' gedrag of gedrag van een enkeling niet wordt beschouwd. Voor verschillende emissiesoorten en belastingpaden zullen doorgaans verschillende aandachtsgroepen worden beschouwd.
Een selectiegroep behoort altijd bij een bepaalde bron of locatie. Een selectiegroep is de aandachtsgroep die de hoogste individuele dosis ontvangt ten gevolge van één emissiesoort.
De representatieve persoon is de persoon die blootstaat aan een dosis die representatief is voor die van de meest aan ioniserende straling blootgestelde personen van de bevolking, met uitsluiting van personen met extreme of zeldzamen gewoonten. In de nadere analyse is dit een gemiddeld lid van die aandachtsgroep die de hoogste individuele dosis ontvangt als gevolg van alle beschouwde emissiesoorten tezamen.
Voor de berekening van de externe blootstellingsdosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden en waarbij die woning een zekere mate van afscherming biedt.
De aandachtsgroep met de hoogste externe stralingsblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar het omgevingsdosistempo ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze personen zullen in het algemeen aan de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen externe straling als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
Voor de berekening van de inhalatiedosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.
Voorts wordt uitgegaan van een jaarlijkse inhalatie van 8.300 m3 lucht, overeenkomend met het ademdebiet van een volwassen man die rustige werkzaamheden verricht.
De aandachtsgroep met de hoogste inhalatieblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze personen zullen in het algemeen aan of vlakbij de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen inhalatie als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
Voor de berekening van de submersiedosis op een bepaalde locatie, wordt, net als bij inhalatie, uitgegaan van personen in een aandachtsgroep die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.
De aandachtsgroep met de hoogste submersieblootstelling zal bestaan uit personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze groep zal dezelfde zijn als voor inhalatie en de personen uit deze groep zullen in het algemeen aan of vlakbij de terreingrens wonen.
Indien een emissie alleen submersie als relevante blootstelling heeft, is deze groep tevens de selectiegroep behorende bij deze emissie. Bovendien, als deze emissie de enige emissie is die een relevante dosisbijdrage heeft, kan het gemiddelde lid van deze groep gedefinieerd worden als representatief persoon.
6.4. Individuele effectieve dosis (ID)
6.4.1. Algemeen
Voorts wordt uitgegaan van de gemiddelde jaarlijkse consumptie van voedingsmiddelen van een volwassen man (zie tabel 6.1).
6.4. Individuele effectieve dosis (ID)
Voor iedere blootstellingsweg wordt, uitgaande van de radioactiviteit en/of de straling aanwezig in het milieu, de bijdrage berekend aan de jaarlijkse individuele effectieve dosis (ID). Deze is de dosis die een individu kan ontvangen door onbeschermd 24 uur per dag aan de bron te worden blootgesteld. In de volgende onderdelen (6.4.2. t/m 6.4.5) wordt kort aangegeven hoe de externe blootstellingdosis IDext, de inhalatiedosis IDinh, de submersiedosis IDsub en de ingestiedosis IDing dienen te worden berekend. Deze dienen vervolgens als basis voor de berekening van MID en AID (zie onderdelen 6.5.2 en 6.5.3.).
Voor iedere blootstellingsweg wordt, uitgaande van de radioactiviteit en/of de straling aanwezig in het milieu, de bijdrage berekend aan de jaarlijkse individuele effectieve dosis (ID). Deze is de dosis die een individu kan ontvangen door onbeschermd 24 uur per dag aan de bron te worden blootgesteld. In de volgende onderdelen (6.4.2. t/m 6.4.5) wordt kort aangegeven hoe de externe blootstellingdosis IDext, de inhalatiedosis IDinh, de submersiedosis IDsub en de ingestiedosis IDing dienen te worden berekend. Deze dienen vervolgens als basis voor de berekening van MID en AID (zie onderdelen 6.5.2 en 6.5.3.).
Voor iedere blootstellingsweg wordt, uitgaande van de radioactiviteit en/of de straling aanwezig in het milieu, de bijdrage berekend aan de jaarlijkse individuele effectieve dosis (ID). Deze is de dosis die een individu kan ontvangen door onbeschermd 24 uur per dag aan de bron te worden blootgesteld. In de volgende onderdelen (6.4.2. t/m 6.4.5) wordt kort aangegeven hoe de externe blootstellingdosis IDext, de inhalatiedosis IDinh, de submersiedosis IDsub en de ingestiedosis IDing dienen te worden berekend. Deze dienen vervolgens als basis voor de berekening van MID en AID (zie onderdelen 6.5.2 en 6.5.3.).
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de externe blootstellingdosis wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02].
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de externe blootstellingdosis wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02].
De externe blootstellingdosis IDext wordt berekend uitgaande van het dosistempo
6.4.3. Inhalatie
Voor de berekening van IDext wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse en geen bescherming door kleren, woning etc. (zie hiervoor de berekening van de MIDext, onderdeel 6.5.2). De duur van de blootstelling text is gelijk aan het aantal uren per jaar dat de bron aanwezig is en het effectieve dosistempo
veroorzaakt.
