Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 14 september 2018, nr. WJZ/18200470, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het najaar van 2018 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018)

Type Ministeriële regeling
Publication 2018-10-01
State In force
Source BWB
artikelen 83
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikelen 1, tweede lid, 2, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid, 7, 8, 10, eerste en derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 14, vijfde lid, 15, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 25, 27, eerste en derde lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 31, vijfde lid, 32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 42, 43a, eerste en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 47, vijfde lid, 48, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 56, eerste en derde lid, 59, tweede lid, 61, eerste en derde lid, en 62, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

1.

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, eerste lid, 20, eerste lid, 22, eerste lid, 24, 26, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, die wordt aangevraagd in de periode van 2 oktober 2018, 09:00 uur, tot 8 november 2018, 17:00 uur, bedraagt € 6.000.000.000.

2.

De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

3.

Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

4.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien de toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie, noch een gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.

5.

Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

7.

Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.

Artikel 3

1.

Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.

2.

Productie-installaties als bedoeld in artikel 30, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.

3.

Productie-installaties als bedoeld in artikel 24, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

4.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel c, 16, 18, eerste lid, 24, onderdelen b en c, 26, 28, eerste lid, en 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid,36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

5.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, en 12, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

6.

Productie-installaties als bedoeld in artikel 14, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

7.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid en 20, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

8.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, artikel 18, eerste lid, en 20, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.

9.

Productie-installaties als bedoeld in de artikel 26, en artikel 28, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.

10.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, 24, 26, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

11.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 26, onderdelen c, d en e, 28, eerste lid, onderdeel b, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, en 38, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.

12.

Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 16, en 26, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

§ 3. Categorieën

§ 3.1. Hernieuwbare elektriciteit

§ 3.1.1. Waterkracht

Artikel 4

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

Artikel 5

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.2. Osmose

Artikel 6

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

Artikel 7

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.3. Wind op land

Artikel 8

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10 of 12, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2017, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

2.

De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

3.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

Artikel 9

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.4. Wind op primaire waterkering

Artikel 10

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2017, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

2.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

Artikel 11

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.5. Wind in meer

Artikel 12

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.

2.

Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

Artikel 13

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.6. Fotovoltaïsche zonnepanelen

Artikel 14

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

Artikel 15

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

3.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel b, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

4.

Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de Algemene uitvoeringsregeling duurzame energieproductie niet van toepassing.

§ 3.2. Hernieuwbaar gas

§ 3.2.1. Biomassavergisting

Artikel 16

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

Artikel 17

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2.2. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

Artikel 18

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas nieuw zijn.

2.

De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3.

De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 19

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2.3. Biomassavergassing

Artikel 20

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, door middel van vergassing.

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

Artikel 21

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

§ 3.3.1. Zonthermie voor warmte

Artikel 22

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

2.

Het vermogen in kW van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

3.

Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.

Artikel 23

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.2. Geothermie voor warmte

Artikel 24

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

Artikel 25

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 24 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.3. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 26

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

Artikel 27

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 26 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.4. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 28

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

2.

De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

3.

De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 29

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.5. Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 30

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 500, 550 tot en met 573, 587, 592, 594, 596 en 802 van de NTA 8003: 2008 in een ketel.

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 31

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.6. Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 32

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en kleiner dan 5 MW waarbij ten minste de ketel nieuw is.

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 33

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 34

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 35

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.8. Ketel industriële stoom uit houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 36

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van industriële stoom of hernieuwbare elektriciteit en industriële stoom geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van industriële stoom of hernieuwbare elektriciteit en industriële stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

3.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 37

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van 8 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.9. Brander op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

Artikel 38

1.

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW waarin:

2.

Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 39

1.

Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

2.

De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4. Fasebedragen

Artikel 40

1.

Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:

1 2 3 4
fase datum openstelling fasebedrag in eur/kWh fasebedrag hernieuwbaar gas in eur/kWh
1 2 oktober 2018, 9:00 uur 0,090 0,064
2 15 oktober 2018, 17:00 uur 0,110 0,078
3 29 oktober 2018, 17:00 uur 0,130 0,092

§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen

§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 41

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in eur/kWh Vollasturen Basiselektriciteitsprijs in eur/kWh Voorlopig correctiebedrag 2018 in eur/kWh
Artikel 4, onderdeel a Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie 0,130 3.700 0,027 0,038
Artikel 4, onderdeel b Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm 0,130 5.700 0,027 0,038
Artikel 4, onderdeel c Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie 0,100 2.600 0,027 0,038
Artikel 6 Osmose 0,130 8.000 0,027 0,038
Artikel 8, eerste lid, onderdeel a Wind op land, ≥ 8,0 m/s 0,054 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 8, eerste lid, onderdeel b Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,059 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 8, eerste lid, onderdeel c Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,064 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 8, eerste lid, onderdeel d Wind op land, < 7,0 m/s 0,073 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 10, eerste lid, onderdeel a Wind op primaire waterkeringen, ≥ 8,0 m/s 0,058 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 10, eerste lid, onderdeel b Wind op primaire waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s 0,063 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 10, eerste lid, onderdeel c Wind op primaire waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s 0,069 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wind op primaire waterkeringen, < 7,0 m/s 0,077 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 12, eerste lid Wind in meer, water ≥ 1 km2 0,085 netto P50-waarde vollasturen 0,022 0,032
Artikel 14, onderdeel a Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A 0,106 950 Netlevering: 0,022 Netlevering: 0,038
Artikel 14, onderdeel a Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A 0,106 950 Niet netlevering: 0,047 Niet netlevering: 0,063
Artikel 14, onderdeel b Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, 0,099 950 Netlevering: 0,022 Netlevering: 0,038
Artikel 14, onderdeel b Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, 0,099 950 Niet netlevering: 0,039 Niet netlevering: 0,055

§ 5.2. Hernieuwbaar gas

Artikel 42

1.

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

1 2 3 4 5 6
Artikel regeling Categorie Basisbedrag in eur/kWh Vollasturen Basisenergie-prijs in eur/kWh Voorlopig correctiebedrag 2018 in eur/kWh
Artikel 16, onderdeel a Allesvergisting 0,055 8.000 0,016 0,017
Artikel 16, onderdeel b Vergisting en covergisting van dierlijke mest 0,065 8.000 0,016 0,017
Artikel 16, onderdeel c Vergisting van uitsluitend dierlijke mest ≤ 400 kW 0,092 8.000 0,016 0,017
Artikel 18, eerste lid Verbeterde slibgisting bij rioolwater-zuiverings-installaties 0,046 8.000 0,016 0,017
Artikel 20, eerste lid Biomassa-vergassing (≥95% biogeen) 0,092 7.500 0,016 0,017
2.

Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, en 20, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen.

§ 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 43

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)