Leidraad FATCA/CRS met technische toelichting bij de NL IGA en de CRS-regelgeving

Type Beleidsregel
Publication 2021-08-31
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Inleiding

Inleiding

1. CRS

Sectie II. Algemene due diligence-bepalingen

Sectie III. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van natuurlijke personen

1.1. Lijst van begrippen en afkortingen

2. Wet- en regelgeving CRS

1.22. Gebruik van SBI-codes

De CRS en het CRS-commentaar bieden op verschillende onderdelen opties voor landen om voor een bepaalde uitleg of toepassing te kiezen. De Richtlijn heeft invulling gegeven aan een groot deel van deze opties. De Richtlijn heeft niet alle opties overgenomen die de CRS biedt, desalniettemin is (voor de EU-lidstaten) de tekst van de Richtlijn leidend, ook in relatie tot niet-EU-landen. Maar, teneinde te garanderen dat EU-lidstaten de Richtlijn in heel de EU consequent toepassen, moeten de lidstaten bij het implementeren uitgaan van het door de OESO ontwikkelde CRS commentaar op de rapportagestandaard. Deze kunnen zij ter illustratie of interpretatie gebruiken. De EU moet in haar optreden in dit verband met name rekening houden met toekomstige ontwikkelingen op OESO-niveau (zie overweging 13 Richtlijn). Over de CRS is nadere informatie te vinden op de website van de OESO, van het OESO-commentaar op zowel de CRS als de Model CAA, een handboek en de FAQ’s, die de OESO periodiek publiceert op de Automatic Exchange Portal2Zie http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf. In de FAQ’s wordt interpretatie of uitleg van de CRS en OESO-commentaar gegeven ter toelichting en verduidelijking van (de bedoeling van) van de CRS en het commentaar. De onderwerpen die behandeld worden als FAQ komen in het algemeen niet terug in deze leidraad.

(Sectie V.D.2.a en VI.2.a van de CRS en onderdeel IV.D.4.b van Bijlage 1 NL IGA)

1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)

In de NL IGA zijn Nederland en de VS overeengekomen dat de Belastingdienst en de IRS op wederkerige basis inlichtingen over Amerikaanse respectievelijk Nederlandse belastingplichtigen rapporteren. De WIB en de Belastingwet BES bevatten bepalingen die strekken tot uitvoering van onder meer verdragen tot het verlenen van wederzijdse bijstand bij de heffing van belastingen. Beide wetten bevatten een delegatiegrondslag die het mogelijk maakt om in lagere regelgeving administratieplichtigen aan te wijzen die nader aan te wijzen gegevens en inlichtingen aan de Belastingdienst moeten verstrekken. Om de gegevensuitwisseling op grond van de NL IGA mogelijk te maken, worden in het UB WIB) en het UB Belastingwet BES, de Nederlandse FI’s die worden omschreven in de NL IGA aangewezen als administratieplichtigen.

In het CAA tussen de VS en Nederland is een aantal praktische afspraken vastgelegd ter uitvoering van de NL IGA. De eerste automatische informatie-uitwisseling op basis van de NL IGA heeft plaatsgevonden in 2015 met betrekking tot gegevens over het belastingjaar 2014.

1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO) als actieve NFE

Een NPO die voldoet aan alle voorwaarden van CRS Sectie VIII.D.9.h. is een Actieve NFE en niet een FI ook al wordt haar vermogen door een FI beheerd.

Hoewel de OESO de CRS voorzien heeft van een uitgebreid commentaar4CRS-commentaar; zie: http://www.oecd-ilibrary.org/taxation/standard-for-automatic-exchange-of-financial-account-information-in-tax-matters/commentaries-on-the-common-reporting-standard_9789264216525-7 en de CRS en het UB CRS voorzien zijn van een uitgebreide toelichting, zijn er in de praktijk toch vragen gerezen over de (implementatie van de) CRS. Deze leidraad gaat in op die vragen.

Deze gecombineerde leidraad volgt in de hoofdstukken 1 en 2 de opbouw van de CRS, waarbij meteen de corresponderende NL IGA-toepassing wordt besproken. Onderwerpen die uitsluitend voor de CRS van belang zijn, worden ook behandeld in dit hoofdstuk. In het tweede hoofdstuk komen die onderwerpen aan de orde die alleen relevant zijn voor de NL IGA en zich in een CRS-context niet kunnen voordoen. In dit hoofdstuk wordt de volgorde van de NL IGA gehanteerd.

Sectie VI. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van entiteiten

Hoofdstuk 1. Verduidelijkingen voor de CRS en de NL IGA aanvullend op het CRS-commentaar

Sectie I. Algemene rapportageverplichtingen

1.1. Saldo van opgeheven rekening tijdens het jaar

In de NL IGA is bepaald dat voor rekeningen die worden opgeheven tijdens het kalenderjaar de FI het saldo van de rekening onmiddellijk vóór de opheffing dient te rapporteren in de reguliere jaarrapportage. Dit saldo dient gesteld te worden op het laatste saldo niet zijnde nihil, tenzij in het voorgaande jaar het saldo nihil was. Voor de CRS kan op grond van Sectie I.A.4 CRS worden volstaan met het rapporteren dat de rekening is opgeheven.

(Sectie I.A.4 CRS en artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 4, NL IGA.)

Een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank moet in Nederland aan de rapportageverplichtingen voldoen. De Belastingdienst zal voor een FI bepalen waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt (artikel 4 AWR). Zij kan daarbij betekenis toekennen aan onder andere de volgende omstandigheden:

FI’s kunnen ervoor kiezen voor alle bestaande entiteitsrekeningen tezamen of voor elke duidelijk omschreven groep van op 31 december 2015 bestaande entiteitsrekeningen, de identificatie op basis van het eerste lid achterwege te laten. Het moet daarbij gaan om rekeningen die op 31 december 2015 niet meer bedragen dan 250.000 USD. Voor rekeningen van natuurlijke personen kent de CRS geen ondergrens.

(Artikel 6, tweede lid, UB CRS.)

Andere jurisdicties kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding hanteren, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI.

Een FI moet ter zake van een bewaarrekening en een depositorekening het totale brutobedrag aan rente rapporteren dat is gestort of bijgeschreven op de rekening gedurende het kalenderjaar of een andere relevante periode waarover gerapporteerd moet worden. Het rentebegrip sluit aan bij het rentebegrip in de Nederlandse belastingwetgeving. Onder de CRS en de NL IGA gelden dus geen andere rentedefinities dan door de Belastingdienst worden gehanteerd.

(Sectie I.A.5.a CRS, artikel 3bis, een na laatste alinea RL2011/16 EU en artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 5 en 6, NL IGA.)

(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)

1.30. Verzekeringsmaatschappij

1.5. Enkele handvatten voor het bepalen van de bruto-opbrengst van een financieel actief (of derivaat) zijn:

1.6. Bruto-opbrengst bij futures

1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’

1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE

Sectie II. Algemene due diligence-bepalingen

1.7. Externe dienstverleners (serviceproviders)

1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt

1.38. Aandeelhouders uit één familie

De CRS vereist niet dat de externe dienstverlener in dezelfde jurisdictie gevestigd is als de FI of goedkeuring verkrijgt van die jurisdictie om als zodanig op te treden.

FI’s kunnen de aanlevering van gegevens laten verzorgen door derden maar ook dan blijven zij zelf verantwoordelijk voor een juiste, tijdige en volledige aanlevering van de gegevens.

1.39. Beleggingsinstellingen

1.8. Gevolgen als een externe dienstverlener geen self certification opvraagt

1.41. ‘Qualified credit card issuers’

1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)

1.9. Waardering van verzekeringspolissen met een geldswaarde

1.44. Bestaande rekeninghouder met nieuwe rekening

1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten

1.46. Uitzonderingen op het begrip ‘financiële rekening’ (‘Financial Account’; Excluded Account’)

1.10. Klantidentificatie bij meer (sub)fondsen

1.48. Overleden UBO

1.49. Erkende effectenbeurs

Sectie III. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van natuurlijke personen

1.11. Residence Address-test

FI’s kunnen de zogenaamde ‘residence address-test’ toepassen op bestaande lagewaarderekeningen van individuele personen. Overheden kunnen aan hun FI’s de keuze laten om óf de ‘residence address-test’ (van Sectie III.B.1) te hanteren óf de ‘indicia-test’ (van Sectie III.B.2), of om enkel toe te staan dat de ‘indicia-test’ wordt toegepast. De CRS voorziet in de eerste optie die inhoudt dat FI’s ervoor kunnen kiezen om de residence-address-test of de indicia-test toe te passen (artikel 4, eerste lid, UB CRS). Daarnaast biedt het CRS-commentaar de mogelijkheid aan overheden om hun FI’s de keuze te bieden om van de ‘residence address-test’ gebruik te maken voor alle lagewaarderekeningen of voor een duidelijk omschreven groep van zulke lagewaarderekeningen, zoals de branch of de plaats waar de rekening wordt aangehouden. Een en ander naar keuze van de FI’s.

(Sectie III.B.1 e CRS en het CRS-commentaar op Sectie III.B, punt 5.)

Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.

Het huidige adres van een bestaande klant in de bestanden van de FI’s wordt gebaseerd op bewijsstukken. Het CRS-commentaar gaat in op de documenten die hieraan voldoen. Naast een ID-card, een paspoort, een rijbewijs, of een officieel recent document uitgegeven door een overheidsorgaan waarop het adres staat, volstaat ook een verklaring van de betreffende rekeninghouder van zijn huidige adres, op straffe van meineed (‘penalty of perjury’). De in het commentaar gehanteerde term ‘penalty of perjury’ kent Nederland niet. De OESO heeft aangegeven dat onder deze term ook wordt begrepen de situatie waarin de wetgeving van een land voorziet in een strafsanctie op het geven van een valse verklaring (FAQ 18 bij Secties II -VII). (CRS-commentaar op Sectie III.B, punt 10.)