Het effectieve dosistempo is afhankelijk van de uitgezonden energie en, o.a., van de brongeometrie, de afstand van de bron en eventueel aanwezige afscherming. Voor de berekening van het dosistempo zijn, voor de verschillende belastingspaden (puntbron, bodembesmetting, etc.), conversiecoëfficiënten berekend en getabelleerd (zie [DOB02]).
Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de inhalatiedosis wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02].
6.4.4. Submersie
Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve inhalatiedosis IDnh ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:
In het geval dat de getabelleerde einh niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A.
6.4.4. Submersie
De aanwezigheid van radionucliden in de lucht kan ook een submersiedosis tot gevolg hebben, in het bijzonder in het geval dat er sprake is van edelgassen. Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve submersiedosis IDsub ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:
De aanwezigheid van radionucliden in de lucht kan ook een submersiedosis tot gevolg hebben, in het bijzonder in het geval dat er sprake is van edelgassen. Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve submersiedosis IDsub ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:
Voor de berekening van Esub wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse (tsub= 8.760 uren in een jaar).
6.4.5. Ingestie
6.5.1. Algemeen
Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de verschillende voedselproducten (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve ingestiedosis IDing ten gevolge van consumptie van voedsel worden berekend aan de hand van de volgende formule:
In het geval dat de getabelleerde eing niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A.
Onder multifunctionele individuele dosis (MID) wordt de dosis verstaan die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit tot de hoogst mogelijke dosis aanleiding geeft. De MID staat los van het feitelijk gebruik van dat gebied op enig moment en houdt rekening met het mogelijke (toekomstige) gebruik. Het gaat dus om de dosis voor een selectiegroep of de representatieve persoon die weliswaar momenteel mogelijk zelfs niet bestaat, maar waarvan het bestaan in de toekomst niet uitgesloten geacht kan worden. In het algemeen leidt het gebruik van een gebied voor normale bewoning tot die hoogst mogelijke dosis. MID wordt dan ook op basis daarvan berekend (zie onderdeel 6.5.2).
Onder multifunctionele individuele dosis (MID) wordt de dosis verstaan die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit tot de hoogst mogelijke dosis aanleiding geeft. De MID staat los van het feitelijk gebruik van dat gebied op enig moment en houdt rekening met het mogelijke (toekomstige) gebruik. Het gaat dus om de dosis voor een selectiegroep of de representatieve persoon die weliswaar momenteel mogelijk zelfs niet bestaat, maar waarvan het bestaan in de toekomst niet uitgesloten geacht kan worden. In het algemeen leidt het gebruik van een gebied voor normale bewoning tot die hoogst mogelijke dosis. MID wordt dan ook op basis daarvan berekend (zie onderdeel 6.5.2).
6.5.2. Berekening van de multifunctionele dosis MID
Voor de berekening van de actuele individuele dosis (AID) wordt voor sommige dosisbijdragen het huidige feitelijk gebruik van het gebied wel beschouwd (zie onderdeel 6.5.3). Uitgangspunt daarbij blijft dat alle functies van het milieu voor de toekomst mogelijk dienen te blijven en dus dat er geen te hoge (langdurige) besmetting in het milieu plaatsvindt. Met andere woorden, het feitelijke gebruik van de omgeving (het feitelijk bestaan van de selectiegroep of de representatieve persoon) speelt alleen voor díe belastingpaden een rol, die geen blootstelling meer geven zodra de bron geen emissies meer veroorzaakt.
Voor de berekening van MID en AID wordt uitgegaan van de berekende individuele dosisbijdragen (ID) voor de verschillende blootstellingwegen en belastingpaden (zie onderdeel 6.4). Voor zowel MID als AID bestaat de berekening uit een som van (gecorrigeerde) individuele dosisbijdragen. Voor AID worden echter andere of additionele correctiefactoren toegepast dan voor MID.
Zoals in onderdeel 7 nader is uitgewerkt, voor de toetsing aan het Secundair Niveau wordt MID berekend voor iedere emissiesoort afzonderlijk. Voor de toetsing aan de locatielimiet wordt de totale AID beschouwd.
MIDgeeft de dosis weer voor de (potentiële) bewoners van de omgeving van een bron enis samengesteld uit bijdragen van de verschillende blootstellingwegen waarvan doorgaans de belangrijkste zijn: externe blootstellingdosis (MIDext), inhalatiedosis (MIDinh), ingestiedosis (MIDing). In het geval van edelgassen kan ook de submersiedosis (MIDsub) een rol spelen.
MIDgeeft de dosis weer voor de (potentiële) bewoners van de omgeving van een bron enis samengesteld uit bijdragen van de verschillende blootstellingwegen waarvan doorgaans de belangrijkste zijn: externe blootstellingdosis (MIDext), inhalatiedosis (MIDinh), ingestiedosis (MIDing). In het geval van edelgassen kan ook de submersiedosis (MIDsub) een rol spelen.
Bij de berekening van de externe blootstellingdosis voor potentiële bewoners van een gebied wordt continue blootstelling verondersteld en afscherming door de woning zelf (zie onderdeel 6.3).
