Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
Wanneer de omstandigheden van het geval erop duiden dat het tijdelijk verblijf minder incidenteel wordt, kan dat anders uitpakken voor de gemeente. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning namelijk niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. In dit soort situaties van niet-incidentele bewoning in afwachting van inschrijving in de basisregistratie personen van de nieuwe gemeente zal, desgewenst in samenspraak met de belastinginspecteur, moeten worden aangenomen dat het hoofdverblijf van de ambtsdrager zich nog in de oude gemeente bevindt. In dat geval kan de kostenvergoeding voor de tijdelijke woning in de nieuwe gemeente wel in de eindheffing worden betrokken. Om zeker te stellen dat de vergoeding van deze kosten een netto vergoeding is, is bepaald dat eventueel door de ambtsdrager verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over deze vergoeding door de gemeente aan de ambtsdrager worden vergoed.
De reiskostenvergoeding geschiedt op dezelfde basis als de vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer of dienstreizen (artikel 3.2). Deze aanspraak is gekoppeld aan de duur van de ontheffing door de raad of de commissaris.
c. Tegemoetkoming dubbele woonlasten
Wanneer de burgemeester of de wethouder is verhuisd naar de nieuwe gemeente en zich ook heeft ingeschreven in zijn nieuwe woonplaats, maar zijn oude woning nog niet heeft verkocht, heeft hij aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor dubbele woonlasten (artikel 3:2.7, derde lid, van het besluit en artikel 3.7 van de regeling).
De hoogte van de tegemoetkoming is het bedrag van de kosten van de huisvestingsvoorziening in de nieuwe gemeente. Voor de hoogte van de tegemoetkoming geldt echter een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor de ambtsdrager; eventuele loon- en inkomstenbelasting hierover komen ten laste van de gemeente. Dat betrokkene kosten heeft aan het koophuis in de oude gemeente is uitsluitend van belang voor het oordeel of er in dit geval al dan niet sprake is van dubbele woonlasten.
Met woonlasten zijn bedoeld de kosten die de ambtsdrager maakt in de nieuwe gemeente in verband met hypotheekrente of huur of vermindering van de bezoldiging in verband met de ambtswoning. In dit verband is een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening gelijkgesteld met een ambtswoning. Daarnaast horen de kosten van gas, water en elektriciteit ook tot de woonlasten die voor de hoogte van de tegemoetkoming in aanmerking komen.
Onder de Werkkostenregeling is er geen specifieke vrijstelling voor huisvestingsvoorzieningen. Op grond van artikel 31, vierde lid, onderdeel b, sub 2, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan niet als eindheffingsbestanddeel worden aangewezen de vergoeding/verstrekking ter zake van of in de vorm van een woning, behalve voor zover het gaat om huisvesting buiten de woonplaats ter zake van de dienstbetrekking. Gelet op de inschrijving in de basisregistratie personen moet de woning in de nieuwe gemeente aangemerkt worden als het hoofdverblijf van de ambtsdrager. De tegemoetkoming kan daarom niet in de eindheffing worden betrokken en zal tot het individuele loon van de ambtsdrager moeten worden gerekend. Daarom ook zal die tegemoetkoming gebruteerd moeten worden verstrekt. Daarmee komt de verschuldigde belastingheffing per saldo voor rekening van de gemeente.
De duur van deze vergoeding is op grond van het besluit gemaximeerd op drie jaar na de benoemingsdatum. De toekenning van de vergoeding is verder afhankelijk van het voor eenieder kenbaar te koop zetten van de oude woning (via internet, aangemeld bij een makelaar e.d.). Ook geldt als voorwaarde dat de betrokken ambtsdrager de lasten van de hypotheekrente draagt en dat er, verrekend met eventuele huurinkomsten ter zake van dat huis in de oude gemeente, daadwerkelijk sprake is van dubbele woonlasten.
d. Vergoeding reiskosten naar het huis in de oude gemeente
De ambtsdrager die een vergoeding tijdelijke huisvesting of een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, heeft daarnaast voor één keer per week aanspraak op een vergoeding van de reiskosten voor een bezoek aan zijn woning in de oude gemeente. De reden kan zijn dat het gezin van betrokkene daar nog verblijft; het kan zijn om zaken te regelen met betrekking tot de verkoop van dat huis.
De vergoeding van deze reiskosten is conform de andere reiskostenvergoedingen: de kosten van openbaar vervoer of, bij gebruik van een eigen personenauto, het maximale bedrag dat een werkgever per kilometer fiscaal onbelast mag vergoeden aan een werknemer. Dat is op dit moment € 0,19 per kilometer.
De duur van de aanspraak is gekoppeld aan de verkoop van het huis in de oude gemeente met een maximumduur van drie jaar na de benoeming, indien er sprake is van inschrijving in de basisregistratie personen in de nieuwe gemeente. Zolang er nog geen sprake is van een dergelijke inschrijving is de aanspraak gemaximeerd op de duur van de ontheffing.
De fiscus acht deze vergoedingsregeling te algemeen om onder de gerichte vrijstelling voor reiskosten te vallen. Het zijn daarmee belaste vergoedingen. Deze vergoeding kan overigens door de gemeente als eindheffingsbestanddeel aangewezen worden. Dat betekent dat de gemeente op deze wijze de vergoeding in de eindheffing kan betrekken. Daarmee wordt de belastingheffing over dit loonbestanddeel verlegd naar de gemeente.
e. Waarnemend burgemeester
Voor de waarnemend burgemeester geldt geen woonplicht. Betrokkene kan dus ook geen ontheffing daarvan worden verleend. Dit gegeven heeft een aantal implicaties waardoor de huisvestingsvoorzieningen op bepaalde vlakken verschillen van die voor de door de Kroon benoemde burgemeester. Deze implicaties worden hieronder beschreven.
Geëxpliciteerd is dat de waarnemend burgemeester géén aanspraak kan maken op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Aangezien er geen sprake is van een woonplicht die moet worden ondersteund, moet een eventuele vestiging in de nieuwe gemeente als gevolg van deze benoeming, worden aangemerkt als een persoonlijke keuze waarvan de kosten niet ten laste van de gemeente hoeven te komen.
De waarnemend burgemeester is vergelijkbaar met de door de Kroon benoemde burgemeester met een (tijdelijke) ontheffing van de woonplicht. Daarom is het logisch dat de waarnemend burgemeester dezelfde aanspraak heeft op de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, de daaraan gekoppelde reis-kostenvergoeding naar het huis in de oude gemeente, de verhuiskostenvergoeding, en de vergoeding woon-werkverkeer. Het specifieke karakter van de waarneming komt tot uitdrukking in het feit dat tijdens de gehele duur van de waarneming aanspraak kan worden gemaakt op deze voorzieningen.
Het overgangsrecht uit 2016 is gehandhaafd. De waarnemend burgemeester die als zodanig is benoemd vóór 1 februari 2016, behoudt op basis van artikel 5.1, tweede lid, van de regeling voor de duur van die waarneming de aanspraak op de vergoeding ingeval van het gebruik van een eigen personenauto voor woon-werkverkeer ter hoogte van € 0,28 per afgelegde kilometer.
f. Voorbeeldsituaties
Situatie A: Burgemeester koopt al snel een huis
Burgemeester K wordt benoemd per 1 maart 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet zijn huis in de oude gemeente meteen te koop. Hij reist vanuit dit huis heen en weer naar het gemeentehuis tot 15 december 2019. Per die datum koopt hij een huis in de nieuwe gemeente en schrijft hij zich in als ingezetene van de nieuwe gemeente. Hij vraagt op 21 februari 2020 zijn tegemoetkoming dubbele woonlasten aan. Op 17 juli 2021 verkoopt betrokkene zijn huis in de oude gemeente.
Burgemeester K heeft in de periode 1 maart 2019 tot 15 december 2019 recht op een reiskostenvergoeding. Indien hij in deze periode in een hotel verblijft, kan hij aanspraak maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan hem vergoed.
Zijn aanspraak op de tegemoetkoming dubbele woonlasten wordt toegekend met ingang van 1 december 2019. Burgemeester K heeft hier per die datum recht op omdat hij zich in die maand heeft ingeschreven in de basisadministratie en er vanaf dat moment dubbele woonlasten zijn. Dat burgemeester K de aanvraag pas in februari 2020 indient, maakt voor het recht per 1 december 2019 niet uit. De toekenning gebeurt dan met terugwerkende kracht.
De maximale duur van deze tegemoetkoming zou tot 1 maart 2022 lopen (drie jaar na zijn benoeming), maar eindigt in dit geval met de eerste dag van de maand van de verkoop van het huis in de oude gemeente, dus per 1 juli 2021.
In de periode 1 december 2019 tot 1 juli 2021 vergoedt de gemeente de hypotheekrente van het huis in die nieuwe gemeente, samen met de kosten van elektriciteit, gas en water, tot een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester K; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan hem vergoed.
Daarnaast kan burgemeester K in de periode van 15 december 2019 tot 17 juli 2021 eenmaal per week een reis naar het huis in de oude gemeente declareren.
Voor de verhuizing naar het gekochte huis in de nieuwe gemeente heeft burgemeester K recht op een verhuiskostenvergoeding. Die verhuizing moet dan wel plaatsvinden vóór 1 maart 2022 (drie jaar na zijn benoeming).
Situatie B: Burgemeester schrijft zich laat in en heeft huurders
Burgemeester L wordt benoemd per 1 mei 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet haar huis in de oude gemeente meteen te koop. Zij huurt per 1 juni 2019 een appartement in de nieuwe gemeente. Burgemeester L schrijft zich pas in als ingezetene in de nieuwe gemeente op 23 februari 2021. Haar wordt ontheffing verleend door de raad voor de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2020. Deze ontheffing wordt door de commissaris, gehoord de raad, vanwege de bijzondere omstandigheden in dit geval verlengd met één jaar, dus tot 1 mei 2021. Per 1 oktober 2017 sluit burgemeester L voor een jaar een huurcontract waarmee haar hypotheeklasten voor het huis in de oude gemeente geheel worden gecompenseerd. Dit huurcontract wordt niet verlengd. Op 17 november 2022 wordt het huis in de oude gemeente verkocht.
