Verzamelbesluit Lijfrenten
Premies die aanspraak geven op inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.124, onderdelen a t/m c, Wet IB 2001 zijn onder voorwaarden aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Daarbij gaat het om premies, waaronder ook koopsommen, voor een overeenkomst van lijfrente of een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Aftrek van dergelijke premies binnen de wettelijke begrenzingen is uitsluitend mogelijk als de overeenkomst voldoet aan bepaalde, nauw omschreven voorwaarden. Het gaat daarbij onder meer om de soort verzekerde uitkeringen, de gerechtigden, de ingangs- en einddata van de uitkeringen en de verzekeraar.
5.4. Pre-Brede Herwaarderingslijfrente; vervreemding om niet aan niet-inwoner
Bij vervreemding om niet van een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente aan een niet-inwoner moet de vervreemder in beginsel afrekenen over de waarde van de lijfrente (artikel 75, eerste lid, Wet IB 1964, tekst 2000 juncto artikel 25, tiende lid, Wet IB 1964, tekst 2000). De vervreemder hoeft niet af te rekenen als de lijfrentetermijnen bij de begunstigde/koper van de lijfrente tot diens binnenlands onzuiver inkomen behoren (artikel 49, eerste lid, onderdeel c, onder 5, Wet IB 1964, tekst 2000).
De voorwaarden voor lijfrenten waarvoor premieaftrek mogelijk was op grond van het regime Brede Herwaardering wijken maar op enkele punten af van de voorwaarden voor premieaftrek op grond van het regime voor lijfrenten van de Wet IB 2001. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
Ik keur goed dat de polis van Brede Herwaarderingslijfrenten niet aan de Wet IB 2001 hoeft te worden aangepast. Bijvoorbeeld als in de polis een (tijdelijke) oudedagslijfrente is verzekerd die ingaat in een kalenderjaar na het bereiken van de leeftijd die 5 jaar hoger is dan de AOW-leeftijd van de belastingplichtige (zie ook de goedkeuring in onderdeel 9.5), of als het verbod op prijsgeven niet in de polis is opgenomen.
In de jurisprudentie3Hoge Raad, 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO0391 is uitgemaakt dat het standpunt inzake het bestaan van buitenlandse belastingplicht voor termijnen uit Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten niet juist is. Dit betekent dat een vervreemding om niet van Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten aan een niet-inwoner leidt tot afrekening over de waarde van de lijfrente bij de vervreemder. Dit heeft ook gevolgen voor vervreemdingen om niet aan een niet-inwoner die na 21 januari 2011 hebben plaatsgevonden en waarin nog geen onherroepelijk vaststaande aanslag is opgelegd.
5.5. Toepassing van artikel 69 Wet IB 1964 op naar nieuw regime omgezette lijfrenten
Een op 31 december 2000 bestaande aanspraak op een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een 2001-lijfrenteverzekering of in een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Bij een dergelijke omzetting geldt het overgangsrecht uit de Invoeringswet Wet IB 2001 (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, Invoeringswet Wet IB 2001). Daarmee blijft de anti-ontgaansbepaling van artikel 69 Wet IB 1964 op de aanspraak van toepassing.
Er is geen sprake van afkoop in fiscale zin als een lijfrente gesloten vóór 1 januari 2001 is omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek van de Wet IB 2001. Na de omzetting vormt de naar het nieuwe recht vormgegeven aanspraak de voortzetting van de omgezette aanspraak. Dit geldt ook als de bedoelde aanspraak gedeeltelijk wordt omgezet in een lijfrente die voldoet aan de voorwaarden voor premieaftrek.
Deze omzetting heeft geen gevolgen voor het gedeelte van de lijfrenteverzekering dat voortvloeit uit premiebetalingen die zijn gedaan vóór 1 januari 2001. Als het gaat om een premiebetaling zoals omschreven in Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid, onderdelen a, b en c, Invoeringswet Wet IB 2001, blijven voor de bepaling van het inkomen uit een dergelijke lijfrenteverzekering altijd de bepalingen van de Wet IB 1964 van toepassing (eerbiedigende werking).
Dit geldt ook voor een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente die wordt aangepast aan de voorwaarden voor premieaftrek van het regime van de Wet IB 2001. Als een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente echter wordt omgezet in een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht gaat op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, Invoeringswet Wet IB 2001, het Pre-Brede Herwaarderingsregime geheel verloren.
De overgangsbepaling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 – en daarmee ook artikel 69 Wet IB 1964 – geldt ook voor situaties waarin een Pre-Brede Herwaarderingslijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een met ingang van 2008 fiscaal mogelijke lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Dus als de rekeninghouder de andere echtgenoot is dan degene die in het verleden de lijfrentepremies van de Pre-Brede Herwaarderingslijfrente heeft afgetrokken, moeten de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot. Om onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, is het negende lid, in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen.
5.6. Pre Brede Herwaarderingslijfrente; heffing na een overschrijding wettelijke termijn
Een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente verliest als gevolg van de aanpassing aan het lijfrenteregime van de Wet IB 2001 niet de eerbiedigende werking voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan vóór 2001 (zie onderdeel 5.2).
Voor zover de lijfrente voortvloeit uit premiebetalingen gedaan na 2000 kan de eerbiedigende werking ook van toepassing zijn. In onderdeel 5.2 is aangegeven om welke situaties het gaat. Voor een lijfrente die bij leven uitkeert, kan daardoor sprake zijn van een gedeelte waarop nog het Pre-Brede Herwaarderingsregime van toepassing is en een gedeelte waarop het regime van de Wet IB 2001 van toepassing is.
Voor een nabestaandenlijfrente is de situatie echter een andere. Het risico van vóóroverlijden wordt in een lijfrentepolis immers verzekerd op grond van de laatst betaalde risicopremie(s). Een nabestaandenlijfrente vloeit niet voort uit een opgebouwd lijfrentekapitaal zoals dat wel het geval is bij een lijfrente die bij leven uitkeert. Als een nabestaandenlijfrente ingaat na 2001 en de laatstbetaalde premie voor de lijfrente – waarin meestal is begrepen de risicopremie voor de dekking van het overlijdensrisico – als uitgave voor inkomensvoorziening is afgetrokken, is op de gehele nabestaandenlijfrente het regime van de Wet IB 2001 van toepassing. Uitstel van het ingaan van de nabestaandenlijfrenten is dan fiscaalrechtelijk niet toegestaan, behalve in de situaties omschreven in onderdeel 4.2.2.
Uitstel van het ingaan van een nabestaandenlijfrente is wel mogelijk in de volgende situatie. De Pre-Brede Herwaarderingslijfrente, zoals die is opgebouwd tot en met het jaar 2000, is premievrij gemaakt en wordt administratief gesplitst bijgehouden van de lijfrente waarop met ingang van 2001 aftrekbare premies worden betaald. Voor zover de premievrije waarde een recht geeft op dekking bij overlijden na het jaar 2000, is op de desbetreffende lijfrente die ingaat bij overlijden, het regime van de Wet IB 1964 van toepassing. Uitstel van de nabestaandenlijfrente is dan fiscaal mogelijk.
5.4. Pre-Brede Herwaarderingslijfrente; vervreemding om niet aan niet-inwoner
6.1. Jaar- en reserveringsruimte, pensioenaangroei (factor A)
Tot en met het jaar 2000 bestond er voor Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten echter geen buitenlandse belastingplicht over de lijfrentetermijnen omdat daarvoor geen regeling was opgenomen in artikel 49 Wet IB 1964, tekst 1991. Bij vervreemding om niet aan een niet-inwoner moest de vervreemder dus tot en met het jaar 2000 afrekenen.