De waarde die voor onafgeschermd verblijf in de buitenlucht geldt (IDext, zie onderdeel 6.4.2), wordt vermenigvuldigd met een factor die rekening houdt met de afscherming die door de woning zelf wordt geboden. Op basis van een globale schatting van de afscherming door een standaardwoning voor gammastraling van verschillende energieën en van verschillende soorten bronnen is de waarde van de afschermingfactor gesteld op 0,25:
De groep die de hoogste MIDext zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar het effectieve dosistempo het hoogst is.
Zoals aangegeven in onderdeel 6.3, wordt, bij de berekening van de inhalatiedosis voor de aandachtsgroep continue verblijf verondersteld, en wordt geen rekening gehouden met extra afscherming door de woning (de concentratie binnenshuis is gelijk aan die buitenshuis). De multifunctionele inhalatiedosis is gelijk aan de inhalatiedosis IDinh (zie onderdeel 6.4.3, formule 6.2):
De groep die de hoogste MIDinh zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.
Op vergelijkbare manier wordt de multifunctionele submersiedosis MIDsub gelijkgesteld aan de submersiedosis IDsub (zie onderdeel 6.4.4, formule 6.3):
De groep die de hoogste MIDsub zal hebben, is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.
Bij de berekening van de multifunctionele ingestiedosis wordt het eetgedrag van de aandachtsgroep zoals aangegeven in onderdeel 6.3 aangenomen. In het bijzonder geldt het volgende:
Bij de berekening van de concentratie radionucliden in de verschillende producten (Cv) en dus ook de betreffende dosisbijdragen MIDing (zie onderdeel 6.4.5, formule 6.4) wordt rekening gehouden met de hierboven aangegeven middeling over zogenaamde voedselgebieden:
De groep die de hoogste MIDing zal hebben, is de groep die een moestuin heeft op de locatie waar de depositie radioactieve stoffen op planten (interceptie) het hoogste is, of waar de concentratie radioactieve stoffen in de bodem het hoogst is. In het geval van besmetting van vis door lozingen in water kan deze groep de Nederlandse bevolking zijn.
Voor de berekening van de MID voor de representatieve persoon behorende bij de beschouwde bron of locatie moeten de individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende emissiesoorten, de verschillende belastingpaden en verschillende blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde personen (kunnen) treffen. Het gemiddelde lid van de groep waarvoor de aldus berekende totale dosis het hoogste is, is de representatieve persoon. Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 µSv in een jaar bedragen, worden weggelaten.
6.5.3. Berekening van de actuele dosis AID
Samenvattend:
Voor iedere emissiesoort waarvoor een ‘Nadere Analyse’ wordt uitgevoerd, vindt de berekening van de multifunctionele individuele dosis (MID) plaats via de volgende stappen:
Voor toetsing aan het SN wordt voor iedere emissiesoort afzonderlijk de maximale waarde van MID vastgesteld (de dosis voor de selectiegroep).
De berekening van de actuele dosis AID is alleen nodig voor de emissiesoorten waarvoor MID het Secundair Niveau overschrijdt.
De berekening van de actuele dosis AID is alleen nodig voor de emissiesoorten waarvoor MID het Secundair Niveau overschrijdt.
Indien er sprake is van bewoning of, gezien het bestemmingsplan, bewoning mogelijk is, is AID gelijk aan MID. Indien er geen sprake is van bewoning (en deze volgens het bestemmingsplan ook niet mogelijk is), dan worden bij de berekening van AID andere of additionele correctiefactoren toegepast ten opzichte van MID. AID zal in dit geval kleiner zijn dan MID.
De berekening van AID geschiedt analoog aan die van MID, waarbij echter voor die individuele dosisbijdragen die niet het gevolg zijn van blijvende besmetting van het milieu, rekening wordt gehouden met het feitelijke huidige gebruik van de omgeving. Hiervoor komen de dosisbijdragen in aanmerking die het gevolg zijn van besmetting in de lucht (zoals inhalatie) of van de aanwezigheid van een stralende vaste bron. Voor deze bijdragen wordt verondersteld dat zij niet meer bestaan indien de bron geen emissies meer veroorzaakt.
Voor de dosisbijdragen die wel het gevolg zijn van een blijvende besmetting van het milieu (bijvoorbeeld van besmetting van de grond) wordt de berekening uitgevoerd zoals voor de multifunctionele dosis MID. Deze bijdragen blijven immers bestaan ook nadat de bron geen emissies meer veroorzaakt.
In de praktijk kunnen alleen de volgende locatiegebonden dosisbijdragen worden gecorrigeerd om rekening te houden met het feitelijke huidige gebruik van de locatie:
De hiervoor genoemde doses zijn direct evenredig aan de blootstellingduur. Als er ter plaatse niet gewoond wordt, zal de feitelijke blootstellingduur korter zijn dan bij bewoning. Om daarmee rekening te houden wordt een correctiefactor toegepast, de Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC factor) genoemd.
In tabel 6.2 worden de ABC factoren gegeven voor verschillende bestemmingen. Voor iedere beschouwde situatie dient de aangegeven waarde te worden gebruikt. Indien het feitelijk gebruik niet onder de in tabel 6.2 genoemde categorieën valt, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in de tabel vermelde waarden.