1.13. Altijd bieden van tegenbewijsmogelijkheid aan de rekeninghouder

1.53. Nadere uitleg van het begrip ‘gelieerde entiteit’

1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn

1.55. ‘Securities Lending’

1.56. De insolvente rekeninghouder (natuurlijk persoon)

1.14. Geldigheidsduur van het ‘self certification’-formulier

1.58. Minderjarige rekeninghouder

1.59. Redelijke inspanning voor het verkrijgen van een TIN in kader CRS

Hoofdstuk 2. Uitsluitend FATCA-specifieke onderwerpen

Annex I

Annex II

1.15. Leeg veld in elektronische database

Artikel III. Inwerkingtreding

Artikel IV. Citeertitel

Dit besluit vervangt het besluit van 14 januari 2016, DGBel 2016/48, Stcrt. 2016, nr. 2236 , laatstelijk gewijzigd op 13 maart 2018, nr. 2018-0000032039, Stcrt. 2018, nr. 16183 . Het besluit van 14 januari 2016 wordt met dit besluit geactualiseerd en aangevuld met beleidsstandpunten zoals die waren opgenomen in het Vraag en antwoordbesluit CRS/FATCA van 13 maart 2018, nr. 2018-0000032038, Stcrt. 2018, nr. 16187 , waarmee dit besluit vervalt. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele antwoorden af te stemmen met de FAQ’s van de OESO. Tevens wordt ingegaan op de versoepelde aangifte bij opzegging van de Amerikaanse nationaliteit, gepubliceerd door de IRS in september 2019.

De OESO heeft in opdracht van de Ministers van Financiën van de G20 een wereldwijde standaard voor automatische uitwisseling van gegevens van financiële rekeningen ontwikkeld, die sterk lijkt op de standaard die is neergelegd in de Amerikaanse FATCA-wetgeving en de daarop gebaseerde verdragen, waaronder de NL IGA (Trb. 2014, nr. 128). Het gaat om de zogenoemde ‘Common Reporting Standard’ (hierna: CRS; ‘Standard for Automatic Exchange of Financial Account Information in Tax Matters’, OESO 2014). De CRS heeft ook in de Europese Unie navolging gekregen, hetgeen heeft geleid tot de totstandkoming van de richtlijn inzake inlichtingenuitwisseling (Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PbEU 2011, L 64), PbEU 2014, L 359, hierna: Richtlijn). Die Richtlijn voorziet in een uitbreiding van de al bestaande automatische uitwisseling van inlichtingen (op grond van Richtlijn 2011/16/EU) waardoor binnen de EU dezelfde inlichtingen automatisch moeten worden uitgewisseld als waarin is voorzien in de CRS.

Een kopgroep van 51 landen, de zogenoemde ‘early adopters-groep’, heeft op 29 oktober 2014 een ‘Multilateral Competent Authority Agreement on Automatic Exchange of Financial Account Information’ (MCAA) ondertekend, waarin zij verklaren uiterlijk vanaf september 2017 informatie met elkaar te gaan uitwisselen op basis van de CRS. Het merendeel van deze landen is EU-lidstaat. Het aantal landen dat de MCAA sindsdien heeft ondertekend is uitgegroeid tot circa 100 landen. De meest recente ontwikkelingen en de laatst toegetreden landen staan op de website van de OESO.1Zie http://www.oecd.org/tax/automatic-exchange/crs-implementation-and-assistance/crs-by-jurisdiction/

De Richtlijn en de door de OESO ontwikkelde CRS zijn op 1 januari 2016 in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de WIB en in de Belastingwet BES (Wet uitvoering CRS, Stb. 2015, 537). Daarmee zijn financiële instellingen verplicht vanaf 2017 te rapporteren over gegevens vanaf het belastingjaar 2016. De in bijlage I van de Richtlijn opgenomen identificatie- en rapportagevoorschriften voor rapporterende financiële instellingen met het oog op de automatische uitwisseling van inlichtingen op basis van de CRS zijn opgenomen in het UB CRS en in de Regeling aanwijzing rechtsgebieden Common Reporting Standard (Stcrt. 2015, nr. 47110). In het UB Belastingwet BES zijn de bepalingen uit het UB CRS van overeenkomstige toepassing verklaard. Ten slotte zijn in een beleidsbesluit de landen aangewezen die voor de toepassing van de doorkijkverplichting uit de CRS beschouwd kunnen worden als deelnemende rechtsgebieden (Stcrt. 2015, nr. 46495).

3. FATCA

Aan de ontwikkeling van de mondiale standaard, de CRS, is de FATCA voorafgegaan. De FATCA is een Amerikaanse wet die financiële instellingen (FI’s) wereldwijd verplicht jaarlijks te rapporteren aan de Amerikaanse belastingdienst, de IRS, over rekeningen die personen die belastingplichtig kunnen zijn in de VS aanhouden buiten de VS. De Amerikaanse fiscale wetgeving verplicht ‘Amerikaanse personen’ (‘U.S. Persons’), waar ter wereld zij ook wonen, belastingaangifte te doen in de VS. De FATCA moet bewerkstelligen dat dat ook daadwerkelijk gebeurt door die rapportageverplichting op te leggen aan de FI’s, ook aan alle FI’s buiten de VS. De extraterritoriale werking van de FATCA was voor de Nederlandse regering aanleiding om een verdrag, de NL IGA, te sluiten met de VS om die informatieverstrekking door FI’s van financiële gegevens tussen Nederland en de VS mogelijk en verplicht te maken. De NL IGA geldt ook voor de (FI’s op de) eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden).

In de NL IGA wordt verwezen naar de voorschriften van het Amerikaanse ministerie van Financiën, de Amerikaanse uitvoeringsregeling, hier Final Regulations genoemd (Zie U.S. Treasury Regulations §1.1471 – §1.1474 Incorporating Temporary & Final Regulations). In de Final Regulations zijn definities opgenomen die gunstiger kunnen zijn dan de definities in de NL IGA. Nederland kan bij de implementatie van de NL IGA gebruikmaken van deze definities in de Final Regulations en kan de Nederlandse FI’s het gebruik toestaan van die definities (artikel 4, zevende lid, NL IGA.) Aan deze mogelijkheid is uitwerking gegeven in artikel 21, derde lid, UB WIB en artikel 7b, derde lid, UB Belastingwet BES. Op de website van de IRS zijn FAQ’s opgenomen.3Zie: http://www.irs.gov/Businesses/Corporations/Frequently-Asked-Questions-FAQs-FATCA--Compliance-Legal

4. Leidraad FATCA/CRS

Let op:

1.2. Drempelbedrag

1.3. Verduidelijking van het begrip ‘rente’

1.4. Nadere uitleg van het begrip ‘bruto-opbrengsten’ in relatie tot clearingorganisaties (FI)

Het CRS-commentaar en de Final Regulations kennen een speciale regel voor een clearingorganisatie die aankopen en verkopen op netto basis uitvoert van bijvoorbeeld termijncontracten. In dat geval zijn de ‘totale bruto-opbrengsten’ van de verkoop, terugbetaling of afkoop van vermogensbestanddelen beperkt tot de nettobedragen, betaald of bijgeschreven op een rekening op grond van de settlement-procedures van clearingorganisaties. Op grond van het vorenstaande mogen clearingorganisaties voor het begrip ‘totale bruto-opbrengsten’ ‘nettobedragen’ hanteren. Wat het begrip vermogensbestanddelen inhoudt, is niet uitputtend aan te geven. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar het CRS-commentaar (Sectie I.A.5.b CRS, het CRS-commentaar op Sectie I.A, punt 18 en artikel 2, tweede lid, onderdeel a, onder 5.B, NL IGA en §1.1473-1(a)(3)(i)C Final Regulations).

Een future is een bijzonder financieel actief (of financieel derivaat). Futures worden in de regel dagelijks afgerekend. Deze afrekening noemt men een bijstelling. Bij een future wordt voor FATCA en CRS de bruto-opbrengst bij verkoop of afloop berekend door alle dagelijkse bijstellingen te totaliseren. Positieve en negatieve bijstellingen mogen worden gesaldeerd. Is het totale saldo van de bijstellingen negatief dan is er geen bruto-opbrengst in de zin van FATCA en CRS en hoeft er niet te worden gerapporteerd.

Een negatieve uitkomst bij verkoop of afloop van een future is géén bruto-opbrengst in de zin van FATCA en CRS. Dit bedrag mag dan ook niet als negatieve post worden meegenomen in de berekening van het in een jaar totaal aan bruto-opbrengsten te rapporteren bedrag. Indien bijvoorbeeld in een jaar op een rekening drie futures zijn verkocht of afgelopen, waarvan het totaal van de bijstellingen resp. +/+300, -/-200 en +/+200 bedraagt, dan is het totaalbedrag aan bruto-opbrengst inzake futures dat over dat jaar moet worden gerapporteerd een bedrag van 300 + 200 = 500.

Het is toegestaan dat FI’s gebruik kunnen maken van externe dienstverleners om te voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in de CRS of in de NL IGA. FI’s blijven echter verantwoordelijk voor deze verplichtingen (Sectie II.D van de CRS en artikel 5, derde lid, NL IGA). (Zie ook het CRS-commentaar op Sectie II, paragraaf D, punten 6 en 7 en Sectie IV, punten 19 en 20.)

Verzekeringsmaatschappijen kunnen dus vertrouwen op de klantidentificatie volgens de in Bijlage I van de NL IGA genoemde procedures die door tussenpersonen worden gedaan, maar blijven wel zelf verantwoordelijk daarvoor. Een werkgever meldt een nieuwe deelnemer in een netto pensioenregeling aan bij een pensioenuitvoerder en niet de deelnemer zelf. In dit geval kan de werkgever beschouwd worden als de tussenpersoon waarbij de pensioenuitvoerder mag vertrouwen op de klantidentificatie. De werkgever/tussenpersoon mag het self certification-formulier doorgeven. De ondertekening van het formulier kan digitaal geschieden (zie ook hierna bij punt 1.18).

(Sectie II.D CRS, FAQ 16 en artikel 5, derde lid, NL IGA.)