6.1.1. Rangorde toepassing artikel 15, tweede lid, onderdelen a en b, van het UBIB
In de jurisprudentie3Hoge Raad, 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO0391 is uitgemaakt dat het standpunt inzake het bestaan van buitenlandse belastingplicht voor termijnen uit Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten niet juist is. Dit betekent dat een vervreemding om niet van Pre-Brede Herwaarderingslijfrenten aan een niet-inwoner leidt tot afrekening over de waarde van de lijfrente bij de vervreemder. Dit heeft ook gevolgen voor vervreemdingen om niet aan een niet-inwoner die na 21 januari 2011 hebben plaatsgevonden en waarin nog geen onherroepelijk vaststaande aanslag is opgelegd.
Met de tekstvolgorde in de wet wordt geen behandelingsvolgorde bedoeld. De onderdelen a en b sluiten elkaar uit wat betreft toepassingsbereik. Dit betekent dat uitsluitend het voorschrift uit onderdeel b geldt als de inkomensvoorziening een aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom is.
Een op 31 december 2000 bestaande aanspraak op een Pre-Brede Herwaarderingslijfrente kan fiscaal geruisloos worden omgezet in een 2001-lijfrenteverzekering of in een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Bij een dergelijke omzetting geldt het overgangsrecht uit de Invoeringswet Wet IB 2001 (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, negende lid, Invoeringswet Wet IB 2001). Daarmee blijft de anti-ontgaansbepaling van artikel 69 Wet IB 1964 op de aanspraak van toepassing.
Onder het Pre-Brede Herwaarderingsregime werden lijfrentepremies afgetrokken door de meestverdienende echtgenoot volgens de toenmalige regels voor inkomenstoerekening. Volgens dat lijfrenteregime was het indertijd mogelijk om de minstverdienende echtgenoot bij leven de begunstigde te doen zijn van de ontvangen lijfrentetermijnen (in latere lijfrenteregimes bestaat die mogelijkheid niet meer).
6.1.2. Wijzigingen na afloop van het kalenderjaar
Door de invoering van de Wet IB 2001 zouden zonder nadere overgangsregels de bepalingen van de Wet IB 1964 geen betekenis meer hebben. De wetgever heeft ervoor gekozen om onder meer voor lijfrenten de regels van de Wet IB 1964 voor een groot deel te eerbiedigen. Dit is voor een belangrijk deel geregeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001. Onder die eerbiedigende werking valt – dit is bevestigd in vaste jurisprudentie – de werking van artikel 69 Wet IB 1964 op lijfrenten gesloten vóór 1992. Ook bij een omzetting van een dergelijke Pre-Brede Herwaarderingslijfrente in een (andere) lijfrenteverzekering die voldoet aan de voorwaarden van de Wet IB 2001, gaat de werking van genoemd artikel 69 niet verloren. Onwenselijke inkomensoverheveling tussen echtgenoten blijft daarmee onmogelijk. Dit standpunt is tot op heden ook steeds door de Belastingdienst uitgedragen en daaraan is in de praktijk uitvoering gegeven.
De overgangsbepaling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 – en daarmee ook artikel 69 Wet IB 1964 – geldt ook voor situaties waarin een Pre-Brede Herwaarderingslijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een met ingang van 2008 fiscaal mogelijke lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Dus als de rekeninghouder de andere echtgenoot is dan degene die in het verleden de lijfrentepremies van de Pre-Brede Herwaarderingslijfrente heeft afgetrokken, moeten de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot. Om onduidelijkheid op dit punt weg te nemen, is het negende lid, in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen.
5.6. Pre Brede Herwaarderingslijfrente; heffing na een overschrijding wettelijke termijn
De jurisprudentie over toepassing van de saldomethode bij een onzuiver geworden lijfrente4HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1199 en ECLI:NL:HR:2018:1200 heeft ook gevolgen voor de belastingheffing over periodieke uitkeringen of over de afkoopsom van Pre Brede Herwaarderingsverzekeringen na het overschrijden van de wettelijke termijn (artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001).
Een Pre Brede Herwaarderingslijfrente kende onder de wet IB 1964 geen strijdige handelingen zoals opgenomen in het huidige artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001. In de Invoeringswet Wet IB 2001is bepaald dat dit artikellid ook geldt voor Pre Brede Herwaarderingslijfrenten (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, zesde lid, Invoeringswet Wet IB 2001). Dit houdt in dat als er sprake is van een overschrijding van de wettelijke termijn, er een (periodieke) uitkering in aanmerking moet worden genomen (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, eerste lid en vierde lid, Invoeringswet Wet IB 2001).
6.1.4. Voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag
Ik keur goed dat in deze situatie het bedrag waarover door het overschrijden van de wettelijke termijn al belasting is geheven, voor de toepassing van de saldomethode (ook) als premie wordt aangemerkt.
Ik keur goed dat bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei met de opbouw van levenslang ouderdoms- en partnerpensioen uit de FVP-gelden, geen rekening hoeft te worden gehouden. Ik stel hierbij de voorwaarde dat de voortgezette pensioenopbouw in de pensioenregeling alleen plaatsvindt als en voor zover de voortgezette opbouw achteraf met de FVP-bijdragen wordt verkregen.
Deze goedkeuring geldt niet als de pensioenregeling – onafhankelijk van de hoogte van de latere bijdrage uit de FVP-regeling – een voortgezette pensioenopbouw kent.
6.1.5. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin sprake is van pensioengevende diensttijd
Op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, ten 1e tot en met ten 3e, UBLB behoren ook perioden van verlof tot de perioden waarin sprake kan zijn van pensioenopbouw, dat wil zeggen sprake is van pensioengevende diensttijd. Ook het pensioen dat wordt opgebouwd in deze perioden van verlof geldt uiteraard als pensioenaangroei in het kalenderjaar (artikel 3.127, eerste en vierde lid, Wet IB 2001).
6.1.6. Voortgezette pensioenopbouw over perioden na verbreking van de dienstbetrekking
Met de tekstvolgorde in de wet wordt geen behandelingsvolgorde bedoeld. De onderdelen a en b sluiten elkaar uit wat betreft toepassingsbereik. Dit betekent dat uitsluitend het voorschrift uit onderdeel b geldt als de inkomensvoorziening een aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom is.
Aan het inkomen gerelateerde inkomensvoorzieningen zijn:
6.1.7. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is verleend
De pensioenverzekeraar moet bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei rekening houden met de aangroei van de jaarlijkse uitkeringen van het aan de deelnemer toekomend levenslang ouderdomspensioen. In de opgave moet de verzekeraar de pensioenaangroei opnemen die het gevolg is van de toename van de diensttijd in dat jaar. Onder diensttijd wordt verstaan alle perioden die meetellen voor de opbouw van de pensioenrechten, de zogenoemde pensioenjaren, zodat het voor de vaststelling van de pensioenjaren geen verschil maakt of een deelnemer in een of meer van die perioden recht heeft op premievrijstelling. Dit kan bijvoorbeeld zijn omdat een deelnemer in die periode arbeidsongeschikt is. Het is alleen van belang dat de desbetreffende periode meetelt als diensttijd in de zin van de pensioenregeling.
6.1.8. Gevolgen van uitruil van pensioenrechten
De pensioenverzekeraar moet de gecorrigeerde opgave verstrekken binnen een redelijke termijn na het bekend worden van de gewijzigde grondslagen. Als de pensioenverzekeraar binnen twee maanden na het bekend worden van de gewijzigde grondslagen aan de pensioendeelnemer een verbeterde opgave verstrekt, heeft die verstrekking in ieder geval binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.
Voor zover tijdelijke pensioenrechten zijn opgebouwd in jaren voorafgaande aan het kalenderjaar van omzetting, heeft de omzetting geen invloed op de hoogte van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van omzetting.