Voor de berekening van AID voor één emissiesoort moeten de relevante gecorrigeerde en ongecorrigeerde individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende belastingpaden en blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde personen (kunnen) treffen.
Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 µSv ten gevolge van lozingen en 1 µSv ten gevolge van externe straling in een jaar bedragen, worden weggelaten. In tabel 6.3 wordt voor iedere dosisbijdrage aangegeven welke correctie toegepast moet worden om de actuele dosis AID te berekenen.
Samenvattend:
De berekening van de actuele individuele dosis (AID) voor één emissiesoort vindt plaats via de volgende stappen:
Voor de onderbouwing van het redelijkerwijs criterium voor de beschouwde emissiesoort (zie onderdeel 7.1) wordt de maximale berekende waarde van AID vastgesteld. Voor toetsing aan de locatielimiet wordt vervolgens de totale AID berekend (zie onderdeel 7.2).
Opgemerkt wordt dat bij optelling van gecorrigeerde en ongecorrigeerde dosisbijdragen de berekende AID geen werkelijke ontvangen dosis is. De berekende waarde geeft een overschatting van de thans ontvangen dosis (indien geen sprake is van bewoning), en tevens geeft ze een conservatieve indicatie van de toekomstige 'onvermijdelijke' dosis als gevolg van blijvende besmetting van radionucliden in het milieu.
*) Indien de bron in het algemeen niet gedurende 24 uur per dag in bedrijf is, moet daarvoor eventueel gecorrigeerd worden; indien de bron een bepaalde blootstelling per jaar geeft, maar alleen gedurende werktijden, kan geen correctie voor (werk)verblijftijd worden gehanteerd.
0) Onder aanname dat de normaal geldende vervoersbepalingen blijven gelden.
1) Een bemanning van een boot zal bij langs varen nooit langer dan in totaal 3,6 dagen per jaar ter hoogte van een bron verblijven. Bij aanleggen bij een terrein geldt het schip als onderdeel van het terrein en gelden dus de arbeidsnormen voor dat terrein, behalve indien het een woonboot betreft.
2) De verblijftijden bij één bron zullen doorgaans niet meer dan 12 dagen per jaar zijn (1/30e jaar)
3) In jachthavens etc vertoeft men in het algemeen niet meer dan in totaal ca 1 maand per jaar. In volkstuinen verblijft men in het algemeen alleen overdag.
4) Op kampeerterreinen verblijven velen gedurende de gehele zomerperiode.
5) Zeilen, zwemmen, vissen en zonnen zal bij dagrecreatie niet langer dan 8 uur per dag gedurende 30 dagen per jaar plaatsvinden precies bij een bepaalde bron of inrichting.
6) Een persoon zal bij normaal gebruik niet langer dan in totaal ca 15 min per dag op een parkeerterrein vertoeven.
7) Zelfs op een snelweg waar regelmatig files staan – bijvoorbeeld voor de Coentunnel – zal een passant gemiddeld over een jaar nooit meer dan 15 min per dag precies voor die ene bron of inrichting staan. Dit geldt ook voor doorgaande (stads)wegen.
8) Op een stoep bij een woongebied kan iemand zich theoretisch gedurende enige tijd per dag bevinden – spelende kinderen bijvoorbeeld. Deze kunnen in principe het hele jaar door buiten spelen, niet alleen op dagen met aangenaam weer, wat in het algemeen wel geldt voor recreatiegebieden.
9) Een boer zal zich nooit de gehele werktijd vlak bij de terreingrens bevinden, maar zich ophouden in het gehele gebied. Bovendien werkt hij gemiddeld maar 8 uur per dag buiten.
10) De huidige werktijd is nog maar ca 1.800 uur, dat wil zeggen 1/5 van een jaar.
11) Indien het werk doorgaans binnen plaatsvindt, moeten in dit geval zowel de ABC-factor als de afschermingfactor (zie onderdeel 6.5.2) gehanteerd worden.
7. Toetsing van de uitkomsten aan de dosisniveaus
7.1. Toetsing aan het Secundair Niveau
voor deze paden is de bijdrage aan AID gelijk aan de individuele dosisbijdrage (zie onderdeel 6.4).
bij werk binnenshuis wordt zowel de ABC factor als de afschermingfactor door het gebouw toegepast.
De toetsing aan het Secundair Niveau wordt gedaan per iedere emissiesoort afzonderlijk. Hiervoor wordt de berekende multifunctionele individuele dosis (MID) vergeleken met de bij de betreffende emissiesoort horende SN.
De toetsing aan het Secundair Niveau wordt gedaan per iedere emissiesoort afzonderlijk. Hiervoor wordt de berekende multifunctionele individuele dosis (MID) vergeleken met de bij de betreffende emissiesoort horende SN.
De toetsing aan het Secundair Niveau wordt gedaan per iedere emissiesoort afzonderlijk. Hiervoor wordt de berekende multifunctionele individuele dosis (MID) vergeleken met de bij de betreffende emissiesoort horende SN.
Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID lager ligt dan SN, dus als:
dan is er sprake van een emissiesoort die geringe risico's voor de omgeving met zich meebrengt.
7.2. Toetsing aan de locatielimiet
Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID hoger ligt dan SN, dus als:
dan is er sprake van een emissiesoort die zodanige gevolgen voor de omgeving met zich meebrengt dat van de zijde van de overheid nadere gegevens worden gevraagd. Naast MID dient voor de betreffende emissiesoort ook AID te worden berekend.
7.2. Toetsing aan de locatielimiet
7.2. Toetsing aan de locatielimiet
De toetsing aan de locatielimiet wordt gedaan voor alle emissiesoorten tezamen. Hiervoor wordt de totale AID berekend, dat wil zeggen de actuele dosis van alle relevante emissiesoorten samen. Voor de berekening van de totale AID worden de verschillende dosisbijdragen opgeteld die dezelfde groep mensen (kunnen) treffen.
De berekende waarde van de totale AID wordt vergeleken met de locatielimiet van 100 μSv.
Voor de berekening van de radiotoxiciteitsequivalenten (zie onderdelen 4.3.1 en 4.4.1) en van de effectieve dosis (zie onderdeel 6.4) worden de radionuclidespecifieke dosiscoëfficiënten c.q. bronconstanten gebruikt uit de volgende referenties:
Voor de berekening van de radiotoxiciteitsequivalenten (zie onderdelen 4.3.1 en 4.4.1) en van de effectieve dosis (zie onderdeel 6.4) worden de radionuclidespecifieke dosiscoëfficiënten c.q. bronconstanten gebruikt uit de volgende referenties:
Voor de berekening van de radiotoxiciteitsequivalenten (zie onderdelen 4.3.1 en 4.4.1) en van de effectieve dosis (zie onderdeel 6.4) worden de radionuclidespecifieke dosiscoëfficiënten c.q. bronconstanten gebruikt uit de volgende referenties:
voor de externe blootstellingdosis t.g.v. puntbron:
bronconstante h uit [Kev96]
voor de inhalatiedosis:
dosiscoëfficiënten einh uit annex G en H, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
A.2. Afwijkende en nieuwe parameterwaarden
dosiscoëfficiënten esub uit annex C, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
A.2. Afwijkende en nieuwe parameterwaarden
dosiscoëfficiënten eing uit annex F, bedoeld in bijlage 9 bij deze verordening, onderdeel B
A.2. Afwijkende en nieuwe parameterwaarden
I. Fysiologische gegevens
Bijlage 11. behorend bij artikel 6.1 Bouwmaterialen
Voor fysiologische gegevens dienen ICRP-23 [IC75] en ICRP-89 [IC102] te worden gebruikt, behalve voor het long- en botmodel, waarvoor ICRP-66 [IC93] en ICRP-70 [IC95]moeten worden gebruikt.
II. Metabole modellen
Rekenmethodes voor toetsing van de door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling aan het gestelde referentieniveau.
Rekenmethodes voor toetsing van de door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling aan het gestelde referentieniveau.
Rekenmethodes voor toetsing van de door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling aan het gestelde referentieniveau.
De richtlijn geeft in annex VIII de volgende bepaling van de index I voor activiteitsconcentratie voor door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling:
b. CEN methode
I = a 1/300 Bq/kg + a2/200 Bq/kg + a3/3000 Bq/kg
Met a1, a2, a3 als activiteitsconcentraties van de respectievelijke primordiale radionucliden 226Ra, 232Th en 40K uitgedrukt in becquerel per kilogram.
De index voor de activiteitsconcentratie met een waarde van 1 kan gebruikt worden als een conservatieve benadering om aan te tonen dat het referentieniveau als bedoeld in artikel 9.10, achtste lid, van het besluit ten gevolge van de door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling niet wordt overschreden.
b. CEN methode
Het technical body CEN/TC-351 van het Comité Européen de Normalisation (CEN) heeft een methode uitgewerkt voor de berekening van de toename van de effectieve dosis ten gevolge van de blootstelling aan de door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling13https://www.nen.nl/Normontwikkeling/Doe-mee/Normcommissies-en-nieuwe-trajecten/Normcommissies-Bouw/CENTC-351.htm. Met deze methode wordt de toename van de effectieve dosis geschat door enerzijds rekening te houden met de activiteitsconcentraties van de aanwezige primordiale radionucliden en anderzijds rekening te houden met de dichtheid en dikte van de bouwmaterialen in hun beoogd gebruik.
De effectieve dosis D, uitgedrukt in millisievert per kalenderjaar, wordt als volgt geschat:
Met ρ = dichtheid [kg/m3] van de bouwmaterialen in hun beoogd gebruik en met a1, a2, a3 als activiteitsconcentratie van de respectievelijke primordiale radionucliden 226Ra, 232Th en 40K uitgedrukt in Bq/kg. De dikte d [m] heeft een vaste waarde van 0,2 m (20 cm). Met deze conservatieve benadering wordt rekening gehouden met meerdere lagen bouwmaterialen, waaruit doorgaans een wand van een ruimte is opgebouwd. De minimumwaarde voor de dichtheid ρ die in de formule mag worden ingevoerd, bedraagt 300 kg/m3. De correctiefactor (- 0,29 millisievert/jaar) dient om te corrigeren voor de door de bouwmaterialen geboden afscherming tegen terrestrische en kosmische straling.
c. De gewogen som van de activiteitsconcentraties
De gewogen som van de activiteitsconcentraties van de aanwezige primordiale radionucliden 226Ra, 232Th en 40K, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de Verordening, wordt berekend volgens de onderstaande formule.
