Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Ieder lid kan, alleen of met andere leden, als initiatiefnemer een initiatiefwetsvoorstel bij de Kamer aanhangig maken door dit schriftelijk en ondertekend aan de Voorzitter te zenden.
Indien het initiatiefwetsvoorstel een rijkswetsvoorstel betreft, zendt de Voorzitter dit meteen na ontvangst aan de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een voorstel van een gevolmachtigde minister als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk.
Artikel 9.22. Horen Afdeling advisering van de Raad van State
De Kamer hoort de Afdeling advisering van de Raad van State voordat zij een initiatiefwetsvoorstel in behandeling neemt.
De Kamer kan de Afdeling advisering nogmaals horen nadat het initiatiefwetsvoorstel in behandeling is genomen. Een lid kan daartoe, zo nodig met doorbreking van de orde, een voorstel doen tot aan de eindstemming over het wetsvoorstel.
De initiatiefnemers zijn verantwoordelijk voor een schriftelijke reactie op de door de Afdeling advisering uitgebrachte adviezen.
Artikel 9.23. Behandeling initiatiefwetsvoorstellen
Een initiatiefwetsvoorstel wordt pas in handen van een commissie gesteld nadat het advies van de Afdeling advisering, bedoeld in artikel 9.22, eerste lid, met de schriftelijke reactie van de initiatiefnemers is openbaar gemaakt.
Het initiatiefwetsvoorstel wordt op dezelfde wijze behandeld als door of vanwege de Koning ingediende wetsvoorstellen, met dien verstande dat:
- a. overal waar sprake is van het optreden van een minister, de initiatiefnemers in zijn plaats optreden; en
- b. de initiatiefnemers niet aan het onderzoek van het voorstel deelnemen.
De initiatiefnemers kunnen zich in de vergadering van de commissies en van de Kamer doen bijstaan door ten hoogste vier door hen daartoe aangewezen personen.
Indien ministers bij de behandeling het woord verlangen, krijgen zij dit na de initiatiefnemers, tenzij de Kamer anders besluit.
Artikel 9.24. Wijziging samenstelling initiatiefnemers
De eerste ondertekenaar van een initiatiefwetsvoorstel deelt elke wijziging in de samenstelling van de initiatiefnemers die zich tijdens de behandeling door de Kamer voordoet, schriftelijk mee aan de Voorzitter.
Indien de eerste ondertekenaar geen lid meer is, kan een door zijn fractie of groep aangewezen lid dat initiatiefnemer wordt of de eerstvolgende ondertekenaar die nog lid is, de schriftelijke mededeling doen.
Artikel 9.25. Initiatiefwetsvoorstellen zonder initiatiefnemers
De Voorzitter deelt jaarlijks na de verzending van het ontwerp voor de raming in een vergadering aan de Kamer mee bij welke aanhangige initiatiefwetsvoorstellen geen van de initiatiefnemers meer lid is.
Indien er in de eerste vergadering zes weken na de mededeling geen nieuwe initiatiefnemers zijn voor een initiatiefwetsvoorstel, stelt de Voorzitter aan de Kamer voor dit wetsvoorstel als vervallen te beschouwen.
Artikel 9.26. Verdediging in de Eerste Kamer
Indien een initiatiefwetsvoorstel wordt aangenomen door de Kamer, dan wordt de initiatiefnemers opgedragen het wetsvoorstel in de Eerste Kamer te verdedigen. De Kamer kan anders besluiten.
De Kamer kan gedurende de behandeling in de Eerste Kamer besluiten de verdediging van het wetsvoorstel aan andere leden op te dragen.
Artikel 9.27. Verzending aangenomen initiatiefwetsvoorstel
De Voorzitter zendt een door de Kamer aangenomen initiatiefwetsvoorstel aan de Voorzitter van de Eerste Kamer met het volgende formulier: «De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt bijgaand door haar aangenomen wetsvoorstel aan de Eerste Kamer. Zij heeft ..... opgedragen het voorstel in die Kamer te verdedigen».
§ 9.4. Bijzonderheden begrotingswetsvoorstellen
Artikel 9.28. Stemmingen begrotingswetsvoorstel
De stemmingen over begrotingswetsvoorstellen en bij die wetsvoorstellen ingediende amendementen vinden steeds in samenhang plaats, bij voorkeur in één week.
§ 9.4. Bijzonderheden begrotingswetsvoorstellen
Artikel 9.29. Spoedige overweging in tweede lezing
De Kamer besluit met bekwame spoed over een wetsvoorstel tot verandering in de Grondwet dat aanhangig is gemaakt voor de overweging in tweede lezing, bedoeld in artikel 137, vierde lid, van de Grondwet.
Indien de Kamer niet over het wetsvoorstel heeft besloten in de eerste zitting nadat zij is ontbonden als bedoeld in artikel 137, derde lid, van de Grondwet, stelt de Voorzitter bij aanvang van de daaropvolgende zitting aan de Kamer voor het wetsvoorstel als vervallen te beschouwen.
Artikel 9.30. Bijzonderheden initiatiefwetsvoorstel tweede lezing
De fracties en groepen van de leden die in de Eerste Kamer een initiatiefwetsvoorstel hebben verdedigd dat is bekendgemaakt als wet houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, dragen zorg dat zo spoedig mogelijk na die bekendmaking een wetsvoorstel tot verandering in de Grondwet aanhangig wordt gemaakt.
Indien het betrokken wetsvoorstel niet op grond van het eerste lid aanhangig wordt gemaakt, maakt de Voorzitter het uiterlijk op de laatste dag van de zitting waarin de bekendmaking plaatsvond ambtshalve aanhangig.
Het wetsvoorstel kan pas na aanvang van de eerstvolgende zitting in handen van een commissie worden gesteld.
Artikel 9.25 is niet van toepassing op het wetsvoorstel. Indien geen van de initiatiefnemers en hun fracties of groepen meer deel uitmaken van de Kamer, kan de Kamer besluiten of andere leden initiatiefnemer van het wetsvoorstel worden.