Het is mogelijk dat een belastingplichtige in een of meer van de zeven voorafgaande jaren minder lijfrentepremie of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht heeft betaald en afgetrokken dan waarop hij recht heeft (artikel 3.127, eerste lid, Wet IB 2001). Hij kan dan gebruik maken van een extra aftrekmogelijkheid: de reserveringsruimte (artikel 3.127, tweede lid, Wet IB 2001).
Bij de berekening van de reserveringsruimte moet rekening worden gehouden met een eventuele pensioenverbetering in de voorafgaande jaren. De reserveringsruimte is immers een extra aftrekmogelijkheid om inkomensvoorzieningen op een bepaald gewenst niveau te brengen. Dit betekent dat geen of minder reserveringsruimte aanwezig is voor zover in enig jaar in de zeven voorafgaande jaren een pensioenverbetering heeft plaatsgevonden (zie ook onderdeel 9.2).
6.1.4. Voortgezette pensioenopbouw na onvrijwillig ontslag
Als een persoon van 40 jaar of ouder onvrijwillig wordt ontslagen, is het mogelijk dat een pensioenopbouw wordt voortgezet ten laste van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (hierna: FVP). Het recht dat uit de FVP-bijdragen wordt opgebouwd, wordt na afloop van de loongerelateerde werkloosheidsperiode vastgesteld. De opbouw uit de FVP-bijdrage behoort tot de pensioenaangroei (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, Wet IB 2001). De FVP-bijdrage is per 1 januari 2011 beëindigd. Ik keur op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed
Ik keur goed dat bij de jaarlijkse opgave van de pensioenaangroei met de opbouw van levenslang ouderdoms- en partnerpensioen uit de FVP-gelden, geen rekening hoeft te worden gehouden. Ik stel hierbij de voorwaarde dat de voortgezette pensioenopbouw in de pensioenregeling alleen plaatsvindt als en voor zover de voortgezette opbouw achteraf met de FVP-bijdragen wordt verkregen.
Deze goedkeuring geldt niet als de pensioenregeling – onafhankelijk van de hoogte van de latere bijdrage uit de FVP-regeling – een voortgezette pensioenopbouw kent.
6.1.5. Voortgezette pensioenopbouw over perioden waarin sprake is van pensioengevende diensttijd
Op grond van artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, ten 1e tot en met ten 3e, UBLB behoren ook perioden van verlof tot de perioden waarin sprake kan zijn van pensioenopbouw, dat wil zeggen sprake is van pensioengevende diensttijd. Ook het pensioen dat wordt opgebouwd in deze perioden van verlof geldt uiteraard als pensioenaangroei in het kalenderjaar (artikel 3.127, eerste en vierde lid, Wet IB 2001).
6.1.6. Voortgezette pensioenopbouw over perioden na verbreking van de dienstbetrekking
In artikel 10a, eerste lid, onderdelen c, d en e, van het UBLB zijn verschillende mogelijkheden aangegeven waarin sprake kan zijn van pensioenopbouw nadat de dienstbetrekking is verbroken.
De pensioenopbouw in een periode waarin voor de toepassing van de Wet LB 1964 sprake is van pensioengevende diensttijd, wordt steeds beschouwd als aangroei in het kalenderjaar (artikel 3.127, eerste juncto vierde lid, Wet IB 2001). De pensioenverzekeraar moet dus in zijn opgaven met deze pensioenaangroei rekening houden.
Als de verzekeraar van het pensioen – vanwege het bijzondere karakter van deze pensioenregeling – niet beschikt over gegevens om de hoogte van de pensioenaangroei op de wijze als bij een loongerelateerd pensioen op te geven, kan de opgave worden gedaan als bij een beschikbare-premieregeling. Dit komt vooral bij oudere pensioenregelingen voor.
6.1.12. Beschikbare premie; totale premie voor het ouderdoms- en partnerpensioen meerekenen
De pensioenaangroei is gedefinieerd als de aangroei van de levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom (artikel 15, tweede lid, UBIB). Toch moet voor de berekening van de pensioenaangroei de totale premie worden meegerekend. Het is niet voldoende om uitsluitend het gedeelte van de premie dat betrekking heeft op het ouderdomspensioen in aanmerking te nemen. Door de toepassing van de tabel van artikel 15, tweede lid, onderdeel a, UBIB, wordt namelijk op grond van de totale premie de stijging van het levenslange ouderdomspensioen forfaitair berekend. In de tabel wordt al rekening gehouden met het feit dat een deel van de (totale) premie betrekking heeft op het partnerpensioen en op premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.
6.2. Opgave in verband met pensioenverbetering
6.2.1. Toerekenen vrijwillige premiebetalingen aan kalenderjaar of oude dienstjaren
Voor zover tijdelijke rechten zijn opgebouwd door toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar van omzetting, wordt de door de omzetting ontstane aanspraak op levenslang ouderdomspensioen wel in aanmerking genomen voor de berekening van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van omzetting.
De omzetting van tijdelijke rechten die zijn opgebouwd voorafgaand aan het kalenderjaar van omzetting kan leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001).
Als uit de regeling of verzekering de toerekening van de vrijwillige premiebetaling aan het kalenderjaar of de daarvoor liggende diensttijd niet eenduidig blijkt maar de regeling of verzekering biedt wel de mogelijkheid de pensioenopbouw over het kalenderjaar te optimaliseren, geldt het volgende. De premie moet worden aangemerkt als premie die betrekking heeft op het kalenderjaar van premiebetaling. De verzekeraar moet in zijn opgave van de pensioenaangroei in dat kalenderjaar rekening houden met de toename van het pensioen voor zover die uit die premiebetaling voortvloeit.
6.2.2. Inkoop van dienstjaren
Het karakter van de premie voor de toepassing van de Wet LB 1964 is doorslaggevend voor de vraag voor welke pensioensoort een (al dan niet vrijwillige) pensioenpremie is betaald. De premies kunnen betrekking hebben op een levenslang ouderdoms- en partnerpensioen of op pensioenvormen met een tijdelijke uitkeringsperiode. Het moet voor de toepassing van de Wet LB 1964 eenduidig bekend zijn welke delen van de premie betrekking hebben op de verschillende pensioensoorten. Voor de tijdelijke pensioenvoorzieningen is dit onderscheid alleen te maken als de pensioenrechten afzonderlijk zijn omschreven. Als aan deze voorwaarde is voldaan, kunnen premies die zijn betaald voor tijdelijke rechten bij de bepaling van de pensioenaangroei buiten beschouwing blijven.
Als voor de tijdelijke pensioenrechten de rechten niet afzonderlijk zijn omschreven en de verzekering is mede bestemd voor het levenslange ouderdoms- en partnerpensioen, dan moet de opgave van de pensioenaangroei door de pensioenuitvoerder steeds gebaseerd worden op het totaal van de betaalde premies.
Voor zover de inkoop betrekking heeft op dienstjaren met ingang van het jaar 2001, kan de inkoop leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De inkoop kan ook gevolgen hebben voor de hoogte van de reserveringsruimte.
6.2.3. Naheffing door beroepspensioenfonds
Als een deelnemer in een beroepspensioenfonds in enig jaar een te lage schatting maakt van het beroepsinkomen wordt daardoor over dat jaar een te lage pensioenpremie in rekening gebracht. Een beroepspensioenfonds kan in een later jaar een naheffing beroepspensioenpremies opleggen.
Een kapitaalovereenkomst (zogenoemde hybride pensioenregeling) wordt voor de toepassing van de Wet LB 1964 aangemerkt als een pensioen gebaseerd op een beschikbare-premiestelsel. Omdat deze regelingen een bijzonder karakter hebben, heb ik voor het bepalen van de pensioenaangroei afwijkende voorwaarden gesteld.