Bijlage 12. behorend bij artikel 6.2, derde lid
d. Bepaling van het percentage grondstoffen dat de ondernemer ten hoogste aan bouwmaterialen mag toevoegen bij een gewogen som van 1, zoals bepaald onder c.
d. Bepaling van het percentage grondstoffen dat de ondernemer ten hoogste aan bouwmaterialen mag toevoegen bij een gewogen som van 1, zoals bepaald onder c.
Lijst van de minimumvereisten per gegevensrecord
Naam laboratorium
Nuclidecategorie
Naam laboratorium
Naam laboratorium
Naam laboratorium
Nuclidecategorie
Type toestel
Activiteitswaarde
Onzekerheid
Soort onzekerheid
Eenheid
Soort waarde
Referentiedatum(1) (datum waarvoor de activiteitswaarde wordt opgegeven)
Bijlage 13. behorend bij artikel 6.3, derde lid
Gestandaardiseerde informatie over de lozing van radioactieve stoffen in de lucht en het water door kerncentrales en opwerkingsfabrieken in normaal bedrijf
A. Kerncentrales
Gestandaardiseerde informatie over de lozing van radioactieve stoffen in de lucht en het water door kerncentrales en opwerkingsfabrieken in normaal bedrijf
(1) Voor LWR.
(2) Kan normaliter worden verkregen door de meting van bètastraling na het verval van kortlevende isotopen.
(1) Voor LWR.
(1) Voor LWR.
A.2. Vloeibare lozingen
(2) Kan normaliter worden verkregen door de meting van bètastraling na het verval van kortlevende isotopen.
(3) Voor gasgekoelde reactoren.
A.2. Vloeibare lozingen
A.2. Vloeibare lozingen
B. Opwerkingsfabrieken
(2) Voor gasgekoelde reactoren.
(2) De hoeveelheden geloosd uraan mogen in kg worden vermeld.
Bijlage 14. behorend bij artikel 6.3, negende lid
B.2. Vloeibare lozingen14De vloeibare effluenten van opwerkingsfabrieken worden normaliter behandeld samen met de vloeistoffen van andere faciliteiten op dezelfde locatie.
A.1
(2) De hoeveelheden geloosd uraan mogen in kg worden vermeld.
(2) Voor gasgekoelde reactoren.
(1) In het bijzonder als de geloosde hoeveelheid radionucliden geraamd zijn op basis van een berekening, of wanneer in de sommatie substitutiewaarden zijn gebruikt voor beneden de beslissingsdrempel gelegen meetwaarden, of voor informatie inzake de over de chemische/fysische vorm van de lozingen van H-3, C-14 en jodium, of voor informatie over de tijdbasis en de bemonsteringsmethode.
A.1
(1) In het bijzonder als de geloosde hoeveelheid radionucliden geraamd zijn op basis van een berekening, of wanneer in de sommatie substitutiewaarden zijn gebruikt voor beneden de beslissingsdrempel gelegen meetwaarden, of voor informatie inzake de over de chemische/fysische vorm van de lozingen van H-3, C-14 en jodium, of voor informatie over de tijdbasis en de bemonsteringsmethode.
(2) Voor gasgekoelde reactoren.
(3) Totaal-alfa moet uitsluitend worden gerapporteerd wanneer geen nuclidespecifieke informatie over alfastralers beschikbaar is.
A.2
(1) In het bijzonder als de geloosde hoeveelheid radionucliden geraamd zijn op basis van een berekening, of wanneer in de sommatie substitutiewaarden zijn gebruikt voor beneden de beslissingsdrempel gelegen meetwaarden, of voor informatie inzake de over de chemische/fysische vorm van de lozingen van H-3, C-14 en jodium, of voor informatie over de tijdbasis en de bemonsteringsmethode.
B.1
(3) Totaal-alfa moet uitsluitend worden gerapporteerd wanneer geen nuclidespecifieke informatie over alfastralers beschikbaar is.
(1) In het bijzonder als de geloosde hoeveelheid radionucliden geraamd zijn op basis van een berekening, of wanneer in de sommatie substitutiewaarden zijn gebruikt voor beneden de beslissingsdrempel gelegen meetwaarden, of voor informatie inzake de over de chemische/fysische vorm van de lozingen van H-3, C-14 en jodium, of voor informatie over de tijdbasis en de bemonsteringsmethode.
(1) In het bijzonder als de geloosde hoeveelheid radionucliden geraamd zijn op basis van een berekening, of wanneer in de sommatie substitutiewaarden zijn gebruikt voor beneden de beslissingsdrempel gelegen meetwaarden, of voor informatie inzake de over de chemische/fysische vorm van de lozingen van H-3, C-14 en jodium, of voor informatie over de tijdbasis en de bemonsteringsmethode.