Artikel 9.31. Wijziging Statuut voor het Koninkrijk
De artikelen 9.29 en 9.30 zijn van overeenkomstige toepassing op rijkswetsvoorstellen tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk die afwijken van de Grondwet.
Hoofdstuk 10. Verdragen, (ontwerp)besluiten en (initiatief)nota’s
§ 10.1. Verdragen
Artikel 10.1. Brief stilzwijgende goedkeuring Verdrag
Zodra een verdrag ter stilzwijgende goedkeuring wordt overgelegd aan de Kamer, wordt op de begeleidende brief aangetekend:
- a. de dag van ontvangst; en
- b. de dag waarop de wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal zal worden onderworpen uiterlijk te kennen kan worden gegeven.
De begeleidende brief met de aantekening wordt verspreid onder de leden.
Als eerste dag van de termijn voor het te kennen geven van de wens, geldt de dag na die van ontvangst van het verdrag.
Artikel 10.2. Uitspreken wens door de Kamer
De Voorzitter of een lid kan in een vergadering aan de Kamer voorstellen de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen te geven.
Indien de Kamer instemt met het voorstel, deelt de Voorzitter dit meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.
Indien de Kamer niet met het voorstel instemt, maar ten minste dertig leden zich voor het voorstel verklaren, dan vindt artikel 10.4 toepassing.
Artikel 10.3. Uitspreken wens namens de Kamer
De Voorzitter kan namens de Kamer de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geven. Hij raadpleegt zo mogelijk vooraf de betrokken commissies.
De Voorzitter geeft de wens te kennen aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en deelt dit vervolgens meteen mee aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.
Artikel 10.4. Uitspreken wens door dertig leden
Indien dertig of meer leden de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen willen geven, dan delen zij dit schriftelijk mee aan de Voorzitter.
De Voorzitter deelt het te kennen geven van de wens meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.
Artikel 10.5. (Uitspreken wens door) gevolmachtigde ministers
Indien het verdrag dat is overgelegd Aruba, Curaçao of Sint Maarten raakt, dan worden de desbetreffende gevolmachtigde ministers:
- a. in de gelegenheid gesteld de mondelinge behandeling van een voorstel als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, bij te wonen en daarbij zodanige voorlichting aan de Kamer te verstrekken als zij gewenst oordelen; en
- b. tevens steeds in kennis gesteld van het te kennen geven van de wens van uitdrukkelijke goedkeuring door of namens de Kamer of door ten minste dertig leden.
Indien een gevolmachtigde minister door tussenkomst van de Voorzitter de wens tot uitdrukkelijke goedkeuring van een verdrag te kennen geeft, dan deelt de Voorzitter dit meteen mee aan de Minister van Buitenlandse Zaken, en vervolgens aan de Kamer en de Voorzitter van de Eerste Kamer.
Artikel 10.6. Sluiting uitvoeringsverdrag, verlenging of opzegging verdrag
De artikelen 10.1 tot en met 10.5 zijn van overeenkomstige toepassing, indien de regering aan de Kamer mededeling doet van het voornemen tot:
- a. sluiting van een verdrag uitsluitend betreffende de uitvoering van een goedgekeurd verdrag;
- b. verlenging van een aflopend verdrag; of
- c. opzegging van een verdrag.
§ 10.2. (Ontwerp)besluiten
Artikel 10.7. Brief over (ontwerp)besluit
Indien op grond van de wet aan de Kamer een (ontwerp)besluit wordt overgelegd en de wens te kennen kan worden gegeven dat het onderwerp of de inwerkingtreding van het (ontwerp)besluit bij wet wordt geregeld, dan wordt op de begeleidende brief aangetekend:
- a. de dag van ontvangst; en
- b. de dag waarop de wens uiterlijk te kennen kan worden gegeven.
De begeleidende brief met de aantekening wordt verspreid onder de leden.
Als eerste dag van de wettelijke termijn voor het te kennen geven van de wens, geldt de dag na die van ontvangst van het ontwerpbesluit.
Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing in andere gevallen waarin naar aanleiding van een door de Kamer ontvangen brief een in de wet omschreven wens te kennen kan worden gegeven.
Artikel 10.8. Uitspreken wens
Voor zover de wet hierin voorziet, kan de wens aan de betrokken minister te kennen worden gegeven:
- a. door de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.2;
- b. namens de Kamer, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.3;
- c. door een in de wet genoemd aantal leden, onder overeenkomstige toepassing van artikel 10.4.
§ 10.3. (Initiatief)nota’s
Artikel 10.9. Indiening en inhandenstelling initiatiefnota
Ieder lid kan, alleen of met andere leden, over een door hem te bepalen onderwerp een initiatiefnota indienen.
De initiatiefnota dient paragrafen met beslispunten en financiële aspecten te bevatten.
De Voorzitter stelt de initiatiefnota in handen van een commissie. Indien de paragrafen, bedoeld in het tweede lid, niet in de initiatiefnota zijn opgenomen, kan de Voorzitter de indieners verzoeken het stuk daarvan alsnog te voorzien.
Het besluit tot inhandenstelling wordt zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de Kamer. Bij die mededeling kan de Kamer anders besluiten over de inhandenstelling.
Artikel 10.10. Behandeling (initiatief)nota’s
De commissie houdt in ieder geval een notaoverleg over een in haar handen gestelde initiatiefnota.
Indien een commissie besluit voorafgaand een verslag vast te stellen over de initiatiefnota, zijn de artikelen 9.2 en 9.3 van overeenkomstige toepassing.
Indien een commissie besluit een verslag uit te brengen over een ander stuk waarover zij een notaoverleg wenst te houden, zijn de artikelen 9.2 en 9.3 eveneens van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 9.24 en 9.25 zijn van overeenkomstige toepassing op initiatiefnota’s.
Hoofdstuk 11. De kabinetsformatie
Artikel 11.1. Aanwijzing van kabinets(in)formateurs
De Kamer beraadslaagt na aanvang van een nieuwe zitting zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk na een week, over de verkiezingsuitslag. Het doel van de beraadslaging is een of meer informateurs onderscheidenlijk formateurs aan te wijzen en de door hen uit te voeren opdracht vast te stellen. Indien dat doel niet in de vergadering wordt bereikt, besluit de Kamer daarover zo spoedig mogelijk in een volgende vergadering.