6.2.4. Wachttijd in collectieve pensioenregelingen
Als de verzekeraar van het pensioen – vanwege het bijzondere karakter van deze pensioenregeling – niet beschikt over gegevens om de hoogte van de pensioenaangroei op de wijze als bij een loongerelateerd pensioen op te geven, kan de opgave worden gedaan als bij een beschikbare-premieregeling. Dit komt vooral bij oudere pensioenregelingen voor.
Omdat hierbij geen sprake is van een pensioenverbetering maar van de achteraf juiste vaststelling van de aangroei in het jaar, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen.
6.3. Pensioenaangroei voor belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen
Binnen Nederland wordt de basis voor oudedagsvoorzieningen gevormd door de AOW (‘eerste pijler’) en pensioen (‘tweede pijler’). Het zogenoemde rustpensioen dat in België werkzame werknemers opbouwen omvat naar Nederlandse maatstaven gemeten zowel pensioenaanspraken als aanspraken van de eerste pijler. Als gevolg daarvan is de jaarlijkse aangroei van het Belgisch rustpensioen nominaal hoger dan de aangroei van een reguliere pensioenaanspraak in Nederland.
De basis voor de berekening van de jaarruimte voor de aftrek van lijfrentepremies is een jaarlijks te bepalen percentage van de premiegrondslag. Bij de bepaling van de hoogte van de premiegrondslag wordt al rekening gehouden met het feit dat in reguliere gevallen recht zal bestaan op een AOW-uitkering. Op de uitkomst van die berekening komt vervolgens een bedrag in verband met de opbouw van pensioenrechten in mindering. Als daarbij de volledige aangroei van het Belgisch rustpensioen in aanmerking zou worden genomen, leidt dit tot een feitelijk te lage jaarruimte van de lijfrentepremieaftrek. Er wordt in dat geval opnieuw rekening gehouden met de gerechtigheid tot een publiekrechtelijke (Belgische) oudedagsuitkering.
Veel pensioenregelingen bieden de mogelijkheid tot verbetering van zowel het pensioen van het kalenderjaar als de pensioenrechten die zijn opgebouwd in de daarvoor gelegen dienstjaren. Op welke periode de vrijwillige premie betrekking heeft, wordt primair bepaald door wat daarover in de pensioenregeling en de pensioenverzekering is vastgelegd. Bijvoorbeeld uit de pensioenregeling of de pensioenverzekering blijkt eenduidig dat de vrijwillige pensioenpremie betrekking heeft op de inkoop dan wel de verbetering van het pensioen over de aan het kalenderjaar voorafgaande diensttijd. Bij de berekening van de pensioenaangroei in het kalenderjaar van betaling hoeft hiermee geen rekening te worden gehouden.
Deze inkoop of verbetering kan wel leiden tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001).
Als uit de regeling of verzekering de toerekening van de vrijwillige premiebetaling aan het kalenderjaar of de daarvoor liggende diensttijd niet eenduidig blijkt maar de regeling of verzekering biedt wel de mogelijkheid de pensioenopbouw over het kalenderjaar te optimaliseren, geldt het volgende. De premie moet worden aangemerkt als premie die betrekking heeft op het kalenderjaar van premiebetaling. De verzekeraar moet in zijn opgave van de pensioenaangroei in dat kalenderjaar rekening houden met de toename van het pensioen voor zover die uit die premiebetaling voortvloeit.
Bij de berekening van de aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aanspraken voor een Belgisch rustpensioen kunnen de volgende bedragen op deze aangroei in mindering worden gebracht:
7. Tijdstip van betalen lijfrentepremie of inleg en van totstandkomen van de levensverzekering of lijfrenteovereenkomst (artikel 3.130 Wet IB 2001)
De inkoop van dienstjaren heeft geen effect op de berekening van de pensioenaangroei van het kalenderjaar, voor zover de ingekochte diensttijd ziet op diensttijd voorafgaand aan dat kalenderjaar. De ingekochte diensttijd heeft in zoverre immers geen betrekking op de toename van de diensttijd in het kalenderjaar.
7.1. Tijdstip van betalen lijfrentepremie of inleg
Premie of inleg komt voor aftrek als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking in het jaar van betaling of verrekening (artikel 3.130 Wet IB 2001). Voor lijfrenten die zijn of worden bedongen in het kader van omzetting van een oudedagsreserve in een lijfrente (artikel 3.128 Wet IB 2001) en omzetting van stakingswinst in een lijfrente (artikel 3.129 Wet IB 2001) kunnen in bepaalde gevallen wel na afloop van het kalenderjaar betaalde of verrekende premies in aanmerking worden genomen. Deze materie is geregeld in het Verzamelbesluit lijfrente in de winstsfeer.
7.1.1. Betaling lijfrentepremie of inleg in afwijking van de contractuele betaaldatum
De verzekeraar moet in dat geval de deelnemer een verbeterde opgave van de pensioenaangroei sturen die betrekking heeft op het jaar waarvoor oorspronkelijk een te lage premie is afgedragen aan het fonds. Achteraf gezien kan de deelnemer als gevolg van de pensioenaangroei teveel lijfrentepremies hebben afgetrokken in de aangifte inkomstenbelasting. Ter voorkoming van een eventuele boete kan de belastingplichtige dan in het jaar van pensioenverbetering een verbeterde aangifte doen (dan wel een verzoek tot navordering), waarin hij de teveel afgetrokken lijfrentepremies corrigeert. Omdat hierbij geen sprake is van een pensioenverbetering maar van de achteraf juiste vaststelling van de aangroei in het jaar, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen.
In de volgende twee gevallen kan ervan worden uitgegaan dat de betaling betrekking heeft op een kwalificerende lijfrenteovereenkomst:
In een (collectieve) pensioenregeling kan een wachttijd zijn opgenomen. Als na het verstrijken van die wachttijd een recht op levenslang ouderdomspensioen wordt toegekend over een periode die ligt vóór het lopende kalenderjaar, moet de pensioenuitvoerder over die periode een (verbeterde) opgave opmaken. Voor die periode ontstaat een wijziging van de hoogte van de pensioenaangroei doordat achteraf alsnog pensioenrechten worden toegekend. In dat geval moet de pensioenuitvoerder binnen redelijke termijn een (verbeterde) opgave van de pensioenaangroei opmaken en verzenden aan de deelnemer.
Omdat hierbij geen sprake is van een pensioenverbetering maar van de achteraf juiste vaststelling van de aangroei in het jaar, worden geen negatieve uitgaven in aanmerking genomen.
6.3. Pensioenaangroei voor belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen
Binnen Nederland wordt de basis voor oudedagsvoorzieningen gevormd door de AOW (‘eerste pijler’) en pensioen (‘tweede pijler’). Het zogenoemde rustpensioen dat in België werkzame werknemers opbouwen omvat naar Nederlandse maatstaven gemeten zowel pensioenaanspraken als aanspraken van de eerste pijler. Als gevolg daarvan is de jaarlijkse aangroei van het Belgisch rustpensioen nominaal hoger dan de aangroei van een reguliere pensioenaanspraak in Nederland.
7.1.3. Schuldig gebleven premies of inleg
Dit heeft tot gevolg dat belastingplichtigen die een Belgisch rustpensioen opbouwen in verhouding minder (gefacilieerde) lijfrentevoorzieningen kunnen opbouwen dan belastingplichtigen die naast hun pensioenrechten recht hebben op AOW. Dit effect acht ik ongewenst gelet op de achtergrond van de regeling over de berekening van de jaarruimte. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
7.2. Tijdstip van totstandkomen van levensverzekeringen
De hoogte van deze vermindering bedraagt een vijftigste van de uitkering op jaarbasis als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, Algemene Ouderdomswet (de gehuwden-AOW), inclusief vakantiegeld. Bij de berekening van de gehuwden-AOW wordt uitgegaan van het uitkeringsniveau van 1 januari van het jaar waarover de aangroei van de pensioenaanspraken voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek in aanmerking moet worden genomen.