Deze verordening zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.15a
Afdeling 3.2 van het besluit is niet van toepassing op handelingen op een locatie met radioactieve materialen waarin de radionuclide K-40 voorkomt, als de op de locatie aanwezige massa van het kaliumhoudende materiaal groter is dan 1.000 kilogram, indien de activiteitsconcentratie van de radionuclide K-40 in het op de locatie aanwezige kaliumhoudende materiaal niet groter is dan 22 kBq/kg, en voldaan wordt aan de in dit artikel opgenomen voorwaarden.
De voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn:
- a. de afstand van de op de locatie aanwezige kaliumhoudende materialen tot verblijfsruimten is groter dan 5 meter, en
- b. de afstand in meters tussen de op de locatie aanwezige kaliumhoudende materialen en enig punt buiten de locatie is groter dan de waarde die het resultaat is van de berekening met formule R ≥ R(M) × ctijd × cdichtheid × cconcentratie waarbij
- 1°. voor R(M) wordt uitgegaan van de tabel in het vierde lid, en
- 2°. de in de formule opgenomen correctiefactoren worden toegepast overeenkomstig het derde lid en de tabel in het vijfde lid.
Voor de formule, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, geldt:
R is de minimale afstand van de aanwezige kaliumhoudende materialen tot enig punt buiten de locatie in meters, vastgesteld op basis van de tabel die is opgenomen in het vierde lid;
R(M) is de ongecorrigeerde minimale afstand tot het kaliumhoudende materiaal in meters gebaseerd op:
- –. de aanwezigheid van het materiaal gedurende het gehele kalenderjaar,
- –. een dichtheid van het kaliumhoudende materiaal van 2.000 kg/m3, en
- –. een activiteitsconcentratie van K-40 in het kaliumhoudende materiaal die gelijk is aan 22 kBq/kg;
ctijd is de correctiefactor die kan worden toegepast bij aanwezigheid op de locatie van de kaliumhoudende materialen gedurende kortere tijd dan 1 jaar, overeenkomstig de tabel, opgenomen in het vijfde lid;
cdichtheid is de correctiefactor die moet worden toegepast als het kaliumhoudende materiaal een lagere dichtheid heeft dan 2.000 kg/m3, overeenkomstig de tabel, opgenomen in het vijfde lid;
cconcentratie is de correctiefactor die kan worden toegepast als de activiteitsconcentratie van het K-40 in het kaliumhoudende materiaal kleiner is dan 22 kBq/kg, overeenkomstig de tabel, opgenomen in het vijfde lid.
De minimale afstand R van de op de locatie aanwezige kaliumhoudende materialen tot enig punt buiten de locatie, bij de daarbij behorende massa is opgenomen in de onderstaande tabel.
| M: Massa van kaliumhoudend materiaal in duizenden kilogram | R(M): minimale afstand tot enig punt buiten de locatie in meters |
|---|---|
| 1 tot en met 10 | 5 |
| 10 tot en met 20 | 15 |
| 20 tot en met 50 | 25 |
| 50 tot en met 100 | 40 |
| 100 tot en met 1.000 | 60 |
| 1.000 tot en met 10.000 | 80 |
| groter dan 10.000 | 100 |
Minimale afstand van het kaliumhoudende materiaal tot enig punt buiten de locatie bij aanwezigheid van het materiaal gedurende het hele kalenderjaar, K-40-activiteitsconcentratie van het kaliumhoudende materiaal gelijk aan 22 kilobecquerel per kilogram en een dichtheid van het kaliumhoudende materiaal gelijk aan 2.000 kilogram per kubieke meter.
Bij de berekening, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, worden de correctiefactoren ctijd, cdichtheid en cconcentratie toegepast overeenkomstig de onderstaande tabel:
| dagen/jaar | ctijd | dichtheid (kg/m3) | cdichtheid | CK-40 (kBq/kg) | cconcentratie |
|---|---|---|---|---|---|
| >270 | 1,00 | >1.900 | 1,00 | >17 | 1,00 |
| 180-270 | 0,86 | 1.700 – 1.900 | 1,02 | 15–17 | 0,90 |
| 90-180 | 0,70 | 1.500 – 1.700 | 1,10 | 13–15 | 0,85 |
| ≤ 90 | 0,50 | ≤1.500 | 1,15 | 10–13 | 0,79 |
Correctiefactoren voor kortere aanwezigheidsduur (ctijd), voor lagere dichtheid (cdichtheid) en voor lagere K-40-activiteitsconcentratie (cconcentratie) van de op de locatie aanwezige kaliumhoudende materialen
Hoofdstuk 4. Bronnen en handelingen in geplande blootstellingssituaties
§ 4.1. Administratie
§ 4.2. Toestellen en versnellers
§ 4.3. Radioactieve stoffen
§ 4.3.1. Bergplaats
§ 4.3.1. Bergplaats
§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen
§ 4.3.3. Hoogactieve bronnen
§ 4.3.5. Besmettingscontrole
§ 4.3.5. Besmettingscontrole
§ 4.3.7. Consumentenartikelen
§ 4.3.7.2. Aanwijsinstrumenten
§ 4.4. Deskundigheid uitvoering handelingen
§ 4.5. Meet- en rekenmethodes
Hoofdstuk 5. Deskundigheid
Artikel 5.5. (wijzigingen gedurende de erkenningsperiode)
Een erkenning van een opleidingsinstelling als bedoeld in artikel 5.11 van het besluit betreft elk door die opleidingsinstelling afgegeven diploma, certificaat of een ander getuigschrift ter afsluiting van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming gedurende de periode waarvoor de erkenning geldt.