Burgemeester L heeft in de periode 1 mei 2019 tot 23 februari 2021 (moment van inschrijving als ingezetene) recht op de reiskostenvergoeding. Indien zij in de periode 1 mei 2019 tot 1 juni 2019 in een hotel verblijft, kan zij aanspraak maken op de pensionkostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt het bedrag van de hotelkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester L; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed.
Aangezien burgemeester L zich tot 23 februari 2021 niet inschrijft als ingezetene in de nieuwe gemeente, heeft zij gedurende de periode 1 juni 2019 tot 23 februari 2021 geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij heeft gedurende deze periode wel recht op de vergoeding tijdelijke huisvesting. Haar is gedurende deze periode namelijk ontheffing verleend van het ingezetenschap en zij maakt kosten in de nieuwe gemeente voor huisvesting in afwachting van haar inschrijving.
De maximale duur van deze vergoeding tijdelijke huisvesting is gekoppeld aan de verleende ontheffing, dus in deze situatie tot 1 mei 2021. Aangezien burgemeester L zich inschrijft per 23 februari 2021, eindigt de aanspraak op deze vergoeding per 23 februari 2021.
Deze vergoeding tijdelijke huisvesting betreft het bedrag van de maandelijkse huur van het appartement in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor haar; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed.
Dat burgemeester L een huurcontract heeft voor het huis in de oude gemeente maakt voor de vergoeding tijdelijke huisvesting niet uit; noch voor het recht, noch voor de hoogte van die vergoeding.
Vanaf 1 februari 2021 heeft burgemeester L recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Voor de hoogte van de het door de gemeente te vergoeden bedrag maakt de overlap in de maand februari 2021 van pensionkostenvergoeding en tegemoetkoming niet uit. Beide regelingen gaan uit van maandelijkse bedragen, hebben dezelfde omschrijving van het te compenseren bedrag, en bovendien gaat het hier om de huurkosten van hetzelfde appartement.
Gedurende de periode 1 oktober 2020 tot 1 oktober 2021 heeft betrokkene een huurcontract waardoor er in deze periode per saldo voor haar geen woonlasten meer zijn ten aanzien van het huis in de oude gemeente. Vanaf 1 februari 2021 is er dus geen sprake van dubbele woonlasten en daarom bestaat er over de periode 1 februari 2021 tot 1 oktober 2021 geen recht op een tegemoetkoming.
Vanaf 1 oktober 2021 is het huurcontract beëindigd en heeft burgemeester L weer wel dubbele woonlasten. Aangezien het huis in de oude gemeente op 1 mei 2022 (drie jaar na de benoeming) nog niet is verkocht, eindigt per deze datum haar recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten.
De tegemoetkoming gedurende de genoemde perioden waarin burgemeester L recht had op tegemoetkoming, behelsde het bedrag van de huurkosten per maand van het appartement in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Dit bedrag is onbelast voor burgemeester L; eventuele loon- en inkomstenbelasting worden door de gemeente aan haar vergoed.
Van 1 juni 2019 tot 23 februari 2021 en van 1 oktober 2021 tot 1 mei 2022 kan burgemeester L eenmaal per week een reis naar het huis in de oude gemeente declareren. Zij ontvangt in deze periode namelijk ofwel een vergoeding tijdelijke huisvesting ofwel een tegemoetkoming dubbele woonlasten.
Voor de verhuizing naar het appartement in de nieuwe gemeente in juni 2019 heeft burgemeester L recht op een verhuiskostenvergoeding.
Gedurende de periode 1 mei 2022 tot 17 november 2022 wordt burgemeester L niet meer door de gemeente ondersteund met enige huisvestingsvoorziening. Alle zijn gemaximeerd op drie jaar na de benoeming.
Situatie C: Burgemeester schrijft zich snel in en huurt in afwachting van een koophuis in aanbouw
Burgemeester M wordt benoemd per 1 april 2019. Hij zet zijn hypotheekvrije huis in de oude gemeente meteen te koop en schrijft zich direct in als ingezetene van de nieuwe gemeente. Hij huurt een woning in afwachting van het per 1 november 2019 beschikbaar komen van de woning die hij gekocht heeft. Het huis in de oude gemeente wordt op 9 augustus 2021 verkocht.
Burgemeester M heeft zich ingeschreven in de nieuwe gemeente, maar heeft geen dubbele woonlastenproblematiek omdat er geen hypotheek meer rust op het huis in de oude gemeente. Hij kan dus geen aanspraak maken op een tegemoetkoming dubbele woonlasten.
Betrokkene heeft ook geen recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting voor de tijdelijke woning, want hij heeft zich ingeschreven (en dus geen ontheffing van zijn ingezetenschap).
Omdat betrokkene noch aanspraak kan maken op de vergoeding tijdelijke huisvesting noch op de tegemoetkoming dubbele woonlasten, kan betrokkene ook geen aanspraak maken de vergoeding van de reiskosten eenmaal per week tussen nieuwe gemeente en huis in oude gemeente.
Burgemeester M heeft wel recht op de verhuiskostenvergoeding. Dit is eenmalig recht. Enerzijds het ongemaximeerde bedrag van de kosten van de verplaatsing van de boedel en anderzijds een bedrag van het maximaal bedrag dat de gemeente onbelast kan verstrekken voor direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten ad € 7.750.
Zou burgemeester M zich pas op 1 november 2019 hebben ingeschreven in de nieuwe gemeente dan zou hij tot die datum wel recht hebben gehad op een vergoeding tijdelijke huisvesting, mits hem een ontheffing zou zijn verleend.
Situatie D: Waarnemend burgemeester in ter beschikking gesteld huis
Voormalig burgemeester N woont nog in de ambtswoning van een gemeente uit een van de lagere inwonersklassen, als een waarnemend burgemeester P wordt benoemd. Het is bestuurlijk gewenst dat deze waarnemer een groot deel van de week in de gemeente is. De huren in de gemeente zijn echter erg hoog. Daarom stelt de gemeenteraad een woning ter beschikking aan waarnemend burgemeester P.
Voormalig burgemeester N kan tot uiterlijk een jaar na zijn ontslag blijven wonen in de ambtswoning. Artikel 3.2.8 van het besluit blijft zolang hij daar woont, op hem van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat het bedrag van de woonkosten hetzelfde blijft als vóór zijn ontslag en dat eventuele loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van die ambtswoning, voor rekening blijven komen van de gemeente.
Voor een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening gelden dezelfde voorwaarden als voor een ambtswoning. Voor waarnemend burgemeester P betekent dit dat zijn woonkosten gelijk zijn aan de economische huurwaarde van deze woonvoorziening, tot een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. Eventuele loon- en inkomstenbelasting voor het gebruik van deze woonvoorziening, komen voor rekening van de gemeente.
Waarnemend burgemeester P heeft gedurende zijn waarneming geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Dit is voor waarnemers expliciet uitgezonderd. Hij heeft echter wel gedurende zijn waarneming aanspraak op een vergoeding tijdelijke huisvesting. Aldus wordt het bedrag vergoed van de maandelijkse huur van de ter beschikking gestelde woonvoorziening in de nieuwe gemeente, inclusief de kosten van energie en water, met een maximum van 18% van de bruto burgemeestersbezoldiging. Hiermee worden de woonkosten (die zijn gemaximeerd op die 18%) in hun geheel gecompenseerd. Deze aanspraak bestaat voor de duur van de waarneming.
Gelet op deze vergoeding tijdelijke huisvesting kan waarnemend burgemeester P gedurende zijn waarneming eenmaal per week een reis naar zijn huis in de gemeente waar hij woont, declareren.
Voor de verhuizing naar de ter beschikking gestelde woonvoorziening heeft waarnemend burgemeester P recht op een verhuiskostenvergoeding.
Situatie E: Wethouder in ter beschikking gesteld huis
Wethouder Q wordt benoemd per 1 maart 2019 en zet meteen haar huis in de oude gemeente te koop. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Wethouder Q wordt per 1 maart 2019 een woonvoorziening ter beschikking gesteld door de gemeente. De economische huurwaarde van de woning bedraagt 23% van haar bruto bezoldiging. Wethouder Q schrijft zich op 14 juni 2019 in als ingezetene. Op 7 juli 2022 wordt haar huis in de oude gemeente verkocht.
Ondanks dat zij meteen haar huis in de oude gemeente te koop heeft gezet, heeft wethouder Q op 1 maart 2019 geen recht op de tegemoetkoming dubbele woonlasten. Zij schrijft zich immers pas op 14 juni 2019 in als ingezetene.
Van 1 maart 2019 tot 14 juni 2019 heeft betrokkene wel recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting. De kosten van die ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) zijn aan te merken als kosten die de wethouder maakt voor tijdelijke huisvesting in de gemeente waarin zij is benoemd. De pensionkostenvergoeding bedraagt het bedrag van de woonkosten per maand, met een maximum van 18% van de bruto bezoldiging. De vergoeding is onbelast voor wethouder Q; eventuele loon- en inkomstenbelasting daarover worden door de gemeente aan haar vergoed. Gelet op het maximum van de vergoeding betaalt wethouder Q per saldo 5% van haar bezoldiging.
Vanaf de inschrijving in de nieuwe gemeente per 14 juni 2019 behoeft wethouder Q geen ontheffing meer. Zij voldoet nu wel aan de voorwaarden van de tegemoetkomingsregeling dubbele woonlasten en heeft daarom per 1 juni 2019 recht op de tegemoetkoming.
De kosten van een door de gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening (inclusief de kosten van energie en water) vallen onder de gemaakte kosten van huisvesting die tot ten hoogste 18% van de bruto bezoldiging voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de economische huurwaarde van de woonvoorziening is voor de wethouder gemaximeerd, namelijk op 18% van de bruto bezoldiging. De tegemoetkoming is onbelast voor wethouder Q; de loon- en inkomstenbelasting over het verschil van 5% van de economische huurwaarde van de woonvoorziening worden door de gemeente aan haar vergoed.
Voor de hoogte van de het door de gemeente te vergoeden bedrag maakt de overlap in de maand juni 2019 van vergoeding tijdelijke huisvesting en tegemoetkoming niet uit. Beide regelingen gaan uit van maandelijkse bedragen, hebben dezelfde omschrijving van het te compenseren bedrag, en bovendien gaat het hier om de woonkosten van dezelfde woonvoorziening.