7.2.1. Medische acceptatie
Het is mogelijk dat een overeenkomst van levensverzekering is gesloten onder voorwaarde van medische acceptatie maar dat de verzekeraar van aanvang af volledige dekking heeft verleend. Van volledige dekking is slechts sprake als de verzekeraar bij overlijden van de verzekerde vóór de medische acceptatie (overlijden in de periode vóór medische keuring hieronder begrepen) hetzelfde bedrag uitkeert als ná de medische acceptatie is verzekerd. In dat geval is sprake van een overeenkomst onder ontbindende voorwaarde en komt de overeenkomst in fiscale zin dus tot stand op het tijdstip waarop de volledige dekking is ingegaan.
Hierna is aangegeven onder welke omstandigheden een betaalde lijfrentepremie of inleg voor aftrek in aanmerking kan komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin al een betaling heeft plaatsgevonden terwijl de (lijfrente)overeenkomst juridisch nog niet perfect is. Voor levensverzekeringen in het algemeen – dus ook voor kapitaalverzekeringen – is hierna aangegeven op welk tijdstip een verzekering in juridische zin tot stand komt.
7.1. Tijdstip van betalen lijfrentepremie of inleg
Premie of inleg komt voor aftrek als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking in het jaar van betaling of verrekening (artikel 3.130 Wet IB 2001). Voor lijfrenten die zijn of worden bedongen in het kader van omzetting van een oudedagsreserve in een lijfrente (artikel 3.128 Wet IB 2001) en omzetting van stakingswinst in een lijfrente (artikel 3.129 Wet IB 2001) kunnen in bepaalde gevallen wel na afloop van het kalenderjaar betaalde of verrekende premies in aanmerking worden genomen. Deze materie is geregeld in het Verzamelbesluit lijfrente in de winstsfeer.
Het maakt daarbij niet uit of de premiebetaler heeft verwezen naar een eerder afgesloten polis of in algemene zin naar een productnaam.
7.2.3. Aanbod en acceptatie, al dan niet onder opschortende voorwaarden
In de volgende twee gevallen kan ervan worden uitgegaan dat de betaling betrekking heeft op een kwalificerende lijfrenteovereenkomst:
In beide hiervoor opgenomen gevallen moet de betaling steeds in overeenstemming zijn met de offerte/de aanvraag. De kwalificatie als lijfrentepremie geldt uitsluitend als de lijfrenteverzekering uiteindelijk juridisch tot stand komt in overeenstemming met de offerte/de aanvraag.
8. Verzuimde aftrek en niet-afgetrokken premie of inleg
Voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (zie onderdeel 3.2.3) geldt dat deze alleen op grond van hun vormgeving behoren tot box 1. Hierbij is niet van belang of de belastingplichtige voldoende aftrekruimte heeft om de premie of inleg als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking te nemen, of dat hij de premie of inleg daadwerkelijk als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking heeft genomen. Ook indien de premie of inleg niet in aftrek is gebracht, zijn de uitkeringen of de afkoopsom in beginsel volledig belast in box 1.
8.1. Verzuimde aftrek; herstelmogelijkheid
In de praktijk doen zich de volgende situaties voor waarin een belastingplichtige heeft verzuimd de tijdig betaalde premie of inleg in aftrek te brengen:
Voor het tijdstip van in aanmerking nemen van een lijfrentepremie of -inleg geldt in de eerste plaats het tijdstip van betaling. Daarnaast is relevant het tijdstip waarop de premie of inleg wordt verrekend, tenzij de verrekening leidt tot een schuldig gebleven bedrag (artikel 3.130, eerste lid, Wet IB 2001). Met deze laatste uitzondering heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat er situaties ontstaan waarbij de premie of inleg voor de lijfrente niet daadwerkelijk van het vermogen van de belastingplichtige is overgegaan naar de financiële instelling. Met deze bepaling is niet beoogd de financiering met vreemd vermogen van een premie of inleg tegen te gaan als die financiering door een ander dan de financiële instelling plaatsvindt. Er is daarom alleen dan geen sprake van een tijdstip van in aanmerking nemen van een lijfrentepremie of -inleg als deze formeel of feitelijk wordt schuldig gebleven aan de financiële instelling waarbij de lijfrente is ondergebracht.
Als de definitieve aanslag al is vastgesteld maar de bezwaartermijn nog niet is verlopen, kan de belastingplichtige een bezwaarschrift indienen. Hierin verzoekt hij de desbetreffende premie of inleg alsnog als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking te nemen.
Hierna neem ik standpunten in met betrekking tot het tijdstip waarop overeenkomsten van levensverzekering tot stand komen.
Ad b. De bijzondere regels voor ambtshalve vermindering gelden niet als een belastingplichtige heeft verzuimd om bij de aangifte de keuze te maken om na het kalenderjaar betaalde premies of inleg terug te wentelen naar het kalenderjaar.
Het is mogelijk dat een overeenkomst van levensverzekering is gesloten onder voorwaarde van medische acceptatie maar dat de verzekeraar van aanvang af volledige dekking heeft verleend. Van volledige dekking is slechts sprake als de verzekeraar bij overlijden van de verzekerde vóór de medische acceptatie (overlijden in de periode vóór medische keuring hieronder begrepen) hetzelfde bedrag uitkeert als ná de medische acceptatie is verzekerd. In dat geval is sprake van een overeenkomst onder ontbindende voorwaarde en komt de overeenkomst in fiscale zin dus tot stand op het tijdstip waarop de volledige dekking is ingegaan.
Als tot het tijdstip van medische acceptatie geen of een lager bedrag is verzekerd in geval van overlijden, is er fiscaal sprake van een (voor)overeenkomst. Deze (voor)overeenkomst wordt na de medische acceptatie gevolgd door een nieuwe overeenkomst. In dat geval is sprake van een overeenkomst onder opschortende voorwaarde en komt de overeenkomst in de definitieve vormgeving pas tot stand op het tijdstip van acceptatie door de verzekeraar.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
Er is geen overeenkomst van levensverzekering tot stand gekomen als de verzekeraar uitsluitend een premie heeft ontvangen, zonder dat daaraan een offerte of een aanvraagformulier ten grondslag lag. De elementen van verzekering zijn er niet, omdat aanbod en acceptatie niet hebben plaatsgevonden. Uit niets blijkt welke prestatie de verzekeraar tegenover de premiebetaling zal stellen.
Het maakt daarbij niet uit of de premiebetaler heeft verwezen naar een eerder afgesloten polis of in algemene zin naar een productnaam.
De hiervoor genoemde goedkeuring is van overeenkomstige toepassing op de regeling voor personen waarvan de binnenlandse belastingplicht in een kalenderjaar is gewijzigd in buitenlandse belastingplicht (artikel 3.130, derde lid, Wet IB 2001). Deze regeling houdt in dat premies voor lijfrenten of inleg voor een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht, die in de buitenlandse periode in dat kalenderjaar of binnen zes maanden daarna zijn betaald of verrekend, naar keuze zijn aan te merken als premies of inleg die zijn betaald of verrekend in de binnenlandse periode (artikel 3.130, tweede lid, Wet IB 2001).
