Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 17 september 2020, nr. WJZ/ 20210006, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energie en klimaattransitie in 2020
§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 40
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:
- a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;
- g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;
- h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of
- i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 41
Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.8. Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 42
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 43
Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.9. Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving
Artikel 44
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 45
Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.10. Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 46
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte of hernieuwbare elektriciteit en warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 47
Subsidie als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 46, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.11. Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 48
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:
- a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;
- b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of
- c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 49
Subsidie als bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 48, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.12. Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 50
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.
De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.
Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.
Artikel 51
Subsidie als bedoeld in artikel 50, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 50, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.3.13. Composteringsinstallatie op champost voor warmte
Artikel 52
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017, met een vermogen van ten minste 500 kWth.
De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 95% van de energetische waarde biogeen.
Artikel 53
Subsidie als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 52, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas
§ 3.4.1. Thermische energie uit oppervlaktewater
Artikel 54
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit oppervlaktewater en opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:
- a. heeft een seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en
- b. levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving;.
Artikel 55
Subsidie als bedoeld in artikel 54, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 54, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.2. Thermische energie uit drink- of afvalwater
Artikel 56
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan de gebouwde omgeving.
Artikel 57
Subsidie als bedoeld in artikel 56, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 56, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.3. Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas
Artikel 58
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:
- a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;
- b. maakt gebruik van seizoensopslag van warmte die niet wordt gebruikt voor koudelevering; en
- c. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
Artikel 59
Subsidie als bedoeld in artikel 58, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 58, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.4. Elektroboiler voor warmte
Artikel 60
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een systeem met een ontwerptemperatuur van ten minste 100 °C.
Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.
Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen.
Artikel 61
Subsidie als bedoeld in artikel 60, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 60, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.5. Industriële warmtepomp
Artikel 62
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:
- a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth;
- b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 8,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.
De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, produceert warmte ten behoeve van een industriële toepassing en levert geen koude.
Artikel 63
Subsidie als bedoeld in artikel 62, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 62, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.6. Restwarmtebenutting
Artikel 64
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 5 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waar deze warmte nuttig wordt aangewend, waarbij:
- a. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding; of
- b. transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding en de warmte wordt opgewaardeerd met een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0.
De transportleiding, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kent ten minste 0,3833 kilometer transportleiding per MWth gezamenlijk outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties.
De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.
Artikel 65
Subsidie als bedoeld in artikel 64, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 64, eerste lid, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.7. Waterstof uit elektrolyse
Artikel 66
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.
Artikel 67
Subsidie als bedoeld in artikel 66, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 66, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 3.4.8. Vermindering broeikasgas door afvang en permante opslag van koolstofdioxide
Artikel 68
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij:
- a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;
- b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de compressor nieuw is;
- c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of
- d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn.
Artikel 69
Subsidie als bedoeld in artikel 68, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.
De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 68, binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
§ 4. Fasebedragen
Artikel 70
Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:
- a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de vierde fase sluit op 17 december 2020, 17:00 uur;