De tegemoetkoming dubbele woonlasten eindigt per 1 maart 2022 (drie jaar na de benoeming). Na deze datum wordt wethouder Q niet meer door de gemeente ondersteund met enige huisvestingsvoorziening. Alle zijn gemaximeerd op drie jaar na de benoeming.
Aangezien wethouder Q tot 1 maart 2022 ofwel een vergoeding tijdelijke huisvesting geniet ofwel een tegemoetkoming dubbele woonlasten ontvangt, kan wethouder Q gedurende deze drie jaar eenmaal per week een reis naar haar huis in de oude gemeente, declareren.
Voor de verhuizing naar de ter beschikking gestelde woonvoorziening heeft wethouder Q recht op de eenmalige verhuiskostenvergoeding.
Situatie F: Burgemeester schrijft zich later in en huurt in afwachting van koophuis in aanbouw
Burgemeester R wordt benoemd per 1 juni 2019. De raad besluit een ontheffing te verlenen. Betrokkene zet zijn huis in de oude gemeente meteen te koop. Per 12 juli 2019 huurt hij een appartement in de nieuwe gemeente. Op 29 augustus 2019 koopt hij een huis in de nieuwe gemeente, maar die wordt pas opgeleverd op 1 oktober 2020. Burgemeester R schrijft zich op 30 augustus 2019 alvast in als ingezetene. Het huis in de oude gemeente wordt op 3 februari 2020 verkocht.
Op dezelfde gronden als beschreven in Situatie B heeft burgemeester R recht op een reiskostenvergoeding in de periode 1 juni 2019 tot 30 augustus 2019 en ontvangt hij voor de huur van het appartement een vergoeding tijdelijke huisvesting van 12 juli 2019 tot 30 augustus 2019. Van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 (maand verkoop huis in de oude gemeente) heeft burgemeester R recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten.
Voor de periode 1 februari 2020 tot 1 oktober 2020 heeft burgemeester R geen recht op een tegemoetkoming dubbele woonlasten. Door de verkoop van het huis in de oude gemeente heeft hij namelijk geen dubbele woonlasten meer. Hij heeft in deze periode evenmin recht op een vergoeding tijdelijke huisvesting omdat hij sinds 30 augustus 2016 ingezetene is van de nieuwe gemeente.
Had burgemeester R zich pas ingeschreven na oplevering van het nieuwe huis, zeg 3 oktober 2020, dan had hij recht gehad op een vergoeding tijdelijke huisvesting van 12 juli 2019 tot 3 oktober 2020, mits de commissaris de ontheffing van de raad per 1 juni 2020, gehoord de raad, zou hebben verlengd. Acht de commissaris in dit geval geen dermate bijzondere omstandigheden aanwezig voor een dergelijke verlenging dan zou burgemeester R zich vóór 1 juni 2020 in de gemeente ingeschreven hebben moeten zijn en zou het recht op de pensionkostenvergoeding uiterlijk op 1 juni 2020 zijn geëindigd. De maximale duur van de vergoeding tijdelijke huisvesting is namelijk gekoppeld aan de maximale duur van de ontheffing.
Ondanks dat burgemeester R zich heeft ingeschreven in de nieuwe gemeente en kosten maakt voor zowel het appartement als het per 1 oktober 2020 op te leveren huis, is hier geen sprake van dubbele woonlasten in rechtspositionele zin. Het huis in de oude gemeente is immers op 3 februari 2020 verkocht.
Artikel 3.2.8 Ter beschikking gestelde woning
Aan de burgemeester of de wethouder kan in verband met de uitoefening van het ambt een woning ter beschikking worden gesteld. Dit kan een ambtswoning zijn, maar ook een andere woning. Hiervoor moet de betrokken ambtsdrager op grond van het eerste lid van artikel 3.2.8 een eigen bijdrage per maand betalen. Deze bijdrage is gemaximeerd. Daarmee is voor zowel de ambtsdrager als de gemeente kenbaar wat de kosten zijn van de bewoning van de ambtswoning.
Op de kosten van de bewoning van een ter beschikking gestelde woning is naast het rechtspositionele ook het fiscale regime van toepassing. Voor de fiscus is de terbeschikkingstelling van een woning aan een ambtsdragers namelijk loon in natura. Fiscaal moet over het totaal van het inkomen in geld en loon in natura belasting worden betaald. Daarom moet ook worden vastgesteld of er, rekening houdend met een eventuele eigen bijdrage, nog een te belasten voordeel verbonden is aan die terbeschikkingstelling van de woning. Dat voordeel wordt fiscaal in principe gesteld op de economische huurwaarde van de woning.
Wordt deze woning om niet ter beschikking gesteld, dan wordt het bedrag van de totale huurwaarde bij de bezoldiging geteld als loon in natura en vervolgens de som van bezoldiging en huurwaarde belast. Betaalt betrokkene een eigen bijdrage voor het woongenot uit zijn nettosalaris dan wordt dit bedrag in mindering gebracht op de huurwaarde, en het eventuele restant betrokken in de belastingheffing van de som van bezoldiging en loon in natura.
In de regel geldt de waarde van de woning voor de belastingheffing als zodanig als loon in natura, en wordt dus gerekend met de totale waarde van die woning voor de vaststelling van de belasting bij de ambtsdrager.
Dit is anders als de fiscus een ambtswoning aanmerkt als een fiscaal zuivere dienstwoning. Dat gebeurt overigens maar zelden. Een fiscale dienstwoning is namelijk gedefinieerd als een woning waarbij betrokkene zijn functie niet kan uitoefenen als hij niet de beschikking heeft over deze woning. Dit wordt door de fiscus niet snel aangenomen. Uitsluitend voor zo’n dienstwoning kan de fiscus specifieke afspraken maken over welk deel zakelijk wordt gebruikt. Over dit zakelijke gedeelte wordt de ambtsdrager dan niet belast. De bijtelling die de ambtsdrager dan moet betalen, geldt ook enkel het woongedeelte, en is gemaximeerd op 18% van het jaarloon.
Deze maximering was en is vormgegeven via een bepaling dat de verschuldigde loon- en inkomstenbelasting als gevolg van een hogere economische huurwaarde door de gemeente aan betrokkene wordt vergoed.
Dat in de oude rechtspositieregelingen de vergoeding voor het gebruik van de ambtswoning via een korting was vormgegeven, bleek, vanwege de samenloop van de rechtspositionele en fiscale regimes, bij een juiste toepassing te leiden tot een niet bedoeld en ongewenst groot effect op het netto besteedbaar inkomen van de ambtsdrager. Bovendien bleek van een uiteenlopende uitvoeringspraktijk en bestond als gevolg van een onjuiste uitvoering het risico op fiscale naheffingen bij de ambtsdrager. Daarom is in de regeling nu een nieuw, duidelijker, systeem opgenomen.
In het nieuwe systeem betaalt de ambtsdrager voor het gebruik van de ter beschikking gestelde woning in plaats van een korting van 18% op zijn bruto bezoldiging, voortaan een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter hoogte van 18% van de bruto bezoldiging.
Het is een subtiel verschil in formulering maar een korting kan, in tegenstelling tot de eigen bijdrage uit het nettosalaris, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Fiscaal betekent een korting namelijk niets meer dan een lager vastgesteld bedrag aan loon in geld.
De voormalige formulering leidde ertoe dat de gemeente uitsluitend het bedrag kon compenseren waarmee de loon- en inkomstenbelasting vanwege die hogere huurwaarde, hoger was dan 18% van de bruto bezoldiging. De korting kon namelijk, zoals gezegd, niet in mindering worden gebracht op de economische huurwaarde. Op deze manier betaalde een ambtsdrager bij een juiste toepassing niet alleen de korting van 18% van de bruto bezoldiging (de verlaging van het loon in geld) maar ook het bedrag aan belasting ter hoogte van (nog eens) 18% van de bruto bezoldiging.
Door de nieuwe formulering heeft de ambtsdrager nu een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het huidige systeem. Nu betaalt betrokkene voor de bewoning maximaal 18% van zijn bruto bezoldiging en zijn de eventuele meerkosten voor de gemeente.
Is de huurwaarde lager dan genoemde 18%, dan moet de eigen bijdrage lager worden vastgesteld. De fiscale gevolgen voor ambtsdrager en de gemeente zijn in dit geval nihil; er is immers geen verschil tussen de eigen bijdrage en de economische huurwaarde.
Er is gekozen voor een eigen bijdrage uit het nettosalaris ter grootte van 18% van de bruto bezoldiging omdat dit percentage het meest recht doet aan alle belangen van de betrokken partijen. Doordat er geen korting meer plaatsvindt op de bezoldiging van de burgemeester en de vergoeding van de eventuele verschuldigde belasting door de gemeente nu direct vanaf dat maximum van de eigen bijdrage wordt berekend, ontvangt de ambtsdrager een hoger netto besteedbaar inkomen dan onder een juiste toepassing van het vroegere systeem. De kostenverdeling tussen burgemeester en gemeente is bij een eigen bijdrage van 18% meer in balans dan bij andere bekeken opties. Ook is de toepassing van 18% voor woonplaatsvoorzieningen al sinds 2014 gemeengoed. Met dit percentage is aangesloten bij het percentage dat de Belastingdienst sinds jaar en dag hanteert bij het waarderen van fiscaal zuivere dienstwoningen. In dit verband speelt ook mee dat de ambtsdrager niet altijd veel invloed heeft op de woning die hem ter beschikking wordt gesteld. Omdat de gemeente moet besluiten of zij al dan niet een woning ter beschikking wil stellen, is er voor haar in het individuele geval een specifiek afwegingsmoment met betrekking tot de voor haar rekening te nemen woonkosten.
Indien er sprake is van een hogere huurwaarde dan de betaalde bijdrage, is er sprake van loon in natura en de daaruit voortvloeiende bijtelling wordt altijd bij de ambtsdrager gelegd. De gemeente compenseert de burgemeester of wethouder door deze bijtelling te vergoeden (zie artikel 3:2.8, tweede lid, van het besluit). Om ervoor te zorgen dat deze vergoeding netto en niet gebruteerd wordt verstrekt, is deze vergoeding in artikel 3:3.8, onderdeel g, van het besluit aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Net als naar voormalig recht is de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel gedaan ter vermindering van de kosten voor de gemeente. In §4 is hierop uitgebreid ingegaan.
