Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 10 maart 2022, nr. IENW/BSK-2022/44209, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen ten behoeve van lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten (Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten)

Type Ministeriële regeling
Publication 2022-04-01
State In force
Source BWB
artikelen 17
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 17, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, artikel 4, eerste en tweede lid, juncto 3, eerste lid, onderdelen a en f, en artikel 5, onderdelen a tot en met f en h, van de Kaderwet subsidies I en M;

BESLUIT:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 2. Activiteiten waarvoor een specifieke uitkering kan worden verstrekt

De minister kan op aanvraag een specifieke uitkering verstrekken voor de overeenkomstig artikel 7 geraamde, op grond van artikel 6 voor een specifieke uitkering in aanmerking komende kosten van een project of projectpakket dat zich bevindt in de verkenningsfase, de planuitwerkingsfase of de realisatiefase, indien:

Artikel 3. Aanvrager

Een specifieke uitkering kan worden aangevraagd door een gemeente, die niet is gelegen in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, een provincie, de Vervoerregio Amsterdam of de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

Artikel 4. Uitkeringsplafond en wijze van verdeling

1.

Het uitkeringsplafond voor specifieke uitkeringen in een begrotingsjaar wordt vastgesteld door middel van de wet tot vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds van dat begrotingsjaar.

2.

De verdeling van de beschikbare middelen in een begrotingsjaar vindt plaats overeenkomstig de wet, bedoeld in het eerste lid, en het daarbij behorende MIRT-overzicht.

3.

Indien de verlening van een specifieke uitkering is geweigerd op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt in het eerstvolgende begrotingsjaar zonder hernieuwde indiening van de aanvraag opnieuw een besluit over de aanvraag genomen.

Artikel 5. Begrotingsvoorbehoud

Specifieke uitkeringen die worden verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, worden verleend onder de voorwaarde, bedoeld in artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6. Kosten die in aanmerking komen voor een specifieke uitkering

1.

In de verkenningsfase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de rechtstreeks aan deze fase toe te rekenen kosten van:

2.

In de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de in deze fase rechtstreeks aan het project of projectpakket toe te rekenen kosten van:

3.

In de realisatiefase van een project of projectpakket komen in aanmerking voor een specifieke uitkering de in deze fase rechtstreeks aan het project of projectpakket toe te rekenen kosten:

4.

Geen specifieke uitkering wordt verstrekt voor:

Artikel 7. Kostenraming

1.

De raming van de kosten, bedoeld in de artikel 6, eerste lid, vindt plaats conform Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018, op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische of de gemiddelde waarde van een probabilistische raming.

2.

De raming van de kosten, bedoeld in artikel 6, tweede lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de meest waarschijnlijke waarde van een deterministische of de gemiddelde waarde van een probabilistische raming, indien het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd niet meer dan 25 miljoen euro bedraagt en op basis van de gemiddelde waarde van een probabilistische raming, indien het bedrag waarvoor de specifieke uitkering wordt aangevraagd meer dan 25 miljoen euro bedraagt.

3.

De raming van de kosten, bedoeld in artikel 6, derde lid, vindt plaats conform de Standaardsystematiek voor Kostenramingen 2018 op basis van de gemiddelde waarde van een probabilistische raming.

Artikel 8. Hoogte specifieke uitkering

1.

Een specifieke uitkering voor de verkenningsfase van een project of projectpakket bedraagt vijftig procent van de overeenkomstig artikel 7, eerste lid, geraamde, op grond van artikel 6, eerste en vierde lid, in aanmerking komende kosten.

2.

Een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase of de realisatiefase van een project of projectpakket is gebaseerd op de meest doelmatige variant van het project of projectpakket en bedraagt:

3.

De kosten van maatregelen als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds komen gedurende maximaal vijf jaren in aanmerking voor een specifieke uitkering.

4.

Het drempelbedrag voor de overeenkomstig artikel 7 geraamde en op grond van artikel 6 in aanmerking komende kosten van de realisatiefase is 225 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel of gedeeltelijk wordt gerealiseerd in het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag en 112,5 miljoen euro, indien het project of projectpakket geheel wordt gerealiseerd buiten het gebied van de Vervoerregio Amsterdam of het gebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag.

5.

In afwijking van het tweede lid, onderdelen b of c, kan de minister voor het bepalen van de hoogte van de uitkering, bedoeld in die onderdelen besluiten een lager drempelbedrag te hanteren indien de aanvrager aantoont dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een onredelijke situatie voor hem tot gevolg hebben.