De Kamer stelt bij de aanwijzing van de informateurs of formateurs een termijn vast, waarbinnen de uit te voeren opdracht moet zijn afgerond. De termijn kan niet worden verlengd.
Indien een informatieopdracht binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wordt afgerond, formuleert de Kamer in beginsel binnen een week na de dag van afronding een formatieopdracht, en wijst zij voor de uitvoering daarvan een of meer formateurs aan.
Indien de aangewezen informateurs of formateurs hun opdracht binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, teruggeven, of zij niet binnen die termijn hun opdracht hebben afgerond, formuleert de Kamer in beginsel binnen een week na de dag van teruggave onderscheidenlijk na de dag van het verstrijken van de termijn een nieuwe opdracht, en wijst zij voor de uitvoering daarvan een of meer informateurs of formateurs aan.
De aanwijzing van een informateur of formateur vindt plaats onder toepassing van de artikelen 8.25 tot en met 8.30.
Na een tussentijdse val van het kabinet kan de Kamer beraadslagen over de wenselijkheid of richting van een nieuwe kabinetsformatie. Het eerste tot en met vijfde lid is dan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste drie weken kan bedragen.
Artikel 11.2. Inlichtingen over kabinetsformatie
De Kamer kan de informateurs en formateurs tijdens de uitvoering van en na afronding van hun opdracht uitnodigen om inlichtingen te verschaffen over het verloop van de kabinetsformatie.
Artikel 11.3. Controversiële onderwerpen
Na een tussentijdse val van het kabinet, een koninklijk besluit tot ontbinding van de Kamer, of verkiezingen voor de Kamer, kan de Kamer op schriftelijk voorstel van een commissie of van een of meer leden besluiten om een of meer onderwerpen controversieel te verklaren.
Indien een onderwerp controversieel is verklaard, wordt de behandeling daarvan uitgesteld totdat een nieuw kabinet is aangetreden of de Kamer tussentijds anders besluit.
Hoofdstuk 12. Inlichtingen en onderzoek
§ 12.1. De schriftelijke vragen
Artikel 12.1. Indienen schriftelijke vragen
Een lid dat schriftelijk vragen wil stellen aan een minister dient deze vragen in bij de Voorzitter. De vragen moeten kort en duidelijk zijn geformuleerd.
De Voorzitter zendt de vragen door aan de betrokken minister, tenzij hij van oordeel is dat de vragen woorden als bedoeld in artikel 8.16, eerste lid, onder a tot en met f, bevatten.
De Voorzitter brengt de doorgezonden vragen ter kennis van de leden en maakt deze vragen openbaar.
Artikel 12.2. Beantwoording schriftelijke vragen
Indien een minister niet in staat is om een schriftelijke vraag binnen drie weken te beantwoorden, dan laat hij de Voorzitter dit onder opgave van redenen weten.
De Griffier maakt regelmatig een overzicht openbaar van de vragen die langer dan zes weken op beantwoording wachten, en rappelleert daarover regelmatig bij de ministers.
§ 12.2. Het mondelinge vragenuur
Artikel 12.3. Tijdstip en voorbereiding mondelinge vragenuur
Het mondelinge vragenuur vindt plaats op dinsdag aan het begin van de vergadering. De ministers worden verzocht steeds beschikbaar te zijn op dit tijdstip, tenzij zij verplichtingen hebben die naar het oordeel van de Voorzitter moeten voorgaan.
Ieder lid kan ten hoogste één onderwerp aanmelden waarover hij tijdens het vragenuur vragen wil stellen. Het lid kan dit onderwerp schriftelijk aanmelden bij de Voorzitter vanaf de sluiting van de laatste vergadering in de voorafgaande week tot uiterlijk 11.00 uur op de dinsdag van het vragenuur. Indien in de voorafgaande week na donderdag 12.00 uur geen vergadering plaatsvindt, kan het lid zijn onderwerp vanaf dat tijdstip aanmelden.
De Voorzitter beslist zo spoedig mogelijk over welke van de aangemelde onderwerpen in het vragenuur vragen worden gesteld, en maakt deze onderwerpen openbaar.
De Voorzitter nodigt de betrokken ministers uit voor het vragenuur, onder vermelding van de uitgekozen onderwerpen.
De Kamer kan in een bijzonder geval besluiten het vragenuur te laten plaatsvinden op een ander tijdstip dan dat bedoeld in het eerste lid. De Voorzitter bepaalt dan tot wanneer de leden hun onderwerpen bij hem kunnen aanmelden.
Artikel 12.4. Verloop mondelinge vragenuur
De Voorzitter bepaalt de volgorde waarin de onderwerpen tijdens het mondelinge vragenuur aan de orde worden gesteld.
Bij elk onderwerp wordt het lid dat het onderwerp heeft aangemeld, de vragensteller, gedurende in totaal vier minuten een of meerdere keren het woord verleend om aan de minister vragen te stellen, en wordt aan de minister een of meerdere keren het woord verleend om de vragen beknopt te beantwoorden.
Vervolgens kan de Voorzitter aan de leden het woord verlenen om aan de minister vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. Daarbij wordt het woord voor ten hoogste een halve minuut per vraag verleend. De minister wordt het woord verleend om de vragen beknopt te beantwoorden.
Tijdens het vragenuur kunnen de leden van een fractie gezamenlijk ten hoogste twee vragen als bedoeld in het derde lid stellen, en de leden van een groep gezamenlijk ten hoogste één dergelijke vraag.
Indien een onderwerp aan het einde van het vragenuur nog niet aan de orde is gekomen, kan de Voorzitter besluiten dat dit komt te vervallen.
Artikel 12.5. Beperkingen tijdens mondelinge vragenuur
Tijdens het mondelinge vragenuur:
- a. zijn interrupties niet toegestaan;
- b. is het indienen van moties niet toegestaan; en
- c. zijn de artikelen 8.10, derde lid, en 8.12 niet van toepassing.