Onderstaand is een voorbeeld gegeven van de berekening in de situatie van een burgemeester van een gemeente uit inwonersklasse 6 (60.001–100.000 inwoners) waarbij de economische huurwaarde € 3.000 per maand bedraagt.
Artikel 3.2.9 Woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten
Dit artikel bevat de delegatiegrondslag voor de regeling door de Minister van BZK van een (uniforme) reiskostenvergoeding. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar §4, onder ‘Vereenvoudiging reiskostenvergoeding’. Deze grondslag is uitgewerkt in artikel 3.6 van de regeling.
Net als op grond van de oude regeling, heeft de burgemeester voor het gebruik van de eigen auto voor dienstreizen binnen de gemeente, de mogelijkheid om in plaats van een kilometervergoeding op grond van artikel 3.6 van de regeling, te kiezen voor een vaste (belaste) vergoeding, afhankelijk van de oppervlakte van de gemeente. Dit is een speciale regeling in verband met burgemeester specifieke taken en heeft als achtergrond de vermindering van lastendruk voor de overheidsorganen. Deze is opgenomen in artikel 3.7 van de regeling.
Op basis van artikel 5.1 van de regeling geldt in twee situaties overgangsrecht.
Burgemeesters en wethouders die vóór 1 januari 2019 in functie zijn, mogen eenmalig kiezen voor ofwel het nieuwe regime (kort gezegd, € 0,19 per kilometer plus vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) of continuering van het oude regime (kort gezegd, € 0,09, € 0,15, € 0,28 of € 0,37 per kilometer zonder vergoeding parkeer-, veer en tolgelden) tot de dag waarop betrokkene aftreedt of wordt herbenoemd.
Daarnaast is in het tweede lid de overgangsbepaling gehandhaafd die was opgenomen in artikel 5, vierde lid, van de voormalig Regeling rechtspositie burgemeesters. Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op waarnemend burgemeesters die voor 1 februari 2016 zijn benoemd en sindsdien die functie in die gemeente vervullen.
Artikel 3.2.10 Ter beschikking gestelde auto
In artikel 3.2.10 is bepaald dat aan de burgemeester en de wethouders een auto ter beschikking kan worden gesteld. Dit kan een dienstauto zijn, maar ook een leaseauto. Zowel in geval van een dienstauto als bij een leaseauto is sprake van een ter beschikking gestelde auto. Het financieringsarrangement kan verschillend zijn; het fiscaal regime geldt voor beide soorten auto’s onverkort.
Op grond van dit artikel kan ook een gemeenschappelijke auto ter beschikking worden gesteld. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de situatie dat een heel college gebruikmaakt van de auto, of dat de leden van een college gebruikmaken van gecontracteerd vervoer op afroep.
In het artikel is onderscheid gemaakt tussen het gebruik van een ter beschikking gestelde auto voor zakelijke doeleinden en het gebruik voor bestuurlijke doeleinden (derde en vierde lid). Onder zakelijk gebruik wordt verstaan het fiscaal-zakelijk gebruik. Hieronder vallen ritten voor woon-werkverkeer, dienstreizen en ritten voor ambtsgebonden (‘qq-’) functies. Als bijvoorbeeld een wethouder zijn gemeente vertegenwoordigt en daarvoor een ter beschikking gestelde auto gebruikt, is er vanuit zijn functie als wethouder bezien sprake van zakelijk gebruik van die auto. Ook bij de onbezoldigde commissies en functies van de VNG neemt de Belastingdienst het standpunt in dat sprake is van zakelijke ritten voor burgemeesters en wethouders. Zij vervullen de functie omdat hun gemeente lid is van de vereniging; de bestuursfunctie wordt door de functionaris van de gemeente uitgevoerd. Ook de kring van personen waaruit bestuurders van de VNG blijkens de statuten moeten voortkomen, geeft een aanknopingspunt voor dat standpunt.
Bij bestuurlijke commissies of adviescolleges zal zich echter vaker de situatie voordoen dat iemand deelneemt op grond van deskundigheid en reputatie, en niet uitsluitend als bijvoorbeeld burgemeester van een bepaalde gemeente. In dat geval zal de Belastingdienst eerder aannemen dat de bezoldigde nevenfunctie, waarvan de bezoldiging niet in de gemeentekas wordt gestort, niet wordt vervuld in de hoedanigheid van het ambt, en dat er dus sprake is van een niet-zakelijke rit.
Fiscaal gezien wordt al het andere gebruik dan zakelijk gebruik voor het ambt aangemerkt als gebruik voor privé-doeleinden, waarop de Regeling privégebruik auto van de werkgever (de zogenoemde bijtellingsregeling) van toepassing is.12De fiscale ‘regeling privégebruik auto van de werkgever’ houdt in dat de werkgever een bedrag bij het loon van de betrokken werknemer moet tellen. Het bedrag dat bij het loon moet worden bijgeteld, is de zogenoemde bijtelling en bedraagt meestal 22% van de cataloguswaarde van de auto. Alleen wanneer het privégebruik omgerekend naar een heel kalenderjaar aantoonbaar niet meer dan 500 kilometers betreft, hoeft er geen bijtelling plaats te vinden. Als de werknemer een vergoeding aan de werkgever moet betalen voor het privégebruik, dan wordt de bijtelling verminderd met die vergoeding.
Bij gebruik voor bestuurlijke doeleinden gaat het voor de toepassing van het onderhavige artikel om ritten die door de fiscus weliswaar als privé worden aangemerkt, maar die de betrokken ambtsdrager maakt in het kader van bepaalde nevenfuncties die hij juist vanwege zijn hoedanigheid als politiek ambtsdrager vervult. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een functie van de burgemeester als bestuurslid van een lokaal ziekenhuis. Wanneer door het college van burgemeester en wethouders (uitdrukkelijk) wordt geoordeeld dat een nevenfunctie in het belang is van de gemeente worden de ritten die in het kader van die nevenfunctie worden gemaakt, aangemerkt als bestuurlijk. Het belang van de gemeente bij de vervulling van een nevenfunctie kan ruim zijn. Het college maakt hierover steeds zelf de afweging (vijfde lid).
Bij deze afweging kan ook worden betrokken of de ter beschikking gestelde auto er één zal zijn met chauffeur of niet. De kosten van eventuele chauffeurs, zoals de personele lasten en overheadkosten, worden niet betrokken bij de fiscale bijtelling. In voorkomend geval zijn deze kosten personeelskosten ten laste van de gemeente.
Op grond van artikel 3.2.10, tweede lid, mag een ter beschikking gestelde auto voor zowel zakelijke als bestuurlijke doeleinden worden gebruikt, tenzij het een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep van een gecontracteerde vervoerder betreft. Dit heeft meestal tot gevolg dat voor het gebruik van de auto de bijtellingsregeling van toepassing zal zijn: gebruik voor bestuurlijke doeleinden wordt immers in het kader van de fiscale bijtellingsregeling als privégebruik aangemerkt zodra hiertoe meer dan 500 niet-zakelijke kilometer per jaar zijn gereden. Omdat het niet redelijk is dat de ambtsdrager wordt geconfronteerd met extra belasting in verband met autoritten die hij in het kader van de uitoefening van zijn functie maakt, wordt hem deze belasting op grond van het zesde lid vergoed. Daar staat tegenover dat vergoedingen die de betrokken ambtsdrager voor het gebruik van de auto uit anderen hoofde ontvangt, ten goede komen aan de gemeente (zevende lid).
In het vijfde lid is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders kan besluiten dat een ter beschikking gestelde auto ook privé (althans voor andere doeleinden dan zakelijke of bestuurlijke) mag worden gebruikt. Dit geldt echter niet voor gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer. Voor het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto moet de ambtsdrager een maandelijkse bijdrage aan de gemeente betalen (achtste lid). Bovendien wordt hem de belasting via de bijtellingsregeling niet vergoed. Wel mogen de kosten van de maandelijkse bijdrage voor het privégebruik van de auto in mindering worden gebracht op de fiscale bijtelling. Bovendien mag hij eventuele vergoedingen van derden voor het gebruik van de auto in dat geval zelf houden.
Gemeenschappelijke auto’s en gecontracteerd vervoer mogen ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel alleen ter beschikking worden gesteld voor zakelijke doeleinden. Deze beperking houdt verband met onwenselijke fiscale complicaties.13In de situatie dat het hele college bijvoorbeeld een gecontracteerde taxi als dienstauto gebruikt en de taxi ook continu oproepbaar is, kan dat leiden tot de conclusie dat een auto ter beschikking is gesteld, en is de bijtellingsregeling van toepassing. Bij het incidenteel inroepen is bepalend of een werknemer (i.c. een politiek ambtsdrager) de auto kan inroepen, want dat betekent dat er sprake is van een beschikkingsrecht. Wanneer een heel college zo’n recht heeft, moeten alle leden van het college een rittenadministratie bijhouden. De bijtelling zal overigens doorgaans beperkt blijven tot de waarde van één auto per persoon, ook al staat het hele taxipark ter beschikking. Indien de hele groep over een auto kan beschikken wanneer hij dat wil, krijgt iedereen de volle bijtelling. Als bijvoorbeeld de burgemeester altijd voor gaat, heeft alleen hij het beschikkingsrecht en krijgt hij de bijtelling. Voor een wethouder geldt dan dat hij voor een niet-zakelijke rit voor de waarde van dat gebruik van de auto wordt belast (bijvoorbeeld een loonvoordeel geniet van € 80 voor een rit van 100 kilometer).
In het negende lid is voorts geregeld dat een politiek ambtsdrager geen aanspraak kan maken op reiskostenvergoedingen (inclusief vergoeding voor woon-werkverkeer), wanneer hem (persoonlijk) een auto ter beschikking is gesteld. Als hem niet persoonlijk een auto ter beschikking is gesteld, maar hij maakt wel gebruik van een gemeenschappelijke auto of gecontracteerde auto, ontvangt hij alleen voor de desbetreffende ritten geen vergoeding (tiende lid).
Samenvattend heeft een college dus verschillende mogelijkheden als het een auto ter beschikking wil stellen aan één of meer leden van dat college. De volgende situaties worden nu onderscheiden die elk een ander rechtspositioneel gevolg hebben.