Indien een ingevolge artikel 5.11 van het besluit erkende opleidingsinstelling andere opleidingen op het gebied van stralingsbescherming gaat aanbieden dan de opleiding of opleidingen die de erkende opleidingsinstelling heeft opgenomen in de aanvraag van de erkenning, doet zij daarvan, voorafgaand aan de start van die opleiding of opleidingen, kennisgeving aan de Autoriteit.
Hoofdstuk 6. Bouwmaterialen en milieumonitoring
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Bijlage 4. behorend bij artikel 3.18, specifieke vrijgavewaarden
Tabel 1. Van nature voorkomende radionucliden, behorend bij artikel 3.18, eerste lid
| Van nature voorkomende radionucliden | Specifieke vrijgavewaarden voor van nature voorkomende radionucliden in natte sludges uit de olie- en gasindustrie en de geothermie (kBq kg-1) |
|---|---|
| K-40 | 100 |
| Pb-210+ | 100 |
| Po-210 | 100 |
| Ra-226+ | 5 |
| Ra-228+ | 10 |
| Th-228+ | 5 |
| Th-232sec of natuurlijke radionucliden uit de vervalreeks Th-232 | 5 |
| U-235sec of natuurlijke radionucliden uit de vervalreeks U-235* | 10 |
| U-238sec of natuurlijke radionucliden uit de vervalreeks U-238 | 5 |
*: waarden voor deze nucliden maken deel uit van de U-235 reeks en worden slechts ter informatie gegeven: ze zullen niet beperkend zijn gezien de vaste verhouding tussen U-238 en U-235
Tabel 1a. De moedernucliden die in tabel 1 zijn aangegeven met ‘+’ of ‘sec’ zijn in seculair evenwicht met dochternucliden en betreffen:
| Moedernuclide | Moedernuclide in seculair evenwicht met dochternucliden |
|---|---|
| Pb-210+ | Pb-210, Bi-210 |
| Ra-226+ | Ra-226, Rn-222, Po-218, Pb-214, Bi-214, Po-214 |
| Ra-228+ | Ra-228, Ac-228 |
| Th-228+ | Th-228, Ra-224, Rn-220, Po-216, Pb-212, Bi-212, Po-212 (64,1 %), Tl-208 (35,9 %) |
| Th-232sec | Th-232, Ra-228, Ac-228, Th-228, Ra-224, Rn-220, Po-216, Pb-212, Bi-212, Po-212 (64,1%), Tl-208 (35,9%) |
| U-235sec | U-235, Th-231, Pa-231, Ac-227, Th-227 (98,6%), Fr-223 (1,4%), Ra-223, Rn-219, Po-215, Pb-211, Bi-211, Tl-207, Po-211 (0,3%) |
| U-238sec | U-238, Th-234, Pa-234m, Pa-234 (0,3%), U-234, Th-230, Ra-226, Rn-222, Po-218, Pb-214, Bi-214, Po-214, Pb-210, Bi-210, Po-210 |
Tabel 2. Specifieke vrijgavewaarden voor verbranding, behorend bij artikel 3.18, vierde en vijfde lid
Specifieke vrijgavewaarden voor verbranding in een afvalverbrandingsinstallatie of bij ZAVIN te Dordrecht
| Kunstmatige radionucliden | Specifieke vrijgavewaarde bij verbranding in een afvalverbrandingsinstallatie niet zijnde ZAVIN te Dordrecht (kBq.kg-1) | Specifieke vrijgavewaarde1 bij verbranding bij ZAVIN te Dordrecht (kBq.kg-1) |
|---|---|---|
| H-3 | 4E+04 | 4E+04 |
| C-14 | 4E+02 | 3E+02 |
| P-33 | 3E+04 | |
| S-35 | 8E+02 | |
| Fe-55 | 1E+04 | 3E+03 |
| Co-57 | 2E+00 | |
| Tc-99 | 3E+01 | |
| Er-169 | 1E+04 | 8E+03 |
| Ac-2272, 1 | 9E-02 |
1 Inclusief dochternucliden Fr-223, Th-227, Ra-223, Rn-219, Bi-215, Po-215, Pb-211, Bi-211, Tl-207.
2 Voor zover dit radionuclide in consumentenproducten of vanwege zijn radioactieve eigenschappen wordt gebruikt.
Bijlage 5. behorend bij de artikelen 4.25 tot en met 4.27, typen goedgekeurde ionisatierookmelders
Goedgekeurde melders zijn:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)