- b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 |
|---|---|---|
| fase | periode openstelling | fasebedrag in euro/1000 kg broeikasgas |
| 1 | Van 24 november 2020, 9:00 uur tot 30 november 2020, 17:00 uur | 65 |
| 2 | Van 30 november 2020, 17:00 uur tot 7 december 2020, 17:00 uur | 85 |
| 3 | Van 7 december 2020, 17:00 uur tot 14 december 2020 17:00 uur | 180 |
| 4 | 14 december 2020 17:00 uur tot 17 december 2020 17:00 uur | 300 |
Voor de fase een tot en met vier bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag bedoeld in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh | fasebedrag in euro/kWh |
| Artikel regeling | Categorie | Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 |
| Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,0970 |
| Artikel 6 | Osmose | 0,0652 | 0,0689 | 0,0867 | 0,1090 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400 | 0,0400 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420 | 0,0420 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480 | 0,0480 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0560 | 0,0560 | 0,0560 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470 | 0,0470 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550 | 0,0550 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,0552 | 0,0589 | 0,0630 | 0,0630 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490 | 0,0490 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,0552 | 0,0570 | 0,0570 | 0,0570 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,0552 | 0,0589 | 0,0610 | 0,0610 |
| Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,0552 | 0,0589 | 0,0590 | 0,0590 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0748 | 0,0785 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0694 | 0,0731 | 0,0740 | 0,0740 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0595 | 0,0632 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0595 | 0,0632 | 0,0800 | 0,0800 |
| Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640 |
| Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0680 | 0,0680 |
| Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,0458 | 0,0526 | 0,0845 | 0,0880 |
| Artikel 20 | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0640 |
| Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,0359 | 0,0396 | 0,0420 | 0,0420 |
| Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300 | 0,0300 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0730 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderdB-hout) | 0,0359 | 0,0396 | 0,0569 | 0,0790 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,0547 | 0,0592 | 0,0807 | 0,0950 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,0477 | 0,0522 | 0,0737 | 0,0800 |
| Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,0382 | 0,0425 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,0380 | 0,0410 | 0,0410 | 0,0410 |
| Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,0378 | 0,0421 | 0,0623 | 0,0830 |
| Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 |
| Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,0381 | 0,0424 | 0,0631 | 0,0650 |
| Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,0438 | 0,0471 | 0,0600 | 0,0600 |
| Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,0438 | 0,0471 | 0,0629 | 0,0810 |
| Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,0477 | 0,0522 | 0,0600 | 0,0600 |
| Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,0565 | 0,0606 | 0,0670 | 0,0670 |
| Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,0576 | 0,0620 | 0,0620 | 0,0620 |
| Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,0663 | 0,0735 | 0,0740 | 0,0740 |
| Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,0576 | 0,0652 | 0,0980 | 0,0980 |
| Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,0863 | 0,0935 | 0,1210 | 0,1210 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290 | 0,0290 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,0477 | 0,0522 | 0,0690 | 0,0690 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0470 | 0,0470 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0460 | 0,0460 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0450 | 0,0450 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,0387 | 0,0432 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270 | 0,0270 |
| Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0660 |
| Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,0387 | 0,0432 | 0,0640 | 0,0640 |
| Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,0447 | 0,0492 | 0,0520 | 0,0520 |
| Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 | 0,0310 |
| Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 | 0,0430 |
| Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0900 |
| Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,0508 | 0,0541 | 0,0699 | 0,0770 |
| Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,0360 | 0,0397 | 0,0573 | 0,0770 |
| Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,0387 | 0,0432 | 0,0647 | 0,0720 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,0352 | 0,0380 | 0,0380 | 0,0380 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,0369 | 0,0370 | 0,0370 | 0,0370 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330 | 0,0330 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,0347 | 0,0380 | 0,0440 | 0,0440 |
| Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,0512 | 0,0556 | 0,0764 | 0,1030 |
| Artikel regeling | categorie | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 | Maximum fasebedrag in euro/1.000 kg CO2 |
| Artikel regeling | categorie | Fase 1 | Fase 2 | Fase 3 | Fase 4 |
| Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640 | 86,9640 |
| Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760 | 62,4760 |
| Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 96,1773 | 100,3310 | 100,3310 | 100,3310 |
| Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040 | 92,3040 |
In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 18, 20, 22, eerste lid, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, 32, 34, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, eerste lid, 56, eerste lid, 58, eerste lid, 60, eerste lid, 62, eerste lid, 64, eerste lid, en 66 het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in artikel 68 het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.
Artikel 71
Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en ten behoeve van de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.
De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt
- a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;
- b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.