Ingeval van een auto voor één ambtsdrager zijn er drie mogelijkheden voor het gebruik:
Bij gebruik van een auto voor gemeenschappelijk gebruik of een auto op afroep is er vanwege de beschreven ongewenste fiscale consequenties voor alle betrokken gebruikers, maar één optie: uitsluitend zakelijk gebruik en daardoor dus geen bijtelling.
Artikel 3.8 van de regeling bevat nadere regels met betrekking tot de voorwaarden voor het ter beschikking stellen van een auto en het gebruik daarvan, alsmede de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage per maand ingeval van privégebruik van een ter beschikking gestelde auto.
De eigen bijdrage per maand voor een ter beschikking gestelde auto wordt als volgt berekend. Het totaal aantal in het kalenderjaar door betrokkene zuiver privé, dat wil zeggen anders dan zakelijk of bestuurlijk, in de ter beschikking gestelde auto verreden kilometers wordt gedeeld door het totaal in het kalenderjaar in de ter beschikking gestelde auto gereden kilometers. Het resultaat hiervan wordt vermenigvuldigd met het totaalbedrag van de kosten van de auto dat in het kalenderjaar ten laste van het overheidsorgaan komt, daaronder in ieder geval de kosten van afschrijving, onderhoud, brandstof en verzekering. De som daarvan wordt ten slotte gedeeld door twaalf. Deze berekening vindt zo nodig plaats op basis van nacalculatie.
Op deze wijze is de uitkomst gerelateerd aan het precieze aantal kilometers dat door betrokkene zuiver privé in de ter beschikking gestelde auto is verreden. De bijdrage is via de koppeling aan de kosten van de auto die ten laste komen van het overheidsorgaan, verbonden aan de waarde van de specifieke auto of het specifieke financiële arrangement. Omdat de uitkomst dus niet alleen afhankelijk is van het aantal verreden kilometers, maar ook van de individuele omstandigheid van auto of arrangement, kunnen bijvoorbeeld 10.000 zuivere privékilometers voor de één leiden tot een andere bijdrage dan voor een ander. Betrokkene kan hiermee rekening houden bij zijn of haar keuze voor auto of arrangement.
Het is niet mogelijk dat de ambtsdrager een deel van de aanschafwaarde van de auto, van de accessoires of van het financiële arrangement voor eigen rekening neemt. De reden hiervoor is dat de ambtsdrager namelijk geen partij is in de aanschaf. Bovendien kan de ambtsdrager in een dergelijk geval in een onderhandelingssituatie komen en dat is ongewenst. Zoals het nu is geregeld, wordt in samenspraak tussen de gemeente en de ambtsdrager bepaald wat de kosten zijn van de ter beschikking gestelde auto.
Voor de vergoeding van parkeergelden wordt onderscheiden tussen ritten in het kader van dienstreizen enerzijds en privéritten en woon-werkverkeer anderzijds. Bij dienstreizen worden die kosten wel door de gemeente vergoed, bij privéritten en woon-werkverkeer niet. Tol- en veergelden worden wel vergoed als het dienstreizen betreft of woon-werkverkeer, maar niet bij privéritten. Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden nooit vergoed.
In beginsel zijn afzonderlijke vergoedingen voor parkeer-, tol- en veergelden belast. Deze vergoedingen worden bij de werkgever belast, omdat zij op grond van artikel 3.2.10, zesde lid, en artikel 3.3.8, onder g, van het besluit in de eindheffing worden betrokken.
Dit is uitsluitend verschillend bij zakelijke ritten: in geval van een ter beschikking gestelde auto worden parkeer-, tol- en veergelden namelijk door de fiscus aangemerkt als intermediaire kosten. Deze fiscale term wil zeggen dat het gaat om kosten die de werknemer maakt ten behoeve van de werkgever of kosten die samenhangen met het zakelijk gebruik ten behoeve van de werkgever. Deze kosten komen vanwege dit zakelijke karakter niet ten laste van de ambtsdrager maar van de gemeente.
Een rittenadministratie zal vrijwel altijd nodig zijn. Als de auto alleen zakelijk wordt gebruikt, is een rittenadministratie nodig voor de fiscus. Rittenadministratie is ook nodig als de auto tevens ‘echt’ privé mag worden gebruikt (in die zin dat de auto ook wordt gebruikt voor ritten die noch zakelijk, noch bestuurlijk zijn). In dat geval is rittenadministratie weliswaar niet vereist voor de fiscus, maar wel voor de gemeente. Voor de berekening van de maandelijkse bijdrage die de betrokken ambtsdrager moet betalen, is namelijk van belang het aantal kilometers dat noch zakelijk, noch bestuurlijk is verreden. Hiervoor is in beginsel alleen relevant welke ritten ‘echt’ privé zijn, maar met het oog op de controle door de gemeente zal toch een volledige rittenadministratie moeten worden bijgehouden.
Wanneer de auto zowel zakelijk als bestuurlijk mag worden gebruikt, maar niet ‘privé’, is formeel geen rittenadministratie nodig, omdat in dat geval automatisch fiscale bijtelling volgt. Het is echter goed voorstelbaar dat de gemeente met het oog op de controle toch betrokkene vraagt een volledige rittenadministratie bij te houden.
In het navolgende zijn vier voorbeelden uitgewerkt.
Voorbeeld 1
Burgemeester A krijgt een leaseauto die net nieuw is, ter beschikking met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). A rijdt er 60.000 km mee in het jaar, uitsluitend zakelijk. Van deze zakelijke kilometers betreft 10.000 km woon-werkverkeer. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. A heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Er is geen sprake van een bijtelling want alle kilometers zijn fiscaal zakelijk geweest. Alle kosten van de auto (afschrijving, onderhoud, belasting, verzekering, parkeren en tol) komen ten laste van de gemeente: in dit voorbeeld € 12.000 (12 x € 1000) plus vergoedingen parkeren en tol. Daarnaast zijn er de brandstofkosten, ook ten laste van de gemeente: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500.
Totale kosten voor de gemeente per jaar zijn: € 22.500 (12.000+10.500) plus vergoedingen parkeren en tol. De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door de gemeente en zijn voor A.
Voorbeeld 2
Burgemeester B krijgt een leaseauto ter beschikking die net nieuw is, met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). B rijdt er 60.000 km mee in het jaar, zakelijk 50.000 km, bestuurlijk 10.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. Voor de bestuurlijke ritten ontvangt de burgemeester reiskostenvergoedingen ad in totaal € 1.500. B heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Aangezien de burgemeester meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (10.000 km bestuurlijk), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000). Deze bijtelling leidt tot een extra belasting van € 4.571 per jaar (51,95% van € 8.800). Dit bedrag ad € 4.571 vergoedt de gemeente aan de burgemeester (via de eindheffing).
Alle kosten van de auto (afschrijving, onderhoud, belasting, verzekering, parkeren en tol) komen ten laste van de gemeente: in dit voorbeeld € 12.000 (12 x € 1000) plus vergoedingen parkeren en tol. Daarnaast zijn er de brandstofkosten, ook ten laste van de gemeente: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500.
Totale kosten gemeente per jaar: € 27.071 (€ 4.571+12.000+10.500) plus vergoedingen parkeren en tol. De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door de gemeente en zijn voor B.
Het bedrag ad € 1.500 dat de burgemeester ontving aan reiskostenvergoedingen van derden, stort B in de gemeentekas.
Voorbeeld 3
Burgemeester C krijgt een leaseauto ter beschikking die net nieuw is, met een cataloguswaarde van € 40.000 (inclusief btw en bpm). Het college van B&W heeft bepaald dat de auto gedurende drie jaar door de burgemeester ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 60.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km, bestuurlijk 20.000 km; ‘echt’ privé 10.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 826 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 1000 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. Voor de bestuurlijke ritten ontvangt de burgemeester reiskostenvergoedingen ad in totaal € 3.000 en voor een aantal ‘privéritten’ reiskosten-vergoedingen ad in totaal € 500. C heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Aangezien de burgemeester meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (20.000 km bestuurlijk en 10.000 km ‘echt’ privé), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 8.800 (22% van cataloguswaarde auto ad € 40.000 omdat de auto een CO2-uitstoot heeft van 51 gram per kilometer of meer). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die C betaalt aan de gemeente en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.
De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de ‘echte’ privékilometers en wordt als volgt berekend: (10.000/60.000) = 1/6 * € 1000 per maand (eigenlijk € 12.000 (12*1000):12) = € 166,67 per maand of € 2.000 per jaar.
Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 6.000 liter (1:10) * € 1,75 = € 10.500. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/6-5/6. C betaalt dus per jaar € 1.750 aan brandstofkosten; de gemeente € 8.750.
Een nacalculatie is van belang omdat de leaseprijs tot stand komt op basis van een aantal factoren waaronder het aantal kilometers dat met de auto daadwerkelijk wordt verreden en de leaseperiode. Het verdient aanbeveling dat het college van B&W niet alleen bepaalt dát er privékilometers mogen worden gereden maar ook aangeeft hoeveel kilometers het verwacht dat dit zullen zijn. Wanneer betrokkene namelijk inderdaad dat aantal kilometers verrijdt, maar wel meer zakelijke of bestuurlijke kilometers dan ingeschat, heeft de meerprijs aan leasekosten geen invloed op de eigen bijdrage. Rijdt betrokkene significant meer of minder, juist wel.
In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 8.800 -/- € 2.000 -/- € 1.750 = € 5.050. De belasting over de bijtelling is € 5.050 x 51,95% = € 2.623.
Aan kosten per jaar heeft de gemeente in totaal € 18.750. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
De burgemeester betaalt € 6.373 per jaar of € 531,08 per maand, namelijk:
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door de gemeente en zijn voor C.
Het bedrag ad € 3.000 dat de burgemeester ontving aan reiskostenvergoedingen van derden wordt in de gemeentekas gestort.
De reiskostenvergoeding ad € 500 uit hoofde van zijn privéritten behoudt C; voor die ritten heeft hij immers de eigen bijdrage betaald. De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door de gemeente en zijn voor C. Ook kosten voor parkeer-, veer- en tolgelden tijdens het privégebruik van de ter beschikking gestelde auto blijven logischerwijs voor rekening van de burgemeester.