In de praktijk is het mogelijk dat een externe dienstverlener aan wie een FI de klantidentificatie heeft uitbesteed, geen self certification-formulier heeft opgevraagd waar dat wel nodig is. Dit kan gebeuren omdat de FI daar niet de opdracht toe heeft gegeven of omdat deze externe dienstverlener de opdracht niet heeft uitgevoerd. Als sprake is van een bestaande rekening heeft de FI niet voldaan aan zijn verplichtingen voor de CRS en/of de NL IGA, tenzij de externe dienstverlener of de FI het self certification-formulier alsnog opvraagt. Als sprake is van een nieuwe rekening heeft de FI niet aan zijn verplichtingen voor de CRS en of de NL IGA voldaan, tenzij:

(Sectie II.D CRS en artikel 5, derde lid, NL IGA.)

Met inachtneming van de uitzondering opgenomen in onderdeel II.A.3 van Bijlage I NL IGA, die niet geldt voor de CRS, moet een FI over de waarde van verzekeringspolissen en niet-gefaciliteerde lijfrenten voor de CRS en voor de NL IGA rapporteren uiterlijk op de laatste dag van een kalenderjaar of van een andere relevante periode van rapportage. Hiervoor moet de waarde in het economische verkeer worden gehanteerd. In de handleiding Gegevensaanlevering van Verzekeringsproducten (geldend vanaf 1 januari 2017) wordt dit nader toegelicht.

Ten aanzien van overlijdensrisicoverzekeringen is aangegeven dat eenjarige overlijdensrisicoverzekeringen in dit kader geacht worden geen waarde hebben. Reguliere overlijdensrisicoverzekeringen hebben wel een waarde maar zijn vrijgesteld van rapportage wanneer deze verzekeringen alleen tot uitkering komen bij overlijden (zie Sectie VIII.C.8.a van de CRS). Dit geldt alleen voor zuivere, gescheiden verzekeringen. In de situatie waarin zowel een overlijdensdeel als ook een levensdeel is verzekerd (gemengde verzekeringen) is geen sprake meer van een uitkering die alleen bij overlijden tot uitkering komt. Dan moet de hele waarde worden gerapporteerd.

(Sectie II.B CRS en onderdeel I.B.3 van bijlage I NL IGA.)

Een beleggingsfonds kan bestaan uit meer sub fondsen (zelfstandige FI’s). Participanten kunnen aan een of meerdere sub fondsen deelnemen. Vermogensbeheerders maken vaak gebruik van eenzelfde derde partij, zoals de transfer agent, voor de identificatie van nieuwe klanten. Een dergelijke derde partij hoeft per klant slechts eenmaal het klantidentificatieproces te verrichten als die klant participeert in die sub fondsen die beheerd worden door dezelfde vermogensbeheerder. Bestaande klanten die participeren in het ene sub fonds en toetreden tot het andere sub fonds hoeven dan niet opnieuw het klantidentificatieproces te ondergaan (invullen van een self certification-formulier). Het bovenstaande is eveneens van toepassing op fondsen met eenzelfde vermogensbeheerder of waarvan de vermogensbeheerder de klantidentificatie heeft uitbesteed aan dezelfde derde partij.

(Sectie II tot en met VII CRS en onderdeel I.A van bijlage I NL IGA.)

1.12. Penalty of perjury

Als een FI ten aanzien van een bestaande lagewaarderekening van een natuurlijk persoon een of meer Amerikaanse en/of CRS-indicatoren vindt naar aanleiding van het elektronische onderzoek of als gevolg van gewijzigde omstandigheden, moet de FI de rekening behandelen als een (Amerikaanse) te rapporteren rekening. Dit is anders als de FI besluit om Sectie III.B.6 CRS dan wel onderdeel II.B.4 van Bijlage I NL IGA toe te passen en één van de daar genoemde uitzonderingen van toepassing is. Op grond van Sectie III.B.6 CRS is een FI dus niet altijd verplicht een rekeninghouder aan te merken als fiscaal inwoner van een deelnemend rechtsgebied waarvoor een indicator als bedoeld in onderdeel B.2, a tot en met e, wordt aangetroffen. Sectie III.B.6 CRS biedt een zogenaamde ‘curing procedure’. In het CRS-commentaar op Sectie III.B.6, wordt onder de punten 30 tot en met 32 op deze zogenoemde ‘curing procedure’ ingegaan. Ook in de Nota van toelichting bij het UB CRS wordt ingegaan op de ‘curing procedure’.

Een FI mag persoonsgegevens slechts verwerken voor zover zij, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt, toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn (artikel 5, lid 1 onderdeel c, AVG). Daarnaast moet de FI de nodige maatregelen treffen opdat persoonsgegevens juist en nauwkeurig zijn gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt. Ondanks dat Sectie III.B.4 CRS en onderdeel II.B.3 van Bijlage I NL IGA dat niet vereisen, kan van een FI worden verwacht dat deze altijd de procedure van Sectie III.B.6 van de CRS dan wel onderdeel II.B.4 van Bijlage I NL IGA toepast. Als sprake is van een of meer CRS- en/of Amerikaanse indicatoren, geeft de FI de rekeninghouder ten minste de gelegenheid om de in Sectie III.B.6 CRS en in onderdeel II.B.4 van Bijlage I NL IGA genoemde vormen van tegenbewijs te verschaffen. Het bovenstaande geldt ook ten aanzien van de Secties III.C.5.b. en III.C.8 CRS en de corresponderende onderdelen II.D.5.b en II.E.4 van Bijlage I NL IGA voor bestaande hogewaarderekeningen van natuurlijke personen, alsmede voor Sectie V.D.1.b CRS en voor onderdeel IV.D.1.b van Bijlage I NL IGA voor bestaande rekeningen van entiteiten waar een CRS- en/of Amerikaanse indicator is gevonden en de FI niet redelijkerwijze kan vaststellen dat de rekeninghouder geen te rapporteren persoon is op grond van informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is. Het bovenstaande is echter niet van toepassing op slapende rekeningen, omdat in dat geval bij voorbaat vaststaat dat de rekeninghouder niet reageert. Van een slapende rekening is sprake als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

(Sectie III.B.4 en Sectie III.B.6 CRS, en onderdeel II.B.3 van Bijlage I NL IGA.)

(Zie CRS-commentaar op Sectie III, Sub paragraaf B(1), punt 9.)

Voor de toepassing van de CRS-identificatie van een klant of een persoon die klant wil worden, is het voor de Nederlandse markt ontwikkelde ‘self certification’-formulier voor onbepaalde tijd geldig, zolang er geen gewijzigde omstandigheden zijn op grond waarvan een FI weet of aanleiding heeft om aan te nemen dat het oorspronkelijke ‘self certification’-formulier onjuist of onbetrouwbaar is.

(Zie het CRS-commentaar op Sectie IV, punt 12.)

Een relevante wijziging in de omstandigheden kan ertoe leiden dat

Bij iedere relevante wijziging van omstandigheden moet de FI de betrokken rekeninghouder een ‘self certification’-formulier toesturen om de (vermoede) nieuwe CRS- en/of FATCA-status te laten bevestigen, of om de huidige status te laten herbevestigen. Dit geldt zowel ten aanzien van natuurlijke personen als ten aanzien van entiteiten. In het UB CRS zijn deze verplichtingen opgenomen.

(Secties III.B.6, III.C.8, IV.C, V.E.3 en VI CRS.)

Als de FI een elektronisch systeem heeft waarin alle informatie is opgenomen die beschreven is in Sectie III.C.3 CRS of in onderdeel II.D.3 van Bijlage I NL IGA, dan is een onderzoek van de papieren dossiers niet vereist. Dit betekent dus dat de elektronische database van de FI over velden beschikt die de bedoelde informatie kunnen bevatten en waarin elektronisch gezocht kan worden. Indien op basis van het beleid en de procedures van de FI een leeg veld betekent dat de FI in zijn geheel niet over die informatie beschikt, hoeft de FI met betrekking tot dit gegeven geen verder onderzoek te doen naar de papieren dossiers.

(Zie ook het CRS-commentaar op Sectie I, subparagraaf C – F, punt 26 jo. Sectie III, subparagraaf C(2) en (3), punt 35. en Bijlage I.D.3 NL IGA)

1.16. Begrip ‘relatiemanager’

Het kan voorkomen dat verzekeringsmaatschappijen gebruikmaken van makelaars met wie zij contracten aangaan of die zij in dienst nemen om cliëntrelaties te onderhouden. Deze makelaars zijn niet werkzaam bij de entiteit die de verzekeringspolissen beheert, maar kunnen wel werkzaam zijn bij een gelieerde entiteit. Een dergelijke makelaar is niet aan te merken als een relatiemanager.

(Sectie III.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie III.C(4), punten 39 tot en met 42 en Bijlage II.D.4 NL IGA.)

1.17. Bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers

Als sprake is van een hogewaarderekening (met inbegrip van eventueel daarmee geaggregeerde rekeningen) die is ondergebracht bij de relatiemanager, moet naast het onderzoek van elektronische en papieren dossiers voor bestaande rekeningen van natuurlijke personen, ook de relatiemanager worden geraadpleegd. Als de relatiemanager beschikt over feitelijke kennis dat de rekeninghouder een te rapporteren (Amerikaanse) persoon is, dan is de hogewaarderekening (met inbegrip van daarmee geaggregeerde rekeningen) een te rapporteren rekening. Er geldt een bijzondere aggregatieregel voor relatiemanagers voor de vaststelling of een financiële rekening een hogewaarderekening is of niet. Deze regel houdt in dat de FI verplicht is om de saldi van financiële rekeningen samen te tellen als de relatiemanager weet of aanleiding heeft om te weten dat die rekeningen (in)direct in het bezit zijn van, of worden beheerd of zijn geopend door dezelfde persoon (anders dan als gevolmachtigde).

Het bovenstaande leidt ertoe dat de FI eerst de regel van onderdeel VI.C.3 van Bijlage I NL IGA moet toepassen voordat de regel van onderdeel II.D.4 van Bijlage I kan worden toegepast. Het gevolg is dat de FI de relatiemanager moet raadplegen als deze weet of aanleiding heeft om te weten dat een rekeninghouder bij een FI een bewaarrekening aanhoudt van USD 800.000 en een depositorekening van USD 400.000. Hetzelfde geldt voor de CRS, waarbij volgens het CRS-commentaar Sectie VII.C van de CRS moet worden toegepast vóór Sectie III.C.4 van de CRS.