9. Schending van de voorwaarden; sancties
9.1. Handelingen in strijd met voorwaarden
8. Verzuimde aftrek en niet-afgetrokken premie of inleg
Voor lijfrenten en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (zie onderdeel 3.2.3) geldt dat deze alleen op grond van hun vormgeving behoren tot box 1. Hierbij is niet van belang of de belastingplichtige voldoende aftrekruimte heeft om de premie of inleg als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking te nemen, of dat hij de premie of inleg daadwerkelijk als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking heeft genomen. Ook indien de premie of inleg niet in aftrek is gebracht, zijn de uitkeringen of de afkoopsom in beginsel volledig belast in box 1.
Voor lijfrentevoorzieningen die nog niet in de uitkeringsfase zijn, wordt de waarde in het economische verkeer van de lijfrente ten minste gesteld op de betaalde premie of inleg, behalve als er sprake is van afkoop. Dit is de zogenoemde minimumwaarderingsregel (artikel 3.137, eerste lid, tweede volzin, Wet IB 2001). Daarnaast is de belastingplichtige revisierente verschuldigd over de waarde in het economische verkeer van het recht of tegoed (artikel 30i AWR).
9.1.2. Afkoop lijfrente of periodieke uitkeringen vóór 2016
Ad a. en b. Zolang de definitieve aanslag waarop de aftrek betrekking heeft nog niet is vastgesteld, kan de belastingplichtige een aanvulling op de aangifte doen. In de aanvulling verzoekt de belastingplichtige de desbetreffende premie of inleg alsnog als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking te nemen.
Als de definitieve aanslag al is vastgesteld maar de bezwaartermijn nog niet is verlopen, kan de belastingplichtige een bezwaarschrift indienen. Hierin verzoekt hij de desbetreffende premie of inleg alsnog als uitgave voor inkomensvoorzieningen in aanmerking te nemen.
Ad a. De bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen zoals opgenomen in artikel 9.6 Wet IB 2001 zijn van toepassing
9.1.3. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen
Ik keur evenwel op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
9.1.4. Onttrekken premie voor periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid aan lijfrentekapitaal
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
Deze goedkeuring geldt alleen in de situatie dat het is toegestaan om premie of inleg naar het voorafgaande kalenderjaar terug te wentelen (artikel 3.130, tweede lid, Wet IB 2001).
Deze goedkeuring geldt niet voor de situatie waarin de belastingplichtige een premie of inleg alsnog wil terugwentelen en hij deze premie of inleg in het jaar van betaling in aftrek heeft gebracht. Dan heeft de belastingplichtige immers aangegeven een bewuste keuze te maken.
De hiervoor genoemde goedkeuring is van overeenkomstige toepassing op de regeling voor personen waarvan de binnenlandse belastingplicht in een kalenderjaar is gewijzigd in buitenlandse belastingplicht (artikel 3.130, derde lid, Wet IB 2001). Deze regeling houdt in dat premies voor lijfrenten of inleg voor een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht, die in de buitenlandse periode in dat kalenderjaar of binnen zes maanden daarna zijn betaald of verrekend, naar keuze zijn aan te merken als premies of inleg die zijn betaald of verrekend in de binnenlandse periode (artikel 3.130, tweede lid, Wet IB 2001).
9. Schending van de voorwaarden; sancties
Na het overlijden van de verzekerde persoon van wiens leven het ingaan van een nabestaandenlijfrente afhankelijk is, komt het lijfrentekapitaal bij een verzekering toe aan degenen die in de polis zijn genoemd als de begunstigden bij overlijden. Als sprake is van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht komt bij overlijden het tegoed toe aan de erfgenamen van de overledene.
Als gevolg van deze civielrechtelijke gerechtigdheid komt het vaak voor dat het lijfrentekapitaal toekomt aan meer dan een begunstigde respectievelijk erfgenaam. Van het lijfrentekapitaal moeten dan even zovele nabestaandenlijfrenten worden afgesloten. In de praktijk is onduidelijk op welke wijze de grens die geldt voor zogenoemde kleine afkopen (artikel 3.126a, vijfde lid, en artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001) in dergelijke situaties moet worden toegepast als een of meer gerechtigden de nabestaandenlijfrente onmiddellijk willen afkopen.
Aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht als uitgave voor inkomensvoorzieningen vindt plaats onder strikte voorwaarden. Schending van die voorwaarden heeft tot gevolg dat bepaalde sancties intreden (artikel 3.133 Wet IB 2001). Bij verboden handelingen worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economische verkeer van het desbetreffende recht of tegoed (artikel 3.137 Wet IB 2001). Er is geen sprake van schending van voorwaarden:
9.1.6. Toedeling nabestaandenlijfrenten
In de praktijk komt het voor dat er een relatief klein bedrag aan lijfrentekapitaal of tegoed op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht toekomt aan meerdere begunstigden of erfgenamen. Desgewenst mag het kapitaal of tegoed aan een of meer begunstigde(n) of erfgena(a)m(en) worden toegerekend als alle gerechtigden daarmee instemmen. Voorwaarde hierbij is dat de betreffende begunstigde of erfgenaam in Nederland woonachtig is. Onder een ‘klein bedrag’ kan in dit verband worden verstaan de situatie als beschreven in paragraaf 9.1.5 waarin per gerechtigde de regeling voor afkoop van een kleine lijfrente van toepassing kan zijn.
9.1.7. Toedeling bloot eigendom aan vruchtgebruiker
Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR (de hardheidsclausule) aansluitend op het per 1 januari 2016 ingevoerde artikel 3.137, eerste lid, derde volzin, Wet IB 2001 het volgende goed.
Ik keur goed dat de minimumwaarderingsregel niet van toepassing is bij afkoop van een lijfrente of andere aanspraak op periodieke uitkeringen. Als de definitieve aanslag over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen zoals opgenomen in artikel 9.6 Wet IB 2001 met dien verstande dat artikel 45aa, onderdeel c, URIB geen toepassing vindt. Dit betekent dat de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering op basis van dit besluit kan doen als er minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
9.1.3. Premievakantie bij gemengde lijfrente; gevolgen
9.2.1. Inleiding
Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat als een belastingplichtige een lijfrente in verband met langdurige arbeidsongeschiktheid tot een hoger bedrag afkoopt dan het wettelijk toegestane maximum als bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel c, Wet IB 2001, alleen het bedrag dat hoger is dan dit maximumbedrag wordt aangemerkt als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Het maximumbedrag zelf wordt als een (reguliere) termijn van lijfrente aangemerkt en als zodanig in de heffing betrokken. Dit houdt in dat de belastingplichtige alleen over het hogere bedrag revisierente verschuldigd wordt.
9.2.2. Gevolgen verbetering pensioenvoorziening
Omdat het hier gaat om een onttrekking aan een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor een beperkte aftrek van premie bestaat (begrensd door jaar- en reserveringsruimte) ten gunste van een in box 1 beclaimde aanspraak waarvoor onbeperkt premieaftrek bestaat (recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid), acht ik dit gevolg ongewenst. Daarom keur ik op grond van artikel 63 AWR het volgende goed.
Ik keur goed dat in de situatie waarbij premie voor een recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid wordt onttrokken aan het lijfrentekapitaal artikel 3.134, eerste lid, Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het tweede recht (de overblijvende lijfrenteverzekering) wordt beschouwd als een voortzetting is van het eerste recht (de lijfrenteverzekering met daarin het recht op periodieke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid meeverzekerd). In deze situatie is geen sprake van gedeeltelijke afkoop.
9.2.1. Inleiding
Aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht is onder meer mogelijk als sprake is van een pensioentekort (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Het is mogelijk dat het bestaande pensioentekort in de pensioensfeer wordt gerepareerd, nadat de betaalde lijfrentepremie of de inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht al in aftrek op het inkomen is gebracht. In die situatie worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001). Ook is revisierente verschuldigd (artikel 30i AWR). Hierna ga ik in op een aantal specifieke situaties van pensioenverbetering.