Voorbeeld 4
Burgemeester D krijgt een leaseauto ter beschikking die net nieuw is, met een cataloguswaarde van € 30.000 (inclusief btw en bpm). Het college van B&W heeft bepaald dat de auto door de burgemeester ook voor andere dan zakelijke of bestuurlijke doeleinden mag worden gebruikt. Betrokkene rijdt er 45.000 km mee in het jaar, zakelijk 30.000 km en ‘echt’ privé 15.000 km. De kosten van het leasecontract zijn € 660 per maand exclusief btw. Inclusief de btw van 21% is het leasebedrag € 800 per maand. Brandstof wordt gedeclareerd bij de leasemaatschappij via een tankpas. De auto rijdt 1:10. Benzineprijs is gemiddeld € 1,75 per liter. D heeft een loonbelastingpercentage van 51,95%.
Aangezien de burgemeester meer dan 500 km fiscaal gezien niet-zakelijk heeft gereden (15.000 km ‘echt’ privé), krijgt betrokkene een fiscale bijtelling van € 6.600 (22% van cataloguswaarde auto ad € 30.000 omdat de auto een CO2-uitstoot heeft van 51 gram per kilometer of meer). Dit bedrag wordt echter verminderd met de eigen bijdrage die D betaalt aan de gemeente en met de brandstofkosten die kunnen worden toegerekend aan zijn privégebruik.
De eigen bijdrage ziet uitsluitend op de ‘echte’ privékilometers en wordt als volgt berekend: (15.000/45.000) = 1/3 * € 800 per maand (eigenlijk € 9.600 (12*800):12) = € 266,67 per maand of € 3.200 per jaar.
Daarnaast zijn er de brandstofkosten: 4.500 liter (1:10) * € 1,75 = € 7.875. Ook deze worden verdeeld volgens de verdeelsleutel privékm/totaalkm. In deze casus: 1/3-2/3. D betaalt dus per jaar € 2.625 aan brandstofkosten; de gemeente € 5.250.
In dit voorbeeld is de uiteindelijke bijtelling dus: € 6.600 -/- € 3.200 -/- € 2.625 = € 775 per jaar. De belasting over de bijtelling is € 775 x 51,95% = € 402.
Per jaar heeft de gemeente kosten van in totaal € 11.650. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
De burgemeester betaalt € 6.227 per jaar of € 518,92 per maand, namelijk:
De kosten van eventuele boetes en bekeuringen tijdens het gebruik van de ter beschikking gestelde auto worden niet vergoed door de gemeente en zijn voor D.
Voor opmerkingen over nacalculatie zie voorbeeld 3.
Artikel 3.2.11 Loopbaanoriëntatie
Dit artikel betreft de grondslag voor de vergoeding van loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten van de burgemeester en wethouders. Dit is reeds toegelicht in §4, onder‘Loopbaanoriëntatie’.
Artikel 3.2.12 Terugkeer wegens dringende redenen
Sinds 1 juli 2014 is voor de burgemeester geregeld dat de schade wordt vergoed die hij en zijn gezinsleden hebben, indien hij uit het buitenland moet terugkeren vanwege een dringende reden. Een dringende redenen van dienstbelang betekent dat het moet gaan om crisissituaties. Dat kunnen zowel calamiteiten zijn als politieke situaties. Er geldt een marginale toets door de commissaris, als zijnde de naaste hogere politieke ambtsdrager.
Er is bij nader inzien geen reden om de wethouder in dit opzicht anders te behandelen. De rationale achter de schadeloosstelling voor de burgemeester is immers dezelfde als die voor de wethouder wiens portefeuille wordt geraakt door een calamiteit. Daarom is in het besluit ook voor deze bestuurders de schadeloosstelling geregeld. Voor de wethouders wordt de marginale toets uitgevoerd door de burgemeester. Mogelijk brengt dit de burgemeester in een lastige positie, maar de marginale toets over de noodzaak van terugkomst laten uitvoeren door het volledige college, is niet praktisch. Er zal immers sprake zijn van een zodanige calamiteit die de portefeuille van betrokkene heeft geraakt, dat snel zal moeten worden gehandeld. Het oordeel over de hoogte van de schadevergoeding is wel (net als bij de burgemeester) een verantwoordelijkheid van het college.
De regeling is in dit artikel niet beperkt tot een terugroeping vanuit het buitenland. Het gaat om geleden schade doordat betrokkene snel terug moet vanwege een calamiteit of een andere dringende reden. Die schade kan ook voortvloeien uit een verblijf elders in Nederland. Daarom is nu bepaald dat het moet gaan om de schade die wordt geleden omdat betrokkene zich buiten zijn ambtsgebied bevindt.
De vraag of de terugroeping ook de met de betrokken ambtsdrager meegereisde gezinsleden kan betreffen en of de eventuele daaruit voortvloeiende schade die wordt geleden omdat betrokkene de beslissing neemt om ook die gezinsleden te repatriëren, voor rekening dient te komen van de gemeente, is erg afhankelijk van de individuele omstandigheden van het geval. Het is een weging van die omstandigheden of die schade aan te merken is als de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten of als de consequentie van een in de privésfeer genomen beslissing. Deze weging geschiedt door het college bij de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling.
Artikel 3.2.13 Aanspraken bij zwangerschap en bevalling en ziekte
Op grond van artikel 45 van de Gemeentewet kunnen wethouders gedurende zestien weken worden vervangen als zij wegens zwangerschap en bevalling of ziekte hun functie tijdelijk niet kunnen uitoefenen. De vervanging van een wethouder is van belang in de situatie dat het maximaal op grond van de wet toegestane aantal wethouders is benoemd en er binnen het college geen ruimte is de taken onderling op te vangen. Net als bij de regeling voor raadsleden in artikel X 10 van de Kieswet, staat bij de regeling voor wethouders voorop dat zij niet door omstandigheden moeten worden gedwongen om bij zwangerschap, bevalling of ziekte langer door te werken of de functie neer te leggen. Anders dan in de regeling voor de raadsleden, die bij zwangerschap of ziekte op hun verzoek tijdelijk worden ontslagen, wordt aan een zieke of zwangere bestuurder tijdelijk verlof verleend. Betrokkene wordt dus niet ontslagen. Ook wordt de bestuurder niet van rechtswege vervangen (zoals bij de regeling voor raadsleden), maar is het aan de gemeenteraad om te beoordelen of een vervanger moet worden benoemd. Overeenkomstig de regeling voor de tijdelijke vervanging van raadsleden is in Gemeentewet bepaald dat het verlof voor een vaste periode van 16 weken wordt verleend, ongeacht of betrokkene feitelijk korter of langer ziek is.
Omdat er geen sprake is van ontslag, maar van een verlofperiode, verandert de financiële rechtspositie van de vervangen wethouder niet. Dit met uitzondering van de vaste onkostenvergoeding. Bij tijdelijk verlof wordt de functie niet uitgeoefend. Dit betekent dat er minder onkosten zijn. De vaste, maandelijks onkostenvergoeding ziet voor een deel op uitgaven met een doorlopend karakter. Daarom is in artikelen 3.2.13 voor wethouders geregeld dat de onkostenvergoeding gedurende het verlof voor de helft wordt doorbetaald.
Voor de burgemeester geldt geen vergelijkbare verlofregeling bij zwangerschap, bevalling en ziekte. In artikel 26 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters was bepaald dat de vrouwelijke burgemeester aanspraak heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof. In artikel 27 van het Rechtspositiebesluit burgemeesters was tevens de aanspraak op ouderschapsverlof geregeld. Deze bepalingen zijn niet teruggekomen in dit besluit. Het ambt van burgemeester betreft namelijk een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling bij past. De afwezigheid van de burgemeester om deze redenen heeft geen financiële gevolge voor betrokkene, omdat die formeel in functie blijft. Dat laat onverlet dat het voor de hand ligt dat betrokkene overlegt met de gemeenteraad wanneer om deze redenen afwezigheid noodzakelijk is. De termijnen die in de Wet arbeid en zorg gelden voor zwangerschap-, bevalling- en ouderschapsverlof, maar ook voor andere vormen van verlof, zoals adoptieverlof, kunnen hierbij als richtsnoer gelden.
Artikel 3.2.14 Vergoeding bij waarneming van de burgemeester
Dit artikel betreft de situatie waarin het ambt van burgemeester door een wethouder wordt waargenomen of wanneer de commissaris van de Koning voorzien heeft in een andere waarnemer. Op de desbetreffende waarnemer zijn in beginsel dezelfde rechtspositieregels van toepassing als die voor het waargenomen ambt gelden. Wel zijn hierop enkele uitzonderingen die voortvloeien uit de aard van de waarneming, te weten de bepalingen omtrent de opgave van neveninkomsten, kennisgeving bij afwezigheid, schorsing en ontslag. Zoals in de toelichting op artikel 3.2.5 reeds is opgemerkt, heeft de waarnemend burgemeester bovendien geen aanspraak op een mobiliteitstoelage.
Artikel 3.2.15 Verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden tijdelijke vervanger wethouder
Degene die een wethouder vervangt die verlof heeft wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, ontvangt voor zijn verzekering voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom of overlijden een bepaald bedrag. Betrokkene heeft namelijk geen aanspraken op grond van de Appa. Voor de tijdelijk vervanger van de wethouder geldt een bedrag dat gekoppeld is aan de grootte van de gemeente en dat varieert tussen € 262 en € 590. De bedragen worden vanaf nu geïndexeerd.
Artikel 3.2.16 Verdeling lasten over meerdere gemeenten
Dit artikel regelt dat wanneer een burgemeester is benoemd in meer dan een gemeente, de kosten met betrekking tot de bezoldiging van die burgemeester over die gemeenten worden verdeeld in verhouding tot het inwonertal. Dit betreft ook de vakantie- en de eindejaarsuitkering. De burgemeester ontvangt ten laste van elke gemeente een ambtstoelage. De overige financiële aanspraken en voorzieningen komen in gelijke mate ten laste van elke gemeente, tenzij die kunnen worden toegerekend aan de uitoefening van het ambt in een van de gemeenten, in welk geval zij ten laste komen van die gemeente. Incidentele reiskosten worden bijvoorbeeld dus toegedeeld naar de gemeente die het aangaat.