Een relatiemanager is pas een relatiemanager in de zin van de CRS indien de rekening die hij beheert een (geaggregeerd) saldo heeft van meer dan USD 1.000.000. Indien nog niet vaststaat of een rekening een hogewaarderekening is, is de beheerder van die rekening dus geen relatiemanager. Er zou daarom geen gebruik gemaakt kunnen worden van zijn kennis om te beoordelen of de rekening een hogewaarderekening is. Door te bepalen dat de relatiemanager, bedoeld in Sectie VII.C.3, de medewerker is die voldoet aan de definitie van relatiemanager in het commentaar op Sectie III.C.4, met uitzondering van voorwaarde (ii) van punt 41, wordt dit dilemma opgelost.

(Sectie III.C.4 van de CRS, CRS-commentaar op Sectie III.C.4, punten 39 tot en met 41, Sectie VII.C, punt 16 en onderdeel VI.C.3 van Bijlage I van de NL IGA)

Als een FI geen gebruik maakt van relatiemanagers hoeft de FI de desbetreffende due diligenceregels niet uit te voeren.

Sectie IV. Due diligence-bepalingen ten aanzien van nieuwe rekeningen van natuurlijke personen

1.18. De self certification-formulieren (algemeen)

In het CRS-commentaar (Sectie IV, punt 7 tot en met 9) is aangegeven waaraan de self certification-formulieren (eigen verklaring formulieren) moeten voldoen om rechtsgeldig te zijn. In het Uitvoeringsbesluit identificatie- en rapportagevoorschriften CRS wordt (artikel 3 en in de bijbehorende Nota van toelichting) ingegaan op de self certification en de voorwaarden waaraan deze moet voldoen. Een FI moet een eigen verklaring van een rekeninghouder verkrijgen en bijhouden om vast te stellen dat de rekeninghouder geen staatsburger noch fiscaal inwoner van de VS is (onderdeel II.4.a.1 van Bijlage I NL IGA). Voor deze eigen verklaring kan de FI een IRS-formulier W-8 of een vergelijkbaar overeengekomen formulier gebruiken.

Voor Nederland heeft de Nederlandse Vereniging van Banken in nauw overleg met het Ministerie van Financiën verschillende self-certification-formulieren voor de CRS en de FATCA ontwikkeld. Deze formulieren zijn te verkrijgen via de bank van de rekeninghouder. Aangeraden wordt om deze formulieren te gebruiken, omdat zij in alle mogelijke situaties beogen te voorzien. Het is echter niet noodzakelijk dat voor een self certification dit formulier wordt aangehouden. Daarnaast kan de informatie ook worden opgevraagd met een online-formulier als onderdeel van de gegevens bij het openen van een rekening. Digitale ondertekening van de formulieren mag op de gebruikelijke werkwijze van de betreffende FI.

(CRS-commentaar Sectie IV, punten 7 tot en met 18, alsmede Sectie V, punten 14 tot en met 17 en 20 tot en met 23, en in het CRS-commentaar Sectie VI, punten 11 en 18 en onderdeel II.4.a.1 van Bijlage I NL IGA.)

1.19. Gevolgen als FI geen ingevuld self certification-formulier verkrijgt

Een FI moet bij de opening van een nieuwe rekening van een natuurlijk persoon een compleet ingevuld self certification-formulier van haar rekeninghouder verkrijgen. Hiermee kan de FI vaststellen of de rekeninghouder fiscaal inwoner is van een deelnemend rechtsgebied voor de CRS (en voor de NL IGA een staatsburger of fiscaal inwoner is van de VS) (Sectie IV.A CRS en onderdeel III.B van Bijlage 1 bij de NL IGA).

Uitsluitend in het geval validatie van een self certification-formulier een day-two procedure is, kan een nieuwe rekening geopend worden in afwachting van de uitkomst van de validatie. Hiervoor mag maximaal 90 dagen de tijd worden genomen. In een beperkt aantal gevallen is het echter als gevolg van de specifieke kenmerken van een bedrijfssector niet mogelijk een self certification-formulier te verkrijgen bij de opening van een rekening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overdracht van een verzekeringscontract of het verwerven van aandelen in een investeringsfonds op de secundaire markt. In dat geval moet het self certification-formulier zo snel mogelijk worden verkregen en gevalideerd en in ieder geval binnen een periode van 90 dagen. Indien geen geldig self certification-formulier is ontvangen, dient de rekening uiterlijk na 90 dagen te worden gesloten of onbruikbaar te worden gemaakt.

(Sectie IV.A van de CRS, FAQ 22 (sectie II-VII) en onderdeel III.B van Bijlage 1 NL IGA.)

1.20. Vereisten self certification-formulier en verificatie fiscale woonstaat

Ten aanzien van de nieuwe rekeningen van natuurlijke personen is een self certification-formulier alleen geldig als het getekend is door de rekeninghouder (zie ook laatste zin van 1.18), is gedagtekend en tenminste bevat: naam, adres, fiscale woonstaat, fiscaal identificatienummer en geboortedatum (CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7 en artikel 3 UB CRS). Aan de verplichting tot het opnemen van het adres wordt geacht te zijn voldaan als de FI bij het openen van de rekening reeds beschikt over de adresgegevens, die zij in het kader van de AML/KYC-regels heeft verkregen van de rekeninghouder.

Ten aanzien van de nieuwe rekeningen van natuurlijke personen is een self certification-formulier alleen geldig als het getekend is door de rekeninghouder (zie ook laatste zin van 1.18), is gedagtekend en tenminste bevat: naam, adres, fiscale woonstaat, fiscaal identificatienummer en geboortedatum (CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7 en artikel 3 UB CRS). Aan de verplichting tot het opnemen van het adres wordt geacht te zijn voldaan als de FI bij het openen van de rekening reeds beschikt over de adresgegevens, die zij in het kader van de AML/KYC-regels heeft verkregen van de rekeninghouder.

(CRS-commentaar op Sectie IV, punt 7.)

Financiële instellingen kunnen niet zonder meer afgaan op het door een klant ingevulde ‘fiscale woonstaat’ op een self certification-formulier. Indien de FI een self certification-formulier verkrijgt van de rekeninghouder, dient de FI de redelijkheid van de op de verklaring opgenomen fiscale woonstaat of -staten van de rekeninghouder te bevestigen op basis van de informatie die is verkregen in verband met de opening van een rekening of op een later moment, met inbegrip van alle stukken die zijn verzameld op grond van AML/KYC-procedures.

(CRS Sectie III. B.2.a, Sectie IV.A. en Sectie V. D.1.a. en Sectie VI. A.1.a).

Bij de afweging of in redelijkheid kan worden uitgegaan van de informatie op het self certification- formulier, of hiervan moet worden afgeweken of dat deze moet worden aangevuld, moet onder andere rekening worden gehouden met ingezetenschap als indicator, en de specifieke problematiek van grensarbeiders, buitenlandse studenten en asielzoekers.

De FI hoeft alleen op basis van al de haar beschikbare informatie in redelijkheid vast te stellen of en naar welke landen rekeninggegevens gerapporteerd moeten worden. Het is uiteindelijk aan de Belastingdienst om te bepalen wat iemands fiscale woonstaat daadwerkelijk is.

Ingezetenschap van een land is een belangrijke indicatie voor de fiscale woonstaat. Naast het ingezetenschap spelen daarbij ook de volgende aspecten een rol: waar verblijft het gezin, waar is de woning, waar staat de rekeninghouder ingeschreven in het bevolkingsregister, waar heeft de rekeninghouder lidmaatschappen e.d. Als voorts uit de informatie blijkt dat er bijvoorbeeld naast ingezetenschap in een ander land ook een adres is in Nederland, dan kan er sprake zijn van twee fiscale woonstaten. Het self certification-formulier biedt de mogelijkheid meer fiscale woonstaten op te geven.

Bij grensarbeiders is de woonplaats ook van groot belang. Grensarbeiders zijn ingezetenen van bijvoorbeeld Nederland die werken in België en tenminste een keer per week terugkeren naar het woonland. Waar een grensarbeider woont, wordt naar de feiten en omstandigheden beoordeeld. Aan de hand van de feiten en omstandigheden wordt het middelpunt van iemands leven en daarmee zijn woonplaats bepaald.7Artikel 4, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dat kan complex liggen. Bijvoorbeeld als iemand werkt in België en woont in Nederland. België heft alleen over het loon in België belasting en sociale verzekeringspremies. Als echter het middelpunt van het (gezins)leven in Nederland ligt, heeft de grensarbeider zijn fiscale woonplaats in Nederland. Zie ook: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/internationaal/vermogen/common_reporting_standard/regels

Bij buitenlandse studenten is het ingezetenschap ook een belangrijke indicatie voor de fiscale woonstaat. Daarnaast speelt de duurzaamheid van het verblijf in Nederland een rol. Bij een kortstondig verblijf in Nederland behoudt een buitenlandse student in het algemeen zijn fiscale woonplaats in het land van herkomst.

1.21. Gedeeld rekeningsysteem

Een FI mag vertrouwen op documentatie die een rekeninghouder heeft overgelegd bij een ander filiaal van dezelfde FI of bij een filiaal van een gelieerde entiteit binnen de groep als:

Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten

Sectie V. Due diligence-bepalingen ten aanzien van bestaande rekeningen van entiteiten

Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)

Voor de bepaling of een rekeninghouder een actieve of passieve NFE is moet een FI zich baseren op de self certification van de rekeninghouder om diens status vast te stellen, tenzij de FI informatie in haar bezit heeft of er publiek beschikbare informatie is op basis waarvan zij kan vaststellen dat de rekeninghouder een actieve NFE is of een FI anders dan een beleggingsinstelling beschreven in sectie VIII, onderdeel A, punt 6, onder b, die geen FI is in een deelnemend rechtsgebied. Volgens het CRS-commentaar kan voor de publiek beschikbare informatie geput worden uit het gestandaardiseerde industriecodesysteem. Voorbeelden die worden genoemd zijn de International Standard Industrial Classification (ISIC) van de Verenigde Naties, de statistische classificatie van de economische activiteiten in de Europese Unie (NACE), en het Noord-Amerikaanse Industry Classification System (NAICS). Hieronder kan zowel voor de NL IGA als voor de CRS worden verstaan de zogenaamde ‘StandaardBedrijfsIndeling’ (SBI) codes + aanvullende code. De SBI mag alleen gebruikt worden als er reeds geclassificeerd was in het kader van AML/KYC en er geen reden is hieraan te twijfelen. (Zie het CRS-commentaar op Sectie V, paragraaf D, punt 12 en Sectie VIII, paragraaf E(6), punt 154.)