Na het overlijden van de verzekerde persoon van wiens leven het ingaan van een nabestaandenlijfrente afhankelijk is, komt het lijfrentekapitaal bij een verzekering toe aan degenen die in de polis zijn genoemd als de begunstigden bij overlijden. Als sprake is van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht komt bij overlijden het tegoed toe aan de erfgenamen van de overledene.
Als gevolg van deze civielrechtelijke gerechtigdheid komt het vaak voor dat het lijfrentekapitaal toekomt aan meer dan een begunstigde respectievelijk erfgenaam. Van het lijfrentekapitaal moeten dan even zovele nabestaandenlijfrenten worden afgesloten. In de praktijk is onduidelijk op welke wijze de grens die geldt voor zogenoemde kleine afkopen (artikel 3.126a, vijfde lid, en artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001) in dergelijke situaties moet worden toegepast als een of meer gerechtigden de nabestaandenlijfrente onmiddellijk willen afkopen.
9.3. Echtscheiding
9.1.6. Toedeling nabestaandenlijfrenten
In de praktijk komt het voor dat er een relatief klein bedrag aan lijfrentekapitaal of tegoed op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht toekomt aan meerdere begunstigden of erfgenamen. Desgewenst mag het kapitaal of tegoed aan een of meer begunstigde(n) of erfgena(a)m(en) worden toegerekend als alle gerechtigden daarmee instemmen. Voorwaarde hierbij is dat de betreffende begunstigde of erfgenaam in Nederland woonachtig is. Onder een ‘klein bedrag’ kan in dit verband worden verstaan de situatie als beschreven in paragraaf 9.1.5 waarin per gerechtigde de regeling voor afkoop van een kleine lijfrente van toepassing kan zijn.
Het terugnemen van lijfrentepremieaftrek door pensioenverbetering ziet uitsluitend op premies die in de jaren 2001 en volgende in aftrek zijn gebracht (artikel 3.127, eerste en tweede lid, Wet IB 2001). Dit betekent dat op premieaftrek die heeft plaatsgevonden onder de Wet IB 1964 bij pensioenverbetering niet wordt teruggekomen.
Bij overlijden moet het tegoed van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht worden aangewend voor een nabestaandenlijfrente door degenen die volgens het erfrecht gerechtigd zijn tot het tegoed. In de praktijk komt het veel voor dat de overblijvende partner van de overledene op grond van testament, het recht van vruchtgebruik of een daarmee overeenkomend recht op de nalatenschap verkrijgt. En daarmee ook op de ingaande nabestaandenlijfrente. Aan de overige gerechtigden komt dan de bloot eigendom van de nabestaandenlijfrente toe. In veel gevallen houdt dit in dat de nabestaandenlijfrente volledig wordt genoten door de vruchtgebruiker en dat aan de bloot eigenaren niets toekomt.
In de praktijk bestaat er behoefte aan om na het overlijden het tegoed van de lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht volledig te kunnen toerekenen aan de overblijvende partner. Deze verkrijgt dan de volle eigendom van de nabestaandenlijfrente. Desgewenst is deze toerekening zonder fiscale gevolgen mogelijk mits de bloot eigenaren hiermee instemmen.
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden. Beide (ex-) echtgenoten moeten een gezamenlijk verzoek doen aan de verzekeraar, bank of beheerder om de lijfrenteovereenkomst te wijzigen. In het verzoek aan de verzekeraar, bank of beheerder moeten zij opnemen dat zij – met overeenkomstige toepassing van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 – de lijfrente willen toerekenen dan wel splitsen. Ze moeten ook omschrijven wat de aard van de gezamenlijke gerechtigheid of de aard van de verrekeningsverplichting is. De verzekeraar, bank of beheerder kan dan gevolg geven aan dit verzoek zonder dat hij rekening hoeft te houden met het verschuldigd worden van belasting over negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en revisierente.
Als een belastingplichtige langdurig arbeidsongeschikt is, kan hij zijn lijfrente onder voorwaarden (gedeeltelijk) afkopen zonder dat revisierente is verschuldigd. Eén van deze voorwaarden is dat het afkoopbedrag niet hoger is dan het wettelijk toegestane maximum als bedoeld in artikel 3.133, negende lid, onderdeel c, Wet IB 2001. Als een belastingplichtige dit maximum overschrijdt, is hij revisierente verschuldigd over het gehele afkoopbedrag. De achtergrond van deze bepaling is dat de belastingplichtige zijn lijfrente tot het wettelijk toegestane maximum kan gebruiken als inkomensvervanging in de periode dat hij langdurig arbeidsongeschikt is. Een belastingplichtige kan door zijn arbeidsongeschiktheid namelijk te maken krijgen met een achteruitgang van zijn inkomsten. Om toch inkomsten te hebben, kan hij hiervoor (een deel van) zijn lijfrente voortijdig afkopen. Als hij echter een hoger bedrag dan het wettelijk maximum afkoopt, heeft dit een averechts effect. Naast inkomstenbelasting is hij in dat geval revisierente verschuldigd over het gehele afkoopbedrag. Dat vind ik in de hiervoor beschreven situatie ongewenst. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen.
9.3.2. Afkoop alimentatie door betaling van een lijfrentepremie; betaling vóór echtscheiding
Als de definitieve aanslag over het jaar waarin de afkoop heeft plaatsgevonden onherroepelijk vaststaat, gelden de bijzondere regels voor ambtshalve vermindering zoals opgenomen in artikel 9.6 van de Wet IB 2001 met dien verstande dat artikel 45aa, onderdeel c, van de URIB geen toepassing vindt. Dit betekent dat de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering op basis van dit besluit kan doen als er minder dan vijf jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.
Voor deze goedkeuring geldt de voorwaarde dat voor het afkoopbedrag ter grootte van het maximumbedrag aan de overige eisen van artikel 3.133, negende lid, Wet IB 2001 moet zijn voldaan.
9.2. Gevolgen verbetering pensioenrechten
Als in een voorkomend geval de verzekeraar, bank of beheerder aansprakelijk wordt gesteld (artikel 44a Invorderingswet 1990), kan hij die aansprakelijkheid afweren door overlegging van het verzoek.
Aftrek van lijfrentepremie of inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht is onder meer mogelijk als sprake is van een pensioentekort (artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001). Het is mogelijk dat het bestaande pensioentekort in de pensioensfeer wordt gerepareerd, nadat de betaalde lijfrentepremie of de inleg op een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht al in aftrek op het inkomen is gebracht. In die situatie worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen (artikel 3.133, tweede lid, onderdeel k, Wet IB 2001). Ook is revisierente verschuldigd (artikel 30i AWR). Hierna ga ik in op een aantal specifieke situaties van pensioenverbetering.
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente die hij voldoet aan een verzekeraar behoort tot de onderhoudsverplichtingen (artikel 6.5 Wet IB 2001). De premie is aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek.
9.3.4. Afkoop van alimentatieverplichting in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
Van oneigenlijk gebruik is wel sprake bij een louter individuele verbetering waarvoor een collectieve regeling de mogelijkheid biedt. In dat geval worden wel negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.
Als een lijfrente een korte periode loopt of als het gaat om een jonge alimentatiegerechtigde, bestaat de kans dat niet in alle gevallen wordt voldaan aan de onzekerheidseis (de 1% sterftekans; zie onderdeel 2.1.2). Ik vind het maatschappelijk ongewenst dat in dergelijke situaties voor de afkoopsom geen recht zou bestaan op persoonsgebonden aftrek (artikel 6.5 Wet IB 2001). Ik keur daarom op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule) het volgende goed.