Een specifieke situatie doet zich voor bij de vaste reiskostenvergoeding die de burgemeester desgevraagd kan worden toegekend voor reizen binnen gemeente (artikel 3.7 van de regeling). Deze is bedoeld als een maatregel voor administratieve lastenvermindering. Indien de burgemeester deze vaste reiskostenvergoeding aanvraagt, moet dit bij elke gemeente apart. Hij ontvangt die vaste vergoeding dan dus tweemaal, de ene ten laste van de ene gemeente, de andere ten laste van de tweede gemeente. Dit is ook logisch want die vaste vergoeding is afhankelijk van de oppervlakte van de gemeente.
Artikel 3.2.17 Kennisgeving bij afwezigheid
Het ambt van burgemeester is een eenhoofdige taakfunctie, waar geen verlofregeling past. Betrokkene is in beginsel 24 uur per dag en zeven dagen per week in functie, ook wanneer hij feitelijk afwezig is, bijvoorbeeld in verband met vakantie of ziekte. Uiteraard moet hij zijn afwezigheid wel melden (bij de commissaris).
Artikel 3.2.18 Schorsing
De burgemeester kan op grond van artikel 62 van de Gemeentewet worden geschorst. In artikel 3.2.18 is bepaald dat een schorsingsbesluit in ieder geval het tijdstip van het begin van de schorsing vermeldt en een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing. Daarnaast is uitdrukkelijk bepaald dat betrokkene gedurende de schorsing zijn bezoldiging en andere aanspraken behoudt en het hem niet is toegestaan de dienstgebouwen te betreden.
Artikel 3.2.19 Ontslag
De ontslagleeftijd van de burgemeester is, net als in artikel 43 van het voormalige Rechtspositiebesluit burgemeesters, gesteld op 70 jaar. Hiermee is aangesloten bij de systematiek zoals deze geldt voor de rechterlijke macht en de Hoge Colleges van Staat. Dit is vastgelegd in het eerste lid.
In het tweede lid is een specifieke ontslaggrond opgenomen voor de burgemeester ingeval van ziekte. De achtergrond ervan is deze. De Ziektewet kent een termijn van twee jaar, waarbinnen een werknemer niet kan worden ontslagen wegens ziekte. Voor wat betreft de burgemeester moeten echter niet alleen de arbeidsrechtelijke aspecten, maar ook de bestuurlijke aspecten in het oog worden gehouden. De betrokken functies kunnen wel gedurende enige tijd worden vervuld door een waarnemer, maar een periode van twee jaar is bestuurlijk ongewenst. Ontslag van een burgemeester op grond van ziekte is daarom mogelijk een half jaar na de eerste dag van het ziekteverzuim, tenzij uit geneeskundig onderzoek blijkt dat herstel van zijn ziekte is te verwachten binnen een periode van een jaar na genoemde eerste verzuimdag. Deze ontslaggrond geldt overigens al sinds 2011.
Op grond van artikel 44, vierde lid, van het voormalige Rechtspositiebesluit burgemeesters bestond voor de burgemeester een zorgplicht van de Minister van BZK om ingeval van ziekte binnen zijn gezagsbereik te onderzoeken of het mogelijk was om betrokkene na zijn ontslag andere arbeid aan te bieden. De burgemeesters zijn echter met ingang van 27 februari 2010 onder de werking van de Appa gebracht en komen sindsdien na ontslag dus in aanmerking komen voor een Appa-uitkering. Nu er een adequate andere voorziening is, was er geen reden meer om deze zorgplichtbepaling in het besluit op te nemen.
Op grond van artikel 5.1, elfde lid van het besluit bestaat er overgangsrecht. Op grond van artikel 16, derde lid, van het Rechtspositiebesluit burgemeesters had een burgemeester na eervol ontslag of niet-herbenoeming voor een periode van drie maanden aanspraak op een ambtstoelage ter hoogte van de helft van het bedrag van de ambtstoelage die hij voor zijn ontslag of niet-herbenoeming had. Een vergelijkbare aanspraak bestaat niet op grond van het huidige besluit. Als overgangsrecht is geregeld dat de oude aanspraak blijft bestaan voor burgemeesters die voor 1 januari 2019 eervol ontslagen of niet herbenoemd zijn en voor burgemeesters die met ingang van die datum eervol zijn ontslagen in verband met een van de gemeentelijke herindelingen die per 1 januari 2019 inwerkingtreden.
Artikel 3.3.1 Bewaken en beveiligen
Alle politieke ambtsdragers kunnen te maken krijgen met bedreigingen en geweld. Hiervoor geldt het zogenaamde Stelsel bewaken en beveiligen zoals toegelicht in brieven aan de Tweede Kamer14Onder meer Kamerstukken II 2010/11, 28 684, nr. 297.. In dat stelsel wordt onderscheid gemaakt tussen de verantwoordelijkheid van betrokkene zelf voor de eigen beveiliging (deugdelijk hang- en sluitwerk), de verantwoordelijkheid voor de werkgever (in dit geval de gemeente) en die van de overheid. Bij deze laatste verantwoordelijkheid moet worden gedacht aan politie-inzet en dergelijke.
De bepaling welke instrumenten in het individuele geval nodig zijn, gebeurt in principe op basis van een dreigingsanalyse. Wat de werklocatie betreft, treft de gemeente al uit hoofde van goed werkgeverschap beveiligingsmaatregelen. Afhankelijk van de kwetsbaarheid van de werklocatie of het privédomein van de ambtsdrager kan echter worden voorzien in aanvullende maatregelen. Deze kunnen zowel preventief getroffen worden als naar aanleiding van een aangifte of melding. Hiervoor is wel een dreigingsanalyse en een oordeel van de officier van justitie vereist.
In het eerste lid van artikel 3.3.1 is bepaald dat de gemeente verantwoordelijk is voor de bekostiging van voorzieningen ten behoeve van de ambtsdrager die in het Stelsel bewaken en beveiligen worden aangemerkt als werkgeverskosten.
Daarnaast kunnen op grond van het tweede lid bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor preventieve maatregelen die niet binnen de werking van het Stelsel bewaken en beveiligen kunnen worden vergoed. Het gaat hierbij om de situatie dat er geen sprake is van een acute dreiging, maar bijvoorbeeld uit een woningscan blijkt dat er veiligheidsvoorzieningen nodig zijn.
Artikel 3.3.2 Informatie- en communicatievoorzieningen
De bepalingen in de voormalige rechtspositiebesluiten gingen nog uit van een afschrijving in drie jaar van computer- en informatieapparatuur en van verschillen tussen telefoonkosten en ICT-middelen. Intussen is er fiscaal sprake van ‘digitaal gereedschap’ waarvoor een belastingvrijstelling kan worden verkregen als de werkgever kan aantonen dat dit gereedschap noodzakelijk is voor het vervullen van het werk.
Daarom is in artikel 3.3.2 van het onderhavige besluit bepaald dat het college van burgemeester en wethouders aan alle gemeentelijke politieke ambtsdragers voor de duur van hun ambt informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking stelt, daarbij inbegrepen de abonnementen, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het ambt. Dit artikel is in overeenstemming met de nieuwe fiscale regelgeving. Aangezien de ontwikkelingen op het gebied van telefonie en ICT snel gaan, is gekozen voor een toekomstbestendige formulering.
De vraag is gesteld of het mogelijk is gebruikersovereenkomsten af te sluiten met betrekking tot het gebruik van ICT-middelen en afspraken te maken over eventuele overname van deze middelen aan het einde van de bestuursperiode.
In verband met de gewijzigde fiscale regelgeving kan digitaal gereedschap tegenwoordig belastingvrij worden verstrekt. Dit is een verbetering met de situatie hiervóór: er is een sterk verband met het vervullen van de functie en er zijn voordelen op het gebied van inkoop, onderhoud, beveiliging en gebruik. Zowel de apparatuur als de abonnementen worden centraal ingekocht en toegedeeld. Mede gezien deze voordelen is ervoor gekozen om niet meer de mogelijkheid te bieden van een vergoeding voor de aanschaf of het gebruik van de eigen ICT-middelen. Die vergoeding zou dan bovendien belast zijn, terwijl de verstrekking op grond van het besluit belastingvrij is.
Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor een gebruikers- of bruikleenovereenkomst is niet nodig. Het is aan de gemeente in hoeverre zij bij de terbeschikkingstelling van de middelen nadere regels over het gebruik ervan wil stellen. Deze vrijheid gaat uiteraard niet zover dat er (geldelijke) vergoedingen kunnen worden verstrekt; het gaat om de praktische voorwaarden.
Eventuele overname van ICT-middelen aan het einde van de bestuursperiode, al dan niet tegen restwaarde, is niet toegestaan. Dit is in lijn met het beleid voor rijksambtenaren. De overweging hierbij is, dat het risico van datalekken zo veel mogelijk moet worden voorkomen. Politieke ambtsdragers hebben veel informatie op hun telefoons en andere apparatuur. Bij overname zou de gemeente hierover de regie kwijt zijn, ook als de apparaten geschoond zijn.
Artikel 3.3.3 Vergoeding kosten scholing
Voor alle decentrale politieke ambtsdragers is expliciet bepaald dat de kosten van niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste worden gebracht van de gemeente. Deze kosten hoeven dus niet voor eigen rekening te worden genomen of te worden betaald uit de onkostenvergoeding. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente.
Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid kan de gemeenteraad nadere regels stellen voor de scholing van zijn leden; het college van burgemeester en wethouders kan dit doen voor de scholing van de burgemeester en van de wethouders. Die regels zijn het kader waaraan individuele scholingsaanvragen moeten worden getoetst. Dit kader kan bijvoorbeeld worden vormgegeven als een scholingsplan. Hierin kunnen ook procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen alsook regels over de hoogte van de maximale scholingskosten of van de door de gemeente te verstrekken tegemoetkoming. Wat betreft de procedure voor scholingsaanvragen van raadsleden is het denkbaar dat bepaald wordt dat het college van burgemeester en wethouders deze (aan de hand van het daarvoor gestelde kader) beoordeelt, maar ook kan worden bepaald dat een (daartoe gemandateerde) commissie van de gemeenteraad dit doet.
Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij, betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om voor kostenvergoeding in aanmerking te komen, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Een door een partij verzorgde communicatietraining is bijvoorbeeld functiegericht als de gegeven lessen algemeen toepasbaar zijn; indien deze communicatietraining erop is gericht de beginselen van de partij zo effectief mogelijk uit te dragen, is zij eerder als partijpolitiek aan te merken.