§ 12.3. De interpellatie
Artikel 12.6. Interpellatie
Ieder lid dat inlichtingen van een minister verlangt over een onderwerp, kan de Kamer verzoeken om hem toe te staan een interpellatie te houden. Het lid vermeldt hierbij de belangrijkste punten waarover hij bij de interpellatie vragen wil stellen.
Het verzoek wordt toegekend indien het wordt gesteund door ten minste dertig leden.
De Voorzitter bepaalt wanneer de interpellatie wordt gehouden.
De interpellant dient de vragen die hij zal stellen binnen een week schriftelijk in bij de Voorzitter. Deze zendt de vragen door aan de betrokken minister. Artikel 12.1, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van artikel 8.12 voert tijdens de interpellatie slechts de interpellant het woord in ten hoogste twee termijnen en de andere leden het woord in ten hoogste één termijn.
Indien bij een interpellatie zeer veel spoed is vereist en de minister aanwezig is, kan de Kamer besluiten dat een interpellatie meteen wordt gehouden. Het vierde lid is dan niet van toepassing, en de minister geeft meteen de gevraagde inlichtingen. Als dit niet mogelijk is, stelt de Kamer de verdere behandeling uit tot een later tijdstip.
§ 12.3. De interpellatie
Artikel 12.7. Dertigledendebat
Ieder lid kan verzoeken een dertigledendebat te houden, onder vermelding van het onderwerp van het debat.
Het verzoek wordt toegekend indien het wordt gesteund door ten minste dertig leden.
De Voorzitter bepaalt wanneer het debat wordt gehouden.
§ 12.4. Het dertigledendebat
Artikel 12.8. Vervallen toekenning debat
Indien in de eerste vergadering twaalf weken na de toekenning van een interpellatiedebat, een dertigledendebat of een ander door een lid verzocht debat waartoe de Kamer heeft besloten, dit debat nog niet heeft plaatsgevonden, dan vervalt de toekenning.
Het lid dat om het debat heeft verzocht, of een ander lid van zijn fractie of groep, kan uiterlijk in de in het eerste lid bedoelde vergadering meedelen dat hij de termijn voor de toekenning wenst te verlengen. De verlenging geldt vanaf die mededeling tot en met de eerste vergadering twaalf weken nadien. De termijn kan op deze wijze ten hoogste twee keer worden verlengd.
§ 12.5. Vervallen toekenning debat
Artikel 12.9. Parlementaire enquête
Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een daarvoor in te stellen enquêtecommissie.
Artikel 12.10. Ander parlementair onderzoek
Ander parlementair onderzoek wordt uitgevoerd door een daarvoor in te stellen tijdelijke commissie.
Artikel 12.11. Regeling parlementair en extern onderzoek
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden nadere regels gesteld voor:
- a. parlementair onderzoek door een enquêtecommissie;
- b. parlementair onderzoek door een tijdelijke commissie; en
- c. extern onderzoek door derden.
Hoofdstuk 13. Europese, internationale en interparlementaire aangelegenheden
§ 13.1. Europese aangelegenheden
Artikel 13.1. Lidmaatschap Europees Parlement
De artikelen 2.1, eerste tot en met derde lid, en 2.2 zijn van overeenkomstige toepassing op de op grond van de wet door de Kamer te nemen beslissingen over de toelating tot het lidmaatschap van in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement, en het verlies van dat lidmaatschap.
Artikel 13.2. Deelname aan beraadslaging door leden Europees Parlement
De Kamer kan besluiten dat in Nederland gekozen leden van het Europees Parlement worden uitgenodigd om inlichtingen te verstrekken en daartoe deel te nemen aan de beraadslaging van de Kamer over een aan de orde gesteld onderwerp.
Artikel 13.3. Betrokkenheid Kamer bij besluitvorming Europese Unie
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden regels gesteld over de betrokkenheid van de Kamer bij de totstandkoming van besluitvorming van de Europese Unie.
§ 13.2. Internationale aangelegenheden
Artikel 13.4. Toespreken vergadering door buitenlandse staatshoofden en regeringsleiders
De Kamer kan besluiten dat het staatshoofd of de regeringsleider van een ander land wordt uitgenodigd een vergadering bij te wonen om de Kamer toe te spreken.
Artikel 13.5. Inzet of ter beschikking stellen krijgsmacht
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden regels gesteld over de procedure bij ontvangst van inlichtingen van de regering over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde.
§ 13.3. Interparlementaire aangelegenheden
Artikel 13.6. Griffie interparlementaire betrekkingen
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de beide Kamers der Staten-Generaal, wordt de instelling en aansturing van een griffie voor de interparlementaire betrekkingen geregeld.
Artikel 13.7. Rapportage interparlementaire vergaderingen
De voorzitters van delegaties die hebben deelgenomen aan internationale interparlementaire vergaderingen rapporteren schriftelijk aan de Kamer over hun bevindingen.
Artikel 13.8. Interparlementair Koninkrijksoverleg
Indien het Interparlementair Koninkrijksoverleg van delegaties van de beide Kamers der Staten-Generaal en van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten plaatsvindt in Den Haag onder het voorzitterschap van een lid van de Tweede Kamer of van diens plaatsvervanger, dan is dit Reglement op dat overleg van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 14. Verzoekschriften en burgerinitiatieven
Artikel 14.1. Verzoekschriften
In de regeling, bedoeld in artikel 7.7, achtste lid, worden voorwaarden gesteld waaraan een verzoekschrift dient te voldoen om in behandeling te kunnen worden genomen.
Artikel 14.2. Burgerinitiatieven
Een burgerinitiatief is een voorstel aan de Kamer om een onderwerp te behandelen, en dient te zijn gericht op de vervaardiging, wijziging of intrekking van een wettelijke regeling, of op het te voeren regeringsbeleid.
In de regeling, bedoeld in artikel 7.7, achtste lid, worden nadere voorwaarden gesteld waaraan een door de Kamer ontvangen schriftelijk stuk dient te voldoen om in behandeling te kunnen worden genomen als burgerinitiatief.