1.23. Identificatie passieve of actieve NFE (‘presumption rule’)

Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.

Voor de identificatie van een rekeninghouder kan de FI – behalve op grond van de bij de FI zelf beschikbare informatie – ook op grond van publiekelijk beschikbare informatie vaststellen of sprake is van een FI of van een actieve NFE. Als dit op grond van de beschikbare informatie niet is vast te stellen, moet de FI aan de rekeninghouder een self certification-formulier toezenden. Als de rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek zijn self certification-formulier niet terugstuurt aan de FI, dan wordt de rekeninghouder geacht een passieve NFE te zijn. De FI moet dan de rekeninghouder als zodanig kwalificeren en de uiteindelijk belanghebbende(n) (UBO/‘Controlling Persons’) identificeren aan de hand van onderdeel IV.D.4.c.1 van Bijlage I NL IGA en de vereiste gegevens rapporteren als een uiteindelijk belanghebbende (UBO) een Amerikaanse persoon is. Hetzelfde geldt voor de CRS (op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, UB CRS en het CRS-commentaar op Sectie V.D(2), punten 20 en 24). Dat wil zeggen dat de FI de uiteindelijk belanghebbende(n) moet identificeren aan de hand van Sectie III.B.2 van de CRS. Voor de CRS is het mogelijk dat er indicatoren zijn naar meer dan één land. Als een rekeninghouder na herhaaldelijk verzoek geen self certification-formulier indient, rapporteert de FI de rekeninghouder en/of zijn uiteindelijk belanghebbenden naar de landen ten aanzien waarvan er indicatoren zijn.

1.24. Kwalificatie van non-profit organisatie (NPO)

Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.

Een Non Profit Organisatie (NPO) die voldoet aan alle voorwaarden van de definitie in Sectie VIII.D.9.h van de CRS en wier vermogen wordt beheerd door een FI, is niet een actieve NFE maar een ‘professionally managed investment entity’.

(Zie Sectie VIII.D.9.h CRS)

1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt

1.25. Gevolgen als een FI geen ingevuld self certification-formulier ontvangt

Uitsluitend in het geval validatie van een self certification-formulier een day-two procedure is kan een nieuwe rekening geopend worden in afwachting van de uitkomst van de validatie. Hiervoor mag maximaal 90 dagen de tijd worden genomen.

In een beperkt aantal gevallen is het als gevolg van de specifieke kenmerken van een bedrijfssector niet mogelijk een self certification-formulier te verkrijgen bij de opening van een rekening. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij overdracht van een verzekeringscontract of het verwerven van aandelen in een investeringsfonds op de secundaire markt. In dat geval moet het self certification-formulier zo snel mogelijk worden verkregen en gevalideerd en in ieder geval binnen een periode van 90 dagen. Indien geen geldig self certification-formulier is ontvangen, dient de rekening uiterlijk na 90 dagen te worden gesloten of onbruikbaar te worden gemaakt.

(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)

(Sectie VI.A.1.a CRS, FAQ22 van sectie II-VII en onderdeel V.B.3 van Bijlage 1 NL IGA.)

1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’

1.26. Uitleg van het begrip ‘aanleiding om aan te nemen dat’

(CRS-commentaar op Sectie VII, A.3 en onderdeel VI.A van Bijlage 1 NL IGA.)

In Sectie VII.C. van de CRS en onderdeel VI.C van Bijlage I van de NL IGA staan de voorschriften voor de aggregatie van saldi. Wat de NL IGA betreft: het kan voorkomen dat een rekeninghouder/ natuurlijk persoon bij een FI verschillende bedragen heeft uitstaan op verschillende soorten rekeningen, zoals een spaar- en een bewaarrekening, maar met een en hetzelfde rekeningnummer. In dat geval moet de FI alle bedragen optellen, omdat onderdeel VI.C.1 van Bijlage I van de NL IGA geen onderscheid maakt naar het type financiële rekening. Als op hetzelfde rekeningnummer een spaarsaldo van USD 30.000 staat en tevens een beleggingssaldo van USD 40.000, dan moet de FI beide rekeningen rapporteren, omdat het totaal van de saldi hoger is dan USD 50.000.

1.27. Toepassing aggregatieregels

(Sectie VII.C CRS en onderdeel VI.C van bijlage I NL IGA.)

Een FI kan voor de gehanteerde Amerikaanse dollarbedragen een equivalent bedrag nemen in een andere koers zoals bepaald volgens het nationale recht van een land (Sectie VII.C.4 CRS). Voor Nederland betekent dit dat de FI’s bedragen mogen rapporteren in de valuta waarin de rekening gehouden wordt. De Belastingdienst rekent deze vervolgens om naar het Euro-equivalent. De Belastingdienst gebruikt hiervoor de op de website van de Nederlandsche Bank gepubliceerde koers op 31 december van elk jaar, zijnde T2.1 Jaar (Ultimo) (XLS). Deze koers moet jaarlijks ook gebruikt worden voor de omrekening van de in het UB CRS gebruikte USD-bedragen.

1.28. Wisselkoers per 31 december van een jaar

Voor het omrekenen van de rekeningbedragen naar een andere valuta dan de USD moet de FI de wisselkoers van 31 december van het voorgaande kalenderjaar nemen (onderdeel VI.C.4 van Bijlage I NL IGA). Voor de rapportage over een van het kalenderjaar afwijkend tijdvak moet de FI niet het saldo van een rekening aan het einde van het kalenderjaar nemen, maar het saldo aan het einde van die ‘andere relevante periode waarover gerapporteerd dient te worden’ (onderdeel I.B.3. van Bijlage I NL IGA). In het laatste geval moet de omrekenkoers op de laatste dag van die andere periode gebruikt worden.

(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)

(Sectie VII.C.4 CRS, CRS-commentaar op Sectie VII, C (4), punten 20 en 21 en onderdelen I.B.3 en VI.C.4 van Bijlage 1 NL IGA.)

1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding

1.29. (Dubbel) inwonerschap van een FI en feitelijke leiding

(Kamerstukken II 2013/14, 33 985, nr. 3 , Bijlage, Goedkeuringswet NL IGA.)

Een Nederlands filiaal van een buitenlandse bank moet in Nederland aan de rapportageverplichtingen voldoen. De Belastingdienst zal voor een FI bepalen waar de feitelijke leiding van die FI zich bevindt (artikel 4 AWR). Zij kan daarbij betekenis toekennen aan onder andere de volgende omstandigheden:

Een FI kan elders geen fiscale vestigingsplaats hebben, bijvoorbeeld omdat ze wordt behandeld als fiscaal transparant. In lijn met het genoemde CRS-commentaar, is deze FI een in Nederland gevestigde financiële instelling als zij aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

Een FI kan voor belastingdoeleinden inwoner zijn van meer jurisdicties.

Andere jurisdicties kunnen (ook) andere criteria dan de plaats van feitelijke leiding hanteren, bijvoorbeeld als een FI is opgericht naar het recht van die jurisdictie. Daardoor kan er sprake zijn van dubbel inwonerschap van de FI.

Een FI (anders dan een trust) die inwoner is van twee of meer deelnemende rechtsgebieden, is onderworpen aan de identificatie- en rapportagevoorschriften van dat deelnemend rechtsgebied waarin zij de financiële rekeningen houdt (CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punt 5, zie ook artikel 2a, tweede lid, WIB)

De situatie kan zich voordoen dat een entiteit inwoner is van een jurisdictie die de CRS niet geïmplementeerd heeft (FAQ 17 bij Secties II-VII). De regels van de jurisdictie waarin de entiteit de financiële rekeningen aanhoudt, bepalen de status van de entiteit als een FI of NFE.

(CRS-commentaar Sectie VIII.A.2, punten 4 en 5, FAQ 17 bij Secties II-VII en artikel 1, eerste lid, onderdeel l, NL IGA en de MoU bij de NL IGA)

De jurisdictie waarin de financiële rekeningen aangehouden worden mag echter toestaan dat de regels van de jurisdictie waarvan de entiteit inwoner is, worden toegepast, op voorwaarde dat die laatstbedoelde jurisdictie de CRS heeft geïmplementeerd.

1.30. Verzekeringsmaatschappij

Voor de nadere invulling van het begrip ‘verzekeringsmaatschappij’ wordt verwezen naar het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29. Dit commentaar geldt, naast de Final Regulations (§1.1471-1 (b)(65) en §1.1471- 5(e)(1)(iv)), ook voor de toepassing van de FATCA.

Een verzekeringsbedrijf dat onder toezicht staat van De Nederlandsche Bank N.V. en niet voldoet aan de kwalificatie van ‘omschreven verzekeringsmaatschappij’ (zoals een schadeverzekeringsmaatschappij) is een actieve NFE.

(Sectie VIII, A.8. CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, paragraaf A, punten 26 tot en met 29 en artikel 1, eerste lid, onderdeel k, NL IGA)

1.31. Internationale organisatie

Een internationale organisatie kan een NFE of een FI zijn. Als het een NFE is dan is het op grond van Sectie VIII, D.9.c CRS en Bijlage I.VI.B.4.d NL IGA een Actieve NF(F)E. Voor zover internationale organisaties voldoen aan de definitie van FI zijn zij niet-rapporterende FI’s (Sectie VIII, B.1.a, B.3 CRS, en in Bijlage II.I.C NL IGA). Internationale organisaties zijn de internationale instellingen waaraan Nederland vrijstelling van belasting verleent (artikel 39 AWR). De lijst met instellingen die Nederland aanmerkt als een dergelijke internationale organisatie is opgenomen in artikel 20 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.