Het Professionaliseringsfonds burgemeesters heeft in dit verband een bijzondere status. Sinds 2003 verzorgt het Nederlands Genootschap van Burgemeesters hiermee elk jaar een opleidingsprogramma voor burgemeesters. De deelname aan en de waardering voor het programma zijn hoog. Het succes van het programma komt onder andere doordat individuele burgemeesters zelf kunnen beslissen voor welke activiteiten zij zich inschrijven. Bovendien werkt de huidige financieringsconstructie uitstekend. Er is niet expliciet geregeld dat de bepalingen dat de burgemeester ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in scholingskosten kan krijgen en dat het college nadere regels kan stellen, niet gelden voor het programma dat binnen het Professionaliseringsfonds burgemeesters bestaat. De opleidingen van genoemd Professionaliseringsfonds zijn namelijk voor de burgemeesters in principe kosteloos in verband met de bijzondere, voor de beroepsgroep specifieke financieringsconstructie. Mocht een burgemeester echter elders, dat wil zeggen niet via het Professionaliseringsfonds, een niet-partijpolitiek georiënteerde functionele opleiding willen volgen, dan kan hij via zijn gemeente aanspraak maken op vergoeding daarvan.
Artikel 3.3.4 Beroepsvereniging
In 2014 is mogelijk gemaakt dat de gemeente de contributie vergoedt indien een politieke ambtsdrager in verband met de uitoefening van het ambt lid is van een beroepsvereniging. In de praktijk bleek er onduidelijkheid te bestaan over de vraag wat een beroepsvereniging is en wie beoordeelt of er sprake is van een beroepsvereniging: het college van burgemeester en wethouders, de gemeenteraad of de ambtsdrager zelf. Daarom is deze aanspraak nu gepreciseerd.
Ten eerste wordt het begrip beroepsvereniging nader ingevuld door te bepalen dat die beroepsvereniging een voor iedere ambtsdrager van die beroepsgroep toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging moet zijn die blijkens haar statuten de deskundigheidsbevordering en/of belangenbehartiging van de functie van die beroepsgroep ten doel heeft of mede ten doel heeft.
Ten tweede is verduidelijkt dat het college van burgemeester en wethouders bepaalt of er sprake is van een beroepsvereniging. Deze vaststelling is namelijk een uitvoeringsbeslissing. Het artikel is zodanig geformuleerd dat de aanspraak voorop staat, maar dat het college de vergoeding van de contributie kan weigeren, indien het van oordeel is dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het omschreven doel.
Artikel 3.3.5 Bedrijfsgeneeskundige zorg
Wethouders en raadsleden konden voorheen geen aanspraak maken op bedrijfsgeneeskundige begeleiding. Bij de vervulling van een politiek ambt is er geen werkgeversrelatie met de gemeente. Ingeval van ziekte is het aan betrokkene zelf om te bepalen, al dan niet na raadpleging van een eigen arts, of de ziekte zijn functioneren zodanig beïnvloedt dat hij moet aftreden of ontslag moet nemen. Wat betreft de burgemeester en de wethouders kan de gemeenteraad betrokkene dwingen tot ontslag of aftreden, maar dat is een ultimum remedium. Vanwege het eenhoofdige karakter van hun functie kennen de burgemeesters daarnaast ook nog een procedure voor de specifieke mogelijkheid van ontslag in verband met ziekte (zie artikel 3.2.19). Maar ook voor bedrijfsgeneeskundige vragen die geen verband houden met ontslag, zoals het tegen gaan van burn-outverschijnselen of hoe te re-integreren na ziekte, waren er voor wethouders en raadsleden geen mogelijkheden.
De burgemeesters konden voor de inwerkingtreding van dit besluit wel aanspraak maken op bedrijfsgeneeskundige begeleiding, maar die begeleiding was overeenkomstig de voor ambtenaren geldende voorschriften. Ook zij werden echter weleens geconfronteerd met het gegeven dat zij niet vallen onder de werkingssfeer van de begeleidingscontracten voor hun ambtenaren. Bovendien is het uitgangspunt bij dit besluit dat zo min mogelijk wordt verwezen naar ambtelijke voorzieningen.
Daarom is nu voor alle gemeentelijke politieke ambtsdragers in artikel 3.3.5 opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders ten laste van de gemeente een voorziening treft voor bedrijfsgeneeskundige zorg. Vanwege de variëteit aan opties en behoeften is de invulling van deze zorg aan het college gelaten. Dit kan via aansluiting bij de bedrijfsgeneeskundige zorg voor de ambtenaren van de gemeente, maar hoeft dus niet.
Artikel 3.3.6 Voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval
Alle politieke ambtsdragers kunnen een dienstongeval krijgen (bijvoorbeeld bij een werkbezoek) en daarmee het risico op een beroepsziekte of op andere schade als gevolg van een dergelijk ongeval. Daarom is in dit artikel een uniforme bepaling voor alle gemeentelijke politieke ambtsdragers opgenomen, waarin is geregeld dat en op welke wijze de eventueel uit een dienstongeval voortvloeiende schade voor vergoeding in aanmerking komt.
Artikel 3.3.7 Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking
De Wet arbeid en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kent voorzieningen tot bevordering van de arbeidsparticipatie van werknemers met een structurele functionele beperking. Omdat politieke ambtsdragers geen werknemer zijn in de zin van de WIA, zijn zij uitgesloten van de in die wet geregelde voorzieningen. Op grond van artikel 3.3.7 kunnen alle gemeentelijke politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking echter zo veel mogelijk op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als werknemers en overheidswerknemers op grond van de WIA, een aanspraak doen gelden op een (tegemoetkoming voor) een WIA-voorziening. Voor een politieke ambtsdrager is het dus niet van belang welke systeemwet hem definieert: als een werknemer in de zin van de WIA die overigens in dezelfde omstandigheden verkeert als de politieke ambtsdrager, recht heeft op een bepaalde WIA-voorziening, dan heeft de politieke ambtsdrager op grond van de bepaling in het rechtspositiebesluit eveneens recht op die WIA-voorziening.
Nieuw ten opzichte van de voormalige rechtspositiebesluiten is dat in plaats van een financiële tegemoetkoming ook een voorziening in natura kan worden verstrekt door de gemeente.
Artikel 3.3.8 Eindheffingsbestanddelen
In dit artikel is een aantal vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen als eindheffingsbestanddeel aangewezen. Dit is toegelicht in §3.
De ambtstoelage/onkostenvergoeding, verhuiskostenvergoeding, de vergoedingen voor woon-werkverkeer en reis- en verblijfkosten, de vergoedingen van kosten in verband met scholing en loopbaanoriëntatie en mobiliteit, de verstrekking van ICT-middelen, en de verstrekking of vergoeding van WIA-voorzieningen zijn vergoedingen of verstrekkingen waar gerichte vrijstellingen voor van toepassing zijn. Daarmee komen zij niet ten laste van de vrije ruimte.
De vergoeding voor tijdelijke huisvesting is in ieder geval een gerichte vrijstelling tijdens de ontheffing van de verhuisplicht in de periode van het eerste jaar na de benoeming. Ingeval van een verlenging van die ontheffing geldt een motiveringsplicht alvorens deze kan worden aangemerkt als een gerichte vrijstelling. Er moet dan sprake zijn van omstandigheden die gelegen zijn buiten de invloedssfeer van betrokkene. Het (moeten) wachten op de nieuwbouw van het huis in de nieuwe gemeente wordt bijvoorbeeld fiscaal aangemerkt als een gevolg van een in de privésfeer genomen beslissing.
De tegemoetkomingen en vergoedingen voor een ziektekostenverzekering en vergoeding van belastingheffingen, zoals over de tegemoetkoming dubbele woonlasten en over de ter beschikking gestelde auto of woning, zijn eindheffingsbestanddelen waar geen gerichte vrijstelling voor geldt en die daarmee wel ten laste van de vrije ruimte komen.
Artikel 3.4.1 Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen commissieleden
De gemeenteraad kan op grond van de Gemeentewet commissies instellen voor ondersteuning en advisering. In deze commissies mogen raadsleden en niet-raadsleden zitten. Waar raadsleden een vergoeding voor de werkzaamheden ontvangen, ontvangen niet-raadsleden op grond van artikel 3.4.1 een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen. Kortheidshalve wordt hier verwezen naar de toelichting bij artikel 3.1 wat betreft de vergoeding van commissieleden.
De hoogte van de commissievergoeding is afhankelijk van de grootte van de gemeente. De in de tabel genoemde bedragen worden geïndexeerd.
Er is geen bevoegdheid voor de gemeenteraad om de commissievergoeding per vergadering naar beneden bij te stellen met 20% of op basis van presentie van gevolgde vergaderingen.
Artikel 3.4.2 Hogere vergoeding
De gemeenteraad kan op basis van artikel 3.4.2 een hogere vergoeding vaststellen voor een commissielid vanwege zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie en indien de vergoeding op basis van artikel 3.4.1, eerste lid, niet in redelijke verhouding staat tot de taak.
Artikel 3.4.3 Reiskostenvergoeding
Aan commissieleden worden reiskosten vergoed voor het bijwonen van commissievergaderingen en reis- en verblijfkosten voor dienstreizen binnen de gemeente. Nadere regels zijn hiervoor in de regeling gesteld, waarbij is aangesloten bij de algemene regels krachtens artikel 3.1.7, tweede lid.
Het onderhavige besluit bevat geen (grondslag voor) regels met betrekking tot de vergoeding van kosten van dienstreizen buiten het grondgebied van de gemeente: ingevolge artikel 97 van de Gemeentewet kunnen dergelijke regels alleen bij gemeentelijke verordening worden gesteld.
Artikel 3.4.4 Overige vergoedingen en voorzieningen
Ook commissieleden hebben aanspraak op ICT-middelen, scholing, en zo nodig op de vergoeding van bewakings- en beveiligingskosten en de kosten van het lidmaatschap van een beroepsvereniging. Ook een (vergoeding van een) noodzakelijke voorziening in verband met een structurele functionele beperking moet aan een commissielid worden verstrekt; uiteraard moet deze voorziening wel proportioneel zijn. Ten slotte heeft een commissielid ook aanspraak op de voorzieningen in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)