Als er sprake is van een pensioentekort kan de belastingplichtige betaalde lijfrentepremies van het inkomen aftrekken (jaarruimte en reserveringsruimte; artikel 3.127, eerste en tweede lid, Wet IB 2001). In de jaren vóór 2001 was een vergelijkbare aanvullende premieaftrek mogelijk wegens een pensioentekort (artikel 45a, tweede en derde lid, Wet IB 1964). Hierna ga ik in op de gevolgen van pensioenverbetering die betrekking heeft op jaren vóór 2001.
Het terugnemen van lijfrentepremieaftrek door pensioenverbetering ziet uitsluitend op premies die in de jaren 2001 en volgende in aftrek zijn gebracht (artikel 3.127, eerste en tweede lid, Wet IB 2001). Dit betekent dat op premieaftrek die heeft plaatsgevonden onder de Wet IB 1964 bij pensioenverbetering niet wordt teruggekomen.
9.3.4. Afkoop van alimentatieverplichting in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van de voorwaarden voor deze fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een verzekeringsmaatschappij betaalt. Dit is bepaald in artikel 6.5 Wet IB 2001.
In de uitvoeringspraktijk bestaat de wens om in deze situatie de fiscale faciliteit ook van toepassing te laten zijn als de belastingplichtige de lijfrente in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht bij een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten afsluit. Hoewel de regeling zich er naar mijn oordeel voor leent om het product ook in de vorm van een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht af te sluiten, biedt de wet hiervoor geen mogelijkheid. Daarom keur ik vooruitlopend op een mogelijke wetswijziging het volgende goed. Daarbij maak ik wel het voorbehoud dat wanneer het parlement niet akkoord zou gaan met een desbetreffende wetswijziging, deze goedkeuring weer komt te vervallen, onder eerbiediging van de tussentijds afgesloten contracten.
Bij de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding of bij scheiding van tafel en bed kan een lijfrente fiscaal geruisloos – geheel of gedeeltelijk – worden vervreemd aan de andere (ex-)echtgenoot of zodanig worden gewijzigd dat de uitkeringen uit de lijfrente de andere (ex-) echtgenoot toekomen (artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001). Als echter geen gemeenschap van goederen bestaat, kan het ook gewenst zijn dat een lijfrente geheel of gedeeltelijk toekomt aan de andere echtgenoot. Bijvoorbeeld in de situatie waarin de echtgenoot op grond van een rechterlijke uitspraak de verplichting krijgt opgelegd om de waarde van een lijfrente te verrekenen, of wanneer de waarde van een lijfrente moet worden verrekend op grond van een contractueel verrekenbeding of een ander beding.
Dergelijke handelingen kunnen op grond van de letterlijke wettekst niet fiscaal geruisloos plaatsvinden. Dat kan uitsluitend in het kader van de verdeling van een gemeenschap bij echtscheiding en bij scheiding van tafel en bed. Als er geen gemeenschap van goederen is, moeten negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen (artikel 3.133 Wet IB 2001).
9.4. Tijdstip beoordelen hoogte overbruggingslijfrente en tijdelijke oudedagslijfrente
9.3.5. Verrekening van pensioenrechten in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende voorwaarden. Beide (ex-) echtgenoten moeten een gezamenlijk verzoek doen aan de verzekeraar, bank of beheerder om de lijfrenteovereenkomst te wijzigen. In het verzoek aan de verzekeraar, bank of beheerder moeten zij opnemen dat zij – met overeenkomstige toepassing van artikel 3.134, tweede lid, Wet IB 2001 – de lijfrente willen toerekenen dan wel splitsen. Ze moeten ook omschrijven wat de aard van de gezamenlijke gerechtigheid of de aard van de verrekeningsverplichting is. De verzekeraar, bank of beheerder kan dan gevolg geven aan dit verzoek zonder dat hij rekening hoeft te houden met het verschuldigd worden van belasting over negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en revisierente.
Als in een voorkomend geval de verzekeraar, bank of beheerder aansprakelijk wordt gesteld (artikel 44a Invorderingswet 1990), kan hij die aansprakelijkheid afweren door overlegging van het verzoek.
9.3.2. Afkoop alimentatie door betaling van een lijfrentepremie; betaling vóór echtscheiding
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente die hij voldoet aan een verzekeraar behoort tot de onderhoudsverplichtingen (artikel 6.5 Wet IB 2001). De premie is aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek.
Het komt voor dat de lijfrentepremie aan de verzekeraar wordt betaald vóórdat de echtscheiding formeel tot stand is gekomen. De betaling van de lijfrentepremie voordat de echtscheiding formeel tot stand is gekomen, verhindert de aftrek niet. Hierbij gelden de volgende voorwaarden. Het moet vaststaan dat de lijfrentetermijnen die voortvloeien uit de betaalde koopsom zullen toekomen aan de gewezen echtgenoot. Op het tijdstip van indiening van de aangifte van de betalende (ex-)echtgenoot moet de echtscheiding daadwerkelijk tot stand zijn gekomen.
Bij de omzetting in een overbruggingslijfrente is ook van belang of de omgezette aanspraak voortvloeit uit premies die vóór 1 januari 2006 zijn afgetrokken (artikel 10a.1, eerste lid, Wet IB 2001). Als er na 31 december 2005 nog premies zijn betaald die niet naar 2005 zijn teruggewenteld, kan slechts een overbruggingslijfrente worden bedongen tot het bedrag van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak op 31 december 2005 (artikel 10a.1, derde lid, Wet IB 2001) (zie onderdeel 4.5.3).
9.5. Uiterste ingangsdatum (tijdelijke) oudedagslijfrente onder Brede Herwaardering gesloten
Ik keur goed dat in die situaties de beoordeling van de kans op overlijden van de gerechtigde achterwege kan blijven.
Ik stel hierbij de voorwaarde dat belanghebbenden desgevraagd een verklaring kunnen overleggen waaruit blijkt dat de alimentatiegerechtigde ermee akkoord gaat dat sprake is van een lijfrente als bedoeld in artikel 6.5 Wet IB 2001.
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat de hoogte van de termijnen van de overbruggingslijfrente en van de tijdelijke oudedagslijfrente aan het wettelijk jaarmaximum wordt getoetst op het tijdstip waarop deze lijfrenten door de omzetting (als bedoeld in artikel 3.134 Wet IB 2001) voor het eerst als zodanig worden verzekerd. Het is dus niet vereist om alsnog op basis van het meestal ver in het verleden liggende tijdstip van premiebetaling een complexe berekening te maken als was destijds al een overbruggingslijfrente of tijdelijke oudedagslijfrente verzekerd.
Een belastingplichtige kan zijn alimentatieverplichting afkopen door met de afkoopsom een lijfrente aan te kopen voor zijn voormalige echtgenoot. De premie voor deze lijfrente behoort onder voorwaarden tot de uitgaven voor een onderhoudsverplichting die fiscaal aftrekbaar zijn als een persoonsgebonden aftrek. Eén van de voorwaarden voor deze fiscale faciliteit is dat de belastingplichtige de lijfrentepremie aan een verzekeringsmaatschappij betaalt. Dit is bepaald in artikel 6.5 Wet IB 2001.
10. Ingetrokken regeling
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de afkoopsom voor een alimentatieverplichting aan de gewezen echtgenoot die een belastingplichtige betaalt in de vorm van het overmaken van een bedrag naar een lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht aan een bank, een beleggingsonderneming, een beheerder van een beleggingsinstelling of een instelling voor collectieve belegging in effecten als bedoeld in artikel 3.126a, tweede lid, Wet IB 2001, als onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, Wet IB 2001 wordt aangemerkt.
11. Inwerkingtreding
Artikel 6.5, derde en vierde lid, Wet IB 2001 zijn van overeenkomstige toepassing.
9.3.5. Verrekening van pensioenrechten in de vorm van een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)