(Sectie VIII, B.1.a, B.3. CRS en onderdeel I.D van Bijlage II NL IGA)

1.32. Uitleg van het begrip ‘passief inkomen’: definitie uit CRS-commentaar

Het begrip ‘passief inkomen’ wordt gehanteerd voor de toepassing van de inkomenstest of een entiteit een actieve NFE is (onderdeel VI.B.4.a van Bijlage 1 NL IGA). In de Final Regulations (zie §1.1472-1(c)(1)(iv)(A)) staat een definitie van ‘passief inkomen’. Deze definitie kan echter niet op grond van artikel 4, zevende lid, NL IGA worden toegepast in de Nederlandse situatie omdat de NL IGA het begrip “passief inkomen” niet bevat.

Er is wel een definitie van het begrip ‘passief inkomen’ opgenomen in het CRS-commentaar (zie punt 126 van het commentaar op Sectie VIII. D.6 tot en met 9). Die komt bijna geheel overeen met die in de Final Regulations. Voor zowel de NL IGA als de CRS moet het begrip ‘passief inkomen’ worden uitgelegd conform de uitleg daarvan in het CRS-commentaar.

(CRS-commentaar op Sectie VIII, D.6 tot en met 9, punt 126 en onderdeel VI.B.4.a van bijlage I NL IGA.)

1.33. Uitleg van het begrip ‘een wezenlijk deel van de activiteiten’

Er geldt een aantal criteria waaraan een (NL IGA: niet-Amerikaanse) entiteit die geen FI is, moet voldoen om als actieve NFE te worden aangemerkt (sectie VIII.D.9.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 130, en onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA). Een van de criteria is dat een wezenlijk deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het geheel of gedeeltelijk aanhouden van de geplaatste aandelen in, of het verstrekken van financiering of diensten aan (...). In dit verband betekent een ‘wezenlijk deel van de activiteiten’ dat 80% of meer van de activiteiten van de NFE moet bestaan uit de onder letter d van Sectie VIII.D.9 CRS en onder letter e van onderdeel VI.B.4 van Bijlage I NL IGA omschreven activiteiten van de NFE. Als de holdingactiviteiten en/of het verschaffen van financiering of diensten van de NFE aan (klein)dochterondernemingen minder dan 80% inhouden, maar de NFE wel actief inkomen verkrijgt uit andere bron(nen), dan kan de NFE toch gekwalificeerd worden als actieve NFE. De totale activiteiten moeten dan voldoen aan de ‘wezenlijk deel’-toets. Om te bepalen of andere activiteiten dan holding- of financieringsactiviteiten de NFE kunnen aanmerken als actief, moet de NFE de toets genoemd in Sectie VIII.D.9.a (wat de CRS betreft) of in onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA toepassen. Een NFE kan bijvoorbeeld holdingactiviteiten verrichten en/of financiering en diensten verstrekken voor 60% en tegelijkertijd voor 40% functioneren als een groepsdistributiecentrum en de inkomsten daaruit actief zijn. Er is dan sprake van een actieve NFE ook al bestaat minder dan 80% van de activiteiten uit holdingactiviteiten en/of het verstrekken van financiering en diensten aan een of meer (klein)dochtermaatschappijen (sectie VIII.D.9.a CRS en onderdeel VI.B.4.a van Bijlage I NL IGA).

(Sectie VIII.D.9.d CRS en het CRS-commentaar op Sectie VIII.D.6 tot en met 9, punt 130 en onderdeel VI.B.4.e van bijlage I NL IGA.)

1.34. Dochtermaatschappij van actieve N(F)FE

Er is onder meer sprake van een actieve N(F)FE, als een substantieel deel van de activiteiten van de NFE bestaat uit het geheel of gedeeltelijk aanhouden van de geplaatste aandelen van, of het verschaffen van financiering en diensten aan, een of meer dochterondernemingen die betrokken zijn bij handels- of bedrijfsactiviteiten anders dan die van een financiële instelling. Er is voor een entiteit sprake van een dochtermaatschappij wanneer de entiteit, direct of indirect, alle of een deel van de uitstaande aandelen van de dochter aanhoudt (Bijlage I, onderdeel VI.B.4(e) NL IGA en Richtlijn 2011/16/EU, Bijlage I, Sectie VIII, onderdeel D.8(d)).

Het gebruik van de woorden ‘geheel of gedeeltelijk’ geeft aan dat in de context van de Richtlijn en de NL IGA, de omvang van het aandelenbezit in een dochtermaatschappij niet van belang is. Aan de dochtermaatschappij worden nadere voorwaarden gesteld, het moet namelijk een actieve werkmaatschappij zijn. Een actieve werkmaatschappij is een werkmaatschappij die 50% of meer van haar omzet haalt uit actieve werkzaamheden (in tegenstelling tot beleggingen). Het is niet relevant of de dochtermaatschappij onderdeel uitmaakt van de groep van de houdstermaatschappij of meegeconsolideerd wordt in de jaarrekening. Zie hiervoor ook het CRS-commentaar op Sectie VIII, punt 130, laatste volzin, voor het begrip ‘subsidiary’.

1.35. Treasury center binnen een (niet-) financiële groep

Een Treasury center in een niet-financiële groep is zowel voor de NL IGA als de CRS een actieve NFE.

En uitgezonderde NFE zoals beschreven in de Final Regulations kwalificeert als een actieve NFE (onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I van de NL IGA). In §1.1472-1(c)(1)(v) van de Final Regulations worden onder meer een holdingmaatschappij en een Treasury center binnen een niet-financiële groep in de zin van §1.1471-5(e)(5)(i)(B) aangemerkt als een uitgezonderde NFE en dus een actieve NFE voor de toepassing van de NL IGA. Voor de CRS is een Treasury center in een niet-financiële groep een actieve NFE.

(Sectie VIII.D.9.g CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.A, punt 19, en onderdeel VI.B.4.h van Bijlage I NL IGA)

Een holdingmaatschappij of een Treasury center binnen een financiële groep heeft de status van een FI als het voldoet aan de definitie van een FI zoals opgenomen in Sectie VIII.A.3 CRS. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden en de activiteiten die de entiteit ontplooit, zelfs als die activiteiten uitsluitend worden uitgeoefend voor gerelateerde entiteiten of voor haar aandeelhouders. (Zie voor uitgebreider commentaar FAQ 2 bij Sectie VIII.A) De status volgens de CRS komt overeen met de definitie in de Final Regulations.

(Sectie VIII CRS en FAQ 2 van Sectie VIII.A.)

1.36. Activiteitentoets voor een beleggingsentiteit

Het staat een FI vrij om in plaats van de definitie in artikel 1.j NL IGA te kiezen voor de definitie van ‘investment entity’ uit de Final Regulations (artikel 4, zevende lid, NL IGA en artikel 2a, derde lid, UB WIB). Als een FI dat doet, kiest zij voor integrale toepassing van de definitie van ‘investment entity’ zoals omschreven in §1.1471-5(e)(4) Final Regulations. Conform §1.1471-5(e)(4)(i)(B) van de definitie is de FI eerder dan op grond van de definitie in de NL IGA een beleggingsentiteit als haar activiteiten beheerd worden door een andere beleggingsentiteit, een instelling die deposito’s neemt, een bewaarinstelling zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, NL IGA, of een verzekeringsmaatschappij of holdingmaatschappij zoals omschreven in §1.1471-5(e)(1)(iv) Final Regulations. De beheerde beleggingsentiteit moet dan wel voldoen aan de inkomenstoets van §1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations.

De definitie van beleggingsentiteit zoals opgenomen in Sectie VIII.A.6 e CRS is gelijk aan de hierboven beschreven integrale FATCA-definitie, dus met inbegrip van de aanvulling in de Final Regulations.

Een beleggingsentiteit mag voor toepassing van FATCA vasthouden aan de definitie van de NL IGA. Het gevolg kan zijn dat een entiteit geen FI is voor toepassing van de NL IGA, maar wel voor de CRS. Daarom wordt aangeraden gebruik te maken van de CRS definitie/integrale FATCA-definitie. De hiernavolgende tekst gaat uit van de CRS en de integrale FATCA-definitie.

Een entiteit die in het kader van de bedrijfsuitoefening voor of namens een cliënt een of meer van de in Sectie VIII.A.6.a.i-iii CRS dan wel artikel 1.1.j. 1-3 NL IGA vermelde activiteiten uitvoert, wordt beschouwd als een beleggingsentiteit. Een entiteit die voor eigen rekening en risico zich ten doel heeft gesteld de beurshandel in opties of andere financiële instrumenten te onderhouden, wordt doorgaans niet geacht voor of namens een cliënt te handelen.

Als een beleggings-BV met een directeur-grootaandeelhouder als enige aandeelhouder in aandelen belegt, dan is geen sprake van een cliëntrelatie tussen de besloten vennootschap en de directeur-grootaandeelhouder. Deze vennootschap is geen beleggingsentiteit. Als echter een professionele derde partij de beleggingswerkzaamheden uitvoert, dan is wel sprake van een cliëntrelatie tussen die derde partij en de vennootschap of de directeur-grootaandeelhouder. In dat geval is die professionele derde partij een beleggingsentiteit. In de systematiek van de CRS en de NL IGA is de beleggings-BV zelf daardoor ook een beleggingsentiteit.