De initiatiefnemers van een burgerinitiatief kan worden verzocht een toelichting op hun burgerinitiatief te geven.
De Kamer neemt over elk burgerinitiatief dat zij in behandeling neemt een besluit binnen negen maanden nadat door de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven aan de Kamer verslag is uitgebracht.
Artikel 14.3. Behandeling conclusies verzoekschriften en burgerinitiatieven
Bij de behandeling door de Kamer van door de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven voorgestelde conclusies, kan ieder lid wijzigingen voorstellen op deze conclusies. De artikelen over amendementen op wetsvoorstellen zijn op deze voorstellen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ook voorstellen waarvan de strekking tegengesteld is aan die van de conclusies toelaatbaar zijn.
Indien de Kamer de voorgestelde conclusies verwerpt zonder daarvoor andere in de plaats te stellen, dan worden de betrokken stukken doorgeleid naar een daartoe in te stellen tijdelijke commissie, die daarover nader verslag uitbrengt aan de Kamer.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op in het verslag van de tijdelijke commissie voorgestelde conclusies. Bij herhaalde toepassing van het tweede lid worden de betrokken stukken doorgeleid naar een nieuwe tijdelijke commissie.
Artikel 14.4. Brief minister geen gevolg geven aan conclusies
Indien de Kamer heeft ingestemd met conclusies over een verzoekschrift of burgerinitiatief, waarbij een minister wordt uitgenodigd iets te doen of na te laten, en de minister bij brief te kennen geeft daaraan geen gevolg te geven, dan wordt die brief doorgeleid naar de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven.
De commissie kan aan de Kamer voorstellen om de brief en de bijbehorende stukken door te geleiden naar een andere commissie, die daarover nader aan de Kamer verslag uitbrengt.
Hoofdstuk 15. Openbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit
§ 15.1. Openbaarheid vergaderingen
Artikel 15.1. Openbaarheid vergaderingen
De vergaderingen van de Kamer en de commissies zijn openbaar, met uitzondering van de in de Grondwet en artikel 7.19 bedoelde gevallen.
De agenda van de openbare vergaderingen wordt voorafgaand openbaar gemaakt.
§ 15.1. Openbaarheid vergaderingen
Artikel 15.2. Toehoorders en overige aanwezigen
De toehoorders van een vergadering van de Kamer, en de overige aanwezigen in de gebouwen van de Kamer, mogen de orde niet verstoren. Alle aanwezigen moeten in ieder geval de aanwijzingen opvolgen van de Voorzitter, de ambtenaren van de Kamer, de politie en andere toezichthoudende functionarissen.
De toehoorders moeten tijdens een vergadering in ieder geval alle tekenen van goed- of afkeuring achterwege laten en een behoorlijke stilte in acht nemen.
De Voorzitter zorgt tijdens een vergadering voor de handhaving van het eerste en tweede lid ten aanzien van de toehoorders. Bij overtredingen kan hij de overtreders, en desnoods een deel van de overige toehoorders of alle toehoorders, doen laten vertrekken.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op vergaderingen van commissies.
Artikel 15.3. Algemene ontzegging of beperking toegang in verband met buitengewone omstandigheden
Indien buitengewone omstandigheden dit naar het oordeel van het Presidium noodzakelijk maken, kan het Presidium besluiten tijdelijk bezoekers de toegang tot het gebouw van de Kamer of in het bijzonder de tribunes te ontzeggen of deze toegang op andere wijze te beperken.
Tijdens een periode waarin een maatregel als bedoeld in het eerste lid geldt, blijven genodigden en geaccrediteerde journalisten toegang tot het gebouw of de tribunes hebben, voor zover dit naar het oordeel van het Presidium verantwoord is. Het Presidium kan tevens toestaan dat andere bezoekers tot het gebouw of de tribunes worden toegelaten.
Een maatregel als bedoeld in het eerste lid, kan voor de duur van ten hoogste drie maanden worden genomen en telkens worden verlengd, en wordt niet langer gehandhaafd dan door het Presidium noodzakelijk wordt geacht in verband met de buitengewone omstandigheden.
Artikel 15.4. Tijdelijke ontzegging toegang
Het Presidium kan degene die de orde heeft verstoord tijdelijk de toegang ontzeggen tot de gebouwen van de Kamer of een deel daarvan. De toegang kan slechts worden ontzegd, indien naar het oordeel van het Presidium de orde ernstig is verstoord en vrees bestaat voor een nieuwe verstoring van de orde.
De ontzegging kan voor de duur van ten hoogste drie maanden worden vastgesteld en telkens worden verlengd, en wordt niet langer gehandhaafd dan door het Presidium noodzakelijk wordt geacht op grond van de overwegingen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 15.5. Nadere regels
Het Presidium kan bij afzonderlijke regeling nadere regels vaststellen over de toegang van de toehoorders van vergaderingen en van overige aanwezigen tot de gebouwen van de Kamer en tot de vergaderingen van de Kamer en de commissies.
§ 15.3. Verslaglegging
Artikel 15.6. Woordelijk verslag
Er wordt een geredigeerd woordelijk verslag gemaakt van wat is gezegd tijdens:
- a. elke openbare vergadering van de Kamer;
- b. elke bijeenkomst als bedoeld in artikel 8.3, tweede lid, van de Kamer;
- c. elk openbaar commissiedebat, wetgevingsoverleg en notaoverleg als bedoeld in artikel 7.26.
De Kamer of een commissie kan besluiten dat van andere van haar vergaderingen een geredigeerd woordelijk verslag wordt gemaakt.
Artikel 15.7. Officieel verslag
Er wordt tevens een officieel verslag gemaakt van de vergaderingen van de Kamer, en van bijeenkomsten als bedoeld in artikel 8.3, tweede lid.
Het officieel verslag van een vergadering van de Kamer bevat in ieder geval:
- a. de namen van de aanwezige leden;
- b. de uitslagen van de stemmingen en of leden zich bij een hoofdelijke stemming voor of tegen verklaarden;
- c. de lijst van ingekomen stukken met de mededelingen en voorstellen voor de wijze van behandeling; en
- d. alle door de Kamer of de Voorzitter genomen besluiten.