| 1 | 2 | 3 | 4 |
|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Langetermijn energieprijs of langetermijnbroeikasgasbedrag in euro/kWh | Omrekenfactor in kg CO2/ kWh |
| Artikel 4, onderdeel a | Waterkracht, valhoogte < 50 cm | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 4, onderdeel b | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 4, onderdeel c | Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 6 | Osmose | 0,053 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 8, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel a | Wind op land, ≥ 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel b | Wind op land, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel c | Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel d | Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel e | Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 10, eerste lid, onderdeel f | Wind op land, < 6,75 m/s, hoogtebeperkt | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel a | Wind op waterkeringen, ≥ 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel b | Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 en < 8,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel c | Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel d | Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel e | Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 12, eerste lid, onderdeel f | Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 14, eerste lid | Wind in meer, water ≥ 1 km2 | 0,043 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel a | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A | 0,0626 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid,, onderdeel b | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden | 0,0572 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel c | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, op land | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel d | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op land | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel e | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, drijvend op water | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 16, eerste lid, onderdeel f | Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend op water | 0,0473 | 0,187 |
| Artikel 18, onderdeel a | Allesvergisting, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 18, onderdeel b | Monomestvergisting > 400 kW, gas | 0,024 | 0,336 |
| Artikel 18, onderdeel c | Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas | 0,024 | 0,336 |
| Artikel 20, | Allesvergisting verlengde levensduur, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 22, eerste lid | Verbeterde slibgisting RWZI, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 24 | RWZI bestaande slibgisting, gas | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Biomassavergassing (uitgezonderd B-hout) | 0,024 | 0,183 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel a | Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW | 0,040 | 0,226 |
| Artikel 28, eerste lid, onderdeel b | Zonthermie ≥ 1 MW | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 30, onderdelen a en d | Diepe geothermie < 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,218 |
| Artikel 30, onderdelen b en e | Diepe geothermie ≥ 20 MWth, basislast | 0,024 | 0,215 |
| Artikel 30, onderdeel c | Diepe geothermie, verwarming gebouwde omgeving | 0,024 | 0,213 |
| Artikel 30, onderdeel f | Diepe geothermie basislast, aanvullende put | 0,024 | 0,218 |
| Artikel 30, onderdeel g | Geothermie, diepte ≥ 4.000 meter | 0,024 | 0,217 |
| Artikel 32, onderdeel a | Ondiepe geothermie, basislast | 0,033 | 0,166 |
| Artikel 32, onderdeel b | Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving | 0,033 | 0,166 |
| Artikel 34,onderdeel a | Allesvergisting, warmte | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 34,onderdeel b | Allesvergisting, gecombineerde opwekking | 0,043 | 0,207 |
| Artikel 34, onderdeel c | Monomestvergisting, warmte > 400 kW | 0,033 | 0,379 |
| Artikel 34, onderdeel d | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW | 0,043 | 0,359 |
| Artikel 34, onderdeel e | Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW | 0,033 | 0,379 |
| Artikel 34, onderdeel f | Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW | 0,063 | 0,359 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel a | Verbeterde slibgisting RWZI, warmte | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 36, eerste lid, onderdeel b | Verbeterde slibgisting RWZI, gecombineerde opwekking | 0,047 | 0,202 |
| Artikel 38, eerste lid | Ketel vloeibare biomassa | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel a | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel b | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel c | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel d | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel e | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel f | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel g | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel h | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 40, eerste lid, onderdeel i | Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen) | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 42, eerste lid | Grote ketel op B-hout | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 44, eerste lid | Ketel stadsverwarming op houtpellets | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 46, eerste lid | Stoomketel op houtpellets | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 48, eerste lid | Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen | 0,030 | 0,226 |
| Artikel 50, eerste lid | Verlengde levensduur ketel vaste of vloeibare biomassa | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 52, eerste lid | Composteringsinstallatie champost | 0,033 | 0,226 |
| Artikel 54, eerste lid, | Thermische energie uit oppervlaktewater | 0,040 | 0,166 |
| Artikel 56, eerste lid | Thermische energie uit drink- of afvalwater | 0,040 | 0,166 |
| Artikel 58, eerste lid | Daglichtkas | 0,024 | 0,185 |
| Artikel 60, eerste lid | Elektroboiler | 0,024 | 0,226 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel a | Industriële warmtepomp (gesloten) | 0,024 | 0,173 |
| Artikel 62, eerste lid, onderdeel b | Industriële warmtepomp (open) | 0,024 | 0,199 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel a | Restwarmtebenutting (zonder warmtepomp) | 0,024 | 0,223 |
| Artikel 64, eerste lid, onderdeel b | Restwarmtebenutting (met warmtepomp) | 0,024 | 0,165 |
| Artikel 66 | Waterstof uit elektrolyse | 0,037 | 0,219 |
| Artikel regeling | categorie | Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2 | Emissie-factor in kg CO2/1.000 kg CO2 |
| Artikel 68, onderdeel a | Bestaande afvang koolstofdioxide bij bestaand proces (ten hoogste 4.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625 |
| Artikel 68, onderdeel b | Bestaande afvang koolstofdioxidebij bestaand proces (ten hoogste 8.000 vollasturen) | 37,895 | 976,625 |
| Artikel 68, onderdeel c | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij bestaand proces | 37,895 | 896,650 |
| Artikel 68, onderdeel d | Nieuwe afvang koolstofdioxide bij nieuw proces | 37,895 | 902,549 |
§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen
§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit
Artikel 72
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:
- a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;
- b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;
- c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2020 vastgesteld op:
- 1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;
- 2°. voor wat betreft de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en
- 3°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)