Artikel 9. Aanvraag verlening specifieke uitkering

1.

Een aanvraag van een specifieke uitkering heeft betrekking op een van de fasen van een project of projectpakket, genoemd in het tweede tot en met vierde lid.

2.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

3.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de planuitwerkingsfase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

4.

De aanvraag van een specifieke uitkering voor de realisatiefase van een project of projectpakket gaat vergezeld van:

Artikel 10. Verlening specifieke uitkering

1.

De minister beslist binnen zes maanden na ontvangst over de aanvraag van een specifieke uitkering.

2.

Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met eenzelfde termijn worden verlengd. De minister doet hiervan terstond mededeling aan de aanvrager.

3.

Een besluit tot verlening bevat in ieder geval:

4.

De minister kan in het besluit tot verlening bepalen dat het bedrag van de specifieke uitkering bij de vaststelling of tussentijds wordt geïndexeerd volgens de Index Bruto Overheidsinvesteringen, zoals geraamd in het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau.

Artikel 11. Voorschotverlening

1.

De minister verleent op aanvraag van de ontvanger een voorschot, indien een mijlpaal in de voortgang van een project of projectpakket is bereikt en het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, in voorschotverlening na het bereiken van een mijlpaal voorziet.

2.

Een voorschot kan maximaal tweemaal per kalenderjaar worden aangevraagd. De indiening van de aanvraag vindt plaats vóór 1 juli of vóór 1 januari.

3.

Een aanvraag van een voorschot vermeldt het gevraagde bedrag en gaat vergezeld van een voortgangsrapportage, waaruit blijkt dat de mijlpaal is bereikt.

Artikel 12. Verplichtingen van de ontvanger

1.

De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na de dagtekening van het besluit te beginnen met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend.

2.

De ontvanger legt een wijziging ten opzichte van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 9, tweede, derde of vierde lid, tijdig voor instemming voor aan de minister, voor zover die wijziging van invloed is op de reikwijdte, effectiviteit, kosten, kwaliteit of voortgang van het project of projectpakket.

3.

De ontvanger van een specifieke uitkering voor de verkenningsfase of de planuitwerkingsfase maakt binnen zes maanden na voltooiing van de fase hiervan melding aan de minister.

4.

De ontvanger van een specifieke uitkering voor de realisatiefase maakt binnen een jaar nadat de infrastructuur in gebruik is genomen hiervan melding aan de minister. Indien de specifieke uitkering betrekking heeft op een projectpakket waarvan een maatregel als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel a, van de Wet Mobiliteitsfonds deel uitmaakt, kan deze termijn op verzoek van de ontvanger worden verlengd tot zes maanden na de voltooiing van de maatregel.

5.

Bij een melding als bedoeld in het derde of vierde lid, verstrekt de ontvanger een eindverantwoording over de in de fase behaalde resultaten.

6.

Op verzoek van de ontvanger kan de minister de termijnen, bedoeld in het derde en vierde lid, met ten hoogste zes maanden verlengen.

7.

Een ontvanger van een specifieke uitkering of een decentrale overheid die middelen ontvangt die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, werkt mee aan een door de minister ingesteld evaluatieonderzoek ten behoeve van een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de specifieke uitkering in de praktijk als bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht.

8.

De minister kan bij het besluit tot verlening, bedoeld in artikel 10, derde lid, ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de specifieke uitkering.

Artikel 13. Verantwoording

Op de verantwoording over de besteding van een specifieke uitkering:

Artikel 14. Vaststelling specifieke uitkering

1.

De minister stelt een specifieke uitkering vast binnen zes maanden nadat de melding, bedoeld in artikel 12, derde of vierde lid, en de eindverantwoording overeenkomstig artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet hebben plaatsgevonden.

2.

Een besluit tot vaststelling vermeldt in ieder geval:

Artikel 15. Hardheidsclausule

De minister kan bij het vaststellen van de uitkering afwijken van artikel 8, eerste lid, of tweede lid, onderdeel a, b of c, voor zover toepassing gelet op doel of strekking van de bepaling, voor de ontvanger van de uitkering zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2022. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt gepubliceerd wordt uitgegeven na 31 maart 2022, treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkeringen lokale en regionale MIRT-projecten en MIRT-projectpakketten.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)