Het officieel verslag van een bijeenkomst als bedoeld in artikel 8.3, tweede lid, bevat in ieder geval:
- a. de namen van de aanwezige en afwezige leden; en
- b. de lijst van ingekomen stukken met de mededelingen en voorstellen voor de wijze van behandeling.
De officiële verslagen worden vastgesteld door ondertekening door de Voorzitter en de Griffier, en in het archief van de Kamer bewaard.
Artikel 15.8. Verslaglegging vergadering met gesloten deuren van de Kamer
Indien de Kamer besluit dat van een vergadering met gesloten deuren van de Kamer een woordelijk verslag wordt gemaakt, hebben de medewerkers van de Dienst Verslag en Redactie die dit verslag maken, toegang tot de vergadering. Het woordelijk verslag wordt niet openbaar gemaakt en wordt achter slot bewaard, tenzij de Kamer hierover dadelijk of op een later tijdstip anders besluit.
Indien de Kamer niet besluit tot het laten maken van een woordelijk verslag van een vergadering met gesloten deuren van de Kamer, maakt de Griffier of een door hem aan te wijzen ambtenaar notulen. Deze bevatten de informatie, bedoeld in artikel 15.7, tweede lid, en een beknopt verslag van de beraadslagingen. De notulen worden meteen of in een volgende vergadering met gesloten deuren aan de goedkeuring van de Kamer onderworpen. Zij worden niet openbaar gemaakt en achter slot bewaard, tenzij de Kamer hierover dadelijk of op een later tijdstip anders besluit.
Artikel 15.9. Verslaglegging besloten commissievergadering
Artikel 15.8 is van overeenkomstige toepassing op besloten commissievergaderingen en besloten gedeelten van een commissievergadering, waarvan een commissie een woordelijk verslag of notulen wenst te maken.
De commissie beslist over de openbaarmaking van het woordelijk verslag of de notulen. Indien de betrokken commissie niet langer bestaat of onduidelijk is welke commissie over de openbaarmaking kan beslissen, beslist de Kamer.
Artikel 15.10. Openbaarmaking verslagen en Handelingen
De woordelijke verslagen worden in ongecorrigeerde vorm openbaar gemaakt.
De woordelijke verslagen, bedoeld in artikel 15.6, eerste lid, onder a en b, worden na vaststelling openbaar gemaakt als de Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De woordelijke verslagen, bedoeld in artikel 15.6, eerste lid, onder c, worden na vaststelling opgenomen in het verslag van de commissie van het overleg of debat waarop zij betrekking hebben, en openbaar gemaakt.
Indien ministers of personen die hen in een vergadering van de Kamer bijstaan een deel van de aan hen tijdens een vergadering gestelde vragen schriftelijk beantwoorden, worden deze antwoorden opgenomen bij de Handelingen als bijvoegsel bij de vergadering waarin de overige vragen mondeling werden beantwoord.
De schriftelijke vragen, bedoeld in artikel 12.1, worden met de daarop gegeven antwoorden opgenomen in het aanhangsel van de Handelingen.
Artikel 15.11. Dienst Verslag en Redactie
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de beide Kamers der Staten-Generaal, worden de zorg voor de dienst die is belast met de verslaglegging voor die Kamers, de Dienst Verslag en Redactie, de taakuitoefening van die dienst met betrekking tot in ieder geval de woordelijke verslagen, alsmede het openbaar maken en bewaren van de verslagen geregeld.
De Dienst is in ieder geval belast met het maken van de woordelijke verslagen en officiële verslagen.
§ 15.4. Geheimhouding besloten vergaderingen
Artikel 15.12. Geheimhouding vergadering Kamer met gesloten deuren
Een ieder neemt de geheimhouding in acht ten aanzien van de gedachtewisseling in een vergadering met gesloten deuren van de Kamer.
De plicht tot geheimhouding geldt in ieder geval voor hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen.
De Kamer kan de geheimhouding slechts opheffen in een vergadering met gesloten deuren.
Artikel 15.13. Geheimhouding besloten commissievergadering
Een ieder neemt de geheimhouding in acht ten aanzien van de gedachtewisseling in een besloten commissievergadering of een besloten deel van een commissievergadering, met uitzondering van wat de commissie vermeldt in openbaar gemaakte verslagen of notulen.
De plicht tot geheimhouding geldt in ieder geval voor hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen.
De commissie kan de geheimhouding slechts opheffen in een besloten commissievergadering of een besloten deel van een commissievergadering. Indien de betrokken commissie niet langer bestaat of onduidelijk is welke commissie over het opheffen van de geheimhouding kan beslissen, beslist de Kamer.
Artikel 15.14. Schending geheimhouding
De Kamer kan, op voorstel van het Presidium, besluiten om een lid dat de geheimhouding, bedoeld in de artikelen 15.12 en 15.13, niet in acht neemt, uit te sluiten van:
- a. alle vergaderingen van één of meer commissies, voor ten hoogste één maand; en
- b. de kennisneming van vertrouwelijke stukken, voor ten hoogste de verdere duur van de zitting.
Het Presidium doet slechts een voorstel als bedoeld in het eerste lid, nadat het betrokken lid in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord.
De Kamer stemt over het voorstel bij aanvang van de eerste vergadering na de dag waarop het Presidium tot het doen van het voorstel heeft besloten. Er wordt niet over het voorstel beraadslaagd.
De Voorzitter deelt het besluit van de Kamer meteen mee aan het betrokken lid.
§ 15.5. Openbaar maken van stukken
Artikel 15.15. Openbaar maken van stukken
Alle tussen de regering en de Kamer gewisselde stukken worden meteen openbaar gemaakt, tenzij dit niet mogelijk is of een stuk vertrouwelijk is.
De betrokken stukken worden ook op andere wijze verspreid, zodra de Kamer dit nodig acht.
§ 15.5. Openbaar maken van stukken
Artikel 15.16. Vertrouwelijkheid stukken
Een ieder neemt de vertrouwelijkheid in acht ten aanzien van de inhoud van een vertrouwelijk stuk.