Met betrekking tot de term ‘uitvoeren in het kader van de bedrijfsuitoefening’ is sprake van een beleggingsentiteit als de bedrijfsuitoefening overwegend (‘primarily’) bestaat uit de beleggingsactiviteiten zoals die ook staan vermeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA (§1.1471-5(e)(4)(i)(A) Final Regulations en Sectie VIII.A.6.b CRS). Dit betekent dat pas van een beleggingsentiteit kan worden gesproken als voldaan wordt aan een inkomenstoets die inhoudt dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten ten minste 50% van het totale bruto-inkomen moet bedragen gedurende:

De definitie van beleggingsentiteit in de Final Regulations ziet ook op het begrip ‘financial assets’ dat in de NL IGA niet voorkomt maar wel is gedefinieerd in §1.1471-5(e)(4)(ii) (en in Sectie VIII.A.7 van de CRS) en waartoe onroerende zaken niet behoren. Entiteiten die rechtstreeks onroerende zaken houden, zijn daarom alleen een beleggingsentiteit volgens de Final Regulations als is voldaan aan de inkomenstoets voor een self-managing entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iii) Final Regulations) of voor een gemanagede entiteit (§1.1471-5(e)(4)(iv)(A) Final Regulations). Dit betekent dat het bruto-inkomen uit beleggingsactiviteiten (exclusief bruto-inkomsten uit (her)investering en handel in onroerende zaken) ten minste 50% van het totale bruto-inkomen van de entiteit moet bedragen gedurende:

(Sectie VIII.A.6 en 7 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)

1.37. Activiteitentoets voor een instelling die deposito’s neemt

Onder de uitdrukking ‘een instelling die deposito’s neemt’ wordt in de NL IGA verstaan een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf. De beoordeling of sprake is van een instelling die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van het bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf wordt gedaan aan de hand van de daadwerkelijke activiteiten van die instelling en niet aan de hand van haar statuten.

Voor de uitleg van de begrippen ‘deposito’s’ (zie §1.1471-5 (b)(1)(i) jo §1.1471-5 (b)(3)(i) Final Regulations) en ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’ (zie §1.1471-5(e)(1)(i) en (2)(i) Final Regulations) kan een FI ervoor kiezen om gebruik te maken van de begripsomschrijvingen in de Final Regulations en de daarin opgenomen uitzonderingen (zie artikel 4, zevende lid, NL IGA en artikel 2a, derde lid, UB WIB). In de Final Regulations en de CRS is voor bepaalde leasemaatschappijen een uitzondering opgenomen voor de kwalificatie van een ‘bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf’. Hiervan is sprake als de entiteit uitsluitend deposito’s neemt van personen als onderpand of zekerheid in het kader van een verkoop of lease van goederen of in het kader van een vergelijkbare financieringstransactie tussen de entiteit en de persoon die het deposito plaatst.

Aan de hand van enkele voorbeelden kan beoordeeld worden of sprake is van een entiteit die deposito’s neemt in het kader van de normale uitoefening van een bankbedrijf of een daarmee vergelijkbaar bedrijf en daarmee een FI wordt of juist niet.

(Sectie VIII.A.5, 6 en D.9.g CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.A.(3)-(8), punten 12-14 en D. (6)-(9), punt 129 en FAQ’s 1 en 2 bij Sectie VIII en artikel 1, eerste lid, onderdeel i, NL IGA)

1.38. Aandeelhouders uit één familie

Entiteiten, anders dan een trust, waarvan de activa bestaan uit kasgeld of beleggingen – of een holdingmaatschappij daarvan -, zijn een beleggingsentiteit in de zin van Sectie VIII.A.6 van de CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van de NL IGA.

Dit geldt ook voor deze entiteiten met een (zeer) beperkte groep van onmiddellijke en middellijke aandeelhouders of participanten die behoren tot één familie, die zich niet presenteren als beleggingsentiteit en die geen kapitaal uit de markt hebben aangetrokken noch (zullen) aantrekken.

1.39. Beleggingsinstellingen

Financiële instellingen waar deze beleggingsentiteiten een rekening aanhouden, dienen hier bij de classificatie voor de CRS en de FATCA rekening mee te houden. Mogelijk moet een eerdere classificatie worden herzien.

Wanneer u aan te merken bent als een beleggingsentiteit moet u zich bij de Belastingdienst melden. Dit is ook het geval indien u geen rekeningen hebt die in het kader van de FATCA en de CRS moeten worden aangeleverd.

(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)

1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders

Een holdingmaatschappij als onderdeel van een private equity- of andere beleggingsstructuur is echter geen beleggingsentiteit maar een passieve NFE, indien alle aandelen onmiddellijk of middellijk gehouden worden door het private equity- of ander beleggingsfonds zelf. Op het niveau van het (de) fonds(en) wordt immers al gerapporteerd. Voorwaarde is dat er geen buitenlands fonds tussen het private equity- of ander beleggingsfonds en de holdingmaatschappij zit, tenzij het fonds een FI is.

(Sectie VIII.A.6 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel j, NL IGA)

1.40. Beleggingsadviseurs en (vermogens)beheerders

Een beleggingsentiteit die inwoner is van Nederland heeft onder omstandigheden geen rapportageverplichtingen. Dan zullen haar activiteiten uitsluitend moeten bestaan uit het verstrekken van beleggingsadvies aan of het optreden namens een cliënt, dan wel het beheren van portefeuilles voor een cliënt op basis van een volmacht of soortgelijk instrument.

(CRS-commentaar Sectie VIII.C(1) punt 60 en onderdeel II. A.4 van Bijlage II NL IGA)

Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de USD 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de USD 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de USD 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de USD 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de USD 50.000 uitkomt.

Een rapporterende FI hoeft een creditcardrekening of een doorlopend-kredietfaciliteit die wordt behandeld als een nieuwe rekening van een entiteit, niet te controleren, identificeren of te rapporteren. Voorwaarde daarbij is dat de rapporterende FI die een dergelijke rekening beheert, beleid en procedures implementeert om te voorkomen dat het saldo verschuldigd aan de rekeninghouder hoger wordt dan USD 50.000 (Sectie VIII.B.8.b CRS en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA.)

Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel q, NL IGA kunnen, naast de werking van onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA, eveneens bepaalde creditcardbedrijven in aanmerking komen als niet-rapporterende FI. Dit kan omdat bepaalde creditcardbedrijven (‘Qualified credit card issuers’) gekwalificeerd kunnen worden als ‘Registered deemed-compliant FFI’ (§1.1471-5(f)(1)(i)(E) Final Regulations; zie voor het begrip ‘Registered deemed-compliant FFI’ §1.1471-5 (f)(1).)

1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)

Het tweede vereiste houdt in dat het beleid en de procedures van de FI erop gericht zijn dat wordt voorkomen dat het saldo van een rekening boven de USD 50.000 uit kan komen, of dat het surplus boven de USD 50.000 binnen 60 dagen (na het moment waarop het saldo boven de USD 50.000 uitkomt) wordt teruggestort aan de rekeninghouder. Aan het tweede vereiste wordt ook voldaan als alleen het surplus boven de USD 50.000 wordt teruggestort, voor zover dit surplus nog aanwezig is na 60 dagen vanaf het moment dat het saldo voor het eerst boven de USD 50.000 uitkomt.

(Sectie VIII.B.8.b CRS, het CRS-commentaar Sectie VIII.C(17) en onderdeel V.A van Bijlage I NL IGA)

1.42. Swapovereenkomst en securities lending-overeenkomst (geen ‘debt interest’ in beleggingsentiteit)

Een ISDA-swapovereenkomst of een GMSLA vormt geen financiële rekening voor een beleggingsentiteit. De vordering die voortvloeit uit deze raamovereenkomsten is niet aan te merken als vordering (‘debt interest’) op een beleggingsentiteit, omdat de vordering geen betrekking heeft op het belegde vermogen of de beleggingsresultaten van de beleggingsentiteit. Ook moet een ‘debt interest’ worden uitgegeven door het fonds, waarvan in deze gevallen geen sprake is.

(Sectie VIII.C.1 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)

1.43. Onderpandrekening

Een bewaarrekening is een rekening die gehouden wordt ten gunste van een derde die een financieel instrument of een overeenkomst inzake rechten van deelneming houdt, bijvoorbeeld aandelen of belangen in een onderneming, waardepapieren, obligaties of andere schuldbewijzen (Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA). Deze definitie van bewaarrekening ziet op alle rekeningen die ten gunste van derden worden gehouden, ook op het houden van onderpand (‘collateral account’) voor een ander, tenzij het gaat om geld als onderpand. Onderpand in de vorm van geld vormt namelijk een depositorekening (Sectie VIII.C.2 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel t, NL IGA). De exacte voorwaarden van de overeenkomst zijn bepalend voor de vraag of sprake is van onderpand of niet. Als de FI als uitlenende partij bij een securities lending-transactie zelf de juridische eigendom van het onderpand heeft verkregen, dan vormt het verkregen collateral account geen bewaarrekening bij de FI zelf. Door de verkrijging van de juridische eigendom is immers geen sprake van het houden ten gunste van een derde. Dit geldt ook voor vergelijkbaar cash collateral account verkregen in het kader van bijvoorbeeld een GMSLA, een ISDA-swapovereenkomst, een CSA, een clearingovereenkomst in verband met de clearing van derivaten of een futures-overeenkomst.

(Sectie VIII.C.3 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel u, NL IGA)

(CRS-commentaar op Sectie VIII.C., punt 82 en FAQ 14 bij Secties II-VII)

Een nieuwe rekening die geopend wordt door een bestaande rekeninghouder, kan voor de CRS nog steeds aangemerkt worden als een bestaande rekening, mits:

(Zie het CRS-commentaar bij Sectie VIII, paragraaf C, punt 82 en Bijlage 1, deel VIII, onderdeel C.9 van de Richtlijn en FAQ nr. 14 bij Secties II-VII, CRS.)

Als aan de bovengenoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan hoeft bij het openen van de nieuwe rekening geen self certification-formulier te worden opgevraagd. Een eenmaal als bestaand aangemerkte rekening blijft dat ook als de klant later de eerste rekening opheft.

1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten

Voor de NL IGA kan hetzelfde gelden, waarbij de FI aan dezelfde voorwaarden moet voldoen als voor de CRS, met uitzondering van de vierde voorwaarde (artikel 4, zevende lid, NL IGA en de Final Regulations (Zie §1.1471-1(b)(104)(ii)). Het gaat hier om de voorwaarde dat de rekeninghouder voor het openen van de financiële rekening geen nieuwe, aanvullende of gewijzigde klantinformatie hoeft te verstrekken. Om te voorkomen dat eenzelfde rekening voor de NL IGA een bestaande rekening en tegelijkertijd voor de CRS een nieuwe rekening is waarvoor verschillende procedures bij een FI zullen moeten gelden, kan een FI ervoor kiezen om voor de toepassing van de FATCA de definitie van bestaande rekening uit de Final Regulations toe te passen, omdat die definitie overeenkomt met de CRS definitie.

(Sectie VIII.C.9 CRS, FAQ 42 bij Secties II-VII, en artikel 4, zevende lid, NL IGA)

1.45. Bestaande rekeningen verzekeringsproducten

Bestaande levensverzekeringen die zijn afgesloten voor 30 juni 2014 (van belang voor de NL IGA) en 31 december 2015 (van belang voor de CRS) en waarop na die data aanpassingen worden gedaan of na die data nabetalingen worden verricht bij inmiddels beëindigde verzekeringen, kunnen gekwalificeerd worden als bestaande rekeningen. Aanpassingen of nabetalingen laten de eventueel van toepassing zijnde uitzondering van onderdeel II.A.3 van Bijlage I NL IGA onverlet. Dit is anders als het karakter van de levensverzekering zodanig verandert dat deze niet meer onder de uitzondering valt omdat niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.

(Sectie VIII.C.9 CRS en het CRS-commentaar Sectie VIII, C, nr. 82 en onderdeel VI.B.5 van bijlage I NL IGA)

Deze rekeningen zullen geïdentificeerd en indien nodig gerapporteerd moeten worden.

Voor de CRS zijn de categorieën ‘uitgezonderde rekeningen’ (rekeningen die geen financiële rekening zijn en daarom zijn uitgezonderd van rapportage) geregeld in Sectie VIII.C.17 CRS en het daarbij behorende commentaar. Om te kunnen bepalen of een rekening voldoet aan de eisen van een categorie ‘uitgezonderde rekening’, mag de FI vertrouwen op de informatie waarover zij beschikt of die publiekelijk beschikbaar is.

Naast de hier genoemde uitgezonderde rekeningen heeft elke lidstaat van de Europese Unie de mogelijkheid om andere rekeningen (en entiteiten) aan te wijzen met een laag risico om te worden gebruikt voor belastingontduiking. Op 3 september 2019 heeft de Europese Commissie van elke lidstaat een (gewijzigde) lijst met uitgezonderde rekeningen en niet rapporterende FI’s gepubliceerd.8https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:C:2019:296:FULL&from=EN

In Nederland was voor de lijst ‘uitgezonderde rekeningen’ onder CRS aangesloten bij de uitgezonderde producten in de Bijlage II, onderdeel III, van de NL IGA. Het Global Forum heeft die lijn echter niet gevolgd en heeft enkele voor de FATCA uitgezonderde rekeningen niet geaccepteerd voor de CRS. Het betreft:

Deze rekeningen zullen geïdentificeerd en indien nodig gerapporteerd moeten worden.

De door het Global Forum geaccepteerde uitgezonderde rekeningen zijn:

Belangrijk voor het Global Forum is dat regelmatig getoetst wordt of deze rekeningen terecht nog als uitgezonderde rekeningen aangemerkt worden. De Belastingdienst zal er dan ook op toezien dat dit soort rekeningen niet gebruikt wordt om rapportage in het kader van de CRS te ontwijken.

(Sectie VIII.C.17 CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.C.17, punten 86–103).

1.47. Overleden rekeninghouder

(Zie ook 2.18, Verzekeringsproducten en rechtsvoorgangers).

(Artikel 4, zevende lid en Bijlage II NL IGA)

(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)

1.48. Overleden UBO

Pas na verdeling van de nalatenschap en als de rekening niet is opgeheven zullen de due diligence-procedures weer van toepassing zijn. Zo kan de FI beoordelen of de rekening opnieuw een te rapporteren rekening is.

(Sectie VIII.C.17.d CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII, C(17)(d), punt 92, en onderdeel II.C.3 van bijlage I NL IGA)

Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.

1.49. Erkende effectenbeurs

Een rapporterende financiële instelling die op basis van een wijziging van omstandigheden weet of redenen heeft om te weten dat de laatst verkregen eigen verklaring van een rekeninghouder of van een uiteindelijk belanghebbende dan wel andere documentatie die is gebruikt voor het vaststellen of een rekening een te rapporteren rekening is, onjuist of onbetrouwbaar is, volgt opnieuw de procedures die zijn opgenomen in bijlage I, sectie V, onderdeel D, van Richtlijn 2011/16/EU om vast te stellen of sprake is van een te rapporteren rekening.

Voor FATCA staan in de NL IGA in Bijlage 1 onder IV.D vergelijkbare bepalingen. Een nieuwe procedure is met name nodig om de erfgenamen te identificeren en vast te stellen of hun gegevens al dan niet moeten worden gerapporteerd. Is dat het geval dan zal de betreffende rekening aan het einde van het jaar moeten worden gerapporteerd met nieuwe uiteindelijk belanghebbenden.

Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder – zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is – en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs vallen onder meer de NYSE Euronext Amsterdam en het Euronext Fund Services-platform.

In de WIB wordt een ‘te rapporteren persoon’ gedefinieerd als een persoon uit een deelnemend rechtsgebied, niet zijnde: 1°. een vennootschap waarvan de aandelen regelmatig worden verhandeld op een of meer erkende effectenbeurzen; (...) (artikel 2a, eerste lid, onderdeel p, WIB).

In het CRS-commentaar en de Final Regulations wordt ingegaan op ‘erkende effectenbeurs’ en ‘regelmatig verhandeld’ (zie hierna 1.45).

1.50. Regelmatig verhandeld

Onder een erkende effectenbeurs wordt verstaan een beurs die officieel erkend wordt en onder toezicht staat van een erkende toezichthouder – zoals de AFM of een andere overheidsinstantie van de jurisdictie waarin de beurs gevestigd is – en waar jaarlijks een betekenisvolle waarde aan aandelen wordt verhandeld. Onder een erkende effectenbeurs vallen onder meer de NYSE Euronext Amsterdam en het Euronext Fund Services-platform.

(Sectie VIII.D.2, (i) CRS, het CRS-commentaar op Sectie VIII.D, punt 112 en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)

(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)

1.51. Stichting administratiekantoor (STAK)

Voor de CRS worden in het commentaar op Sectie VIII.D.2, punt 113 dezelfde twee eisen gesteld als in de Final Regulations. In FAQ 4 van Sectie VIII. D op de OESO-website10Http://www.oecd.org/tax/exchange-of-tax-information/CRS-related-FAQs.pdf is aangegeven hoe de term ’regelmatig verhandelde aandelen’ moet worden uitgelegd. Net als in de Final Regulations geldt ook voor de CRS dat van regelmatig verhandelde aandelen in een kalenderjaar sprake is als één of meer categorieën van aandelen van een entiteit gedurende het afgelopen kalenderjaar genoteerd stond(en) aan een erkende effectenbeurs en deze categorie(ën van) aandelen samen meer dan 50% van de totale stemrechten en van de totale waarde van de aandelen vertegenwoordigt of vertegenwoordigen.

(CRS-Commentaar Sectie VIII.D.2, punt 113, FAQ 4 onder Sectie VIII.D en artikel 1, eerste lid, onderdeel s, NL IGA)

(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)

Voor de NL IGA is in het MoU opgenomen dat een Stichting Administratiekantoor (STAK) gevestigd in Nederland wordt behandeld als een passieve NFE. Alleen als de certificaten van de STAK regelmatig verhandeld worden op een erkende effectenbeurs is sprake van een actieve NFE.

1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor

FI’s dienen, ingeval gebruik gemaakt wordt van een STAK en de klant claimt dat er daardoor een wijziging in UBO’s optreedt, vast te stellen dat deze wijziging zich ook in materiële zin voordoet. Zo moet worden voorkomen dat – door het plaatsen van een STAK tussen BV/NV en aandeelhouders – de uiteindelijk belanghebbende niet als begunstigde wordt aangemerkt omdat hij als houder van bijvoorbeeld 50% van de certificaten niet 25% van de zeggenschap in de stichting heeft. De basis voor deze verplichting ligt in artikel 3, eerste lid, onder c, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In deze bepaling is geregeld welke categorieën van natuurlijke personen in elk geval moeten worden aangemerkt als UBO. In het geval van een rechtspersoon zijn dat de natuurlijke personen die op basis van het bezitspercentage als UBO kwalificeren of zeggenschap hebben over de rechtspersoon (bijvoorbeeld via het direct of indirect houden van meer dan 25% van het eigendomsbelang in de rechtspersoon). In het UBO-register zijn zowel de ‘bezits-UBO’ (certificaathouders) als ‘zeggenschaps-UBO’s’ (de bestuurders van de STAK) opgenomen. Een certificaathouder met maar 10% van de certificaten, maar wel met meer dan 25% zeggenschap in het STAK-bestuur zal dus als zodanig in het UBO-register staan. Een certificaathouder van een STAK is indirect aandeelhouder van de onderliggende entiteit(en) en dus mogelijk ook UBO van deze entiteit(en). Wanneer bijvoorbeeld een STAK alle aandelen houdt van een BV is een UBO van de STAK automatisch ook UBO van de onderliggende B.V.

(Sectie VIII.A.6.iii CRS en paragraaf 1.2 MoU bij de NL IGA)

1.52. Holding bestuurd door een trustkantoor

Een holdingmaatschappij die als actieve NFE kan worden aangemerkt, behoudt die kwalificatie ook als die holdingmaatschappij bestuurd wordt door een (werknemer van een) trustkantoor dat een FI is.

(Sectie VIII.D.9.d CRS, CRS-commentaar op Sectie VIII.D.9.d, punt 129 en onderdeel VI.B.4 van Bijlage 1 NL IGA).

(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)

1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn

Als sprake is van een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal wordt onder ‘vermogen’ in dit verband verstaan het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal. De NL IGA verstaat echter onder zeggenschap, de directe of indirecte eigendom van meer dan 50% van het stemrecht of het vermogen/belang (‘value’) in een entiteit. FI’s kunnen de definitie uit de Final Regulations die in lijn is met de CRS ook voor de NL IGA gebruiken, waardoor de grootte van de groep van gelieerde entiteiten wordt verkleind.

(Sectie VIII.E.4 CRS en artikel 1, eerste lid, onderdeel jj, NL IGA)

1.54. Rijbewijs kan geldig gedocumenteerd bewijsstuk zijn

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)