Indien een lid de vertrouwelijkheid niet in acht neemt, is artikel 15.14 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.17. Register vertrouwelijke stukken
De griffie houdt een register bij van de door de Kamer en de commissies ontvangen vertrouwelijke stukken.
Artikel 15.18. Regeling vertrouwelijke stukken
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, worden nadere regels gesteld over de aanwijzing, het bewaren en de behandeling van vertrouwelijke stukken.
De regeling bevat in ieder geval regels voor het registreren, ter inzage leggen, inzien, verspreiden en vermenigvuldigen van de vertrouwelijke stukken.
§ 15.7. Openbare registers
Artikel 15.19. Register nevenactiviteiten en belangen
De griffie houdt een register bij van:
- a. de nevenactiviteiten van de leden;
- b. de uit de nevenactiviteiten te verwachten of genoten inkomsten; en
- c. andere redelijkerwijs relevante belangen van leden.
De leden vermelden de in het eerste lid bedoelde informatie steeds in het register:
- a. binnen een week nadat ze als lid tot de Kamer zijn toegelaten;
- b. binnen een week na het aanvaarden van een nevenactiviteit of het ontstaan van een relevant belang; en
- c. opnieuw op uiterlijk 1 mei na ieder kalenderjaar, voor zover het inkomsten betreft die zijn genoten in dat kalenderjaar.
Onder inkomsten als bedoeld in dit artikel wordt verstaan het loon, bedoeld in artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31 van die wet, en de winst uit onderneming, bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 15.20. Register buitenlandse reizen
De griffie houdt een register bij van de door leden ondernomen buitenlandse reizen waarvan de vervoerskosten en verblijfskosten geheel of gedeeltelijk worden betaald door anderen dan het lid, zijn fractie, de Kamer of een commissie van de Kamer.
De leden vermelden de buitenlandse reizen steeds binnen een week na terugkeer in Nederland in het register.
Artikel 15.21. Register geschenken en voordelen
De griffie houdt een register bij van de door leden ontvangen geschenken en voordelen met een hogere waarde dan 50 euro.
De leden vermelden de geschenken en voordelen steeds binnen een week na ontvangst daarvan in het register.
Artikel 15.22. Register toezeggingen
De griffie houdt een register bij van de door de ministers tijdens openbare vergaderingen van de Kamer en de commissies gedane mondelinge toezeggingen.
Artikel 15.23. Openbaarheid registers
De registers, genoemd in deze paragraaf, liggen voor een ieder ter inzage.
De Griffier draagt zorg dat een actueel overzicht van de opgaven in de registers wordt openbaar gemaakt.
§ 15.8. Integriteit
Artikel 15.24. Gedragscode
De Kamer stelt een afzonderlijke gedragscode voor de leden vast, alsmede een afzonderlijke regeling voor het toezicht op, en de handhaving van, die gedragscode.
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Artikel 16.1. Wijziging van het Reglement
Ieder lid kan, alleen of met andere leden, een voorstel tot wijziging van dit Reglement indienen.
Het Presidium of een commissie kan ook een voorstel tot wijziging van het Reglement indienen als dit het gevoelen van een meerderheid van het aantal leden waaruit zij bestaat weergeeft. Het voorstel wordt ondertekend door de leden van het Presidium of de commissie die het zullen verdedigen.
Op een voorstel tot wijziging zijn de voor initiatiefwetsvoorstellen geldende artikelen van overeenkomstige toepassing.
Het voorbereidend onderzoek van een voorstel tot wijziging wordt verricht door de commissie voor de Werkwijze, tenzij de Kamer besluit een andere commissie hiermee te belasten. Indien het voorstel is ingediend door de commissie voor de Werkwijze, wordt in ieder geval een andere commissie met het voorbereidend onderzoek belast.
Een door de Kamer aangenomen voorstel tot wijziging treedt onmiddellijk in werking, tenzij de Kamer anders besluit.
Indien een aangenomen voorstel tot wijziging in de loop van de beraadslaging of als gevolg van de stemmingen is gewijzigd, wordt de aangenomen tekst van het voorstel openbaar gemaakt.
Artikel 16.2. Overige regelingen
Artikel 16.1 is van overeenkomstige toepassing op voorstellen tot vaststelling of wijziging van de overige op grond van dit Reglement door de Kamer vast te stellen regelingen.
Artikel 16.3. Afwijking van het Reglement
De Kamer kan besluiten van dit Reglement af te wijken, tenzij:
- a. een lid zich daartegen verzet; of
- b. de afwijking in strijd is met de wet.
Artikel 16.4. Overgangsbepaling
Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het in artikel 16.5 bedoelde tijdstip, wordt ingetrokken.
De Regeling tijdelijke beperking of ontzegging toegang, zoals deze luidde onmiddellijk voorafgaand aan het in artikel 16.5 bedoelde tijdstip, wordt ingetrokken.
De op grond van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, zoals dit luidde onmiddellijk voorafgaand aan het in artikel 16.5 bedoelde tijdstip, ingestelde organen en geldende besluiten en overige regelingen, berusten met ingang van dat tijdstip op dit Reglement.
De onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in artikel 16.5, aangehouden moties en toegekende debatten, gelden als aangehouden onderscheidenlijk toegekend vanaf dat tijdstip.
Artikel 16.5. Inwerkingtreding
Dit Reglement treedt in werking met ingang van een door de Kamer te bepalen tijdstip.
Artikel 7.10a. Bezwaaradviescommissie
Bij afzonderlijke regeling, vast te stellen door de Kamer, wordt een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht ingesteld ten behoeve van de beslissingen op bezwaar, bedoeld in de artikelen 3.2, onder e, en 6.2, tweede lid, onder d. In de regeling worden nadere regels gegeven over de adviescommissie, waaronder over de organisatie, werkwijze en het lidmaatschap van de adviescommissie.
§ 7.2. De samenstelling
§ 7.2.1. De commissieleden
§ 7.2.2. De commissievoorzitter
§ 7.2.3. De ondersteuning
§ 7.3. De vergaderingen
§ 7.4. De besluitvorming
§ 7.5. De behandeling van stukken
§ 7.6. De verslagen
§ 7.7. De bevoegdheden
§ 7.7.1. Algemeen
§ 7.7.2. Het mondeling en schriftelijk overleg
§ 7.7.3. Bijzonderheden overige bevoegdheden
Hoofdstuk 8. De plenaire vergadering
§ 8.1. Algemene bepalingen
§ 8.1.1. Het begin en einde van de vergadering
§ 8.1.2. De vergaderzaal
§ 8.1.3. De organisatie van de werkzaamheden
§ 8.2. De beraadslaging
§ 8.2.1. Spreken in de vergadering
§ 8.2.2. Gedrag in de vergadering
§ 8.2.3. Moties
§ 8.2.4. Het sluiten van de beraadslaging
§ 8.3. De besluitvorming
§ 8.3.1. Algemene bepalingen
§ 8.3.2. Besluitvorming over zaken
§ 8.3.3. Besluitvorming over personen
Hoofdstuk 9. Wetsvoorstellen
§ 9.1. Wetsvoorstellen
§ 9.1.1. Voorbereiding door de commissie
§ 9.1.2. Amendementen
§ 9.1.3. De beraadslaging
§ 9.1.4. De stemmingen
§ 9.1.5. Afronding behandeling
§ 9.2. Bijzonderheden rijkswetsvoorstellen
§ 9.3. Bijzonderheden initiatiefwetsvoorstellen
§ 9.4. Bijzonderheden begrotingswetsvoorstellen
§ 9.5. Bijzonderheden herziening Grondwet of Statuut voor het Koninkrijk
Hoofdstuk 10. Verdragen, (ontwerp)besluiten en (initiatief)nota’s
§ 10.1. Verdragen
§ 10.2. (Ontwerp)besluiten
§ 10.3. (Initiatief)nota’s
Hoofdstuk 11. De kabinetsformatie
Hoofdstuk 12. Inlichtingen en onderzoek
§ 12.1. De schriftelijke vragen
§ 12.2. Het mondelinge vragenuur
§ 12.3. De interpellatie
§ 12.4. Het dertigledendebat
§ 12.5. Vervallen toekenning debat
§ 12.6. Parlementair en extern onderzoek
Hoofdstuk 13. Europese, internationale en interparlementaire aangelegenheden
§ 13.1. Europese aangelegenheden
§ 13.2. Internationale aangelegenheden
§ 13.3. Interparlementaire aangelegenheden
Hoofdstuk 14. Verzoekschriften en burgerinitiatieven
Hoofdstuk 15. Openbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit
§ 15.1. Openbaarheid vergaderingen
§ 15.2. Toehoorders en overige aanwezigen
§ 15.3. Verslaglegging
§ 15.4. Geheimhouding besloten vergaderingen
§ 15.5. Openbaar maken van stukken
§ 15.6. Vertrouwelijkheid stukken
§ 15.7. Openbare registers
§ 15.8. Integriteit
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Artikel 5.4. Openbaarmaking arbeidsomstandighedenbeleid
Elke fractie of groep maakt het bij haar gevoerde beleid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, steeds openbaar op een openbare website, en deelt de vindplaats daarvan mee aan de Griffier.
Hoofdstuk 6. Het personeel
§ 6.1. De Griffier
§ 6.2. De overige ambtenaren
Hoofdstuk 7. De commissies
§ 7.1. Soorten commissies
§ 7.2. De samenstelling
§ 7.2.2. De commissievoorzitter
§ 7.2.3. De ondersteuning
§ 7.3. De vergaderingen
§ 7.6. De verslagen
§ 7.7. De bevoegdheden
§ 7.7.2. Het mondeling en schriftelijk overleg
§ 7.7.3. Bijzonderheden overige bevoegdheden
Hoofdstuk 8. De plenaire vergadering
§ 8.1. Algemene bepalingen
§ 8.1.1. Het begin en einde van de vergadering
§ 8.1.2. De vergaderzaal
§ 8.1.3. De organisatie van de werkzaamheden
§ 8.2. De beraadslaging
§ 8.2.1. Spreken in de vergadering
§ 8.2.2. Gedrag in de vergadering
§ 8.2.3. Moties
§ 8.2.4. Het sluiten van de beraadslaging
§ 8.3. De besluitvorming
§ 8.3.1. Algemene bepalingen
§ 8.3.2. Besluitvorming over zaken
§ 8.3.3. Besluitvorming over personen
Hoofdstuk 9. Wetsvoorstellen
§ 9.1. Wetsvoorstellen
§ 9.1.1. Voorbereiding door de commissie
§ 9.1.2. Amendementen
§ 9.1.4. De stemmingen
§ 9.1.5. Afronding behandeling
§ 9.2. Bijzonderheden rijkswetsvoorstellen
§ 9.3. Bijzonderheden initiatiefwetsvoorstellen
§ 9.5. Bijzonderheden herziening Grondwet of Statuut voor het Koninkrijk
Hoofdstuk 10. Verdragen, (ontwerp)besluiten en (initiatief)nota’s
§ 10.1. Verdragen
§ 10.2. (Ontwerp)besluiten
§ 10.3. (Initiatief)nota’s
Hoofdstuk 11. De kabinetsformatie
Hoofdstuk 12. Inlichtingen en onderzoek
§ 12.1. De schriftelijke vragen
§ 12.2. Het mondelinge vragenuur
§ 12.6. Parlementair en extern onderzoek
Hoofdstuk 13. Europese, internationale en interparlementaire aangelegenheden
§ 13.1. Europese aangelegenheden
§ 13.2. Internationale aangelegenheden
§ 13.3. Interparlementaire aangelegenheden
Hoofdstuk 14. Verzoekschriften en burgerinitiatieven
Hoofdstuk 15. Openbaarheid, vertrouwelijkheid en integriteit
§ 15.2. Toehoorders en overige aanwezigen
§ 15.3. Verslaglegging
§ 15.4. Geheimhouding besloten vergaderingen
§ 15.6. Vertrouwelijkheid stukken
§ 15.7. Openbare registers
§ 15.8. Integriteit
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)